Ontwikkelingen in kerk en samenleving

Tijdens de lockdown twee jaar geleden was er al snel de vraag of iedereen na corona weer in de kerk terug zal komen. In het nieuwe seizoen zullen we daar meer zicht op krijgen. De voorlopige ervaring tot nu toe is dat een deel van de kerkleden niet automatisch de draad van de kerkgang en het meedoen aan kerkelijke activiteiten weer opgepakt heeft.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 11 november 2022.]

Corona lijkt zo als een katalysator te werken van veranderende ontwikkelingen in de samenleving, die ook doorwerken in de kerk. Een belangrijke ontwikkeling is die van de individualisering, waardoor  de kerk verandert van een ‘familie-organisatie’ naar een ‘netwerk-organisatie’. 

Familiekerk

Bij ‘familiekerk’ denk ik aan verschillende aspecten. Allereerst waren er veel grote gezinnen, die door huwelijksbanden ook regelmatig onderling verbonden waren. Daarnaast woonden op het platteland de grootouders en de ooms en tantes in de nabije omgeving, waardoor deze vaak ook deel uitmaakten van dezelfde kerkgemeenschap. Beide elementen stimuleerden dat er in de kerk een grote natuurlijke onderlinge verbondenheid was. Daarin speelde verder een rol, dat de kerk niet op zichzelf stond. Ze was verbonden met wat we een zuil noemen. Nederland was tot in de jaren zestig van de 20e eeuw een verzuild land en levensbeschouwelijk opgedeeld in gescheiden sferen. Er was een sterke wij-cultuur, die gedragen werd door dwarsverbanden tussen thuis, kerk, school, politiek, krant en vakverbond, en een daarmee gedeeld referentiekader.

Die sterke verbondenheid was er niet alleen door de vele familiebanden in de kerk. Mijn ouders kwamen ruim 50 jaar geleden in een nieuwbouwwijk wonen in Emmen, waar in een relatief korte tijd ook veel gezinnen van buiten het dorp of zelfs de directe omgeving kwamen. Omdat zij allemaal nieuwkomers waren die daar hun draai in het dagelijkse leven moesten zien te vinden, schiep dat een sterke band. Naast het deelnemen aan kerkelijke activiteiten als kerkdiensten, mannenvereniging, vrouwenvereniging en gemeentevergadering, het zich inzetten voor het oprichten van een gereformeerde lagere school en een plaatselijke GPV, ontstond er ook een hechte sociale vriendengroep. Koffiedrinken na kerktijd, over en weer als vriendengroep bij elkaar op verjaardagsbezoek en op zaterdag soms gemeenschappelijke uitjes als gezinnen versterkte de onderlinge betrokkenheid. Van niet te onderschatten belang waren de betekenisvolle contacten tussen de vrouwen en moeders overdag, welke mogelijk waren omdat bijna niemand van hen buitenshuis werkte.

Verdwijnende infrastructuur

Vandaag is een groot deel van de sociale infrastructuur van de ‘familiekerk’ verdwenen of sterk aan erosie onderhevig.

Het aantal kinderen in gezinnen is sterk gedaald, terwijl men vaker dan vroeger voor werk en opleiding naar elders verhuist en niet meer in de buurt van directe familie woont. Ook het kerkelijke verenigingsleven is verdampt. Wekelijkse mannen-, vrouwen-, jongens-, meisjes- en gemengde verenigingen, met hun plaatselijke jaarvergaderingen waar sprekers uitgenodigd werden evenals hun regionale en landelijke bonds- en allerlei andere kerkelijke toogdagen zijn verdwenen. Verder vinden door de ontzuiling ook de plaatselijke studievergaderingen van vakbond en politieke vereniging niet meer plaats. Tenslotte heeft door een veranderende vrijetijdsbesteding, waarin televisie, internet, sociale media, sport, hobby en uitgaan de boventoon voeren, het sociale gezelschapsleven tussen de gemeenteleden ook sterk aan omvang en betekenis ingeboet. Terwijl de mogelijkheden voor zo’n sociaal leven in de kerkelijke gemeente beperkt worden doordat gezinnen met (jonge) kinderen waarvan de beide ouders buitenshuis werken, alle zeilen moeten bijzetten om het gezinsleven draaiende te houden.

Individualisering wil zeggen dat mensen eerder gezien worden als individu dan als lid van een groep. Met het proces van individualisering zijn de sociale verbanden losser geworden en is de onderlinge verantwoordelijkheid minder vanzelfsprekend. Opvoeden is minder gericht op het als volwassene verantwoordelijkheid nemen als burger of als lid van een groep, maar meer op het ontplooien van de individuele kwaliteiten. Inherent hieraan is dat wat je doet minder bepaald wordt door ‘hoe het hoort’ als wel door ‘wat bij mij past’.

Als individu ben je verbonden in verschillende netwerken, die los van elkaar kunnen staan en waar je voor kiest om daar in te participeren of niet. Belangrijke motivatie daarbij is of het voor jou zinvol, nuttig of aangenaam is. Het gaat minder om de saamhorigheid en het wij-gevoel. Kerk is een van die netwerken, die voor aandacht en activiteiten moet concurreren met alternatieve netwerken waar het individu bij betrokken is. Levenslange binding aan een netwerk is niet vanzelfsprekend, eerder gaat men voor het meedoen aan overzienbare kortlopende projecten.

Ondersteunende vormen

Je kunt de tijd niet terugdraaien, en het is de vraag of je dat zou moeten willen. In een ‘familiekerk’ kon de sociale verbondenheid een belangrijk middel zijn, waardoor het persoonlijke leven in het geloof en het onderhouden van het geloofsleven ondersteund werd. Toch vallen sociale verbondenheid en geloofsleven niet samen. Dietrich Bonhoeffer heeft ervoor gewaarschuwd dat wij de sociale verbondenheid niet moeten identificeren met de ‘koinonia’, die voor de gemeente van Christus kenmerkend is.

Bonhoeffer maakte een onderscheid tussen een ‘psychische’ gemeenschap en een ‘pneumatische’ gemeenschap. De pneumatische gemeenschap is de verbondenheid die door de Geest gesticht wordt, een verbondenheid die primair zichtbaar wordt wanneer gelovigen zich verzamelen rond Woord en sacrament. Deze door God geschonken gemeenschap zal als uitgangspunt leidend moeten zijn bij het verder nadenken over de manier waarop het geloofs- en gemeenteleven door ons in een geïndividualiseerde samenleving vorm gegeven zal worden.

Kernwoord voor de vormgeving van het kerkelijk leven is de ‘navolging’, dat andere woord dat Bonhoeffer ons heeft aangereikt. Hoe geef je in een ‘netwerkkerk’ vorm aan de oproep van Jezus om hem na te volgen? Welke vormen zijn dan helpend om onze gemeenschappelijke verbondenheid in Christus in het dagelijkse leven handen en voeten te geven? Dat is de uitdaging waar wij als kerk in deze tijd van individualisering voor staan.   

Advertentie

Oefenen in het geloofsgesprek

In de kerk draait het vanzelfsprekend om ons geloof in God als Vader, Zoon en Geest. Tegelijk is het minder vanzelfsprekend dat we er met elkaar over spreken wat dat geloof voor ons betekent, zo is mijn ervaring na een jaar kerkelijk werk. Vergaderingen worden ‘op christelijke wijze’ geopend, maar daarna zijn meestal al snel de to-do-lijsten onderwerp van gesprek. Zelfs tijdens huisbezoeken valt het niet altijd mee om het gesprek naar een diepere of hogere laag te brengen. Hoe kun je in de kerk het geloofsgesprek (be)oefenen?

[Artikel van Anne-Maaike Pathuis in Gereformeerd Kerkblad van 28 oktober 2022.]

Allereerst is het dan belangrijk om te beseffen dat er een grote diversiteit aan mensen bij de kerk hoort. We hebben in Nederland opleidingen en werk op verschillende niveaus, maar in de kerk komt dat – als het goed is – allemaal bij elkaar. Dat houdt verband (maar valt niet samen) met het onderscheid in denkers, doeners en voelers. De één denkt graag na, de ander doet liever dingen met zijn handen, en voor weer een ander is gevoel het belangrijkste criterium. Dit heeft allemaal effect op hoe iemand uitdrukking aan zijn of haar geloof geeft: er worden wel negen verschillende spirituele talen onderscheiden! De één zoekt God bijvoorbeeld door muziek of meditatie, de ander door in actie te komen of anderen te helpen, en weer een ander door bijbelstudie te doen. Deze diversiteit betekent ook dat niet iedere gelovige woorden kan geven aan de betekenis van zijn of haar geloof. Dat is één van de redenen dat het voeren van een geloofsgesprek in de kerk niet vanzelfsprekend is.

Marta, Marta

Toch zijn er goede redenen om te oefenen met het geloofsgesprek in de kerk, zeker in raden en commissies – zonder dat dit per se hele lange gesprekken hoeven te zijn. Sake Stoppels, auteur van verschillende boeken over gemeenteopbouw, schrijft in ‘Voor de verandering’ dat leidinggevenden in de kerk soms wat op Marta lijken. Zij is heel dienstbaar aan Jezus en zijn leerlingen, zozeer zelfs dat ze er bijna in omkomt. In de NBV21 lezen we dat Jezus tegen haar zegt: “… je maakt je druk over zoveel dingen.” (Luc. 10:41) Volgens Stoppels kan het er in de kerk net zo aan toe gaan: het gaat over heel veel verschillende zaken en activiteiten, “terwijl het ene gesprek over de kern van gemeente-zijn niet goed lukt.” Naar zijn idee is meer tijd voor gebed de oplossing, omdat dit je er als gemeente bij bepaalt dat het uiteindelijk God zelf is die de gemeente onderhoudt, bewaart én opbouwt. Gebed helpt ook om te beluisteren wat de roeping van een gemeente is, en dan weet je ook wat níet je roeping is en waar je dus geen tijd en aandacht in hoeft te steken. “Daar waar spiritualiteit en gebed een vergadering fundamenteel stempelen, zal het vele door het ene worden gekleurd” schrijft Stoppels.

Roeping

Dat een geloofsgesprek of geestelijke benadering van het gemeentewerk je kan bepalen bij je roeping, ondervonden we in de kerk waar ik werk. Bij de start van het kerkelijk seizoen en als aftrap van een gemeenteproject, begonnen de ouderlingen en diakenen in hun gecombineerde vergadering met bezinning. Ruim een uur dachten we met elkaar na over wat het voor ons betekent dat God – via Paulus in Ef. 1 – de gemeente van Efeze als ‘heiligen’ aanspreekt en oefenden we zelf om met geestelijke en liefdevolle ogen naar de gemeente te kijken. In groepjes spraken we over verschillende leeftijdsgroepen in de gemeente. Wat houdt hen bezig, welke verlangens leven er, en welke moeiten en zorgen zijn er? Na deze inventarisatie dankten we voor wat we hadden ‘gezien’ en brachten we de zorgen en moeiten in gebed bij God. Het was een eenvoudige opdracht, met dank aan Kerkpunt, maar het vormde een krachtig begin van een nieuw kerkelijk seizoen. We ontdekten samen iets van onze, naar wij geloven door God geschonken, bewogenheid, waar we het komende seizoen biddend een weg in proberen te zoeken.

Onderlinge steun

Een geloofsgesprek voeren kan ook heel bemoedigend werken. Ik hoor soms dat er in kringen of kleine groepen in gemeentes schroom is om de diepte in te gaan, het is al mooi als je het gezellig met elkaar kunt hebben en zo betrokken op elkaar bent. Aan die sociale betrokkenheid wil ik niets af doen, en vaak is die ook een voorwaarde om een spade dieper te steken. Toch ben je als gelovigen onderling méér dan een groep vrienden of goede kennissen. Je bent samengebracht als onderdeel van de grote gemeenschap van God, Hij is het fundament voor alle relaties en verbondenheid tussen gelovigen. En hoe mooi is het als je elkaar dan ook kunt bemoedigen, door te delen of aan te wijzen waar je iets van Zijn aanwezigheid of leiding ziet of ervaart. Met de pastorale ouderlingen in mijn kerk gingen we in gesprek n.a.v. Ps. 107:4-9, waar eerst een moeilijke situatie en de uitkomst van Godswege worden beschreven en daarna een oproep om God te prijzen klinkt. We deelden met elkaar wat we recent als moeilijk hadden ervaren en of we daar al dan niet Gods hulp bij gevraagd en ervaren hadden. Deze uitwisseling was bemoedigend: we werden erbij bepaald dát en hoe God hulp biedt, en opnieuw aangemoedigd om bij moeiten het van God te verwachten. Weer een eenvoudige opdracht, ook met dank aan Kerkpunt, maar met een mooi gesprek tot gevolg. En dit geloofsgesprek bepaalde ons ook hernieuwd bij de bron van het gelovig en kerk-zijn: de kracht en leiding van God, door zijn Geest.

Doorgeven

Tot slot, en aansluitend bij het voorgaande, kan een geloofsgesprek ook helpen om bewust te worden van je geloof en het goede nieuws waar je uit leeft aan anderen door te geven. Dat speelt in het bijzonder in het jeugdwerk. Tijdens een toerustingsavond voor jeugdleiders in mijn kerk zette ik hen stil bij de vraag hoe zij hun relatie met God ervaren en wat dat betekent voor hun rol in het jeugdwerk. Het gesprek tussen Jezus en Petrus in Joh. 21 diende als leidraad voor dit gesprek: waar Jezus Petrus drie keer de confronterende vraag stelt of hij Hem liefheeft, en hem dan oproept om zijn lammeren en schapen te weiden en hoeden. In het recent verschenen boek ‘Samen jong: Kernwaarden van een kerk met alle generaties’ is één van de kernwaarden “Jezus’ boodschap serieus nemen”. Voor jongeren is het belangrijk dat geloof verschil maakt in je dagelijks leven, ze verlangen naar impact en echtheid. Als jeugdleider is het daarom belangrijk om je regelmatig af te vragen wat je geloof voor je dagelijks leven betekent, en wat je hoopt dat jongeren ontdekken over het leven met God. Ik hoop dat het geloofsgesprek in de kerk ons allemaal helpt onze roeping en ons verlangen scherp te houden en steeds weer terug te keren naar de Bron.

Groeien in liefde

In de oudste brief die we van Paulus hebben, 1 Tessalonicenzen, smeedt Paulus voor het eerst de drieslag ‘geloof, hoop en liefde’. Hij dankt God voor ‘hoeveel hun geloof tot stand gebracht heeft, hoe krachtig hun liefde is en hoe standvastig ze blijven hopen op de komst van Jezus Christus, de Heer’ (1:3). Met betrekking tot de liefde roept hij de gemeente van Tessalonica later in de brief op om de onderlinge liefde nog meer te beoefenen dan ze al doen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 14 oktober 2022.]

Wanneer je de brieven van Paulus aan de gemeenten in Korinte of Rome leest, dan blijkt hoe belangrijk deze drieslag in zijn denken geworden is. Geloof wordt concreet zichtbaar in de onderlinge liefde, die geïnspireerd wordt door de hoop te mogen delen in Jezus’ luister. Het uitzien naar de komst van Jezus kleurt nu al het leven van de gemeente. Het geheim daarvan is de Geest, die door Christus als voorschot vanuit de hemelse werkelijkheid gegeven is.

Vrucht van de Geest

Paulus noemt de betekenis van de Geest op verschillende plaatsen in de eerste brief aan de Tessalonicenzen. De overtuigingskracht van Paulus’ boodschap lag in de Geest (1:5). Die bewerkte dat de Tessalonicenzen tot geloof kwamen. Maar ook het blijven geloven is zijn werk. Vandaar dat Paulus als gebed zijn verlangen uitspreekt, dat ‘de Heer hun liefde voor elkaar en ieder ander groter mag maken’ en dat ‘de Heer hen door die liefde kracht mag geven’ (3:12-13). Het geloof en het samen gemeente-zijn zijn vruchten van Christus’ Geest.

Opvallend blijft dat de kracht van de Geest zo op menselijke wijze zichtbaar wordt. Zoals God in het Oude Testament op mensvormige wijze aan Abraham verscheen en het Woord van God in het Nieuwe Testament in Jezus Christus mens werd, zo verschijnt de Geest in het handelen van mensen. De Tessalonicenzen aanvaardden de verkondiging van Paulus ‘als het woord van God, dat werkzaam is in de gelovigen’ (2:13).

Voor ons gemeente-zijn vandaag betekent dit dat wij in het uitwerken van plannen, ideeën, wensen en visies ons afhankelijk moeten weten van de Geest van Christus. Geven we hem de ruimte om – weliswaar door ons heen – zelf de richting te laten wijzen? Als we afhankelijk willen zijn van zijn inzicht, dan zullen we hem daar ook bewust om moeten vragen. Zonder het voortdurend gebed om de Geest zullen onze inspanningen weinig effect hebben. Niet voor niets roept Paulus in hoofdstuk 5 op om ‘onophoudelijk te bidden’ (5:17). Net zoals hij zelf ook onophoudelijk bidt voor het welzijn van de verschillende gemeenten waarmee hij in contact staat.

Testcase

Op een bepaalde manier is de mate van onderlinge liefde de testcase voor het geloof. Dat we niet alleen elkaars broers en zussen zijn, maar ons ook als broers en zussen gedragen. Door de doop ben je met Christus en daarmee ook met je broers en zussen in Christus’ lichaam verbonden. Paulus vraagt daarom de Tessalonicenzen om die verbondenheid tot uitdrukking te brengen door elkaar steeds meer lief te hebben.

Liefhebben betekent dat je tijd en aandacht aan de ander besteedt en contact met elkaar onderhoudt. Dat je het goede voor de ander zoekt. Dat je naar elkaar omziet, niet selectief, maar open naar iedereen. In de gemeente mag het niet zo zijn, dat mensen aan zichzelf overgelaten worden, omdat de anderen alleen betrokken zijn op de eigen groep of kring.  Liefhebben is ook niet gebaseerd op sympathie, maar op een keuze. Wie liefheeft zal samen met de ander de weg van het geloof willen lopen, zelfs als dat voor hem of haar moeite en zelfverloochening betekent.  

Christus’ komst

Paulus zet zijn aanwijzingen voor het gemeente-zijn in het perspectief van Jezus’ komst. Het gaat erom, ‘dat wij zuiver en heilig voor onze God en Vader zullen staan, wanneer onze Heer Jezus met al zijn heiligen komt’ (3:13). Omdat de gemeente de bruid van Christus is en het volk van God.

Dat was Gods doel al in het Oude Testament. Hij verloste het volk Israël uit Egypte, zodat zijn volk in zijn nabijheid zou leven. Hij in de tabernakel en het volk daaromheen verzameld. Om samen naar het beloofde land te gaan, waar Hij in de tempel zou wonen en het volk voor zijn aangezicht zou verschijnen. En dat onder de oproep om heilig te leven, zoals de HEER zelf ook heilig is. Vandaag is dat nog steeds Gods doel.

Paulus weet dat zo aan God toegewijd leven niet het louter volgen van regels is en alleen maar mogelijk is door Gods Geest. Daarom bidt hij in 5:23, of God zèlf het leven van de gemeente in alle opzichten wil heiligen, zodat zijn doel gerealiseerd zal worden: dat wij bij Christus’ komst een zuivere en heilige gemeente zullen zijn.

Veranderende visie op het ambt

Op de komende synode van NGK/GKv zal opnieuw aan de orde komen of een kerkelijk werker de sacramenten mag bedienen. Sacramentsbediening behoort bij de taak van de predikant. Omdat de kerkelijk werker geen ambt vervult, mag hij niet het avondmaal of de doop bedienen. Dat een ouderling-ambtsdrager het sacrament niet mag bedienen, wordt beargumenteerd met een verwijzing naar de verbondenheid van verkondiging en sacrament. In de reformatorische ambtstheologie blijft dan de vraag over, of een voorganger die wel het Woord mag bedienen ook de sacramenten mag bedienen, als hij geen ambtsdrager is.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 16 september 2022.]

De verbinding van ambtsdrager zijn en de sacramenten bedienen is historisch verbonden met de essentiële betekenis van de priester voor het uitvoeren van de mis. Het offer dat volgens de rooms-katholieke traditie met de mis verbonden is, maakt het noodzakelijk dat een gewijde priester de mis consecreert. Alleen zo wordt tijdens het uitspreken van de instellingswoorden van de eucharistie het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus, de zgn. transsubstantiatie.

Het priesterlijke ambt  

De grond voor deze visie in de R.K.-kerk is dat Christus via het priesterlijke ambt het heil bemiddelt. Deze heilsbemiddelende taak is toebedeeld aan de clerus die tegenover de leken in de kerk een afgezonderde en gewijde geestelijke stand vormen. Hun wijding is zelf een sacrament, dat teruggaat op de roeping van de twaalf apostelen, welke roeping volgens de traditie overgegaan is op de bisschoppen met de Paus als eerste en belangrijkste bisschop in de hiërarchie. De bisschoppen oefenen het priesterschap van Christus in zijn volheid uit en delen die door handoplegging aan anderen mee, allereerst de gewone priesters, daarna ook aan de diakenen als helpers van de bisschoppen en priesters. Door de handoplegging is de priester als geordineerde ambtsdrager op ‘ontologische’ of ‘substantiële’ wijze aan Christus gelijkvormig gemaakt; deze handoplegging stempelt hem voor heel zijn leven ‘onvervreemdbaar’ als lid van de geestelijke stand. Verbonden met de hiërarchie krijgt de priester deel aan de bovennatuurlijke kracht van de genade, die Christus aan zijn kerk verleend heeft. Zo leeft Christus in het wijdingssacrament substantieel voort in de kerk. Alleen dankzij dit fundamentele wijdingssacrament is het mogelijk dat ook de andere zes sacramenten, waaronder de eucharistie en de doop, bediend kunnen worden.

De Reformatie

De reformatoren hebben van deze rooms-katholieke visie op de heilsbemiddeling via een geestelijke stand radicaal afstand genomen. Met het afschaffen van het wijdingssacrament hebben zij ook de hiërarchie van het priesterlijke ambt en de apostolische successie opgeblazen. Het aantal van zeven sacramenten bracht men terug tot de twee die door Christus zelf zijn ingesteld, te weten doop en avondmaal.

Tegenover het priesterlijke ambt plaatste de Reformatie het ‘ministerium verbi divini’ (dienst van het goddelijke Woord). Zoals de Heidelbergse Catechismus formuleert: wij krijgen door het geloof deel aan Christus en al zijn weldaden. Dat geloof wordt door de Heilige Geest in ons gewerkt door de verkondiging van het evangelie en door Hem versterkt door het gebruik van de sacramenten (HC Zondag 25). Zo regeert Christus ons als koning ‘met zijn Woord en Geest, en beschermt hij ons bij de verworven verlossing’ (HC Zondag 12).

Het was op een bepaalde manier vanzelfsprekend dat de taken die de priester verrichtte, sinds de Reformatie door de predikant uitgevoerd zouden worden. Niet alleen de bediening van de sacramenten, maar ook de andere vijf sacramenten, die wij nu sacramentalia noemen: de bevestiging in het ambt, de bevestiging van het huwelijk, het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis, het voorgaan in een rouwdienst. Soms met het argument dat b.v. de huwelijksbevestiging bij de bediening van het Woord behoort.

Veranderde ambtsvisie

Wanneer vandaag aan niet-predikanten en kerkelijk werkers de bevoegdheid wordt gegeven om het Woord te verkondigen, zal de beperking van de sacramentsbevoegdheid tot de predikant als ambtsdrager nader beargumenteerd moeten worden. Historisch gezien is de evidentie daarvan ook niet altijd gezien. In de 17e en 18e eeuw mocht in de Friese kerken een proponent of kandidaat ‘de sacramenten bedienen, en alles doen wat tot het herdersambt behoort, ook vóór hij in een plaatselijke kerk bevestigd was.’ In de bezinning zal de vraag centraal moeten staan wat het betekent dat de Reformatie in de ambtstheologie de ‘ontologische’ visie op het ambt vervangen heeft door een ‘functionele’ benadering.

Preken voor tijdgenoten

Het spannende van preken is of er een verbinding tot stand komt tussen de (bijbel)tekst en de hoorder. Een preek is geslaagd wanneer de hoorder de wereld van de tekst zo met de eigen werkelijkheid kan verbinden, dat hij zich in de preek door God aangesproken weet. Het doel van de verkondiging is dat de hoorder aangeraakt wordt door Gods genade en ‘woorden van God’ verneemt. Dat betekent dat de prediker zich zowel moet verhouden tot de tekst die hij ‘bepreekt’ als tot de context en de cultuur van de hoorder. Kees van Ekris bespreekt op een stimulerende wijze wat de prediker hierbij kan helpen.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 2 september 2022.]

Kees van Ekris (1972) is programmaleider van Areopagus, de afdeling binnen de IZB – de Inwendige Zendingsbond, onderdeel van de Gereformeerde Bond in de PKN – die zich richt op de toerusting van predikanten om contextueel-missionair te preken. Daarnaast is hij docent homiletiek (preekkunde) op de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) te Leuven. Ook is hij betrokken bij de podcastseries ‘Eerst Dit’ en ‘Moderne profeten’ van de EO en IZB.

Actueel en relevant

De prediker is zelf altijd de eerste hoorder. Dat is een inzicht van Calvijn: ‘Ook degene die onderwijst moet net zo goed als de anderen leerling zijn.’ Ook in Geneve lag de nadruk al op de relevantie van de preek: ‘Van de Geneefse predikanten werd niet alleen verwacht dat zij in staat waren een perikoop goed te exegetiseren, maar ook dat zij wat daar beschreven wordt vruchtbaar konden maken voor de actuele situatie waarin het Woord verkondigd wordt.’[1]

In de gereformeerde preektheorie is dit altijd uitgangspunt geweest. De preek is ‘een boodschap aan deze zeer bepaalde mensen, hier en nu, nooit plaats- en nog minder tijdloos’, aldus Tjeerd Hoekstra in 1920, wat voor de prediker mensenkennis en het verstaan van de tijd vereist.[2] Om de relevantie van de tekst te ontdekken moet in de preekvoorbereiding volgens Kees Trimp in 1978 op de exegese van de tekst altijd de zgn. ‘homiletische exegese’ of ‘meditatie’ volgen. Allereerst om de tekst zelf tot de prediker te laten spreken en hem in dienst van zijn boodschap te nemen. Maar ook opdat de concrete boodschap voor de gemeente gestalte krijgt door ‘allerlei beelden, vergelijkingen, zinswendingen, etc.’ die hem bij de meditatie zullen invallen.[3]

In het verlengde hiervan was het niet vreemd, dat Kees de Ruijter als hoogleraar methodisch aandacht vroeg voor ‘hoordergericht’ preken. De boodschap van de preek zal moeten aansluiten bij de situatie van de hoorders, bij hun vragen en aanvechtingen. ‘De prediker richt zich concreet tot de hoorders in de werkelijkheid van hun bestaan. Hij preekt dus binnen hun herkenbare werkelijkheid, niet binnen de historische werkelijkheid van de tekst.’ De Ruijter brengt dat op formule als ‘preken voorbij de tekst’. Zo bewijst de verkondiging van Gods Woord zijn relevantie en actualiteit.[4]

Methodisch richtlijnen

In zijn homiletiek heeft De Ruijter in 2013 het homiletisch proces van de preekvoorbereiding uitgewerkt volgens de homiletische drieslag ‘tekst – prediker – hoorder’, die vraagt om resp. ‘exegetische analyse’, ‘persoonlijke meditatie’ en ‘pastorale reflectie’. De inhoud van de preek komt in een constant circulair proces vanuit deze drie bronnen tot stand, waarbij de tekst het theologisch primaat moet ontvangen.[5]

Kees van Ekris structureert in zijn homiletiek het preekproces systematisch vanuit de prediker als hoorder. Net als de gemeente is hij participant in de hedendaagse cultuur en laat zo de Geest tot zich spreken in de Bijbeltekst. Van daaruit formuleert hij/zij de boodschap van de tekst voor de gemeente, met als doel dat de gemeente en de hoorders door de boodschap getransformeerd en gezegend worden in hun leven van elke dag.

Rijk (werk)boek

Van Ekris heeft een zeer inspirerende homiletiek geschreven, waarbij in 10 hoofdstukken alle facetten van het maken en houden van een preek, ondersteund met veel achtergronden, voorbeelden en suggesties, aan de orde komen. Door de verdiepende vragen bij elk hoofdstuk is het een echt werkboek geworden, niet alleen voor de prediker, maar ook voor de kerkenraad en belangstellende gemeenteleden. Het is een boek, dat ik nog regelmatig hoop te herlezen.

N.a.v. Kees van Ekris, Dialoog, dans en duel. Preken voor tijdgenoten, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022, 352 pagina’s. Prijs: € 24,99.


[1] Wim Moehn, ‘Preken’, in: Herman J. Selderhuis (red.), Calvijn Handboek, Kampen: Uitgeverij Kok, 2008, p. 205-214, citaten op p. 209 en 210.

[2] Vgl. T. Hoekstra, Gereformeerde prediking, Baarn: Uitgeversmaatschappij E.J. Bosch JBzn, 1920, p. 48: ‘Het eischt van den prediker eene groote menschenkennis, hij moet zijn tijd verstaan, „bij” zijn.’

[3] C. Trimp, De preek. Een praktisch verhaal over het maken en houden van preken, Kampen: Copieerinrichting v.d. Berg, 1980, 2e druk, p. 19-21.

[4] C.J. de Ruijter, ‘Licht op het pad. Over exegetisch verantwoord preken’, in: Theologia Reformata, Vol. 57, No. 2 (2014), p. 129-138, citaat op p. 137.

[5] Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2013. Zie m.n. Hoofdstuk 8, ‘Preekvisie en methode’, p. 157-173.

De kerkelijk werker en het ambt

Begin juli 2022 heeft de synode van de PKN zich opnieuw uitgesproken over de positie van de kerkelijk werker. De kerkelijk werker krijgt een ambtstheologische inbedding. Concreet: men gaat binnen het ambt van dienaar des Woords een differentiatie doorvoeren, zodat kerkelijk werkers die als HBO-theoloog het werk van een gewone predikant doen, ook de positie van dienaar des Woords krijgen. Daarnaast wordt voor specialistische kerkelijk werkers als bijv. de ouderenpastor of de jeugdwerker die niet voorgaan in kerkdiensten, een apart ambt gecreëerd naast dat van predikant, ouderling of diaken.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 19 augustus 2022.]

De positie van de kerkelijk of pastoraal werker heeft vanaf 1950 regelmatig op de agenda van de synoden van de NHK en de GKN, en sinds 2004 die van de PKN gestaan. Centraal stond de vraag, of het werk van de kerkelijk werker een functie of dienst is om de ambtsdragers bij te staan in het uitvoeren van ambtelijke taken óf dat het zelf een ambtelijk karakter heeft. In samenhang daarmee is er de vraag of een kerkelijk werker de bevoegdheden kan krijgen die verbonden zijn aan het ambt van predikant, te weten het voorgaan in kerkdiensten en het bedienen van de sacramenten.  

Voorgeschiedenis

Twee aspecten hebben in de bezinning op de positie van de kerkelijk werker een belangrijke rol gespeeld. Allereerst is men er lange tijd vanuit gegaan, dat de inzet van een kerkelijk werker een tijdelijke situatie zou zijn in bijvoorbeeld overgangssituaties. Wanneer het werk weer door een ambtsdrager vervuld zou kunnen worden, zouden zijn activiteiten stoppen. Een tweede is dat het verschil in karakter tussen de functie/dienst van een kerkelijk werker en dat van de ambtsdrager altijd onduidelijk is geweest, juist omdat de kerkelijk werker en de ambtsdrager dezelfde soort taken uitvoerden.

In de NHK werd het eerste aspect zichtbaar rond 1970 toen vanwege het ernstig tekort aan predikanten hulppredikers die geen theologische opleiding hadden gehad, vanwege deze ‘noodsituatie’ de tijdelijke bevoegdheid kregen om ook de sacramenten te bedienen. Toen in 1975 deze tijdelijke maatregel geëvalueerd moest worden, waren de meningen zo verdeeld dat de synode uiteindelijk in 1984 besloot om de bediening van hulpprediker af te schaffen en de nog overgebleven hulppredikers in het ambt van dienaar des Woords te stellen. Het probleem van de kleine gemeenten die nu een beroep op pastoraal werkers gingen doen, was daarmee niet opgelost. Deze kregen expliciet geen preek- en sacramentbevoegdheden toegekend, omdat dit ambtelijk handelen zou betreffen.

Ook in de GKN werden de werkzaamheden van de kerkelijk werker of pastoraal assistent in 1979 als ‘een tijdelijke noodmaatregel’ getypeerd, voor wie ‘een blijvende status niet gewenst is’. In 1984 wordt besloten dat de kerkelijk werker als zodanig geen geestelijk ambt bekleedt en daarom geen ambtelijke bevoegdheden toekomt. Hij voert zijn taken uit in dienst van de kerkelijke vergadering die hem aangesteld heeft. Wanneer duidelijk wordt dat de kerkelijk werker als functie zal blijven, besluit de synode in 1996 dat hij/zij de niet-ambtelijke taken van een predikant mag vervullen, als daar zijn de pastorale zorg, evangelisatie, catechese, toerusting, gemeenteopbouw en het voorgaan in kerkdiensten en het preken. Aan de predikant blijft voorbehouden de (ambtelijke) verkondiging van het Woord – wat iets anders is dan het spreken van een ‘stichtelijk woord’ van het preekconsent -, en de bediening van de sacramenten en de overige sacramentalia (zoals huwelijk, bevestiging van ambtsdragers, belijdenis afnemen).

De PKN

Bij het vaststellen van de nieuwe kerkorde voor de PKN tijdens het Samen op Weg-proces in de jaren ’90 is het aspect van de sacramentsbevoegdheid uitgebreid besproken. Ondanks twee rapporten over ‘Ambt en sacrament’ lukt het niet om hier een gemeenschappelijke visie voor te formuleren. Daarom besluit de PKN-synode in 2005 om ‘de discussie te heropenen over de bevoegdheid tot de bediening van Woord en Sacrament, voor een specifiek daartoe door de kerk opgeleide en toegelaten categorie kerkelijk werkers.’ Dat laatste blijkt in 2006 een brug te ver. De voorstellen in het rapport ‘Pastor in beweging’ waarin gepleit wordt om ook kerkelijk werkers met een HBO-opleiding dezelfde bevoegdheden te geven als de predikant wordt van tafel gehaald, met als achterliggend motief dat een predikant universitair geschoold moet zijn.

Toch stemt men in 2011 ermee in gemeenten die te arm zijn om een universitair geschoolde predikant te betalen en in zogenoemde missionaire gemeenten HBO-theologen aan te stellen. Ze krijgen niet de status van predikant, maar die van ‘ouderling-kerkelijk werker’. Als ouderling mogen ze onder specifieke voorwaarden en omstandigheden in de eigen gemeente waar ze bevestigd zijn, preken, de sacramenten bedienen en alle andere voorkomende werkzaamheden van een predikant verrichten.

Vanaf 2012 concentreert de bezinning zich op een nieuwe ambtstheologie van de PKN en op de positie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de predikant. In dat kader wordt er in 2019 opnieuw aandacht gevraagd voor de positie van kerkelijk werkers die als HBO-theologen steeds vaker het werk van een predikant blijken te doen. Met als resultaat dat nu ook de HBO-theoloog als kerkelijk werker ambtstheologisch in de kerkordelijke structuur wordt ingebed en dus ook de status van dienaar van het Woord kan ontvangen.

Veranderende samenleving

Van een afstand bekeken lijken de nu genomen besluiten veel op de voorstellen van het destijds afgeserveerde rapport uit 2006. Waardevol is dat het onderscheid tussen de activiteiten van een predikant en die van de kerkelijk werker niet meer angstvallig worden benoemd in termen van wel of niet ambtelijk van karakter. De geschiedenis laat zien, dat in de argumentatie daarvoor veel willekeur geweest is. Ook de ambtsstructuur van de Reformatie is niet heilig.

Dat er nu een andere visie op de relatie kerkelijk werker en het ambt gekomen is, komt mede omdat de kerkelijk werker in vergelijking met 50 jaar geleden behoorlijk geprofessionaliseerd is. De HBO-theoloog nu heeft een volwaardige op de praktijk gerichte theologische opleiding gevolgd. Daarnaast is er meer oog voor wat de kerk vandaag in een veranderende samenleving nodig heeft aan toerusting en geloofsopbouw. Tenslotte is de inbreng van kerkelijk werkers alleen al noodzakelijk, omdat steeds meer gemeenten geen fulltime predikant meer kunnen betalen. In de ambtelijke zorg en leiding zullen de predikant en de kerkelijk werker als professionals moeten samenwerken. 

Hoe we het klimaat kunnen redden

De berichten over klimaatverandering buitelen ook deze zomer weer over elkaar heen: bosbranden in bijv. Zuid-Europa en zelfs Siberië, hittegolven en droog weer met watertekorten tot gevolg. Eind juli was Earth Overshoot Day: de dag waarop we wereldwijd alles hebben gebruikt wat de aarde in een jaar kan produceren. De uitstoot van de broeikasgassen CO2 en methaan neemt nog altijd toe door het gebruik van fossiele brandstoffen en door de veeindustrie. Wat kunnen we als mensheid doen om deze ontwikkelingen te kenteren? Het boek ‘Hoop voor de aarde’ van de Canadese klimaatwetenschapper en christen Katharine Hayhoe probeert hier een antwoord op te geven.

[Recensie door Anne-Maaike Pathuis in Gereformeerd Kerkblad van 19 augustus 2022.]

Hayhoe woont in Texas (VS) en werkt als hoogleraar Politieke Wetenschappen aan een Technische Universiteit. Hayhoe groeide op in een zendelingsgezin en is getrouwd met een predikant. Tijdens haar studie natuurkunde en sterrenkunde ontdekte ze dat klimaatverandering niet alleen een milieukwestie is, maar invloed heeft op allerlei humanitaire vraagstukken. Het feit dat klimaatverandering voor verergering van honger en armoede, onrecht en vluchtelingencrises zorgt, motiveert Hayhoe om hier onderzoek naar te doen.

Ook zet ze zich in voor communicatie over klimaatverandering. Daarvoor stond ze in 2014 in de lijst van meest invloedrijke personen van het tijdschrift Time. In de inleiding van haar boek schrijft ze dat ze beseft dat de feiten over klimaatverandering “beangstigend en onomstotelijk” zijn. Toch is het belangrijk je ermee bezig te houden, want “klimaatverandering staat in verband met de dingen waar we allemaal om geven: de gezondheid van onze gezinnen, de economische kracht van onze gemeenschappen en de stabiliteit van onze wereld. Klimaatverandering herstellen is niet alleen goed voor de planeet: het is ook goed voor ons allemaal.”

Goed gesprek

Het boek van Hayhoe bestaat uit vijf delen. Het eerste deel gaat over de moeilijkheid van een goed gesprek over klimaatverandering, omdat het zo’n gepolariseerd thema is geworden – zeker in de Verenigde Staten. ‘Gelovigen’ en ‘ontkenners’ staan tegenover elkaar, maar Hayhoe geeft aan dat de schaal daartussen uit veel verschillende mensen bestaat.

Je zult met de keiharde klimaatsceptici (7% van de bevolking) wellicht geen constructief gesprek kunnen voeren, met de overige 93% van de bevolking kan dat wel. Dat doe je volgens haar door op zoek te gaan naar gemeenschappelijke waarden, want “klimaatverandering raakt bijna alles waar we al om geven.” Vervolgens is het belangrijk om te beschrijven wat mensen kunnen doen en al aan het doen zijn om klimaatverandering te herstellen. Vanuit dit inzicht geeft Hayhoe in dit boek input voor zo’n constructief gesprek over klimaatverandering.

Het klimaatprobleem

De feiten over klimaatverandering zijn volgens de wetenschap heel duidelijk: de aarde wordt steeds warmer, en de mens speelt daar een belangrijke rol in door de uitstoot van broeikasgassen. Toch zijn die feiten niet altijd het belangrijkste in een gesprek.

Hayhoy laat in het tweede deel zien, dat  mensen zich niet laten leiden door kale feiten, maar door de informatiebronnen die we vertrouwen en die het bij voorkeur met ons eens zijn. Daarom heeft het ook maar in beperkte mate zin om in te spelen op de angst of het schuldgevoel van mensen, afgezien dat dit ook nog verlammend en demotiverend werkt. Wat het gesprek over klimaatverandering wel bevordert, is om het zo dichtbij mogelijk te brengen.

Dat doet Hayhoe in het derde deel  door duidelijk te laten zien welke gevolgen klimaatverandering al heeft. Niet alleen in smeltend poolijs en bergtoppen, maar ook in bijv. hittegolven en andere hevige weerfenomenen, toenemende luchtvervuiling, minder veilig drinkwater. Dat versterkt vervolgens weer vluchtelingencrises en conflicten, en dit alles trekt een wissel op de geestelijke gezondheid van mensen wereldwijd.

In actie!

Het boek van Hayhoe is niet zomaar een theoretisch overzicht over het belang van klimaatverandering. Ze brengt de theorie die ze voor het voetlicht brengt zelf in praktijk: dat het belangrijk is om de schokkende feiten helder te delen, maar zodat degene met wie je in gesprek bent zich niet machteloos voelt.

In het vierde en vijfde deel weet ze hoop aan te boren, dat er nog herstel mogelijk is. Er zijn veel voorbeelden van bedrijven, overheden en individuen die ontwikkelingen in de goede richting bevorderen. Door technologische ontwikkelingen, door niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, en door aanpassingen in persoonlijke leef- en eetpatronen. Het belangrijkste dat een individu kan doen is echter in gesprek gaan, om meer bewustwording over de urgentie van klimaatverandering te creëren.

In haar ‘actiemanifest’ voorkomt Hayhoe dat de lezer een schuldgevoel krijgt, door recht te doen aan het bredere perspectief van klimaatverandering, geld en macht. “Individuele keuzes bepalen hoogstens 40% van de uitstoot in rijke landen”, schrijft ze, en al eerder zette ze uiteen hoe de grootste boosdoeners de grote gas- en olieindustrie (waaronder Shell) zijn. In totaal zijn zij sinds 1988 verantwoordelijk voor zo’n 70% van de wereldwijd uitgestoten broeikasgassen. Het is schokkend om te lezen hoe deze grote bedrijven er alles aan hebben gedaan om hun productie ongestoord voort te kunnen zetten. Het laat  duidelijk zien hoe de mengeling van rijkdom en macht, in dit geval letterlijk, giftig kan zijn.

Hoop

Klimaatverandering is een heel urgent en veelomvattend thema, maar we zijn – als mensheid en als planeet – nog niet reddeloos verloren. Dat is het gevoel waarmee Hayhoe de lezer achterlaat. Haar hoop is niet gebaseerd op een geloof dat God de wereld in zijn hand houdt en dat het uiteindelijk zal gaan zoals hij wil. Zo spreekt de Bijbel ook niet over de menselijke verantwoordelijkheid.

God heeft de mens heerschappij over de schepping gegeven, wat volgens Hayhoe te maken heeft met “rentmeesterschap en duurzaamheid, met meer dieren dan mensen in de ark”. God spreekt de mens erop aan als hij onrechtvaardig handelt. Dat is in het geval van klimaatverandering zeker aan de orde, omdat de zwakkeren in deze wereld er onevenredig zwaar door worden getroffen. Deze twee waarden – rentmeesterschap en rechtvaardigheid – zijn ook voor mij de belangrijkste redenen om hoopvol een steentje bij te dragen tegen klimaatverandering.

Het boek maakt me ook dankbaar voor de mensen die in mijn leven laagdrempelig en niet-dwingend iets hebben laten merken van hun zorgen over en inzet tegen klimaatverandering. Ik word uitgenodigd om daar zelf ook meer over te delen, op de plek en in de positie die ik heb in contact met vrienden, familie en in mijn werk in de kerk.

N.a.v. Katharine Hayhoe, “Hoop voor de aarde: hoe we samen het klimaat kunnen redden”, Utrecht: KokBoekencentrum, 2022. Hayhoe schreef haar boek op verzoek van een redacteur, die Hayhoe’s TedTalk over praten over klimaatverandering hoorde. Deze TedTalk (van 17 minuten) is te bekijken op YouTube via https://youtu.be/-BvcToPZCLI, evt. met Nederlandse ondertiteling.

Pleidooi voor fair play

De confessionele standaarden van Nader Bekeken zijn hoog, maar het papier is geduldig ook al voldoet men er zelf niet aan. Pieter Boonstra maakt het zich daarbij gemakkelijk door zowel de rol van aanklager als rechter te vervullen. Als rechter wijst hij het verweer van de aangeklaagde af en oordeelt hij dat de aanklager het gelijk aan zijn zijde heeft.

Voorgeschiedenis

Even kort de zaak waar het om gaat. De aanklacht is, dat het synodebesluit van de GKv over ‘vrouw en ambt’ signaal is van nieuwe hermeneutiek, maar dat men dat als synode niet wilde erkennen. Dat deze hermeneutiek zich nu ook daadwerkelijk in de GKv manifesteert blijkt duidelijk uit een recent artikel van mijn hand in het blad Onderweg. In mijn repliek heb ik beargumenteerd, dat Boonstra zijn zaak alleen hard kon maken door mijn visie eerst op onjuiste wijze weer te geven.

Het juli/augustus-nummer van Nader Bekeken gaat aldus het voorwoord van Kees van Dijk ‘blijmoedig verder met de discussie over oude en nieuwe herme­neutiek.’ Ik word er niet blij van: a. omdat het een herhaling van zetten is, en b. omdat Pieter Boonstra opnieuw mijn teksten onzorgvuldig en onwelwillend leest, met als gevolg dat hij weer zijn pijlen richt op zaken die ik niet beweer of geschreven heb, maar op grond waarvan hij wel opnieuw zijn stelling naar voren brengt dat ik aan ‘nieuwe hermeneutiek’ doe. Daarbij is hij nogal zeker van zijn zaak. In mijn artikelen zou ik zelf het uitgangspunt van de ‘nieuwe hermeneutiek’ verwoorden. Volgens hem is dat een constatering. Maar wel weer één, die alleen mogelijk is door mijn teksten suggestief samen te vatten. Opnieuw maakt hij gebruik van de ‘stroman’- drogreden, waarbij hij mij visies toedicht die ik niet heb. Ik vind dat kwalijk en niet acceptabel.[1]

Waar Boonstra eerder schreef, dat de bedoeling van de auteur belangrijk is om de betekenis van een tekst vast te stellen, zou je verwachten dat hij bij het lezen van mijn teksten ook met mijn bedoeling rekening zou houden. Hij mag aannemen, dat ik als auteur niet zonder reden stel dat hij de bedoeling van mijn teksten onjuist getroffen of samengevat heeft.

Dupliek

In zijn dupliek schrijft Boonstra:

“Door te stellen dat we ‘meer besef hebben gekregen van de historische en culturele afstand tussen toen en nu’ en te beweren dat het lezen wat er staat ‘niet meer verantwoord is’ verwoordt Pathuis precies het uitgangspunt van de nieuwe hermeneutiek. Dat is geen verdachtmaking, maar een constatering. Tegen deze constatering brengt Pathuis geen enkel tegenargument in. Ook dat is een constatering.”[2]

In deze alinea voegt Boonstra twee passages uit verschillende alinea’s samen en stelt dat ik door deze uitspraken te doen precies het uitgangspunt van de nieuwe hermeneutiek verwoord. Ik wil op beide passages ingaan en die in hun context plaatsen. 

Citaat 1

Wat het eerste citaat betreft, is mij niet duidelijk wat daar vanuit een gereformeerde optiek op tegen is. Ik schreef:

‘De concentratie op de historische, literaire en culturele inbedding van de Bijbeltekst in de eigen tijd heeft een schat aan informatie opgeleverd, die ons kan helpen scherper zicht te krijgen op de oorspronkelijke betekenis. Tegelijk hebben we daardoor meer besef gekregen van de historische en culturele afstand tussen toen en nu.’[3]

De stelling die ik hier doe, is dat wij sinds de 18e eeuw door het onderzoek en het materiaal van de historisch-kritische methode een schat aan informatie hebben gekregen over de historische, de literaire en culturele inbedding van de Bijbeltekst. Wij hebben nu meer inzicht in de context waarin de bijbel ontstaan is. Door al die informatie hebben we ‘meer besef gekregen van de historische en culturele afstand tussen toen en nu’.

Ik begrijp niet dat wanneer ik dit schrijf, ik daarmee het uitgangspunt van ‘de nieuwe hermeneutiek’ zou verwoorden. Onder gereformeerde theologen is dit inzicht namelijk een open deur.

Wolter Rose schrijft bijvoorbeeld in 2004: ‘De vondsten van documenten en inscripties gedurende de afgelopen eeuwen hebben veel informatie aan het licht gebracht die gebruikt kan worden om de wereld van het Oude Testament te reconstrueren.’[4]

Ook Eric Peels kan in verband met de historisch-kritische methode schrijven: ’De historische vraagstelling is echter legitiem en noodzakelijk, niet het minst om door de accentuering van de ‘vreemdheid’ en menselijkheid van de Bijbel de exegeet te behoeden voor een voortijdige dogmatiserende annexatie van de tekst. De tekst moet in zijn eigenheid aan het woord kunnen komen en geheel uitspreken, voordat de exegeet de betekenis ervan in eigen categorieën vertaalt.’[5]

Ik bestrijd dan ook dat het van Boonstra ‘een constatering’ is, dat ik door te schrijven dat we ‘meer besef hebben gekregen van de historische en culturele afstand tussen toen en nu’ het uitgangspunt van ‘de nieuwe hermeneutiek’ zou verwoorden. Het is m.i. inderdaad eerder een verdachtmaking dan een constatering.

Citaat 2

Wat het tweede citaat betreft schrijft Boonstra dat ik beweer ‘dat het lezen wat er staat ‘niet meer verantwoord is’’. Ik beweer dat dus niet. Boonstra suggereert dat ik dit beweer door op manipulatieve wijze mijn tekst aan te passen. Wat ik schrijf is:

Daarin [t.w. de bijbelse geschiedschrijving] zijn de historische, literaire en theologische intentie zo met elkaar verbonden, dat een uitsluitend letterlijk-historische uitleg – die uitgaat van het principe ‘we moeten gewoon lezen wat er staat’ – niet meer verantwoord is.

Een correcte samenvatting van wat ik hier stel is: ‘In de bijbelse geschiedschrijving is een uitsluitend letterlijk-historische uitleg niet meer verantwoord’. Als ondersteuning en illustraties van deze stelling verwijs ik in mijn artikel o.a. naar (a) de uitleg van Genesis 1, (b) die van Genesis 2-3 en naar (c) ‘de historisch tegenstrijdig lijkende beschrijvingen van de geschiedenis van Israël in het Oude Testament of die van Jezus’ leven en werk in de evangeliën.’

Ad a.

Als voorbeeld voor de uitleg van Gen. 1 verwijs ik naar de manier waarop de Vroege Kerk de scheppingsdagen op figuurlijke wijze heeft gelezen. Ik had ook naar A. Noordtzij kunnen verwijzen, die in zijn boek Gods woord en der eeuwen getuigenis (1924) de zogenaamde kadertheorie verdedigde, of naar K. Schilder die verdedigde dat men over de exegese van de scheppingsdagen van mening kon verschillen en dat ook een niet-letterlijke lezing van deze dagen verdedigbaar zou kunnen zijn.[6]

Niet zonder reden had ik in mijn tekst de tussenzin – “die uitgaat van het principe ‘we moeten gewoon lezen wat er staat’” – het ‘we moeten gewoon lezen wat er staat’ tussen hoge komma’s geplaatst. Daarmee maakte ik duidelijk dat het mij ging om de standaard onderbouwing voor een historisch-letterlijke lezing van de scheppingsdagen, volgens het principe ‘een dag is een dag’ en dat moet dan wel ‘een dag van 24 uur zijn’.[7] De hoge komma’s waren nodig om duidelijk te maken, dat wie op deze wijze Genesis 1 wil exegetiseren, juist niet leest wat er staat. In zijn weergave laat Boonstra juist deze hoge komma’s weg evenals het betekenisvolle woordje ‘gewoon’. Daardoor krijgt de woordgroep ‘het lezen wat er staat’ in zijn weergave van mijn visie een andere betekenis en suggereert Boonstra, dat ik vind dat het niet meer verantwoord is ‘om te lezen wat er staat’. Quod non!

Ad b.

Als voorbeeld voor de uitleg van Genesis 2-3 schreef ik: ‘Ook kunnen we de symbolische taal en het gebruik van mythologische elementen in het paradijsverhaal erkennen zonder te eisen dat ze als ‘zintuiglijk waarneembaar’ verklaard moeten worden.’ Hierbij had ik in gedachten de visie, zoals prof. B.J. Oosterhoff daarover uitgebreid geschreven heeft.[8]

Ad c.

Als het gaat om een ‘historisch tegenstrijdig lijkende beschrijving van de geschiedenis’ is van belang wat Eric Peels opmerkt over de bijbelse geschiedschrijving van het Oude Testament: ‘Een historiografische bijbeltekst beoogt doorgaans niet om rechtstreeks historische informatie door te geven – daarvoor word je naar de archieven en de annalen verwezen – maar biedt een eigen selectie en belichting van de geschiedenis.’[9] Daarbij aansluitend spreek ik over de verbondenheid van ‘de historische, literaire en theologische intentie’ van de bijbelse geschiedschrijving. Dat geldt zowel voor het Oude als het Nieuwe Testament. Daarom kan Rob van Houwelingen bijvoorbeeld ook concluderen: ‘De evangeliën [bedoeld zal zijn: de evangelisten, FP] zijn geen geschiedschrijvers in de moderne zin van het woord; zij willen door hun manier van vertellen een bepaalde boodschap overbrengen (Pennington 2012). (…) Met andere woorden: historie en theologie sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan.’[10]

Ook ten aanzien van het tweede door Boonstra aangehaalde en door hem tendentieus misvormd weergegeven citaat is er weinig evidentie dat mijn visie dat een ‘uitsluitend letterlijk-historische uitlegging van de bijbelse geschiedschrijving niet meer verantwoord is’, uiting zou zijn van ‘nieuwe hermeneutiek’. Wanneer wat ik naar voren breng, door allerlei gereformeerde theologen uitgesproken wordt, dan is Boonstra’s ‘constatering’ m.i. eerder een verdachtmaking die een groot deel van de gereformeerde bijbelwetenschappers treft, niet alleen van vandaag, maar ook uit de vorige eeuw toen er van de zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’ nog geen sprake was.

‘Geen tegenargument’

Boonstra stelt dat ik geen tegenargument heb ingebracht en dat zijn argumenten voor de aanklacht standhouden. Dat wil hij als tweede ‘constatering’ noteren. Het punt in mijn repliek was dat de aanklacht geen juiste voorstelling van zaken gaf van mijn visie, zodat zijn argumenten tegen mijn werkelijke visie niet houdbaar waren of doel troffen.

Inderdaad, mooier kan ik het niet maken. Waarom zou ik een tegenargumentatie moeten opzetten ten gunste van een visie die ik niet heb? Daar pas ik voor.

Tegelijk blijf ik Boonstra erop aanspreken, dat hij de standaarden van Nader Bekeken hoog zou moeten houden. ‘Iemands woorden niet verdraaien en geen lasteraar zijn’, staat er ergens in de confessionele uitleg van de Tien Woorden. Ik kan het niet anders zien dan dat Boonstra ten overstaan van zijn lezers op een oneerlijke manier zijn gelijk probeert te halen.


[1] Zie mijn eerdere blog, waarin ik dit toegelicht heb: https://fpathuis.wordpress.com/2022/02/01/vermeende-nieuwe-hermeneutiek-in-de-gkv/

[2] Pieter Boonstra, ‘Oude of nieuwe hermeneutiek: twee reacties’, in: Nader Bekeken, Juli/Augustus 2022, Jaargang 29, Nr. 7/8, p. 246-249. Ook te vinden als artikel van de maand op de website van de uitgever Woord en Wereld: https://www.woordenwereld.nl/files/openbaar/nader_bekeken/artikelen/2022/augAVM.pdf

[3] Fokke Pathuis, ‘De Bijbel lezen in andere tijden’, in: Onderweg d.d. 13 november 2021 (Jrg. 7, nr.15), ook geplaatst op mijn weblog: https://fpathuis.wordpress.com/2021/11/19/de-bijbel-lezen-in-andere-tijden/

[4] W.H. Rose, ‘Talen en wereld van het Oude Testament’, in: A.L.Th. de Bruijne, Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, (TU Bezinningsreeks nr. 4), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004, p. 154.  

[5] H.G.L. Peels, ‘Ontwikkelingen in de bijbelse hermeneutiek’, in: Theologia Reformata 40 (1997), 72-95

[6] Zie: K. Schilder, Een hoornstoot tegen Assen?, Kampen: J.H. Kok, 1929, 2e druk, p. 39-46.

[7] Vgl. bijvoorbeeld het artikel van Bram Capellen, ‘Genesis 1: Geschiedschrijving of kadervertelling?’, die op grond van dit principe concludeert: ‘Omdat er in Genesis 1 geen duidelijke aanwijzingen zitten dat wij de dagen in dit hoofdstuk symbolisch moeten opvatten, moeten we ervan uitgaan dat daarmee gewone dagen bedoeld zijn’. zie: https://logos.nl/genesis-1-geschiedschrijving-of-kadervertelling/.

[8] Voor de details zie mijn blog van 1 februari 2022, geciteerd in noot 1.

[9] H.G.L. Peels, ‘Bijbeltekst, geschiedenis en archeologie’, in: Theologia Reformata, 54/3 (2011), 312.

[10] Rob van Houwelingen, ‘De doop van Jezus: vier keer hetzelfde verhaal?’, in: Hans de Wolf & Pieter Niemeijer (Red.), Oog voor eigenheid. Genre als blikrichting voor bijbellezers, (TU Bezinningsreeks nr. 17), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2015, p. 217.

Nieuw licht op oude woorden

In de Joodse traditie wordt in één jaar tijd de hele Tora, de vijf boeken van Mozes, in 54 wekelijkse gedeelten op de sabbat gelezen en overdacht. De Tora is daarvoor verdeeld in 54 parasjot, waaraan teksten uit de Profeten toegevoegd zijn. De Messiasbelijdende Joden verbinden de wekelijkse parasjot ook nog met teksten uit het Nieuwe Testament. Op basis van zestien parasjot met bijbehorende lezingen vat Marc de Klijn de Bijbelse boodschap samen, waarbij hij laat zien dat de teksten van het Oude en het Nieuwe Testament elkaar over en weer kunnen verhelderen en verdiepen.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 29 juli 2022.]

Marc de Klijn (1939) is bekend als grafisch vormgever en docent aan de Kunstacademie destijds in Kampen. Hij is opgegroeid in een seculier Joods gezin, maar werd begin jaren ’70 christen. Door een bezoek aan Auschwitz-Birkenau in 1995 werd hij geconfronteerd met zijn Jood zijn en de Jodenhaat en het antisemitisme de eeuwen door. Daardoor richtte hij zijn aandacht steeds meer op het Joodse volk en op Israël, waar hij in 2013 samen met zijn vrouw Henny van Hartingsveldt naartoe emigreerde.

Zestien parasjot

Ook al behandelt De Klijn maar zestien parasjot, toch is hij er in geslaagd de belangrijkste verhaallijnen en thema’s in de Tora te becommentariëren. Hij start met de roeping van Abraham in Gen. 12-17, waarna hij stilstaat bij het leven van Jakob (28-32), de ontmoeting van Jakob en Ezau (32-36) en de geschiedenis van Jozef (41-44 en 47-50). Van de Uittocht behandelt hij Ex. 10-13 (de toestemming van de Farao om te vertrekken), de geschiedenis van het Gouden Kalf (30-34) en het maken van de tabernakel (35-38). Van de wetgeving in Leviticus komen vervolgens de offers (1-5), de voorschriften rond rein- en onreinheid (12-15) en de feesten (21-24) aan de orde. Van de woestijnreis in Numeri bespreekt De Klijn de afgoderij bij Baäl Peor (24-30). Tenslotte, van de toespraken van Mozes en de hernieuwde wetgeving in Deuteronomium behandelt hij de uitroeiing van de Kanaänitische volken rondom Israel (7-11), zegen en vloek (11-16), de leiderschapswisseling van Mozes op Jozua (31) en de slotwoorden van Mozes en zijn sterven (33-34).

Gesprek

De Klijn heeft dit boek geschreven vanuit zijn drive om christenen en Joden met elkaar in gesprek te brengen. Hij hoopt dat ze elkaar gaan herkennen en respecteren in het geloof in één en dezelfde God. Maar ook dat ze samen in oprechte liefde voor de Schepper van hemel en aarde zijn licht zullen uitstralen en verspreiden.

Uitgangspunt voor De Klijn is dat het Joodse volk in Abraham een aparte positie gekregen heeft ten opzichte van de andere volken in de wereld, doordat het tot zegen voor de wereld moet zijn. Dit onderscheid ziet hij bevestigd in Openbaring 7, waar enerzijds gesproken wordt over de 144.000 verzegelden uit Israël en daarnaast over de menigte die niemand tellen kan vanuit alle landen en volken.

Duidelijk spreekt De Klijn uit dat Jezus als de Messias gekomen is om te bevrijden van zonde en schuld, en dat het pijnlijk is dat het orthodoxe jodendom en het Joodse volk dit altijd heeft afgewezen. Tegelijk heeft het christendom zich zijns inziens ten onrechte van het jodendom gedistantieerd, waardoor de Joodse context van het Evangelie totaal uit het oog is verloren. Daardoor is van de Messias een ´ontjoodste´ universele Heiland gemaakt die voor Joden totaal onherkenbaar is geworden.

De Klijn legt waardevol Bijbels materiaal op tafel, ook al mag het duidelijk zijn dat hij met zijn interpretatie ook eigen accenten legt. Van betekenis is zijn grote nadruk op de heiligheid van God en de vormende waarde van de leefregels van God. Punt van gesprek blijft de verhouding van het Oude en het Nieuwe Verbond en de positie van de tempel, de stad Jeruzalem en de staat Israël in de profetie en de apocalyptiek.

Extra

In het prachtig uitgegeven boek zijn verdeeld over twee katernen 2 reeksen van acht aquarellen van hem opgenomen, elk katern ingeleid door een gedicht van zijn vrouw Henny. Dit vormt een waardevolle onderstreping van het thema van zijn boek: het schitterend goddelijk licht dat vanuit de Bijbel ons tegemoet komt.

N.a.v. Marc de Klijn, Nieuw licht op oude woorden, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2022, 345 pagina’s. Prijs: €27,90.

De filosofische ethiek van Herman Bavinck

Het was groot nieuws toen in 2019 een ‘Gereformeerde ethiek’ van Herman Bavinck verscheen. Bavinck is vooral bekend als de auteur van de 4-delige ´Gereformeerde dogmatiek´. Dat hij gedurende zijn hoogleraarschap van 1883 tot 1902 ook ethiek aan de Theologische School in Kampen heeft gegeven, had veel minder aandacht gekregen. Tot Dirk van Keulen in 2007 als onderzoeker toevallig op een ingebonden handgeschreven collegedictaat stuitte, waarin de latere ds. Cornelis Lindeboom als student de colleges ‘Ethiek’ van Bavinck uitgeschreven had.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 8 juli 2022.]

Naast genoemd collegedictaat vond Van Keulen bij nader onderzoek naar de ethiek-colleges in het Bavinck-archief en in de bibliotheken van de Protestantse Theologische Universiteit en de Theologische Universiteit, beide te Kampen, nog meer ongepubliceerd materiaal dat waardevol genoeg bleek om uit te geven.  

Gereformeerde ethiek

In 2019 publiceerde Van Keulen als eerste daarvan, op basis van de manuscripten van waaruit Bavinck zelf het vak gereformeerde ethiek had gedoceerd, diens ‘Gereformeerde ethiek’.

Volgens Bavinck heeft de christelijke ethiek een strikt theologisch karakter; hij beschouwt de ethiek als een vorm van praktische theologie, onderscheiden van de dogmatiek en tegelijk er als ‘in een mysterie’ nauw mee verbonden. ‘De theologische moraal gaat niet uit van een van nature in de mens, in de schepping gelegen beginsel, maar van een geopenbaard principe, van God, zijn daden, woorden aan en tot ons, en leidt ook weer tot God, vindt in Hem haar doel.’ De christelijke ethiek vindt, net zoals de dogmatiek, haar kennisbron en inhoud alleen in de openbaring, die God in de Heilige Schrift heeft gegeven. ‘Onze ethiek is uit, door, tot God. Hij is het, die ons ook in de ethiek de leer over de zonden, wedergeboorte, heiliging des levens in de Staat, enz., heeft geopenbaard.’ De Heilige Schrift is daarom de enige kenbron van de christelijke ethiek.

Toch doceert Bavinck ‘gereformeerde ethiek’, want het christelijke komt door de gereformeerde bedding tot ons, ‘schittert ons juist in het gereformeerde prisma het zuiverst tegen.’ De gereformeerde ethiek heeft daarom, nadat zij de stof of inhoud van de ethiek aan de Schrift ontleend heeft, ook na te gaan ‘op welke wijze en in hoeverre het ethisch dogma in het leven der christelijke, bepaald der gereformeerde kerk gestalte heeft gekregen.’ En tenslotte hebben wij het ethisch dogma ‘thetisch verder te ontwikkelen, en toe te passen met het oog op onze tijd.’

Filosofische ethiek

Afgelopen jaar presenteerde Van Keulen op het internationale symposium dat in november 2021 aan de TU Kampen/Utrecht ter herdenking van de 100e sterfdag van Bavinck gehouden werd, de ‘Filosofische ethiek’ van Herman Bavinck, een bundel met drie manuscripten.

Het omvangrijkste daarvan is het manuscript getiteld ‘Ethiek’ uit 1887. Hierin geeft Bavinck een overzicht van de geschiedenis van filosofische ethiek, vanaf de Grieken tot en met zijn eigen tijd. Als tweede is er een klein manuscript uit 1893, getiteld ‘Schets der gereformeerde ethiek’. Hoewel het grotendeels gaat over de geschiedenis en de inhoud van de christelijke ethiek gaat Bavinck ook in op het onderscheid tussen de christelijke en de filosofische ethiek; verder biedt het een korte geschiedenis van de filosofische ethiek. Het derde manuscript is uit 1900-1901. Hoewel het getiteld is ‘Gereformeerde ethiek’, omvat het voor het grootste deel een systematisch overzicht van de filosofische ethiek.

Waardevolle aanvulling

De bundel ‘Filosofische ethiek’ (2021) is voor het Bavinck-onderzoek een waardevolle aanvulling op de ‘Gereformeerde ethiek’ (2019). Behalve dat het een overzicht geeft van zijn visie op de relatie tussen èn de betekenis van de filosofische ethiek voor de christelijke ethiek, geeft het zijdelings ook inzicht in de ontwikkeling van Bavinck’s eigen denken over christelijke of gereformeerde ethiek. In formeel opzicht sluit hij zich aan bij de filosofische georiënteerde opbouw van Schleiermacher’s ethiek, maar materieel gaat hij een eigentijdse gereformeerde weg.

N.a.v. Herman Bavinck, Filosofische ethiek. Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Dirk van Keulen, (Ad Chartas-reeks nr. 39), Amersfoort: Uitgeverij De Vuurbaak, 2021, 256 pagina’s. Prijs: €24,50.