Alle volken

Overdenking

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen’, (Matteüs 28:19a)

Leerlingen van Jezus krijgen de opdracht om leerlingen te maken. Dat is de kern van kerk-zijn. Het bijzondere is, dat zij nu niet alleen naar het eigen volk Israel, maar ook naar de volken worden gezonden.

Jezus zijn missie richt zich, zoals hij tegen de Kanaanitische vrouw zegt, op het volk Israel. Zoals we als samenvattend bericht van Matteüs lezen, ‘dat Jezus op weg gaat en langs alle steden en dorpen trekt, onderricht in de synagogen geeft, het goede nieuw over het koninkrijk verkondigt en iedere ziekte en kwaal geneest’, (9:35).

Wanneer de leerlingen in het kader van deze missie voor de eerste keer er op uitgezonden worden, is dat ook Jezus’ instructie voor hen: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in, bezoek zelfs geen Samaritaanse stad, maar zoek de verloren schapen van het volk Israel’, (10:5-6).

Toch is Jezus’ missie ook op de volken gericht. Ook al is hij de zoon van David en wordt hij beschouwd als de koning van de Joden, Jezus missie was ten diepste om het koninkrijk van God op aarde te brengen. Om dat te onderstrepen vertelt Matteüs meteen aan het begin van het evangelie het verhaal van de magiërs uit het Oosten, die als vertegenwoordigers van de volken hem eer komen bewijzen.

Maar al aan het begin van zijn evangelie geeft hij programmatisch het overzicht van zijn afstamming en typeert hij Jezus als de Messias, de zoon van David, de zoon van Abraham, (1:1). Jezus is de zoon van Abraham, de vader van vele volken. In hem zullen nu werkelijk alle volken van de aarde gezegend worden.

In Jezus’ sterven en in zijn opstanding is de grondslag voor het koninkrijk van God gelegd. Dat is het goede nieuws, dat de leerlingen uit zullen moeten dragen. Eerst in Israel, maar daarna in heel de wereld.

In zijn laatste rede op Olijfberg heeft Jezus zijn leerlingen daar op voorbereid. Hij heeft samen met hen de tempel verlaten en aangekondigd, dat van die tempel geen enkele steen op de ander zal worden gelaten, maar dat alles afgebroken zal worden. Wanneer zij hem dan vragen: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen wij uw komst en de voltooiing van de wereld herkennen’, dan antwoordt hij dat ‘pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, het einde zal komen’, (24:14).

Het alle volken tot leerlingen maken is de brug tussen de Hemelvaart van Jezus en zijn terugkomst. Ook al zal de tempel van Jeruzalem, het symbool van de aanwezigheid van God, afgebroken worden, God verdwijnt niet uit onze wereld.

Jezus is de Immanuel, de God-met-ons. Namens hem zullen zijn leerlingen alle volken het nieuws brengen, dat God zijn koninkrijk op aarde gevestigd heeft. In de verkondiging van het evangelie komt Jezus en zo God zelf naar ons toe.

Jezus roept ons via de leerlingen op om zijn navolgers te worden. Om net als zij op weg te gaan, het koninkrijk van God binnen te gaan, het evangelie te verkondigen en zo ook zelf leerlingen te maken. In het vertrouwen, dat hij elke dag met ons is, tot aan de voltooiing van de wereld, (28:20).

 

 

Twijfel

Overdenking

‘Toen ze Jezus zagen, knielden ze voor hem. Maar sommige leerlingen twijfelden’, (Matteüs 28:17)

Ik vind het een intrigerend zinnetje: ‘Maar sommige leerlingen twijfelden.’ Twijfelen waaraan?

De leerlingen zijn op die berg in Galilea, waar voor hen alles begonnen is. Het zal een reünie worden waar de initiator van hun beweging niet zal ontbreken. Hij heeft het leven gelaten en is begraven, maar ze hebben van de beide Maria’s de boodschap gekregen dat hij uit de dood is opgestaan en dat hij hen voor zal gaan naar Galilea.

Wanneer ze daar op de berg zijn, gebeurt het zoals hen verteld is. Jezus verschijnt aan hen: de leerlingen zien de opgestane Heer. Hun eerste reactie is, dat ze voor hem neerknielen. Net zoals de vrouwen reageren op Jezus’ verschijning bij het graf. ‘Zij lopen op Jezus toe, grijpen zijn voeten vast en bewijzen hem eer’, (28:9).

Toch blijft dat bijzonder. Voor iemand neerknielen, dat doe je alleen maar als het een hoger geplaatste is of als je een verzoek extra wilt onderstrepen.

Eén keer eerder lezen we in het evangelie van Matteüs dat de leerlingen voor Jezus knielen. Wanneer ze ’s nachts een keer alleen in grote tegenwind op het meer zijn en Jezus hen aan het einde van de nacht over het water voorbijloopt. Petrus vraagt dan of hij over het water naar Jezus toe mag lopen. Wanneer Jezus vervolgens met Petrus in de boot stapt, gaat de wind liggen. En dan lezen we dat alle discipelen in de boot zich voor hem neerbuigen en zeggen: ‘U bent werkelijk Gods zoon!’, (14:33).

De leerlingen knielen hier op de berg opnieuw neer en betuigen Jezus goddelijke eer. Hij is de rabbi, hun meester. Maar nu beseffen ze dat hij werkelijk de messias is. Dat hij ook als zodanig aanbeden behoort te worden.

Het was al de centrale vraag tijdens zijn leven op aarde. Wie is Jezus? In het evangelie komen we verschillende antwoorden tegen. Is hij de zoon van David, zoals het volk dacht? Of is hij Elia? Of Johannes de Doper? Of Jeremia of één van de andere profeten? Of kan hij al die wonderen doen, omdat hij Beëlzebul, de vorst van de demonen, hem daartoe in staat stelt?

Halverwege het evangelie stelt Jezus de vraag aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen jullie dat de Mensenzoon is?’ Petrus antwoordt dan namens alle leerlingen: ‘U bent de messias, de zoon van de levende God’, (16:16). Dan verbiedt Jezus hen ook maar tegen iemand te zeggen dat hij de messias is. Maar nu is het zover, dat zij daar openlijk voor uit mogen komen.

Kun je je voorstellen, dat het voor de discipelen een hele omschakeling van het denken blijft? Dat sommigen nog twijfelen? Ze twijfelen er niet aan, dat het de opgestane Jezus is die ze zien. Maar dat hij echt de messias is? Dat moet nog landen.

Om hen in die twijfel te helpen, komt Jezus dichterbij en zegt: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.’ Ik ben werkelijk de mensenzoon, die Daniel al in zijn visioenen zag. De mensenzoon, aan wie ‘macht, eer en koningschap werden verleend en die allen volken en naties, welke taal zij ook spreken, dienden’, (Daniel 7:13). Vandaar dat Jezus er aan toevoegt: Schroom niet, ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen.

Twijfel toch niet, maar geloof dat Jezus echt de messias, de zoon van God, is. Twijfel niet, maar vereer Jezus door hem net als de leerlingen als koning te dienen.

 

Galilea als thuisbasis

Overdenking

Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien’, (Matteüs 28:7b)

Jezus keert na zijn opstanding uit de dood terug naar waar het allemaal begon: Galilea. Jeruzalem zal altijd verbonden blijven met de kruisiging en het sterven van Jezus, maar Galilea vooral met het leven en de missie van Jezus.

Aan het eind van het evangelieverhaal vertelt Matteüs, dat Jezus naar Jeruzalem gaat, (19:1). Onderweg neemt Jezus zijn leerlingen apart om te zeggen, dat nu de Mensenzoon ter dood zal worden veroordeeld, (20:18v). Wanneer Jezus op een ezel Jeruzalem binnenrijdt, raakt de hele stad in rep en roer en vraagt men zich af wie hij is. Dan blijkt dat ze hem vooral kennen als ‘de profeet uit Nazaret in Galilea’ (21:11) of als ‘die Jezus uit Galilea’ (26:69).

Galilea is de thuisbasis en het werkterrein van Jezus. Nadat hij door Johannes de Doper bij de Jordaan gedoopt is en hij zijn openbare optreden begint, gaat hij wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. Juist het gebied, dat het ‘Galilea van de heidenen’ genoemd wordt, (4:13v). Dat is ook de reden, dat Pilatus tijdens de rechtsgang van Jezus hem ook naar Herodes Antipas, de viervorst over Galilea en Perea, stuurt, omdat Jezus onder diens gezag valt (Lukas 23:7).

Na de opstanding uit de dood gaat Jezus naar Galilea terug. Dat had hij bij het laatste Avondmaal al gezegd, (26:31). Naar deze aankondiging verwijzen de engelen de vrouwen. Daar moeten ze de leerlingen aan herinneren. Ook Jezus zelf draagt hen dat op, wanneer hij aan de vrouwen verschijnt: ‘Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien’, (28:10).

Zo gaan ook de leerlingen weer terug naar Galilea, speciaal naar de berg waar Jezus hen in zijn Bergrede onderricht had over het koninkrijk van God. Dit is de berg bij het Meer van Galilea, waar Jezus later gedurende drie dagen allerlei verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen zieken genas en vervolgens voordat hij ze wegzond, vele duizenden mensen van voedsel voorzag, (15:29). Het is waarschijnlijk ook de berg van de verheerlijking, waar Mozes en Elia aan Jezus zijn verschenen, (17:1v).

In Galilea hebben de leerlingen hun eerste stage-opdrachten gekregen. Nu Jezus zijn missie op aarde zal beëindigen, krijgen ze ook in Galilea hun vervolgopdrachten. Mochten ze tijdens hun stage niet de weg naar de heidenen inslaan of een Samaritaanse stad bezoeken (10:5), nu moeten ze op weg gaan en alle volken tot leerlingen van Jezus maken (28:19).

Vanuit Galilea, het grensgebied tussen het Joodse volk en de heidenen, zal het evangelie de wereld in worden gedragen. Daarom gaat Jezus terug naar het begin. Toen was zijn boodschap: het koninkrijk van de hemel is nabij. Nu hij in Jeruzalem geweest is en hij is gekruisigd en opgestaan, is zijn boodschap: ‘Mij is gegeven alle macht op hemel en aarde’, (28:18).

Christus, de zoon van David, is niet in Jeruzalem geboren, maar in een klein stadje ten zuiden daarvan. Ook nu zijn koningschap definitief gevestigd is, is Jeruzalem niet de stad waar Jezus zich laat huldigen. De leerlingen zullen hem in Galilea zien: daar zullen ze hem aanbidden.

Vanuit het zaad in Galilea gezaaid, zal het koninkrijk van de hemelen in deze wereld zijn groei vinden. Overal waar mensen Jezus op grond van het evangelieverhaal en het getuigenis van de leerlingen eer gaan bewijzen en ook zijn leerling worden, overal waar mensen in zijn naam met elkaar als gemeenschap verbonden worden, daar zal het koninkrijk vanuit de hemel op aarde verschijnen. Daar zullen wij Jezus zien.

Stille zaterdag

Overdenking Stille Zaterdag 2017

Stinskerk, Westenholte

Schriftlezing: Matteüs 27: 57-66

 

  1.  

Het is stille zaterdag.
De day-after.
De rust van de sabbat.

In het graf, waar het dode lichaam van Jezus ligt, is het donker en het is stil.
De toegang is zorgvuldig afgesloten met een steen, goed verzegeld en van bewaking voorzien.

In de hoofden van de leerlingen kan het maar niet stil worden.
Nu komt pas de echte klap.
Het besef en de impact van wat er zich gisteren heeft afgespeeld.
Dat drama van de kruisiging en de dood van Jezus uit Nazareth.

Zo zitten de leerlingen bij elkaar, verdwaasd, beschaamd en bang.
Ze hadden hem nog zo gewaarschuwd:
ga toch niet tijdens het feest van Pesach naar Jeruzalem!
Ze willen u doden!
Maar Jezus was vastbesloten.

Ze hebben zich laten meeslepen toen het volk met palmtakken begonnen te zwaaien: ‘Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.’

In één klap zijn al hun verwachtingen de grond ingeboord.
Hun meester is er niet meer.
De herder is gedood – de kudde uiteengeslagen.

Slechts enkele leerlingen, – voornamelijk vrouwen -,  hebben vanuit de verte bij het kruis gestaan. Ze waren er nog bij, toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus samen met Nicodemus van het kruis haalde en het na de zalving in een linnen doek wikkelde en in het graf legde.

Nu besluiten ze om als de sabbat voorbij is met de kruiden en olie die ze al klaar hebben gemaakt in de vroege ochtend naar het graf te gaan. Ze willen de lijkwade impregneren, zodat de rotte doodsgeur niet door het linnen naar buiten zal komen. Dat is de enige dienst, die zij Jezus nog zullen kunnen bewijzen. Bezegeling van drie intensieve jaren van volgen en van het dienen van Jezus, hun Heer.

 

     2.

Het is stille zaterdag.
De day-after.

Onweerstaanbaar dringt bij de leerlingen het besef door, dat hun toekomst weg is.
Met de dood van Jezus is alle hoop vervlogen.
Hun verwachting dat het koninkrijk van God is aangebroken, is de grond in geboord.
Opnieuw staan zij als Gods volk met lege handen.

Het leek er op, dat Jezus de vervulling zou zijn van die aloude beloften.
Bevrijding, verlossing, vrede.
Ze hebben zich vergist.

De vreugde over die blijde boodschap is in één dag verdampt.
Ze zijn hardhandig, als uit een droom ontwaakt.
Wat rest is teleurstelling, verdriet, schaamte en angst.

Ze zullen zonder de hulp en de bescherming van Jezus verder moeten leven.
Het voelt alsof ze door God zelf in de steek gelaten zijn.

 

     3.

Het is stille zaterdag.
De day-after.

Als leerlingen van Jezus zitten we hier bij elkaar.
Wij hebben ook zo onze hoop en onze verwachtingen voor de toekomst.
Ook wij zijn hardhandig uit onze droom gewekt.

Het geloof lijkt zo maar onder onze handen te verdampen.
De secularisatie en het verlichte wetenschappelijk wereldbeeld lijken het in onze westerse wereld te hebben gewonnen.
Als het aan de tegenstanders van God ligt,
zal het christelijk geloof als bijgeloof ontmaskerd worden en ontmaskerd blijven.

Hoe zal de toekomst van de christelijke kerk in ons land eruit zien?
Zullen wij, zullen onze kinderen, bij het geloof bewaard blijven?

Sommigen zijn teleurgesteld in de gemeente en in het kerkelijk leven,
anderen kunnen hun leven of het leven in deze wereld niet verbinden met God,
velen hebben in wanhoop, uit woede of in berusting en gelatenheid hem vaarwel gezegd.

Wij hebben verdriet over de kaalslag in het christelijke leven.
Het voelt als we door God zelf verlaten zijn.

Waarop kunnen wij en waarop mogen wij nu nog hopen?

 

    4.

Het is stille zaterdag.
De day-after.
Het is de rust van de sabbat.

Wat rest ons anders dan om onze bijbel te openen,
en de God van onze vaderen aan te roepen,
zoals zij eeuwenlang op de sabbat hebben gedaan,
om te bidden, te zingen, te klagen en te roepen?

Psalm 80.

God van de hemelse machten,
keer u tot ons,
kijk neer uit de hemel en zie.

Bekommer u om deze wijnstok,
de stek die uw hand heeft geplant,
de zoon die u zelf hebt grootgebracht.

Hij is verbrand en weggehakt,
verkwijnd onder uw duistere blik.

Leg uw hand op uw beschermeling,
het mensenkind dat u hebt grootgebracht.
Dan zullen wij niet van u wijken.

Laat ons leven, en wij roepen uw naam:
HEER, God van de hemelse machten,
keer ons lot ten goede,
toon uw lichtend gelaat,
dan zijn wij gered.

Amen

 

Ondergeschikt

Een groot struikelblok om de vrouw in de GKV in het ambt te aanvaarden is dat daarmee geen recht wordt gedaan aan het verschil tussen man en vrouw. Preciezer geformuleerd: dat dan onvoldoende rekening wordt gehouden met ‘het element van de ‘ongelijkheid’ van man en vrouw in het totaal van de Schriften.’

Men ziet deze ‘ongelijkheid’ door Paulus geformuleerd als hij de man het hoofd van de vrouw noemt en de vrouw oproept zich aan de man te onderwerpen. Omdat Paulus hierbij verwijst naar het oorsprongsverhaal van de mens in Genesis 1-3 is het ondergeschikt zijn van de vrouw aan de man in het verleden wel getypeerd als een scheppingsordinantie.

Wanneer een vrouw het ambt zou bekleden, komt zij als vrouw niet alleen op het zelfde niveau als haar mannelijke mede-ambtsdragers te staan, maar krijgt zij ook als ambtsdrager gezag over de man. Omdat dit bijbels niet te verantwoorden zou zijn, is het onmogelijk om vrouwen als ambtsdragers te aanvaarden.

In de traditie heeft men daar een mooie slogan voor bedacht: mannen en vrouwen zijn wel gelijkwaardig, maar ze zijn niet gelijk. Het grote verschil is dat de man gezag over de vrouw heeft en leiding aan haar behoort te geven en dat de vrouw zich aan dat gezag en aan die leiding moet onderwerpen.

Dat is de theorie die men eeuwenlang op basis van bijbelse gegevens geconstrueerd en voor waar aangenomen heeft, maar die steeds meer haaks lijkt te staan op de praktijk zoals wij die in de bijbel lezen en in de huidige samenleving tegenkomen.

Interessant is de vraag hoe wij als gereformeerden met deze discrepantie om gaan. Ik zie dan twee bewegingen.

Allereerst dat men in de maatschappij erin berust of er geen punt van maakt, dat de positie tussen vrouw en man gelijkwaardig is en dat men er daarom van afziet een bijbels beroep op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man te doen. Hoogstens past men deze regel in theorie nog toe op de huwelijksverhouding, maar in de praktijk heeft dat nauwelijks consequenties.

Ten tweede heeft men in de kerk lange tijd geprobeerd het gezag van de man ten opzichte van de vrouw in de vormgeving van het gemeenteleven hoog te houden. Ik zie echter dat de argumentatie daarvoor steeds minder overtuigend wordt gevonden en dat steeds meer rollen en functies die voorheen alleen door mannen werden verricht nu ook door vrouwen vervuld worden.

Ook zie je dat de theorie de afgelopen 40 jaar lichtelijk aangepast is. Kon een synode in 1978 nog onbekommerd en absoluut spreken over ‘de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft’, daarvan zegt de synode in 1993 dat daarmee te weinig de Schriftgegevens in rekening worden gebracht:

waarin gesproken wordt over de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17, 18, Gal. 3:28, 1 Petr. 2:5,9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’[1]

Wel wordt met een verwijzing naar de ‘zwijgteksten’ uitgesproken dat binnen de kerk de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man tot uitdrukking moet komen:

1 Kor. 14:34-36 geeft geen absoluut zwijggebod voor de vrouw in de gemeente, maar verbiedt haar het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst;

1 Tim. 2:11-15 bevat een verbod voor vrouwen om leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst en zo gezag te oefenen over de man; uit deze Schriftgegevens valt terecht af te leiden dat de vrouw geen leer- of regeerambt mag vervullen in de gemeente[2]

Deze twee lijnen heeft de vorige synode in 2014 kennelijk als kader voor het gesprek over m/v en het ambt geprobeerd te combineren:

‘[H]et doorlopend spreken van de Schrift laat twee lijnen zien. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven; deze beide lijnen dienen verdisconteerd te worden.’[3]

Wat opvalt is dat men niet meer expliciet spreekt over het gezag van de man ten opzichte van de vrouw, maar over ‘verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven’. Wat dat is en hoe dat ingevuld kan worden, wordt echter niet toegelicht. Dat maakt deze richtlijn voor het gesprek onhelder. Ik vermoed dat sommigen het zullen opvatten als een impliciete verwijzing naar de ondergeschikte positie van de vrouw in de kerk.[4] Terwijl uit de rest van het besluit blijkt dat het bedoeld is om aandacht te vragen voor ‘het recht van vrouwen om ook hun gaven in te zetten in de kerk’. Maar dan wel zo ingekaderd, dat ‘het dragen van de verantwoordelijkheid voor de geestelijke leiding aan de gemeente’ toch alleen bedoeld is voor mannen.

Nu wordt het interessant om te zien hoe deputaten het binnen dit kader toch lukt om te pleiten voor een actieve ambtelijke rol van de vrouw in de kerk. Dat gebeurt op een soortgelijke manier als waarop in 1993 in de GKV aan de vrouw het actief kiesrecht is gegeven.

Destijds was het argument dat het stemmen van vrouwen onder de verantwoordelijkheid en de leiding van de kerkenraad plaats vond en dat de vrouw dus in het stemmen niet kon heersen over de man.

Nu betogen deputaten dat de ambten geen macht/gezag aan een enkele persoon bieden, maar dat het om een collectief dragen van verantwoordelijkheid gaat. Daardoor is er ook voor de vrouw ruimte, – zelfs als het gaat om een leidinggeven -, in het ambt te dienen, omdat zij daarin niet over de man kan heersen.[5]

In de uitkomst van het deputatenrapport kan ik mij vinden, – de vrouw mag in het ambt dienen – toch zou het de acceptatie helpen dat niet alleen de theorie van de ondergeschiktheid van de vrouw zoals die eeuwenlang opgeld deed ter discussie gesteld wordt, maar dat ook duidelijk gemaakt wordt dat deze deconstructie bijbels te verantwoorden is.

Mijns inziens is de bijbelse boodschap die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw, zonder daar als een tweede lijn aan toe te voegen en uit te spreken dat God de man een koppositie geeft en dat de vrouw een positie krijgt waarin ze dat vooropgaan moet accepteren.[6]

 

[1] Acta GS Ommen 1993, p. 41

[2] Acta GS Ommen 1993, p. 41.

[3] Acta GS Ede 2014-2015, p. 41

[4] In lijn b.v. met hoe in een deputatenrapport over het vrouwenkiesrecht uit 1978 over de positie van de vrouw in huwelijk en gemeente gesproken wordt: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden. Deze diversiteit in funktioneren is de zin, de kracht en de glans van het huwelijk. Ten aanzien van dit funktioneren valt te spreken van een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’ en als het over de gemeente gaat: ‘Ook daar moet de vrouw haar eigen plaats kennen, d.w.z. ‘zichzelf onderschikken’. Het is niet voorstelbaar, dat zij haar houding en funktionering in het huwelijk (voor het aangezicht van Christus!) vergeet en aflegt, zodra zij gaat deelnemen aan de samenkomst van de gemeente, die van deze zelfde Christus is en waarin deze Christus zelf tegenwoordig is. Slechts vérgaand spiritualisme kan voor zulk een geschift leven het pleit voeren. Dus zal de vrouw ook in de gemeente haar plaats kennen en op haar plaats blijven.’

[5] Samen Dienen. Rapport deputaten M/V en ambt, 2016, p. 36

[6] Zoals door deputaten geconcludeerd wordt, zie Samen Dienen. Rapport deputaten M/V en ambt, 2016, p. 24

Zwijgteksten

Kun je trouw aan de bijbel zijn en toch de vrouw in het ambt toelaten? Doe je dan wel recht aan de zogenaamde zwijgteksten van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2? Daar staat toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente?

Maar dit is dus waar het om gaat: staat er wel wat er zo op het eerste gezicht schijnt te staan en wat we altijd vanuit de traditie hebben aangenomen?

Teksten worden altijd gelezen vanuit bepaalde vooronderstellingen, anders krijgen ze geen betekenis. Dat is de grote ontdekking geweest van de hermeneutische filosofie in de 20e eeuw. De vraag bij elke interpretatie of exegese is of je bereid bent om je vooroordelen ter discussie te laten stellen door de tekst zelf.

Anders gezegd: ben je bereid om door het lezen van een tekst een schifting aan te brengen tussen je terechte en je onterechte vooroordelen? En dan je onterechte vooronderstellingen los te laten om zo tot een ander verstaan van de tekst te komen? Mag de tekst werkelijk het laatste woord hebben, ook al zal dat laatste woord zich alleen in de interpretatie van de tekst zelf door kunnen zetten?

Een tekst wordt altijd op een bepaalde manier waargenomen. Het woord is een tegenover, maar kan pas als een tegenover bestaan wanneer het gelezen en geïnterpreteerd wordt. Ben je bereid om de bril die je onvermijdelijk altijd op hebt, scherper te stellen zodat de tekst zelf ook echt zijn gezag kan uitoefenen?

Juist bij teksten die een beschrijving geven van een historische situatie is het te verwachten, dat er in de loop van de tijd nieuwe interpretaties zullen komen. De brieven van Paulus zijn geschreven in een bepaalde tijd, aan specifieke gemeenten en personen en vaak naar aanleiding van concrete situaties, die wij niet direct kennen en daarom bij het uitleggen van de brieven moeten invullen om tot een coherente lezing van de tekst te komen. Doordat wij vooral de laatste vijftig jaar veel meer zicht hebben gekregen op de historische, culturele, sociale, religieuze en politieke context waarin Paulus en de vroeg-christelijke gemeenten hun weg moesten vinden, is het niet verwonderlijk dat er ook nieuw licht op de brieven van Paulus gevallen is.

Als het gaat om m/v en het ambt denk ik met name aan de informatie over èn de betekenis van onderwerpen als ‘eer en schande’, het patronagesysteem in de Grieks-Romeinse samenleving, de rol van de vrouw in het publieke leven en binnen de huiselijke sfeer, de samenstelling van het huis en de ‘household’, dat niet alleen uit een kern-gezin bestaat, maar uit een ‘extended family’, waar ook andere familieleden en slaven deel van uitmaakten. Al deze informatie helpt ons om een beter zicht te krijgen op het functioneren van de huisgemeenten en op de context waarin Paulus zijn aanbevelingen over de positie van de vrouw in de gemeente doet.[i]

De vraag is of je op basis van deze nieuwe informatie bereid bent om de bestaande vooronderstellingen in de traditionele exegese van de zwijgteksten opnieuw onder ogen te zien en te schiften tussen houdbare en niet-houdbare vooronderstellingen? Zelfs al zal dat leiden tot een andere uitleg van deze teksten en tot het openstellen van de ambten voor de vrouw in de GKV?

Dat is de uitdaging waar wij als gereformeerden voor staan. Tenminste dat lijkt me logisch, willen we werkelijk trouw aan de boodschap van de bijbel zijn.

[i] Goed leesbare standaardwerken zijn nog altijd Wayne A. Meeks, The First Urban Christians. The Social World of the Apostle Paul, Yale University, 1983 en Robert J. Banks, Paul’s Idea of Community. The Early House Churches in Their Cultural Setting, Hendrickson Publishers, 2007, revised edition. Voor een specifieke toepassing op het onderwerp m/v en de vroege kerk verwijs ik naar Cynthia Long Westfall, Paul and Gender. Reclaiming the Apostle’s Vision for Men and Women in Christ, Baker Acadamic, 2016.

Tamar en de m/v-ambt discussie

In de geschiedenis van Tamar en Juda zoals we die in Genesis 38 tegenkomen, zie je een inzichtgevend voorbeeld van hoe de verhoudingen tussen man/vrouw in een patriarchale samenleving vorm wordt gegeven.

Juda, de vierde zoon van Jakob, is getrouwd met Batshua, een Kanaanitische. Samen krijgen ze drie zoons. Als zijn zonen volwassen worden, zoekt Juda een vrouw voor ze. Zo komt  Tamar in beeld. Hij kiest haar als vrouw voor zijn oudste zoon Er. Zij zullen hopelijk de geslachtslijn van zijn huis voortzetten.

Voordat Tamar zwanger wordt, sterft Er. Juda geeft daarop Tamar aan zijn tweede zoon Onan als vrouw, zodat hij nageslacht bij haar kan verwekken. Dat was in het Oude Oosten een gebruikelijke manier om iemands naam en herinnering te laten voortleven. Verder was zo’n zwagerhuwelijk een middel om de bezittingen van de overleden man in de familie te houden en om er voor te zorgen dat de weduwe niet rechteloos achterbleef.

Niet lang daarna sterft ook Juda’s tweede zoon. Omdat Juda bang is dat ook zijn derde zoon Sela zal sterven wanneer hij hem Tamar als vrouw zal geven, zendt hij Tamar terug naar het huis van haar vader.

Juda stuurt Tamar als weduwe terug naar haar vader in plaats van dat hij als hoofd van zijn huis de zorg voor haar op zich neemt. Haar vader zal haar niet zonder slag of stoot in zijn huis hebben opgenomen. Hoewel ze er geen enkele invloed op uit heeft kunnen oefenen, heeft ze de eer van de familie te schande gemaakt. Tegelijk is ze met huid en haar met het huis van Juda verbonden, omdat ze onder het patriarchale gezag van Juda blijft vallen. Zonder zijn instemming zal ze niets kunnen doen, laat staan met een ander trouwen. Ze is toegezegd aan Sela, ook al weigert Juda haar te laten trouwen. Al met al heeft zij geen andere toekomst dan om als weduwe te sterven. Kinderen zal ze niet krijgen. Zo gauw ze zich met een andere man seksueel verbindt, zal ze van overspel beschuldigd worden.

Zo werkt dat in een patriarchale samenleving. Net zoals het in zo’n samenleving vanzelf spreekt dat je als man seksueel contact kunt hebben met een meisje of vrouw, zolang ze maar niet onder iemands gezag valt. Prostituées zijn van die vrije vrouwen. Ze worden veracht om wat ze doen, tegelijk profiteren de mannen er behoorlijk van. Wel de lusten, maar de lasten worden op de vrouwen afgeschoven. Dat blijkt later in de geschiedenis. Juda heeft zonder te weten dat het zijn schoondochter is, seksueel contact met haar. Hij denkt dat ze een hoer is. Wanneer drie maanden later blijkt dat zijn schoondochter zwanger is, vindt Juda steniging voor haar te weinig en eist hij de verbranding van Tamar.

Tamar kon zich niet aan die patriarchale cultuur onttrekken: ze had er creatief mee te dealen. En daarbinnen heeft ze een groot risico genomen. Voor haar maakt het kennelijk niet zoveel meer uit of ze nu de doodstraf krijgt omdat ze door Juda als overspelige wordt aangemerkt of doordat ze ‘gewoon’ van Juda levenslang krijgt. Haar toekomst is weg. Uit de geschiedenis blijkt dat ze dat risico neemt, omdat ze koste wat kost trouw wil blijven aan haar schoonfamilie. Net als die weduwe in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter wordt ze gedreven door het zoeken van gerechtigheid. Een gerechtigheid die Juda erkent, als hij zegt: ‘Niet ik, maar zij staat in haar recht!’

De vraag waar wij als gereformeerden behoorlijk verlegen mee zijn, is hoe wìj met die patriarchale cultuur in de bijbel hebben te dealen. Dat blijkt m.n. bij het nadenken over de vraag van ‘man/vrouw en het ambt’. De visie dat de vrouw van het ambt moet worden uitgesloten, komt uiteindelijk voort uit dit principe van de patriarchale samenleving: de vrouw mag niet over de man heersen, omdat zij onder het gezag van de man valt. De man is het hoofd van de vrouw en zij moet hem onderdanig zijn.

Een van de manieren om hiermee om te gaan is dat wij een onderscheid hebben ingevoerd dat mannen en vrouwen in de bijbel wel gelijkwaardig zijn, maar niet gelijk. Voor zover ik kan zien is dat een onderscheid dat wij vanuit een westers perspectief maken, maar dat in een patriarchale samenleving domweg niet werkt. Tamar heeft geen gelijkwaardige positie ten opzichte van Juda. Ze heeft zich gewoon te schikken.

Een tweede manier is dat wij het hoofd-zijn van de man met een beroep op Efeziërs 5,21 hebben geherdefinieerd als ‘dienende liefde’. Overigens is dit een exegese die nog maar een paar decennia algemeen aanvaard wordt.

Beide manieren zijn pogingen om het problematische van de patriarchale cultuur voor onze visie op de m/v-verhouding te verzachten of aanvaardbaar te maken, omdat wij ook recht willen doen aan het gezag van de bijbel.

Ik denk dat we in het gesprek over m/v en het ambt alleen verder komen als we de meer fundamentele vraag naar de relatie tussen de bijbelse openbaring en de cultuur aan de orde stellen. Eén van de basisaannames waardoor het voor velen onmogelijk lijkt dat vrouwen in het ambt zouden kunnen dienen, is dat de bijbelse openbaring en de patriarchale cultuur zo nauw met elkaar verweven zijn, dat er van een 1-op-1 relatie sprake is. Het afwijzen van de patriarchale gezagsverhouding betekent automatisch dat je het schriftgezag aantast.

Het is mooi dat deputaten M/V in het rapport dat afgelopen november verscheen, dit punt aansnijden en bespreken.[1] Tegelijk vind ik het jammer dat ze in de manier waarop ze keuzes maken en exegetische en hermeneutische conclusies trekken niet consistent zijn.

Aan de ene kant signaleren ze terecht dat de houding ten opzichte van vrouwen zeer cultuurbepaald geweest is en dat dit doorwerkt in de manier waarop vrouwen ten onrechte hun plek wordt gewezen:

‘[D]e bijeengebrachte bijbelgegevens doen de impact zien van de vloek van Gen. 3: nog steeds werkt het kwaad door in de man-vrouw-relatie en dat zorgt ervoor dat ook in onze tijd mannen en vrouwen nog steeds niet gelijkwaardig worden’ (15).

En voegen ze er als conclusie aan toe:

‘Het lijkt erop dat het evangelie (onzichtbaar maar zeker) vrouwen bevrijdt van hun ondergeschikte positie en hen naast de mannen plaatst’ (15).

Dit is in lijn met hun eerdere observatie, dat:

‘in de Bijbel de culturele tendens waarneembaar (is) om vrouwen te zien als ondergeschikt aan de man. Maar in de Bijbel wordt ook een tegenkracht zichtbaar die voortkomt uit Gods genadige verlossing en die voor de samenleving concrete aanzetten biedt tot herstel van de vanaf het begin bedoelde wederkerigheid in de man-vrouw-relatie’ (11).

Toch brengen ze deze inzichten niet in rekening als ze Paulus’ visie zo samenvatten en als normatief presenteren, dat het hoofd-zijn van de man in het huwelijk betekent, dat ‘van een man gevraagd (wordt) dat hij de koppositie inneemt en van zijn vrouw dat zij die koppositie aanvaardt’ (24). Hun eerdere conclusie dat het ‘in den beginne’ niet zo was wordt het zwijgen opgelegd. Ze kleuren in lijn met een eeuwenlange traditie de wederkerigheid in de man-vrouwverhouding bij de schepping opnieuw normatief in met een beroep op de patriarchaal gemotiveerde hiërarchische man-vrouw verhouding bij Paulus.

We zullen daarom eerst het thema van het schriftgezag in de man/vrouw en ambt discussie vanuit het perspectief van de aansluiting van de openbaring bij de toenmalige cultuur moeten doordenken, voordat het ons zal lukken om vrouwen in de kerk recht te doen.

Vanuit een westers perspectief typeren wij wat Juda ten opzichte van Tamar doet als een dubbele moraal. Een moraal mogelijk gemaakt door het uitbuiten van de gezags- en machtsrelaties tussen man en vrouw. Hoe lang nog laten wij Tamar kloppen op de bastions van ons gereformeerde patriarchale systeem, voordat wij zullen erkennen dat zij in haar recht staat?

 

[1] GKv Rapport deputaten M/V en ambt. Samen dienen (2016)