Preken in coronatijd

Artikel van Anne-Maaike Pathuis in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 15 mei 2020

Door de coronacrisis moeten kerken hun zondagse erediensten anders invullen. De meeste kerken zorgen voor een online viering, en elke kerk kiest daar zijn eigen manier voor. Sommigen laten een aantal gemeenteleden liederen zingen, anderen gebruiken vooral liederen van Nederland Zingt. Sommige online diensten hebben een liturgie die nagenoeg hetzelfde is als voor de coronacrisis, andere diensten zijn sterk verkort – een paar liederen en een preek. Wat in elke online dienst een plek lijkt te krijgen is een preek of overdenking. Ik vroeg een aantal predikanten naar hun ervaringen met preken in coronatijd.

Het coronavirus bepaalde vooral de eerste paar weken van de ‘intelligente lockdown’ de thematiek van de preken. “Het coronavirus ‘kort aanstippen’ kan ik niet: de preek wordt geboren in de leefwereld van vandaag en ademt voortdurend de sfeer waarin wij leven,” schrijft ds Kees van Dusseldorp (GKv Schildwolde). Ds Gerbram Heek (GKv Buitenpost) sluit hierbij aan als hij schrijft dat hij zijn preekplan “wel steeds [heeft] toegespitst op de coronasituatie. Dat is wel meer dan dat het kort wordt aangestipt. Ik ben er verschillende keren nadrukkelijk op in gegaan.”

Dominees proberen in hun preken natuurlijk altijd aan te sluiten bij de leefwereld van de gemeenteleden, de hoorders, maar een tijd van crisis en grote maatschappelijke ontwikkelingen vraagt daar wel in het bijzonder om. Ds van Dusseldorp hield tijdens de eerste twee online diensten echte ‘tijdredes’ waarin hij vanuit het evangelie licht wierp op de vragen die opkomen door het coronavirus en de lockdown. Ook ds Jos Douma (GKv Zwolle-Centrum) merkte dat het crisisgevoel de eerste twee zondagen sterk bepalend was voor het thema van de preek.

Preekthema’s

Na de eerste online diensten zijn de predikanten wel anders gaan preken. Het crisisgevoel was eerst bepalend, “maar daar werden de online diensten wel wat ernstig van. Dat hebben we als kerkenraad geëvalueerd en gezegd: het mag ook wel weer wat sprankelender, positiever,” schrijft ds Douma. In Zwolle is daarom gekozen voor het thema #DASLIEFDE, in aansluiting bij de landelijke SIRE-campagne #DASLIEF en een plaatselijk initiatief van een kunstenaar #HEBLIEF. Ds Douma: “Ik heb gepreekt over onder meer zelfbeheersing en geduld als deugden, en elementen van de vrucht van de Geest, omdat dat precies de waarden zijn waar we ons als samenleving in moeten oefenen.”

In Schildwolde is ds van Dusseldorp begonnen met een prekenserie over de woestijntocht van het volk Israël. “De thema’s liggen voor het opscheppen: omgaan met beperkingen, volhouden in een taaie tijd, oefenen in vertrouwen, mopperen en/of bidden, wat kun je van God verwachten?” Ds Rutger Heij (GKv Heemse) hield vanwege zijn werk op de synode tot nu toe twee preken in coronatijd, maar koos bewust voor thema’s die met het coronavirus te maken hebben: over de vraag of het virus een teken van de eindtijd is, en over hoe we ondanks de fysieke afstand in Christus toch met elkaar verbonden zijn.

Relevantie

Ds Heij merkt dat juist de actualiteit van de preken ervoor zorgt dat de boodschap echt bij mensen binnenkomt. Ook in Zwolle is er “waardering voor het aanbrengen van een thematische rode lijn die als heel relevant wordt ervaren en toch ook alle ruimte biedt om het evangelie eigen stem te geven,” zo schrijft ds Douma. “Het valt mij op dat bijbelteksten en geloofswoorden in deze tijd een veel intensere klank hebben gekregen. Dat merk ik bij mezelf en ook bij gemeenteleden die ik spreek,” zo schrijft ds van Dusseldorp.

Het is mooi dat de kracht van het evangelie, en ook de kracht van preken, juist in deze tijd zo ervaren wordt. De preek is een van de manieren waarop gelovigen leren om hun leven in het licht van het evangelie te zien en te leven. Emeritus hoogleraar Kees de Ruijter schreef in het boek ‘Horen naar de stem van God’ onder andere over de bedoeling van de eredienst. Volgens hem is het een leerplek waar hoorders leren om hun levensverhaal te vertellen en te leven vanuit het perspectief van het evangelie. Dit leerproces wordt juist in de preek geconcentreerd. In de preek zoekt de predikant in het bijzonder naar de manieren waarop God, door de bijbeltekst heen, tot de gemeente in haar concrete leefwereld spreekt.

Interactie en reactie

Voor de predikanten is het contact met de hoorders, de gemeenteleden, tijdens de preek een stuk minder direct dan voor de coronacrisis. Daardoor is de beleving van het preken is heel anders. “De preek ademt normaal gesproken in de interactie en de sfeer van de kerkgangers. Zelfs als ze niets zeggen, ben je toch met ze in gesprek. Dat gesprek voelt nu nog meer virtueel geworden,” schrijft ds van Dusseldorp. Dit wordt versterkt doordat predikanten niet weten wie hun online diensten allemaal volgen.

De vier predikanten die ik sprak krijgen net zoveel of meer reacties na de dienst als eerder, en die gaan vaak niet alleen over de preek maar over de hele dienst. Ds Heek schrijft: “Je hoort aan de ene kant minder, omdat er na de kerkdienst geen mensen naar je toekomen. Aan de andere kant komen er meer complimenten omdat mensen vooral blij zijn dat de diensten online nog wel doorgaan.”

Ook in Zwolle, Heemse en Schildwolde zijn gemeenteleden blij dat er door de voortgang van de online diensten een stukje vertrouwdheid blijft bestaan. In de waardering voor het feit dat er online diensten zijn, wordt wellicht ook zichtbaar dat het evangelie niet alleen wordt gehoord in de preken, maar door de hele liturgie heen wordt ervaren.

Nabije toekomst

De verwachting is dat erediensten voorlopig nog online moeten plaatsvinden. De predikanten geven aan dat ze hun preken ook op deze manier zullen voortzetten. Voor de gemeenteleden in Zwolle betekent dat, dat ze de komende tijd bemoedigende, relevante en relatief korte preken zullen horen. “Wel wil ik meer inzetten op het helpen van gemeenteleden thuis om aansluitend aan de onlinedienst een geloofsgesprek te voeren aan de hand van een gesprekshandreiking,” zo geeft ds Douma aan. In Buitenpost werd dat al vanaf de eerste online dienst gedaan, en ds Heek hoopt dat er in deze tijd ook alternatieve vormen voor de preek worden uitgeprobeerd, zoals een soort talkshow naar aanleiding van een bijbeltekst of thema.

Het zal voorlopig nog wel een vreemde situatie blijven, zo zegt ds Heij: “Preken in een lege kerk, met de blik op de camera gericht, is een vervreemdende ervaring. Maar preken in een kerk met anderhalve meter opstelling lijkt me minstens zo vervreemdend, misschien nog wel meer.” Het belangrijkste is dat het evangelie verkondigd wordt, ook in een tijd van crisis. Daarom, zo schrijft van Dusseldorp, “probeer ik me open te stellen voor de leiding van de Heilige Geest. Ik stel mij in dienst van het evangelie van Jezus Christus dat echt een bron van vreugde, vrijheid en vrede is.”

Een nieuwe schepping

(Verschenen als artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 1 mei 2020)

Op de Paasdag is Jezus opgewekt en stond hij op uit graf. De impact van dit gebeuren voor ons leven en voor de wereld is immens. Paulus raakt er niet over uitgeschreven. Het biedt hoop, want wij ontvangen door Jezus de shalom van God, zijn genade en liefde, vrijspraak en eeuwig leven.

In de brief aan de Galaten formuleert Paulus de betekenis van Pasen heel sterk: ‘Met Christus ben ik gekruisigd; ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’ (2:19-20). Dat is de werkelijkheid waarin wij als gelovigen leven. Wij zijn een nieuwe schepping (6:15). Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Het beeld dat Paulus in Galaten gebruikt om de grote wending in zijn leven te omschrijven, zal hij later in hoofdstuk 6 en 7 van de Romeinenbrief verder uitwerken. Daar schrijft hij dat ons oude bestaan met Christus gekruisigd is, zodat er een einde zou komen aan ons zondige leven. Met als keerzijde dat wij ook delen in Christus’ opstanding.

De zonde is zijn macht over ons kwijtgeraakt en wij staan nu onder de heerschappij van de Geest. Daarom mogen wij onszelf zien als dood voor de zonde en levend voor God. ‘Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.


Een andere mensvisie

Wat het voor ons lastig maakt om Paulus te begrijpen, is dat hij uitgaat van voorstellingen over hoe wij als mensen in elkaar zitten die ons niet vertrouwd zijn.

Wij gaan uit van een begrip van de mens als een onafhankelijk individu, die bij alle veranderingen die hij doormaakt toch gekenmerkt wordt door een zelfstandige identiteit.

In de mediterrane wereld van de 1e eeuw wordt de mens niet zo zeer bepaald door de eigen individualiteit, maar door de sociale verbanden waarbinnen hij functioneert. Men richt zich voor de ontwikkeling als individu op wat de groep zegt, doet, denkt, verwacht en eist.

Een nog groter verschil met vandaag is, dat men naast de sociale verbanden van familie, clan, rang en volk, ook rekening houdt met bovenmenselijke of bovennatuurlijke kosmische machten en krachten.

De mens is in zijn lichaam als microkosmos verbonden met de macrokosmos. Zo heeft het bestaan van de mens niet zozeer een duidelijk begrensde eigenheid, maar is het een poreus knooppunt waar de externe sociale en geestelijke wereld volop deel van uitmaakt en zijn invloed op uitoefent.


De nieuwe werkelijkheid

Met deze mensvisie als achtergrond moeten wij Paulus’ spreken over de zonde als externe kracht begrijpen, die de mens in zijn macht heeft en zo de mens aanzet en verleidt tot het doen van zonde. Maar ook dat hij zinswendingen kan gebruiken als ‘met Christus gekruisigd’ en ‘in Christus zijn’, ‘met Christus omkleed zijn’, dat ‘Christus in mij leeft’, dat wij ‘geleid worden door de Geest’ en dat wij ‘leden van Christus lichaam’ zijn.

Wat wij gemakkelijk kunnen zien als beeldspraak die we niet letterlijk hoeven op te vatten, is voor Paulus de omschrijving van de werkelijkheid zoals hij die ervaart. Wanneer wij ons van deze beelden een voorstelling willen maken, moeten wij ervan uitgaan dat zijn beeldspraak de werkelijkheid wil duiden.

Leven in Christus’ betekent dat wij leven in een door de Geest gerealiseerde nieuwe werkelijkheid, waarin wij vergeving van zonde ontvangen hebben en in een nieuwe verhouding tot God gesteld zijn. We hebben door Christus het kindschap van God ontvangen.

Tegelijk is er nog de werkelijkheid van de zonde, die door Paulus in de Galatenbrief in het Grieks als die van het ‘vlees’ (5:13) wordt aangeduid, waar ‘de macht van de zonde’ achter schuilt (3:22). Als gelovige moet je er voor waken om je opnieuw met deze macht in te laten.


Dynamisch

Belangrijk is om alle nadruk te laten vallen op het ‘leven in Christus’ als werkwoord en dat ‘leven’ verder in te vullen. Want die nieuwe werkelijkheid heeft een dynamisch karakter en omvat meer dan dat de gelovige de status van ‘gerechtvaardigd’ heeft.

Het is actief leven binnen de reikwijdte van God en in de sfeer van alles wat bij Christus’ heerschappij hoort en bij Hem vandaan komt. Het is leven in relatie met God, met Christus, met de Geest en met ieder die bij Christus hoort. Een nieuwe schepping zijn is het samen met broers en zussen delen in de dood en de opstanding van Christus en je zo samen door Hem laten transformeren.

Een nieuwe schepping zijn is je door Hem laten beïnvloeden en motiveren om het goede te doen, ook al betekent dat soms afzien en elkaars lasten dragen. Het is zijn Geest en de goddelijke krachten ontvangen om dat goede ook handen en voeten geven (3:5).

Kortom, binnen de structuren van onze aardse werkelijkheid, naar het voorbeeld van Christus, Gods liefde als de vrucht van de Geest zichtbaar maken.


Dopen op afstand

In tijden van corona dienen we ons als kerk te houden aan maatregelen die de overheid de samenleving opgelegd heeft. Hoe kunnen we ons kerkelijk leven onder deze voorwaarde organiseren? In de bezinning daarop is het belangrijk in de wijze waarop wij de dingen tot nu deden te onderscheiden tussen de norm en de vorm. Wat is wezenlijk en moeten we daarom zo blijven doen, willen we trouw zijn aan wat God van ons wil en waarin kunnen wij de vormgeving aanpassen aan de tijd en de context waarin wij ons nu bevinden? [i]


1.   Dopen met de doopstaf

Deze vraag is zeker relevant als het gaat om het sacrament van de doop. Toen in maart 2020 fysieke kerkdiensten niet meer mogelijk waren, werden de geplande doopdiensten uitgesteld. Nu er online kerkdiensten zijn, bestaat er de mogelijkheid om weer te dopen. Maar hoe doop je op verantwoorde wijze? Verantwoord richting de opgelegde maatregelen en zodanig dat de doop geldig is.

Halverwege april adviseerde het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) de doop uit te stellen ook al zou men weer met een beperkt aantal mensen samen mogen komen. Een doopbediening is moeilijk uit te voeren gezien de noodzakelijke afstand van 1½ meter tussen pastor en dopeling.

Afgelopen week kondigde het moderamen van de PKN een voorziening af, waarbij de predikant de 1½ meter overbrugt met behulp van een nieuw liturgisch doopvoorwerp: een doopschelp met verlengde arm. [ii]

In reactie op het advies van het CIO reageerde dr. John van Eck (PKN) met de vraag, ‘wat kan er tegen zijn dat de dominee de doopformule uitspreekt en een van de ouders staande bij het doopvont het water over het hoofd van het kind giet?’ [iii]

Dr. Bert van Veluw (PKN) acht dat geen goed idee, omdat wanneer een van de ouders deze handeling op zich kan nemen, je ‘het namelijk ook online [kunt] gaan doen bij de wastafel.’ Het moet wel ‘in een kerkdienst waar de handeling aan de dopeling wordt gedaan door een bevoegde ambtsdrager.’ [iv] Waarop ds. Jaap Huttenga (PKN) reageert met de wedervraag, of ‘de geldigheid van een doop afhankelijk [is] van de vingers die het water sprenkelden?[v]

De missioloog drs. Kees Haak (GKV) wijst de voorziening van de PKN met de doopstaf af, ‘alsof de doopbediening van de persoon van de predikant zou afhangen’, waarbij hij o.a. verwijst naar de praktijk op het zendingsveld. ‘Het besluit tot het toelaten tot de doop kan alleen door een kerkelijke bevoegdheid worden genomen’, maar ‘de bediening ervan kan door elke willekeurige persoon – die uiteraard dan door de bevoegde instantie moet worden aangewezen – worden uitgevoerd.’ [vi]

In deze lijn stelt ds. Wim Aanen (PKN) voor dat je ‘in een kerk waar we het ‘priesterschap aller gelovigen’ belijden (1 Petrus 2:9) zou kunnen afspreken dat dus iedereen die tot dit priesterschap behoort, mag dopen.’ Maar als men dat te verstrekkend zou vinden ‘de kerkenraad de bevoegdheid te geven mensen aan te wijzen – eventueel: de gemeente gehoord hebbende – die de sacramenten mogen bedienen.’ [vii]

De R.K. bisschop Ron van den Hout tenslotte waarschuwt dat de geldigheid van de doop in gevaar kan komen en daardoor de wederzijdse dooperkenning tussen kerken ‘als de bedienaars van de doop zelf creatief aan de slag gaan.’ [viii]

Een kleine staalkaart aan visies en reacties hoe je onder de 1½-metercondities de doop kunt bedienen. In deze reacties wordt duidelijk dat de hamvraag is hoe een geldige doop tot stand komt. Specifiek daarbij is de vraag of de rol van de ambtsdrager bij het dopen essentieel is en zo ja, welke die rol moet zijn.


2.   De vroegchristelijke traditie

Het gaat om drie vragen: wie is gerechtigd om de doop te bedienen, wat zijn de wezenlijke elementen van de doop en op welke wijze dient de doop uitgevoerd te worden? 

Rond 1150 gaf Peter Lombardus (ca. 1100 – 1160) in zijn werk ‘Libri Quatuor Sententiarum’ een samenvatting en verwerking van de theologische inzichten van de kerkvaders en kerkleraars. In Boek IV schrijft hij over de vraag wie er mogen dopen[ix]:

“Hierover zegt Isidore [560-636]: “Het staat vast dat de doop alleen door priesters wordt bediend, en het is zelfs voor diakenen niet geoorloofd om de bediening ervan zonder bisschop of priester uit te voeren, tenzij wanneer die door afstand er niet zijn en extreme noodzaak van zwakheid het vereist, en dan is het ook toegestaan voor de gelovige leken om te dopen.”

Verder verwijst hij naar het vierde Concilie van Carthago (398), dat uitsprak: “Laat geen vrouw, hoe heilig ook, veronderstellen te dopen, tenzij de noodzaak haar dwingt.

Eerder had hij al met verwijzing naar Augustinus aangegeven, dat de kwaliteit van de doop niet afhangt van degene die de doop bedient, of het nu een goed of een slecht mens is. De doop is een gave van God en niet van de mens: ‘Want de doop ontvangt zijn karakter van hem op wiens gezag hij is gegeven, niet van hem door wiens bediening hij is gegeven’. Zelfs als een moordenaar de doop zou bedienen, wordt de werking van het heilig sacrament niet aangetast.

Wat essentieel is voor de doop ontleent Lombardus aan Augustinus, namelijk de aanroeping van de drieënige God (= het woord) en het water:

“’De doop wordt door het woord geheiligd; neem het woord weg en wat is water, behalve water? Het woord wordt toegevoegd aan het element en het wordt een sacrament. Waar komt de grote kracht van water anders vandaan dan door het werkzame woord? Niet omdat het woord uitgesproken is, maar doordat het wordt geloofd. Want in het woord zelf is voorbijgaande klank één ding, het blijvende effect is een ander.”

Alle andere handelingen en gebruiken zoals zalvingen met olie, de handoplegging, het witte kleed of het doopbassin vanuit het westen ingaan en aan oostzijde verlaten, zijn bijkomstig en dienen slechts om de plechtigheid mooier te maken en het waardige karakter te verhogen.

De kracht van de doop komt van de Heilige Geest. Zoals Lombardus met de woorden van Augustinus zegt:

“Terwijl Mozes door zijn bediening met zichtbare sacramenten heiligt, heiligt de Heer met onzichtbare genade door de Geest, waarin de volledige vrucht van de zichtbare sacramenten ligt. Zonder deze heiliging hebben de zichtbare sacramenten geen nut.”

Daarmee neemt Augustinus de nadruk op het werk van de Geest over, die we ook bij Tertullianus (ca. 160 – ca. 230) in zijn doopbeschouwing ‘De Baptismo’ vinden. Daar zegt hij, dat na de aanroeping van God de Heilige Geest komt om het water te heiligen, zodat ‘wanneer de handeling van de doop lichamelijk door onderdompeling wordt uitgevoerd, het geestelijke effect daarvan is dat we van de zonden bevrijd worden.

Met betrekking tot de wijze waarop de doop plaatsvindt, bespreekt Lombardus de doopformule ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’ dan wel alleen ‘in de naam van Christus’ (beide is mogelijk, maar voorkeur voor de uitgebreide versie [x]). Verder gaat hij in op de vraag of de dopeling een- of driemaal ondergedompeld behoort te worden (ook dit is beide mogelijk, afhankelijk van de context [xi]).  


3.   De gereformeerde traditie

De voorziening die de PKN biedt om te dopen met de doopstaf wil nadrukkelijk invulling geven aan de regel in de kerkorde dat ‘de doop alleen bediend kan worden door iemand die door de kerk hiertoe bevoegd is’, een predikant of de aan de gemeente als ambtsdrager verbonden kerkelijk werker. Deze regel wortelt in de ambtsleer van de Reformatie.

De reformatorische visie op kerk en ambt is zowel door de reactie op de Rooms-Katholieken als op de Dopers bepaald. Richting de R.K. kerk verzet Calvijn zich tegen de hiërarchie, tegen het spiritualisme en subjectivisme van de Dopers pleit Calvijn voor orde in de kerk, die o.a. tot uiting komt in het ambt van de ‘minister verbi’. Zij die daartoe door de gemeenten geroepen worden zijn met de nodige gaven  toegerust en bekwaam gemaakt om in het ambt te dienen. God deelt zijn gaven van Woord en Geest uit door middel van het ambt. Deze ‘dienst van de verzoening’ wordt vervuld in de bediening van het Woord en het sacrament.

Als het specifiek om de doop gaat, wijzen de reformatoren de nooddoop af. Allereerst omdat ze niet meegaan in de veronderstelling dat die doop noodzakelijk is voor het heil alsof ongedoopte kinderen vanwege de erfzonde aan het oordeel van God onderworpen zouden zijn en daarom van het aanschouwen van God uitgesloten worden. Maar ook omdat ‘Christus niet aan vrouwen of aan alle mogelijke mensen bevolen heeft te dopen, maar dit bevel heeft gegeven aan hen die Hij tot de apostelen aangesteld had.’ [xii]

Op de Dordtse Synode 1618/18 heeft men op de vraag naar de geldigheid van een doop uitgesproken dat die van drie zaken afhankelijk is, samengevat:

‘a. de doop moet bediend zijn naar de instelling van Christus, d.w.z. met water en onder de naam van de drieënige God; b. de doop moet bediend zijn in een kerk die de belijdenis van de drie-eenheid vasthoudt en dus niet opgehouden heeft kerk te zijn; c. de doop moet bediend zijn door een persoon, die in die kring als ambtsdrager wordt erkend en bevoegdheid tot dopen heeft.’ [xiii]

Eveneens is door deze synode een eind gemaakt aan de mogelijkheid voor de vervolgde gereformeerde kerken dat een ouderling werd aangewezen om de doop te bedienen wanneer er geen predikant was of kon komen. Aan ouderlingen en diakenen wordt nu verboden te dopen. In een normale situatie met geordende predikanten mag niemand Woord en sacramenten bedienen dan zij die er werkelijk en ordelijk toe geroepen zijn.


4.   Het ambt en de ambtsdrager

Het gaat dus om de vraag wat het betekent dat het sacrament aan de kerk is gegeven en via de apostelen aan het ambt is toevertrouwd. Concreet: betekent dit dat elke doop door een ambtsdrager uitgevoerd moet worden?

Dat is de visie van het moderamen van het PKN, wanneer ze uitspreekt dat zij ‘in deze geen gebruik maakt van haar bevoegdheid om in deze crisistijd ook ouders de bevoegdheid tot dopen te verlenen. De doop is principieel geen familiegebeuren, maar een sacrament van de kerk van Christus. Vandaar dat de doop bediend wordt door een ambtsdrager die door de kerk hiertoe bevoegdheid is.[xiv] In lijn met de visie van de vroege kerk: ‘De bediening van de doop gaf Christus aan Zijn gemeente. Die bedient de doop door ambtsdragers, als haar representanten.’ [xv]

Toch is de redenering van het moderamen nogal kort door de bocht. Als ik mij probeer praktisch voor te stellen hoe op de Pinksterdag 3000 personen gedoopt zijn, lijkt het mij aannemelijk dat het niet alleen door de handen van de apostelen gebeurd is. Maar ook principieel gezien moet er meer gezegd worden.

Wat betekent het dat het sacrament aan het ambt is toevertrouwd? Mijn inziens is de interpretatie goed te verdedigen dat het vooral gaat om het verantwoordelijk zijn voor èn het toezicht houden op de bediening en het gebruik van het sacrament, maar niet direct bedoeld is om een exclusief recht op de bediening daarvan te geven.

Wanneer je er vanuit gaat dat alleen de ambtsdrager de bevoegdheid heeft om te spreken en te handelen namens God, blijft nog de vraag open in welke mate en op welke wijze hij (een deel van) deze bevoegdheid over mag dragen, door bijvoorbeeld mandaat, delegatie of volmacht? Terecht signaleert het moderamen al de optie dat het aan de ouders de bevoegdheid tot dopen had mogen verlenen, zonder dat het sacrament van de doop daarmee tot een familiegebeuren was geworden. (Tussen haakjes: het wordt toch ook geen familiegebeuren wanneer een predikant als ambtsdrager zijn eigen kind doopt?)

Daarnaast kan ik mij ook goed een door ouders bediende doopbediening ‘online bij de wastafel’ indenken, want het zijn de context, de voorwaarden en intentie die bepalen of er een geldige kerkelijke doop tot stand komt. In die zin spelen hier soortgelijke vragen een rol als bij het avondmaal vieren aan huis. [xvi]   

Tenslotte, wanneer de ambtsdrager wel de leiding heeft bij de viering van het sacrament kun je de vraag stellen of hij alle handelingen eigenhandig moet verrichten. In de taalhandelingstheorie kennen we het fenomeen dat verschillende uitingen (locuties) dezelfde strekking (illocutie) kunnen hebben. Op dezelfde manier kan handelingstheoretisch gezien het gebruik van een doopstaf hetzelfde effect hebben als dat een van de ouders het water sprenkelt. Beide kunnen gelden als uitgevoerd door de ambtsdrager zelf. [xvii]


5.   Afsluitende opmerkingen

Ik kan me prima vinden in het advies van Reina Wiskerke om ‘met behulp van eigen tradities en gemeenschappelijke uitgangspunten in opgewekte creativiteit en naar bevind van zaken’ je keuzes te maken voor dopen in tijden van corona. [xviii] Deze blog heeft als doel om inzicht te geven in die tradities en uitgangspunten, en tegelijk te wijzen op veronderstellingen in de geopperde voorstellen.

In mijn vorige blog constateerde ik al dat men vaak uitgaat van een impliciet ambtsbegrip en op basis daarvan de huidige vorm van handelen van de ambtsdrager als norm presenteert.[xix] Maar als wij werkelijk geloven dat het God zelf is die in de doop handelt, is er weinig reden om koste wat kost de huidige traditie waarin de ambtsdrager exclusief het recht van dopen toekomt te handhaven door de doopstaf als liturgische vorm in te voeren. Dat suggereert in mijn ogen toch te veel dat het om de ambtsdrager gaat en niet om de bediening van het sacrament.


[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2020/05/11/kerk-zijn-in-context/.

[ii] Nieuwsitem op de site van de PKN d.d. 6 mei 2020: https://www.protestantsekerk.nl/nieuws/moderamen-over-de-doop-in-corona-tijd/.

[iii] Ingezonden van John van Eck in het Nederlands Dagblad d.d. 30 april 2020, onder de titel ‘Het water bepaalt, niet de hand van de dominee’.

[iv] Ingezonden van Bert van Veluw in het Nederlands Dagblad d.d. 4 mei 2020, onder de titel ‘De doophandeling behoort toe aan een ambtsdrager’. Het verscheen ook in het Reformatorisch Dagblad op 6 mei 2020.

[v] Ingezonden van Jaap Huttenga in het Nederlands Dagblad d.d. 4 mei 2020, onder de titel ‘Een doopstok is een onzalig idee’.

[vi] Ingezonden van Kees Haak in het Nederlands Dagblad d.d. 8 mei 2020, onder de titel ‘Altijd dopen, zonder poeha’. 

[vii] Ingezonden van Wim Aanen in het Nederlands Dagblad d.d. 10 mei 2020, onder de titel ‘Dopen hoort bij priesterschap van gelovigen’.

[viii] Ingezonden van Ron van den Hout in het Nederlands Dagblad d.d. 8 mei 2020, onder de titel ‘Online doop heeft oecumenische implicaties’.

[ix] Ik maak gebruik van de Engelse vertaling door Elizabeth Frances Rogers in haar dissertatie: Peter Lombard and the Sacramental System, Columbia University, New York, 1917.

[x] ‘Whoever therefore baptizes in the name of Christ, baptizes in the name of the Trinity, which is thereby understood. Nevertheless it is safer to name the three, so that we say : in the name of the Father and of the Son and of the holy Spirit; not in the names, but in the name, that is in invocation or in confession of the Father and of the Son and of the holy Spirit; for thereby the whole Trinity is invoked, that it may work invisibly through itself, just as outside visibly through the ministry.’

[xi] ‘According to this, it is allowable to immerse not only thrice, but also only once. However it is only allowable to immerse once, where such is the custom of the Church.’

[xii] J. Calvijn, Institutie IV,15,20.

[xiii] T. Brienen, ‘Doopleer en dooppraktijk in de 17e en 18e eeuw bij de gereformeerden in de Nederlanden’, in: Rondom de doopvont. Leer en gebruik van de heilige doop in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de westerse kerk, red. W. van ’t Spijker, W. Balke, K. Exalto en L. van Driel, Goudriaan: De Groot, 1983, p. 368.

[xiv] Nieuwsitem op de site van de PKN d.d. 6 mei 2020: https://www.protestantsekerk.nl/nieuws/moderamen-over-de-doop-in-corona-tijd/.

[xv] P.L. Voorberg, Doop en Kerk. De erkenning, door kerkelijke gemeenschappen, van de elders bediende doop, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2007, p. 255.

[xvi] Als het gaat om bezinning op online vieringen is het interessant te weten, dat daar al in 2004 een studie over verscheen van Willem Marie Speelman, Liturgie in beeld. Over de identiteit van de rooms-katholieke liturgie in de elektronische media, (Netherlands Studies in Ritual and Liturgy 3), Groningen/Tilburg: Instituut voor Liturgiewetenschap Groningen/Liturgisch Instituut Tilburg, 2004.

[xvii] Vgl. ook de visie van de kerkrechtdeskundige dr. K.W. de Jong:  http://blog.kerkenrecht.nl/2020/05/07/dopen-met-het-azewijnse-paard/: ‘In het geval van de doop zouden doopouders voor het begieten met water als gevolmachtigde van de bevoegde voorganger kunnen optreden. Wie even doordenkt, beseft dat het verschil met de doopstok niet eens heel groot is. Bij de doopstok is de stok het middel waarvan de voorganger zicht bedient. Bij de volmacht is het woord – al dan niet schriftelijk vastgelegd – van de predikant de basis.’

[xviii] Reina Wiskerke in het Nederlands Dagblad d.d. 13 mei 2020, onder de titel ‘Creatief dopen’.

[xix] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2020/05/11/kerk-zijn-in-context/.

Kerk-zijn in context

Ook als kerk leven we in bijzondere tijden. We worden door de corona-maatregelen van de overheid gedwongen na te denken over wat wezenlijk is voor kerk-zijn. Als het niet meer kan zoals we dat altijd deden, mag het dan ook anders en hoe doe je dat dan?

De vragen zijn de afgelopen tijd breed uitgemeten en de antwoorden waren zeer divers. Hoe houd je kerkdiensten als er maar een minimaal aantal mensen aanwezig mogen zijn? Wat betekent het niet samen kunnen zingen voor een kerkdienst? Mag je en zo ja, hoe kun je digitaal avondmaal vieren? Hoe bedien je de doop als je op 1½ meter afstand moet blijven? En als er straks weer 100 mensen in een kerkdienst mogen, hoe ga je dat doen als een gemeente van 1800 zielen met één kerkgebouw?

Wat uit de discussie duidelijk wordt, is de vanzelfsprekendheid waarmee we de dingen doen. Het lijkt dat we zo gewend zijn geraakt aan een bepaalde vorm van kerk-zijn, dat voor het gevoel van velen vorm en inhoud samen zijn gaan vallen. Verandering van de vorm van kerk-zijn kan dan aanvoelen als een aantasting van het wezenlijke van ons kerk-zijn.

Toch is het gevoel niet nieuw, dat bij verandering van de vorm ook de inhoud aangetast wordt. De afgelopen decennia zijn we dit als kerken al regelmatig tegen gekomen in allerlei soorten discussies, die ook heel vaak gingen over de inrichting van de eredienst.

Mogen we gezangen of liederen uit Opwekking of E&R-bundels zingen in de eredienst? Mogen niet-vrijgegeven liederen alleen voor en na de zegen? Mag de samenzang begeleid worden door andere instrumenten dan een orgel? Ook door een combo met drumstel? Kan een cantorij of koor in de kerkdienst? Is de vroegdoop verplicht, ook al ligt de moeder in het kraambed? Mag de moeder het kind ten doop houden als de vader ook aanwezig is? Mag je geadopteerde kinderen dopen? Moet de doop door besprenkeling of onderdompeling? Eén of drie keer water uitgieten over het hoofdje van het kind? Mag je avondmaal vieren in een lopende viering of in een kring in plaats van aan tafel? Mag je uit een andere vertaling lezen dan de Statenvertaling of NBG ’51? Is interactie in de kerkdienst of de preek toegestaan? Moet in elke morgendienst de wet gelezen en in elke middagdienst de Catechismus behandeld worden? Mag de ouderling de zegen opleggen? Mogen gemeenteleden het gebed uitspreken tijdens de kerkdienst?

Maar het ging ook over andere zaken, als je kijkt naar de vormgeving van het kerkelijk leven. Een of twee ouderlingen op het huisbezoek? Moet elk adres jaarlijks huisbezoek krijgen? Mag je het pastoraal en diaconaal omzien toevertrouwen aan de miniwijk? Welke taken mogen vrouwen vervullen in de gemeente? Zijn ze stemgerechtigd? Mogen ze ambtsdrager worden? Of mogen ze alleen onder toezicht van de man hulpdiensten verrichten als pastoraal of diaconaal werker?

Heel wat kerkenraden en synodes hebben hun kostbare tijd gevuld met het behandelen van zulk soort vragen, officieel aan de orde gesteld of naar aanleiding van brieven van gemeenteleden. De bezinning op deze vragen kwam op, omdat de tijd of de context van ons kerk-zijn nadrukkelijk veranderde. Het grote verschil is dat we nu abrupt door een externe maatregel stil worden gezet bij deze vragen, terwijl de afgelopen decennia de vragen geleidelijk op de agenda kwamen.

Ik vind het belangrijk om bij de beantwoording van de vragen over de vormgeving van ons kerk-zijn helder te krijgen wat het probleem is en in welke mate het een probleem is. En dan gaat het met name over de twee elementen die in de discussies iedere keer weer een belangrijke rol spelen, namelijk de gewoonte en de visie op het ambt.

Gaat het over echt principiële en wezenlijk zaken, of is er sprake van een vorm-probleem? Als je kijkt naar de discussies die de afgelopen decennia over de vormgeving van de kerkdienst gevoerd zijn, dat blijkt dat wat veelal als principieel werd geladen uiteindelijk slechts een kwestie was van vorm, gewoonte en andere smaak. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat dat ook nu weer het geval is.

Het tweede element ligt ingewikkelder, omdat het ambt per definitie een principieel karakter heeft. Maar net als bij de gewoonte wordt de manier waarop de visie op het ambt in de discussie een rol speelt nauwelijks geëxpliciteerd. Men gaat uit van een impliciet ambtsbegrip en concludeert op basis daarvan dat de huidige vorm van doen van de ambtsdrager of van het kerk-zijn de norm is, van waaruit de oplossingen gevonden moeten worden.

Ik denk dat het niet zonder betekenis is dat het juist de missiologen zijn, die ons vandaag oproepen ons niet op de traditionele en culturele vormgeving van de norm blind te staren.[i] Zij hebben door schade en schande geleerd om onderscheid te maken tussen wat wezenlijk en wat vorm is. Dat het gereformeerd-zijn niet afhangt of er in het oerwoud de psalmen op Geneefse melodieën gezongen en de preken in een betoog van 1 thema en 3 punten vorm gegeven worden.

In plaats van een gemakkelijk principieel beroep te doen op gewoonte en de status quo in de vormgeving van kerk en ambt, vind ik dat we de vraag moeten blijven stellen wat daarin wezenlijk is of niet. De bijbelse norm is voor ons beslissend, maar die norm kun je niet één op één gelijk stellen aan de norm zoals die in de loop der tijd contextueel vorm is gegeven. Wanneer de omstandigheden rond de corona-epidemie ons dwingen om ons te focussen op de veranderende context van ons kerk-zijn vandaag èn ons (opnieuw) leert te onderscheiden tussen de vormgeving en de norm, dan lijkt mij dat vruchtbaar voor ons toekomstig kerkelijk leven en onverwachte winst.


[i] Zie o.a. het ingezonden van de missioloog Kees Haak in het Nederlands Dagblad van 8 mei 2020 onder de titel ‘Altijd dopen, zonder poeha’, dat eindigt met de oproep: “Laat daarom corona bij de vele nadelen die het virus heeft, toch dit ene voordeel krijgen: dat het klerikale denken met al zijn poeha aan linten en toga’s definitief bij de kliko gezet kan worden. Een ongedacht kerkelijk bevrijdingsfeest.” Verder denk ik aan de hartenkreet van de zendeling Gerrit Riemer op Twitter op 9 mei 2020: “Zelden zo’n onnozele ‘theologische’ discussie zien langskomen als die over de bediening in coronatijd van doop en avondmaal in @ndnl. #Corona legt meer bloot dan ons lief is. Doopschelpen, lange lepels, stucadoorsstang, super soakers – zijn we gek aan het worden?

Dietrich Bonhoeffer

(Fragmenten uit een dooppreek gehouden in de Veertigdagentijd.)

Wanneer Jezus op Palmpasen Jeruzalem binnen is gegaan, in het besef dat nu het lijden op hem afkomt, roept hij in Johannes 12 zijn leerlingen op hem daarin te volgen.  

Wij moeten bereid zijn om net als hij ons leven op te geven, door als een graankorrel in de aarde te vallen en te sterven en zò vrucht voort te brengen. Wanneer wij er niet op gericht zijn ons leven te behouden, zullen wij het eeuwige leven ontvangen.

Dietrich Bonhoeffer is een theoloog die veel heeft nagedacht over dat volgen van Jezus. Vandaag is het 75 jaar geleden, dat hij op 39-jarige leeftijd in het concentratiekamp Flossenburg door de nazi’s vanwege hoogverraad werd opgehangen. Daaraan voorafgaand bracht hij 2 jaar in een Berlijnse gevangenis door.  

In zijn gevangenistijd schreef hij in veel brieven over wat het betekent christen te zijn in een wereld waarin het kwaad oppermachtig is, zoals toen in Duitsland onder de regime van Hitler.

Wanneer in 1933 Hitler aan de macht komt, dreigen ook de kerken door het nationaal-socialisme te worden ingekapseld. Bonhoeffer is een van de leiders van de ‘Bekennende Kirche’, die grotendeels ondergronds de strijd aanbindt.

In 1935 wordt hij rector van een seminarie, waar jonge theologen een opleiding krijgen en gevormd worden om tegenwicht te bieden tegen de invloed van het nationaal-socialisme. Ook al weten ze dat ze risico lopen geen aanstelling in de kerk te zullen krijgen. In deze periode schrijft Bonhoeffer één van zijn beroemdste boeken ‘Navolging’ en werkt hij aan een ethiek.

Vanaf 1940 draagt hij onder het mom van contra-spionage bij aan het verzet en bereidt hij samen met anderen uiteindelijk een aanslag voor op het leven van Hitler. In maart 1943 wordt hij gevangen genomen en op 9 april 1945 op bevel van Hitler zelf ter dood veroordeeld.

Jezus volgen betekende voor Bonhoeffer geen compromissen sluiten met het nationaal-socialisme. Het betekende in verzet gaan, met de kans om zijn leven daardoor te verliezen. Daarin was hij een voorbeeld en inspiratiebron voor anderen.

Vlak voordat hij de galg opstapt, knielt hij neer en zijn stil gebed is zo aangrijpend, dat iedereen die dat zag, zelfs zijn beulen, ervan onder de indruk waren. Zijn laatste woorden zijn: ‘Dat is het einde – voor mij het begin van het leven’.

De oorlogstijd waarin Bonhoeffer leefde is een andere als vandaag en toch zijn er veel overeenkomsten.

Bonhoeffer peilde als geen ander hoe sterk de secularisatie en het leven zonder God de samenleving beïnvloedde. Hij zag hoe mensen, – tot zelfs in de kerk toe -, betoverd en ingepakt werden door de filosofie van het nationaal-socialisme.

Hij merkte dat het onderscheidingsvermogen om te bepalen wat goed en wat kwaad is, in grote mate aangetast werd. Dat mensen een willoos instrument waren, in staat tot alle kwaad, zonder dat zij het zelfs ook maar als kwaad onderkenden.

In mei 1944, wanneer hij al een jaar in de gevangenis zit, schrijft hij een doopbrief, gedachten bij de doop van het zoontje van zijn beste vriend en zijn oudste nichtje, van wie hij de peter is geworden en die naar hem vernoemd is. Daarin typeert hij het leven van de christen in onze tijd als het leven in ballingschap, een leven onder het oordeel van God.

Hij erkent dat de kerk in Duitsland onder het nationaal-socialisme de basiswoorden van het christelijk geloof, zoals verzoening, verlossing, wedergeboorte en Heilige Geest, de liefde voor de vijand, kruis en opstanding, het leven in Christus en de navolging van Christus niet geloofwaardig heeft weten uit te leggen. Dat de kerk niet in staat is geweest het verlossende woord aan de wereld en aan de mensen te brengen. Dat die woorden hun kracht verloren hebben en langzaam verstomd zijn.

Wat nu voor de christenen overblijft zijn twee dingen: bidden en onder de mensen het goede doen. Wil je vandaag die kernwoorden van het christelijk geloof opnieuw stem geven, dan zal het moeten gaan vanuit een houding van gebed en van rechtvaardigheid betrachten.

Je kunt van de schets van onze tijd moedeloos worden, – onze samenleving leeft inderdaad zonder God -, als je Bonhoeffers woorden echter diep tot je door laat dringen, ontdek je daarin toch ook hoop en vertrouwen voor de toekomst. Niet omdat wij christenen zelf zo overtuigend zullen zijn, maar omdat hij vertrouwt op de beloften van God.  

Bonhoeffer baseert zijn hoop op de woorden van Jeremia, die het volk in ballingschap oproept om God te bidden om vrede voor de stad Babel en het goede voor die stad te zoeken. Door de dood in ballingschap heen, zal God zijn volk nieuw leven schenken. Hij zal  een keer brengen in het lot van zijn volk. En dan zullen de volken rondom beseffen dat het God is, die zegen op het leven zal schenken.

Navolging van Christus is meer dan geloof in hem alleen! Het vergt een blijvende vorming van je geloof. Het spreekt niet vanzelf dat je onderscheiden kunt tussen goed en kwaad. Dat je weet welke keuzes je in het leven moet maken. Dat moet je leren. Bonhoeffer verwijst naar Psalm 111: ‘Ontzag voor de HEER is het begin van de wijsheid, leven naar zijn onderricht getuigt van goed inzicht’.

Dat is de weg ook voor ons vandaag. Elkaar helpen om in die sfeer van ontzag voor God te leven. God wil met zijn Geest in ons wonen en ons leiden en dat doet hij doordat wij ons zijn woord eigen maken.Via zijn woord, dat wij in de bijbel opgetekend vinden, gaat hij met ons mee.

Als wij de bijbel dichtlaten en het ons niet meer lukt om ons die woorden ons eigen te maken, dan hoef je niet vreemd op te kijken, wanneer het ook niet meer lukt om de kernwoorden van het christelijk geloof in ons leven tot klinken te brengen. Dat is het begin van de secularisatie in ons eigen leven.

Datzelfde geldt ook voor het gebed. Voor ons als christenen is het blijvende contact met God in het gebed levensnoodzakelijk om het geloof te voeden. Maar bidden en stil zijn voor God, dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt tijd, oefening en voorbeelden van inspiratie. 

Zo geloven betekent je leven uit handen geven. Niet voor jezelf iets bijzonders nastreven, maar de Geest in je leven laten werken, zodat in jouw leven de gestalte van Christus zichtbaar wordt. Dat je de houding van Christus, de manier waarop hij in het leven stond, je eigen maakt en zo er op gericht bent om in je daden en in je spreken de ander recht te doen.

Op Johannes 12 volgt Johannes 13, de geschiedenis van de voetwassing, waar Jezus zegt: ‘Ik heb een voorbeeld gegeven: wat ik voor jullie gedaan heb, moeten jullie ook doen.’

Jezus werd mens, zodat wij weer echt mens zouden worden. Wij moeten die nieuwe mens aantrekken, aan ons eigen ego afsterven, en net als Christus hier op aarde ons leven leiden: onder een open hemel, in het vertrouwen dat God zelf ons door Zijn Geest tot onze bestemming laat komen: als zijn kind voor Hem te leven en te spelen.

Door zo ons geloof te laten vormen, als uitwerking en verdieping van onze doop, zullen we in staat zijn om de basiswoorden van het geloof opnieuw te laten klinken.

Uit het verlies van ons leven, zal de winst van het leven met God geboren worden.

Een zwerverkoning op een ezel

Het evangelie van Palmpasen kan op verschillende manieren vertolkt worden.

Een van de lezingen voor Palmpasen is die van de intocht van Jezus in Jeruzalem op een ezel in Matteüs  21,1-9. In zijn weergave van deze geschiedenis verwijst de evangelist naar de profetie uit Zacharia 9:9: ‘Juich Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin’. Vanuit deze profetie heeft de theoloog Maarten Luther in de 16e eeuw eens een preek voor de 1e zondag van Advent geschreven: Jezus komt naar onze wereld als een zwerverkoning.

In de 21e eeuw heeft de troubadour David Olney op basis van het verhaal van de intocht ook een lied geschreven: ‘Hymn of Brays’.[1] Olney, die op 20 januari dit jaar op de leeftijd van 71 jaar aan een hartaanval overleed, stond bekend om de poetische stijl van zijn songs. Hij vertelt het verhaal vanuit het perspectief van de ezel.

Hymn of Brays

None is more proud than the stallion
None is more feared than the lion
None is more free than the eagle
But who is more blessed than I am?
 
I was never what you could call noble
Beauty and grace I lack
Only a poor beast of burden,
But once I bore a King upon my back.
 
Blessed am I of all creatures;
Blessed am I of all beasts:
I heard the cries of “Hosanna!”
Palm leaves were laid at my feet.
 
Tethered to a tree at the crossroads
When two men appeared at my side
They led me away to their Master,
And upon my back He did ride.
 
We entered the city in triumph,
Every man’s heart filled with joy;
I raised my ears at their shouting,
And added my own humble voice.
 
Before you would taunt me with your laughter
A favour of you I would ask
Remember the King that I once carried,
And let your mockery pass
 
Blessed am I of all creatures;
Blessed am I of all beasts
I heard the cries of “Hosanna!”
And palm leaves were laid at my feet.
 
None is more proud than the stallion,
None is more feared than the lion,
None is more free than the eagle,
But who is more blessed than I am?

Hier volgen enkele bewerkte fragmenten uit de preek van Luther, waarbij vooral de typologisch duiding van verschillende elementen uit het verhaal opvalt.[2]

God heeft al lang van tevoren door de profeet Zacharia laten verkondigen dat de Christus niet zou komen als een wereldlijke koning, in grote weelde en met een kostbare wapenuitrusting, maar als een arme bedelaar, zoals de geschiedenis van het evangelie van vandaag duidelijk maakt. Jezus komt publiek en op klaarlichte dag, als een bedelaar op een geleende ezel zonder zadel of andere uitrusting, terwijl zijn leerlingen hun kleding op de ezel leggen, zodat die arme koning zich daarmee kan behelpen.

Het is een heldere en ondubbelzinnige profetie. Wanneer Christus binnen zal rijden, zal hij niet als een wereldlijke koning hoog te paard komen met harnas, speer, zwaarden en schildknaap, wat allemaal verwijst naar aanzien en geweld. Hij zal komen in zachtmoedigheid, in armoede en in geringheid. Alsof de profeet ons waarschuwt: ‘Let goed op de ezel en besef dat degene die daarop komt, de wettige Messias is.’ Bewaar je er daarom voor om op een gouden kroon, fluwelen kleding en goudgestikte stoffen te azen en ook niet op een bewapende geleide te paard. Want Christus zal in kleinheid komen, met een oprecht en een zachtmoedig hart en verschijnen op een ezel. Dat is al zijn pracht en heerlijkheid, die hij bij het binnenrijden in Jeruzalem voor het oog van de wereld zal dragen.

Christus is een armoedige koning, die totaal niet het uiterlijk van een koning heeft. Daarom moet men hem niet beoordelen op de heerlijkheid die de wereldlijke koningen en vorsten dragen. Hij is een arme zwerverkoning met een andere autoriteit, want hij heet Justus en Salvator. Hij is een Rechtvaardige en een Heiland, die gerechtigheid en verlossing met zich meebrengt. Die de zonde en de dood zal aanvallen en hun vijand zal zijn. Hij zal verlossen, wie in hem gelooft en hem als zijn koning aanvaardt en zich niet laten ergeren door een arme, geleende ezel. Hij zal de dood de tanden uit breken, van de duivel de buik uiteen scheuren en zo ons die in hem geloven, van de zonde en de dood bevrijden en onder de engelen leiden, waar het eeuwige leven en de verlossing is.

Die andere koningen laat hij hun pracht, kastelen, huizen, geld en goed, hij laat hen hun heerlijker eten, drinken, kleden en gebouwen.  Maar zij kunnen niet, wat deze arme zwerverkoning Christus kan. Er is geen keizer, koning of paus, met al hun macht, die zou kunnen verlossen van de kleinste zonde en met hun geld en goed de geringste ziekte kan genezen. Laat staan, dat zij tegen de eeuwige dood en de hel zouden helpen. De zwerverkoning Christus helpt niet alleen tegen één zonde, maar tegen al mijn zonde; en niet alleen tegen mìjn zonde, maar tegen die van de hele wereld. Hij komt en wil niet alleen de ziekte wegnemen, maar ook de dood, en niet alleen mìjn dood, maar die van de hele wereld.

Erger je daarom niet aan zulke geringheid en armoede, zoals de priesters en schriftgeleerden doen. Want het is jou tot voordeel en het biedt jou het leven. Dank Christus ervoor en troost jezelf, want het gebeurt allemaal ter wille van jou en jou ten goede.

Volg het voorbeeld van de apostelen en die anderen om met de Heer Christus Jeruzalem binnen te lopen. Want Christus is een koning, die ook een rijk en een volk moet hebben, dat hem op een juiste en passende wijze zal dienen. Hoe die dienst er uit moet zien, duidt deze geschiedenis ook mooi aan. Want hier vind je mensen, die de Heer Christus als een koning erkennen en niet bang zijn naast de geringe ezel en de arme Koning te lopen.

Onder dezen zijn de apostelen de eersten, die de Heer Christus als de ware Messias erkennen. Daarom brengen zij de Christus de ezel, dat wil zeggen: zij richten de Joden die tot nu toe onder de wet leefden en die last als een ezel gedragen hebben, op Christus. Daarna leiden zij met de ezel ook dat jonge veulen naar Christus, de heidenen, die nog niet getemd en nog niet onder een wet geweest waren. Want Christus is een Heiland voor alle mensen. Daarom moeten alle predikers en leraren de mensen naar Christus leiden en brengen.

Vervolgens zal men voor de Heer Christus op de ezel het ‘Hosanna’ aanheffen. Dat wil zeggen, dat nadat men hem als Heiland erkend en aanvaard heeft, dat men hem ook voor zijn rijk heil en geluk wenst en alles doet, wat tot de uitbreiding en de bevordering van zijn rijk zal dienen. Hosanna betekent zoveel als: ‘Heer, help, Heer, geef geluk aan de Zoon van David’, net zoals wij in het Onze Vader bidden: ‘Laat uw rijk bij ons komen.’ Want de duivel en zijn verwanten zullen het niet onbeproefd laten om dit rijk te hinderen en het woord òf uit te roeien dan wel te vervalsen. Daarom is nodig God te bidden, dat hij de wil van de duivel zal breken en terugdrijven.

Het derde is dat men niet alleen moet bidden, maar ook zijn kleren uit moet trekken en voor de Heer Christus op de weg spreiden, zodat hij toch een beetje een heerlijke en feestelijke intocht zal hebben. Dat gebeurt wanneer wij het predikambt naar ons vermogen bevorderen en met geld en goederen helpen dat om passende, geleerde en vrome mensen op te leiden, die de kerken met het woord en hun goede wandel voorgaan. Kortom, waar men geld en goederen inzet, zodat de kerken ambten instellen en de mensen met goede voorgangers verzorgd worden, daar spreidt men voor de Heer Christus de kleren uit, zodat hij des te heerlijker binnen kan rijden.

Zo moet men deze koning dienen. Hij is een koning en daarom moet hij een hofhouding hebben die hem ter beschikking staat en hem dient. Hij is ook zo’n koning die ons van zijn kant dienen wil. Niet met geld en goederen, wat maar een zeer kleine dienst zou zijn, maar met de gerechtigheid tegen de zonde en met hulp tegen de dood en de eeuwige verdoemenis.

Ieder die hem aanvaardt en belijdt en zijn geringe middelen ten behoeve van zijn eer aangewend heeft, zal door hem eeuwige gerechtigheid en eeuwig leven ontvangen. Moge onze geliefde Heer en Heiland Jezus Christus dat ons allen vergunnen. Amen.


[1] Met dank aan mijn zwager Jan Lok, die ons dit lied vanmorgen appte.

[2] https://archive.org/details/werkekritischege52luthuoft/page/10/mode/2up

Openbaarheid

In mijn vorige blog ‘Nieuwsanalyse’ [i] ging ik in op de analyse die het Nederlands Dagblad op 29 februari 2020 plaatste over het gedrag en beleid van de GKv-synode inzake de behandeling van de revisieverzoeken rond de vrouw in het ambt.

Het ND reageerde in deze nieuwsanalyse op een interview dat de krant op 28 februari 2020 had met Dick Slump en Pieter Pel als woordvoerders van de 8 kerken die tegenstanders zijn van vrouwelijke ambtsdragers. In haar analyse nam het ND de kritiek van Slump en Pel over, dat de synode ten onrechte in dit dossier ook in beslotenheid vergaderd had. Het ND was van mening dat beslotenheid in het kader van veiligheid van synodeleden acceptabel kan zijn, maar dat dit niet aan de orde is en dat nu openheid noodzakelijk is om gemeenteleden in het proces van de besluitvorming mee te kunnen krijgen.

In de spin-off van de discussie op Twitter over deze Nieuwsanalyse ontspon zich een draadje dat licht werpt op de regels, die voor de synode gelden om keuzes te maken om in openbaarheid danwel beslotenheid te vergaderen.[ii]


De volgende artikelen uit de Huishoudelijk Regeling voor de Generale Synode ingevolge artikel E62.3 KO zijn van toepassing:

-      Artikel 6.  Niet besluitvormende vergaderingen

1. De synode kan bijeenkomen in een overlegvergadering, die niet
op besluitvorming is gericht. Het moderamen kan dergelijke 
vergaderingen onder andere uitschrijven:
a. wanneer dat wenselijk is voor een goede voorbereiding van de 
behandeling van het desbetreffende onderwerp;
b. met het oog op de goede contactoefening met zusterkerken in 
binnen- of buitenland.
2. Het verslag van een overlegvergadering wordt zo gesteld, dat 
het kan dienen ter ondersteuning van de plenaire behandeling van het 
onderwerp

-     Artikel 7. Orde van de vergaderingen

3. De beoordeling van personen zal altijd in besloten zitting 
plaatsvinden. Over andere onderwerpen wordt niet in besloten 
zitting vergaderd, tenzij daar een dringende noodzaak voor aanwezig 
wordt geacht.
6. Het moderamen draagt zorg voor een adequate informatieverschaffing
over de besluiten die in een besloten zitting zijn genomen.

Blijkens het interview met Slump en Pel doen zij een beroep op art. 7, lid 3: ‘De synode is in principe openbaar. Ze mag achter gesloten deuren vergaderen als het over personen gaat, of als er een dringende reden voor is. Er waren twee besloten dagen over vrouwelijke ambtsdragers. Ik zie hier geen reden voor, en de synode heeft dat ook niet toegelicht. Integendeel, toen ik daarop wees zei de synode dat ze die reden niet openbaar hoeft te maken. Dat is een machtswoord. Het gaat over een onderwerp dat alle kerken beroert. Daar passen geen achterkamertjes bij.’ Bovendien past het niet bij de regels van de kerk, zegt hij. ‘Openbaarheid is gezond en goed voor de transparantie. Om diezelfde reden zijn de rechtspraak en Tweede Kamer openbaar.’

Als voorbereiding op de publieke behandeling van de revisieverzoeken m/v op donderdag 23 en vrijdag 24 januari 2020 is er één voorbereidende synodevergadering conform Art. 6, lid 1a geweest die niet openbaar was.

Van deze mogelijkheid is op eerdere synodes die zich over ‘m/v en ambt’ gebogen hebben, zoals die van 2014 en 2017, – zoals Slump die in 2014 deputaat was had kunnen weten – , ook gebruik gemaakt.

In het licht van Art. 6, lid 2 en Art. 7, lid 6 lijkt mij de bewering van het Nederlands Dagblad over de beslotenheid van een dergelijke voorbereidende vergadering: ‘Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan’, ten onrechte insinuerend en niet gepast.


[i] https://fpathuis.wordpress.com/2020/02/29/nieuwsanalyse/

[ii] Met dank aan Hans Bügel en Rob Vreugdenhil (Scriba I van de GS Meppel 2020) die de betreffende regelgeving naar voren brachten.