De gereformeerde eredienst en liturgie

De theologie van de Reformatie is gegroeid rond de grote herontdekking van Luther, dat de ‘gerechtigheid van God ’ een relatie-term is. Wij mogen met God omgaan, omdat hij in Jezus Christus ons genadig opzoekt met zijn verlossing en redding. Nu mogen wij in vrijheid hem dienen en eren. De gereformeerde liturgie is een poging om dit inzicht te laten doorwerken in de vormgeving van de erediensten. Daarbij grijpen de reformatoren achter de middeleeuwse liturgie terug op het Nieuwe Testament en de gewoonte van de vroege kerk.

 

  • Joods godsdienstig leven

Wil je de vormgeving van de vroeg-christelijke erediensten begrijpen, dan moet je die zien tegen de achtergrond van het joodse godsdienstige leven in de tijd van het Nieuwe Testament. Die wordt bepaald door de tempel, de synagoge en het huis als de plaatsen waar het leven met en het eren van God vorm krijgt.

De tempel in Jeruzalem speelt als huis van God en als plek van zijn aanwezigheid in de wereld een centrale rol als de plaats van het offer, de verzoening, het gebed, de aanbidding, het onderwijs en het vieren van de drie grote feesten. De synagoge is de plek waar men samenkomt voor het lezen, de uitleg en het onderwijs van de Schriften. Daarnaast  vervult de synagoge ook de functie van een gebeds- en aanbiddingsruimte. De synagoge is in de tijd van de ballingschap in Babel ontstaan als middel om het godsdienstig leven vorm te geven, nadat de tempel van Jeruzalem door Nebukadnezar verwoest was.

Na de herbouw van de tempel in de tijd van Haggai en Zerubbabel heeft de synagoge zich als religieuze ontmoetingsplaats gehandhaafd en heeft die ook in het joodse land naast de tempel een plek gekregen. In de tijd van Jezus waren de Farizeeën meer verbonden met het leven in de synagoge en de Sadduceeën met de tempeldienst.

Het huis tenslotte is de ruimte waar de persoonlijke eredienst en de heiliging van het leven van elke dag zijn centrum vindt in het gebed en de zegening. Die wordt met name gevierd tijdens de maaltijd en de feesten. Ook vindt in de huizen religieus onderricht van de kinderen plaats.

 

  • Vroegchristelijke liturgie

Uit alles blijkt dat de eerste joodse christenen met hun samenkomsten niet de bedoeling hebben om de joodse vormen van eredienst te vervangen. In hun houding tegenover het joodse godsdienstige leven oriënteren ze zich op het onderwijs van Jezus, die wel kritisch stond tegenover de leiders van de tempel en ten opzichte van de Farizeeën, maar toch trouw de tempel en de synagoge bezocht. Dat betekent dat ook de eerste christenen de tempel en de synagoge nog bezoeken en daar met de rituelen en samenkomsten meedoen. Zo worden de christenen in eerste instantie ook beschouwd: als een van de richtingen binnen de joodse godsdienst, vergelijkbaar met die van de Farizeeën of Sadduceeën. Op deze plekken dienen zij God en zijn zij tegenover hun medebezoekers getuigen van Jezus.

In de samenkomsten in hun huizen gebruiken ze de maaltijd en vieren ze de onderlinge verbondenheid in het avondmaal en bouwen ze elkaar op in het geloof door onderwijs in het geloofsgesprek, door gebed en door het delen van profetie en andere gaven van de Geest. De discipelen zetten zo de manier van samenleven voort, die ze hadden toen ze samen met Jezus optrokken en waar ze ook in de huizen rondom de maaltijd het geloof met hem en andere gasten deelden. Het grote verschil is dat Jezus nu niet lichamelijk aanwezig is, maar in zijn Geest.

In de loop van de 1e eeuw valt echter het kunnen bezoeken van de tempel en de synagoge voor de christenen weg. Buiten Jeruzalem was sowieso een bezoek aan de tempel niet aan de orde en was men aangewezen op de synagoge, maar definitief wordt dat na de verwoesting van de tempel in 70 n. Chr.

Ook het bezoeken van de synagoge wordt op een gegeven moment onmogelijk, doordat het getuigenis van het Messias-zijn van Jezus een breekpunt in de relatie wordt. Dat zien we eerst al in het leven van Paulus en zijn gemeenten uit de heidenen, maar ook voor de joden-christenen komt er na 70 n. Christus een ‘parting of the ways’ met de overige joden die zich hergroeperen rondom het rabbijnse jodendom.

Aan het eind van de 1e eeuw zien we dat de functies die de tempel en de synagoge in het godsdienstig leven vervulden nu in de samenkomsten in de huizen geïntegreerd worden. Dat wordt nu de plaats waar het offer, de oriëntatie op de Schriften, het gebed en het onderwijs plaats vinden. Ook zien we dat in de loop van de 2e eeuw er een meer geordende liturgie in de samenkomsten ontstaat, waarin we een voorloper herkennen van wat later in een tweeledige structuur van een ‘Schrift en woord’-deel en een ‘sacrament’-deel van de liturgie zijn beslag krijgt.

Als je vanuit het schema van het joodse godsdienstige leven naar de liturgiegeschiedenis kijkt, dan zie je dat vanaf de 3e eeuw de tempel-functie van het offer steeds meer de nadruk krijgt in de liturgie, tot in de naamgeving toe: priesters die de eredienst vorm geven en een concentratie op het offer, dat in de eucharistie wordt gebracht. Deze tendens wordt versterkt doordat men sinds de 4e eeuw niet meer in de huizen samenkwam, maar in basilieken.

In de Reformatie bant men alles wat aan een offer doet denken uit de viering van de eucharistie en krijgt in de liturgie de synagoge-functie van het lezen van de Schriften en het onderwijs alle nadruk.

Tenslotte zie je de huis-functie vooral benadrukt in de kloosters en in vernieuwingsbewegingen als de Moderne Devotie (14e eeuw), dopersen (16e eeuw), het Pietisme en de bevinding (18e en 19e eeuw) en de meer evangelisch georiënteerde kerken en groepen (vanaf de 19e eeuw).

 

  • Eredienst in liturgie en dagelijks leven

Het is niet verwonderlijk, dat wanneer de tempel en de synagoge uit het godsdienstig leven van de christenen verdwijnt, men zich voor de ordening en vormgeving van de eredienst in hun samenkomsten blijft richten naar de structuur en de tijden van het joodse godsdienstig leven. Immers het Jezus-geloof en de verering van Jezus door de christenen is diep verankerd in de eeuwenoude verbondsrelatie tussen God en zijn volk. Aan het onderhouden van deze relatie wilde ook het godsdienstige leven in de tempel en synagoge uitdrukking geven. Dat is de grondslag van de ‘eredienst’ van de israëlitische gelovige, die ook al beoefend werd ver voordat er nog maar een tempel of synagoge sprake is.

De eredienst in tempel, synagoge of huis zijn dan wel de brandpunten van het joodse godsdienstige leven geweest, het dienen en eren van God gaat daar niet in op. Wanneer het godsdienstig leven zich daar toe beperkt, dan is er de profetische kritiek op het offer en het ritueel, zoals wij die in het de oude testament en bij Jezus tegenkomen. Dan horen we het verwijt namens God dat de uiterlijke eredienst geen oprechte uitdrukking van het innerlijk is, waardoor de eredienst ook geen handen en voeten krijgt in het leven van elke dag. Er moet namelijk een wisselwerking zijn tussen enerzijds het dienen van God op de heilige plaatsen en tijden en anderzijds het leven volgens Gods thora in de wereld. Echte eredienst wordt gekenmerkt door barmhartigheid en gerechtigheid.

De kern van het christelijk geloof is dat Jezus de perfecte belichaming is van de dienst aan God en dat hij door zijn offer aan het kruis de verzoening met God tot stand heeft gebracht, waardoor wij nu door zijn Geest in staat zijn om innerlijk oprecht God te dienen en als gelovige in de wereld te leven. Paulus noemt dat in Romeinen 12 de eredienst van het christelijk geloof. De samenkomsten van de gemeente zijn er op gericht om dit geloof en deze dienst aan God en in de wereld te beoefenen en te stimuleren.

Het is deze notie die ook een grote rol in de inzichten van Calvijn over eredienst en liturgie. Naast woord, gebed en sacrament speelt ook de onderlinge verbondenheid een rol. De eredienst voor God is nauw verbonden met de dienst aan de naaste. Die verbondenheid wordt allereerst zichtbaar in de diaconale collecte, terwijl Calvijn ook de ‘vredeskus’ noemt.

Het betekent een bewust zijn van de wederzijdse noden, zowel fysiek als geestelijk, in de gemeente, wat ook betekent het bekendmaken van de zieken en behoeftigen in de gemeente. Omdat dit een standaard onderdeel van de dagelijkse gebeden en de woensdags gebedsdienst was, was daar in Geneve op de zondag minder aandacht voor nodig.

Tenslotte legt Calvijn ook een nadruk op de dagelijkse eredienst. Het luisteren naar Gods woord was niet alleen een activiteit voor de zondag, maar ook een dagelijkse door de week, terwijl op vrijdag ook nog een reguliere bijbelstudie voor de geestelijken en gemeenteleden werd gehouden.

De gemeente werd geïnstrueerd om op gezette tijden stil te staan om te bidden. Gebedsteksten daarvoor werden gepubliceerd. Zo zijn in ons kerkboek ook gebeden voor diverse gelegenheden opgenomen, zoals een morgen- en avondgebed, een gebed voor en na het eten en gebeden bij ziekte. Ook getoonzette psalmen kunnen voor deze particuliere gebedsmomenten gebruikt worden.

Tenslotte verwachtte Calvijn dat in het dagelijks leven de verbondenheid en onderlinge gemeenschap zichtbaar werd in het omzien naar elkaar. Op die manier werden de gelovigen opgeroepen om het welzijn van de naaste te dienen en zo in de ander het beeld van God te eren. Wij zijn niet van onszelf, maar van God. Dat inzicht moet een leidraad voor het leven van de gelovigen zijn en zal de basis moeten zijn om in het dagelijks leven van elke dag te groeien in geloof en liefde.

 

 

De oorsprong en geschiedenis van de (2e) eredienst

  • De vroege kerk

In het Nieuwe Testament lezen we dat de eerste christenen op de 1e dag van de week ’s avonds in hun huizen bij elkaar komen. Dit gebeurt nadat het gewone werk gedaan is. De inhoud van deze bestaat in het lezen van de Schriften, verkondiging, zingen, het voeren van geloofsgesprekken, terwijl ook het avondmaal in aansluiting op de agape– of liefdemaaltijden wordt gevierd. De vormgeving van deze samenkomsten is deels geënt op die van de synagoge en deels op wat men gewoon was in het delen van het geloof binnen het dagelijks leven in huis.

In een brief van stadhouder Plinius uit het jaar 112 lezen we, dat christenen op de zondag de gewoonte hebben ´s morgens vroeg bij elkaar te komen om te zingen en aan het einde van de dag om een maaltijd te gebruiken.

Wanneer het christendom in de 4e eeuw staatskerk wordt, komt men niet meer in huizen bij elkaar maar in kerkgebouwen (basilieken). Ook wordt het tijdstip van de zondagse samenkomst verschoven van zonsopgang naar het ´derde´ uur, d.w.z. negen uur ´s morgens. Tenslotte wordt het vanaf die tijd ook gebruik om in de morgendienst het avondmaal te vieren. Naast deze morgendienst komt men ook aan het einde van de dag als afsluiting van de zondag voor een samenkomst bij elkaar. Men krijgt van overheidswege de tijd om eerst naar de kerk te gaan, voordat men aan zijn werk gaat. Pas vanaf de 6e eeuw is de zondag een volledige werkvrije of rustdag.

We zien dus dat niet alleen de structuur van de erediensten met de joodse manier van geloofsbeleving verbonden is, maar dat ook de tijden van de samenkomsten daarop zijn afgestemd. In de synagoge komt men voor het morgen- en het late-middag/avondgebed bij elkaar op die momenten dat in de tempel het offer wordt opgedragen. In later tijd ook nog eens na het vallen van de avond voor een avondgebed.

In de vroege kerk spelen deze gebedstijden niet alleen een rol op de zondag, maar ook door de week. Daar zien we zelfs een sterke uitbreiding van gebedsmomenten in navolging van de oude Joodse dagelijkse gebedsuren naar het derde, het zesde en het negende uur en het middernachtelijk gebed.

Zo worden vanaf de 4e eeuw in de bisschopssteden dagelijks morgendiensten en vespers gehouden, waarin lezingen uit de bijbel plaatsvinden, Psalmen gezongen en gebeden uitgesproken worden. Ook vinden in de vespers regelmatig de gemeenschappelijke liefdemaaltijden plaats, die door welgestelde leden aangericht worden voor de armen en de weduwen. Alle gemeenteleden  worden opgeroepen om deze dagelijkse gebedsdiensten te bezoeken. Daarnaast komt de clerus (de bisschop, de presbyters en de diakenen) ook op de overige gebedstijden overdag bij elkaar, waar de overige leden van de gemeente door werk niet bij aanwezig kon zijn.

Eenzelfde gebedspatroon zien we bij groepen christenen die rond de vierde eeuw buiten de steden gaan wonen om zich uit de wereld terug te trekken en zich aan een godsdienstig en ascetisch leven te wijden. Zij houden net als de clerus op de tijden van het joodse gebedsuur gezamenlijk godsdienstige oefeningen. Op het moment dat ook priesters in deze kloostergemeenschappen gingen wonen, kregen deze gebedsmomenten een kerkelijk en liturgisch karakter.

Wanneer later ook in de steden kloosters bij de belangrijke basilieken worden gebouwd, worden juist de monniken gezien als de dragers van de liturgie. Zij onderhouden alle zeven gebedstijden, terwijl de clerus zich dan beperkt tot de viering van de meer plechtige gebedsuren in de morgen en de avond.

Een neveneffect van deze ontwikkeling is, dat het onderhouden van regelmatige gebedstijden, wat eerst een integraal onderdeel van het geloofsleven van de gemeente was, uiteindelijk beschouwd wordt als een exclusieve taak van de geestelijke stand. De geestelijkheid (clerus en kloosterling) bidt als het ware plaatsvervangend voor de leken. Zo zeer zelfs, dat bij de gebedsdiensten ook met het gewone volk geen rekening wordt gehouden. De gebeden, de lezingen en de gezangen blijven in het Latijn plaatsvinden, ook daar waar het Latijn (al lang) niet (meer) de landstaal is. Pas tegen het einde van de middeleeuwen komen er getijdenboeken, waarin de gebeden en lezingen op een aan de leken aangepaste manier in de landstaal worden ‘vertaald’.

Van het dagelijkse morgen- en avondgebed van de gemeente zelf is dus in de middeleeuwen weinig meer overgebleven. In de moderne tijd zien we deze diensten wel weer terugkeren, maar uiteindelijk hebben deze alleen in de Anglicaanse traditie een min of meer vaste plek gekregen.

 

  • De middeleeuwen

In de middeleeuwen ligt in de zondagse morgendiensten de concentratie helemaal op de viering van de eucharistie, hoewel meer op de verering van het sacrament als dat de gelovige ook daadwerkelijk ter communie gaat. ’s Avonds worden er in de kloosters en kerken vesperdiensten gehouden. In het pastoraat en in het onderwijs wordt vooral een sterke nadruk gelegd op de zondag als een rustdag, waarop je niet mag werken en naar de kerk moet komen. Net als voor de sabbat bij de joden worden allerlei nauwkeurige voorschriften gegeven over wat toegestaan is of niet.

De kern van de middeleeuwse vroomheid is de verering van de hostie als het lichaam van Jezus. De mis wordt niet alleen op zondag, maar ook tijdens het morgengebed gevierd. Door de verering van de hostie en de wijding met het water hoopt men op wonderen als vergeving, een goede oogst, een voorspoedige geboorte, geluk in de liefde, bescherming tegen kwaad of rampen en op een zalige dood. Deze verering van het sacrament is gestimuleerd doordat er sinds de 13e eeuw een speciaal gebedsuur ingesteld is – ‘het Lof’ geheten – dat om 15.00 u op zon- en feestdagen plaatsvindt. Ook ontstaat er een speciale ‘sacramentsdag’, waarop in een grote processie de hostie door de stad wordt gedragen.

Naast deze gerichtheid op het lichaam en het leven van Jezus staan in de vroomheid ook Maria en de talloze heiligen centraal. Ook wordt aandacht gevraagd voor de biecht, de boetedoening en  het uitspreken van gebeden. Een voorbeeld van het laatste is dat sinds de 13e eeuw drie maal daags de klok geluid wordt, de Angelus-klok: in de avond, in de morgen en om 12 uur ‘s middags. Daardoor worden de gelovigen herinnerd het Ave Maria of het Onze Vader te bidden, gebeden die ook onderdeel zijn geworden van het rozenkransgebed. Op deze volksvroomheid speelt ook de Moderne Devotie in de late middeleeuwen in.

Niet alleen op de zondagen, maar ook op allerlei feestdagen wordt men in de kerk verwacht. Tegen het einde van de middeleeuwen telde men buiten de zondagen nog zo’n 43 feestdagen, welke ook in het burgerlijk leven door zondagsrust en het bezoeken van de erediensten gevierd dienden te worden.

De prediking is al sinds de 6e eeuw steeds meer uit de liturgie verdwenen, vaak omdat de meeste priesters niet in staat waren zelf een preek te maken. Als er al gepreekt wordt, is het vooral een moraalprediking, waarin allerlei ethische voorschriften worden gegeven en niet zozeer de bijbel wordt uitgelegd.

Vanaf de 12e eeuw komt er tegenbeweging op gang om het kerkvolk niet in bijgeloof en onwetendheid te laten afglijden. Priesters werden door synodes en theologen geïnstrueerd om de inhoud van de geloofsbelijdenis, het Onze Vader en de 10 geboden over te brengen. Deze uitleg vindt vanaf de preekstoel plaats en in de landstaal. Ook probeert men door spel en drama deze prediking te ondersteunen.

Zo ontstaat er in de late middeleeuwen op verschillende plekken een preekdienst in de volkstaal, die in de in het latijn uitgevoerde viering van de mis wordt ingeschoven. Omdat de misviering zo wel lang begon te duren, wordt dit nieuwe onderdeel soms ook wel uit de misdienst gelicht en afzonderlijk op een ander uur gehouden, ’s morgens of ’s middags in de kerk of in een naburige kloosterkerk van de Franciskanen of Dominicanen. Deze diensten die speciaal bedoeld zijn voor het godsdienstig onderwijs kun je zien als de voorlopers van de later ontstane Catechismus-diensten uit de tijd van de Reformatie.

Ook al is deze preekdienst nooit door de paus geautoriseerd, ze heeft in Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en ook in Engeland een grote verbreiding gekregen. In de liturgische handboeken staat die bekend als de ‘pronaus’. De liturgie zoals die in de 16e eeuw in de reformatorische kerken ontwikkeld is, heeft veel aan de opzet van deze preekdienst te danken.

 

  • De Reformatie

De intentie van de Reformatie is geweest om in de erediensten alle aandacht weer te richten op het woord van God en op de genade van God, die ons in dat woord beloofd wordt en in geloof ontvangen mag worden: sola scriptura, sola gratia en sola fide.

Eredienst betekent voor Luther niet dat God onze dienst nodig heeft en wij hem daarom moeten eren, of dat wij door die dienst onze zaligheid door ons offer in de eucharistie zouden moeten bewerken, maar betekent vooral dat God ons dienen wil door de verkondiging van het evangelie van de genade in Christus. In plaats van een concentratie in de eredienst op het sacrament en het ritueel komen de bijbel en de preek centraal te staan. Vervolgens krijgt de gemeente via het lied, het gebed, de belijdenis, het geven van gaven en het deelnemen aan het sacrament weer een zelfstandige rol in de eredienst in plaats dat de priester alle handelingen namens de gemeente verricht en als middelaar tussen God en gemeente functioneert. Tenslotte vindt heel de eredienst plaats in de landstaal, zodat iedereen mee kan doen, omdat men begrijpt wat er gebeurt.

Door Calvijn wordt het traditionele dagelijkse getijdengebed teruggebracht tot een Schriftdienst in de morgen en de avond. Daarbij vervangt hij de bediening van de mis door de bediening van het woord in de prediking. In Genève vinden deze diensten aanvankelijk plaats op dinsdagmorgen voor de uitleg van het Oude Testament en op maandag- en vrijdagavond voor die van het Nieuwe. In de loop van Calvijn’s leven is het aantal diensten uitgebreid tot dagelijkse diensten, met op woensdag een speciale morgendienst gewijd aan het gebed. In Straatsburg zijn er vanaf het begin van de reformatie al meteen elke dag drie getijdediensten: in de zomer om vier uur en acht uur in de morgen en vijf uur in de middag, in de winter om respectievelijk vijf, acht en drie uur.

De reformatoren schaffen de perikopen-ordening, waarbij korte gedeelten passend bij het kerkelijk jaar en de feestenkalender gelezen worden, af. Die bevatte meest een selectie uit het Nieuwe Testament en dan ook voornamelijk de evangeliën. Calvijn en Bucer kiezen voor een doorlopende lezing van de bijbel. Zo willen ze de hele bijbel in de harten van de gelovigen planten. Daarnaast willen ze door het zingen en bidden van de psalmen de gemeente weer bijbels leren bidden. Calvijn laat alle psalmen getoonzet op nieuwe melodieën in de Franse taal berijmen.

Wat de erediensten op zondag betreft zien we dat zowel ’s morgens als ’s middags als ’s avonds diensten worden gehouden.

In Straatsburg, de bakermat van de ontwikkeling van de gereformeerde liturgie, wordt in de jaren ‘30 van de 16e eeuw op de zondag eerst het dagelijkse morgengebed in de kathedraal gehouden. Daarna vindt de eredienst plaats waarin na de verkondiging ook doop en avondmaal gevierd kunnen worden. Onmiddellijk na het eten van twaalf uur wordt een tweede Woorddienst gehouden, waarna aansluitend een catechisatiedienst voor het onderricht van de kinderen is. Na deze twee diensten worden de avonddiensten of vespers gehouden in de wijkkerken. Deze bestaan uit het zingen van Psalmen, het uitspreken van gebeden en een collecte. Eventueel kan aan het eind van die dienst ook de doop worden bediend.

In Genève wordt in twee van de drie kerken op zondag bij het aanbreken van de dag gepreekt, waarna in alle drie kerken ’s morgens om negen uur een dienst is. Vervolgens wordt op zondagmorgen om twaalf uur gecatechiseerd voor de jeugd, terwijl er dan om drie uur in alle kerken weer een dienst wordt gehouden.

Voor gereformeerden in Nederland is de tweede dienst op de middag of avond nauw verbonden met de verkondiging uit de (Heidelbergse) Catechismus.

Dat is een traditie die al in de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen rond 1550 is ontstaan. Daar werden tijdens de 2e dienst op zondag twee preken gehouden: eerst één over een bijbeltekst,  daarna één over een catechismusgedeelte. Later is deze gewoonte ook in de Nederlanden door verschillende synoden eind 16e eeuw ingevoerd. Uiteindelijk werd in de kerkorde van Dordrecht (1619) in artikel 68 vastgelegd dat in de middagdienst de Heidelbergse Catechismus, onderverdeeld in 52 zondagen, als leidraad voor de prediking genomen diende te worden. Zo heeft de tweede dienst de afgelopen vier eeuwen als invulling en doel gehad om de gemeente vertrouwd te maken met de christelijke leer en het christelijke leven.

De tweede dienst zelf is dus geen eigen vinding van de Reformatie is. Een samenkomst van de gemeente in de zondagmiddag of -avond bestaat al sinds de vroege kerk. Het bijzondere in de 16e eeuw is, dat deze dienst in Duitsland en in de Nederlanden het specifieke karakter van een catechismusdienst krijgt.

Over het houden van de getijdendiensten heeft men zich in de Nederlanden op verschillende synoden eind 16e eeuw gebogen. In de roomse kerken werden de avondgebeden altijd als vesperdienst gevierd. Deze diensten bestonden destijds uit een korte bijbellezing met aansluitend een gebed. Wanneer in 1572 een aantal kerken van rooms gereformeerd waren geworden, kwam de vraag op of deze gehandhaafd moesten worden. Een deel van de gemeenteleden wilde dat graag en deed een verzoek om elke avond in de kerken een korte vesperdienst te houden.

In 1574 heeft de synode van Dordrecht daar een gedetailleerd besluit over genomen. Waar ze niet (meer) zijn, moet men ze niet weer opnieuw invoeren. Waar men in plaats van de roomse vesperdienst een avondgebed heeft ingesteld, moet men deze zo voorzichtig en stil mogelijk afschaffen. Duidelijk is dat men gemeenteleden niet voor het hoofd wil stoten of wil afstoten van de nu gereformeerde kerken. Als redenen voor dit besluit worden genoemd:

  • Dat men des te ijveriger de gewone zondagse woorddiensten zou bezoeken. Men mocht eens denken, dat elke avond een kwartiertje in de kerk voldoende was.
  • De huisgodsdienst moet onderhouden worden. Elke vader is verplicht om met zijn kinderen ’s avonds te bidden. Sommigen, die vroeger rooms waren, deden dat namelijk nooit.
  • Opdat de algemene gebeden op de vastendagen des te vuriger en plechtiger gehouden zouden worden. Die zouden door de vespers in de in de schaduw gesteld kunnen worden.

Kennelijk vervulden de dagelijkse vesperdiensten toch in een behoefte. Want op de bekende synode van Dordrecht in 1619 werd in art. 64 van de kerkorde opgenomen, dat elke kerk zelf mocht besluiten wat haar het meest stichtelijk leek. Wanneer men ze toch wilde afschaffen, mocht dat alleen gebeuren nadat het oordeel van de classis en van de overheid, mits die de gereformeerde religie toegedaan was, daarover was ingewonnen.

Toch zijn de dagelijkse vesperdiensten in de loop van de zeventiende eeuw langzamerhand geheel verdwenen. Het bleek praktisch onmogelijk de gehele gemeente elke avond bijeen te krijgen. Het  langst bleven ze nog op de zondagavond bestaan, zodat in sommige steden de zondagavonddienst nog lang het ‘zondagavondgebed’ genoemd is.

In ons land zijn in later tijd in de plaats van de avondgebeden bijbellezingen gekomen. In de 19e eeuw werden die in kringen van het Réveil ’s winters op een doordeweekse avond week gehouden om de bijbelkennis te vergroten. Men behandelde dan een bepaald bijbelboek of een aansluitend gedeelte daaruit. In evangelische kringen, b.v. bij de Vergadering der gelovigen, worden nog steeds bijbellezingen gehouden.

 

De 2e eredienst op de zondag

In november 2017 schreef ik op verzoek van de Raad van Oudsten van de Fontein, de Gkv Zwolle-West, een notitie over de tweede eredienst. Men wilde zich bezinnen op het gegeven, dat het aantal bezoekers van de middagdienst al jarenlang daalt.

In mijn notitie staan twee zaken centraal: wat is de functie van de zondag in het leven van ons als gemeente en wat is het karakter van het samenkomen van de gemeente op zondag.

Na een verkenning van de problematiek rond het dalend bezoek van de tweede kerkdienst in par. 1, sta ik in par. 2 stil bij de normatieve betekenis van de zondag voor ons als kerk. Daarna bied ik in par. 3 een schets van de geschiedenis van de tweede kerkdienst. Na een analyse van het karakter van de samenkomsten van de gemeente in par. 4, trek ik in par. 5 enkele conclusies en doe ik aanbevelingen.

De notitie is hier te vinden: Notitie – Over de 2e eredienst op zondag – 2017.

Schriftgezag

(Preek over art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met als thema: ‘Aanvaard de bijbel als Gods Woord’


  1. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?              

Waarom zou je de bijbel gaan lezen en luisteren naar wat daar in staat? Dat is de vraag, waar het vanmorgen/vanmiddag over gaat. Waarom hechten wij als christenen zo veel waarde aan de bijbel? Waarom zijn ze canoniek, d.w.z. waarom zijn ze normatief voor ons als christenen en hebben ze gezag?

Ik denk dat de meeste mensen hier in de kerk zullen zeggen: omdat de bijbel Gods woord is. Daarom is het belangrijk om je te verdiepen in de bijbel. Zo leer je God kennen. Zo kom je te weten wat hij wil, en welke plannen hij met ons en met deze wereld heeft.

Dat antwoord klopt. Inderdaad: door de bijbel leer je God kennen. Tegelijk ligt daar voor velen vandaag nog wel een probleem. Want hoe weet je nu dat de bijbel ook echt Gods woord is? Dat kun je als christen wel beweren, maar is het niet gewoon een menselijk boek? En als de bijbel een menselijk boek is, dan kan het zo maar zo zijn, dat er onwaarheden staan.

Mensen zijn feilbaar, maken fouten en vergissen zich. En dat niet alleen: mensen kunnen ook de boel verzieken, bewust verkeerde informatie geven,  er op uit zien om anderen te misleiden, fake-news de wereld in brengen. Hoe weet je dat dat bij de bijbel niet het geval is?

Dus: als de bijbel een menselijk boek is, dan is het maar de vraag, of je de informatie die daar gegeven wordt, wel kunt vertrouwen. En hoe kun je dat controleren, zeker bij zo’n boek dat meer dan 2000 jaar geschreven is? En ook nog door allerlei verschillende auteurs geschreven is. En die elkaar soms ook schijnen tegen te spreken. Waarom zou je aan die verhalen waarde hechten?

Ik weet niet of u deze vragen herkent. Of daar wel eens bij stil hebt gestaan. Ik hoop in ieder geval wel, dat u zich deze vragen voor kunt stellen.

Want dit is zoals er vandaag tegen de bijbel wordt aangekeken. Buiten de kerk vaak heel stellig. De bijbel: die hoef je niet serieus te nemen, of in ieder geval niet in alles, het is maar een menselijk boek, inspirerende verhalen misschien, wijsheid waar je soms wat aan hebt, maar verder ook niet. De bijbel als Gods woord, dat is hoogstens wensdenken, maar geen realiteit. 

Maar het is vooral belangrijk om zulke vragen te herkennen, omdat het ook vragen zijn, die binnen de kerk gesteld worden. Met name jongeren, die zich afvragen of ze wel geloven, zoeken antwoorden op zulke vragen. Maar het zijn niet alleen jongeren, die vragen over de bijbel hebben. Ik kom ook anderen tegen, ze hebben belijdenis gedaan en worstelen ook met deze vragen. En die zie ik, wanneer ze geen overtuigende antwoorden krijgen of als deze vragen worden weggewuifd, afhaken van het geloof.

Vandaar dat het goed is om bij deze vraag stil te staan. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?


  • 2. Vanwege het getuigenis van de Heilige Geest 

Wat zou het eerste antwoord zijn, als jou die vraag aan gesteld wordt: Waarom is de bijbel Gods Woord?

Ik denk dat de meesten zullen zeggen: door de inspiratie. Omdat de bijbel geïnspireerd is door de Heilige Geest. Dat is het ‘bewijs” dat de bijbelboeken, die door mensen zijn geschreven voor ons nu Gods Woord zijn.

Nu is het opvallende, dat als de Geloofsbelijdenis een antwoord geeft op die vraag, dat ze niet naar het ontstaan van de bijbel verwijst – door middel van inspiratie – maar naar de inhoud van de bijbel zelf.

De geloofsbelijdenis zegt: lees de bijbel maar, dan zul je ontdekken dat wat daarin geleerd wordt van God komt. De bijbel is Gods woord, omdat daarin de geschiedenis van de openbaring van God in vastgelegd is. Dat is wat de Geloofsbelijdenis in art. 3 ook al naar voren bracht. Die hebben we niet gelezen, maar daar wordt 2 dingen over Gods Woord gezegd.

Allereerst, dat het Woord van God, waaruit wij God kennen, niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt. De profeten in de tijd van het Oude Testament hebben namens God gesproken, ze spraken niet namens zichzelf. Mozes, David, Salomo, Jesaja en al die andere profeten. Ze spraken namens God. En voor de tijd van het Nieuwe Testament geldt het zelfde. Allereerst natuurlijk Jezus, die namens God sprak: hij was het Woord van God in levende persoon. En het geldt ook voor de apostelen: ze spraken namens en in opdracht van God. Gedreven door de Heilige Geest.

Daarna, als tweede heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en voor ons behoud geboden om die namens Hem gesproken woorden ook op schrift te stellen. En dan krijgen we in het Oude Testament de vijf boeken van Mozes, de Vroege Profeten (Richteren, Ruth, Samuel, Koningen) en de Late profeten, Jesaja, Jeremia, Ezechiel, Daniel en de twaalf kleine profeten, en als derde categorie de Geschriften. zoals de Psalmen, Job, Hooglied enz. En in het Nieuwe Testament de evangeliën en Handelingen, de brieven van de apostelen als Paulus, Jakobus, Petrus en Johannes en tenslotte Openbaring van Johannes.

Deze boeken worden ‘heilige en goddelijke Schriften’ genoemd. Niet omdat ze onder inspiratie zijn geschreven, maar vanwege de inhoud: omdat ze de woorden van de profeten en apostelen bevatten, die namens God Zijn boodschap en Zijn woorden aan de mensen overgebracht hebben.

Daar gaat het om: vanwege die inhoud zijn deze boeken waardevol en hebben ze gezag. Dat is wat art. 5 dan ook opnieuw zegt. Deze boeken ontvangen wij als ‘heilige en canoniek’, d.w.z. als normatief, ‘omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn’. En het bewijs daarvoor is niet zo zeer de inspiratie, maar dat ligt in de boeken zelf! In hun inhoud.

Lees de bijbel maar, dan zie je dat de boodschap van de bijbel van God komt. Al lezende zal de Heilige Geest je er van overtuigen dat deze boeken van God komen. Die boodschap van verlossing en van behoud, dat verzinnen mensen zelf niet, – dat God mens werd in Jezus en dat in zijn dood aan het kruis redding is – maar die komt uiteindelijk bij God zelf vandaan.


  • 3. Zo werkt God in deze wereld

Zijn Geest doet het werk. Die zorgt er voor, dat wanneer mensen de bijbel lezen ze oog krijgen voor de Goddelijke oorsprong van de boodschap van de bijbel.

Dat is ook wat Paulus schrijft in zijn brief aan de Thessalonicenzen. Hij is in Thessalonika gekomen. Gezonden door Christus zelf heeft hij ze het evangelie gebracht, met gevaar voor zijn eigen leven. Ze hebben zijn verkondiging gehoord en ze hebben die aanvaard. Niet als mensenwoord, maar als Woord van God voor hen. Niet omdat hij zo’n geweldige spreker was of vanwege zijn optreden, maar omdat de kracht van de Heilige Geest hen zelf overtuigde. 

En God gebruikt niet alleen Paulus’ verkondiging, maar ook zijn hele persoon, in wie hij is. Paulus brengt een boodschap van verzoening en liefde van God voor hen. God heeft hen uitgekozen en hen lief. Maar Paulus verpersoonlijkt die boodschap ook. Hij is toegewijd, oprecht en zuiver ten opzichte van de Thessalonicenzen. Paulus heeft hen lief en spoort hen aan als een vader zijn kinderen. Hij is niet autoritair, claimt geen gezag, maar door zijn woorden en door zijn gedrag krijgt hij erkenning als de apostel en gezondene door Christus zelf.

En ook al moest Paulus overhaast vertrekken vanwege de dreiging van de Joden, toch stuurt hij na enige tijd Timoteüs naar hen. Omdat hij wil weten hoe het ze vergaat, nu ze tot geloof zijn gekomen. Namens Paulus moet Timoteüs doen, wat Paulus zelf graag had willen doen: hen bemoedigen en hun geloof versterken.

Dat is de manier hoe God werkt in deze wereld. God schakelt mensen in om zijn boodschap van redding in deze wereld te communiceren en te belichamen. Het meest duidelijk werd dat in de woorden en het daden van Jezus, toen hij hier op aarde was. Hij was het Woord van God. Zo kwam God heel persoonlijk dichtbij. In de kracht van Gods Geest.

En wanneer Jezus weer naar zijn Vader teruggaat, dan zendt hij zijn leerlingen als apostelen de wereld in. Nu moeten zij die boodschap van redding verkondigen en belichamen als zijn navolgers. Zij moeten namens hem het evangelie dat hen toevertrouwd is. bewaren door in geloof en in liefde te leven, maar ook dat evangelie verkondigen aan ieder die er naar wil luisteren.

De apostelen vervolgens op hun beurt vertrouwen dat evangelie toe aan hun leerlingen en medewerkers. Zoals Paulus b.v. aan het einde van zijn loopbaan Timoteüs de opdracht geeft om als zijn navolger het pand dat hem is toevertrouwd zorgvuldig te bewaren en daarvan uit te delen en door te geven.

Zo werkt God via mensen, maar ook via de geschriften, waarin die openbaring van God, zijn grote verlossingsdaden en zijn woorden vastgelegd zijn. Het Oude Testament als verslag van de geschiedenis van God met zijn volk Israël, het Nieuwe Testament als het verslag van de geschiedenis van Jezus en van het ontstaan van de eerste christelijke gemeenten in deze wereld.

Mensen die spreken namens God èn bijbelboeken die getuigen van Gods werken en daden: dat zijn de middelen die de Geest gebruikt om zijn boodschap te blijven communiceren en om Gods plannen met deze wereld te verwezenlijken, de eeuwen door, tot op vandaag.

Zo werkt God en zo spreekt God in deze wereld, door de kracht van Zijn Geest.


  • 4. Gebruik daarom de bijbel als ondersteuning van je geloof    

Zo kom ik terug bij die vraag waar ik mee begon: waarom is de bijbel canoniek, normatief en waardevol voor ons als christenen? Het antwoord dat we gevonden hebben is: de bijbel is waardevol en heeft gezag, omdat daarin de boodschap van onze redding en van heil verkondigd wordt. God gebruikt deze boeken om zijn liefde en zijn beloften voor ons te communiceren. En om die boodschap ook echt in ons hart en leven te laten landen. En dat doet hij doordat hij zelf met zijn Geest in het lezen van de bijbel meekomt en zo in onze gedachten en in ons leven werkt, omdat Hij zo ons leven wil transformeren tot navolgers van Hem en van Christus.

De bijbel bestaat gewoon uit menselijke geschriften, geschreven in een bepaalde tijd en binnen een bepaalde cultuur, in de wereld van Egyptenaren, Filistijnen, Kanaänieten, Babyloniërs, Grieken en Romeinen van 2 tot 3 duizend jaar geleden. Een tijd en cultuur waar wij ons ook in moeten verdiepen, willen we de betekenis van deze boeken en teksten ten volle begrijpen.

En dan kan het af en toe ook wel botsen. Het bijbels wereldbeeld is een andere dan het wetenschappelijke wereldbeeld waarin wij leven. De mentaliteit en zeden in die cultuur is een andere dan die van ons vandaag. De samenleving anders opgebouwd dan bij ons. Daar een patriarchale samenleving, waarin de man over de vrouw heerst, terwijl wij in een samenleving leven waarin man en vrouw veel meer gelijkwaardig zijn. Daar moeten we wat mee. We kunnen niet zeggen: omdat het in de bijbel zo beschreven staat, is het ook Gods Woord en Gods wil voor vandaag dat mannen over vrouwen heersen.

Zo hebben we in de loop van de tijd geleerd de bijbel anders te lezen. Wij hebben geleerd dat polygamie niet normaal is, ook al was het in de tijd van het Oude Testament gebruikelijk. Wij zijn anders over slavernij gaan denken. Wij zijn ervan doordrongen geraakt dat God man en vrouw gelijkwaardig geschapen heeft. Wij hebben leren zien, dat het verhaal van de schepping zoals Genesis dat vertelt niet bedoeld is om een wetenschappelijke uitleg daarvan te geven. Schepping als Gods werk en processen van evolutie kunnen naast elkaar bestaan.

Dat kan: omdat de bijbel geen handboek voor wetenschap is of een geschiedenisboek zoals wij geschiedenis beschrijven. De bijbel spreekt op een ander niveau en met andere middelen. Het is een boek, waarin wij zicht krijgen op God, op Zijn wereld, op Zijn plannen met onze wereld. Het is een boek, dat zich concentreert in Zijn openbaring in Jezus Christus tot ons behoud. Dat is het centrum van de Godsopenbaring, waar het Oude Testament al naar toewerkt en naar uitkijkt en waar het Nieuwe Testament verslag van doet.

Zo is de bijbel bedoeld als een boek, dat vertrouwen en geloof in God en in Jezus wil wekken en dat ons geloof wil ondersteunen en doen groeien. Dat is dan ook de blikrichting van waaruit wij de bijbel moeten lezen. Stem in de bijbel af op het hart van Jezus. Want de bijbel is een boek, waarin beloften van God voor ons klinken en waarin God zijn relatie van liefde met ons en de wereld wil verhelderen en waarin hij die relatie via Jezus wil vormgeven. Daarin is de bijbel normatief en daarom heeft hij gezag. Zo is de bijbel Gods Woord voor ons. Zo wordt ook deze gezaghebbende leer van de bijbel verder in het vervolg van de Geloofsbelijdenis samengevat en uitgelegdt, beginnend met de wie de drie-enige God is in art. 8 tot aan de wederkomst van Christus in art. 37.

In de woorden van de Geloofsbelijdenis zelf: de bijbel is geschreven tot ons behoud. De Geest die door de profeten, door Jezus en door de apostelen gesproken heeft, wil via het getuigenis van deze canonieke bijbelse geschriften ook vandaag, door de kracht die Hij daarin legt en meegeeft, ons overtuigen en in onze harten doordringen om die boodschap van liefde te laten landen. Zo wil hij ons leven via de bijbel transformeren. Daarin ligt het gezag van de Schrift. Zo worden we in de geloofsbelijdenis aangespoord om deze boeken van de bijbel als Gods Woord in geloof te ontvangen en te aanvaarden.


Liturgie d.d. 06-10-2019 – GKv Baflo (morgendienst)  // Gkv Ommen (midddagdienst)

  • Votum en zegengroet
  • Zingen: GKB Psalm 33 : 1 en 2
  • Lezen:  1 Thes. 1: 1-5a, 2: 1-4 en 9-13 en 2 Tim. 1: 13-14 en 3: 14-17
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 305 : 1 en 2 (Waar God de Heer zijn schreden zet)
  • Lezen: NGB Art. 4 t/m 6
  • Preek
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 314 : 1 en 2 (Gij die gelooft, verheugt u samen)
  • Wet: 1 Thes. 4 : 1-12 // Zingen: NPB Psalm 119 : 32 (Richt mij op U)
  • Gebed
  • Apostolische Geloofsbelijdenis / LvK (1973) Gezang 314 : 3 en 4 (Nabij of ver)
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 326 : 1 en 2 (Een rijke schat van wijsheid)
  • Zegen

Het lichaam van Christus onderscheiden

(Preek over 1 Kor. 11, 17-34 bij de viering van het Avondmaal)

Wat doe je wanneer je als gemeente het Avondmaal viert? Waar gaat het om bij het Avondmaal? Wat is de kern en het centrum? Bij deze vragen wil ik vanmorgen als voorbereiding op de viering speciaal stil staan.


Dat zijn ook de vragen, die Paulus aan de Korintiërs stelt. Weten jullie wel wat jullie aan het doen zijn, wanneer jullie bij elkaar komen om te eten? Is dat nu een maaltijd van de Heer?

Wat is er aan de hand in Korinte? In Korinte is een kerk ontstaan door de verkondiging van Paulus. Samen met Silas en Timoteüs heeft hij er een anderhalf jaar gewerkt. Zo zijn er nu verschillende huisgemeenten, die samen de gemeenschap van christenen in Korinte vormen. 

Een gemeenschap met leden van verschillende achtergrond en afkomst, Joden en heidenen, Grieken, Romeinen, en met verschillende sociale en maatschappelijke posities: enkele rijken, maar voor het grootste deel hadden ze weinig of geen middelen van bestaan, en waren het slaven, arbeiders, soldaten, ambachtslieden (m/v).

Paulus is ondertussen al weer een jaar of drie weg, maar hij staat nog wel in nauw contact met de gemeente en hij hoort dus ook over het wel en wee daar. Dat is de aanleiding om zijn brief te schrijven. Er is namelijk verdeeldheid en er zijn misstanden. Eén daarvan is de manier waarop ze avondmaal vieren. Ze vieren die op een manier, waaruit blijkt dat ze de betekenis daarvan niet vatten. De viering bouwt de gemeenschap niet op, maar doet juist afbreuk aan de onderlinge verbondenheid.

Het was gebruikelijk om op de zondagmorgen vroeg bij zonsopgang bij elkaar te komen en aan het eind van de middag opnieuw. Dan werd er eerst gezamenlijk de hoofdmaaltijd van de dag gebruikt, waarna er een soort gebeds- en eredienst was. Zo’n bijeenkomst bestond op zijn hoogst uit zo’n 30 tot 40 mannen en vrouwen.

In die tijd was het normaal als men met elkaar at, dat er een hiërarchie was. De belangrijkste personen zaten op banken dicht bij de gastheer- of vrouw en kregen het beste eten als teken van speciaal eerbetoon. En als er niet genoeg plek was, dan moesten de minder belangrijke personen maar staan, of wat achteraf tegen de muur zitten of daarnaast in de open ruimte midden in het huis, met bord op schoot. Voor de slaven waren de restjes van de maaltijd.

Ook was het niet vreemd om herinneringsmaaltijden voor bekende personen te houden of maaltijden ter ere van een godheid, waarbij flink gegeten en gedronken werd.  

Kennelijk was de macht van deze oude gewoonten in Korinte nog te sterk. Als men bij elkaar kwam zetten status en positie toch nog de toon. Want als men in het huis van een rijke samenkwam, die daar de ruimte voor had, waren die ook de gastheer- en vrouw en bepaalden zij de regels van hoe de maaltijden gehouden zouden worden.

De een kreeg meer, de ander kreeg minder, en sommigen werden dronken, terwijl degenen die niets of weinig hadden moesten wachten tot de anderen uitgegeten waren. En zelfs ontbraken nog enkelen, omdat zij eerst als slaaf het werk van de dag voor hun meesters moesten afmaken.

Tijdens zo’n maaltijd dan ook nog het sterven en de opstanding van Jezus herdenken door het brood te breken en de zegening over de beker van de dankzegging uit te spreken? Dat kan niet. Dat is een totale miskenning van waar het in Jezus bij de instelling van het Avondmaal om gaat. Het is een onwaardige en een beschamende vertoning. Jullie beseffen niet dat het om het lichaam van Christus gaat, schrijft Paulus.

Paulus bedoelt met deze uitdrukking vooral te zeggen, dat dit gedrag haaks staat op wat Jezus beoogde. Jezus gaf zichzelf in de dood ten behoeve van zijn leerlingen en zijn toekomstige gemeente, juist om hen op te nemen in het Nieuwe Verbond. En dat houdt in – zo schrijft Paulus straks in het volgende hoofdstuk -, dat ‘wij allen in één Geest gedoopt zijn en één lichaam zijn geworden. Wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn.’ We delen allen gelijkelijk in het voorrecht om kinderen van God te worden en te zijn, en om ook zo behandeld te worden.

Van de bijzondere maaltijd om dat feit te gedenken maken deze Korintiërs een karikatuur. Ze gaan lijnrecht tegen Gods bedoeling in. Waar alle leden van de gemeente met eer en respect behandeld moeten worden, omdat zij allemaal deel zijn van Christus’ lichaam, vernederen zij hen die een lagere status hebben en geven zij elkaar als mensen van stand en invloed de eer van gelijken. Daarmee hebben zij het oordeel van God over zich afgeroepen.

Er is maar één remedie tegen dat Godsoordeel.

Paulus roept de welgestelde Korintiërs op om de scheidslijnen in status op te geven en de armere leden als gelijkwaardige deelgenoten aan de maaltijd te ontvangen, zodat ook zij hun honger kunnen stillen en zodat zij dan samen, in die houding van gelijkwaardigheid, op een waardige wijze het brood kunnen breken en uit de beker kunnen drinken als herinnering aan wat Jezus voor hen allen gerealiseerd heeft.


Daarmee ben ik terug bij die vraag, die ik aan het begin stelde: wat is de kern van de viering van het sacrament van het avondmaal. Centraal is dat wij in het brood Christus ontvangen, omdat Christus als gastheer ons ontvangt en ons in het brood zichzelf aan ons geeft. Wij gedenken in de viering dat Christus met zijn dood aan het kruis een nieuwe verbond tot stand gebracht heeft en dat wij daarin opgenomen zijn en nu bij God mogen horen. Avondmaal vieren is zo een bevestiging en een dikke streep onder je doop. Je bent werkelijk met Christus verbonden, je bent van Hem.

Maar de keerzijde daarvan is dat je tegelijk door de doop ook opgenomen bent in het lichaam van Christus. Je ben ingeschreven als burger van Gods koninkrijk en maakt deel uit van Gods volk. Het ontvangen van Christus in het brood kun je daarom niet los maken van het feit dat je deel bent van Christus’ lichaam. In het ontvangen van het brood ontvang je tegelijk je naaste als je broer en je zus in Christus. Christus onderstreept dat doordat wij allen van hetzelfde brood eten en doordat wij uit de beker dezelfde wijn drinken.

Het avondmaal beeldt uit en maakt zo zichtbaar dat wij door het brood zowel verbonden zijn met Christus als met elkaar. Beseffen dat het in het avondmaal om het lichaam van Christus gaat betekent dan ook, dat we deze twee dingen niet van elkaar los mogen maken. In het avondmaal gaat het zowel om de verbondenheid met Christus als die met elkaar.

Christus plaatst ons in de viering naast elkaar, ieder in onze eigenheid, met onze persoonlijkheid en onze individualiteit. Zo vormen we straks een rij en ontvangen wij Christus en daarin elkaar als het lichaam van Christus.

Dus als jullie straks die rij vormen, besef dan dat het gaat om het lichaam van Christus. Kijk maar om je heen om te zien wie die broer is en wie die zus is die naast je staat. En denk als je straks weer thuis bent er over na, wat het betekent, dat je opnieuw met hen in het avondmaal verbonden bent geraakt.

Welke verantwoordelijkheid geeft Christus aan jou, als je vandaag hier in de Fontein samen het avondmaal viert? En hoe maak je die verantwoordelijkheid het komende seizoen waar? Hoe ga jij die gastvrijheid voor elkaar en die verbondenheid met elkaar vorm geven? De gaven die jij gekregen hebt – financieel, materieel, of je tijd, je energie, je aandacht -, inzetten voor het lichaam van Christus?

Paulus windt er geen doekjes om. Je kunt niet het brood en de wijn ontvangen en vervolgens je broer of zus links laten liggen. Want dan maak je van het avondmaal een aanfluiting en zul je, ook al neem je deel aan de viering, Christus niet ontvangen.

Dit is dus het doel van de viering van vandaag: dat je in het ontvangen van Christus bij zult dragen aan de opbouw van zijn lichaam hier in Zwolle-West. Moge God jullie daarin zegenen.

Amen.


Liturgie GKv Zwolle-West d.d. 10 september 2019, de morgendiensten:

  • Votum en zegengroet
  • Zingen: GKB Psalm 63 : 1 en 2 (O God, mijn God, ik zoek uw hand)
  • Gebed
  • Lezen: NBV 1 Kor. 11 : 17 – 34
  • Zingen:  ELB Lied 422 (Als je geen liefde hebt voor elkaar)
  • Verkondiging
  • Zingen: ‘Breng ons samen’ van Sela (= U roept ons samen als kerk van de Heer)
  • Viering:
    • Instellingswoorden
    • Tijdens lopende viering zingen: Opw Lied 706 (Zie hoe Jezus lijdt voor mij)
    • Dankzegging en voorbeden
    • Zingen: LB Lied 654 : 1 en 6 (Zing nu de Heer, stem allen in)
  • Collecte
  • Zingen: GKB (2006) Gezang 161 :  2 en 4 (‘k Geloof in U, Heer Jezus, geboren uit de maagd)
  • Zegen

Hermeneutiek en het ‘m/v-besluit’

De kern van het verschil in visie op ‘m/v en ambt’ in de GKv is het ontbreken van een gedeelde visie op de ‘hermeneutische vertolking’. Daarmee bedoel ik dat er geen consensus is hoe je wat betreft de vraag naar ‘vrouw en ambt’ een geldig beroep op de bijbel kunt doen en zo de gehoorzaamheid aan Gods woord vorm geeft. Deze stelling wil ik illustreren met verwijzing naar de visie van dr. Gert A. van den Brink op hermeneutiek, openbaring en bijbel lezen, die juist door verontruste GKv-ers vanwege de daarin tot uitdrukking komende Schriftbeschouwing zeer gewaardeerd en gepromoot wordt.  

Sinds 2017 heeft dr. Van den Brink in een tweetal lezingen zijn visie gegeven op het besluit van de Generale Synode van Meppel om in de GKv het ambt voor de vrouw open te stellen. In die lezingen werkt hij de kritiek uit op de bundel ´Gereformeerde hermeneutiek vandaag´ (GHV)[i], zoals hij die ook kort in het Reformatorisch Dagblad bij het verschijnen van de bundel geuit heeft.

Dat dr. Van den Brink kritisch is op het m/v-besluit is niet verwonderlijk. Hij is Hersteld Hervormd predikant in Rotterdam-Kralingse Veer. Dat is een kerk waarin de voorschriften van Paulus over m/v zo gelezen worden, dat vrouwen tijdens de eredienst hun hoofd bedekken. Instemmen met de vrouw in het ambt is dan zeker niet te verwachten.

Ik duid de kritiek van dr. Van den Brink zo, dat hij betwist dat de ‘hermeneutische vraagstelling’ in kerk en theologie een legitieme plek mag hebben. Daar ligt m.i. een andere visie ten grondslag op de rol van de bijbel in de wijze waarop God zich openbaart en ook vandaag zijn wil bekend maakt.

Ik schets eerst de visie van dr. Van den Brink (par. 1), vervolgens geef ik daar een beoordeling van (par. 2), en ten slotte maak ik enkele afsluitende opmerkingen over de kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv.


1.  De visie van dr. Van den Brink[ii]

1.1.  Verschil in hermeneutiek-opvatting

Dr. Van den Brink stelt de hermeneutiek van de ‘GHV’ tegenover de ‘gereformeerde hermeneutiek’. Hij vindt dat in de ‘GHV’ een ‘nieuwe’ hermeneutiek naar voren komt, die haaks staat op de gereformeerde hermeneutiek.

Traditioneel ligt in de gereformeerde hermeneutiek de focus op de uitleg en interpretatie van de bijbel zelf d.w.z. de methode om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’ of ´sense´) van de bijbel (een vers, perikoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. In de ‘GHV’ staat de vraag naar het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst (= relevantie of ‘significance’) centraal. Dat is de vraag naar de vertolking en de toepassing van de bijbel voor vandaag.

Het mag duidelijk zijn dat het doel van de twee vormen van hermeneutiek verschillend is. Zoals dr. Van den Brink aangeeft ligt achter die verschillende doelstellingen ‘ongeveer de oude indeling van uitleg en verklaring van de tekst en de toepassing, explicatio en applicatio.’

Dr. Van den Brinks bezwaar tegen de ‘GHV’ is, dat daarin de aandacht verlegd wordt ‘van ‘meaning’ naar ‘significance’, van de betekenis (‘meaning’) van de tekst naar de betekenis (‘significance’) voor de gelovige’. Volgens hem gaat de bundel: ‘niet zozeer (zoals de lezer zou verwachten) over het begrijpen van de inhoud van de Bijbel, maar over Godsverstaan, wereldverstaan, zelfverstaan, Schriftverstaan. De nadruk ligt daarmee niet op God als de eerste Auteur van de Schrift, maar op de gelovige hoorder.

Daarom pleit hij voor een terugkeer naar de doelstellingen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ alleen.

1.2.  Afwijzen van de ‘hermeneutische vraagstelling’?

Dr. Van den Brink lijkt met zijn kritiek op de ‘GHV’ de noodzaak en het recht van de ‘hermeneutische vraagstelling’ af te wijzen. Volgens hem vormt namelijk: ‘niet het begrijpen, maar het gehoorzamen van Gods Woord het wezenlijke probleem. Gods openbaring in Zijn Woord is immers helder en duidelijk voor ieder die het leest.

Met andere woorden: in zijn optiek is een vaststelling van de ‘meaning’ van de bijbeltekst voldoende en is bezinning op de ‘significance’ van de gevonden ‘meaning’ niet nodig. Het stellen van die vraag lijkt hij is als ongehoorzaamheid aan de duidelijke boodschap van de bijbel als Gods Woord te typeren. De ‘significance’ is met de ‘meaning’ van de bijbel gegeven:

Wij moeten de ‘meaning’ en ‘significance’ simpelweg bij elkaar houden. Als toen wat gezegd was, en we lezen dat en begrijpen de zin, heeft dat ‘significance’, heeft dat relevantie voor ons. Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’ Je kunt niet zeggen: o.k., ik snap de tekst, maar onze situatie is anders, dus wij kunnen het daar bij laten en het is voor ons niet meer relevant.

De zwijgteksten in combinatie met – zoals een mede-predikant uit de Hersteld Hervormde Kerk het verwoordt – ‘het Bijbelse onderscheid tussen man en vrouw en de verschillende roeping die zij hebben[iii] zijn voldoende duidelijk om de vrouw niet tot het ambt toe te laten.

1.3.  Visie op openbaring

Wanneer dr. Van den Brink zijn visie op openbaring geeft, lijkt het er op dat hij een pleidooi voert voor de gelijkstelling van ‘significance’ en ‘meaning’. Hij gaat voor wat hij noemt de ‘oude visie’ op openbaring, waarin gezegd wordt: ‘in de bijbel worden waarheden geopenbaard en met het afsluiten van de canon staan die waarheden vast. Er komt niets nieuws bij.

In zijn recensie van de ‘GHV’ ziet hij in die bundel een andere visie op openbaring: ‘De focus lijkt niet meer te liggen bij het spreken van God in Zijn Woord, waarmee Hij bepaalde waarheden onfeilbaar en adequaat heeft bekendgemaakt.

De bijbel is een uniek boek, dat een dubbel auteurschap kent. Naast de menselijke auteur is de Heilige Geest de eerste auteur. Ook al heeft Paulus misschien niet aan ons gedacht toen hij zijn brieven schreef, de Heilige Geest wel toen hij Paulus inspireerde:

Dus alles wat Paulus geschreven heeft als auteur van de bijbel, gaat verder dan die situatie alleen. Ook wij worden rechtstreeks in de bijbel geadresseerd. Het gaat niet alleen over de situatie van de mensen toen en daar, maar het gaat ook over onze situatie hier en nu. De bijbel is dus bij voorbaat toereikend.

Voor de exegese betekent dit, dat je ‘dat in de Schrift [moet] zien te vinden, wat de bedoeling van de Heilige Geest was’:

Dat dubbele auteurschap geeft een hele andere dynamiek en richting aan de manier waarop je bijbel leest. Veel minder als een tijdgebonden en een tijdbepaald boek, maar integendeel een boek dat ook voor onze situatie en levensomstandigheden zeer toepasselijk is.

In de bijbel is de ‘significance’ al opgenomen. Vandaar dat de exegese om de ‘meaning’ te vinden voldoende is om het doel van het lezen van de bijbel te bereiken: ‘Als ik de Bijbel lees, moet ik .. weten hoe ik  ..  de betekenis vind die God mij wil bekendmaken.’

Dr. Van den Brink verwijst dan naar bekende teksten als Rom. 15:4: ‘Alles wat vroeger geschreven is, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften, zouden blijven hopen.’ En 2 Tim. 3:16: ‘Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ Waar hij vanwege het ‘alles wat geschreven is’ en ‘elke schrifttekst’ de conclusie aan verbindt: ‘Dus elke tekst waar je de ‘meaning’ van begrijpt, heeft dus ‘significance’ en relevantie voor ons.

Met deze visie op openbaring correspondeert de ‘oude’ hermeneutiek, die volgens hem in onderscheid tot de ‘nieuwe’ hermeneutiek inzet op waarheid, een waarheid die geloofd en gedaan moet worden. Dr. Van den Brink verwijst bijvoorbeeld naar Jezus’ uitspraken over de wet:  

‘Matt. 5:18, waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, zolang de hemel en aarde bestaan, zal elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn”. Dus daar zien we iets van de morele structuur van de wet van God, want de wet van God geldt voor alle tijden en alle plaatsen, en die komt tot zijn vervulling, tot zijn bestemming, als wij ons daar naar richten.’

Toch is er niet alleen het ‘sola scriptura’, omdat Gods geboden niet alleen te vinden zijn in de bijbel, maar ook in de ‘structuur van de schepping’, waarmee hij kennelijk doelt op het onderscheid tussen man en vrouw in de scheppingsorde:

Waar ik bang voor ben, is dat er willekeur ontstaat, willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet. Dat er pragmatisme is: we doen datgene wat de optimale stap is in de goede richting. Dat er relativisme is: dat we niet meer de objectieve geboden en de objectieve morele structuur van Gods schepping accepteren. Op deze manier kun je, als je wilt, alle geboden kritiseren.’

1.4. Visie op bijbel lezen

Wat betekent deze visie op de openbaring met zijn nadruk op de ‘objectiviteit’ en de ‘waarheid’ van de bijbel voor de manier waarop je de bijbel leest?

In de praktijk laat dr. Van den Brink zien, dat hij de bewijsteksten-methode (‘loca probantia’) hanteert om bepaalde dogmatische uitspraken en stellingen te beargumenteren. Ter verdediging van zijn pleidooi voor alleen de ‘gereformeerde hermeneutiek’ onderbouwt hij zes stellingen met meer dan 60 teksten uit de bijbel, waarbij hij geen onderscheid maakt in genre (geschiedenis, wet, psalm, profetie of brief) en geen aandacht schenkt aan de historische en literaire context, waarbinnen de citaten staan en waarin ze hun betekenis krijgen.[iv]

Toch erkent dr. Van den Brink op een bepaalde manier dat je niet zo maar elke tekst kunt citeren en die als ‘significance’ voor vandaag kunt presenteren, want hij maakt een onderscheid tussen ‘naïef’ en ‘kritisch biblicisme’:  

Je hebt naïeve biblicisten, mensen die zeggen: verstand op nul, ik lees hier dit, zo moeten we het doen. Dat kan niet waar zijn. We lezen tijdbetrokken, we leven heden ten dage. Ik noem dat kritisch biblicisme. Maar ik wil mij onderwerpen aan wat de bijbel zegt. Als mensen dat biblicisme vinden, dan accepteer ik dat maar. Maar liever dat, dan dat wij het woord van God terzijde zouden werpen. Dus, wij moeten niet al te bang zijn voor dat woord ‘biblicisme’.

Ook erkent hij dat er in de bijbel tijdgebonden voorschriften staan. Zijns inziens geeft de bijbel echter zelf aan wat tijdgebonden is of niet. Volgens hem is het een zaak van exegese om dat vast te stellen. Zo gauw er hermeneutische overwegingen in het spel komen, wijst hij die af:

Als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van exegetische overwegingen, mogen en moeten we naar die argumenten luisteren. Als iemand zegt: ‘Ik lees 1 Tim. 2 of 1 Kor. 14 en ik denk dat dit gedeelte dat betekent’, luisteren, het gesprek aangaan, dat is exegese, dat is op zoek naar de bedoeling van dit gedeelte en dus op zoek naar de stem van God in dat gedeelte.  .. Maar als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van hermeneutische overwegingen, is er reden tot grote zorg.

Op welke wijze je in je exegese methodisch kunt onderscheiden tussen ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme, blijft bij dr. Van den Brink onduidelijk. Een bezinning daarop wijst hij als ‘hermeneutisch’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ van de hand.


2.  Beoordeling

2.1. Verschil in hermeneutiek-opvatting

Er is geen reden om de ‘gereformeerde hermeneutiek’ en de ‘GHV’, vanwege het feit dat ze een andere doelstelling hebben, tegen elkaar uit te spelen of tegen over elkaar te plaatsen, laat staan om één ervan daarom ‘ongereformeerd’ te noemen.[v]

M.i. brengt dr. Van den Brink in zijn kritiek op de bundel ‘GHV’ uit 2017 ten onrechte niet in rekening dat die bedoeld is als aanvulling op de eerdere publicatie ‘Gereformeerde theologie vandaag[vi] uit 2004. Beide bundels vormen een tweeluik.

In de ‘GHV’ is wat dr. Van den Brink noemt de ‘oude’ hermeneutiek voorondersteld. Als vervolg daarop richt de ‘GHV’ zich nu m.n. op de vraag wat de relevantie, geldigheid en toepasbaarheid van de bijbel voor vandaag (‘significance’) is, nadat je de inhoud of betekenis (‘meaning’) van de bijbel (volgens de principes van de traditionele gereformeerde hermeneutiek) begrepen hebt. De ‘GHV’ beoogt daarin aan te sluiten ‘bij de hermeneutische principes die in de gereformeerde tradities altijd normatief zijn geweest’.[vii]

De claim van de ‘GHV’ is niet, zoals dr. Van den Brink suggereert, dat ‘wie vandaag nog gereformeerd wil zijn van hermeneutiek moet veranderen’, zodat ‘[d]e hermeneutiek van het postmodernisme mag worden gebruikt om de Bijbel te interpreteren.’

Dr. Van den Brink vult het begrip ‘significance’ zelf op zo’n manier in, dat hij het vervolgens als postmodern en relativistisch kan afwijzen, terwijl hij suggereert dat de ‘GHV’ dit begrip op die manier gebruikt: ‘Dus daar wordt gezegd: betekenis wordt niet in de tekst ontdekt, maar aan de tekst verleend. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind dit een belangrijk gedeelte.’ ‘Dit spreekt mij aan, dit spreekt tot mij, zo ervaar ik dat.’ 

Als je nagaat hoe de ‘GHV’ het begrip ´significance´ hanteert, dan wordt allereerst duidelijk, dat ´significance´ op de ´meaning´ betrokken moet worden: ‘Wil die heilzame betekenis als ‘significance’ ons leven gaan bepalen, dan zullen we eerst de ‘sense’ van de wereld van de tekst zelf [= ‘meaning’] tot ons door moeten laten dringen’, (57).

Als tweede is het volgens de ‘GHV’ ook noodzakelijk – wil je de ‘significance’ kunnen vaststellen -, dat ‘kritisch gereflecteerd wordt op de wereld voor de tekst en op de interactie tussen de wereld van de tekst en onze eigen wereld’ (59). Met deze twee aanwijzingen wordt door de ‘GHV ’juist beoogd om postmodern relativisme de pas af te snijden.  

Het ‘Anliegen’ van de bundel ‘GHV’ is dat de hermeneutiek verbreed wordt, omdat in de gereformeerde theologie bezinning nodig is op de wijze waarop je de toepassing en de ‘significance’ van de bijbel als het normatieve Woord van God voor vandaag vaststelt. Dat is een hermeneutische taak die de gereformeerde hermeneutiek aan de systematische en praktische theologie toebedeeld heeft. De bundel uit 2017 is vrucht van een kwart eeuw bezinning aan de TU Kampen op die verbreding.[viii]

2.2.  ‘Hermeneutische vraagstelling’

Met zijn pleidooi voor een terugkeer naar alleen de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ lijkt het erop dat daarmee voor dr. Van den Brink het onderwerp ‘m/v en ambt’ beslist is. Wanneer exegetisch gezien de ‘meaning’ van de bijbel(tekst) vastgesteld is, is ook de ‘significance’ gegeven: ‘Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’.’ De vraag die echter open blijft staan voor beantwoording, is die naar de relatie tussen ‘meaning’ en ‘significance’.

Kun je een is-gelijk-teken plaatsen tussen deze twee begrippen? Is het voldoende om vast te stellen wat de betekenis (= ‘meaning’) van de zwijgteksten in de tijd van Paulus is geweest om dan te concluderen dat rechtdoen aan de bijbel als Gods woord betekent het één-op-één toepassen van de aanwijzingen van Paulus in onze situatie vandaag (= ‘significance’)? 

2.3.  Openbaring

Dr. Van den Brink beschouwt teksten uit de bijbel als ‘waarheden’, die God ‘onfeilbaar en adequaat’ heeft geopenbaard. Met behulp van deze ‘Goddelijke waarheden’ onderbouwt hij zijn betoog en visies, waarbij hij voor de betekenis en de reikwijdte van die ‘waarheden’ geen rekening houdt met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn.

Zo stelt hij bijvoorbeeld: ‘Wat God openbaart is bindend, omdat het duidelijk is’, met een verwijzing naar Deut. 29:29: ‘Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe, wat openbaar is komt ons toe.’ Is met deze tekstverwijzing voldoende onderbouwd, dat alles wat in de bijbel staat, omdat het als openbaring van God aan ons gegeven is, voor ons ook vandaag bindend is?

Een tweede voorbeeld. Natuurlijk is het zo, dat ‘gehoorzaamheid wezenlijk is voor een christen’ en dat ook geldt: ‘Een christen die navolger wil zijn van Jezus Christus, zal daarom gehoorzaam willen zijn aan het gebod dat God geeft.’ Dan is een verwijzing naar Matt. 7: 21 best passend: ‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Maar kun je op basis van deze tekst concluderen, dat je elk gebod dat in de bijbel gegeven is, moet opvolgen, omdat je anders ongehoorzaam bent aan Gods wil?

Dr. Van den Brink is gespecialiseerd in de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw en afkomstig uit het deel van de reformatorische gezindte, dat stevig in dat scholastieke denken geworteld is. Zijn visie op openbaring is door dit denken gestempeld. De gereformeerde theologie heeft echter sinds het einde van de 19e eeuw met het smeden van de term ‘organische inspiratie’ het begrip ‘openbaring’ op andere wijze omschreven.

Als voorbeeld geef ik de visie weer van dr. Herman Bavinck, eind 19e eeuw dogmaticus in Kampen en begin 20e eeuw in Amsterdam. Hij formuleerde zijn visie zowel in kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd. De auteurs van de ‘GHV’ beschouwen zichzelf nadrukkelijk als erfgenamen van dit neocalvinistische denken van Abraham Kuyper, Herman Bavinck en hun leerlingen (25-26).

Allereerst vraagt Bavinck met de term ‘organische inspiratie’ aandacht voor de ontwikkeling en het historische karakter van de openbaring d.w.z. dat wij Gods openbaring juist leren kennen via het werk van de menselijke auteurs van de bijbel, die God daarvoor in dienst heeft genomen. Voor de interpretatie van de bijbel betekent dit, dat: ‘alles zijn zin en zijn betekenis zeer zeker [heeft], maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het voorkomt. .. Organisch moet de inspiratie worden opgevat, zodat ook het geringste zijn plaats en betekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van het centrum dan andere delen.[ix] 

Vervolgens benadrukt hij dat niet de inspiratie op zichzelf een geschrift tot Gods woord maakt, maar dat de Schrift het Woord van God is, ‘omdat de Heilige Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij de ‘Logos ensarkos’ [= het vleesgeworden woord] tot stof en inhoud heeft’. Op dit centrum van de openbaring moet heel de bijbel betrokken worden.

Ten derde wijst hij op het specifieke doel van de Godsopenbaring, namelijk dat die een ‘door en door religieus-ethische bestemming’ heeft. Het gaat om ‘de zaligmakende kennis van God. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In die zin is zij volkomen genoegzaam en volmaakt.’

Als vierde merkt Bavinck, wanneer hij het gezag van de bijbel ter sprake brengt, op dat ‘de Schrift wel in alles waar is, maar deze waarheid is volstrekt niet in al haar bestanddelen van dezelfde aard.’ Hij heeft daarbij vooral het oog op de specifieke waarheidswaarde van de verschillende genres die we in de bijbel tegenkomen.[x] 

Het grote verschil tussen de visie van dr. Van den Brink en die van Herman Bavinck op het begrip ‘openbaring’ is, dat Bavinck aandacht vraagt voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling. Voor het beroep op de bijbel vandaag betekent dit dat het noodzakelijk is nadrukkelijk rekening te houden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis.

Tenslotte is in de visie van Bavinck besloten, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  – zonder rekening houden met de gelaagdheid en de context -, toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

Bavinck benadrukt namelijk sterk het instrumentele karakter van de bijbel. De bijbel is middel, geen doel. Daarmee wijst hij de eenzijdigheid van zowel het scholastieke denken als dat van de moderne theologie af. Bij de eerste ziet hij ‘verwaarlozing van de historie’ en ‘een vervallen in orthodox intellectualisme’, bij de ander ‘minachting van het woord’ en ‘het gevaar van anabaptistisch spiritualisme’.  Ook al bestaat voor de kerk van alle eeuwen de openbaring ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, de juiste beschouwing is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.[xi]

Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. De bijbel heeft een rol in de bedeling van de Geest. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. Door de Geest brengt God zelf via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.[xii]

2.4.  Bijbel lezen 

Dr. Van den Brink pleit voor een puur exegetische benadering om de ‘significance’ van de bijbel vast te stellen. Doordat hij de ‘meaning’ en ‘significance’ zo dicht mogelijk bij elkaar probeert te houden, veronderstelt hij dat hij zonder de ‘hermeneutische vertolking’ kan. Het problematische van deze visie is, dat hij in de praktijk daar wel degelijk mee werkt. Dat blijkt allereerst wanneer hij een onderscheid invoert tussen een ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme. Zo’n onderscheid kan hij alleen maken op basis van een hermeneutische theorie, die verder gaat dan een theorie van de exegese.

Daarnaast heeft hij een hermeneutisch kader nodig hebben om een verantwoording te kunnen bieden voor zijn keuze om bepaalde teksten al dan niet als tijdgebonden te karakteriseren. Op grond waarvan kan hij de aanwijzing van Paulus om met geheven handen te bidden (1 Tim. 2:8) voor tijdgebonden houden en diens aanwijzing dat iedere vrouw niet met onbedekt hoofd mag bidden (1 Kor. 11:5, 10) als niet-tijdgebonden? Door een verantwoorde hermeneutische vertolkingstheorie overbodig te verklaren, bevordert hij datgene waar hij zegt bang voor te zijn: ‘Willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet.

De manier waarop dr. Van den Brink praktisch met de bijbel omgaat is rechtstreeks te herleiden tot het ‘openbarings’-begrip waar hij vanuit gaat. Wanneer de bijbel bestaat uit een verzameling ‘Goddelijk’ gekwalificeerde ‘waarheden’ is het logisch dat je daar zonder rekening te houden met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn, je bijbels-theologische, dogmatische of ethische conclusies op kunt bouwen. Het gevaar is m.i. zeer groot, dat je de bijbel door deze context-loze manier van lezen laat buikspreken en dat je voor je bevindingen een goddelijk gezag claimt, die je niet waar kunt maken.

Tenslotte: heel dr. Van den Brinks beschrijving van de ‘oude’ gereformeerde hermeneutiek gaat uit van een visie op de bijbel, waarin openbaring en bijbel samenvallen. Dat is een keuze, die ook fundamenteel is voor zijn kritische beoordeling van de ‘GHV’, die uiteindelijk gebaseerd is op de neocalvinistische visie dat openbaring en bijbel niet samenvallen, maar in de interpretatie en toepassing naar vandaag toe wel op elkaar betrokken moeten worden.


3.  De kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv  

Tegenstanders van het besluit van de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen karakteriseren dit besluit als ‘Schriftkritiek’ en wijzen de hermeneutiek die aan dit besluit ten grondslag ligt als ‘Schriftkritisch’ af.

Mijn stelling is dat deze kwalificatie van (de hermeneutiek van) het ‘m/v-besluit’ alleen mogelijk is vanuit een visie op de Schrift, waarbij ‘openbaring’ en ‘bijbel’ samenvallen. Dit is echter een visie die kenmerkend is voor de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw, maar waar in de gereformeerde theologie aan het einde van de 19e eeuw door o.a. Herman Bavinck afscheid is genomen. Hij pleitte voor een visie, waarin openbaring en bijbel zowel van elkaar onderscheiden worden als op elkaar betrokken worden.

Ik vind het daarom veelzeggend, dat de tegenstanders van het ‘m/v-besluit’ om hun bezwaren te onderbouwen, juist een beroep doen op Hersteld Hervormde theologen als dr. Gert A. van den Brink, dr. Wim van Vlastuin en dr. Pieter de Vries, die in hun theologisch denken van een ander ‘openbaring’-begrip uitgaan dan waar wij in de GKv mee werken en die wij theologisch gezien bewust als biblicisme hebben afgewezen.

Zolang niet aangetoond is dat de uitgangspunten van de gereformeerde hermeneutische theologie zoals die aan de TU Kampen beoefend wordt onjuist zijn, lijkt het mij niet nodig om op het ‘m/v-besluit’ terug te komen. De visie op ‘openbaring’ zoals dr. Van den Brink die als maatstaf in zijn kritiek op die uitgangspunten aanlegt, lijkt mij daar onvoldoende reden voor.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] Ik verwijs in mijn weergave van de visie van dr. Van den Brink naar de lezingen, die hij op 18 september 2017 gehouden heeft in de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord (‘Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?) en op 14 september 2018 in de GKv Haren (‘Op zoek naar betekenis’). Ze zijn te vinden op de website www.geloofstoerusting.nl. Daarnaast verwijs ik naar de recensie van de bundel ‘GHV’ in het Reformatorisch Dagblad van 28-09-2017 (‘”Gereformeerde hermeneutiek vandaag” begint bij de mens’), alsmede naar de briefwisseling in het Reformatorisch Dagblad met een van de redacteuren van de bundel ‘GHV’, dr. Hans Burger, op 11-10-2017 (´Zonder de Geest gehoorzamen wij de Bijbel niet´) en op 17-10-2017 (´Hermeneutiek moet de veilige vaarroute blijven volgen’).

[iii] Dr. P. de Vries, ‘Bijbelse visie op plaats van de vrouw is tot ons welzijn’, in: Reformatorisch Dagblad d.d. 12-05-2018.

[iv] Op dezelfde wijze gaat hij ook om met citaten uit ‘GHV’ en ander materiaal waar hij naar verwijst. Zonder oog voor context geeft hij regelmatig zijn eigen interpretatie aan de citaten en schrijft op die manier beweringen aan opponenten toe, die zij niet verwoorden en ook niet herkennen als een weergave van wat zij bedoelen.

[v] In een eerdere blog heb ik betoogd, dat hij zonder enige grond de gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de ‘GHV’ in twijfel trekt, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004.

[vii]  De kritiek van dr. G.A. van den Brink is juist dat de ‘GHV’ niet bij de normatieve principes van de gereformeerde hermeneutiek aansluit.

[viii] Zie mijn korte schets van de gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw tot vandaag: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[ix] Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, p. 409.

[x] De overige citaten uit deze weergave van Bavinck’s ‘openbaringsbegrip’ komen uit: Herman Bavinck, a.w., par. 117, p. 413-420.

[xi] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 104, p. 352-354.

[xii] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 105, p. 354-357. Bij dit laatste aspect van de theopneustie als actuele eigenschap van de bijbel sluit dr. C. Trimp aan in zijn artikel ‘Heilige Geest en Heilige Schrift’ in:  J.Kamphuis, W. van ”t Spijker, C. Trimp, W.H. Velema, Hoe staan wij ervoor? Actualiteit van het gereformeerd belijden, Barneveld, 1992, p. 103-137.

De gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw naar vandaag

De visie op de hermeneutiek aan de TU Kampen en in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld en een verbreding ondergaan. Eén van de redenen voor het verschijnen in 2017 van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ is om die te beschrijven en daar verantwoording voor af te leggen.[i]

De traditionele gereformeerde hermeneutiek (vertegenwoordigd door F.W. Grosheide, J. Ridderbos, S. Greijdanus en J. van Bruggen) had als doel: bezinning op de methoden om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’) van de bijbel (een vers, pericoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. Het is vooral een theorie van de exegese. Daarmee is de bezinning op de toepassing en het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst voor vandaag (= relevantie of ‘significance’) nog niet taboe verklaard.

De bijbelwetenschappers zijn er duidelijk over, dat de vraag naar de relevantie geen taak is voor de exegese en dus ook niet voor de hermeneutiek als theorie van de exegese. Vandaar dat Van Bruggen uitspreekt, dat ‘de hele problematiek hoe wij het woord van gisteren moeten vertalen naar de mens van morgen .. voor de gereformeerde bijbelwetenschap een oneigenlijke problematiek [is].[ii]

Toch kom je ook regelmatig de opmerking tegen, dat de exegese niet op zichzelf staat. De exegese heeft een dienende functie voor b.v. de prediking, de dogmatiek, de ethiek en de persoonlijke geloofsopbouw. Van Bruggen brengt in zijn hermeneutiek b.v. onder het kopje ‘Van tekst naar preek’ deze ‘toegepaste exegese’ ter sprake. Daar laat hij zien welke wissels er zijn van de exegetische parafrase naar preek. Eén daarvan is de formulering van de (homiletische) boodschap van de tekst voor de gemeente in deze tijd, wat hij ziet als de doelstelling van de preek.[iii]

De bijbelwetenschappers verwezen voor bezinning op deze ‘significance’ van de tekst door naar hun collega’s die de vakgebieden van de systematische en de praktische theologie onder hun hoede hadden. Dat betekent dat de zgn. ‘hermeneutische vraagstelling’ naar de vertolking van de bijbel wel erkend werd, maar dat die volgens hen binnen het eigen vakgebied als uitleg van de ‘meaning’ van de bijbeltekst niet thuishoorde.

Als je de (oudere) handboeken van de gereformeerde dogmatiek, ethiek en homiletiek er op na slaat, zie je dat daar inderdaad de ‘hermeneutische vraagstelling’ ter sprake wordt gebracht en er summier nagedacht wordt op de wijze waarop de bijbel in het eigen vakgebied gebruikt wordt. Ook al wordt de aandacht daarvoor niet altijd als ‘hermeneutiek’ benoemd, aandacht voor de vertolking of toepassing van de bijbel(tekst) is er zeker.[iv] In 1976 gebruikt dr. J. Douma daar expliciet de term ‘hermeneutiek’ voor:

De hermeneutiek voor het onderdeel ethiek binnen de theologie houdt zich bezig met de vraag hoe wij ter beantwoording van ethische kwesties de Schrift hanteren.[v]

Een van de invloeden voor een gerichte verbreding van de gereformeerde hermeneutiek is de hermeneutische filosofie van de 20e eeuw, waarin aandacht wordt gevraagd voor de vraag, hoe verstaan van teksten überhaupt mogelijk is. De oudtestamenticus dr. Gert Kwakkel wijst daarop in de bundel ‘Gereformeerde theologie vandaag’ uit 2004. Hij schrijft daarover: ‘De oudtestamentische wetenschap kan er niet omheen de systematische bezinning op dergelijke vragen een plaats te geven in haar onderzoek.’ Om die reden sluit hij de paragraaf over de hermeneutiek van het Oude Testament af met de woorden:

Het Oude Testament is een deel van het Woord waarmee God nog steeds het hart van mensen zoekt. Maar niet alles wat erin staat, heeft vandaag nog directe geldigheid (denk bijvoorbeeld aan de offervoorschriften). Bezinning op geldigheid en toepasbaarheid van de teksten in de situatie van vandaag is daarom een noodzakelijk onderdeel van een gereformeerd-theologisch bezig zijn met het Oude Testament. Die bezinning verdient een belangrijke plaats in de Hermeneutiek.’[vi]  

Daarmee verwoordt hij specifiek voor het vak ‘Oude Testament’ wat voor alle theologische vakken geldt, namelijk dat ‘[b]innen onze Kamper gereformeerde theologie ‘aan de Broederweg’ de gevoeligheid voor de zogenaamde ‘hermeneutische vragen’ in vrijwel alle vakken sterk toegenomen [is]’.[vii]

In de introductie van de bundel ‘Gereformeerde theologie vandaag’ geeft dr. De Bruijne de volgende opsomming van die vragen :

Op welke manier spelen de context van de Schrift, de context van de kerk met haar geschiedenis en de context van ons eigen leven en onze eigen tijd een rol in ons lezen en verwerken van de Schrift? En hoe kom je vanuit de Schrift op allerlei terreinen – variërend van leer en levensstijl tot liturgie en kerkstructuren – tot conclusies voor vandaag?[viii]

Het is in het bijzonder dr. C. Trimp geweest die vanaf de jaren ’60 binnen de Gkv regelmatig gepleit heeft om aan deze bredere hermeneutische vraagstelling aandacht te schenken. In 1963 schreef hij zelfs: ‘Zou al deze arbeid niet worden aangevat, dan zal de wraak over deze nalatigheid zich eenmaal aan ons presenteren in een verlies aan aansluiting aan de concrete situatie’.[ix] In lijn daarmee heeft hij rond de eeuwwisseling, toen hij al ruim met emeritaat was, het initiatief genomen voor de publicatie van de bundel ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de bijbel’.[x]

In dit licht bezien is het ook logisch dat de afgelopen 30 jaar juist de ethicus dr. Ad de Bruijne en de praktisch theoloog dr. Kees de Ruijter, de opvolger van dr. C. Trimp, in de bezinning op deze bredere hermeneutische vraagstelling in de GKv de voortrekkers zijn geworden. Het is hun core-business om in de praktijk van vandaag de betekenis van de bijbel te verwerken.[xi] 

Uit dit overzicht kun je de conclusie trekken, dat de ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ geen nieuwe hermeneutiek is in de zin, dat die afscheid zou nemen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ of daar zelfs mee in strijd zou zijn. De focus en doelstelling is verschillend. De gereformeerde hermeneutiek vandaag bouwt voort op en sluit aan bij de hermeneutiek, zoals die in de 20e eeuw in de gereformeerde theologie voorgestaan is. Aandacht vragen voor de ‘hermeneutische vraagstelling’ (‘significance’) naast die voor de ‘meaning’ van de bijbeltekst is niet ongereformeerd en kun je daarom niet afdoen als een ‘Schriftkritische’ of vrijzinnige activiteit, waarvoor in de gereformeerde theologie geen plaats zou mogen zijn.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] J. van Bruggen, ‘Het Nieuwe Testament’, in: Orientatie in de theologie. Studiegids samengesteld door de hooglerearen aan de Theologische Hogeschool van De Gereformeerde Kerken in Nederland in Kampen, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1974, p. 63-87, citaat op p. 85.

[iii] J. van Bruggen, Het lezen van de bijbel,  Kampen, 1981, p. 103.

[iv] Zie b.v. Herman Bavinck, die in zijn Gereformeerde Dogmatiek benadrukt dat de theopneustie van de Heilige Schrift een blijvende eigenschap is. De bijbel heeft een plek in de bedeling van de Geest, waarbij de objectieve openbaring overgaat in de subjectieve toeëigening, zie: Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, par. 105, p. 354-357. Voor de ethiek, zie: W. Geesink, Gereformeerde Ethiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1931, p. 180: ‘Het komt er dan ook op aan om aansluitende aan het uitwendig wetsgebod als norma agendorum, af te leiden de beginselen voor gezindheid en handelen.’ Voor de homiletiek (preekkunde) zie: K. Dijk, De dienst der prediking, Kampen: Kok, 1955, Hoofdstuk 5, ‘De prediking in onderscheiden verbanden’, p. 105-154. Typerend citaat hieruit: ‘We hebben ook in deze tijd en voor deze tijd te preken, en rekening te houden met de noden, die er nu zijn, en de beroeringen, die thans de wereld schudden. We moeten de taal van deze tijd spreken, en geen enkele preek mag tijdloos zijn, zo, dat ze eeuwen tevoren had gehouden kunnen worden, zonder dat ze de mensen van vandaag, tot diep in het leven raakt’, (p. 143).

[v] Dr. J. Douma,  Inleiding in de christelijke ethiek, Kampen, 1976, 13-14. Zie voor een latere uitwerking dr. J. Douma, Grondslagen. Christelijke ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1999, hoofdstuk 4, ‘De Heilige Schrift als bron voor ethiek’, p. 88-121.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2004. De citaten van dr. G. Kwakkel komen uit het hoofdstuk 2, ‘Oude Testament’, p. 39.

[vii] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004, p. 8.

[viii] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004, p. 8.

[ix] Voor meer details over de noodzaak van de bredere hermeneutische vraagstelling als vertolking in de gereformeerde theologie, zie mijn blog uit december 2015: https://fpathuis.wordpress.com/2015/12/07/desiderata-en-het-lijstje-van-trimp/.

[x] C. Trimp (red.), ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel’, Kampen: Kok, 2002.

[xi] Zie o.a. voor dr. De Bruijne zijn bijdragen aan de bezinning op de omgang met het onderwerp ‘huwelijk en echtscheiding’ vanaf de jaren 1999 als deputaat waarin hij aanzetten biedt voor een ‘ethiek van het Koninkrijk van God’, verder zijn bijdrage aan de bundel ‘Woord op Schrift’, en aan de bundels ‘Gereformeerde theologie vandaag’ en ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’. Voor inzichten van dr. De Ruijter verwijs ik naar: Kees de Ruijter, Meewerken met God. Ontwerp van een gereformeerde praktische theologie, Kampen: Uitgeverij Kok, 2005, en: Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2013, m.n. hoofdstuk 5: ‘Heilig Script’, p. 99-118.