Winst en verlies van de Vrijmaking

Wat neem je vanuit het verleden mee naar de toekomst? Voor iedereen en in elk verband is het zinvol om regelmatig bij je identiteit en missie stil te staan. Op Hervormingsdag 31 oktober 2019, bij het 75-jarig bestaan van de GKv, deden docenten van de Theologische Universiteit van Kampen dat tijdens het symposium ‘Gereformeerde theologie stroomopwaarts’.[1] De bundel die naar aanleiding van dit symposium verscheen is een waardevolle stimulans om over de betekenis van de Vrijmaking voor de theologie, het geloof en de kerk van vandaag na te denken. De waarde wordt verhoogd omdat we als GKv en NGK op weg zijn naar een herenigde kerk. De bezinning op de winst en het verlies van de Vrijmaking kan ons helpen om met realistische verwachtingen en doelstellingen onze gezamenlijke toekomst vorm te geven.

[Uitgebreide versie van recensie in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 19 februari 2021]

Toen ik recent de jaargangen van het vrijgemaakte lijfblad ‘De Reformatie’ las die in de jaren vlak na de Vrijmaking verschenen, moest ik denken aan een vechtscheiding. De pijn over het volkomen onterechte en onbarmhartige gedumpt zijn door de GKN (de synodaal-gereformeerden) spat er wekelijks, aflevering na aflevering, af. De verbetenheid waarmee de eigen visie op wat er gebeurd was, verdedigd wordt in het staan voor de ‘zaaksgerechtigheid’, is dezelfde als die van een huwelijk waarin de hartstocht voor elkaar door verraad omgeslagen is in wederzijdse verachting en woede.

Van emotie naar reflectie

Dat de emotie en de verbijstering over de Vrijmaking en haar gevolgen wederzijds is, blijkt uit wat Dirk van Keulen schrijft over het levenslange trauma van dr. Gerrit C. Berkouwer, de voorzitter van de synode die Klaas Schilder als hoogleraar schorste en afzette. Dat er vanaf de kant van de GKN vanaf het begin ook hoop op herstel aanwezig is geweest, blijkt uit de bijdrage van Theo van Staalduine, die het perspectief van de GKN op de Vrijmaking schetst. Tegelijk wordt daarin pijnlijk duidelijk waarom dat niet mogelijk bleek. Men verstond elkaar niet meer vanwege het onderlinge wantrouwen. Dat leidde tot een wederzijdse vertekening van de intenties en inhoudelijke posities van de ander.

Lastig bij dit hoofdstuk vond ik overigens wel, dat ik niet altijd goed kon vaststellen waar de weergave van de visie van de GKN destijds overgaat in het eigen oordeel van Van Staalduine op het conflict nu. Met name als Van Staalduine schrijft dat de Vrijmaking onvermijdelijk was omdat de latere vrijgemaakten niet van compromissen wilden weten, terwijl de synode juist in haar besluiten probeerde meerdere standpunten binnenboord te houden (41). Of dat de breuk onnodig was, omdat niemand vanwege ketterij werd geschorst of afgezet, maar alleen vanwege scheurmaking doordat de vrijgemaakten hun eigen gelijk verabsoluteerden en zo de bedding van het geloof onnodig versmalden. Was er in 1944 binnen de GKN werkelijk plaats voor alle bezwaarden en vrijgemaakten, ‘als zij andere groepen en meningen niet langer als ongereformeerd wilden bestrijden’ (42)? 

Duidelijk wordt dat afstand in tijd helpt om zicht te krijgen op het eigen aandeel in het ontstaan van de Vrijmaking. Daarbij is het belangrijk dat de effecten van het eigen handelen niet uitsluitend gelegitimeerd worden met een beroep op de religieuze motivatie. Erik de Boer laat zien dat er zo in de GKv vanaf de jaren ’90 een verschuiving optreedt van het ‘herdenken’ van de Vrijmaking als een ‘werk des Heren, dat ook voor het heden van betekenis is voor ons en onze kinderen’ (J. Douma, 1969) naar ‘geschiedschrijving’, waarin ook de motieven en daden van mensen geanalyseerd, geduid en gewogen mogen worden. Erkenning van geloofsmotieven en van waardevolle elementen van de Vrijmaking en het vrijgemaakte verleden kunnen dan samengaan met oog voor wat zwak en verkeerd was.

Heilsgeschiedenis en prediking

Naast de historische taxaties van de Vrijmaking schetst de bundel vanuit verschillende theologische disciplines de actuele betekenis van de Vrijmaking. De kenmerkende thema’s van de vrijgemaakte theologie zijn die van heilsgeschiedenis en het leven in het verbond. Wat uit de bijdragen naar voren komt, is dat deze thema’s in 75 jaar verder ontwikkeld en aangepast zijn. De stimulans kwam wel door de Vrijmaking, maar in de uitwerking is er aanwijsbaar ook de invloed van de eigentijdse context.

Koert van Bekkum en Gert Kwakkel schetsen vanuit de bijbelwetenschappen de actualiteit van de Kamper aandacht voor de heilsgeschiedenis. Zij plaatsen die in het grotere geheel van de gereformeerde bijbelwetenschap vanaf de 19e eeuw. Zo wordt inzichtelijk, dat de TU Kampen niet uniek is in haar aandacht voor de heilsgeschiedenis. Er is ook de invloed van Geerhardus Vos in Amerika, begin 20e eeuw hoogleraar aan Princeton, terwijl ook het werk van de GKN hoogleraar Nieuwe Testament Herman Ridderbos van betekenis is.

Het kenmerk van de vrijgemaakte exegese was dat er voornamelijk lijnen van het Oude Testament naar Christus als het centrum van de bijbel werden getrokken. In de loop der tijd is deze benadering verbreed naar hoe God in de (heils)geschiedenis werkt, waarbij de ‘christologische dimensie’ zeker niet vergeten wordt. Ook is er nu meer aandacht voor de literaire vormgeving en de theologische boodschap van de tekst, waarbij erkend wordt dat Bijbelse figuren en situaties wel degelijk als ‘exemplarische’ voorbeelden kunnen dienen voor ons handelen als gelovigen vandaag.

Dat wordt ook duidelijk in de ontwikkeling van de vrijgemaakte preekmethode door Kees Trimp en Kees de Ruijter. Door hen kwamen de hoorder en zijn situatie meer in beeld. Daarnaast, zo vertellen de huidige docenten homiletiek Kees van Dusseldorp (GKv) en Kees de Groot (NGK) in een interview, is er meer aandacht gekomen voor de structurering van de preek en voor de talige vormgeving. Het grote verschil met de preekmethode van vlak na de Vrijmaking is dat vragen als relevantie en het effect van wat je zegt en hoe je het zegt, nadrukkelijk in de prediking meegenomen worden. ‘De wereld is sinds de Vrijmaking totaal veranderd, dus zijn onze preken heel anders. Maar toch ook niet, want preken blijft Christusverkondiging’ (137).

Zelfonderzoek en leven in het verbond

Vanuit de systematische theologie wijden Dolf te Velde en Hans Burger hun bijdrage aan de visie op de belofte van God in het sacrament van de doop en de visie op het verbond van God met de mens. Dit waren de twee inhoudelijke strijdpunten in de tijd van de Vrijmaking, die zich concentreerde op het geoorloofd zijn van het zgn. ‘zelfonderzoek’. De synode van de GKN vond zelfonderzoek in prediking en praktijk noodzakelijk en probeerde dat met de leerbesluiten op te leggen, terwijl de vrijgemaakten vreesden dat al die nadruk op zelfonderzoek de mensen op een subjectivistisch spoor zou brengen en hen zou afleiden van de vaste beloften van Gods verbond in de doop gegeven.

Dolf te Velde omschrijft het begrip ‘belofte’ met behulp van de taaldadentheorie op een waardevolle manier. Hij laat zien, dat de belofte niet een stand van zaken weergeeft (het wedergeboren zijn), maar dat God in het doen van een belofte zichzelf vastlegt op èn door het uitspreken daarvan ‘iets oproept en tot stand brengt, namelijk het behoud in de weg tot geloof’ (105). Met deze invulling wil Te Velde een dam opwerpen tegen het gevaar van zowel verbondsautomatisme (want zelf actief geloven blijft noodzakelijk) als het ‘normatief idealisme’ (dat de norm van het leven in verbond ook de feitelijke praktijk zou zijn). Zo kan hij tegelijk recht doen aan de intentie van de vrijgemaakten als die van de GKN synode destijds, omdat de vraag legitiem is en ook gesteld moet worden, of en hoe je als gelovige leeft.

Hans Burger beschrijft het decor van de ’30-er jaren in de GKN, waarin de visie op het verbond een betwist thema wordt. Hij laat zien dat Schilder een grote juridische nadruk legt om de objectiviteit en normativiteit van het verbond te waarborgen. Door dit accent verdwijnen echter het overwicht van Gods liefde en genade, wordt de subjectiviteit negatief gewaardeerd en is er voor het overwegen van het werk van de Heilige Geest nauwelijks ruimte meer. In zijn eigen visie sluit hij aan bij Kees Trimp, die in de jaren ’80 juist op deze punten de visie van Schilder heeft geprobeerd te corrigeren door aandacht te vragen voor ‘het schenkende karakter van Gods belofte, het overwicht van de genade en de weerklank van Gods Woord in het leven en het hart van de gelovige’ (125-26).

De praktijk van het vrijgemaakte leven

In de lijn van de bijdrage van Hans Burger ligt die van Ad van der Dussen over het werk van de Geest. Hij erkent dat de vrijgemaakte vrees voor subjectivisme een terechte pastorale achtergrond had, omdat men waarnam dat veel leden van de GKN zich afvroegen of ze wel een kind van God waren. De reactie om alle nadruk te leggen op de objectiviteit van het Woord en de belofte en het werk van de Geest met de verkondiging van het Woord te laten samenvallen was echter een overreactie. In dezelfde lijn als Trimp wil Van der Dussen met een beroep op Calvijn de werking van de Geest in het innerlijk van de mens als een eigen moment zien. Op basis daarvan pleit hij o.a. om de beweging van de charismatische vernieuwing met meer openheid te benaderen dan tot nu toe in de vrijgemaakte theologie gebruikelijk was.

Als laatste laat Peter van de Kamp aan de hand van de ontwikkelingen op het gebied van diaconaat zien, dat de context van wezenlijke invloed is op de wijze van kerk-zijn. Vlak na de Vrijmaking stond men in de GKv negatief tegenover overheidssubsidies, omdat de armenzorg een taak van de familie en de diaconie zou zijn en niet van de overheid. De discussie verstomde toen veel kerkleden anders kozen dan de leiders. Daardoor kregen de diakenen als vanzelf meer aandacht voor de immateriële nood in de moderne samenleving. Ook kwam er vanaf de jaren ’70 oog voor het externe diaconaat van de gemeente. Het nieuwe concept ‘diaconale gemeente’ werd een middel om een omschakeling tot stand te brengen van kerken-met-een-diaconie naar missionair-diaconale kerken, die relevant willen zijn voor de omringende, lokale samenleving.

Balans opmaken

De Vrijmaking spitste zich toe op twee aspecten. Allereerst was er dogmatisch een verschil van inzicht over ‘de veronderstelde wedergeboorte’ als grond voor het dopen van kleine kinderen en de vraag naar het ‘zelfonderzoek’ van de gelovige. Vervolgens was er kerkrechtelijk verschil van inzicht over ‘het tuchtrecht van meerdere vergaderingen’ en de uitleg van art. 31 DKO, het voor vast en bondig houden van besluiten, tenzij ze met Gods woord of de kerkorde in strijd zijn.

Een zwak punt is het kerkrechtelijk beroep op het ‘ratificatierecht’ als grond voor de Vrijmaking. Leon van den Broeke laat zien, dat de interpretatie van art. 31 DKO door de vrijgemaakte kerkrechtdeskundige Pieter Deddens historisch onhoudbaar is, maar wel verklaarbaar is als verzet tegen de synodocratie van de GKN. Volgens Deddens moeten de kerkenraden de besluiten van meerdere vergaderingen eerst ratificeren (goedkeuren), voordat ze rechtskracht kunnen krijgen. Opmerkelijk is overigens dat Jaap Kamphuis en Detmer Deddens, de zoon van Pieter Deddens, in de jaren ’60 deze interpretatie terzijde stellen, maar tegenover de latere NGK-ers vol blijven houden dat hun verdediging van het ratificatierecht het onderwijs van Pieter Deddens onrecht zou doen.

Kerkrechtelijk van belang is verder de vraag die Erik de Boer opwerpt, of de Vrijmaking niet mede tot stand is gekomen doordat de persoon van prof. Klaas Schilder toch meer centraal stond dan hij zelf kon of wilde zien, en of hij daardoor de breuk ook niet zelf geforceerd heeft.

Inhoudelijk kun je m.i. niet anders dan instemmen met de conclusie van dr. Aryjan N. Hendriks uit 2015: ‘Terugkijkend denk ik: wat was dat een vreemd gevecht. Je kunt toch rustig over Gods vaste beloften spreken, terwijl je ook de vraag stelt: Heb je de Here Jezus waarlijk lief en leef je uit wat de Here je beloofd heeft? Er was zeker een spraakverwarring in geding.’[2]

En nu?

Om in het beeld van een vechtscheiding te blijven: sommige stellen zullen elkaar nooit kunnen vergeven, andere lukt het om een manier van omgaan met elkaar te vinden, en een enkel stel zal het geluk ervaren tot een tweede huwelijk te kunnen komen. Voor dat laatste is het wel nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor ieders eigen aandeel in het ontstaan van de scheiding.

In dit licht bezien is de vraag van Van Staalduine terzake, of het niet mogelijk is om samen een ‘streep onder deze verdrietige geschiedenis’ te zetten en elkaar weer ‘voluit te erkennen als delen van hetzelfde lichaam van Christus’ (44). De GKN heeft in 1988 in een schuldbelijdenis uitgesproken dat zij te weinig oog had voor de gewetensnood van de latere vrijgemaakten en af had moeten zien van het toepassen van tucht. Ook Berkouwer heeft in 1989 geschreven dat hij medeverantwoordelijk was voor de schorsing van Schilder en dat de scheuring van de GKN niet had mogen gebeuren.

In 1991 heeft de NGK deze uitspraken met blijdschap aanvaard en onder erkenning van eigen verkeerde woorden en daden de intentie uitgesproken om samen te bidden om Gods Geest, ‘die heel maakt en nieuw leven schept’. De GKv waren in 1990 niet in staat om deze schuldbelijdenis positief te ontvangen. Er is alle reden om als herenigde kerk van GKv en NGK hierin tot gemeenschappelijkheid te komen, juist ook omdat de waardering van de Vrijmaking het punt was waarop men in de jaren ’60 uiteenging. Wat mij betreft betekent dit een positief ingaan op de oproep van Van Staalduine.

Als GKv hebben we de pretentie de ware kerk van Christus te zijn achter ons gelaten. Zoals Marinus de Jong in zijn bijdrage de ontwikkelingen in de GKv sinds 1990 typeert: we maakten een soort normalisering door ‘van een afgezonderde zuil met een wat geïsoleerde positie naar een kerkgenootschap onder de kerken’ (172). Dat leidde enerzijds tot verdriet en verzet, getuige afscheidingen als van ‘Reformanda’ (2004) en de ‘GKN (hersteld)’ (2009), anderzijds tot vreugde en tot begin van hereniging van GKv en NGK (2017). Dit stelt ons voor de vraag, die Erik de Boer ons als erfgenamen van de Vrijmaking voorlegt: hoe zien wij de relatie tussen een nationaal kerkverband met een bepaalde geschiedenis enerzijds en de katholiciteit van de kerk anderzijds (32)? Een vraag die ik zo vertaal: onder welke condities kunnen en willen wij in een situatie van kerkelijke verdeeldheid samenwerken met andere kerken?

Marinus de Jong laat als vertegenwoordiger van een nieuwe generatie predikanten zien dat kritiek op en schaamte over het verleden hand in hand mag gaan met trots te zijn op wat aan goeds in de vrijgemaakte traditie te vinden is. Hij roept ons op om vanuit de kerk als gelovigen op basis van Gods beloften, in een cultuur van toewijding en zonder schaamte, in deze wereld Christus te belijden (176).

Willem Smit, een achterkleinzoon van Klaas Schilder, die aan de bundel twee gedichten bijdraagt, verwoordt het in de laatste twee strofen van het gedicht ‘Het offer’ treffend (77):

 ‘als wij de vraag weer gaan verstaan
 en dwars door alle nevel heen
 staren in elkaars gelaat
 krijgen wij de handen vrij
 niet om te vergaren
 maar om alles wat we kregen
 in ons bewerkt 
 weer door te geven
  
 dan worden wij tot wierook
 geurend stijgend naar omhoog
 niet tot aflaat
 maar tot een niet aflatend
 dankbaar zijn’

[1] N.a.v. Gereformeerde theologie stroomopwaarts. Terugkijken op 75 jaar Vrijmaking, Erik de Boer, Geranne Tamminga en Dolf te Velde (red.), Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021.

[2] Aryjan Hendriks, Een boeiend boek over A. Janse, in: Nader Bekeken, November 2015, p. 314.

Gods gulle goedheid

De gelijkenis van ‘de werkers van het laatste uur’ in Matteüs 20:1-16 lijkt wel wat op een aantal Joodse parabels over arbeiders en beloningen. Toch wijst Jezus’ gelijkenis uiteindelijk voorbij de beloning op de essentie van het leven in Gods koninkrijk.

Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 5 februari 2021 door Anne-Maaike Pathuis

De gelijkenis in Matt. 20 is kort samen te vatten: een landheer huurt op verschillende tijdstippen arbeiders in voor het werk in de wijngaard, en aan het einde van de dag krijgen alle arbeiders hun beloning. De ‘werkers van het laatste uur’ krijgen als eerste hun beloning, waarna de eerste werkers ook hun beloning ontvangen – en ze krijgen allemaal precies evenveel. Het levert onrust op onder de eerste werkers: waarom krijgt iedereen dezelfde beloning, terwijl de werktijd niet gelijk is? De boodschap van de gelijkenis is nog niet zo gemakkelijk te begrijpen. Gaat het hier, zoals Luther stelde, om een verbeelding van het verschil tussen de mensen die dienen om een beloning te verdienen en de mensen die zelf niet het idee hebben dat ze iets verdiend hebben? En dus om een schijnbare tegenstelling tussen ‘redding door werken’ en ‘redding door genade’? Of gaat de gelijkenis verder dan de redding, verder dan de beloning die gegeven wordt?

Joodse parabels

Er zijn een aantal Joodse parabels, die qua thematiek en sfeer lijken op de gelijkenis in Matt. 20. Eén ervan gaat over arbeiders in een boomgaard, die niet weten hoeveel ze betaald zullen krijgen voor het werk aan welke boom – zodat alle bomen evenveel zorg zullen krijgen, ook bij verschillende beloningen. Een andere parabel gaat over een koning die twee arbeiders in dienst neemt, waarvan de eerste de hele dag werkt en de tweede slechts een uur, waarna beide arbeiders één denarie als loon krijgen. De boodschap van beide parabels is dat het voor God niet uitmaakt hoeveel werk er wordt gedaan, maar wel dat het gebeurt vanuit de motivatie om gehoorzaam te zijn aan Gods roeping. Sommige bijbelwetenschappers stellen dat de boodschap van deze parabels dus hetzelfde is als die van Matt. 20: het gaat niet om de hoeveelheid werk, want God beloont de inzet van de arbeiders, of de gehoorzaamheid aan de Torah – soms zelfs op gelijke wijze.

Beloning voor navolgen?

Op het eerste gezicht is dit inderdaad de centrale boodschap: God beloont iedereen die meedoet in zijn koninkrijk gelijk. Jezus vertelt de gelijkenis in antwoord op de vraag van Petrus, waar zij als leerlingen naar mogen uitzien nu zij alles hebben achtergelaten en Jezus zijn gevolgd. Jezus verzekert hem en de andere leerlingen dat zij en iedereen die iets of iemand heeft achtergelaten voor hem ‘het honderdvoudige’ zal ontvangen en deel krijgt aan het eeuwige leven. Dan volgt de cryptische zinsnede ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’ (19:29), die omgekeerd ook aan het einde van de gelijkenis klinkt. Met de gelijkenis lijkt Jezus uit te leggen dat de beloning gelijk is voor ieder die hem volgt, of iemand dat nu al vanaf het begin doet of pas later.

De landheer centraal

Toch is er een belangrijk verschil tussen de Joodse parabels en de gelijkenis die Jezus vertelt. In Jezus’ gelijkenis hangt de beloning inderdaad niet af van de hoeveelheid werk van de arbeiders, maar óók niet van de inzet, motivatie of gehoorzaamheid van de arbeiders. In Jezus’ gelijkenis is de beloning gegrond in de rechtvaardigheid en de goedheid van de landheer. Over deze landheer gaat het in de hele gelijkenis, zoals de eerste zin al aangeeft: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een landheer…’ (20:1). Petrus lijkt met zijn vraag (19:26) gefocust op de beloning waar hij en de andere leerlingen naar uit kunnen zien, en een vergelijkbare vraag naar beloning en positie klinkt na de gelijkenis uit de mond van de moeder van Johannes en Jakobus (20:21). Maar Jezus richt de aandacht van de leerlingen op het grotere plaatje van Gods koninkrijk: als je Jezus navolgt ontdek je dat het koninkrijk in hem handen en voeten krijgt. In Jezus komt Gods koningschap over de wereld dichterbij.

Dankbaarheid

Dat koningschap wordt gekenmerkt door wie God als koning is, en de landheer in de gelijkenis verbeeldt daar iets van. Hij is soeverein, dus vrij om te geven en te belonen, hoe hij het wil. Hij is rechtvaardig en houdt zich dus aan zijn beloftes en afspraken. Bovenal is hij gul en goed, hij beloont iedereen ruimhartig omdat hij goed is. Jezus richt de blik van zijn leerlingen op deze landheer, op God. Want een leven in Gods koninkrijk gaat niet om het vergelijken van beloningen, maar is een leven in dankbaarheid aan de God die mensen in zijn goedheid laat delen.

Met Jezus verbonden blijven

De derde week van januari was het de ‘Week van gebed’ en nu is het de ‘Maand van de bijbel’. Volgens Johannes 15 zijn bidden en het Woord bewaren dè middelen om als leerlingen met Jezus verbonden te zijn en vrucht te dragen. Jezus gebruikt daarvoor het beeld van de wijnstok. Wanneer de ranken met de wijnstok verbonden zijn, kunnen zij vrucht dragen. Maar hoe blijf je als rank met de stam van de wijnstok verbonden? Kun je daar als rank zelf aan bijdragen?

Artikel in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 5 februari 2021

Het is de hoop van iedere ondernemer, dat de investering in zijn bedrijf aan het eind van het seizoen winstgevend zal zijn. Je hebt het niet in de hand, want je bent afhankelijk van het economisch tij. Een wijnboer heeft ook nog te maken met de weersomstandigheden. Maar hij hoopt ondanks alles op een mooie oogst en een hoog rendement.

Vrucht dragen

Ook Jezus hoopt dat zijn leerlingen veel vrucht zullen dragen. Hij heeft hen uitgekozen en is drie jaar met hen opgetrokken. Hij bereidde hen voor op hun taak om net als hij het evangelie te verkondigen, de mensen te vertellen dat God door Jezus deze wereld wil redden en ze daarom op te roepen om nu ook in Gods koninkrijk te leven. Nu hoopt Jezus dat zijn leerlingen het stokje over zullen nemen. Dat zij de missie die hij van God gekregen heeft, zullen uitbouwen. Hij zendt hen de wereld in om op weg te gaan en vrucht te dragen.

Toch is zijn eigen investering van tijd en energie niet het voornaamste motief voor Jezus’ verlangen. Het belangrijkste motief is God zelf. Want Jezus wilde zelf niets liever dan de opdracht van zijn Vader uitvoeren. Hij deed zijn werk op aarde om Gods grootheid en heerlijkheid te laten zien. Daarom hoopt hij ook voor zijn leerlingen op vrucht. Dat in hun doen en laten Gods heerlijkheid zichtbaar zal worden.

Rank en stam

Vrucht dragen kunnen de leerlingen alleen, als ze met hem verbonden blijven. ‘Als jullie niet in mij blijven, zoals de ranken met de stam verbonden zijn, kunnen jullie geen vrucht dragen. Als je niet met mij verbonden bent, verdor je.’ Het vreemde van deze vergelijking is dat ranken er niet voor kunnen kiezen om zich van de wijnstok los te maken. Los komen van de wijnstok gebeurt door externe factoren, door de wijnboer, door een dier of een heftige storm, maar zichzelf losmaken van de stam kan een rank niet.

Toch kan iemand in de werkelijkheid zich wel losmaken van Jezus. Vandaar zijn dringende oproep om met hem verbonden te blijven. ‘Blijf in mij dan blijf ik in jullie.’ Het vraagt van de leerlingen een actieve houding om de band met Jezus te onderhouden.

Liefde is de essentie

De wijnstok staat voor die band met Jezus, en via Jezus met God. God is niet een ondernemer die voor het hoogste rendement gaat om daar in zijn beschermde golfresort eens lekker van te gaan rentenieren. Voor God is de wijnbouw de essentie van zijn wezen en zijn bestaan. In die wijnstok investeert hij zichzelf. De wijnbouw is voor hem hèt middel om zijn liefde te delen. In Jezus als de ware wijnstok verklaart God ons en onze wereld zijn liefde en verbindt hij zich met ons.

Wanneer God en Jezus uitzien naar een rijke oogst, dan gaat het hen om de vermenigvuldiging van hun liefde. Via ons als leerlingen van Jezus en kinderen van God willen zij hun heerlijkheid uitdelen. Als dragers van Gods liefde kunnen wij via onze ogen, de handen, de voeten, de oren en de mond de instrumenten zijn van Gods liefde voor deze wereld.

Liefde als gebod

Voor ons is dit de belangrijkste taak in ons leven: Gods liefde delen. Alles wat je doet, moet je afmeten aan één doel en norm: dat heel je leven door die van God ontvangen liefde gestempeld is. Zoals Jezus zegt: ‘Dit is mijn gebod voor jullie, dat jullie elkaar liefhebben, zoals ik jullie heb liefgehad.’ Het houden van allerlei regels, geboden en voorschriften heeft  geen zin, als wat je doet en wat je nalaat, niet gedragen wordt door liefde. Zo worden wij als leerlingen van Jezus opgeroepen vrucht te dragen door Gods liefde te delen.

Alles vragen  

Daarom zijn Bijbellezen en bidden voor een christen noodzakelijk. Bijbellezen om je iedere keer opnieuw te laten bevestigen dat je Gods geliefd kind bent. Door hun woorden willen God en Jezus met de Geest in ons wonen. Bidden als middel om uit te spreken, dat je blij ben dat je Gods kind mag zijn, dat je in Gods wereld verantwoordelijk wilt leven, en om te vragen om kracht en om Gods Geest om dat ook echt te doen. Wanneer je zo de verbinding met Jezus zoekt, kun je alles vragen wat je nodig hebt om te leven in Gods koninkrijk, alles wat jij nodig hebt om in jouw situatie Gods liefde te delen. Het is Jezus’ belofte, dat het dan ook zal gebeuren: ‘Wat je de Vader in mijn naam zult vragen, zal Hij je geven.’

Generaties in de kerk

‘Hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders.’ Dat is de tekst uit Maleachi 3:24 die altijd in de Adventstijd gelezen wordt, omdat de engel er in de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper naar verwijst. God wil graag één volk dat er op gericht is om hem te ontmoeten en met hem te leven. Dit verlangen van God stimuleert ons om er over na te denken hoe een kerk eruit ziet, waarin de generaties met elkaar verbonden zijn.

Artikel in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 28 december 2020

Het samenleven in de tijd van het Oude Testament is voornamelijk een familiegebeuren. Vaak woont men met een aantal kerngezinnen als grootfamilie en clan bij elkaar of in elkaars nabijheid. In het kerngezin en -huishouden wordt getrouwd, worden kinderen geboren en grootgebracht, en voedsel en andere zaken geproduceerd en gebruikt. Op economisch gebied werkt men samen binnen de grootfamilie en binnen clan- of stamverband, terwijl men in sociaal opzicht ook daar het leven met elkaar deelt. De verbinding tussen de generaties is dus een vanzelfsprekend gegeven.

Omdat het godsdienstig leven nauw met het dagelijks leven verbonden is, zijn de generaties ook op godsdienstig terrein met elkaar verbonden. Het belangrijkste feest van Israël, het Pesachfeest, wordt binnen de familie gevierd. Het brengen van offers, ook al is dat later gecentreerd in regionale offercentra of nationaal in de tempel in Jeruzalem, gebeurt in familieverband. Het naar de tempel gaan om de drie hoogfeesten van het jaar te vieren, doen mensen samen in familie- en clanverband.

Gods droom

Zo heeft God dat voor ogen gehad toen hij de aarde schiep. Dat er generaties zouden komen, die onder zijn zegen zijn volk zouden zijn om deze aarde te bebouwen en te bewaren. Een volk waarmee  Hij verbonden zou zijn, dat Hem zou eren en te midden waarvan Hij ook zijn paleis of tempel zou hebben om er te wonen en regelmatig met hen het leven te vieren. Een plan dat hij na de zondvloed en na de torenbouw van Babel via het volk Israël, het nageslacht van Abraham, zal realiseren.

Het is de droom van God die we ook vinden in Jesaja 2 en Zacharia 8. Dat de volken eens zullen samenstromen naar de tempel in Jeruzalem op de berg Sion, vanuit het verlangen om te leven in het licht van de HEER: ‘Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ En zo zullen, wanneer de HEER na de ballingschap naar de Sion teruggekeerd is en opnieuw in Jeruzalem woont, ‘op de pleinen van Jeruzalem oude mannen zitten, steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, en de straten zullen krioelen van de spelende kinderen.’ Dit grootse visioen zal het kader moeten zijn voor ons nadenken over generaties in de kerk.

Vervulde profetie

In de tijd dat Jezus geboren wordt, leeft het Joodse volk in de overtuiging dat God nog steeds naar Jeruzalem terug moet keren. De ballingschap is niet voorbij, want ze leven als slaven in eigen land onder een vreemd, onderdrukkend Romeins regime. Maar wanneer ze zo uitzien naar de komst van de Messias-koning, is daar opeens Johannes de Doper. Hij bereidt het volk met zijn doop voor op de komst van Jezus, die de vervulling van de profetie is. Want Jezus zal zijn volk uit de duisternis bevrijden, zodat het ontkomen aan de vijand en de voeten zettend op de weg van de vrede, ‘Hem zou dienen, toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid’ (Lucas 1:74-75).

Daarom verkondigt Jezus dat het Koninkrijk van God nabij gekomen is en realiseert hij in zijn sterven de bevrijding. Zo bewijst God zijn barmhartigheid en kunnen de volken op aarde in zijn licht wandelen. Met Pinksteren wordt dit het evangelie voor de wereld: God wil onder de mensen wonen, bekeer je tot Hem, laat je in de naam van Jezus dopen en leef samen met zijn volk, onder zijn regering en heerschappij, in zijn koninkrijk.

Huisgezin van God

De uitdaging waar wij als kerk voor staan, is hoe wij als Gods volk met elkaar en met God samenleven. In het Oude Testament was het samenleven een familiegebeuren, waarin het godsdienstige leven nauw met het economische en het sociale leven verweven was. Na Pinksteren verandert dat op ingrijpende wijze, omdat het leven in een familieverband niet meer funderend is om deel van Gods volk te zijn.

In het Nieuwe Testament wordt de gemeente het huisgezin van God. Daarmee kantelt het perspectief als het gaat om de vormgeving van het geloofsleven in Gods koninkrijk. Nadenken over de verbinding tussen de generaties in de kerk betekent, dat we ons opnieuw moeten bezinnen op de verhouding tussen het familieleven, de kerk en het koninkrijk van God. In onze westerse samenleving denken wij en organiseren wij ons leven nog steeds vanuit de familie en het gezin als primair levensverband. Maar wanneer het koninkrijk van God de prioriteit in ons leven en ons samenleven moet krijgen, wat betekent dat dan voor het leven binnen de familie ten opzichte van het samenleven in de kerk?

Generatie-overstijgend

Daarnaast is er nog een uitdaging. De afgelopen twee eeuwen is de nadruk op het gezin en de familie des te sterker geworden, omdat het economische en maatschappelijke leven eigen terreinen zijn geworden. Ze zijn niet meer zo verweven, zoals dat in de bijbelse tijd het geval was. Daarbij is de verwevenheid van godsdienst en samenleving in de moderne tijd helemaal doorbroken. Godsdienst is niet alleen een apart vakje geworden, maar ook nog uit het publieke leven verbannen naar het privéleven achter de voordeur. Hoe krijgen wij die vanzelfsprekende verwevenheid van godsdienstig leven, persoonlijk leven en samenleven met de generaties weer terug?

In de GKv was het ideaal van de ‘doorgaande reformatie’ daar lange tijd de vorm voor. Het gereformeerde organisatieleven als de ‘natuurlijke’ biotoop en verbinding tussen godsdienst, leven en samenleving. Daarin vielen kerk en koninkrijk Gods bijna naadloos samen en was de verbinding tussen de generaties vanzelfsprekend.

Nu die vrijgemaakte zuil definitief geschiedenis is, hebben we ons opnieuw te bezinnen op de relatie tussen de doelstellingen van ons persoonlijk leven, het gezinsleven en het Koninkrijk van God. Wat mij betreft gaat dat in de richting van intergenerationeel kerk-zijn, waarbij wij de jongeren als de toekomst van de kerk een volwaardige plek in de kerk geven. Het doel zal moeten zijn, dat wij vormen vinden om in de kerk zo samen te leven dat we persoonlijk en samen als generaties gestimuleerd worden om in zijn koninkrijk God te dienen ‘toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid.’

Over intergenerationeel kerk-zijn is er de inspirerende video ‘Bloeiend jeugdwerk’ voor het symposium ‘Lente in de kerk’: https://bit.ly/33MFrPo. Zie ook het artikel van het Praktijkcentrum over ‘Growing Young: Aantrekkelijk kerk-zijn met jongeren’: https://bit.ly/2L70ohk.

Geografie van zegen en heil

De vraag ligt elk najaar weer op tafel, maar dit jaar wel heel expliciet. Wat mag je zien als de zegen van God, waar je op dankdag voor dankt? Als het in economisch opzicht goed gaat, lijkt dat niet zo moeilijk. Maar als de winstverwachtingen door alle coronamaatregelen verdampt zijn en het normale kerkelijk leven stil is gevallen, waar dank je dan voor? Bezinning op die vraag scherpt je oog voor hoe God in Christus zijn zegen schenkt.

Artikel in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 27 november 2020

Er is een gevaar dat je vanuit het godsdienstige principe ‘voor wat, hoort wat’ er vanuit gaat dat voorspoed zegen van God is en ongeluk vloek. Maar in de bijbelse ‘geografie van zegen en heil’ is bepalend dat de zegen onlosmakelijk met God zelf verbonden is als degene die zegent. Zonder de verbinding met God zijn rijkdom en voorspoed voor ons mensen een vloek of kunnen ze tot vloek worden.  

Dat is de conclusie die ik verbind aan het gebed in Jona 2. Het besef dat zijn heil in God ligt, is het fundament van Jona’s gebed. Het van God verstoten zijn, het uit diens ogen verbannen zijn, dat is het onheil wat hem overkomt nu hij in de woeste zee gegooid is en het dodenrijk tegemoet gaat. Want daar is geen contact meer met de hemel of met het land van de levenden mogelijk, omdat de grendels van het dodenrijk voorgoed achter zijn rug gesloten zullen worden.

Gods toewending

In de tijd van Jona was het symbool van dat heil de tempel. Daar is contact met God. Daar troont God op de cherubs boven de ark van het verbond. Daar schenkt God zijn zegen: in het onderwijs in de Thora, in de verzoening op het altaar, in de vrijspraak van schuld, in de zegende handen van de priesters.

Je wordt gezegend en je bent gezegend, wanneer je de toewending van God naar jou toe ervaart en je in de aanwezigheid van God mag zijn. Al die symbolische uitdrukkingen die wij in de Psalmen tegen komen gaan daar over: te mogen verblijven bij de Heer en te mogen wonen in zijn huis, op zijn heilige berg.

In de hogepriesterlijke zegen is dat alles samengevat. Zegen is vandaag de goedheid van de Heer mogen zien, zijn liefdevolle ogen over jouw leven zien schijnen en te mogen leven in zijn vrede.

Godverlatenheid

Het tegengestelde van zegen is ‘niet in de aanwezigheid van God zijn’ en ‘niet zijn liefdevolle ogen over jouw leven zien schijnen.’ Het is de Godverlatenheid. Een oorzaak daarvan kan zijn, dat God zijn oordeel over jouw leven heeft geveld en dat je dus zijn toorn ervaart. Dat is wat Jona ervaart.

Niet bij God zijn kan ook een bewuste keus worden. Jona maakte die keus, maar wil die – nu hij zo diep in het dodenrijk wegzakt – graag ongedaan maken. Maar er is ook het raadsel van de volharding in zo’n keus. Jona verwijst daarnaar: ‘Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten u’ (Jona 2:9). Dat zijn mensen die zich vastklemmen aan wat ‘geen bestand’ heeft, dat wat in Prediker vertaald wordt als ‘lucht en leegte’ – zij jagen hun eigen wensbeelden na. Maar als je zo in het leven staat, dan is het gevaar groot dat je Gods zegen in het leven zult missen, ook al ervaar je nog zoveel voorspoed.

Zegen en vloek

Als het over zegen en vloek gaat zijn de reeksen zegenbeloften en vloekaankondigingen in Deut. 28 indrukwekkend. Essentieel is dat ze over het leven in het beloofde land gaan. Ze zijn voorwaardelijk geformuleerd, omdat ze bedoeld zijn om daadwerkelijk het samenleven met God te stimuleren. Want ook al hebben ze betrekking op vruchtbaarheid en materiële voorspoed, ook hier mag de zegen niet losgemaakt worden van God zelf. Het geestelijke is onlosmakelijk verbonden met het materiële. Dit blijkt ook uit de aansporing dat de zegen van de voorspoed ten overstaan van God en in verbinding met de naaste genoten zal worden. Zo wil de Heer de God van Israël zijn en zullen zij het volk zijn dat aan de Hem gewijd is (Deut. 26:11,19). 

Ten diepste geeft God zijn zegen zodat de schepping daarin tot zijn bestemming komt (Gen. 1,28). In het ontvangen van de zegen ligt dan ook een opdracht besloten om die voor dat doel te gebruiken.

Vrede

Kenmerkend voor onze manier van denken en leven is dat we dingen op zichzelf beschouwen, en ze ook zo gaan waarderen en gebruiken. We maken ze los van de verbanden en relaties, waarin ze voorkomen en waarin ze hebben te functioneren. Voorspoed en geluk in relaties, seksualiteit, economie, persoonlijke ontwikkeling en vrije tijd kunnen dan dingen op zichzelf worden. Ze worden dan losgemaakt van God als gever en ingezet voor de doelen die wij stellen en op het oog hebben.

Christus kwam naar onze wereld om deze secularisatie van het goede leven te keren en ons weer te verbinden met de zegen van God. Het heil dat hij op aarde bracht, is dat wij levend in de nabijheid van God als zijn volk onze voeten weer zouden zetten op de weg van de vrede (Lucas 1, 79).

Een ander fundament?

Het in de GKv verschijnend maandblad Nader Bekeken was de afgelopen jaren het gezicht voor degenen, die een pleidooi voerden tegen de vrouw in het ambt. Men volgde kritisch de besluitvorming daarover op de synode. Zowel in 2014 toen er een meerderheidsrapport op de synodetafel lag, waarin de visie verdedigd werd: ‘Dat vrouwen ambtsdrager mogen zijn is bij het licht van de Schrift legitiem’, als in 2017 toen de synode het ambt voor de vrouw openstelde.

Afgelopen september heeft de GKv-synode, na een intensief traject van hoor en wederhoor te hebben afgelegd, de revisieverzoeken uitgebreid beargumenteerd afgewezen en bevestigd dat ‘het mogelijk is om op basis van eerbiedige en zorgvuldige afweging van de Schriftgegevens te komen tot de overtuiging dat de ambten voor vrouwen openstaan.’

Begrijpelijk dat Nader Bekeken ook nu haar lezers wil informeren over de betekenis en consequenties van dit besluit. Men doet dat onder het opschrift ‘Een ander fundament.’ Ik denk dat zij daarin meer gelijk hebben dan ze zelf beseffen.

  • Reactie ‘Nader Bekeken’

De eerste reactie in het oktober-nummer stelt dat het besluit de GKv in een crisis brengt. Want, ‘door dit besluit wordt het fundament van het kerkverband aangetast.’

In het recente november-nummer motiveert het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’, de uitgever van Nader Bekeken, de term ‘crisis’ breder door het besluit te kwalificeren als ‘twijfelachtige schriftverklaring’, ‘het loslaten van de confessioneel-gereformeerde positie’ en ‘een kritische bejegening van de Schrift’. Men stelt dat er sprake is van ‘een onbijbels gelijkheidsidee, die een typisch denkpatroon van onze moderne cultuur is’ en men suggereert ‘dat de bijbeltekst niet meer als uitgangspunt gehandhaafd is.’

Over de behandeling van de revisieverzoeken oordeelt men dat er ‘de facto geen eerlijke toetsing en revisie is geweest’ en ‘schriftelijke bezwaren niet deugdelijk zijn besproken’. 

Volgens Nader Bekeken heeft de synode ook met haar besluiten de tendens ‘kerkelijk geijkt’, dat in de praktijk van het kerkelijk leven ‘eigentijdse en/of gevoelsmatige redeneringen de overhand krijgen over bijbelse argumenten en het gezag van de Schrift’ en dat ‘het beroep op de aangenomen belijdenis als samenvatting van de Schrift bij veel broeders en zusters helemaal niet meer in beeld’ is.

De synode weekt volgens hen de GKv ‘los van hun gereformeerde wortels’ en maakt ‘de gemeente van Christus weerloos tegen allerlei wind van leer’, met als gevolg ‘sluipende aanpassing aan het denken en leven van deze wereld.’

Samenvattend oordeelt men dat de synode ‘het Woord onderwerpt aan cultuur- en denkpatronen van de wereld’, en roept het bestuur de GKv op tot ‘terugkeer naar de eenvoudige gehoorzaamheid aan dat Woord van de levende Heer.’

  • Onderbouwing

Ontrouw aan de Schrift en afwijken van de gereformeerde belijdenis. Door grote woorden te gebruiken, beladen termen te hanteren en forse aantijgingen te uiten verplicht Nader Bekeken zich tot een zorgvuldige argumentatie en onderbouwing van haar oordeel, lijkt mij. Wanneer die er niet is, dan is er alleen sprake van kerkelijke stemmingmakerij en opruiing.

Er zijn de afgelopen maanden drie nummers van Nader Bekeken verschenen, waarin het revisiebesluit en het eerste van de daaraan ten grondslag liggende twee rapportages besproken is. In deze blog wil ik eerst nagaan welke onderbouwing daarin voor de beoordeling te vinden is om vervolgens te bezien of de argumentatie voldoet om de beschuldiging van het afwijken van de bijbelse leer en de gereformeerde belijdenis te kunnen dragen.

Ik begin met het artikel van Bart van Egmond in het oktober-nummer onder de titel ‘Een ander fundament’, vervolgens sta ik stil bij het artikel van Pieter Boonstra uit het juli/augustus-nummer ‘M/V en ambt: het commissierapport gewogen’, om als derde zijn artikel in het november-nummer ‘Hoe nu verder? Een principiële verkenning’ te bespreken. Ik rond af met een samenvatting en conclusie over de draagkracht van de beschuldigingen.

  • ‘Een ander fundament’

In dit artikel uit het oktober-nummer is Bart van Egmond snel klaar met de onderbouwing van wat er mis is met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn en met de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan. Hij verwijst daarvoor naar het artikel van Pieter Boonstra in het juli/augustus-nummer. De argumentatie in dat artikel zal ik straks als tweede behandelen.

Van Egmond zelf concentreert zich op het gegeven, dat de synode ‘door volwaardig ruimte te geven aan twee tegengestelde opvattingen’ geprobeerd heeft ‘iedereen binnen het kerkverband te houden.’ Maar daarvoor wordt zijns inziens ‘de geestelijke eenheid van ons kerkverband principieel opgeofferd’, omdat zo ‘het criterium waaraan opvattingen en praktijken in de kerk getoetst moeten worden’ door de synode buitenspel is gezet. Door ‘twee tegenstrijdige opvattingen gelijkwaardig te verklaren, zolang men zich maar op de Bijbel beroept, ontken je daarmee in de praktijk de duidelijkheid van Gods Woord.’ Volgens hem impliceert het synodebesluit, dat ‘als jij zegt te bouwen op Gods Woord, heeft jouw opvatting of praktijk dáármee recht van bestaan. Ook al is die volkomen tegengesteld aan de opvatting of praktijk waartoe een ander komt, die ook de Bijbel leest.’

De betrouwbare, eenduidige bijbel is zijns inziens als fundament voor het kerkelijk samenleven opgegeven en ‘ons eigen denken en voelen is het criterium geworden voor de inhoud van ons geloof en belijden als kerken.’ Daarom mogen de synodebesluiten niet aanvaard worden: ‘om de eenheid met de heilige, algemene en apostolische kerk te bewaren, moeten we blijven bouwen op het fundament dat gelegd is, namelijk Gods Woord.’

Het is m.i. kwalijk, dat Van Egmond niet ingaat op de aangevoerde gronden van het besluit dat ‘beide overtuigingen en praktijken hun volwaardige plaats in de kerken’ (Besluit 3a) en het besluit tegenover de GS Ede 2014 ‘dat er, behalve voor het spreken over twee lijnen in de Schrift (gelijkwaardigheid maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen) ook ruimte is om te spreken over één lijn van gelijkwaardigheid, beschadigd door zonde en vloek maar hersteld in Christus’ (Besluit 5a). Want zo kan hij een eigen interpretatie aan deze besluiten bieden en allerlei bedoelingen veronderstellen, die de betekenis van deze besluiten helemaal vertekenen.

Daarnaast zou je toch op zijn minst verwachten, dat waar Van Egmond volop inzet op zijn interpretatie van het fundament van het kerkverband, hij zich ook zou confronteren met de visie van de synode op de grondslag en de eenheid van het kerkverband.

De synode verwijst in de grond voor het besluit om twee tegengestelde exegeses op de verhouding van man en vrouw en de implicaties daarvan te accepteren, naar het commissierapport. Daar wordt in Hoofdstuk 4 betoogt, dat ‘verschil in exegese niet nieuw is’ en dat ‘we die elkaar moeten gunnen.’ Wanneer dat tot ‘een toename aan diversiteit in de praktijk van het kerkelijk leven leidt, zullen we wegen moeten vinden om daar op een Bijbelse manier mee om te gaan.’ Maar deze diversiteit is alleen mogelijk, ‘omdat het onderwerp in kwestie niet gaat over de leer van de verlossing maar over de inrichting van de ambten, de manier waarop je de kerkregering vormgeeft’ (35).

Expliciet verantwoordt het rapport dat wij vasthouden aan één waarheid, die gevormd wordt door het ene Woord van God (art. 7 NGB): ‘Deze ene waarheid is door de kerk samengevat in de ware en volkomen leer van de verlossing (tweede doopvraag), datgene wat we in onze belijdenissen hebben verwoord.’ Maar zij constateert ook, dat ‘opvallend genoeg er niets is in onze belijdenis wat ons ervan weerhoudt om de ambten voor vrouwen open te stellen’ (35).

Vandaar dat de synode in de gronden onder Besluit 4 als argument kan geven, dat door de diversiteit in vormgeving van de eredienst en invulling van de ambtelijke taken in onze kerken ‘de eenheid van het kerkverband niet wordt aangetast.’ Want de eenheid van de kerk ligt ‘in haar ene Heer, Jezus Christus en wordt bepaald door de waarheid die de Schrift ons leert: de ware en volkomen leer, samengevat in de geloofsbelijdenissen (KO, art. A1); de vraag naar de openstelling van de ambten voor vrouwen maakt daar geen deel van uit.’

Mijn conclusie is dan ook, dat Van Egmond’s argumentatie niet gebruikt kan worden om het synodebesluit als onbijbels en in strijd met de gereformeerde belijdenis af te wijzen.

  • ‘M/V en ambt: het commissierapport gewogen’

Naar dit artikel van Pieter Boonstra wordt door Van Egmond verwezen als onderbouwing dat er wat mis is ‘met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn en met de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan.’

Als het erom gaat dat aan de revisieverzoeken geen recht zou worden gedaan noemt Boonstra een aantal zaken onder het kopje ‘Methode’, waarop hij concludeert: ‘Met deze methode zet dit commissierapport de synode op het verkeerde been. Het staat een vruchtbare bespreking van de bezwaren in de weg. In plaats van dat hun bezwaren eerlijk besproken worden, worden de bezwaarden in een verdachtenhoek geplaatst. Hierin mag de synode niet meegaan. Zij behoort de ingebrachte bezwaren inhoudelijk te toetsen en uit te spreken of de bezwaarde kerken terecht of onterecht stellen dat het besluit van Meppel 2017 in strijd is met Gods Woord. Dat is de broederlijke omgang die we van elkaar mogen verwachten.’

Duidelijk is dat Boonstra de strekking van dit rapport verkeerd heeft ingeschat en daarom ook tot een onjuiste beoordeling daarvan komt.

De commissie schrijft over het door haar gepresenteerde rapport, dat het rapport dient als ‘voorbereiding’ en als ‘onderbouwing’ van de besluiten die genomen gaan worden over de revisieverzoeken. Het rapport ‘wil een op de Bijbel gefundeerde visie bieden die kan dienen als een samenhangend toetsingskader bij de beoordeling van de ingebrachte bezwaren tegen deze besluiten.’

Het rapport had niet de bedoeling om de bezwaren die in de revisieverzoeken tegen de openstelling van de ambten samen te vatten of weer te geven, laat staan dat de commissie karikaturale weergaves daarvan zou bieden. Voor het weergeven van de bezwaren was juist de tweede rapportage van de commissie – die in augustus gepubliceerd werd – bedoeld, geheel conform de wens van Boonstra, ‘nauwkeurig weergegeven en gerubriceerd’, zodat deze bezwaren vervolgens door de commissie en de synode getoetst konden worden op hun houdbaarheid.

Dit betekent in ieder geval, dat Van Egmond voor dit aspect ten onrechte naar dit artikel verwijst als onderbouwing dat ‘er wat mis is met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn’ en ook dat het geen steun biedt voor de uitspraak van het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’ dat er ‘de facto geen eerlijke toetsing en revisie is geweest’ en ‘schriftelijke bezwaren niet deugdelijk zijn besproken.’

Ten aanzien van het andere aspect, de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan, noemt ook Boonstra het punt van het fundament en criterium om te bepalen wat bijbels is, wat Van Egmond in zijn artikel ‘Een ander fundament’ breder zal uitwerken. Zakelijk gezien geldt voor de visie van Boonstra hetzelfde wat ik ook bij de bespreking van het artikel van Van Egmond al heb laten zien, dat de visie en de argumentatie van het commissierapport niet wordt vermeld of besproken dat ‘een tegengestelde exegese mogelijk is’, omdat het bij de zaak van ‘vrouw en ambt’ niet gaat om ‘de ware en volkomen leer van de verlossing’, maar om een kwestie van een praktische vormgeving van het kerkelijk leven.

Het is niet zo, dat de commissie ‘de Bijbel naar haar hand zet’. Het verschil tussen Boonstra en de commissie is, dat beiden op grond van een verschillende exegese tot een andere toepassing van de bijbeltekst komen. Ten onrecht suggereert Boonstra dat hier een andere visie op de bijbel aan ten grondslag ligt, zoals ik in het commentaar bij het artikel van Van Egmond heb laten zien.

Ook is de suggestie onjuist dat de commissie het gezag van Paulus niet zou honoreren. Boonstra verwijst naar Paulus’ opmerking in 2 Tess. 3:14, dat de gemeente op de hoede moet zijn ‘voor wie geen gehoor geven aan wat wij in deze brief schrijven’. Deze zinsnede heeft echter betrekking op ‘het evangelie wat hij verkondigd heeft’ en op ‘die traditie waarin zij door hem en zijn medewerkers onderwezen zijn’ (2 Tess. 2:14 en 15). Uit het rapport van de synodecommissie blijkt eenzelfde houding als waar Paulus de Tessalonicenzen toe oproept.

Mijn conclusie is dan ook, dat Boonstra ook wat dit aspect betreft niet heeft laten zien, zoals Van Egmond stelt, ‘dat er wat mis is met de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan.’ Dit betekent dat zijn argumentatie niet gebruikt kan worden om het synodebesluit als onbijbels en in strijd met de gereformeerde belijdenis af te wijzen.

  • ‘Hoe nu verder? Een principiële verkenning’

Tenslotte het artikel van Pieter Boonstra uit het november-nummer. Dat begint met een verwijzing naar de Verklaring van het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’. Boonstra schrijft:

‘In de Verklaring die hiervoor is weergegeven, wordt nog eens duidelijk onder woorden gebracht wat in Nader Bekeken al vele jaren aan de orde is gesteld. Namelijk dat een nieuwe manier van bijbellezen vaste voet aan de grond heeft gekregen binnen onze kerken.’

Inderdaad stelt de Verklaring dat ‘een nieuwe manier van bijbellezen vaste voet aan de grond heeft gekregen’, maar een onderbouwing van die aanname wordt niet geboden. Zoals ik heb laten zien, is die ook niet geboden in het juli/augustusnummer noch in het oktober-nummer van Nader Bekeken. Wat Nader Bekeken inderdaad al vele jaren beweert, is dat er sprake is van een ‘nieuwe hermeneutiek’ zo gauw als mede Gkv-ers tot een andere conclusie over ‘man, vrouw en ambt’ komt dan in de traditie gangbaar was. Maar dat er sprake is van een ‘nieuwe hermeneutiek’ heeft Nader Bekeken nooit hard kunnen maken.[1]

In zijn artikel stelt Boonstra opnieuw dat in het besluit om de vrouw in het ambt toe te laten sprake is van een ‘nieuwe hermeneutiek´. Dat de synode in een van de gronden er op wijst, dat ´een gewijzigde uitleg van teksten of toepassing van Schriftgegevens op de vragen m.b.t. man, vrouw en ambt niet betekent dat op een andere manier met de Schrift wordt omgegaan´, pareert Boonstra met de stelling dat die grond ´geen enkele waarde heeft wanneer niet wordt ingegaan op argumenten die naar voren zijn gebracht´. Dat zou niet gebeurd zijn, omdat ´de synode in haar besluiten slechts verwijst naar het commissierapport Elkaar van harte dienen

Zoals al eerder aangegeven, is dat rapport inderdaad bedoeld als ´toetsingskader´ en ´onderbouwing´ van de besluiten die de synode heeft genomen. M.i. is het gebruik van de dat woordje ´slechts´ hier niet op zijn plaats, omdat het commissierapport juist op de blz. 40-45 onder het kopje ‘Hermeneutiek en Schriftgezag’ in Hoofdstuk 5 daar zelfs speciaal aandacht aan besteedt.  

Om te ‘bewijzen’ dat er in het commissierapport sprake is van ‘nieuwe hermenetiek’ wijst Boonstra er op, dat ‘daarin een nieuwe onderbouwing gegeven is van de besluiten van Meppel 2017, op basis van nieuwe exegeses van Genesis 2 en 1 Timoteüs 3. Maar die exegeses worden op een beslissende manier beïnvloed door gedachten die in de tekst worden ingelezen. En dat is niet anders dan nieuwe hermeneutiek.’

Dat er ‘gedachten in de tekst worden ingelezen’, onderbouwt hij met een verwijzing naar zijn artikel uit het juli/augustus-nummer, waarvan ik in de vorige paragraaf heb laten zien, dat er inderdaad sprake is van een andere exegese, maar niet van een andere visie op de bijbel, en waar ik nu aan toevoeg: ook niet van een andere hermeneutiek. Boonstra is echter van mening, dat omdat de synode in haar besluiten deze exegese aanvaardt, zij ‘feitelijk ruimte gegeven heeft aan deze nieuwe hermeneutiek’.

Net als Van Egmond bespreekt Boonstra ook Besluit 5a, waarin de synode ‘behalve voor het spreken over twee lijnen in de Schrift (gelijkwaardigheid maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen) ook ruimte ziet om te spreken over één lijn van gelijkwaardigheid, beschadigd door zonde en vloek maar hersteld in Christus.’

Voor Boonstra is dat ook een vorm van ‘nieuwe hermeneutiek’. Want: ‘het suggereert dat met Christus een nieuwe werkelijkheid is aangebroken waarbij er geen sprake meer is van verschil in verantwoordelijkheid.’ Als dat werkelijk zo was, dan zouden zowel Jezus als Paulus daar ook regels voor hebben moeten geven als het gaat om de ambten, die wij niet vanuit het Nieuwe Testament kennen, aldus Boonstra. Jezus koos toch 12 mannen als apostelen en Paulus geeft nog steeds voorschriften over een verschil in verantwoordelijkheid van man en vrouw, zowel in het huwelijk als in de kerk?

Vanuit een traditionele lezing van de teksten worden deze nieuwtestamentische gegevens ingepast in een theorie over verschil in verantwoordelijkheid van man en vrouw. In de alternatieve lezing van de synodecommissie worden deze gegevens op andere wijze geduid, zodat ze de traditionele theorie van ‘verschil in verantwoordelijkheid van man en vrouw’ niet meer bevestigen, maar inderdaad kunnen wijzen op één doorgaande lijn. Deze lijn wordt met name bepaald wordt door de uitleg van Gen. 1, dat man en vrouw gelijkwaardig geschapen zijn en gezamenlijk de opdracht hebben gekregen om de aarde te bebouwen en te bewaren.

Dit is niet een toepassen van een ‘nieuwe hermeneutiek’, maar het toepassen van een gangbare gereformeerde hermeneutische regel van ‘Schrift met Schrift vergelijken’ en op basis daarvan conclusies trekken. En daarbij is het inderdaad ook belangrijk om rekening te houden met de context en cultuur waarin de voorschriften en teksten gegeven zijn.  

Tenslotte brengt Boonstra net als Van Egmond naar voren, dat deze manier van exegese onverenigbaar is met ons gereformeerd belijden. Hierop is dezelfde conclusie van toepassing dat de belijdenis dat de bijbel Gods Woord is, betrekking heeft op ‘de leer van de verlossing’, die hier niet in geding is, omdat het gaat over de praktische vormgeving van het kerkelijk leven.

Mijn conclusie is dat de argumentatie in dit artikel geen ondersteuning kan bieden om het synodebesluit als onbijbels en in strijd met de gereformeerde belijdenis af te wijzen.

  • Samenvatting en conclusies

Op basis van mijn analyse van de argumentatie in de verschillende artikelen kom ik tot de conclusie dat de reactie van Nader Bekeken niet adequaat is om de forse beschuldigingen te onderbouwen dat het synodebesluit onbijbels is en in strijd met de gereformeerde belijdenis. Van een zorgvuldige argumentatie en onderbouwing van deze claims is geen sprake.

Wat betreft het oordeel van het bestuur van ‘Stichting Woord en Wereld’ ten aanzien van de behandeling van de revisieverzoeken dat er ‘de facto geen eerlijke toetsing en revisie is geweest’ en ‘schriftelijke bezwaren niet deugdelijk zijn besproken’, en van de visie van Van Egmond dat ‘er wat mis is met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn’, wil ik slechts opmerken dat in het tweede rapport van de commissie, het zogenaamde ‘Aanbiedingsrapport’, meer dan de helft van het aantal bladzijden – totaal 39 kantjes A4 van de totaal 74 – de visie van de zgn. ‘acht samenwerkende kerken (GKv Blije-Holwerd; Bruchterveld; Capelle aan den IJssel-Noord; Hattem-Centrum; Ommen-Noord Oost; Urk; Vroomshoop; Zuidwolde (Dr)) opgenomen is, terwijl ook uit een in de rapportage opgenomen brief ondertekend door Van Egmond blijkt dat men zelf bedankte om nog een tweede keer gehoord te worden.

Ik heb in mijn analyse van de artikelen niet het idee gekregen, dat men zich inhoudelijk uitgebreid met de besluiten en de onderbouwing daarvan geconfronteerd heeft. Pieter Boonstra wel meer dan Bart van Egmond, en het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’ nauwelijks. Voor zover ik kan zien is het feit, dat de synode een alternatieve exegese biedt ter onderbouwing van de toelating van vrouwen in de ambten, voldoende om het eigen gelijk bevestigd te zien en de al jarenlang gebruikte kwalificaties als ‘onbijbels’, ‘nieuwe hermeneutiek’, ‘in strijd met de gereformeerde belijdenis van de bijbel als Gods Woord’ ook op deze revisiebesluiten van toepassing te verklaren en als zodanig te duiden.

Men stelt dat er sprake is van een ander fundament dan waar Nader Bekeken zich op ziet staan. Ik denk dat daar meer waarheid in is, dan men zelf beseft. De vraag is wel, of het fundament en de visie waar Nader Bekeken vanuit gaat, de juiste vertolking is van de gereformeerde belijdenis van de bijbel als Gods Woord. Bij analyse van de argumentatie van Van Egmond en Boonstra, blijkt dat zij de bijbel in al zijn delen als fundament van de kerk beschouwen. Terecht stelt de synode, dat het fundament Christus is en dat wij ons als gereformeerden gebonden hebben aan ‘de volkomen leer van de verlossing’ (NGB Art. 7),  

Naar mijn oordeel ligt er in de formuleringen die Nader Bekeken gebruikt om het fundament van de kerkgemeenschap te omschrijven een tendens naar biblicisme. Die proef ik ook in het pleiten voor ‘de eenvoudige gehoorzaamheid aan dat Woord van de levende Heer’. Het is echter een gezonde gereformeerde hermeneutische regel dat je niet automatisch of ‘eenvoudig’ alles wat in de bijbel staat op letterlijke of directe wijze in onze eigen tijd kunt toepassen. Hermeneutische bezinning en rekening houden met de omstandigheden van de bijbeltekst en die van de situatie waarin toepassing nodig is, blijven noodzakelijk.

Dr. Jochem Douma was als het gaat om het schriftberoep van mening dat wij rekening te houden hebben met ‘het culturele standpunt.’ En het is m.i. onjuist om daar de term ‘nieuwe hermeneutiek’ op te plakken. Hij schreef:

‘We kunnen onmogelijk alles overnemen wat de Schrift van Genesis tot Openbaring aan geboden en verboden bevat. De omgang met de Schrift vraagt ook iets anders dan gehoorzaamheid aan een daaruit op te diepen wetscode.’

Mijn inziens is zijn opmerking nog steeds to the point en ook van toepassing op de reactie van Nader Bekeken: ’Het geloof dat een goed Schriftberoep mogelijk is, gaat samen met zelfkritiek waarin wij ons voortdurend rekenschap moeten geven óf ons Schriftberoep wel zuiver en niet biblicistisch is.’[2]


[1] Ik heb regelmatig op mijn weblog de argumentatie dat er sprake zou zijn van ´een nieuwe hermeneutiek´ en de kwalificatie van ´Schriftkritiek´ in de GKv tegen het licht gehouden en kon niet anders dan concluderen dat deze termen vooral gebruikt worden om de visie van de voorstanders van de vrouw in het ambt te diskwalificeren, zonder dat aangetoond wordt op welke wijze een andere hermeneutiek toegepast is, zie b.v.: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/m-v-en-de-nieuwe-hermeneutiek-in-de-gkv/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/06/de-gkv-en-de-schriftkritiek/.

[2] Dr. J. Douma, Grondslagen christelijke ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1999, p. 96.

De preek als getuigenis van Gods evangelie

[In een serie over de onderdelen van de liturgie schreef Anne-Maaike Pathuis in het Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 september 2020 een artikel over ‘De preek‘, dat ik hier als gastblog plaats.]


In de hedendaagse samenleving zijn er weinig plekken waar mensen met regelmaat met eenzelfde groep samenkomen en daarbij twintig tot veertig minuten naar het verhaal van één spreker luisteren. Toch is dat precies wat er zondag aan zondag gebeurt in protestantse kerken overal ter wereld. In deze kerken werd de preek een van de belangrijkste onderdelen van de liturgie.

In gereformeerde kerken sinds de Reformatie is de kerkdienst vooral een ‘dienst van het Woord’ geworden. Hierdoor ligt het accent in de liturgie op de preek, op de verkondiging van het evangelie door middel van het woord. Je zou de preek kunnen definiëren als ‘verkondiging van het evangelie’.

Dat de preek zo centraal kwam te staan in de liturgie was niet direct de bedoeling van Luther en Calvijn: hun streven was om Woord en sacrament dichtbij elkaar te houden.

Preken is natuurlijk maar één van de manieren waarop het evangelie verkondigd kan worden. Ook in boeken of in informele gesprekken kan het evangelie worden doorgegeven. Eveneens kan gedacht worden aan verschillende onderdelen van de liturgie waarin het evangelie verkondigd en ervaarbaar wordt: in schuldbelijdenis en genadeverkondiging en in de sacramenten van doop en avondmaal. In deze elementen wordt vrijspraak verkondigd en staan het sterven en de opstanding van Jezus centraal en vindt dus volop evangelieverkondiging plaats.

Evangelie = Jezus?

Als preken evangelieverkondiging is, dan is het goed om er over na te denken wat onder evangelie verstaan wordt. Eén van de vragen die in de homiletiek – in de ‘preekkunde’ – in dit kader vaak gesteld wordt, is of het in elke preek over Jezus moet gaan.

Sommige theologen stellen dat het in elke preek expliciet over Jezus moet gaan. Tim Keller schrijft bijvoorbeeld: “Elke keer als je een Bijbeltekst uitlegt, ben je pas klaar als je aantoont hoe hij ons laat zien dat we onszelf niet kunnen redden en dat alleen Jezus dat kan doen”. Keller vergelijkt dit belang van Jezus voor elke preek met het feit dat er in Engeland vanuit elke stad en elk gehucht een weg naar Londen loopt. Net zo loopt er vanuit elke bijbeltekst een weg naar het centrum van de Bijbel, namelijk Christus.

Evangelie = koninkrijk

Ik denk met Tim Keller dat we God en zijn verlossingsplan voor deze wereld bij uitstek leren kennen in Jezus. Tegelijk geloof ik dat het evangelie in sommige preken ook verkondigd kan worden zonder Jezus expliciet te noemen.

In preken wordt de gemeente als het goed is altijd gewezen op God en op zijn ‘trinitarisch-historische zelfopenbaring’ (C. Trimp). Dat betekent dat volgens het evangelie preken niet automatisch alleen over Jezus zal gaan, maar over de God die zich in de geschiedenis als Vader, Zoon en Geest heeft laten kennen. Deze God kwam in Jezus zelf naar de wereld om het evangelie te verkondigen. Dat evangelie is dat God koning is in deze wereld, dat zijn koninkrijk dichtbij is, en dat God ook heer over ons leven wil zijn.

De prediker

De preek is de plek in de liturgie waar de rol van de prediker het meest tot uiting komt. Er rust een zware verantwoordelijkheid op zijn of haar schouders. Dan gaat het er niet alleen om dat hij of zij aansprekend preekt, daarbij actuele voorbeelden en herkenbare taal gebruikt. De verantwoordelijkheid ligt er vooral in om het evangelie zó te verkondigen dat Gods stem in de preek tot klinken komt.

Tegelijk is die verantwoordelijkheid niet loodzwaar, omdat een prediker altijd mag beseffen dat het uiteindelijk Gods Geest is die het evangelie in de harten van mensen brengt. Die Geest brengt het ook in het hart van de prediker.

Kees de Ruijter gebruikt daar een mooi beeld voor: de prediker is een getuige, in wiens getuigenis de stem van de Meester doorklinkt. Als een getuige spreekt de prediker alleen over wat hij of zij zelf heeft gezien, “zelf moet hij eerst horen naar het Woord van God, maar dat brengt hem vervolgens tot sprekend getuigen”. Dat betekent dat een prediker alleen dan kan preken, als hij of zij zelf heeft ontdekt dat God in de Bijbel zijn evangelie bekendmaakt.

Rol van de gemeente

De gemeente lijkt een wat passieve rol te hebben rondom de preek. Dat is allerminst het geval: zij mag verwachten in de preek door Gods woord aangesproken te worden.

De gemeente mag – samen met de prediker – leren luisteren naar Gods stem en daar dan gelovig antwoord op leren geven. De preek nodigt de gemeente uit om God te aanbidden, in woorden en in daden. De preek is er zo uiteindelijk voor bedoeld dat niet alleen de prediker, maar alle gelovigen getuigen worden van Gods evangelie. Zo zal Gods koninkrijk, zijn heerschappij in ons leven, steeds meer zichtbaar worden.

‘Krijgen we ze weer terug?’

Ik heb de vraag de afgelopen maanden vaker voorbij zien komen. Op 18 augustus werd die bij de presentatie van het boek ‘Kerk in tijden van corona’ opnieuw gesteld door Gerard de Korte, bisschop van Den Bosch: ‘Krijgen we de mensen weer terug?’ Iedere keer als de vraag zo geformuleerd wordt, bekruipt mij een gevoel van onbehagen. De formulering getuigt mij van te weinig vertrouwen in kerkleden als gelovigen.

Artikel in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 september 2020

De routine van het kerkelijk leven is door het coronavirus radicaal overhoop gegooid, waarbij de zondagse kerkdienst als het meest prominente onderdeel van het kerk-zijn vrijwel onmogelijk werd. Daarmee zijn wij nadrukkelijk geplaatst voor de vraag naar de betekenis van kerk-zijn en van kerk-vormen.

Kerk geen eindstation

Stefan Paas pleitte er in 2003 voor om de kerk te zien als een voorportaal van het Koninkrijk van God, waar ‘toekomstige burgers van dat Koninkrijk worden opgevangen, onderwezen, gevoed, ontsmet en voorbereid.’ De kerk is geen doel op zichzelf, net zoals het lid-worden of lid-zijn van de kerk geen eindstation is. Het gaat erom dat de mensen steeds meer naar Christus toe zullen groeien en Hem gestalte laten aannemen in hun leven. Alle activiteiten en vormen van kerk-zijn, zowel intern als extern gericht, zullen dat als doel moeten hebben.

Zo bezien gaat het niet om de vraag hoe we de mensen weer in de kerk terugkrijgen, maar hoe we de (toekomstige) kerkleden zo goed mogelijk kunnen stimuleren en helpen om christen te zijn en te worden. De vraag is veeleer: ‘Hoe kunnen wij er als kerk voor de mensen zijn?’ Zelfs als zal blijken dat voor sommigen het bijwonen van kerkdiensten niet (meer) het middel is dat hen helpt om hun christen-zijn te vormen.

Bezorgdheid

Tegelijk proef ik wel de bezorgdheid. Zijn mensen door het wegvallen van het normale kerkelijke leven gaan zwerven en op plekken gekomen waar ze niet meer voor het heil bereikbaar zijn? De coronacrisis maakte deze optie nadrukkelijk zichtbaar, ook al is kerkverlating op grote schaal al meer dan een halve eeuw aan de orde van de dag. Het bijzondere is dat de huidige bezorgdheid betrekking heeft op betrokken kerkleden. Ook zij lijken gevoelig voor wat je met Herman Paul kunt typeren als de secularisatie van het dagelijkse leven.

Slag om het hart

Herman Paul, die bijzonder hoogleraar Secularisatiestudies in Groningen was, heeft in twee boekjes de conclusies van zijn onderzoek samengevat. In 2017 verscheen ‘De slag om het hart’ en dit voorjaar bij zijn afscheid ‘Shoppen in advent’.

Paul corrigeert op twee punten de gangbare visie op secularisatie. Allereerst dat secularisatie geen noodlottige wetmatigheid is, maar een optie die actief gepromoot werd, en dus ook weerstaan kan worden. Ten tweede dat de oorzaken voor kerkverlating niet primair liggen op het niveau van veranderende ideeën of overtuigingen. Secularisatie is vooral een zaak van andere levensstijlen die concurreren met de tijd en aandacht voor kerk en geloof. Nieuwe patronen van werk en vrije tijd lieten weinig ruimte over voor de kerkgang. Zo verdween God geleidelijk naar de achtergrond en werd het geloof steeds minder relevant voor de culturele omgeving waarin men leefde.

Het zijn de verlangens van mensen die hun hart richten op de dingen die ze lief hebben, waar ze op hopen en waar ze naar uitzien. Omdat deze verlangens bij uitstek vatbaar zijn voor manipulatie en (onbewuste) beïnvloeding, wordt het hart voortdurend alle kanten opgetrokken. Secularisatie is dat je je verlangens voornamelijk laat vormen door het ‘saeculum’: de dingen die er in deze wereld zijn, ook al zijn ze op zichzelf niet verkeerd. De vraag voor een christen is: hoe voorkom je dat je verlangens naar het seculiere het verlangen naar God en zijn Koninkrijk overschaduwen en wegdrukken? De sleutel daarvoor is discipline, omdat verlangens door herhaling en gewenning aan gewoontes gevormd worden. Wat je aandacht geeft groeit, maar wanneer geloof niet beoefend wordt verpietert het.

Vertrouwen

Tegen deze achtergrond is de bezorgdheid begrijpelijk of wij als kerkleden onze verlangens naar God blijvend zullen vormen.

En toch. Secularisatie is geen wetmatigheid. Gelovigen weten wel wat zij nodig hebben. Daarbij vertrouw ik erop, dat wanneer de kerk(dienst) een bron is waar levend water te vinden is, de Geest hen daar ook wel naar zal leiden. Laten we ons minder zorgen maken of we iedereen weer terugkrijgen, maar vooral nadenken over de vormen waardoor wij als kerk het verlangen naar God en zijn rijk kunnen stimuleren.

Effata, open je!

Overdenking in de Vesperdienst van de Plantagekerk Zwolle op zondag 30 augustus 2020 bij de evangelielezing van Marcus 7:31-37 op de 12e zondag na Trinitatis.

Tekst: Jesaja 32: 3-4

3  Ogen zullen niet langer blind zijn, oren luisteren weer aandachtig; 4 de onbezonnen geest verwerft kennis en inzicht, de tong van stotteraars spreekt vloeiend en vlot.


Overdenking

Voor ons als hoorders en lezers van de bijbel blijft het altijd de uitdaging om je door een tekst te laten aanspreken en die werkelijk je leven binnen te laten komen. In de christelijke traditie worden ons daar verschillende methoden voor aangereikt. Lectio divina is er een van: in vier rondes ga je dan langs de tekst.

Vanmiddag wil ik op een andere wijze dat proces van aangesproken worden stimuleren. In deze overdenking ga ik, iedere keer vanuit een ander perspectief, in drie ronden langs de tekst. Na de overdenking zullen wij tenslotte de tekst als bezinningsmoment op muzikale wijze tot ons laten spreken, door te luisteren naar een fragment uit de cantate die Johann Sebastian Bach bij dit evangelieverhaal heeft geschreven. 

1.   De genezing

In de eerste ronde nodig ik je uit om je voor te stellen, dat jij die dove bent, die bij Jezus wordt gebracht. Je bent opgegroeid door te kijken, door te voelen, door te proeven. Je kunt je stem gebruiken, maar er vormen zich geen woorden, alleen maar onverstaanbare klanken.

Voor communicatie met de mensen om je heen ben je op andere middelen aangewezen dan woorden. Duidelijk maken wat je bedoelt, dat doe je door de dingen aan te wijzen, ze aan te raken, en door met je lichaam je emoties zichtbaar te maken: pijn, vreugde, boosheid en verdriet.

Zo heb je je de wereld eigen gemaakt. Met andere zintuigen dan je oren en je stem. Al experimenterend en door na te bootsen wat de anderen deden, heb je geleerd het leven te leven en geleerd om met de mensen samen te leven. Maar uiteindelijk blijf je op jezelf aangewezen en zit je grotendeels opgesloten in je eigen wereld.

Ik weet niet, wat voor plek jij daar in die samenleving zou hebben. Maar kun je je voorstellen, dat je er dan naar zou verlangen om anders te worden, om te horen en te spreken? Of zou het zo zijn, dat je het niet kunnen horen en spreken je zo eigen hebt gemaakt, dat je er niet naar taalt om te horen en te leren spreken?

Ik weet het niet, want het zijn de mensen die je bij Jezus brengen en Hem vragen of hij jou de handen op wil leggen. Mensen die zozeer op je betrokken zijn, dat ze smeken of Jezus je wil genezen.

En Jezus geneest je op een heel persoonlijke manier. Hij neemt je apart, en bereidt je voor op wat hij gaat doen. Hij steekt zijn vingers in je oren en raakt met zijn speeksel je tong aan, hij kijkt vervolgens omhoog en spreekt al zuchtend een intens gebed uit en zegt dan tegen jou: Effata! Open je!

En dan gebeurt het wonder: je kunt horen en spreken. Er is wederzijds contact mogelijk, de communicatie komt op gang. Met je oren kan je intensief luisteren en met je tong kun je vloeiend en vlot spreken. De communicatie tussen jou en de wereld kan zich nu echt verdiepen.

En de omstanders die het beseffen, zijn er zo van onder de indruk, dat ze uitroepen: ‘Zelfs doven kunnen horen en stommen kunnen spreken!’

2.   Vervulling van de profetie

Daarmee kom ik bij de tweede ronde. Want die uitroep: ‘zelfs doven kunnen horen en stommen kunnen spreken’ gebruikt de evangelist als een soort refrein dat we vaker tegenkomen wanneer hij vertelt over de genezingen die Jezus verricht. Daarmee plaatst hij de genezingen in een breder perspectief en helpt hij ons om deze genezingsverhalen te duiden en met onze eigen leefwereld te verbinden.

In deze refreinen klinkt het besef door dat Jezus meer is dan een wondergenezer. Zijn genezingen zijn een teken, dat hij degene is die door de profeten beloofd werd en naar wie volk Israël uitkijkt. Jezus is de Messias. Nu breekt de messiaanse tijd aan: God zal komen wonen bij zijn volk en zij zullen zijn heiligheid erkennen en respecteren.

Wanneer je zo de profetie naast het evangelie leest, dan mag je beseffen dat ook jij mag delen in deze nieuwe werkelijkheid. Tegelijk functioneren de refreinen ook als een oproep om in die werkelijkheid gaan te leven. Hoe vaak lezen we in het evangelie niet de woorden van Jezus: ‘Laat wie oren heeft, goed luisteren!’

Wil je je oren gebruiken als Gods woord naar je toe komt? In de tijd van Jesaja verwijt God het volk dat het blind en dat het doof is. Dat ze weigeren om naar de profetie te luisteren. Ja, dan is het niet gek zegt Jesaja dat zijn woorden zijn als de tekst van een verzegeld boek, die ze niet kunnen lezen. Wanneer het volk God slechts met de lippen eert en Hem naar de mond probeert te praten, terwijl hun hart ver bij Hem vandaan is, en wanneer hun doen slechts plichtsbetrachting, omdat het altijd zo hoorde, dan is het ook niet gek dat ze blind zijn voor wat de juiste richting voor hun levensweg is.

En tegelijk is het verrassende van de profetie, dat God aankondigt dat hij die blindheid en die doofheid van zijn volk wil genezen. Dat hij de machten van de duisternis zal ontmaskeren en hen de macht zal ontnemen. En zo zien we Jezus de strijd met de machten van de duisternis aanbinden, wanneer hij onreine geesten en demonen uitdrijft en de mensen geneest.

Wanneer wij nu het verhaal van de genezing van de dove en de reactie van de omstanders lezen, dan is dat voor ons een teken dat God zelf er voor zal zorgen dat hij hun gehoor zo zal herstellen, dat zij weer aandachtig zullen luisteren naar zijn onderwijs en dat de ogen van zijn volk niet langer blind zullen zijn voor Zijn werkelijkheid.

En dat niet alleen: de hele wereld zal de ogen geopend worden, want de genezing van de dove vindt plaats in Dekapolis, in heidens gebied buiten Israël. God zelf zal de woorden van de profetie in vervulling laten gaan, dat onze onbezonnen en onnadenkende geest kennis en inzicht zal verwerven, zodat onze tong en onze mond vloeiend en helder het goede zullen spreken. Want God wil dat wij mensen weer zullen functioneren, zoals Hij dat bij de schepping bedoeld heeft.

3.   In onze leefwereld

En daarmee zijn we bij de derde ronde gekomen, bij het hier en nu. Want wij, mensen van de 21e eeuw, zijn het die, – net als de dove man -, bij Jezus gebracht moeten worden.

Wij die door de 18e-eeuwse Verlichting heen zijn gegaan en gepokt en gemazeld zijn in het moderne wetenschappelijk wereldbeeld, wij zijn doof geworden voor de stem van God. Omdat wij zijn opgegroeid in een wereld, waarin het vanzelfsprekend is dat God slechts een projectie is van ons menselijk denken, een illusie waar geen werkelijkheid aan beantwoordt.

Wij, mensen van deze tijd, zijn het die slechts op gebrekkige wijze over God kunnen spreken, omdat wij zo opgesloten zijn in onze eigen werkelijkheid, dat wij het contact met God zijn kwijtgeraakt.

Daarom hebben wij het nodig, dat Jezus ons tegemoet komt en ons persoonlijk ontmoet. Dat hij onze oren opnieuw vormt en herschept, zodat wij Gods stem zullen onderscheiden tussen alle stemmen die ons leven binnenkomen.

Daarom hebben wij het nodig, dat hij met zijn genezende levenskracht onze tong aan zal raken, zodat vanuit ons hart en uit onze mond de goede woorden zullen klinken. Dat hij voor ons bidt en ons in de nabijheid van zijn Vader brengt. En dat hij ons aanspreekt en tegen ons zegt: Effata, open je!

Vanuit onze werkelijkheid zullen wij de brug niet kunnen slaan. God zelf zal door zijn Geest ons moeten vernieuwen en herscheppen.

Hoor hem nu via het evangelie jouw leven binnenkomen. Merk op je dat je oren op de woorden van God gericht worden. Ervaar dat Zijn Geest jouw hart zoekt en je tong wil bewegen om het goede te spreken.Besef dat Jezus jou in Gods nabijheid brengt. En hoor zijn bevel: Effata! Ga open!

Laat God jouw bestaan openen! Leef in Zijn werkelijkheid! Amen.

Liturgie

  1. Votum en zegengroet
  2. Zingen: Sela – God is in ons midden 
  3. Gebed
  4. 1e lezing: NBV Jesaja 29:11-14a en 29:17-19
  5. Zingen: GK Psalm 146 : 4 en 6
  6. 2e lezing: NBV Marcus 7: 31-37
  7. Zingen: Opwekking Lied 187 – Open mijn ogen
  8. Meditatie over NBV Jesaja 32:3-4 
  9. Luistermoment: BWV 35: https://www.youtube.com/watch?v=2Xp5tzWq6pU (v.a. 20:57
    1. nr. 6. Recitatief – Ach, starker Gott, laß mich doch dieses stets bedenken
    2. nr. 7. Aria  – Ich wünsche nur, bei Gott zu leben
  10. Gebeden
  11. Zingen: Psalm Project Psalm 139 – Heer, die mij ziet zoals ik ben
  12. Zegen

Tekst BWV 35 ‘Geist und Seele wird verwirret’

6. Recitatief

Ach, starker Gott, laß mich doch dieses stets bedenken, so kann ich dich vergnügt in meine Seele senken. Laß mir dein süßes Hephata das ganz verstockte Herz erweichen; ach, lege nur den Gnadenfinger in die Ohren, sonst bin ich gleich verloren. Rühr auch das Zungenband mit deiner starken Hand, damit ich diese Wunderzeichen in heilger Andacht preise und mich als Kind und Erb erweise.

7. Aria

Ich wünsche nur, bei Gott zu leben. Ach! Wäre doch die Zeit schon da! Ein fröhliches Halleluja mit allen Engeln anzuheben! Mein liebster Jesu, löse doch das jammerreiche Schmerzensjoch und laß mich bald in deinen Händen mein martervolles Leben enden!

De kracht van kleine groepen in corona-tijd

In verschillende kerken en geloofsorganisaties wordt al langere tijd nagedacht over de waarde van kleine groepen voor onderling pastoraat en gezamenlijke geloofsgroei. De coronamaatregelen geven een extra stimulans om meer samenkomsten in kleinere groepen te organiseren.

Artikel van Anne-Maaike Pathuis in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 31 juli 2020

Het lijkt erop dat de mogelijkheden om met een hele gemeente samen te komen voor een kerkdienst voorlopig nog beperkt zullen blijven vanwege de coronamaatregelen. Verschillende kerken en organisaties zoeken daarom naar manieren waarop men in kleinere groepen toch invulling kan geven aan het kerk-zijn.

Drie voorbeelden

De Protestantse Kerk introduceerde half juni het concept “360 graden kerk“, gebaseerd op het principe van ‘flipping the classroom’. Hierbij is het klaslokaal of de kerk niet langer de plek waar de docent of dominee de informatie overbrengt, maar juist de plek waar leerlingen of gemeenteleden met elkaar aan de slag gaan met de informatie. De preek wordt vooraf opgenomen en bekeken door de gemeenteleden, waarna de inhoud op verschillende manieren wordt verwerkt. Bijvoorbeeld door het maken van een schilderij, door een gesprek of discussie, door een lectio divina over de tekst, of door het zoeken naar praktische toepassingen van de preek.

De Baptistenkerk in Groningen heeft ervoor gekozen om de gemeente in 35 groepen op te delen (Nederlands Dagblad, 7 juli jl.). Vanaf de zomer zal er twee zondagen per maand een online dienst worden uitgezonden, op de andere zondagen komt men samen in deze groepen. Het voordeel van de groepen is dat men in kleinere kring kan samenkomen nu dat in de grote gemeente – regulier zijn er twee ochtenddiensten met elk 2000 bezoekers – vanwege corona niet kan. De leiders van de Baptistenkerk hopen daarnaast dat de groepen een plek worden waar omzien naar elkaar gemakkelijker wordt en waar leden zich uitgedaagd voelen om bij te dragen aan elkaars geloofsgroei.

Ook de zomerconferentie van New Wine kon dit jaar niet doorgaan vanwege corona. De organisatie koos ervoor om een online programma aan te bieden met vijf lezingen en gespreksmateriaal over het thema ‘Heel het leven!’. Daar kunnen kerken en bijbelstudiegroepen het hele jaar door zelf mee aan de slag.

Kracht van groepen

Dit zijn drie voorbeelden van een benadering van kerk-zijn in kleine groepen. De beweging naar meer kleinere groepen in kerken is al jaren aan de gang. Ook in veel vrijgemaakte kerken komen gemeenteleden met regelmaat samen in zogenaamde kringen of miniwijken.

De kracht van kleine groepen ten opzichte van de grote gemeenschap is duidelijk, maar kleine groepen hebben ook hun eigen uitdagingen. In een kleine groep kunnen gemeenteleden gemakkelijker verbondenheid met elkaar en een ‘thuis’ ervaren dan in de grote gemeenschap. Aan die verbondenheid moet wel gewerkt worden, omdat het niet voor iedereen vanzelfsprekend is om zich toe te wijden aan een groep en persoonlijke zaken met elkaar te delen. Als men groeit in verbondenheid, kan er ook zicht ontstaan op de pastorale en diaconale noden van gemeenteleden, waardoor men elkaar op die terreinen kan ondersteunen. Tot slot biedt een kleine groep bij uitstek mogelijkheden om te groeien in geloof. Er is ruimte voor geloofsgesprekken en voor het oefenen in het leven in gemeenschap met God, door zingen, bijbelstudie en gebed. 

Geloofsgroei zoeken

Uit eigen onderzoek naar het functioneren van de kringen in de GKv Buitenpost blijkt dat het soms moeilijk is om op een goede manier invulling te geven aan het stimuleren van geloofsgroei. Er is vaak wel onderlinge verbondenheid in de kringen, maar de geloofskant van het samen kring-zijn blijft soms onderbelicht. Gemeenteleden willen graag geloofsgroei stimuleren op de kringen, maar samen bijbelstudie doen is niet voor iedereen de beste manier. Gemeenteleden zoeken een verschillend niveau van diepgang als het gaat om geloof, en die verschillen in behoeften kunnen voor spanning zorgen binnen de kringen.

Tips

In mijn onderzoek kwamen ook een aantal tips naar voren om de geloofsgroei in kringen te stimuleren.

Het kan goed zijn om in gesprek te gaan over de verschillende manieren waarop mensen groeien in geloof: bijvoorbeeld door muziek, door het opdoen van nieuwe kennis, door wandelen of fietsen in de natuur. Deze manieren kunnen ook afwisselend worden ingezet bij de invulling van bijeenkomsten in kleine groepen. Een andere genoemd idee was om samen een film te bekijken waarin een geloofsthema, zoals vertrouwen of vergeving, belicht wordt en daarover in gesprek te gaan. Sommige kringen hebben behoefte aan input van de dominee, bijvoorbeeld door gespreksvragen of een verdiepende bijbelstudie naar aanleiding van een preek.

Flipping the classroom

Om het vormgeven aan geloofsgroei in kleine groepen te structurer­en, kan het principe van ‘flipping the classroom’ – zoals in de “360 graden kerk” – heel behulpzaam zijn.

In een tijd waarin grote samenkomsten niet mogelijk zijn, kan een dominee wel een preek opnemen die gemeenteleden kunnen bekijken. Op deze manier is er gelegenheid om een bijbeltekst uit te leggen en aanzetten te geven voor het verbinden van de bijbeltekst en het dagelijks leven. Ook wordt voorkomen dat er vrijblijvendheid en eenzijdigheid is op het gebied van geloofsgroei in kleine groepen.

Het verwerken van een preek in kleinere groepen is een goede aanvulling op die preek. Juist in kleinere groepen kan immers worden aangesloten bij de verschillende geloofstalen en leerstijlen die mensen spreken. Zo kan de boodschap van het evangelie, misschien wel meer dan in een traditionele kerkdienst, zowel de hoofden als de harten van gelovigen bereiken.


Zie voor meer informatie over “360 graden kerk” het artikel op https://www.protestantsekerk.nl/verdieping/360kerk-met-het-woord-op-weg/ en voor meer informatie over het online programma van New Wine de website https://heelhetleven.new-wine.nl/.