Het koningschap over Israël

Het lijkt een vreemde vraag van de discipelen. Gaat u binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen? (Hand. 1:6). Dat was hun reactie op het bevel van Jezus om in Jeruzalem te blijven wachten, totdat de belofte van de Vader in vervulling zal gaan. Wat voor verwachtingen hebben de discipelen van de toekomst?

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad  d.d. 30 april 2021, zie www.gereformeerdkerkblad.nl]

Ik ben op een bepaalde manier wel getriggerd door deze verwachting van de discipelen. In het verleden zijn ze wel gekapitteld over hun vraag. Het zou getuigen van Joods nationalisme. Of het zou meer aan henzelf en hun positie gaan, denkend aan de belofte van Jezus aan de het laatste Pesachmaaltijd in Luk. 22:30, dat zij op de tronen zouden zitten om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël.

De komst van Gods koninkrijk

Toch denk ik dat deze verwijten aan de discipelen niet terecht zijn. Want het is Jezus zelf die dit thema aan de orde stelt. Hij heeft gedurende veertig dagen met hen over het koninkrijk van God gesproken. De komst van het koninkrijk van God: dat staat centraal. Dat was Jezus’ missie. Johannes de doper had het al gezegd. ‘Ik ben niet de Messias, maar degene die na mij komt. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur.’

Wanneer Jezus nu over dopen met de Geest begint, is het logisch dat de discipelen denken: zal het dan nu gaan gebeuren? Zal de Messias zich nu in al zijn glorie laten zien. Zullen nu zijn tegenstanders vernietigd worden en zal het definitief heil voor Gods volk zijn weggelegd? Daar zien ze naar uit. Dat het messiaanse rijk aanbreekt en dat zij daarin mogen delen.

In plaats van de discipelen te kapittelen over hun vraag, is het misschien beter om bij ons zelf te rade te gaan. Zijn wij misschien kwijtgeraakt, wat voor de discipelen vanzelfsprekend was? Want de band met Israël is voor de Messias onontbeerlijk. Wij kunnen de positie van Jezus alleen in dat perspectief goed verstaan.

Zoon van David

Want Jezus is allereerst de zoon van David. Zo wordt hij in de evangeliën getekend. Dat is belangrijk, omdat God met David een eeuwigdurend verbond had opgericht. Daar verwijst engel Gabriel ook naar als hij Maria vertelt dat ze een kind zal krijgen, Lukas 1:32: ‘God zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, aan zijn koningschap zal geen einde komen.’

Ook Zacharias zingt erover in zijn lied, Lukas 1:68v: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Hij heeft een reddende kracht voor ons opgewekt uit het huis van David, zoals hij door de mond van zijn heilige profeten heeft beloofd: dat hij ons zou bevrijden van onze vijanden, redden uit de greep van ieder die die ons haat.’

Jezus is de Messias, de gezalfde nakomeling uit het huis van David. Dat hebben de discipelen goed begrepen. Vandaar dat ze nu vragen, of hij het koningschap over Israël zal herstellen.

Daarom hebben ze hem ook Jeruzalem binnengehaald met die woorden: ‘Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hemel!’

Dat Jezus inderdaad de beloofde Messias is, hebben ze gemerkt in wat hij deed en in wat hij zei. Het is helemaal duidelijk geworden, nu hij uit de dood is opgestaan. Zijn opstanding is het bewijs dat Jezus inderdaad de beloofde Messias is. Jezus heeft het hen uitgelegd aan de hand Mozes en de profeten. Daarom moet dat ook de kern van hun verkondiging worden: Jezus is de beloofde Messias, de koning van Israël. De beloften aan David worden vervuld.

Tot de einden der aarde

Het antwoord van Jezus blijft verrassend. ‘Jullie hoeven niet te weten, of ik binnenkort het koningschap over Israël ga herstellen. Dat is een zaak van mijn Vader.’ Is het dan toch een verkeerde vraag geweest? Hadden de discipelen die niet mogen stellen? Ik denk niet dat het een terechtwijzing is. Maar wel roept Jezus zijn leerlingen op om verder te kijken dan Israël alleen. Ze moeten hun blik richten op de wereld. Daar ligt nu hun missie, tot aan de uiteinden van de aarde.

Ik vermoed dat Jezus met zijn discipelen nog eens de psalmen heeft doorgenomen, waar gezegd wordt dat de Zoon de einden der aarde in eigendom zal krijgen (Psalm 2) en dat de koningszoon zal heersen van zee tot zee, van de Grote Rivier tot aan de einden der aarde (Psalm 72). Want met het koningschap van Israël heeft God de hele wereld op het oog. Het verbond met David is namelijk een uitwerking van het verbond met Abraham, tegen wie de HEER gezegd heeft: ‘Door jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’ (Gen. 12:3).

Herman Bavinck en Gen. 1-11

Je kunt gemakkelijk verbanden leggen tussen de twee onderwerpen, die in de kop zijn opgesomd. Want de theoloog Herman Bavinck heeft intensief nagedacht over het thema van ‘schepping en evolutie’ en over de oorsprong van de wereldgeschiedenis. Toch is dat niet de reden om ze hier samen te nemen. De aanleiding ligt in twee recent verschenen brochures van de Willem de Zwijgerstichting. Het zijn kleine waardevolle boekjes om te lezen en over door te spreken.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad  d.d. 16 april 2021, zie www.gereformeerdkerkblad.nl]

Dr. Koert van Bekkum, Verdreven uit de hof, levend uit de belofte. Mens en wereld in het licht van Genesis 1-11, Reformatorische Stemmen, Jaargang 2020/2, (62 blz.)

De oudtestamenticus Koert van Bekkum biedt in deze brochure een informatieve bespreking van de eerste elf hoofdstukken van Genesis. Het gesprek over de eerste hoofdstukken van de bijbel wordt zijns inziens vaak ten onrechte versmald tot een debat over de historiciteit ervan. 

Het hoofdbestanddeel van het boekje is een parafrase van Genesis 1-11. In het laatste hoofdstuk geeft Van Bekkum concrete aanzetten om na te denken over de actuele betekenis ervan voor de ecologie en de natuur, voor het nadenken over mannelijkheid en vrouwelijkheid, en voor de omgang met de verworvenheden van kunst, wetenschap, politiek, arbeid en cultuur, het thema dat door Abraham Kuyper als ‘algemene genade’ werd aangeduid en waar Van Bekkum de uitdrukking ‘de zegen van de weerhouding’ voor gebruikt.

Zo laat Van Bekkum zien dat Genesis 1-11 vooral een kader wil bieden voor de omgang met mens en wereld, waarbij de kern is de omgang met God. Verdreven uit het paradijs worden we als mensen geroepen op weg naar het nieuwe Jeruzalem te leven uit de belofte, in toewijding aan God en opnieuw mogelijk gemaakt door de verzoening in Christus. Afgesloten wordt met gespreksvragen.

Dr. Aart Goedvree, Herman Bavinck. Kostbare erfenis en blijvende inspiratie, Reformatorische Stemmen, Jaargang 2021/1, (48 blz.)

Op 29 juli 1921 overleed de theoloog Herman Bavinck op de leeftijd van 66 jaar, dit jaar dus 100 jaar geleden. Naar aanleiding hiervan biedt de PKN predikant dr. Aart Goedvree, die in 2018 gepromoveerd is op Bavinck’s visie op de wedergeboorte, een helder geschreven schets van zijn leven en werk. Hierbij laat hij ook zien hoe de erfenis van Bavinck inspiratie biedt voor de beantwoording van vragen, die vandaag op de agenda van kerk en theologie staan.

Na een kort biografisch hoofdstuk met aandacht voor het onderzoek naar de theologie van Bavinck, wijdt Goedvree een hoofdstuk over de wijze waarop Bavinck als theoloog zelf met de moderne tijd omging. Daarin wordt duidelijk dat Bavinck, meer nog dan Abraham Kuyper, een zeldzame balans weet te vinden tussen gereformeerde theologie en modern denken.

In het tweede deel schetst Goedvree de uitdagingen die het postmodernisme aan de theologie stelt en denkt hij in de lijn van Bavinck door over een gereformeerde visie op de thema’s seksualiteit en het liberalisme. Verdiepingsvragen stimuleren om het gesprek met Bavinck en Goedvree aan te gaan.

De Willem de Zwijgerstichting is in 1939 opgericht en wil het historisch besef verdiepen voor de wijze waarop de Reformatie van de 16e eeuw haar stempel gedrukt heeft op de samenleving en cultuur van Nederland. Het bestuur bestaat uit leden van de PKN, GKv, CGK, NGK en de Gereformeerde Gemeenten. Jaarlijks verschijnen twee brochures in de reeks ‘Reformatorische Stemmen.’ De minimumdonatie is € 7,00, terwijl de brochures bij de boekhandel verkrijgbaar zijn voor € 4,30. Voor verdere informatie zie www.willemdezwijgerstichting.nl.

Open brief

Aan de gemeente en kerkenraad van GKv Capelle a.d. IJssel-Noord

Zwolle, 20 april 2021

Geliefde broers en zussen in Christus,

Afgelopen week kreeg ik uw brief aan de kerken in ons kerkverband d.d. 31 maart 2021 onder ogen, waarin u uw oordeel geeft over de behandeling door de GS Goes 2020 van de revisieverzoeken inzake toelating van zusters tot alle ambten. U vraagt in uw brief om uw visie te toetsen en u als kerkenraad duidelijk te maken of uw visie terecht is of niet. Omdat ik als oud-lid van uw gemeente en als betrokken GKv-er met u verbonden ben, voldoe ik graag aan uw verzoek. Net als u ligt de eenheid in Christus en de verbondenheid in het christelijk geloof mij na aan het hart.

Hierbij bied ik u het resultaat aan van mijn analyse van het door u geschreven document. Ik heb mij daarin strikt beperkt tot de door u opgeworpen vraagstelling, namelijk of uw oordeel terecht is dat de GKv synode zich boven het woord van God verheven heeft door de vrouw in het ambt toe te laten. Mijn conclusie is dat uw argumentatie ter onderbouwing van dit oordeel niet deugdelijk is en dat daarom uw oordeel dat de synode haar besluiten in strijd met Schrift en belijdenis genomen heeft, geen stand kan houden. U gaat namelijk m.i. uit van onjuiste premisses, waardoor uw conclusies niet geldig zijn. Graag leg ik u mijn bevindingen ter overweging voor, in de verwachting dat u daar even zorgvuldig naar zult kijken als u ons als kerkgemeenschap gevraagd hebt inhoudelijk aandacht te schenken aan de door u aangedragen zaken en punten van overweging.

Ik vraag u om mijn analyse niet te lezen en te beoordelen als een verdediging van de visie, dat het toelaten van de vrouw in het ambt bijbels verantwoord is. Hoewel uiteraard elementen uit deze analyse in zo’n verdediging ook een plek zullen krijgen, vergt een Schriftuurlijke verantwoording een uitgebreidere en een meer omvattender argumentatie. Daarnaast zal in zo’n verantwoording ook aandacht gegeven moeten worden aan de manier, waarop wij op grond van de bijbel tot conclusies kunnen en moeten komen in zaken als de vrouw in het ambt. Wanneer u daar behoefte aan hebt, ben ik graag bereid om hierin mee te denken en een bijdrage aan uw bezinning te leveren.

Mijn persoonlijke overtuiging is dat God in gezamenlijke eenheid aan man en vrouw de taak heeft gegeven eerst de hof en later de hele aarde te bouwen en te bewaren, wat geldt voor alle terreinen van het leven, zowel in het gezin, huwelijk, samenleving als het kerkelijk leven, zonder onderscheid, ieder naar de gaven en talenten die hij/zij persoonlijk gekregen heeft. In Christus en verbonden door zijn Geest hebben wij opnieuw als mannen en vrouwen de mogelijkheid ontvangen om deze gezamenlijke taak uit te voeren. Zoals Paulus in zijn tijd daar samen met andere broers en zussen in verantwoordelijke en ook ambtelijke posities in het kerkelijk leven vorm aan gaf, mogen wij dat vandaag in onze tijd en cultuur evenzo doen.

Overigens verbaast het mij ten zeerste dat u het onderwerp ´vrouw en ambt´ als kerkscheidend ziet. Van uw oud-predikant ds. Ad Kooy, onder wiens gehoor wij in Capelle mochten zitten, hebben wij onderwijs gekregen over het evangelie van de lege handen en de hemelse leer van de zaligheid. Waar dit evangelie zoals wij daar getuigenis van afleggen in de gereformeerde belijdenisgeschriften, in het geding is, is vermaan en tucht noodzakelijk. In zaken die daar buiten gaan hebben wij elkaar als gereformeerden niet te binden, maar zullen wij elkaar in vrede moeten zoeken en vinden. Als GKv hebben wij ons altijd verzet tegen elke bovenschriftuurlijke binding in welke vorm dan ook.

Laat ik mogen besluiten met een persoonlijke noot. Op Hemelvaartsdag 1994 mocht onze oudste dochter in de kerk aan de Bermweg gedoopt worden, waarbij ds. Ruud ter Beek ons op grond van de brief aan de Hebreeën bemoedigde met de levenslijn die wij in het geloof met Christus hebben en dat wij onszelf met onze kinderen daaraan vast mogen haken. Ik vind het mooi dat vandaag ook Maria’s die als leerlingen aan de voeten van Jezus hebben gezeten, dochters van de kerk van Capelle, in hun volwassenheid dat geloof willen delen door ook zelf namens Christus als verkondigers in onze kerken op te treden en zo anderen willen verbinden met God en Christus, bij wie wij als wij hulp nodig hebben in dit leven, genade en barmhartigheid mogen vinden, (Hebr. 4:16).

In Christus verbonden, met hartelijke groet,

Fokke Pathuis

Bijlage:

Capelle-Noord (IV)

De kerkenraad van de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord heeft aan de kerken in de GKv een oproep gedaan om het ‘m/v-besluit’ over de ambten van de GS Meppel 2017 en de GS Goes 2020 af te wijzen, omdat de synoden zich boven Gods Woord hebben verheven en ‘Gods Woord niet aanvaarden, zoals Hij die ons geeft.[1]

In de twee voorgaande blogs heb ik daar commentaar bij gegeven, eerst op de gedachte dat de Gkv ‘tot nu toe’ uitging van de zgn. ‘scheppingsorde’ (§2), vervolgens op de weergave van Paulus’ bijbelgebruik (§3), op het verwijt van ‘gelijkheidsdenken’ (§4) en op de visie op de eenheid en normativiteit van de bijbel (§5). Ik rond nu af met twee algemene conclusies (§6), waarna ik ook de consequenties daarvan en de kerkrechtelijke kant van de oproep van Capelle-Noord ter sprake breng (§7).  

§6.   Algemene conclusies

De eerste conclusie die ik op basis van mijn blogs trek, is een open deur: Capelle-Noord onderbouwt zijn beschuldiging van de synode met een andere exegese van de m/v-teksten dan de synode in haar besluit biedt om het ambt voor de vrouw open te stellen. Verschil van visie op grond van een verschillende exegese.

Voor beantwoording van de vraag of de beschuldiging van de kerkenraad standhoudt is relevant of de exegese van de synode past binnen de gereformeerde traditie. Dit heeft zowel een historische als een principiële kant.

Wat de geschiedenis betreft is het antwoord m.i. duidelijk. De exegese van de m/v-teksten door de synode is in lijn met de exegese, zoals die sinds de jaren ’90 in de GKv met betrekking tot het vrouwenstemrecht en in de huwelijksformulieren geboden wordt. De GKv heeft al ruim 25 jaar afscheid genomen van de visie zoals die als de zgn. ‘scheppingsorde’ verdedigd werd, te weten dat de vrouw aan de man ondergeschikt is of zich eenzijdig aan de man te onderschikken heeft.[2] In het m/v-besluit heeft de synode in 2017 de consequentie van het afscheid van de zgn. ‘scheppingsorde’ voor de samenleving en het huwelijk, nu ook voor het kerkelijk leven getrokken. Op grond van de gelijkwaardigheid van man en vrouw is het ook vrouwen toegestaan om in het ambt te dienen.

Wat de principiële kant betreft wijst Capelle-Noord erop, dat de juiste omgang met Gods woord beslissend moet zijn. Zij vindt dat door de manier waarop de synode exegetiseert er geen recht wordt gedaan aan de eenheid en de normativiteit van de bijbel. Dat wordt z.i. duidelijk doordat de synode de traditionele lezing van de zgn. zwijgteksten niet als normatief kader aanvaardt voor de uitleg van Gen. 1-3. Dat betekent dat de kerkenraad als grond voor zijn beschuldiging aanvoert dat de synode (a) een andere exegese dan de traditionele exegese voor de zgn. zwijgteksten biedt, (b) het resultaat van de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten niet als hermeneutisch norm voor de exegese van Gen. 1-3 hanteert.

Ten aanzien van (a) ken ik in de gereformeerde traditie geen principiële uitspraak waarin de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten normatief wordt verklaard dan wel een uitspraak waarin een andere exegese dan de traditionele exegese van de zwijgteksten veroordeeld wordt als in strijd met de Schrift en de gereformeerde belijdenis. Ten aanzien van (b) heb ik laten zien dat de kerkenraad zijn visie niet heeft onderbouwd, dat je sowieso principieel als eis kunt stellen dat de zwijgteksten het hermeneutisch kader dienen te vorm voor de exegese van Gen. 1-3, laat staan dat de traditionele exegese van deze teksten de norm zou moeten zijn.[3]

Voor de hermeneutiek rond het onderwerp ‘m/v en ambt’ zijn er in de GKv twee synodebesluiten, beide uit 2014, die van belang zijn. Allereerst is er het besluit over de contacten met de NGK om ‘uit te spreken dat door de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen,’ met als grond: ‘Ondanks het verschil in praktische uitkomsten ten aanzien van de vrouw in het ambt, is gebleken dat we als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’[4] Daarnaast het besluit inzake ‘Behandeling MV in de kerk’: ‘De visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.’[5]

Mijn tweede conclusie is daarom dat de beschuldiging door Capelle-Noord, dat de synode zich boven Gods Woord heeft verheven, omdat zij ‘Gods Woord niet aanvaardt, zoals Hij die ons geeft’ niet door de kerkenraad onderbouwd is en daarom niet standhoudt. Historisch en principieel gezien is de synode m.i. met de openstelling van het ambt voor de vrouw binnen de gereformeerde traditie gebleven, zoals wij ons in de GKv overeenkomstig Schrift en belijdenis daaraan gebonden hebben.

§7.   Kerkrechtelijke consequenties

Voor Capelle-Noord is het onmogelijk, dat er binnen één kerkverband twee tegengestelde exegeses van de m/v-teksten aanvaardbaar zijn. Pregnant geformuleerd: de synode spreekt uit dat ‘de vrouw in het ambt past binnen het verlossingswerk van Christus,’ de ‘oude visie’ zegt juist dat ‘Christus het ambt aan mannen heeft voorbehouden en dat de roeping van zusters tot het ambt zonde en verzet is.[6]

Als gereformeerden belijden wij het gezag van de bijbel, omdat die ons is gegeven ‘om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen’, en we belijden de volkomenheid van de bijbel, omdat we geloven ‘dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen.’[7] Desondanks zijn er vaker dogmatische en ethische kwesties geweest, waarin berust werd in verschil van visie over de exegese van de bijbel en de consequenties die wij daaraan te verbinden hebben.

Uit de geschiedenis van de gereformeerde kerken noem ik twee voorbeelden. De eerste is een verschillende visie op doop en verbond, die in een pacificatieformule in 1905 door de synode van Utrecht was vastgelegd.[8] Daarnaast verschil van visie op de relatie tussen het 4e gebod en het houden van de zondagsrust, waarover de GS Leusden 1999 een uitspraak heeft gedaan, waarin uitgesproken is, dat er in de kerken ‘steeds ruimte [is] geweest om verschillend te denken over de Schriftuurlijke fundering van de zondag als rustdag.’[9]

Om die reden lijkt mij dat het niet principieel onoverkomelijk is dat er inzake ‘vrouw en ambt’ in de GKv verschillende visies zijn, maar dat er hierdoor vooral praktische problemen geschapen zijn. Te meer omdat dit thema een zaak is van de vormgeving van het kerkelijk leven, waar bij de toepassing van de aanwijzingen uit de bijbel rekening gehouden mag worden met de culturele context.[10]

Wanneer de kerkenraad van Capelle-Noord er desondanks voor kiest om het onderwerp ‘vrouw en ambt’ vanwege de traditie principieel te laden, dan vind ik dat hij daar ronduit voor moet uitkomen. Ik wijs het af dat hij zijn visie aannemelijk probeert te maken en met gezag probeert te bekleden door hen die er een andere exegese op na houden zonder steekhoudende argumenten van het aantasten van Schriftgezag te beschuldigen.

Daarbij besef ik dat de kerkenraad naar eigen geweten ervan overtuigd is, dat hij in zijn visie recht doet aan Gods woord. Maar het lijkt mij dat die erkenning ook van Capelle-Noord gevraagd mag worden ten aanzien van die gemeenten, kerkleden en synoden in de GKv die staande op gereformeerde grond in exegese en hermeneutiek tot een andere visie op het onderwerp ‘m/v en ambt’ komen.

[NB. Deze blog, samen met de voorgaande 3 blogs over Capelle-Noord, heb ik enigszins geredigeerd en is als bijlage te downloaden bij mijn ‘Open brief aan de gemeente en kerkenraad van GKv Capelle a.d. IJssel-Noord‘, hier te vinden op mijn weblog: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/20/open-brief/ ]


[1] Zie het document ‘Dringende oproep aan de kerken m.b.t. besluiten GS Goes inzake MV’ op de website van de kerk van GKv Capelle aan den IJssel-Noord: https://www.gkv-capelle-noord.nl/gs-goes-2020/.

[2] Voor de onderbouwing zie blog Capelle-Noord (II): https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/15/capelle-noord-ii/

[3] Zie de onderbouwing van deze stelling in de blog Capelle-Noord (III), §3 over Paulus’ bijbelgebruik: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/16/capelle-noord-iii/.

[4] Acta GS Ede 2014, Art. 89. Contacten met de NGK, Besluit en Grond 3, p. 141

[5] Acta GS Ede 2014, Art. 18. Behandeling MV in de kerk, Besluit 2b.

[6] Kerkenraad GKv Capelle aan den IJssel-Noord, ‘Dringende oproep aan de kerken m.b.t. besluiten GS Goes inzake MV’, p. 10.

[7] Resp. Art. 5 en 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561, de NGB.

[8] Zie: R.J. Dam, B. Holwerda, C. Veenhof, Rondom “1905”. Een historische schets, Terneuzen: Uitgave D.H. Littooij Azn, 1944. 

[9] Acta GS Leusden 1999, Artikel 25. Appèl Nieuwegein tegen PS Utrecht (ds. D. Ophoff over Zondag 38 HC), Besluit 4, Grond 3.

[10] Zie de blog Capelle-Noord (III), §5 over de eenheid en de normativiteit van de bijbel: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/16/capelle-noord-iii/.

Capelle-Noord (III)

De kerkenraad van de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord heeft een oproep gedaan om in te stemmen met zijn oordeel dat de GS Meppel 2017 en de GS Goes 2020 in hun besluiten om de ambten voor de vrouw open te stellen resp. de ingediende revisieverzoeken af te wijzen zich boven Gods Woord hebben verheven, omdat zij ‘Gods Woord niet aanvaarden, zoals Hij die ons geeft.[1] In zijn argumentatiestrategie suggereert Capelle-Noord, dat hij in tegenstelling tot deze synoden ‘Gods Woord wel aanvaardt, zoals Hij die ons geeft.’ Gezien de verschillende exegeses van de m/v-teksten in de 20e eeuw is de evidentie daarvan te betwijfelen. Ik wil dat op drie punten laten zien.

Allereerst bespreek ik het verwijt van Capelle-Noord, dat de synode geen recht doet aan de canonieke en door de Heilige Geest geïnspireerde uitleg van Paulus van Gen. 1-3 (§3). Als tweede zal ik ingaan op de mening dat ‘een bepaalde gedachte over de gelijkheid van man en vrouw functioneert als een bril waarmee de Bijbel wordt gelezen’ (§4). Tenslotte sta ik stil bij de manier waarop de kerkenraad het argument hanteert ‘dat de bijbel een eenheid is en dat God als de auteur van de bijbel zichzelf niet tegen kan spreken’ (§5). Ik rond af met enkele algemene conclusies, waarbij ik ook de kerkrechtelijke kant van deze oproep ter sprake breng (§6).

§3.   Paulus’ bijbelgebruik

De klassieke manier om de scheppingsorde te verdedigen was om de exegese van de schepping van de vrouw in Genesis 2 te laten bepalen door de uitkomsten van de interpretatie van de aanwijzingen die Paulus over de vrouw geeft in 1 Kor. 11, 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2.[2] Het verwijt van Capelle-Noord is dat de synode dat in haar rapport niet gedaan heeft: ‘Paulus’ door de heilige Geest geïnspireerde uitleg van de positie van man en vrouw, zoals hij die geeft in 1 Tim. 2:11-14 en 1 Kor. 11:1-16, is niet leidend bij de uitleg van Genesis 1 tot 3.’

Een belangrijke vooronderstelling van dit verwijt is dat Paulus in zijn aanwijzingen een exegese van Gen. 1-3 wil bieden. Mijn inziens moet je een onderscheid maken tussen exegese en bijbelgebruik. Wat Paulus biedt is een gebruik en toepassing in een concrete situatie van teksten uit Genesis 1-3, waarin meer elementen samenkomen dan alleen een exegese van Genesis 1-3.[3] In de n.t.-ische wetenschap is er een groeiende consensus dat de nieuwtestamentische schrijvers het Oude Testament op verschillende en soms creatieve manieren gebruiken die niet noodzakelijkerwijs de passage in hun context interpreteren of de oorspronkelijke intentie van de auteur behouden.[4] Dat betekent dat ik het niet aannemelijk vind, dat Paulus’ aanwijzingen de hermeneutisch maatstaf moeten vormen voor de exegese van Gen. 1-3. De kerkenraad zal zijn visie op dit punt op zijn minst moeten onderbouwen. Want ook bij de toepassing van de regel ‘Schrift met Schrift vergelijken’, waar de kerkenraad een beroep op doet, moet rekening worden gehouden met de context en het genre van de teksten om te bepalen of en in welke zin de teksten met elkaar vergeleken kunnen worden.

Daarnaast staat het verwijt aan de synode haaks op wat Capelle-Noord m.i. terecht als eis voor een goede exegese stelt: ´Ten eerste dat de directe context van een bepaald Bijbelgedeelte (de perikoop, het Bijbelboek) de betekenis ervan verheldert. Ten tweede dat je bij de uitleg van een tekst ook het geheel van de Bijbel moet betrekken.´

De methodische wijze waarop de synode in het rapport Gen. 1-3 exegetiseert, is in overeenstemming met de wijze zoals de kerkenraad hier stelt. Maar wanneer de synode tot een andere exegese komt dan de kerkenraad wenselijk acht, wijst zij die exegese af met het argument dat in het synoderapport ‘Elkaar van harte dienen’ ervoor is gekozen om eerst aandacht te besteden aan Genesis 1-3 en daarna Schrift met Schrift te vergelijken en na te gaan hoe Paulus deze hoofdstukken gebruikt. Want schrijft men: ‘Deze benadering heeft in de praktijk als gevolg dat men eigen conclusies uit Gen. 1-3 laat heersen over de teksten waarin Paulus zich op Gen. 1-2 beroept.

Toch buigt ook het synoderapport zich in een aparte paragraaf over de betekenis van Paulus gebruik van Gen. 1-3 en stelt b.v. de vraag, of ‘wat Paulus aan Timoteüs schrijft reden [geeft] om terug te gaan naar Genesis en de eerder gegeven uitleg te herzien?’ Breed beargumenteert het rapport vervolgens, dat ‘de manier waarop Paulus op verschillende momenten in zijn brieven passages uit Genesis 1-3 aanhaalt, niet wijst op een tijdloze gezagspositie van mannelijke ambtsdragers, maar juist op (herstel van) eenheid en gelijkheid van man en vrouw.’ Vandaar dat zij ook de conclusie trekt, dat ‘Paulus’ woorden geen belemmering vormen om vrouwen in de ambten te laten dienen.

Capelle-Noord kan het resultaat van de exegese door de synode slechts zien als een ‘heersen van eigen conclusies uit Gen. 1-3 over de teksten van Paulus’, omdat men het resultaat van de eigen exegese van die Paulus-teksten als norm hanteert. Waar aan die eigen exegese van de kerkenraad nog wel wat vragen te stellen zijn,[5] is die exegese onvoldoende argument om te concluderen dat de synode zich boven Paulus verheft, laat staan dat het voldoende argument is voor de stelling dat de synode ‘Gods Woord niet aanvaard, zoals die zichzelf geeft.

§4.   Gelijkheidheidsdenken

Waar de synode de verhouding tussen man en vrouw op basis van haar exegese van Gen. 1-3 typeert als ‘gelijkwaardigheid’, vindt Capelle-Noord dat de synode door ‘gelijkheidsdenken’ bevangen is. Dat is de bril die ‘sturend is voor de exegese van Bijbelgedeelten. De teksten mogen uiteindelijk alleen zeggen wat niet strijdt met dit uitgangspunt.’ Wanneer de kerkenraad vervolgens de retorische vraag stelt of ze dat verwijt wel hard kunnen maken, moet ik ontkennend antwoorden. Want in haar rapport maakt de synode duidelijk dat ‘gelijkwaardigheid’ niet identiek is met ‘gelijkheid’, omdat God ook onderscheid schept. Zoals ze schrijft: ‘Meteen nadat gezegd wordt dat God de mens als zijn evenbeeld schiep, volgt dat hij hem ‘mannelijk en vrouwelijk’ schiep (Genesis 1:27). God schiep geen uniseks, hij schiep mannelijk en vrouwelijk.[6]

De synode wijdt bewust ook een speciaal hoofdstuk aan de vraag of het toelaten van de vrouw in het ambt een buigen is voor de hedendaagse Westerse cultuur. Daarin is de conclusie is dat je dat niet zo stellig kunt beweren. ‘Ontwikkelingen in de samenleving zijn de aanleiding om na te denken over het toelaten van vrouwen tot de ambten, maar het besluit dat genomen is, is het gevolg van hernieuwde doordenking van wat God in zijn Woord op dit vlak van ons vraagt.[7]

De veronderstelling van de kerkenraad voor haar oordeel van ‘gelijkheidsdenken’ is dat teksten als 1 Cor. 11 en in Ef. 5:22v over de man als het ‘hoofd’ van de vrouw gezagsrelaties impliceren. Wanneer je dat niet erkent, dan ‘wis je het positieverschil tussen man en vrouw uit’ en dan maak je je schuldig aan ‘gelijkheidsdenken’.[8] Wie de hedendaagse exegetische literatuur over deze teksten erop naslaat zal merken, dat er nogal wat haken en ogen aan deze traditionele lezing van deze teksten zitten.[9] Het betekent opnieuw, dat hier exegese tegenover exegese staat en dat het verwijt dat de exegese van de synode ‘niet in overeenstemming is met wat de Bijbel leert’ zou moeten luiden ‘niet in overeenstemming is met onze exegese van de Bijbel’.

De probleemstelling die aan dit verwijt van ‘gelijkheidsdenken’ ten grondslag ligt is de vraag welke rol de context van de exegeet speelt c.q. mag spelen bij de interpretatie van de bijbel. Het is niet te ontkennen dat culturele veranderingen geleid hebben tot een anders verstaan van de bijbel. Werd in het verleden de slavernij verdedigd met een beroep op de bijbel, vandaag is dat niet meer acceptabel als legitieme exegese. Aan het begin van de 20e eeuw werd politiek stemrecht voor vrouwen nog met een beroep op de bijbel afgewezen, maar sinds H. Bavinck in 1917 als zijn mening te kennen gaf ‘dat de Heilige Schrift zich er niet tegen verzet’, is dat door gereformeerden geaccepteerd.[10] Op dezelfde wijze hebben de maatschappelijke ontwikkelingen een rol gespeeld bij het aanvaardbaar worden in gereformeerde kring van zowel de werkende gehuwde vrouw en de vrouw in de politiek,[11] als dat die in de GKv geleid heeft tot erkenning van het vrouwenkiesrecht in de kerk en een nieuw huwelijksformulier.[12]

Het lastige van het verwijt van Capelle-Noord dat de synode ‘niet de Schrift aanvaardt, zoals die zichzelf geeft, maar gedachten van buiten de Bijbel (ons denken, onze cultuur) beslissend maakt voor de uitleg’, is voor mij dat er geen (hard) criterium is om dat te bepalen. Deze eis volgt volgens de kerkenraad uit de regel dat mensen niet mogen bepalen, hoe de bijbel uitgelegd moet worden, maar dat de bijbel dat zelf bepaalt. Wanneer de kerkenraad hiermee een beroep wil doen op het ‘sola scriptura’, mag de waarschuwing van dr. Henk van den Belt niet ontbreken dat het ‘sola scriptura’ op deze wijze niet als slogan gebruikt kan worden. Zoals hij concludeert: ‘Het sola scriptura sluit de rol van de traditie voor de overdracht van de Schrift, de rol van de algemene openbaring naast de Schrift en de rol van de hermeneutiek voor de juiste interpretatie niet uit.[13]

Met name de laatste 20 jaar heeft er in de vrijgemaakte theologie een inhaalslag plaats gevonden in de hermeneutische bezinning op het contextuele karakter van de theologie.[14] Ik zou wensen dat Capelle-Noord zich daar meer in had verdiept. Ik merk in ieder geval niet dat de kerkenraad zich bewust is van de hermeneutische gesitueerdheid van de eigen exegese en de impact daarvan op de door haar voorgestane visie op het onderwerp ‘vrouw en ambt.’

§5.  De eenheid en normativiteit van de bijbel

Zo kom ik bij het kernthema van de oproep van Capelle-Noord d.w.z. het aanvaarden van de bijbel als Gods woord. Want ook al mogen de traditie, de algemene openbaring en de context een rol spelen bij de exegese van de bijbel, het gaat erom dat je recht blijft doen aan de normativiteit van de Schrift. Hoe waarborg je die in je exegese?

De synode wil rekening houden met de cultuurbepaaldheid van de bijbel. Daarom is men van mening dat ‘Genesis 1-3 niet uit die context gehaald mogen worden. Ze moeten literair, canoniek en ook cultureel in eerste instantie worden gelezen in samenhang met de verhalen over de huwelijken van de aartsvaders en de wetgeving over huwelijk en seksualiteit in Exodus, Leviticus en Deuteronomium.[15] Pas daarna kun je in de vertolking naar de eigen tijd bepalen op welke wijze en hoe de bijbel als Gods Woord haar gezag zal krijgen.

Daar tegenover stelt Capelle-Noord dat het ‘natuurlijk zo is dat de Bijbelschrijvers leefden in een bepaalde cultuur en spraken met het oog op hun tijd.’ Maar de kerkenraad is van mening dat ‘zij in alles wat zij schreven geïnspireerd waren door de heilige Geest, en zijn Woord doorgaven dat ook normatief blijft voor ons. Zo moeten wij hun woorden dan ook aanvaarden, tenzij de Bijbel zelf aangeeft dat wij aan bepaalde dingen niet meer gebonden zijn.’ Het verwijt aan de synode is dat zij op eigen gezag onderscheid maken tussen waar de Bijbelschrijvers spreken als cultuurgebonden mensen en waar hun woorden blijvend geldig zijn.

Allereerst zul je om de synode recht te doen m.i. moeten erkennen dat zij haar exegese niet ‘op eigen gezag’ ten beste geeft, maar in haar argumentatie verwijst naar de bijbel als Gods woord zelf en de lijnen die zij daar in getekend zien. Daarin verschilt de synode niet van de wijze waarop de kerkenraad van Capelle-Noord zelf ook zal exegetiseren en bepalen aan welke voorschriften uit de bijbel men zich wel of niet aan gebonden acht. Ook de kerkenraad zal b.v. een argumentatie moeten bieden dat het gebod van Paulus aan vrouwen om een hoofdbedekking te dragen tijdens de eredienst niet universeel is, ook al maakt de Bijbel dat zelf niet duidelijk.

Vervolgens vind ik de uitspraak dat ‘alles wat in de Bijbel staat normatief voor ons is’ te absoluut geformuleerd, zelfs al voegt Capelle-Noord als restrictie daar aan toe: ‘tenzij de Bijbel zelf aangeeft dat wij aan bepaalde dingen niet meer gebonden zijn.’ Met NGB Art. 7 belijden wij ‘dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om te behouden.’ Herman Bavinck heeft op basis hiervan in zijn dogmatiek geconcludeerd dat het gezag, de genoegzaamheid en volmaaktheid van de bijbel betrekking hebben op het doel, waarmee de bijbel ons gegeven is. De Heilige Schrift heeft een ‘religieus-ethische’ bestemming.[16] Het gaat in de bijbel om de zaligmakende kennis van God en de leer der zaligheid. De bijbel is ons geschonken opdat wij in Christus geloven, met de Heilige Geest vervuld zijn en gemeenschap met God hebben. Daarin ligt de normativiteit van de bijbel.[17] Daarin ligt ook de door de Capelle-Noord geëiste eenheid en duidelijkheid van de bijbel: ‘God is de auteur van de Bijbel. Hij spreekt zichzelf niet tegen.

Om de betekenis van de concrete bijbelse geboden voor vandaag vast te stellen, of die nu in het Oude of het Nieuwe Testament gegeven zijn, is het niet voldoende om ze 1-op-1 in onze context over te zetten. De gereformeerde ethiek kent al langere tijd in plaats van die vroegere ‘bewijsteksten-benadering’ een variatie en gelaagdheid in het Schriftberoep. J. Douma spreekt over de Schrift als ‘gids, wachter, richtingwijzer en voorbeeld,’[18] terwijl hij ervoor pleit om rekening te houden met ‘het culturele standpunt’: ‘We kunnen onmogelijk alles overnemen wat de Schrift van Genesis tot Openbaring aan geboden en verboden bevat. De omgang met de Schrift vraagt ook iets anders dan gehoorzaamheid aan een daaruit op te diepen wetscode.’[19] Dat is ook de reden, dat Ad de Bruijne concludeert, dat wij ‘het contingente [= toevallige, niet noodzakelijk] karakter van veel ethische aanwijzingen in de Bijbel meer [moeten] verrekenen. Ze staan niet los van hun eigen tijd en situatie en zijn in de eerste plaats daarop gericht.[20]

Dezelfde regels en modellen die wij toepassen in de ethiek mogen wij ook toepassen als het gaat om de vormgeving van het kerkelijk leven, ook als het gaat om de plaats die vrouwen in de gemeente mogen innemen of niet. In zijn bijdrage aan de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag heeft Rob van Houwelingen een model gegeven, dat gebruikt kan worden om de normativiteit van de Bijbel in het toepassen van bijbelse aanwijzingen voor vandaag te waarborgen.[21] In dit perspectief gezien is Grond 2a van Besluit 4 van het synodebesluit bijbels over de revisieverzoeken verantwoord te noemen: ‘De kerkstructuur die in het Nieuwe Testament herkend kan worden, sluit aan bij de sociaal-maatschappelijke structuur uit die tijd en is daarom niet in alles normatief voor onze kerkstructuur en de invulling van de ambten.

(Voor het vervolg zie: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/19/capelle-noord-iv/. De hele serie van 4 blogs over Capelle-Noord is geredigeerd als bijlage te downloaden bij mijn ‘Open brief aan de gemeente en kerkenraad van GKv Capelle a.d. IJssel-Noord’, hier te vinden: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/20/open-brief/)


[1] Zie mijn vorige blog Capelle-Noord (II): https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/15/capelle-noord-ii/.

[2] Zie mijn blog van 30 september 2017 over de m/v-exegese in de jaren ’30: https://fpathuis.wordpress.com/2017/09/30/548/.

[3] Vgl. Miryam Klinker-De Klerck, Als vrouwen het Woord doen. Over Schriftgezag, hermeneutiek en het waarom van de apostolische instructie aan vrouwen, (TU-Bezinningsreeks nr. 9), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2011, p. 133v: ‘De verwijzing naar Genesis bevindt zich echter in een complex van motiveringen. Verwijzen naar wat passend was gegeven de bestaande gebruiken, woog voor Paulus misschien zwaarder dan een verwijzing naar Genesis. Misschien functioneerde de verwijzing naar Genesis op dezelfde manier als Petrus’ verwijzing naar Sara, namelijk in het kader van de citeermethode die ook bij de rabbijnen gebruikelijk was. In dat geval maakt een verbinding met Genesis de instructie niet principiëler.’

[4] ‘Discussion on how the New Testament uses the Old Testamen has flourished recently, and it should inform our understanding of the options of how a motif, an allusion, or a citation might function in the Pauline corpus or the New Testament in general. There is a building consensus that the New Testament writers utilize the Old Testament in diverse and sometimes creative ways that do not necessarily interpret the passage in context or maintain the original intent of the author,’ aldus Cynthia Long Westfall in: Paul and Gender. Reclaiming the Apostle’s Vision for Men and Women in Christ, Grand Rapids: Baker Academic, 2016, p. 295. Terecht voegt Westfall hier aan toe, dat Paulus’ intentie is om in b.v. 1 Tim. 2 met zijn omschrijving ‘een narratieve samenvatting’ van Genesis 2 en 3 te bieden. Maar dan moet vervolgens de vraag beantwoord worden, wat Paulus met deze verwijzing beoogt.

[5] Van die vragen vind ik nog wel de belangrijkste, dat in deze exegese de focus voornamelijk ligt op de zgn. zwijgteksten als ondersteuning van de zgn. scheppingsorde, terwijl uit de verdere correspondentie van Paulus blijkt dat hij ruimhartig vrouwen inschakelt bij de evangelieverkondiging en dat vrouwen ook verantwoordelijke posities in de gemeenten innemen die niet stroken met de wijze waarop de ‘scheppingsorde’ normatief zou moeten functioneren. 

[6] ‘Rapport synodecommissie revisieverzoeken M/V en ambt. Elkaar van harte dienen’, GS Goes 2020, p. 10. Waar de synode aan toevoegt: ‘Waar dat eigene van man en vrouw exact in zit, blijkt moeilijk vast te stellen. Er zijn waarneembare verschillen: lichamelijke verschillen bijvoorbeeld, waaronder een verschil in rol bij de voortplanting. Maar op psychische verschillen is al een stuk moeilijker de vinger te leggen. Over het onderscheid mannelijk en vrouwelijk is dan ook het laatste woord nog niet gesproken.’

[7] Rapport Elkaar van harte dienen’, p. 33-34.

[8] Zie mijn blog over gelijkheidsideologie, waarin ik betoog dat een beroep op ‘gelijkheidsdenken’ vooral een sjibboleth-functie vervult en de argumentatieve waarde niet sterk is: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.

[9] Andrew Bartlett biedt in zijn Men and Women in Christ. Fresh Light from Biblical Texts (London: Inter-Varsity Press, 2019) een omvattende vergelijking van de exegeses van de m/v-teksten vanuit resp. de complementaire en egalitaire hoek. Met betrekking tot 1 Kor. 11 concludeert hij: ‘The hierarchical interpretation which sees Paul’s concern as being about men’s authority cannot be right, because it conflicts with the tekst in eight respects’ (p. 140). Met betrekking tot Ef. 5 is zijn conclusie: ‘The meaning of the husband’s headship, as shown by the head-body metaphor and the Christ-church comparison, is that he has a particular obligation of loving self-sacrifice for the benefit of his wife. If the husband has any crown, it is a crown of thorns. Wives are to behave as if their husbands were their masters. This does not mean that husbands are masters of their wives’ (67). En naar aanleiding van zijn vergelijking terzake 1 Tim. 2 is zijn conclusive: ‘First Timothy 2 does not justify a general ban on teaching by woman in the church, or on the exercise of authority by women in the church’ (286).

[10] Vergelijk mijn blog daarover: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.

[11] Zie mijn eerste blog over Capelle-Noord: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/13/capelle-noord/.

[12] Voor literatuur zie noot 11 en 12 van mijn blog ‘Capelle-Noord (II)’ op 15 april 2021: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/15/capelle-noord-ii/. . 

[13] H. van den Belt, ‘Sola Scriptura’, p. 224.

[14] Korte introductie te vinden in het hoofdstuk van Ad de Bruijne, ‘De kunst van het verstaan. Hermeneutiek in Kampen’, in: Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (TU-Bezinningsreeks 18), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017, p. 13-34. Specifiek voor het thema ‘vrouw en ambt’ zie: Miryam Klinker-De Klerck, Als vrouwen het Woord doen, (zie boven noot 3). Zelf heb ik hier een korte blog over geschreven:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/

[15] ‘Rapport Elkaar van harte dienen’, p. 54.

[16] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, Deel I, p. 415.

[17] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, Deel I, p. 462: ‘Door hun woord [i.d. van de apostelen] gelooven wij in Christus en hebben wij gemeenschap met God’. Zie ook p. 465: ‘Uiteindelijk is de bijbel maar een middel tot het eindelijke doel, dat ‘de Heilige Geest de waarheid der Schrift doet overgaan in het bewustzijn en leven der gemeente’ en dat ‘de kerk, onderwezen uit de Schrift, vrij en zelfstandig de deugden verkondige Desgenen, die haar geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum is instrument, het verbum internum is het doel. De Schrift heeft hare bestemming bereikt, als allen door den Heere geleerd en met den Heiligen Geest vervuld zijn.’

[18] Dr. J. Douma, Grondslagen christelijke ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1999, p. 97v.

[19] Ibidem, p. 96.

[20] Ad de Bruijne, ‘Ethiek en hermenetiek’, in: Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 192-193

[21] Rob van Houwelingen, ‘Het Nieuwe Testament vertalen van toen naar nu. Hermeneutische overwegingen’, in Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 123-144.

Capelle-Noord (II)

Ik moest aan het conflict over de werkende gehuwde vrouw voor de klas in het vrijgemaakte Capelle van de jaren ’70 denken,[i] omdat er sinds kort een oproep ligt van de kerkenraad van de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord om zijn visie op de positie van de vrouw in de kerk te toetsen.[ii] De kerkenraad is ervan overtuigd dat de vrouw in de kerk geen ambt mag bekleden.

§1.   Crisis in de GKv?

De aanleiding van deze oproep is de afwijzing door de GKv Synode van Goes 2020 van de revisieverzoeken met betrekking tot het m/v-besluit van de Synode van Meppel 2017. De kerkenraad is van mening dat de GKv in een crisis verkeren, omdat het beslissende gezag van Gods Woord niet aanvaard wordt voor de praktijk van het kerkelijk leven. De synode heeft in haar m/v-besluit en in de afwijzing van de revisieverzoeken zich boven Gods Woord verheven.

De kern van de redenering van de kerkenraad is vrij eenvoudig te formuleren. Omdat volgens zijn exegese de bijbel verbiedt dat vrouwen in het ambt mogen dienen, is elk besluit waarin dat wel toegestaan wordt aantasting van de bijbel als Gods woord. In de onderbouwing van deze visie stelt men de eigen visie voor als vanzelfsprekend en in lijn met de gereformeerde traditie, terwijl een afwijkende lezing van de m/v-teksten veroordeeld wordt als door modern ‘gelijkheidsdenken’ bevooroordeelde exegese.

De vraag bij dit argument is of een afwijking van de traditionele exegese impliceert dat je afwijkt van de gereformeerde traditie. Is het kenmerk van gereformeerd-zijn dat je exegetisch altijd tot dezelfde uitkomst moet komen? Kun je uitsluiten dat er in de gereformeerde traditie een bevooroordeelde exegese is geweest? Is het met de gereformeerde hermeneutiek als uitgangspunt onmogelijk tot andere exegetische resultaten te komen?

Ik kan mij beter vinden in de mening van de CGK-hoogleraar dr. Arnold Huijgen over verschillende exegeses in gereformeerde kring van de m/v-teksten: ‘Het is onjuist om de ander te verwijten dat hij het Schriftgezag schaadt, enkel omdat hij een andere exegese hanteert dan ik doe. Daarmee zeg ik niet dat alle exegeses waardevol zijn, maar wel dat we niet te snel de ander van het schaden van het Schriftgezag moeten beschuldigen.’[iii]

§2.   Scheppingsorde

Als de kerkenraad de beoordeling van het synoderapport ‘Elkaar van harte dienen’ (2020) inzet, is de eerste alinea: ‘Tot nu toe geloofden we in onze kerken dat de Bijbel ons leert dat God man en vrouw samen naar zijn beeld heeft geschapen en tegelijk verschillende verantwoordelijkheden geeft. Dit komt onder andere uit in het feit dat God alleen mannen roept tot het leer- en regeerambt in zijn gemeente (1 Tim. 2:11-3,4; Titus 1:6).’

Het lijkt mij dat de geschiedenis hier behoorlijk vertekend en naar eigen hand wordt gezet. ‘Tot nu toe’ suggereert dat we tot de openstelling van het ambt voor de vrouw in 2017 altijd op grond van de Bijbel geloofden: (a) dat God man en vrouw samen naar zijn beeld geschapen heeft; (b) dat God man en vrouw verschillende verantwoordelijkheden geeft; (c) het feit dat God alleen mannen in het ambt roept is indicatie dat er een scheppingsorde is. Er vindt geen enkele reflectie plaats op het historische gegeven dat er in de jaren ’90 van de 20e eeuw een ontwikkeling is geweest in de visie van de GKv op de exegese van de m/v-teksten.

–   Ad a. ‘Man en vrouw zijn samen naar zijn beeld geschapen’

Deze visie is pas in 1993 officieel binnen de GKv aanvaard. Rond 1930 geloofden we niet ‘dat man en vrouw samen naar zijn beeld zijn geschapen.’ Toen was de visie dat de man naar Gods beeld was geschapen en dat de vrouw slechts in afgeleide zin via de man ook Gods beeld genoemd kon worden. Onder verwijzing naar Calvijn schreef men over de vrouw als ‘een secundo gradu naar Gods beeld geschapen zijn.’[iv] De gedachte van ds. C. Lindeboom dat Paulus erkent dat ‘ook de vrouw beeld Gods is’[v] werd in de kerkelijke besluitvorming in 1930 niet aanvaard. Nog in 1975 wordt op de GS Kampen 1975 betoogd, dat ‘ongeacht of hij gehuwd is of niet, de man ‘beeld’ en ‘heerlijkheid van God’ is, terwijl de vrouw, ongeacht of zij gehuwd is of niet, ‘heerlijkheid van (de) man’ is.’[vi]

De visie verandert in 1993 als ‘het samen naar Gods beeld geschapen zijn van man en vrouw’ één van de gronden wordt voor het invoeren van het vrouwenkiesrecht in de GKv:

‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping; uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen.’[vii]

Eerder in dat rapport verklaarde men over het onderscheid tussen man en vrouw:

‘Het betekent niet dat Adam méér is dan Eva: in Gen. 2:18 blijkt dat hij (zonder zijn vrouw) ‘hulpbehoevend’ is; de wederkerigheid krijgt hier accent. Het woord ‘hulp’ is dan ook geen denigrerende uitdrukking: ook de HERE zélf wordt ‘onze Hulp’ genoemd (Ps. 124: 8)’[viii]

In Capelle-Noord keert men nu weer terug naar de visie uit 1930, getuige zinnen als: ‘Als je als helper aan iemand gegeven wordt, is degene wiens helper jij bent de hoofdverantwoordelijke in het uitvoeren van een taak waarin je gemeenschappelijk betrokken bent’ en: ‘Adam is in primaire zin beeld en heerlijkheid van God. Maar hij krijgt zijn vrouw als onmisbare helper, die dan ook niet voor niets de heerlijkheid van de man genoemd wordt (1 Kor. 11,7). Pas dan is de schepping van de mens afgerond. Adam als hoofd, de eerstverantwoordelijke tegenover God in de dienst aan Hem. De vrouw als de door God aan hem gegeven helper. Zo zijn man en vrouw samen beelddragers van God.’ NB. Let op de formulering: in de laatste zin staat dat de man en de vrouw als assistente ‘samen beelddragers zijn’, niet dat man en vrouw ‘samen naar Gods beeld zijn geschapen’!

–   Ad b. ‘God geeft man en vrouw verschillende verantwoordelijkheden’

De kerkenraad duidt hier op de zgn. ‘scheppingsorde’, waarin noties begrepen zijn als dat de man ‘het hoofd’ van de vrouw is, dat hij gezag over haar heeft, dat hij de (eerst)verantwoordelijke voor de scheppingsopdracht in de wereld is en complementair dat de vrouw zich aan de man moet onderschikken, geen gezag over hem mag voeren en aan hem als zijn helper verantwoording moet afleggen. Verder hield de ‘scheppingsorde’ niet alleen in dat man en vrouw ieder ‘een eigen positie’ ten opzichte van elkaar hadden gekregen, maar ook ten opzichte van de wereld. In het klassieke huwelijksformulier wordt dat zo verwoord, dat de man onder verwijzing naar Gen. 3:17-19 opgeroepen wordt ‘getrouw en naarstig in zijn Goddelijk beroep te arbeiden’, omdat het Gods bevel is ‘dat de man in het zweet zijns aanschijns brood zal eten’, terwijl de vrouw bevolen wordt ‘de man in alle goede en oprechte dingen behulpzaam te zijn, op haar huishouding goede acht te hebben, en in alle ingetogenheid en eerbaarheid zonder wereldse pracht te wandelen.’

In de jaren ’90 van de 20e eeuw wordt in de GKv officieel afscheid genomen van het spreken over de ‘eigen positie en verantwoordelijkheid van man en vrouw’ en daarmee ook van de invulling van de ‘scheppingsorde’, zoals A. Kuyper en H. Bavinck die eind 19e eeuw in hun theologie onder woorden brachten.

In 1993 is één van de gronden voor het vrouwenkiesrecht, dat ‘als [op de GS Groningen-Zuid 1978] gesproken wordt over “de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft” te weinig de Schriftgegevens in rekening gebracht worden waarin gesproken wordt over de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17, 18, Gal. 3:28, 1 Petr. 2:5, 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21).’[ix]

Ook worden in 1999 in het nieuwe huwelijksformulier de bijbelse m/v-teksten beargumenteerd niet meer uitgelegd in termen van ‘gezag’ en ‘onderdanigheid’, omdat ‘de uitdrukking ‘”gezag” misverstand wekt. De omschrijving “recht doen aan de plaats van haar man” geeft de juiste verhouding aan zoals God die gemaakt heeft.’[x] Alle nadruk wordt gelegd op de eenheid van man en vrouw. Bìnnen die eenheid krijgen man en vrouw hun eigen positie aangewezen. ‘De man behoort met liefde en zelfverloochening hoofd te zijn van zijn vrouw. Als eerstverantwoordelijke moet hij haar voorgaan in het leven met de Here. Hij zal zorg dragen voor haar welzijn en haar geborgenheid geven.’ De vrouw moet rechtdoen aan de plaats van haar man en ‘zich toevertrouwen aan haar man en hem volgen in het dienen van de Here. Zij zal hem helpen bij alle dingen die naar Gods wil zijn, en liefdevol het leven met hem delen.’

Daarnaast worden in dit huwelijksformulier man en vrouw op gelijke wijze aangesproken op hun gezamenlijke positie en verantwoordelijk in de wereld: ‘De gehuwden leven niet alleen voor elkaar en hun gezin. De Here geeft hun ook een plaats in de samenleving. Zij behoren zich in te zetten voor de leden van Christus’ gemeente en voor alle mensen die God op hun weg plaatst.’

Er is dus in de Gkv in de 20e eeuw in het denken over de positie van de vrouw een kentering te zien van een totale ondergeschiktheid en onderdanig-zijn van de vrouw aan de man (1930) nààr een positie waarin het uitgangspunt is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw (1999). Daarnaast wordt exegetisch afscheid genomen van de gedachte dat man en vrouw bij de schepping ‘een eigen rol en verantwoordelijkheid’ hebben gekregen.[xi] De GS Meppel 2017 en GS Goes 2020 nemen ter onderbouwing van het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen in hun exegese van de m/v-teksten deze veranderde visie over.

Wanneer de kerkenraad van Capelle-Noord vandaag een pleidooi voert voor een terugkeer naar de exegese en toepassing van de m/v-teksten die wij in de GKv al ruim 25 jaar geleden afgewezen hebben,[xii] en op grond daarvan de recente synoden beschuldigt dat zij met het openstellen van het ambt voor de vrouw ‘Gods Woord niet aanvaarden zoals Hij het ons geeft, en de inhoud ervan wegredeneren,’ dan geldt die beschuldiging met terugwerkende kracht ook de besluitvorming over en de exegetische onderbouwing van het vrouwenkiesrecht in 1993 en het nieuwe huwelijksformulier in 1999.

–   Ad c. ‘Dat God alleen mannen in het ambt roept is indicatie dat er een scheppingsorde is’

Het bijzondere in de notitie van Capelle-Noord is dat de exegetische package-deal en het wezenlijke verband tussen de gelijke onderdanige positie van de vrouw in de kerk èn de samenleving die met de zgn. ‘scheppingsorde’ gegeven is, niet expliciet wordt benoemd. Men focust uiteraard op het thema ‘vrouw en ambt’, maar wanneer je de door de kerkenraad geformuleerde hermeneutische maatstaven aanlegt blijft dat selectief winkelen in de bijbel, zonder dat daarvoor vanuit de bijbel zelf gronden worden gegeven. Consistent zou men zijn, wanneer men op grond van de eigen uitleg en toepassing van de teksten over de vrouw in de bijbel niet alleen zou pleiten tègen de vrouw in het ambt, maar ook vòòr een herstel en handhaven van de onderdanige positie van de vrouw in de samenleving. Quod non!

De kerkenraad van Capelle-Noord suggereert verder in zijn argumentatiestrategie, dat hij in tegenstelling tot de synode ‘Gods Woord wel aanvaardt, zoals Hij die ons geeft.’ Gezien de verschillende exegeses van de m/v-teksten in de 20e eeuw valt de evidentie daarvan te betwijfelen. Ik wil dat op drie punten laten zien. Allereerst bespreek ik het verwijt van Capelle-Noord, dat de synode geen recht doet aan de canonieke en door de Heilige Geest geïnspireerde uitleg van Paulus van Gen. 1-3 (§3). Als tweede zal ik ingaan op de mening dat ‘een bepaalde gedachte over de gelijkheid van man en vrouw functioneert als een bril waarmee de Bijbel wordt gelezen’ (§4). Tenslotte sta ik stil bij de manier waarop de kerkenraad het argument hanteert ‘dat de bijbel een eenheid is en dat God als de auteur van de bijbel zichzelf niet tegen kan spreken’ (§5). Ik rond af met enkele algemene conclusies, waarbij ik ook de kerkrechtelijke kant van deze oproep ter sprake zal brengen (§6).

(Voor het vervolg zie: zie https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/16/capelle-noord-iii/. De hele serie van 4 blogs over Capelle-Noord is geredigeerd als bijlage te downloaden bij mijn ‘Open brief aan de gemeente en kerkenraad van GKv Capelle a.d. IJssel-Noord‘, hier te vinden: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/20/open-brief/ )


[i] Zie de voorgaande blog: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/13/capelle-noord/.

[ii] Zie: https://www.gkv-capelle-noord.nl/gs-goes-2020/.

[iii] Zie zijn blog op https://www.arnoldhuijgen.nl/category/bijbel/.

[iv] Rapport inzake het vrouwenkiesrecht’ op de GS Arnhem 1930, p. 11 en 12.

[v] ‘Memorie inzake het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de kerk, van Ds C. Lindeboom’, opgenomen in ‘Rapport inzake het vrouwenkiesrecht’ op de GS Arnhem 1930, p. 32.

[vi] ‘Rapport Deputaten Vrouwenkiesrecht’ op de GS Kampen 1975, Hoofdstuk 8, Conclusies 1.2a.

[vii] ‘Rapport Commissie Vrouwenstemrecht’ op de GS Ommen 1993, Hoofdstuk 8.1.1. Algemene conclusies, Schriftgegevens, De positie van de vrouw, nr 1.

[viii] ‘Rapport Commissie Vrouwenstemrecht’ op de GS Ommen 1993, Hoofdstuk 7.1.3. Beoordeling, Schriftgegevens, De positie van de vrouw.

[ix] Acta GS Ommen 1993, Art. 24 (Vrouwenstemrecht), Besluit 2, Grond 3b.

[x] Acta GS Leusden 1999, Art. 52 (Nieuw huwelijksformulier). Een amendement om bij het onderdeel ‘De verhouding in het huwelijk’ Gen. 3:16b in de marge te vermelden en deputaten op te dragen de betekenis ervan voor de verhouding van man en vrouw in het huwelijk in het formulier te verwoorden, wordt met 3 stemmen voor en 32 tegen verworpen.

[xi] Zie mijn blog van 1 maart 2018: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/

[xii] Zie voor een uitgebreidere onderbouwing de serie blogs die ik in februari/maart 2018 hierover geschreven heb, m.n. https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/20/de-exegese-van-m-v-teksten-in-de-20e-eeuw-4-1993/, https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/23/de-exegese-van-m-v-teksten-in-de-20e-eeuw-5-1996-2005/, https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/24/een-nieuwe-consensus/, en https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/27/het-huwelijksformulier-in-de-20e-eeuw-1975-2005/.

Capelle-Noord

Een kleine 35 jaar geleden gingen wij wonen in de wijk Schenkel van de gemeente Capelle aan den IJssel. Aan de Bermweg stond het kerkgebouw van de GKv. In de jaren ’70 had zich in de plaatselijke GKv een groot conflict voorgedaan, dat draaide om de positie van de vrouw in de samenleving. Mocht een getrouwde vrouw wel op de gereformeerde basisschool voor de klas staan? Een halve eeuw later is het voor menigeen nauwelijks meer voor te stellen, dat daar discussie over mogelijk was. Het was dan ook niet verwonderlijk dat toen onze dochters eind jaren ’90 naar de betreffende basisschool De Triangel gingen, het aandeel getrouwde vrouwen onder het personeel al behoorlijk gestegen was en zelfs een getrouwde vrouw directeur van de school kon worden.

Historisch perspectief

Toch is in historisch perspectief de vraag of een getrouwde vrouw beroepsarbeid mocht verrichten vrij recent. Na de 2e Wereldoorlog was de gezinspolitiek van de kabinetten Drees gericht op het model van een echtpaar met de man als kostwinner en de vrouw als huisvrouw. Het buitenshuis werk van gehuwde vrouwen paste niet in dit plaatje. Het aandeel gehuwde vrouwen op de arbeidsmarkt nam tussen 1947 en 1960 af van 9% naar 6,8%. Toch streefden de niet-christelijke partijen naar de opheffing van de ontslagbepaling van gehuwde ambtenaressen en naar gelijke behandeling van man en vrouw. In de praktijk mochten gehuwde vrouwen al in dienst blijven, tenzij de betreffende vacature door mannelijk personeel of ongehuwde vrouwen kon worden vervuld.

In 1955 werd de kwestie actueel bij de indiening van de wet over het Kleuteronderwijs, waarbij een dergelijke bepaling ontbrak. Tijdens de stemming werd met een stemverhouding van 46-44 een motie aanvaard van het PvdA-lid mej. mr. N.S. Corry Tendeloo dat het niet op de weg van de staat lag de arbeid van gehuwde vrouwen te verbieden. De voorstemmers kwamen uit de PvdA en de oppositie. Van de christelijke regeringsfracties stemde de volledige ARP (12 zetels) tegen. Van de CHU stemden 2 van de 9 negen leden voor en van de KVP 5 van de 30. Opvallend was dat alle vrouwelijke Kamerleden vóór de motie stemden. De definitieve afschaffing van de wetten waarin een arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen vastgelegd was, werd op 1 januari 1958 van kracht. Tendeloo mocht het niet meer meemaken. Op 18 oktober 1956 was zij op 59-jarige leeftijd aan de gevolgen van borstkanker overleden. In 1956 was mede als gevolg van haar inspanningen al de wettelijke opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw geregeld.

Uit deze korte schets mag het duidelijk zijn, dat het niet de christelijke partijen waren die de gelijkwaardige behandeling van de vrouw op de kaart zetten. En als het in die partijen ter sprake kwam, waren het de vrouwen die het voortouw namen, waarbij in protestantse kring met ere genoemd moeten worden de gereformeerde vrouwen mr. dr. Fenna T. Diemer-Lindeboom en prof. dr. Gezina H.J. van der Molen (ARP) en de hervormde Jkvr. Mr. Ch.W.I. (Bob) Wttewaall van Stoetwegen (CHU).[1]

In vrijgemaakte kring komt een bredere bezinning op de veranderende positie van de vrouw in de samenleving pas in de jaren ’70 op, dus in dezelfde tijd als dat ook het conflict in de GKv Capelle a.d. IJssel speelde. Hierbij zijn met name te noemen mr. L.G.A. Bremmer-Lindeboom (de jongste zus van Fenna Lindeboom) en drs. M. Wilcke-van der Linden.

Uit de verkiezingsprogramma’s van het GPV blijkt dat in de jaren ’80 op grond van deze bezinning er een andere visie op de gehuwde werkende vrouw komt. In zowel 1977 als in 1981 vindt men dat de gehuwde vrouw ‘in de eerste plaats een taak in het gezin’ heeft. In 1989 wordt gezegd dat het ‘een zaak van man en vrouw samen (is) afspraken te maken over de verdeling van taken’. Waarna in 1994 uitgesproken wordt dat het een taak van de overheid kan zijn ‘belemmeringen voor toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt en ook voor de  uitoefening door vrouwen van maatschappelijke en politieke functies’ weg te nemen.

Eigen positie en verantwoordelijkheid van de vrouw

Het beroep op de bijbel speelt in dit alles een belangrijke rol. De argumentatie tègen de gehuwde werkende vrouw heeft namelijk te maken met de manier waarop de bijbel met het oog op het thema vrouw en samenleving geïnterpreteerd werd. Leidend daarin was de gedachte dat de vrouw vooral haar rol en verantwoordelijkheid had in het huisgezin, als hulp van de man en als moeder van kinderen. Zoals A. Kuyper dat in 1914 formuleerde: ‘Uit deze drie feiten volgt, dat de eerepositie van de vrouw het meest afdoende gehandhaafd wordt, zoo zij schitteren kan in het particuliere leven, en dat ze op het publieke terrein, waarvoor de man de aangewezen werker is, nooit dan een ondergeschikte rol zal kunnen vervullen, waarin aanstonds haar minderheid zou uitkome.’[2] Op deze wijze werd door hem de scheppingsorde weergegeven, waarin God aan man en vrouw ieder een eigen positie en verantwoordelijk gegeven heeft.

Uit de literatuur uit de eerste helft van de 20e eeuw blijkt,[3] dat de man werd gezien als het beeld van God, terwijl aan de vrouw slechts in afgeleide zin via de man ook het beeld van God-zijn toekwam. Haar wezen, haar aard en roeping was vooral, dat zij de helper van de man was. Zij was aangelegd om hulp te zijn, en niet om leiding te geven of te regeren. Het ‘tegenover hem’ van Gen. 2:18 functioneerde in de praktijk vooral als ‘aan hem’ ondergeschikt zijn, waarbij deze onderschikking niet alleen in het huwelijk gold, maar in de hele samenleving en (dus) ook in de kerk. Want men concludeerde uit de algemeenheid van de Paulus’ argumentatie in 1 Cor. 11 en 1 Tim. 2:11-14, dat de man niet alleen in het huwelijk, maar ook daarbuiten het hoofd van de vrouw, gehuwd of ongehuwd, is.

In het laatste kwart van de 20e eeuw werd ook in de GKv deze interpretatie van de teksten over de vrouw in bijbel opgegeven. De huwelijksformulieren worden herzien, waarbij noties als de onderdanigheid van de vrouw en het gezag van over zijn vrouw verdwijnen en de nadruk wordt gelegd op de gelijkwaardigheid van man en vrouw en op het wederzijds respect dat man en vrouw elkaar hebben te betonen, waarbij liefdevolle trouw de toon aangeeft. Ook worden alle specifiek geachte mannen-  en/of vrouwenrollen en -taken uit het formulier geschrapt. Aan man èn vrouw wordt voorgehouden ‘samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin te dragen, trouw te zijn in de uitoefening van de taken die God hen geeft en zo tot een zegen te zijn in de gemeente en in de samenleving.’ Daarbij wordt expliciet de werkende gehuwde vrouw bijbels gelegitimeerd.[4]

Dat laatste is een belangrijk gegeven omdat daarmee ook de visie op de scheppingsorde zoals die de hele 20e eeuw als bijbels verdedigd was, in de GKv terzijde is geschoven. De teksten over de vrouw in de bijbel worden anders uitgelegd en de altijd veronderstelde eigen positie en de verantwoordelijkheid van de vrouw in vergelijking met de man werd opgegeven. Je kunt ook zeggen, dat de reikwijdte en de betekenis van deze bijbelse teksten voor onze tijd anders werden opgevat. 

(Voor het vervolg zie: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/15/capelle-noord-ii/. De hele serie van 4 blogs over Capelle-Noord is geredigeerd als bijlage te downloaden bij mijn ‘Open brief aan de gemeente en kerkenraad van GKv Capelle a.d. IJssel-Noord‘, hier te vinden: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/20/open-brief/ )


[1] Met dank aan drs. Hillie van de Streek die onderzoek doet naar de visie vanuit christelijke kring op de vrouw in de 20e eeuw.

[2] A. Kuyper, De eerepositie der vrouw, 1914, p. 65

[3] Voor een overzicht zie: https://fpathuis.wordpress.com/2017/09/30/548/.

[4] Voor een overzicht zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/27/het-huwelijksformulier-in-de-20e-eeuw-1975-2005/.

Troost na seksueel geweld

Marianne is verkracht. De daad duurde vijf minuten, de gevolgen zijn levenslang. Allereerst voor haarzelf, maar de impact is overal merkbaar. Hoe kun je je omgeving onder ogen komen? Hoe vind je met je man en gezin een nieuwe balans? Waar is vertroosting? Wanneer ze de mogelijkheid van een uitknop had gehad, had ze die ingedrukt en had ze haar leven beëindigd.[1] In een belangrijk boek beschrijft Marianne van Wageningen haar worsteling om te overleven na seksueel geweld.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad  d.d. 2 april 2021 (zie http://www.gereformeerdkerkblad.nl)] 

De paradox van seksueel geweld is dat het deel uitmaakt van onze samenleving, maar dat het voor een slachtoffer nauwelijks bespreekbaar is. De cijfers zijn schrikbarend. Van Wageningen citeert uit het blad Medisch Contact: “Een op de acht vrouwen en een op de vijfentwintig mannen zegt “ja” op de vraag of ze ooit verkracht zijn.” Dat betekent dat in een kleine kerkelijke gemeente van 250 leden er onder de belijdende leden 10 vrouwen en 3 mannen zullen zijn die een verkrachting of een andere vorm van seksueel geweld meegemaakt hebben.

Taboe

Afgezet tegen dit veelvuldig voorkomen van seksueel geweld is het vreemd dat ik in mijn eigen kring van familie en bekenden maar een stuk of vijf situaties ken. Wie in het onderwijs, het pastoraat of in andere begeleidende beroepen werkt, zal er vaker op stuiten. Maar de ervaring die Van Wageningen beschrijft is herkenbaar. Het onderwerp is taboe of het voorkomen in eigen kring wordt ontkend. Als ze het durft te vertellen, wordt ze niet geloofd en merkt ze dat mensen het proberen te bagatelliseren. Men begrijpt in ieder geval niet, waarom ze er mee blijft worstelen: het is toch voorbij?

Dat taboe was er ook bij haarzelf. Na de verkrachting wilde ze zo snel mogelijk alles vergeten. Maar gevoelens en herinneringen die er niet mogen zijn, komen als een bal die onder water gedrukt wordt, uiteindelijk toch naar boven. De boosheid deed zich gelden, niet naar de dader, maar naar zichzelf. Ze werd verteerd door zelfverwijt en schuldgevoel. En ze was vooral boos op God, omdat hij het niet had voorkomen.

Schaamte

Er niet over spreken, de schone schijn ophouden en de enorme pijn wegstoppen, was de enige manier om het kwaad te kunnen overleven. Ten diepste was het schaamte die maakte dat Van Wageningen het taboe ook zelf in stand hield. Schaamte over de extreme machteloosheid die haar tijdens de verkrachting overviel. Schaamte over het diepe gevoel van waardeloos zijn, nu zij lichamelijk in het teerste en het meest eigen deel van haar bestaan, in haar seksualiteit, aangerand was. En daarnaast was er de diepe angst dat als anderen het zouden weten ze niets meer met haar te maken willen hebben.

De impact van een verkrachting is die van een trauma. Als de herinneringen daaraan opeens naar boven ploppen, zijn die even ingrijpend en intens als op het moment van de verkrachting zelf. Het lichaam ervaart geen onderscheid tussen herbeleving en werkelijkheid. Met het activeren van de herinneringen, komen ook de machteloosheid, de schaamtegevoelens en de angst weer in alle kracht naar boven.

Weg naar herstel

Marianne van Wageningen leefde jarenlang in twee gescheiden werelden, die van de innerlijke pijn en die van de schone schijn. Totdat ze stilgezet werd bij het moment, dat Jezus de leerlingen dwong de storm in te gaan en hen vervolgens over het water lopend tegemoet kwam. Zo voelde ze dat Jezus haar dwong om het verleden onder ogen te zien èn dat te delen, waarna er een proces van verwerking op gang kwam. Belangrijk daarin was dat ze door professionele hulp leerde zien, dat niet zij, maar de dader schuldig was. Ook dat ze leerde haar onterechte schuld- en schaamtegevoelens te herkennen en anders te labelen. Maar vooral dat ze besefte dat God het kwaad van seksueel geweld ten sterkste veroordeelt en haar aanvaardt als zijn kostbaar kind, waarvan de waarde bepaald is door zijn liefde en niet door het kwaad dat haar aangedaan werd.

Zo biedt het boek van binnenuit een inzichtgevende kijk op de impact van seksueel geweld. De worsteling is er nog steeds. Tegelijk wil ze andere slachtoffers helpen om ook stappen te zetten het bespreekbaar te maken, al was het maar anoniem via het Reformatorisch meldpunt www.ikmeldhet.nl of door contact te leggen met www.centrumseksueelgeweld.nl via 0800-0188. 

N.a.v. Marianne van Wageningen, Verwondering. Hoe God wil troosten na seksueel geweld, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2021, 206 pagina’s. Prijs: € 20,00.


[1] Zoek hulp als je worstelt met zelfmoordgedachten. De Hulplijn Zelfmoordpreventie 0900-113 is altijd (24/7) bereikbaar.

Naakt en machteloos

[ Artikel op http://www.gereformeerdkerkblad.nl d.d. 30 maart 2021]

In de Van Dale staat bij het woord knevelen als betekenis: 1. met touwen binden, 2. onderdrukken, afpersen. Etymologisch is knevelen ‘vastbinden met een knevel,’ waarbij een knevel een stokje of een dwarshout is dat je in de knoop van de touwen steekt, zodat die knoop niet los zal raken. Maar de bedoeling is duidelijk. Door iemand de handen vast te binden maak je hem machteloos, omdat hij niet in staat is zichzelf te bevrijden. Ook is er een verband tussen knevelen en ‘de mond snoeren.’ Oorspronkelijk is een knevel namelijk de korte, dikke stok die een dier in de bek wordt gelegd, zodat het geen geluid kan geven.

Deze week is de Stille Week, waarin Jezus de mond zal worden gesnoerd. Drie jaar heeft hij openlijk de boodschap van het Koninkrijk van God verkondigd. Hij oefende op het gewone volk een grote aantrekkingskracht uit. Maar voor de geestelijke leiders is zijn optreden een doorn in het oog, want tegenover hen neemt hij geen blad voor de mond. Wanneer Jezus voor de viering van het Pesach naar Jeruzalem komt, is voor hen de maat vol. Zijn intocht met ‘Hosanna’-geroep als was hij de Messias, het wegjagen van de veeverkopers en de geldwisselaars van het tempelplein, de discussies met hem waarin zij hun gezicht verliezen. Nu grijpen ze elke mogelijkheid aan om hem definitief monddood te maken.

In de nacht van donderdag op vrijdag wordt Jezus gearresteerd en vastgebonden. Machteloos moet Jezus zich de machtsspelletjes van de geestelijke leiders en de wereldlijke overheid laten welgevallen. Tegelijk kiest hij ervoor om zich niet te verzetten, zich zijn vrijheid te laten ontnemen en zich de mond te laten snoeren. ‘Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open,’ (Jes. 53:7).

Zo hangt Jezus aan een kruis. Vastgespijkerd aan handen en voeten kan hij zich niet meer bewegen. Zijn kleren zijn hem afgenomen, openlijk en schaamtevol wordt hij te kijk gezet, volkomen naakt en machteloos.[1]

In het lied ‘Hoe zal ik u ontvangen’ klinkt in het 4e couplet ‘‘k Lag machteloos gebonden: Gij komt en maakt mij vrij! Ik was bevlekt met zonden: Gij komt en reinigt mij!’ Wij associëren die gebondenheid met de schuld van onze zonden, waarvan wij door Christus bevrijd worden. Ook in het klassieke Avondmaalsformulier wordt het lijden en de kruisiging van Christus vooral verbonden met Gods vrijspraak van schuld.

Afgelopen weken las ik het boek ‘Verwondering’ van Marianne van Wageningen.[2] Van binnenuit beschrijft zij wat voor impact seksueel geweld op haar leven heeft. Die vijf minuten dat zij verkracht werd, leidden tot jarenlange schaamte- en schuldgevoelens. Wat mij raakte is dat op het moment dat zij die intense pijn en diepe machteloosheid ervoer en niet in staat was om haar mond open te doen of haar stem te verheffen, het kijken naar het kruis haar daardoorheen hielp. Het kruis, waar zij in al haar eigen naaktheid en schaamte aan dacht, terwijl de dader zijn machtswellust op haar botvierde. Het besef van de naaktheid en de machteloosheid van Jezus aan het kruis was na jaren ook het begin van de troost, die God haar schonk.

De kracht van het kruis op Golgota is niet alleen van betekenis voor de bevrijding van de schuld en zonde die wij tegenover God opgebouwd hebben, maar wil ook letterlijk bevrijden van de schaamte en de effecten van het kwaad dat slachtoffers van (seksueel) geweld is aangedaan.


[1] Zie de Crucifix van Michelangelo in de Basilica Santo Spirito te Florence

[2] Marianne van Wageningen, Verwondering. Hoe God wil troosten na seksueel geweld, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2021.

Verkiezingsuitslag: wie maakt er verschil in deze wereld?

Vorige week waren de verkiezingen voor de Tweede Kamer. De uitslag leek al een aantal maanden vast te staan: de VVD zou weer de grootste worden, en ook de goede score van populistische partijen als PVV, FvD en JA21 was niet onverwacht. Toch was ik wat overrompeld en teleurgesteld, toen ik de exitpolls en later de uitslagen zag.

[ Artikel op http://www.gereformeerdkerkblad.nl d.d. 25 maart 2021 door Anne-Maaike Pathuis ]

Bij het bepalen van de partij van mijn keuze waren de belangrijkste zaken dat de partij een hoge prioriteit aan klimaatbeleid geeft en een humaan vluchtelingenbeleid voorstaat. Naïef? Idealistisch? Ik denk het niet. Wat betreft het klimaat: Volgens mij gaat de groei van onze wereldeconomie – hoe positief die voor ons als westerlingen ook uitpakt – ook al jarenlang ten koste van de natuur en het klimaat. Er moet nú beleid gemaakt worden om klimaatverandering en haar gevolgen te voorkomen en in te perken, het is 2 voor 12.

Een humaan vluchtelingenbeleid heeft voor mij te maken met het besef dat we de aarde en onze woonplek van God hebben gekregen, niet om die voor onszelf te claimen maar om er zo goed mogelijk voor te zorgen. Ik denk dat de meeste vluchtelingen niet vluchten omdat ze zo graag ergens anders willen wonen, hun thuisland is immers hun thuis. Toch wordt hun woonplek steeds onveiliger door oorlog, vervolging en – ook! – klimaatverandering. Vluchtelingenbeleid is ingewikkeld, daar ben ik me van bewust, maar volgens mij is er niets dat rechtvaardigt dat we vluchtelingen in het Middellandse Zeegebied in kampen met weinig en slechte voorzieningen stoppen.

Dat uitgerekend de VVD en een aantal populistische partijen – waar een humaan vluchtelingenbeleid en klimaatbeleid niet bovenaan de prioriteitenlijst staan – goed scoorden tijdens de verkiezingen, was dus teleurstellend voor mij. Er was echter geen tijd om lang te zwelgen in teleurstelling, want ik was bezig met de voorbereiding van een kerkdienst. In de tekst voor de preek ging het over verschil maken en belangrijk zijn, naar aanleiding van Jezus’ uitspraak: “Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn” (Matt. 20:26-27).

Jezus’ uitspraak is allereerst uitdagend, omdat het niet gemakkelijk is om altijd dienstbaar en de minste te zijn. Toch is het in het licht van de verkiezingen ook een bemoedigende uitspraak. Waar ik even het gevoel had dat mijn stem niet was gehoord tijdens de verkiezingen, dat die te weinig invloed zou hebben op het beleid van de komende jaren, is dat dus ook niet wat het zwaarste hoeft te tellen in het leven van een gelovige. Ik ben geroepen om anderen te dienen, en omdat ik niet in de politiek zit, probeer ik dat – vanuit mijn idealen – op een kleinere schaal te doen. Mijn ideaal is een humaan vluchtelingenbeleid, en daarom probeer ik in het leven van alledag gastvrij en dienstbaar te zijn naar de mensen om mij heen. Mijn ideaal is zorgdragen voor natuur en klimaat, en daarom probeer ik bewuste keuzes te maken in het kopen van spullen en eten en in het gebruik van vervoersmiddelen.

Uiteindelijk hangt het gelukkig niet allemaal af van mijn eigen inspanningen, of die van de politiek, of de wereld gered wordt. Jezus stelde zichzelf als voorbeeld voor een dienstbaar leven: “zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.” Door zijn leven te geven, bracht Jezus de wereld bevrijding. Dat biedt hoop, juist nu de wereld nog zucht onder – bijvoorbeeld – klimaat- en vluchtelingenproblematiek.