Herman Bavinck – orthodox christen in een moderne samenleving [1]

Donderdag 29 juli 2021 is het 100 jaar geleden dat de gereformeerde theoloog Herman Bavinck op 66-jarige leeftijd overleed. Samen met Abraham Kuyper stond hij aan de wieg van wat wij vandaag het neocalvinisme noemen, de update van de gereformeerde theologie aan het begin van de 20e eeuw. Maar als we stil staan bij de betekenis van Bavinck’s werk voor de 21e eeuw, dan ligt die vooral in de wijze waarop hij een bijdrage heeft geleverd aan de door het neocalvinisme geïnspireerde christelijke wereld- en levensbeschouwing.[2]

De Schotse theoloog James Eglinton publiceerde vorig jaar een nieuwe biografie van Bavinck. Hij maakt duidelijk dat het Bavinck’s levensmissie was om binnen de snel moderniserende cultuur een eigentijds gereformeerd geluid te laten horen. Eglinton schetst het leven van Herman Bavinck als die van ‘een moderne Europeaan, een orthodoxe calvinist en een man van de wetenschap.’[3]

Allereerst is Bavinck de dogmaticus, die met zijn nog steeds lezenswaardige 4-delige ‘Gereformeerde Dogmatiek’ (1895-1901) de gereformeerde theologie wetenschappelijk weer bij de tijd bracht. Hij zocht daarin nadrukkelijk het gesprek met de moderne theologie om haar terechte inzichten en vragen in zijn eigen denken te verwerken en te beantwoorden.

Vervolgens is Bavinck ook de man die zich vol ijver inzette om de gereformeerde beginselen maatschappelijk en politiek op een eigentijdse wijze vorm te geven. Hij besefte terdege dat het ongeloof sinds de 17e eeuw in de samenleving een gestage opmars was begonnen en zag het eind 19e eeuw hand over hand toenemen. Maar hij had een groot vertrouwen dat als God het wilde het gereformeerde geloof in de maatschappij en in de wetenschap een grote kracht zou kunnen ontwikkelen, vergelijkbaar met de invloed van het calvinisme in het 16e- en 17e-eeuwse West-Europa.[4]

Zelf zette Bavinck zich in het bestuur van het Gereformeerd Schoolverband vanaf 1890 op nationaal niveau onvermoeibaar in om het gereformeerd onderwijs te bevorderen.[5] Daarnaast droeg hij, met name in zijn professoraat aan de VU vanaf 1902, bij aan de ontwikkeling van een gereformeerde psychologie en pedagogiek.[6] Op politiek terrein bracht hij zijn visie vanaf 1911 publiek voor het voetlicht als lid van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal.

Het belangrijkste is dat Bavinck in heel zijn leven tot uitdrukking bracht dat een christen voor het aangezicht van God en tot eer van God leeft.[7] Daar trok hij de consequentie uit dat een christen zich niet van de wereld mocht afsluiten, maar de roeping had gekregen ‘om de wereld naar de beginselen van het Christendom te hervormen en te vernieuwen.’[8] Dat was ook zijn motivatie om te ijveren voor de eenwording van de gereformeerden in één kerkgemeenschap, zoals bij de Vereniging van 1892,[9] en om tegenover èn onafhankelijk van de liberale staat te werken aan een sterk maatschappelijk middenveld dat gedragen zou worden door bijbelse geïnspireerde overtuigingen en praktijken.[10]

Zo is Herman Bavinck een inspirerend voorbeeld hoe je als een orthodox christen kunt leven in een geseculariseerde (post)moderne tijd.


[1] Artikel website Gereformeerd Kerkblad d.d. 27 juli 2021, zie: http://www.gereformeerdkerkblad.nl.

[2] Zie o.a. H. Bavinck, Christelijke wereldbeschouwing, Kampen: J.H. Kok, 19132 en H. Bavinck, Wijsbegeerte der openbaring. Stone-Lezingen voor het jaar 1908, gehouden te Princeton N.J., Kampen: J.H. Kok, 1908.

[3] James Eglinton, Bavinck. A Critical Biography, Grand Rapids: Baker Academic, 2020, p. xxii.

[4] Zie: H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 3 (1896), p. 129–163.

[5] Zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen: J.H. Kok N.V., ‘Hoofdstuk XII. Pedagoog’, p. 243-247 en J. Exalto, ‘Herman Bavinck. De ziel overwint’, in: A. C. Flipse (ed.), Verder kijken. Honderdvijfendertig jaar Vrije Universiteit Amsterdam in de samenleving. Zesentwintig portretten, Amsterdam: VU University Press, 2016, p. 43-50.

[6] Zie o.a. H. Bavinck, Beginselen der psychologie, Kampen: J. H. Bos, 1897; H. Bavinck, Bijbelsche en religieuze psychologie, Kampen: J.H. Kok, 1920 en H. Bavinck, Paedagogische beginselen, Kampen: J. H. Kok, 1904.

[7] Voor zijn visie zie H. Bavinck, ‘De Eere Gods’, in: H. Bavinck, Kennis en leven. Opstellen en artikelen uit vroegere jaren, Kampen: J.H. Kok, 1922, p. 106-114, met een typerende samenvatting op p. 113: ‘Aan dat beginsel dankte de Gereformeerde Kerk, die meer dan andere Kerken daardoor haar leven, denken en streven liet beheerschen, haar kracht en grootheid. Voor die eere heeft zij opgeeischt niet slechts de Kerk, maar ook het huisgezin, den staat en de maatschappij; de kunst en de wetenschap, het rijke, volle leven in zijne gansche diepte en breedte. Daardoor heeft zij het beter dan andere begrepen, dat godsdienst niet maar is een stuk van het leven, dat alleen op den Sabbat in het huis des gebeds op zijn plaats was, maar dat godsdienst hèt leven was, dat heel het leven moest wezen één dienen, één prijzen, één verheerlijken Gods; dat die eere nergens moest uitgesloten en nergens mocht ingesloten worden, maar dat ze vrij en breed zich uitbreiden en alle ding aan zich dienstbaar maken moest. Opdat alwat adem had den Heere zou loven!’

[8]  H. Bavinck, ‘De navolging van Christus en het moderne leven’, in: H. Bavinck, Kennis en leven, p. 115-144, citaat op p. 131.

[9] Ook na 1892 bleef het zijn verlangen om zich te verenigen met ‘de duizenden in de Nederlandsche Hervormde Kerk die de Gereformeerde belijdenis van harte liefhebben’, zie H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, p. 145: ‘In elk geval mag de actie, die er van de Gereformeerde Kerken uitgaat, nimmer rusten, voordat alle zonen van hetzelfde huis ook weer in liefde en vrede samen wonen onder één dak.’

[10] Vgl. H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, p. 148v.

Reflecties op huwelijk en echtscheiding

Het zijn de scheidingsadvocaten die de sores van een echtscheiding juridisch in goede banen moeten leiden. Het opmerkelijke is dat zij constateren dat dit bij christenen veel vaker tot heftige vechtscheidingen leidt dan bij niet-christenen. Daarom besloten drie christelijke advocaten om een boek te schrijven, waarin zij christenen willen helpen om op een christelijke wijze te dealen met de gevolgen van een breuk in de huwelijksrelatie. Ook geven ze aan hoe omstanders, zoals familie, vrienden en de kerkgemeenschap, in zo’n verdrietige en pijnlijke situatie steun kunnen bieden.[1]

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 9 juli 2021]

Kan dat wel christelijk scheiden? De drie auteurs, Jan Willen van Dommelen, Maria de Jong-de Kruijf en Anje Slootweg, beantwoorden die vraag bevestigend als het gaat over de stijl van afscheid nemen. Want ook al kun je als echtgenoten niet meer gezamenlijk met elkaar verder, je blijft ouders van je kinderen, verbonden met je schoonouders en deel van het kerkgezin. In al die relaties is er de bijbelse boodschap om je naasten lief te hebben. Ook al ga je scheiden of ben je gescheiden dan geldt nog steeds dat je in de relatie met je ex-partner nederig, zachtmoedig, barmhartig, integer en vredelievend behoort te zijn.

Drie perspectieven

Het boek bestaat na een introductie uit drie delen. In elk deel wordt het thema vanuit een ander perspectief benaderd. In het eerste deel worden vanuit de bijbel en de geloofstraditie inzichten aangereikt over het huwelijk en liefdesrelaties, wat Gods bedoeling daarmee is, hoe ze tot stand komen en op een vruchtbare wijze beleefd kunnen worden, maar ook hoe gedacht is over de situatie dat het misgaat en het tot een echtscheiding komt.

In het tweede deel zijn acht ervaringsverhalen opgenomen, waarin duidelijk wordt hoe het kan schuren en botsen in een huwelijk. Inzicht gevend is hoe verschillend de beleving van de partners zijn. De verhalen werken als een als spiegel, waarin je als lezer ziet hoe relatieproblemen zich kunnen ontwikkelen. Daarnaast wordt er bij elk verhaal een kort commentaar geboden over de achtergrond van de relatieproblemen, waarbij soms ook de invloed van de omgeving en kerk genoemd wordt.

Tenslotte komt in het derde deel de visie van de hulpverleners aan bod: de gezinsbegeleider vanuit de jeugdzorg, een relatietherapeut die zelf de ervaring van het gescheiden-zijn in haar werk meeneemt, een scheidingsmediator die helpt bij de financiële en juridische afhandeling van een scheiding, en de pastor die pastoraat verleent zowel bij huwelijksproblemen als wanneer het tot een scheiding komt of is gekomen.

Emoties

Bij huwelijksproblemen en echtscheiding lopen de emoties vaak hoog op. Omstanders moeten daarom geen olie op het vuur gooien, maar zoveel mogelijk proberen de situatie te de-escaleren. De auteurs pleiten ervoor in de pastorale begeleiding zonder oordeel te luisteren en de realiteit van de gebrokenheid te erkennen. Vragen van zonde en schuld zijn veelal belemmerend om in het proces de juiste keuzes te maken, te weten: een scheiding niet uit te stellen wanneer die nodig is, maar ook die niet onnodig door te zetten.

De realiteit erkennen betekent oog hebben voor de interactiepatronen tussen de partners en de invloed daarvan op hoe ze met elkaar omgaan, en of ze wel of niet meer met elkaar verder kunnen. De auteurs geven enkele modellen weer, die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals b.v. dat van de door Sue Johnson ontwikkelde Emotionally Focused Therapy (EFT).

Verzoening

De auteurs schrijven dat de tucht vaak veel brokken heeft gemaakt. Ze achten het niet de belangrijkste taak van de kerk om een oordeel te vellen of iemand schuldloos gescheiden is of niet, maar om de partners pastoraal te blijven begeleiden. Het doel daarvan is om het gesprek over genade te voeren en te komen tot verzoening van de ex-partners met elkaar, met hun kinderen, met God en met zichzelf, ook als het herstel van het huwelijk onmogelijk is.

Het waardevolle van dit boek is dat het niet alleen inzichten biedt over processen rond huwelijkscrises en scheiding, maar dat het ook een kritische spiegel is voor hoe wij als kerkgemeenschap willen omgaan met huwelijk, echtscheiding en hertrouwen.[2]


[1] N.a.v. Jan Willen van Dommelen, Maria de Jong-de Kruijf en Anje Slootweg, Spiegelzalen. Reflecties op huwelijk en scheiding, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2021, 160 pagina’s. Prijs: €16,99.

[2] Op de website van https://www.weetwatjegelooft.nl/les/christelijkscheiden/ is een informatieve online seminar naar aanleiding van dit boek te vinden.

Opstandingskracht

Overdenking in de lunchpauzedienst in de Plantagekerk Zwolle op 2 juli 2021 over Kolossenzen 2, 6-15 en 3, 1-4.

Thema: Richt je aandacht op Christus in de hemel

1.

Stel je eens voor hoe het is om in de gevangenis te zitten, niet vandaag, maar 20 eeuwen geleden: geen fatsoenlijk eten, nauwelijks kunnen slapen, een donker hol, geketend en geslagen, en overal uitwerpselen en  schimmels aan de muur, en de dreiging van de dood. Je weet niet of èn hoelang het duurt, dat je weer op vrije voeten zult komen. Maar dan komen er vrienden langs, die wat eten brengen, die je proberen op te beuren, vrienden aan wie je ook een boodschap mee kunt geven. Wat zou je dan kwijt willen, wat moeten ze overbrengen aan je familie en vrienden buiten de gevangenis?

Dat is de situatie waar Paulus zich in bevindt. Hij zit gevangen en geeft Timoteüs en Epafras instructies om namens hem een brief te schrijven en die bij kerken in de buurt rond te brengen. Zo zijn enkele brieven ontstaan, die wij vandaag in het Nieuwe Testament kennen als de brieven aan de Filippenzen, die aan Filemon en aan de Kolossenzen, en waarschijnlijk die aan de Efeziërs.

Zo lezen wij vanmiddag een gedeelte uit de brief aan de Kolossenzen, een gemeente die nog niet lang geleden ontstaan is, toen zijn medewerker Epafras in Kolosse de geschiedenis van Jezus Christus kwam vertellen. De bedoeling van Paulus met deze brief is vooral om de christenen daar te bemoedigen. Dat, –  nu ze zijn gaan geloven en hun vertrouwen op God en op Jezus hebben gesteld -, ze zullen groeien in dat geloof en zich niet van de wijs zullen laten brengen door inzichten van andere wijsheidleraars, die niet stroken met het evangelie zoals Epafras dat aan hen verkondigd heeft.

2.

Het belangrijkste wat Paulus zegt, is: wanneer je bij Jezus als de Messias en jouw Redder hoort, dan heb je al alles wat je nodig hebt om vandaag in verbinding met God te leven, dan heb je deel aan de volheid van God. Daar hoeft niets meer bij, geen andere rituelen, niet allerlei geboden en verboden, en ook niet het houden van vasten- of andere belangrijke dagen. Nee, het enige wat je moet doen is de band met Christus te onderhouden, daarin te groeien, en alles van Hem te verwachten.

Je hoeft je niet te laten besnijden, zoals bij de Joden het gebruik is, als je bij God wilt horen. Je hoeft ook je niet te houden aan allerlei regels over wat je wel of niet mag eten, omdat bepaald voedsel onrein en ander rein is. Je hoeft ook niet te streven naar visioenen, verering van engelen of hemellichamen of naar allerlei vormen van mystiek. Als je met Christus verbonden bent, is het belangrijkste om die band met Hem vast te houden.

Vandaar dat Paulus onze Schriftlezing ook begint met: ‘Nu jullie Jezus Christus als Heer hebben aangenomen, moeten jullie ook in Hem leven. Net zoals een boom met zijn wortels stevig in de grond staat, zo moeten jullie stevig in Hem geworteld staan. Dan zullen in Hem opgebouwd worden. En jullie zullen stevig blijven staan in het geloof, dat we jullie geleerd hebben.’

3.

Je kunt het niet zomaar aan de buitenkant zien, dat christenen met Christus verbonden zijn. Maar toch is er dat lijntje met hen, zegt Paulus. Een lijntje dat geslagen werd toen de Kolossenzen gedoopt zijn. Toen werd de verbinding gelegd. Toen werden ze als het ware in Christus ingeplant, ingelijfd, zoals je ook een ent kunt inplanten in een boom of wijnstok. Paulus zegt het ook: ‘Jullie leven ligt met Christus verborgen in God.’  

Maar net zoals anderen dat lijntje dat een christen met Christus verbindt, niet kunnen zien, is het ook voor een christen zelf niet altijd duidelijk, of hij of zij wel echt met Christus verbonden is. Het kan zomaar gebeuren dat je je dat gevoel van vroeger kwijt geraakt bent, en dat het geloof je niet zoveel meer zegt en niet meer bij je binnen komt.

Wat dan belangrijk is om te doen, is dat je je aandacht niet richt op je innerlijk of op je gevoel, maar op Christus zelf. Of zoals Paulus dat zegt, dat je je aandacht richt op wat boven is. Want toen je door de doop met Christus verbonden werd, ging je met hem kopje onder in de dood, en werd je met hem begraven, maar je kreeg ook een nieuw leven, omdat je met hem werd opgewekt. En nu Christus in de hemel is, aan de rechterhand van God, leef je door Hem in Gods levenssfeer, zijn Koninkrijk.

Daarom moet je naar boven kijken en al je aandacht op Christus richten. Bidden en vragen, of je nu ook zijn kracht mag leren kennen, de kracht van zijn liefde in jouw leven, en of hij jouw geloof en jouw hoop door zijn heilige Geest wil vernieuwen en versterken. Zoals het volk Israël in het Oude Testament met Psalm 121 naar de bergen keek, en zo omhoog keek naar God om hulp en steun in het leven van alledag, zo roept Paulus ons op om ons hart, ons denken, onze aandacht te richten op Christus, die in de hemel is.

4.

Als we dan naar boven kijken, dan doen we iets wat Paulus ons zelf heeft voorgedaan. Ik moet denken aan die andere brief, die Paulus tegelijk vanuit de gevangenis aan de gemeente te Filippi liet schrijven. Daarin gebruikt hij dezelfde taal, als hij zegt: ‘Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk wil worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan,’ (Fil. 3:10).

Een heel bijzondere uitspraak is dat van Paulus. Ook al voelt hij het soms ook niet, maar omdat hij gedoopt is en christen is geworden, wil hij ervaren wat Christus overkomen is. Sinds zijn bekering is Christus voor hem alles. Christus is zijn leven. Door Christus heeft zijn leven zin en betekenis gekregen.

En nu hij in de gevangenis zit en lijden ondergaat, ziet hij daarin een bevestiging dat er dat lijntje met Christus is, hij deelt in het lijden van Christus. Daarom verliest hij ook de moed niet, want hij is vol hoop dat zijn leven en werk er aan bij zal dragen, dat ook anderen Christus zullen leren kennen. In de kracht die hij in de gevangenis krijgt, ervaart hij de liefde van Christus. In de bemoediging van de medewerkers, die hem opzoeken, en in de betrokkenheid van de christenen uit Filippi en Kolosse.

Zo wil Christus ook ons vandaag via deze woorden bemoedigen. Kijk hoe zijn liefde en zijn kracht in het verleden werkzaam was, in Paulus zelf, en in de gemeenten waar Paulus zijn brieven aan schrijft.

Koester daarom vandaag dat lijntje, waardoor je met Christus verbonden bent. Verwacht zo ook vandaag alles van Christus. Strek je uit naar boven, zodat ook jij, en wij allemaal, die liefde en kracht van Christus’ opstanding in ons eigen vernieuwde leven zullen opmerken en zullen ervaren.


Liturgie: Psalmen voor Nu Psalm 121, Opwekking 834 en Liedboek Lied 905: 1, 3 en 4.

Zomerwende

Het was afgelopen maandag 21 juni, de langste dag en de dag van de ‘zomerwende’. In Scandinavië worden dan allerlei midzomerfeesten gevierd. Ook religieus gezien schijnt de zomerwende de eeuwen door uitbundig gevierd te zijn met midzomernachtvuren, omdat de zon en het licht de voortbrengers zijn van leven en vruchtbaarheid. Zo menen veel deskundigen dat bijvoorbeeld de neolithische mensen die Stonehenge bouwden zonaanbidders waren.

[Artikel op website van Gereformeerd Kerkblad d.d. 24 juni zie: http://www.gereformeerdkerkblad.nl]

Verering van de zon en de maan is al heel oud. In het oude Nabije Oosten stonden de godheden vaak in verband met de verschijnselen in de natuur en de kosmos. Zo vereerden de Babyloniers o.a. de maangod Sin en de zonnegod Sjamasj en de Egyptenaren de zonnegod Re. In de Arabische koninkrijken aanbad men onder verschillende namen goden van de maan en de morgenster en een zonnegodin. De Fenicische godin Astarte was van oorsprong een maangodin, terwijl Baäl gezien werd als de regengod.

De volken rondom Israël leefden in sterke verbondenheid met de natuur en vereerden daarom de natuurgoden. Bij de wisseling van de seizoenen vierde men feest en smeekte men de gunst van de goden af. Israël, het volk van YHWH, de HEER, heeft wel allerlei gebruiken overgenomen, maar mocht toch niet de seizoensfeesten vieren zoals de volken rondom. De ‘natuurfeesten’ worden in het Oude Testament de ‘historische feesten’ van Pasen, Pinksteren en van Loofhutten.

In Israël gebruikte men een kalender die bepaald werd door de schijngestalten van de maan. Elke maand begon bij het eerste zichtbaar worden van de maansikkel van het ‘eerste kwartier’. Om die reden werden waarschijnlijk ook de nieuwemaansdagen gevierd en niet omdat op deze dagen de maan werd vereerd. Toch is het niet vreemd om te veronderstellen, dat op dezelfde wijze als de Astarte- en Baalverering in Israël plaatsvond, ook het feest van de nieuwe maan aanleiding heeft gegeven tot vermenging met de Kanaänitische godsdienst. De profeten hebben meermaals kritiek geleverd op de viering van deze dagen. De legitieme viering van de nieuwemaansdag was die van een feestdag, waarop men rustte, net zoals op de sabbat.

De belangrijkste nieuwemaansdag was die van de 7e maand, omdat dan het Nieuwjaarsfeest gevierd werd. Op deze dag wordt de sjofar, de bazuin, geblazen. Dit is de opmaat naar de viering van de Grote Verzoendag op de 10e dag van de 7e maand. Zo mogen we de nieuwemaansdagen zien als een teken van Gods trouw. God laat onze wereld niet over aan het kwaad, maar zorgt zelf ervoor dat er een toekomst is voor zijn schepping. De wending der seizoenen gebruikt hij als middel om die toekomst te realiseren.

Schoonmaakwerk betekenisvol? Ja zeker!

Het is nooit mijn droom geweest om in de schoonmaak te werken. Maar het bleek een goede zet, toen ik een half jaar geleden besloot te solliciteren als huishoudelijke hulp via de thuiszorg. Ik ervaar nu zelf dat ongeschoold werk ook echt betekenisvol kan zijn. In mijn geval misschien juist wel ter voorbereiding op het predikantswerk waarvoor ik geschoold ben. 

[Artikel op website van Gereformeerd Kerkblad d.d. 14 juni door Anne-Maaike Pathuis, zie: http://www.gereformeerdkerkblad.nl]

Huishoudelijk werk is allereerst betekenisvol, omdat je heel veel verschillende mensen ontmoet. De diversiteit is in bepaalde opzichten groter dan in de gemiddelde kerkelijke gemeente. Ik werk bij een jong gezin maar ook bij mensen die ver in de tachtig zijn; ik werk bij mensen met allerlei religieuze (moslim-, rooms-katholieke, evangelische, en seculiere) achtergronden; ik werk bij mensen die ooit een goede baan hadden en bij mensen die alleen de lagere school hebben afgerond. Iedereen heeft dus zijn eigen verhaal. Sommige mensen vinden het vooral gemakkelijk om huishoudelijke hulp te krijgen, anderen vinden het lastig om het werk uit handen te geven. Doordat ik de meeste mensen elke week spreek, krijg ik de kans om met heel diverse mensen een (werk)relatie op te bouwen.

Huishoudelijk werk is ook betekenisvol, omdat je in gesprek komt met de mensen bij wie je komt. Schoonmaakbezoeken zijn soms bijna pastorale bezoeken. Je bouwt echt wat op – bij de één uiteraard meer dan bij de ander. Ik leef mee met cliënten als ze na een ziekenhuisopname proberen aan te sterken, als ze herinneringen ophalen aan overleden familieleden, als ze even niet meer weten waar ze de energie vandaan moeten halen om de dag door te komen. Maar ik ben ook blij met cliënten als ze (eindelijk!) een uitnodiging krijgen om zich te laten vaccineren, geslaagd zijn voor hun inburgeringsexamen of gewoonweg lieve kaarten of foto’s hebben gekregen van vrienden of kleinkinderen. En met sommige cliënten deel ik ook wat over mijn zoektocht naar werk in de kerk of over de preek waar ik mee bezig ben.

Huishoudelijk werk is tot slot betekenisvol, omdat je een verschil kunt maken voor de cliënten – en andersom zij ook voor mij. In het begin vond ik het best spannend om naar nieuwe cliënten toe te gaan. Maar ik besefte al snel dat cliënten mij ook een bepaald vertrouwen moeten geven om mij in hun huis te laten werken. Mensen verontschuldigen zich soms voor rommel of hebben alvast een erg vieze wc schoongemaakt – iedereen heeft zo zijn trots. Dat mij het vertrouwen gegund wordt om schoon te maken, geeft mij de kans om verschil te maken. Een schoon huis geeft mensen immers ruimte in hun hoofd en hun leven.

Toegegeven: schoonmaakwerk is geen vetpot, en ik ben dan ook blij dat er voor mij geen financiële noodzaak is om dit (lichamelijk best zware!) werk 36 uur in de week te doen. Dat besef zorgt dat ik nog meer respect heb gekregen voor mensen die hun hele leven ongeschoold werk moeten doen, tegen een vaak lage beloning. Ik neem me dan ook voor om mensen die ongeschoold werk doen te laten merken dat hun werk voor mij echt van waarde is – door ze vriendelijk te groeten en te bedanken voor het werk dat ze voor mij of de samenleving doen. Zoals ook ik steeds vriendelijk ben verzorgd (met thee, koekjes én soms avondeten) en bedankt word door alle mensen bij wie ik aan het werk ben.

Het dooplid en de Avondmaalsviering

Coronatijd schudt het kerkelijk leven behoorlijk op en blijft aanzetten tot bezinning. Waarom doen we de dingen zoals we die altijd hebben gedaan? Wat is belangrijk en wat is franje? Wat is traditie en wat is essentieel? Zo kwam in deze tijd opnieuw de vraag op tafel, waarom kinderen wel of niet mogen delen in het brood en de alcoholvrije wijn, wanneer wij in de huiskamers als gemeente digitaal verbonden het Heilig Avondmaal vieren.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 11 juni 2021]

Het gesprek of doopleden ook aan de viering van het Avondmaal mogen meedoen vindt binnen de GKv al langere tijd plaats. Met de vorming van de verenigde kerk van de GKv en de NGK werd het ook een kerkordelijk thema, omdat de mogelijkheid er binnen de NGK al is. Het voorstel van deputaten is in het nieuwe kerkverband ruimte voor kindercommunie te bieden, omdat het ‘bepaald geen ontheiliging van de tafel van de Heer is wanneer ook doopleden aanzitten en met hun eten en drinken zijn reddend offer verkondigen,’ maar dat de regel is dat avondmaalsviering om openbare geloofsbelijdenis vraagt.

Traditie

Een van de opvallende conclusies uit een onderzoek naar de geschiedenis van de kindercommunie is, dat het de praktijk is in de eerste 1000 jaar van de christelijke kerk. Pas na 1215, met het opkomen van de rooms-katholieke transsubstantiatieleer en daaraan gekoppeld het invoeren van de biecht voorafgaand aan de viering, verdwijnt de kindercommunie in vrij korte tijd. De Reformatie nam wel afstand van de transsubstantieer, maar bleef vasthouden aan de zelfbeproeving voorafgaande aan de viering van het Avondmaal. Die onderbouwde men met de vermaning in 1 Kor. 11:28-29 om zichzelf geen oordeel te eten en drinken, doordat men het lichaam niet onderscheidt.

De gereformeerde traditie om alleen belijdende leden tot de Avondmaalsviering toe te laten werd expliciet vastgelegd in de Dordtse kerkorde, terwijl ze in de belijdenisgeschriften verondersteld wordt, wanneer deze de zelfbeproeving voorafgaand aan de viering benadrukken en uitspreken dat het sacrament in geloof moet worden ontvangen.

Openbare geloofsbelijdenis

Wanneer geloof een voorwaarde voor deelname is, hoe stel je dan vast of er voldoende geloof is om het Avondmaal mee te kunnen vieren? Het logische antwoord daarop werd dat je in staat moet zijn om je geloof te belijden. Zo werd de openbare geloofsbelijdenis de toegang tot de Avondmaalstafel.

Calvijn vond dat kinderen op de leeftijd van 10 of 11 jaar de kinderleeftijd achter zich hadden gelaten en het oordeelkundig vermogen hadden om het geloof te belijden. Dit betekent dat de leeftijdsgroep die wij de jongeren noemen, het avondmaal mee kon vieren. In de loop der eeuwen werd aan de openbare geloofsbelijdenis een uitgebreider catechisatietraject verbonden en schoof de leeftijd vanwege niet-theologische factoren steeds verder op naar ca. 18 jaar, het begin van de jongvolwassenheid.  

Asymmetrie

Het punt waarop de gereformeerde visie vaak ondervraagd wordt, is dat van de asymmetrie in de sacramentsleer. Het lijkt vreemd dat kinderen, al kunnen ze nog niet geloven, wel de doop mogen ontvangen, maar de maaltijd niet mee mogen vieren, omdat ze nog niet bewust geloven. Terwijl beide sacramenten bedoeld zijn als de uitbeelding en versterking van het geloof, dat God dankzij het kruis van Jezus Christus onze Vader wil zijn en ons door Zijn Geest wil vervullen voor een gelovig leven met Hem.

Deputaten raken aan die vraag, wanneer ze opmerken dat het geloof een voorwaarde is voor het ontvangen van het sacrament, maar dat bij het avondmaal de eigen gelovige betrokkenheid van meer belang is dan bij de kinderdoop. Om de asymmetrie recht te trekken vragen sommigen zich dan af, of we wel kinderen moeten dopen, terwijl anderen voor kindercommunie pleiten, omdat kinderen als gedoopte leden deel uitmaken van het verbond.

Parallellie

Interessant is het perspectief dat prof. Kees de Ruijter in een opstel uit 2013 aandraagt als een motief voor de kindercommunie.[i] Hij wijst op een mogelijke parallellie tussen doop en Avondmaal. Als kind ontvang je de doop, maar belijd je nog niet het geloof. Daarom worden opgroeiende kinderen aangesproken op de belofte van God. Zo kunnen kinderen ook deelnemen aan het sacrament van het Avondmaal, ook al is er nog veel onduidelijk over hun geloofskennis, geloofskeus en geloofsleven. Dat zou juist een mooie prikkel kunnen zijn om hen aan te spreken op hun groei in Christus, waardoor de deelname aan de vieringen voor hen belangrijke momenten kunnen vormen in hun ontwikkelings- en leerproces om tot een bewuste geloofsbelijdenis te komen.



[i] Kees de Ruijter, ‘Sacrament voor kinderen’, in: Corpus Studiosorum in Academia Campensi “Fides Quadrat Intellectum”, Lustrumalmanak FQI 2013, Kampen, 2013, p. 155-165.

Dopen in de Levend Water Kerk

In de GKv in Almere, de Levend Water Kerk, bruist het – ondanks de coronacrisis en lockdown. Er komen de laatste tijd ‘ongekend veel’ doop- en lidmaatschapsverzoeken binnen, van mensen die tot voor kort nog niet betrokken waren bij de gemeente. De Levend Water Kerk is bezig met de zoektocht naar een nieuwe predikant, maar besloot om ter overbrugging een PRIO aan te stellen voor het voorgaan in de erediensten. Deze PRIO, Alexander Bosma, is door de kerkenraad gemachtigd om ook de sacramenten te bedienen.

[ Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 14 mei 2021 door Anne-Maaike Pathuis ]

De term PRIO staat voor ‘predikant in opleiding’, maar dit is een wat misleidende term. Binnen de GKv is een PRIO iemand die de opleiding tot predikant al heeft afgerond, maar ervoor kiest om nog meer praktijkervaring op te doen in de kerk alvorens zich beroepbaar te stellen als gemeentepredikant. Bosma was al als PRIO, met focus op de jeugd, verbonden aan de GKv Wezep, toen de GKv Almere hem benaderde om ook daar voor een half jaar als PRIO te komen werken. In Almere zocht men iemand die zich in de vacante periode wilde richten op het voorgaan in de erediensten. De gemeente ervoer het als een groot gemis, dat er in een tijd van digitale kerkdiensten geen vaste voorganger was, die de context van de gemeente enigszins kende. De context van een GKv in een stad als Almere verschilt immers behoorlijk van een GKv op de Veluwe.

Context

Waar in een Veluws dorp als Wezep de kerk een vanzelfsprekende aanwezigheid is, en iedereen elkaar kent en van elkaar weet of èn wat men gelooft, is dat in Almere heel anders. Almere is een stad, waar veel verschillende mensen uit diverse culturen bij elkaar wonen. Voor een deel mengen die culturen zich op de plekken waar mensen werken en naar school gaan. Ook vindt een ontmoeting tussen culturen plaats in bijvoorbeeld het asielzoekerscentrum. De gemeenteleden van de GKv in Almere verlangen ernaar om kerk te zijn voor de stad en zetten zich ervoor in om van waarde te zijn voor hun omgeving. Zo draait men bijvoorbeeld mee in de bijbelstudies, die elke donderdagavond in het azc worden gehouden. Recent is een nieuwe website ontwikkeld voor de gemeente, zodat iedereen die via Google op ‘God’ en ‘Almere’ zoekt uitkomt bij de Levend Water Kerk. Momenteel is er een groeiende groep mensen, die nieuwsgierig is naar de gemeente en de manier waarop zij God proberen te dienen in Almere.

Sacrament bedienen?

Wat kan de gemeente nu betekenen voor deze zoekers? Naast de individuele gesprekken tussen gemeenteleden en zoekers leren de zoekers het evangelie ook kennen door de prediking van Bosma. Toen er verschillende doopverzoeken kwamen, werd de vraag gesteld of Bosma die doop ook zou mogen bedienen. Hij is immers degene die in afwezigheid van een vaste, bevestigde predikant de predikantstaken waarneemt. Maar in principe mag een PRIO geen doop bedienen. Hij of zij verricht weliswaar – na afspraken met de kerkenraad – de reguliere predikantswerkzaamheden, zoals voorgaan in de erediensten, pastoraat en catechese. Maar een PRIO heeft geen bevoegdheid voor het bedienen van de sacramenten van doop en avondmaal – en ook niet voor het bevestigen van ambtsdragers, het afnemen van geloofsbelijdenis of het bevestigen van een huwelijk. De bevoegdheid hiertoe is binnen de GKv – en in vele andere kerken in de gereformeerde gezindte – voorbehouden aan predikanten.

Ontwikkelingen

De opvattingen en ervaringen rondom ambt en sacrament zijn de afgelopen jaren in de GKv veranderd. Het ambt is minder belangrijk geworden, doordat de gaven van alle gemeenteleden meer worden benadrukt. Hierdoor bevinden de taken van ambtsdragers en gemeenteleden zich meer op eenzelfde niveau. Voor de sacramenten van doop en avondmaal geldt, dat er steeds meer behoefte is aan persoonlijke rituelen die soms ook in kleine kring plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan een onderdompeling als teken van geloofsvernieuwing of het vieren van avondmaal in een kring of miniwijk. Deze ontwikkelingen waren in 2017 aanleiding voor de synode van Meppel om de deputaten kerkrecht te verzoeken na te denken over de vraag of sacramenten en sacramentalia ook door niet-predikanten zouden mogen worden bediend.

Gereformeerde consensus

De deputaten stellen in hun rapport aan de huidige synode voor om in principe bij de consensus van de gereformeerde gezindte te blijven, dat de bediening van sacramenten voorbehouden is aan predikanten. Zo blijven Woord en sacramenten dicht bij elkaar. “Verkondiging en viering vormen één geheel om de gemeente bij het heil te bepalen en aan Christus te verbinden. De personele unie van beide in het predikambt maakt dit zichtbaar.” Volgens de deputaten wordt in de consensus “het besef wakker gehouden dat Gods heil buiten onszelf ligt en dat voor de sacramenten essentieel is dat Gods belofte ons daarin door dienaren van Christus in zijn opdracht wordt verzegeld.” De deputaten noemen twee gevallen waarin kerkelijk werkers bij uitzondering de sacramenten zouden mogen bedienen: bij geestelijk verzorgers die als kerkelijk werker werkzaam zijn in een niet-kerkelijke instelling en bij missionair kerkelijk werkers. Voor die laatste groep geldt dat het wenselijk is dat zij in hun missionaire context niet slechts degenen zijn die het evangelie verkondigen, maar ook degenen die het teken van het evangelie zichtbaar maken in de sacramenten.

Continuïteit

De kerkenraad van de GKv Almere heeft geen gebruik gemaakt van de redenering van de deputaten inzake missionair kerkelijk werkers. Bosma heeft als PRIO kerkrechtelijk de status van een kerkelijk werker, maar werkt officieel niet als missionair kerkelijk werker. Toch zou je de situatie, waarbij een significant aantal volwassenen zich meldde met een doopvraag, als een missionaire context kunnen duiden. De kerkenraad besloot daarom om hun PRIO de bevoegdheid te geven om de sacramenten van doop en avondmaal te bedienen. Juist omdat in de gereformeerde traditie Woord en sacrament altijd met elkaar verbonden zijn geweest, achtte de kerkenraad het logisch om degene die het evangelie regulier bedient ook de sacramenten te laten bedienen. Het besluit werd ter advies voorgelegd aan de classis, die er unaniem mee instemde om Bosma bij wijze van uitzondering voor bepaalde tijd en voor de GKv Almere sacramentsbevoegdheid te verlenen. In Almere zijn ze blij, want de continuïteit van het gemeenteleven is nu gewaarborgd. Eén van de betrokken ouderlingen schrijft: “Vacant of niet, het werk en de sacramenten in Gods wereld en met Gods mensen gaan gewoon door.”

Capelle-Noord en de synode

Het revisiebesluit van de GS Goes 2020 over ‘Man, vrouw en ambt’ heeft niet alle revisie vragende kerken overtuigd. De kerkenraad van de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord heeft alle kerkenraden een notitie gezonden, waarin hij schrijft niet in te stemmen met de uitkomst. Volgens de raad blijkt uit het revisiebesluit dat de GKv het gezag van Gods Woord niet meer aanvaarden. Capelle-Noord staat open om overtuigd te worden van het tegendeel, maar mochten kerken hun mening delen dan wil men samen optrekken om de synodebesluiten niet te aanvaarden.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 28 mei 2021, zie http://www.gereformeerdkerkblad.nl ]

Hoe kun je broers en zussen, die al jarenlang van mening zijn dat het toelaten van vrouwen in het ambt in strijd met de Schrift is, overtuigen van het tegendeel? De argumentatie die de kerkenraad van Capelle-Noord in deze notitie biedt, verschilt zakelijk niet van de inhoud van het revisieverzoek dat men bij de synode ingediend heeft. De argumenten die men tegen het m/v-besluit aanvoerde, voert men nu aan tegen de afwijzing van het revisieverzoek. Hoe uitgebreid de synode haar oordeel ook onderbouwd heeft, Capelle-Noord kan er niet mee instemmen en vraagt nu aan de afzonderlijke GKv-kerken om haar te overtuigen dat het revisiebesluit niet in strijd is met het Schriftgezag.

Scheppingsorde

Een belangrijk uitgangspunt voor de kerkenraad is dat zijn uitleg van de bijbel de juiste is en omdat de uitleg van de synode daar niet mee strookt, het revisiebesluit moet worden afgewezen. De ware uitleg is dat je Gen. 1 en 2 moet lezen, zoals de kerk dat in haar geschiedenis altijd gedaan heeft, te weten vanuit de zwijgteksten van Paulus. In die teksten biedt hij de gezaghebbende interpretatie van de scheppingsorde die in Gen. 1 en 2 verondersteld wordt, namelijk dat God mannen en vrouwen ongelijke posities en rollen heeft gegeven. Volgens de kerkenraad past Capelle-Noord zo de gereformeerde hermeneutische regel van het ´Schrift met Schrift vergelijken’ toe. Elke andere uitleg van Gen. 1 en 2 moet als een eigenmachtige interpretatie afgewezen worden, omdat die Gods Woord niet aanvaardt zoals God ons die geeft en de inhoud daarvan wegredeneert.

Wie in zijn denken en uitleg niet uitgaat van de traditionele ongelijke verhoudingen tussen man en vrouw is per definitie in strijd met Gods Woord. Wanneer de synode op basis van haar uitleg van Gen. 1 en 2 uitgaat van de gelijkwaardigheid van man en vrouw en zo beargumenteert dat een vrouwelijke ambtsdrager mogelijk is, redeneert zij volgens Capelle-Noord met de moderne gelijkheidsgedachte als leesbril. Daarom mag de gelijkwaardigheid van man en vrouw volgens Capelle-Noord niet als norm functioneren voor de uitleg en toepassing van andere teksten uit de Schrift. Wanneer Paulus onder verwijzing naar de schepping concludeert dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen, is het in strijd met Gods Woord om toch de vrouw in het ambt toe te staan. 

Gesprek

Wanneer de kerkenraad van Capelle-Noord vraagt om hem te overtuigen van een mening die hij tot nu toe niet deelde, is dat alleen mogelijk in een gesprek waarin er de bereidheid is om meningen en visies te overwegen en eventueel bij te stellen. Voor een dergelijk gesprek moet er een basis van vertrouwen zijn om elkaar te willen en kunnen verstaan. Wat dat betreft is een gesprek met Capelle-Noord geen sinecure, omdat de kerkenraad regelmatig haar twijfel heeft uitgesproken over een faire en rechtvaardige behandeling van zijn revisieverzoek. Een nader gesprek met de synodecommissie over zijn motieven wees de raad zelfs af, omdat hij geen vertrouwen had dat het een echt gesprek over de inhoud van hun bezwaren zou worden. Uit de huidige notitie blijkt dat in de optiek van Capelle-Noord aan hun revisieverzoek geen recht is gedaan. Volgens hen is er geen zorgvuldige heroverweging van het m/v-besluit in het licht van de door Capelle-Noord aangedragen Schriftuurlijke bezwaren geweest en zijn hun bezwaren ook niet weerlegd.

Schriftgezag

Wat het gesprek lastig maakt, is dat Capelle-Noord de kwalificatie ‘in strijd met het Schriftgezag’ gebruikt, terwijl er geen eenduidige methode is om tot dat oordeel te komen. De door Capelle-Noord aangehaalde hermeneutische regels als dat ‘de Bijbel zijn eigen uitlegger is’ en het ‘Schrift met Schrift vergelijken’ zijn geen regels die op zichzelf uitsluitsel kunnen geven over de vraag of een interpretatie met het Schriftgezag te verenigen is of niet.

Een vergelijking bijvoorbeeld van de zwijgteksten van Paulus met Gen. 1 en 2 laat zien, dat er sprake is van verschillende tekstgenres, waarvan de exegeses niet zomaar één op één inwisselbaar zijn, zoals Capelle-Noord wel veronderstelt. Op basis daarvan concludeer ik dat Paulus niet een voor altijd normatieve interpretatie van de scheppings- en paradijsverhalen heeft willen bieden, maar een richtlijn geeft voor gedrag in bepaalde concrete situaties.

Ook een beroep op een afwijking van de traditionele gereformeerde exegetische consensus tegen de vrouw in het ambt is geen voldoende argument voor het verwijt van aantasting van Gods Woord.

Moratorium

Omdat ik vind dat de GKv Capelle-Noord als zusterkerk serieus genomen moet worden, heb ik op mijn weblog een analyse van de notitie gegeven. Daarin onderbouw ik mijn conclusie dat de kerkenraad niet aantoont dat het revisiebesluit van de synode in strijd is met het Schriftgezag, maar slechts laat zien dat dit besluit niet strookt met de eigen interpretatie van de bijbel. Dat is echter onvoldoende argument om de synode legitiem van aantasting van het Schriftgezag te kunnen beschuldigen.[1]

Bij deze stand van zaken zal een echt gesprek pas mogelijk worden, wanneer Capelle-Noord bereid is af te zien van de kwalificatie ‘in strijd met het Schriftgezag’ en wil spreken over de wijze van exegetiseren. Dat is waar ook de CGK-hoogleraar dr. Arnold Huijgen voor pleit: ‘Het is onjuist om de ander te verwijten dat hij het Schriftgezag schaadt, enkel omdat hij een andere exegese hanteert dan ik doe. Daarmee zeg ik niet dat alle exegeses waardevol zijn, maar wel dat we niet te snel de ander van het schaden van het Schriftgezag moeten beschuldigen.’[2]

Met zo’n moratorium zal ook recht gedaan worden aan de in de GKv geldende uitspraak van de GS Ede 2014, dat ‘de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen vrij bespreekbaar moet zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.’


[1] Zie mijn blog ‘Open brief’ op: https://fpathuis.wordpress.com/2021/04/20/open-brief/.

[2] Zie zijn blog ´Schriftgezag, exegese en duidelijkheid´ op: https://www.arnoldhuijgen.nl/category/bijbel/.

Niet als wezen

Overdenking in de lunchpauzedienst in de Plantagekerk Zwolle op 21 mei 2021 over Johannes 14, 1-7 en 15-21.

Thema: Jezus laat ons niet in de steek

1.  

Dit gedeelte uit Joh. 14 wordt in de kerk vaak gelezen op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Die zondag wordt daarom wel de ‘Wezenzondag’ genoemd. Jezus belooft dat hij zijn leerlingen niet als wezen achter zal laten, ook al gaat hij weg.

Dat gevoel kun je soms hebben. Dat je in de steek gelaten bent en er alleen voor staat in het leven. Dat je niemand hebt op wie je terug kunt vallen. Dat je geen houvast meer in het leven hebt. Dat kan het gevoel zijn, als iemand overleden is, die belangrijk voor je was. Als die wegvalt, kun je je verweesd voelen.

Het had zomaar kunnen gebeuren, dat de leerlingen dat gevoel hadden gekregen. Toen Jezus gevangen genomen was en aan een kruis werd geslagen. Dat toen hij gestorven was, het houvast onder hun leven was weggeslagen. Nooit meer zijn stem horen. Nooit meer die woorden horen, dat ze niet bang hoefden te zijn. Nooit meer dat bemoedigende knikje van Jezus krijgen, waarmee hij zei: ‘je kunt het wel!’ Verweesd, omdat ze van hem geen richting meer in het leven zouden krijgen, omdat hun mentor, hun rabbi, hun meester er niet meer was.

En het gebeurde ook. Op de avond van de 1e Paasdag zaten ze verslagen bij elkaar. Door Jezus hadden ze hoop in het leven gekregen. Door zijn boodschap over het Koninkrijk van God en door zijn wonderen van genezing en herstel. Daarom waren ze zijn leerlingen geworden en hadden ze een aantal jaren met hem opgetrokken. Door hem hadden ze God op een nieuwe manier leren kennen. Maar nu Jezus er niet meer was, was er die vraag. Hoe moet het nu verder, nu ze alleen achtergebleven waren.

2.  

Misschien herken je dat gevoel wel? Heb je zelf ook wel eens de gedachte gehad, dat het toch wel fijn zou zijn, wanneer Jezus hier nog op aarde was. Als we hem nu zouden kunnen ontmoeten, dat het dan misschien gemakkelijker zou zijn om in God te geloven.

En dan vind ik het mooi, dat Jezus die teleurstelling en dat in de steek gelaten voelen voorzien heeft. En dat hij geprobeerd heeft om zijn leerlingen daarop voor te bereiden. En ze voor wanhoop heeft willen behoeden: ‘Ik zal jullie niet als wezen achterlaten.’ Ook al zal ik er zelf niet meer zijn, ik zal zorgen dat jullie een andere mentor krijgen. Een plaatsvervanger voor als ik er niet meer ben. Een andere gids, die jullie de weg door het leven zal wijzen. Die jullie het Koninkrijk van God binnen zal leiden. En die jullie in verbinding met God zal brengen.

En voegt hij er aan toe: ‘vertrouw er maar op, dat ik weer terugkom.’ Dat ik alleen wegga om voor jullie een plek bij mijn Vader klaar te maken. Zodat ik jullie daarna definitief bij God thuis kan brengen. Want dat was de opdracht die Jezus had. De mensen weer bij God thuis brengen. En dat gebeurde op het moment dat hij aan het kruis stierf. Toen werd voor ons mensen de barrière van onze zonde weggenomen om weer bij God te komen. Nu was er weer vrije toegang tot God mogelijk. Zo is Jezus de weg naar het leven. Als wij ons vertrouwen op Hem stellen, hebben wij toegang tot zijn Vader.

Maar wanneer Jezus zijn taak hier op aarde volbracht heeft, gaat hij weer naar de hemel, en dan zullen zijn leerlingen hem niet meer zien. Zo werd Jezus 40 dagen na zijn opstanding definitief bij hen weggenomen. Dat hebben we vorige donderdag op Hemelvaartsdag gevierd. En nu zien we uit naar de komst van de plaatsvervanger van Jezus. Komende zondag is het Pinksteren. Dan zullen we terugdenken aan de uitstorting van Gods Geest op de leerlingen. Vieren dat de Geest inderdaad gekomen is om ons vandaag als leerlingen van Jezus de weg naar God te wijzen.

3.   

Jezus noemt de Geest de andere pleitbezorger. De eerste pleitbezorger is Jezus zelf. Hij voert voor ons in de hemel een pleidooi bij zijn Vader. En omdat hij daar is, zendt hij zijn Geest naar ons ons. In de vertaling van 1951 stond er, dat hij ons een andere Trooster zou zenden. In het Grieks staat een woord dat ‘advocaat’ kan betekenen. Iemand die een verdachte of iemand die recht zoekt, bij de rechtbank helpt en bijstaat. Maar het kan ook iemand zijn die je in moeiten bijstaat. Die je helpt om een last te dragen en vol te houden. En het kan ook iemand zijn, die je waarschuwt en kritisch je de waarheid zegt. Maar het belangrijkste is, dat hij hetzelfde zal doen als wat Jezus deed. De Geest zal hen helpen om de weg naar de God te gaan. Daarvoor zal Hij komen en altijd bij hen blijven. Hij woont in ze en door zijn werk in de leerlingen zullen zij met Christus en met God verbonden worden en verbonden blijven. Hij zal zorgen dat ze dat onderwijs van Jezus ook in de praktijk brengen, zodat ze echt zullen leven zoals God dat bedoeld heeft. In Gods licht, door zijn kracht, leven in zijn koninkrijk.

Zo mogen ook wij vandaag als leerlingen van Jezus de Geest verwachten. Zondag zullen we het vieren dat de Geest gekomen is. Maar vandaag al mogen wij ervaren dat de Geest ons helpt om te geloven, dat hij ons bemoedigt om God te zoeken in ons leven, en dat hij ons de kracht en de wijsheid wil geven om als leerling van Jezus – als christen – te leven.

4.

Wij staan er niet alleen voor in dit leven. Want Jezus heeft ons niet in de steek gelaten. In elke situatie zullen wij mogen vertrouwen op de hulp en de kracht van zijn Geest.

Pinksteren als verbondsvernieuwing

In de beschrijving van het Pinksterfeest in Handelingen 2 kun je twee lijnen onderscheiden. Allereerst dat Lucas de uitstorting van de Geest in verband brengt met de missie van de discipelen, die Jezus hen in Handelingen 1 na zijn opstanding gegeven heeft. Zij zullen door de Geest de kracht ontvangen om in Jeruzalem, in Samaria en tot aan de einden van de aarde te getuigen van de gekruisigde Jezus. Dat hij de door het Joodse volk verwachte Messias is, die na zijn opwekking uit de dood in de hemel opgenomen is en nu als Heer aan de rechterhand van God zit. Pinksteren is een nieuw begin in Gods plannen voor onze wereld.

De tweede lijn is dat Lucas de gebeurtenissen op het Pinksterfeest ook omschrijft als een vernieuwing van het verbond. De uitstorting van de Geest vindt plaats op de Pinksterdag, de 50e dag na Pesach, dat in het Hebreeuws Sjavoeot oftewel het ‘Wekenfeest’ wordt genoemd. Als oogstfeest werd Sjavoeot ook verbonden met het ontvangen van het verbond op de Sinaï en de gave van de Thora. Deze verbondssluiting begint wanneer de HEER zelf op de derde dag ‘voor de ogen van heel het volk in vuur, stormwind en donder neerdaalt op de Sinaï,’ (Ex. 19:11, 18). De belofte die God daarbij geeft, is dat wanneer het volk zijn onderwijs ter harte zal nemen en het verbond zal houden, zij een kostbaar bezit voor hem zullen zijn, een heilig volk en een koninkrijk van priesters.  

Laatste der dagen

Pinksteren is daarmee een nieuwe fase in de heilsgeschiedenis. Deze fase loopt van Jezus’ opstanding uit de dood en zijn hemelvaart tot aan zijn wederkomst. Het begin van deze laatste fase verbindt Petrus met de profetie van Joel, dat de Geest op heel het volk zal worden uitgestort.

In Joël 3 is de uitstorting van de Geest het symbool van de zegen, die God zijn volk schenkt in reactie op hun ‘ommekeer’ naar God, toen hij het leven van zijn volk stil had gelegd door een sprinkhanenplaag te zenden. Joël profeteert dat er voor iedereen die de naam van de HEER aanroept redding van Gods oordeel zal zijn in Jeruzalem, op de berg Sion. Wie bij Hem schuilt door een beroep te doen op zijn naam, zal gered worden.

In zijn toespraak gebruikt Petrus deze verwijzing naar Joël om zijn hoorders op te roepen zich te bekeren: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de Heilige Geest u geschonken worden,’ (Hand. 2:38).

Reiniging en vernieuwing

In de doop vindt de reiniging van de zonden plaats, waarna God zich in zijn Geest met de gelovige verbindt om het leven van de gelovige te vernieuwen. Dit is de vervulling van de profetie in Ezechiël 36, waar God belooft dat hij zijn volk vanuit de verstrooiing in de hele wereld uit ballingschap terug zal laten keren, hen reinigen zal door zuiver water over hen heen te gieten en hen vervolgens in het schenken van zijn Geest een nieuw hart en een nieuwe geest zal geven. Dat alles met als doel dat het volk weer volgens Gods wetten zal leven en zijn regels in acht zal nemen. De profetie loopt opnieuw uit op de belofte: ‘Jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn,’ (Ez. 36:28).

Wanneer de toehoorders van Petrus zich op de Pinksterdag bekeren en zich laten dopen wordt die bekering zichtbaar in een nieuwe levensstijl, die Lucas beschrijft als alles gemeenschappelijk hebben: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed,’ (Hand. 2:42).

Oud en nieuw verbond

Handelingen 2 wordt wel getypeerd als het geboorteuur van de nieuwtestamentische kerk. Daarbij mag echter niet vergeten worden, dat de christelijke kerk ontstaat doordat God in de uitstorting van de Geest het aloude verbond met zijn volk vernieuwt en verbreedt. Het opvallende van Pinksteren als verbondsvernieuwing is dat in de oproep van Petrus tot bekering ook de niet-Joodse volken in het vizier komen. Want de belofte geldt ‘voor u, voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen,’ (Hand. 2:39).

Hier verbindt Lucas de twee lijnen van het Pinksterfeest. Het is niet alleen het volk Israël, gesymboliseerd door de 120 mannen en vrouwen die daar in de bovenzaal samen zijn, en het zijn ook niet alleen de Joodse inwoners die vanuit de verstrooiing weer in Jeruzalem wonen, die de Geest ontvangen. Maar in de missie van de apostelen zullen ook de niet-Joodse volken opgeroepen worden om zich tot de God van hemel en aarde te bekeren en zo door zich te voegen bij Christus’ kerk op aarde deel te worden van Gods volk.

Vanuit en op basis van het oude verbond met Abraham heeft Jezus als voortzetting daarvan een nieuw verbond gesticht. Nu mag heel de wereld de uitnodiging ontvangen zich onder aanroeping van de naam van Jezus Christus te laten dopen om zo de Geest te ontvangen, opdat de hele aarde een koninkrijk van priesters zal zijn. Zoals Paulus aan de Korintiërs schrijft: “Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk’”, (2 Kor. 7:16).