Nieuw licht op oude woorden

In de Joodse traditie wordt in één jaar tijd de hele Tora, de vijf boeken van Mozes, in 54 wekelijkse gedeelten op de sabbat gelezen en overdacht. De Tora is daarvoor verdeeld in 54 parasjot, waaraan teksten uit de Profeten toegevoegd zijn. De Messiasbelijdende Joden verbinden de wekelijkse parasjot ook nog met teksten uit het Nieuwe Testament. Op basis van zestien parasjot met bijbehorende lezingen vat Marc de Klijn de Bijbelse boodschap samen, waarbij hij laat zien dat de teksten van het Oude en het Nieuwe Testament elkaar over en weer kunnen verhelderen en verdiepen.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 29 juli 2022.]

Marc de Klijn (1939) is bekend als grafisch vormgever en docent aan de Kunstacademie destijds in Kampen. Hij is opgegroeid in een seculier Joods gezin, maar werd begin jaren ’70 christen. Door een bezoek aan Auschwitz-Birkenau in 1995 werd hij geconfronteerd met zijn Jood zijn en de Jodenhaat en het antisemitisme de eeuwen door. Daardoor richtte hij zijn aandacht steeds meer op het Joodse volk en op Israël, waar hij in 2013 samen met zijn vrouw Henny van Hartingsveldt naartoe emigreerde.

Zestien parasjot

Ook al behandelt De Klijn maar zestien parasjot, toch is hij er in geslaagd de belangrijkste verhaallijnen en thema’s in de Tora te becommentariëren. Hij start met de roeping van Abraham in Gen. 12-17, waarna hij stilstaat bij het leven van Jakob (28-32), de ontmoeting van Jakob en Ezau (32-36) en de geschiedenis van Jozef (41-44 en 47-50). Van de Uittocht behandelt hij Ex. 10-13 (de toestemming van de Farao om te vertrekken), de geschiedenis van het Gouden Kalf (30-34) en het maken van de tabernakel (35-38). Van de wetgeving in Leviticus komen vervolgens de offers (1-5), de voorschriften rond rein- en onreinheid (12-15) en de feesten (21-24) aan de orde. Van de woestijnreis in Numeri bespreekt De Klijn de afgoderij bij Baäl Peor (24-30). Tenslotte, van de toespraken van Mozes en de hernieuwde wetgeving in Deuteronomium behandelt hij de uitroeiing van de Kanaänitische volken rondom Israel (7-11), zegen en vloek (11-16), de leiderschapswisseling van Mozes op Jozua (31) en de slotwoorden van Mozes en zijn sterven (33-34).

Gesprek

De Klijn heeft dit boek geschreven vanuit zijn drive om christenen en Joden met elkaar in gesprek te brengen. Hij hoopt dat ze elkaar gaan herkennen en respecteren in het geloof in één en dezelfde God. Maar ook dat ze samen in oprechte liefde voor de Schepper van hemel en aarde zijn licht zullen uitstralen en verspreiden.

Uitgangspunt voor De Klijn is dat het Joodse volk in Abraham een aparte positie gekregen heeft ten opzichte van de andere volken in de wereld, doordat het tot zegen voor de wereld moet zijn. Dit onderscheid ziet hij bevestigd in Openbaring 7, waar enerzijds gesproken wordt over de 144.000 verzegelden uit Israël en daarnaast over de menigte die niemand tellen kan vanuit alle landen en volken.

Duidelijk spreekt De Klijn uit dat Jezus als de Messias gekomen is om te bevrijden van zonde en schuld, en dat het pijnlijk is dat het orthodoxe jodendom en het Joodse volk dit altijd heeft afgewezen. Tegelijk heeft het christendom zich zijns inziens ten onrechte van het jodendom gedistantieerd, waardoor de Joodse context van het Evangelie totaal uit het oog is verloren. Daardoor is van de Messias een ´ontjoodste´ universele Heiland gemaakt die voor Joden totaal onherkenbaar is geworden.

De Klijn legt waardevol Bijbels materiaal op tafel, ook al mag het duidelijk zijn dat hij met zijn interpretatie ook eigen accenten legt. Van betekenis is zijn grote nadruk op de heiligheid van God en de vormende waarde van de leefregels van God. Punt van gesprek blijft de verhouding van het Oude en het Nieuwe Verbond en de positie van de tempel, de stad Jeruzalem en de staat Israël in de profetie en de apocalyptiek.

Extra

In het prachtig uitgegeven boek zijn verdeeld over twee katernen 2 reeksen van acht aquarellen van hem opgenomen, elk katern ingeleid door een gedicht van zijn vrouw Henny. Dit vormt een waardevolle onderstreping van het thema van zijn boek: het schitterend goddelijk licht dat vanuit de Bijbel ons tegemoet komt.

N.a.v. Marc de Klijn, Nieuw licht op oude woorden, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2022, 345 pagina’s. Prijs: €27,90.

De filosofische ethiek van Herman Bavinck

Het was groot nieuws toen in 2019 een ‘Gereformeerde ethiek’ van Herman Bavinck verscheen. Bavinck is vooral bekend als de auteur van de 4-delige ´Gereformeerde dogmatiek´. Dat hij gedurende zijn hoogleraarschap van 1883 tot 1902 ook ethiek aan de Theologische School in Kampen heeft gegeven, had veel minder aandacht gekregen. Tot Dirk van Keulen in 2007 als onderzoeker toevallig op een ingebonden handgeschreven collegedictaat stuitte, waarin de latere ds. Cornelis Lindeboom als student de colleges ‘Ethiek’ van Bavinck uitgeschreven had.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 8 juli 2022.]

Naast genoemd collegedictaat vond Van Keulen bij nader onderzoek naar de ethiek-colleges in het Bavinck-archief en in de bibliotheken van de Protestantse Theologische Universiteit en de Theologische Universiteit, beide te Kampen, nog meer ongepubliceerd materiaal dat waardevol genoeg bleek om uit te geven.  

Gereformeerde ethiek

In 2019 publiceerde Van Keulen als eerste daarvan, op basis van de manuscripten van waaruit Bavinck zelf het vak gereformeerde ethiek had gedoceerd, diens ‘Gereformeerde ethiek’.

Volgens Bavinck heeft de christelijke ethiek een strikt theologisch karakter; hij beschouwt de ethiek als een vorm van praktische theologie, onderscheiden van de dogmatiek en tegelijk er als ‘in een mysterie’ nauw mee verbonden. ‘De theologische moraal gaat niet uit van een van nature in de mens, in de schepping gelegen beginsel, maar van een geopenbaard principe, van God, zijn daden, woorden aan en tot ons, en leidt ook weer tot God, vindt in Hem haar doel.’ De christelijke ethiek vindt, net zoals de dogmatiek, haar kennisbron en inhoud alleen in de openbaring, die God in de Heilige Schrift heeft gegeven. ‘Onze ethiek is uit, door, tot God. Hij is het, die ons ook in de ethiek de leer over de zonden, wedergeboorte, heiliging des levens in de Staat, enz., heeft geopenbaard.’ De Heilige Schrift is daarom de enige kenbron van de christelijke ethiek.

Toch doceert Bavinck ‘gereformeerde ethiek’, want het christelijke komt door de gereformeerde bedding tot ons, ‘schittert ons juist in het gereformeerde prisma het zuiverst tegen.’ De gereformeerde ethiek heeft daarom, nadat zij de stof of inhoud van de ethiek aan de Schrift ontleend heeft, ook na te gaan ‘op welke wijze en in hoeverre het ethisch dogma in het leven der christelijke, bepaald der gereformeerde kerk gestalte heeft gekregen.’ En tenslotte hebben wij het ethisch dogma ‘thetisch verder te ontwikkelen, en toe te passen met het oog op onze tijd.’

Filosofische ethiek

Afgelopen jaar presenteerde Van Keulen op het internationale symposium dat in november 2021 aan de TU Kampen/Utrecht ter herdenking van de 100e sterfdag van Bavinck gehouden werd, de ‘Filosofische ethiek’ van Herman Bavinck, een bundel met drie manuscripten.

Het omvangrijkste daarvan is het manuscript getiteld ‘Ethiek’ uit 1887. Hierin geeft Bavinck een overzicht van de geschiedenis van filosofische ethiek, vanaf de Grieken tot en met zijn eigen tijd. Als tweede is er een klein manuscript uit 1893, getiteld ‘Schets der gereformeerde ethiek’. Hoewel het grotendeels gaat over de geschiedenis en de inhoud van de christelijke ethiek gaat Bavinck ook in op het onderscheid tussen de christelijke en de filosofische ethiek; verder biedt het een korte geschiedenis van de filosofische ethiek. Het derde manuscript is uit 1900-1901. Hoewel het getiteld is ‘Gereformeerde ethiek’, omvat het voor het grootste deel een systematisch overzicht van de filosofische ethiek.

Waardevolle aanvulling

De bundel ‘Filosofische ethiek’ (2021) is voor het Bavinck-onderzoek een waardevolle aanvulling op de ‘Gereformeerde ethiek’ (2019). Behalve dat het een overzicht geeft van zijn visie op de relatie tussen èn de betekenis van de filosofische ethiek voor de christelijke ethiek, geeft het zijdelings ook inzicht in de ontwikkeling van Bavinck’s eigen denken over christelijke of gereformeerde ethiek. In formeel opzicht sluit hij zich aan bij de filosofische georiënteerde opbouw van Schleiermacher’s ethiek, maar materieel gaat hij een eigentijdse gereformeerde weg.

N.a.v. Herman Bavinck, Filosofische ethiek. Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Dirk van Keulen, (Ad Chartas-reeks nr. 39), Amersfoort: Uitgeverij De Vuurbaak, 2021, 256 pagina’s. Prijs: €24,50.

Constructie van het ambt

‘Invented history’ betekent dat je bepaalde jonge tradities voorstelt alsof die al eeuwenlang bestaan. Zo hebben de bevestigingsformulieren voor de verschillende ambtsdragers eraan bijgedragen, dat we er lang vanuit zijn gegaan dat het onderscheid tussen predikant, ouderling en diaken al in de eerste gemeenten ontstaan is. Toch is deze driedeling door Calvijn uitgewerkt als alternatief voor een kerkregering waarin de paus en de priester centraal stonden. Zoals Oepke Noordmans zei: “Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat.”[1]

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 10 juni 2022.]

Calvijn wist dat niet alleen theologische, maar ook niet-theologische factoren in de vormgeving van het kerkelijk leven een rol spelen. Calvijn interpreteert de bijbelse gegevens “in het licht van zijn tijd” en maakt op basis daarvan keuzes, zo concludeert Eddy van der Borght in zijn proefschrift over het ambt.[2]

Calvijn

Het is interessant om na te gaan hoe en waarom Calvijn tot zijn visie komt. Duidelijk is dat hij de bestaande kerkstructuur in Geneve als uitgangspunt neemt en deze betrekt op wat hij in de bijbel daarover leest. Ook sluit hij aan bij de kerkgeschiedenis en probeert hij bijbels te onderbouwen wat daarin z.i. verkeerd en goed ging. Concreet grenst hij de eigen visie af tegen de priester die in het offeren tijdens de mis Christus zou representeren en tegen doperse rondtrekkende predikers met hun heiligheidsideaal van tucht.

Van belang voor de visie van Calvijn op het ambt is verder dat hij een functionele insteek kiest en niet begint bij wat het ambt is, maar onderzoekt wat de functies en de taken van de ambtsdragers zijn, waarbij hij tot een basisonderscheiding van twee ambten komt: het pastorale en het diaconale ambt.

De pastor

De kern van het pastorale ambt is dat Christus door zijn Geest de kerk regeert door middel van de verkondiging. De pastor representeert Christus niet, maar ontleent zijn gezag aan het Woord, en zo uiteindelijk aan Christus. Van de vijf ambtsdragers die Paulus in Ef. 4:11 opsomt stelt Calvijn dat apostelen, profeten en evangelisten slechts in de n.t.-ische fase van de kerk of in zeer bijzondere situaties optreden. Omdat Calvijn de leraar of doctor als een specialisatie van het predikantschap ziet, speciaal belast met het theologisch onderwijs, houdt hij één ambt over. De in het Grieks onderscheiden termen of functies, zoals ‘episcopus’, ‘presbyter’ ‘pastor’ en ‘minister’, verwijzen volgens hem alle naar hetzelfde pastorale ambt van de predikant. Kerntaak van dit ambt is ‘de bediening van het Woord’ met in het verlengde daarvan de bediening van de sacramenten doop en avondmaal.  

Dit betekent dat de oudsten [= presbyters] van Efeze in Hand. 20:17, die wij vandaag als ouderlingen opvatten, in de optiek van Calvijn pastors zijn. Calvijn kent wel het ouderlingschap, maar dat is voor hem een hulpambt, dat het pastorale ambt ondersteunt. De ouderlingen worden gekozen uit de aristocraten van de stadsraad. Zij hebben als taak de predikant te helpen bij de uitoefening van de tucht. Het is pas na Calvijn dat het ouderlingambt een veel meer zelfstandig kerkelijk ambt wordt.

De diaken

Het diaconale ambt heeft als taak het betonen van de ‘caritas’ (liefdadigheid/barmhartigheid). De diaken is niet meer zoals in de R.K.-kerk de assistent bij de taken van de priester. Calvijn onderscheidt twee vormen van ‘caritas’: het beheer van aalmoezen en de armen- en ziekenzorg. Voor deze laatste taken mogen ook vrouwen als diaconessen dienen. Deze twee vormen neemt hij over van de wijze waarop de ‘caritas’ in Geneve al onder toezicht van de overheid uitgevoerd werd. De kern van het diakenambt is het beheer van aalmoezen, waarvan Calvijn het ontstaan fundeert in Hand. 6. In de praktijk zal de Geneefse overheid weigeren de diakenen als kerkelijke ambtsdragers te erkennen, en gaat zij door met het jaarlijks benoemen van de diakenen als sociale functionarissen.

Blijvende bezinning

Het ontstaan en de invulling van de ambten is nauw verweven met historische ontwikkelingen in de kerk en in de samenleving. Calvijn was zich daar terdege van bewust en heeft ook niet de pretentie gehad over de verschillende ambten het laatste woord te hebben gesproken.

Er is alle reden om ook vandaag te blijven onderzoeken hoe wij de bijbelse gegevens over het (ambtelijk) functioneren van de kerk moeten toepassen in het ‘licht van onze eigen tijd’. Te meer omdat wij nu op veel punten een heel andere exegetische visie hebben op de wijze waarop in het Nieuwe Testament de taken en functies in de kerken georganiseerd werden.


[1] O. Noordmans, Verzamelde werken. Deel V. Om de rechte orde der kerk, Kampen, 1984, p. 396.

[2] Ed.A.J.G. van der Borght, Het ambt her-dacht. De gereformeerde ambtstheologie in het licht van het rapport Baptism, Eucharist and Ministry (Lima, 1982) van de theologische commissie Faith and Order van de Wereldraad van Kerken, Zoetermeer, 2000, 147.

Een humanistisch gekortwiekte Jezus

Dr. Jan Lodder heeft de zin van het menselijk bestaan gevonden in het zoeken van het goede voor de medemens. Volgens hem is dat ook de boodschap, die Jezus gebracht heeft en die Jezus in essentie ontleend heeft aan de wijsheidstraditie in het Joodse boek Prediker.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 10 juni 2022.]

Het boek dat hij aan zijn visie op de boodschap van Jezus en Prediker wijdt, opent met een inleiding over de vraag hoe rationeel het godsgeloof is, terwijl de slotbeschouwing vanuit de visie van Prediker naar die vraag terugkeert. De conclusie van Lodder is dat de wetenschap ons niets kan bieden over de zin van het leven.

Vooronderstellingen

Jan Lodder (1948) is gepensioneerd neuroloog en emeritus hoogleraar Vasculaire Neurologie aan de Universiteit van Maastricht, daarnaast heeft hij zich verdiept in de vergelijkende godsdienstfilosofie. De drijfveer voor het schrijven van dit boek is dat hij ervaren heeft dat de taal van de wetenschap en de rationaliteit beperkt zijn in hun mogelijkheden om de zin van het leven te kunnen duiden. Daarover kun je alleen spreken in beeldende metaforische taal, d.w.z. de taal van verhalen en gelijkenissen die hij ook bij Prediker en Jezus gevonden heeft.

Lodder schrijft zijn boek bewust niet vanuit een christelijk perspectief. Opgegroeid in de Gereformeerde Bond heeft hij afscheid genomen van het geloof in Jezus als de Zoon van God. Zijns inziens is de christologie ook niet nodig om de visie van Jezus op de zin van het leven te beschrijven en lijkt die voor hem een belemmering te zijn om tot de oorspronkelijke boodschap van ‘de levende Jezus’ als ‘historische wijsheidsleraar’ door te dringen. Met deze visie op ‘de historische Jezus’ sluit Lodder aan bij het onderzoek van de ‘Jesus Seminar’, een groep geleerden die van 1985-2005 probeerde ‘de authentieke woorden en daden van Jezus’ vast te stellen.

Prediker

Lodders vooronderstellingen kleuren en beïnvloeden de resultaten behoorlijk en doen afbreuk aan de door hem geponeerde objectiviteit van zijn onderzoek. Vooral zijn die inzichten bij tijden zeer speculatief en moeten we ze louter op zijn gezag als ‘waarschijnlijk’ of ‘aannemelijk’ aanvaarden. Dat vind ik jammer, omdat een aantal van de hypotheses die hij onderzoekt zeker het overwegen waard zijn.

Het grootste deel van zijn boek is gewijd aan de achtergrond en de inhoud van Prediker als religieus-literair werk. Hij situeert het ontstaan van Prediker in de 3e eeuw voor Christus. Prediker zelf ziet hij als een Joodse wijze, die zijn visie op het ‘goede’ geeft en laat zien dat dit ‘goede’ tijdens ons leven verworven kan worden door de juiste weg te bewandelen. Op basis van een structuuranalyse tracht Lodder aan te tonen, dat voor Prediker de boodschap van Micha 6:8 leidend is geweest voor de compositie van zijn boek: ‘Hij heeft u, mens, bekend gemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEER van u anders dan recht te doen, gerechtigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.’

Wanneer dit zo is, dan is het merkwaardig dat Lodder de visie van Prediker op God als Schepper en Onderhouder (Elohim) zo sterk scheidt van die van de godsdienst van Israël, die dan de HEER (YHWH) als Verbondsgod zou vereren. Ook al is Prediker in kritisch gesprek met de traditie verwikkelt, hij blijft met zijn aansluiting bij Micha wel het basisgeloof van Israël delen.

Jezus

Nadrukkelijk bekent Lodder zich tot de visie, dat het gnostische Evangelie van Thomas leidend moet zijn om de boodschap van Jezus vast te stellen. Wat daarin uit de canonieke evangeliën niet past, behoort volgens hem niet tot ‘de historische Jezus’. Jezus heeft slechts gesproken over het ‘koninkrijk’, maar niet over het ‘koninkrijk van God’ of ‘koninkrijk van de hemel’. Wanneer hij God ‘Vader’ noemt, bedoelt hij Predikers ‘Elohim’, zoals Lodder die getekend heeft.

Volgens Lodder is Jezus van aristocratische komaf, heeft hij nooit in Nazareth maar altijd in Bethanië gewoond, en heeft hij zijn opleiding in Jeruzalem gehad. De wijsheid die Jezus verkondigt is dezelfde als die van Prediker, omdat Jezus ook in parabels en verhalen zijn boodschap brengt.

Het goede

De zin van het leven is voor Lodder het ‘goede’ doen aan de medemens. Dat dit ‘goede’ in de bijbel nauw verbonden is met het vereren van God, blijft door zijn uitgangspunten ten onrechte systematisch buiten beeld. Typerend is dat hij aan het laatste vers van Prediker voorbijgaat: ‘God oordeelt over elke daad.’ De boodschap van Jezus trekt hij daardoor helemaal uit het lood.

N.a.v. Jan Lodder, Het goede zoeken. De zin van het leven volgens Prediker en Jezus, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2022, 222 pagina’s. Prijs: €17,50.

Naar een moderne vorm van tucht?

Mijn catechisanten wisten niet wat het was: de tucht. Toen ik ze uitlegde hoe het – vooral vroeger – werkt(e), was hun eerste reactie: dat is toch niet meer van deze tijd?! In onze samenleving viert individuele vrijheid hoogtij, iedereen mag zelf weten hoe hij of zij zijn leven inricht. Heeft de waarde van de tucht inderdaad afgedaan in onze tijd?

[Artikel door Anne-Maaike Pathuis in Gereformeerd Kerkblad van 27 mei 2022.]

De kerkelijke tucht werd in de 16e eeuw ingevoerd, om ervoor te zorgen dat het sacrament van het avondmaal zuiver werd gehouden. In de Heidelbergse Catechismus wordt gesteld dat “de christelijke kerk verplicht [is] volgens het bevel van Christus en van zijn apostelen allen die zich als ongelovigen doen kennen, door de sleutels van het koninkrijk der hemelen buiten te sluiten, totdat zij hun leven beteren” (HC antw. 82). Die sleutels zijn de evangelieverkondiging en de kerkelijke tucht. In NGB art. 29 is de tucht één van de kenmerken waaraan je de ware kerk kunt onderscheiden.

De tucht gaat terug op Matt. 18:15-17, waarin Jezus de oproep doet om elkaar aan te spreken als er sprake is van zonde. Eerst onder vier ogen, en als dat niet tot bekering leidt, met één of twee anderen erbij. Als degene die heeft gezondigd ook dan niet luistert, mag het aan de gemeente worden voorgelegd. “Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren, behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.”

Oordeel?

Ik kan de reactie van mijn catechisanten goed begrijpen, want de tucht klinkt best heftig. In de boekjes staat dan wel mooi dat het doel van tucht is om het gemeentelid dat zondigt weer naar God en de gemeente toe te trekken (‘tucht’ heeft in het Oud-Nederlands te maken met ‘trekken’). Maar moet dat met zulke strenge woorden en zo’n hard oordeel over een medegelovige? Eerder zegt Jezus immers dat je niet mag oordelen over anderen: “Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?” (Matt. 7:3). Kunnen we iedereen dan maar niet beter zelf laten kiezen hoe hij of zij leeft?

Mijn antwoord is toch “nee”, in die zin dat de manier waarop mensen (ook wijzelf!) leven ons niet onverschillig zou moeten laten. Jezus’ oproep in Matt. 18 om elkaar aan te spreken, staat in de context van een gesprek over de vraag hoe je als gelovige op de goede weg van het koninkrijk kunt blijven. Dat is een belangrijke vraag, juist omdat de Vader, zoals een goede herder, niet wil dat er ook maar iemand verloren gaat (vs. 12-14). Het gaan op de goede weg vraagt om zelfbeproeving (vs. 8-9), om vergeving ontvangen en doorgeven (vs. 21-35), én om het onderling aanspreken van elkaar (vs. 15-17).

Toon

Toch is er nog wel iets aan te merken op de kerkelijke tucht, zoals daar in de Catechismus over wordt gesproken. De tucht heeft nu nog een sfeer van oordeel om zich heen, en een oordeel zal weinig mensen ertoe bewegen om hun leven van harte te verbeteren. Een stelregel bij een moderne vorm van tucht zou daarom moeten zijn: c’est le ton qui fait la musique – het is de toon die de muziek maakt. In plaats van veroordelend aanspreken van anderen op hun gedrag en overtuigingen, zou tucht er mijns inziens uit moeten zien als een liefdevol en wederzijds bevragen op dat wat de ander en jezelf helpt om de weg van het koninkrijk te bewandelen. Een belangrijke voorwaarde voor dit wederzijds bevragen is dat er onderling vertrouwen is, maar ook dat er verlangen is om te groeien in het leven vanuit geloof.

‘Accountability’

Een mooi en relatief nieuw concept dat bij mijn ideaal van een moderne vorm tucht aansluit, is het concept van een ‘accountability-partner’ of ‘aanspreekbaarheids-maatje’. Rick Pastoor schrijft in Grip: Het geheim van slim werken[1] over zo’n maatje: “Hij of zij herinnert je aan je voornemens, biedt je nieuwe inzichten, moedigt je aan in wat goed gaat en laat je ook zien waar je ruimte hebt om te groeien.”

Al voordat het protestantse idee van tucht werd bedacht, schreef Thomas à Kempis over aanspreekbaarheid in zijn De navolging van Christus: “Natuurlijk maakt iedereen graag zelf uit wat hij wil doen, en zoekt hij daarbij bevestiging bij mensen die het met hem eens zijn. Maar als God onder ons leeft, is het soms goed niet alles zelf te willen bepalen, maar ook rekening te houden met anderen. Wie is zo slim dat hij altijd gelijk heeft? Vertrouw dus niet te veel op je eigen mening, maar luister ook naar wat anderen te zeggen hebben.”

Wat zou het mooi zijn als iedere gelovige een maatje, of een groep van maatjes in bijvoorbeeld een (bijbel)kring, om zich heen zou verzamelen, vanuit het verlangen om de goede weg van het koninkrijk te gaan.


[1] Rick Pastoor, Grip. Het geheim van slim werken, Amsterdam: Uitgeverij NZ, 2019.

Blootvoets

Komende donderdag is het Hemelvaartsdag. Dan kan ik om de hoek waar ik woon, in de Vreugderijkerwaard, dauwtrappen. Vroeg opstaan, van 6.00-8.00 uur met de boswachter langs de bedauwde IJssel een flinke wandeling maken en afsluiten met een ontbijt bij de Vreugdehoeve. Maar ook op veel andere plekken kun je samen met Natuurmonumenten vroeg op stap.

[Blog op www.gereformeerdkerkblad.nl/actueeloverzicht/ d.d. 24 mei 2022]

Dauwtrappen is een traditie die al eeuwen oud is en volgens sommigen teruggaat tot het Meifeest van de Germanen, waarop men de opkomst van het nieuwe leven in de natuur vierde. De dauw had volgens het volksgeloof uit die tijd, vooral op bepaalde dagen, een magische en genezende kracht. Vandaar dat men met blote voeten door het bedauwde gras ging lopen.

Een andere verklaring is dat het een markering is van de overgang van de winter naar de zomer. De mensen moesten weer vroeger opstaan, omdat er veel op het land moest gebeuren. Verder was dauwtrappen ook een moment voor jongens en meisjes om elkaar te ontmoeten.

Uiteindelijk werd het dauwtrappen als gebruik verbonden met het christendom in de processies op de ochtend van Hemelvaartsdag. Als een herinnering aan de tocht van Jezus van Jeruzalem naar de Olijfberg. Zo trokken “vanouds ook Amsterdamse hemelvaarders bij dageraad de poort uit, toegerust ‘met een cruycxken goed nats, een deel koecs, razijnen, vijghen en craecklinghen’ om in het gras onder de bomen te drinken, dansen en zingen, en voor 9.00 u weer naar huis en ter kerke te gaan.”[1]

In de verbeelding van de Hemelvaart wordt Jezus vaak blootvoets afgebeeld. Zo schildert Rembrandt in 1636 Jezus die op een wolk staat, gedragen door engelen. Treffend van eenvoud vind ik de miniatuur uit het 15e-eeuwse Waldberg gebedenboek. Je ziet alleen de voeten van Jezus, herkenbaar door de wonden waarmee hij aan het kruis gespijkerd is, en op de rots van waarop hij opstijgt heeft de schilder zijn voetafdrukken ingetekend.

Associatief kun je op allerlei manieren een verband leggen tussen de geschiedenis van het dauwtrappen en de hemelvaart van Jezus. De vreugde over het nieuwe leven, het wakker worden uit de sluimering van het oude leven, de genezende kracht die je in het gaan van de voetsporen van Jezus mag ervaren, of het vinden van je bruid of bruidegom.

Als christenen zullen wij donderdag a.s. samenkomen om de hemelvaart van Jezus te vieren. Dan zullen we stilstaan bij die vraag van de engelen uit Handelingen 1 aan de leerlingen van Jezus: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan.’ En als antwoord daarop zullen we met de band Sela zingen: “Heer, we kijken omhoog en zien naar U uit. U komt weer terug, dan zijn wij uw bruid. U zult altijd bij ons zijn.”[2]


[1] J. ter Gouw, De Volksvermaken, 1871, p. 219.

[2] https://www.sela.nl/liederen/150/heer-we-kijken-omhoog.html

Kerkelijke veranderingen in perspectief

Iedereen beseft dat de gereformeerden de afgelopen 150 jaar veranderd zijn. Maar hoe kun je die verandering duiden? Merijn Wijma kiest in haar recent aan de TU Kampen/Utrecht verdedigde proefschrift ‘A Great Multitude One Can Count’ een boeiend historisch-demografisch en een historisch-geografisch perspectief. Hoe hebben de ledenaantallen zich in de loop der tijd ontwikkeld en op welke plekken zijn de gereformeerden vooral te vinden? Dat is een kwestie van statistiek. Interessant wordt het als ze die statistische gegevens probeert te verklaren vanuit een sociologisch en cultureel perspectief.   

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 13 mei 2022]

Tegelijk met het Engelstalige proefschrift verscheen de Nederlandse vertaling onder de titel ‘Een menigte die men tellen kan’.[1]

Acht kerkverbanden

De acht kerkverbanden die Wijma beschrijft zijn achtereenvolgens:

(1) de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) ontstaan in 1892 bij de Vereniging van de kerken van de Afscheiding (1834) en die van de Doleantie (1886) en die in 2004 opgingen in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN);

(2) de Christelijk Gereformeerde Kerken (CGK) ontstaan in 1892 omdat men als Afgescheiden kerken geen deel wilde uitmaken van de bij de Vereniging ontstane GKN;

(3) de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) die in 1944 met de Vrijmaking ontstonden;

(4) de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) die in 1967 na de scheuring in de Gkv over de Open Brief ontstonden;

(5) de Gereformeerde Gemeenten (GG), deels afkomstig uit kerken van de Afscheiding die in 1907 mede door toedoen van ds. G.H. Kersten samengingen met gemeenten die zich verbonden voelden met ds. L.G.C. Ledeboer, een predikant die zich rond 1840 niet bij de Afscheiding aansloot maar zelfstandig bleef en eigen gemeenten stichtte;

(6) de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGN) ontstaan in 1953 doordat zij in een conflict over de verbondsvisie dr. Steenblok volgden;

(7) de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) die bij het ontstaan van de PKN in 2004 apart wilde blijven en zo de Nederlands Hervormde Kerk (NHK) wilde voortzetten;

(8) de Gereformeerde Bond (GB) ontstaan in 1906 als vereniging die in de NHK de (handhaving van de) gereformeerde belijdenissen wilde verdedigen en verbreiden en in 2004 zich aansloot bij de PKN.  

Wijma beschrijft dus de gereformeerde familie, maar niet iedereen die tot de familie behoort. Ze laat acht kerkverbanden of denominaties buiten beschouwing. Praktisch gezien vooral vanwege het ontbreken van statistisch materiaal of omdat ze klein zijn. Verder is het opmerkelijk dat de GB niet een apart kerkverband is, maar een groep of modaliteit binnen vroeger de NHK en nu de PKN. De keuze om de gegevens van GB in haar onderzoek mee te nemen is, omdat de GB toch een centrale positie in de gereformeerde familie heeft.

Toch vind ik het jammer dat ze daarnaast de Confessionele Vereniging (CV) in de NHK die in 1864 door o.a. Groen van Prinsterer opgericht werd, niet als tweede groep naast de GB meegenomen heeft. De CV gaf sinds 1888 het weekblad ‘De gereformeerde kerk’ uit, in 1930 aangepast naar ‘Hervormd Weekblad’. Rond 2000 zijn er nog zo’n 330.00 leden in de NHK die zich met de CV verbonden weten. Ook zou het mooi zijn geweest, wanneer Wijma een mogelijkheid had gezien om de gegevens van de GKN-kerken die in de PKN zijn opgegaan te reconstrueren.

Orthodox en bevindelijk

De gereformeerde familie wordt door Wijma in twee groepen ingedeeld: ze beschouwt de GKN, GKv, NGK en CGK als orthodox-gereformeerden en de GG, GGN, HHK en GB als bevindelijk-gereformeerden. Het is een algemene typering, waarbij in bepaalde gemeenten of delen van deze kerkverbanden de werkelijkheid anders kan zijn. Dat geldt m.n. voor de GB en de CGK. De socioloog C.S.L. Janse schat in 1985 bijvoorbeeld dat 1/5 deel van de CGK bevindelijk is. In 2001 schrijft hij dat  ‘in de hele geschiedenis van de CGK de spanningen tussen bevindelijk en orthodox met een zekere regelmaat op synoden en in gemeenten aan de oppervlakte [zijn] gekomen.’

Hoe logisch het ook lijkt om dit onderscheid te gebruiken, met dit theologisch gemotiveerd criterium van de mate van bevindelijkheid sorteert Wijma al wel voor op de verklaringen die ze later in haar onderzoek zal bieden voor de verschillen tussen de kerkverbanden die ze in de statistische analyse heeft gevonden. Een tweede kanttekening is, dat ze geen mogelijkheid ziet om de invloed van de evangelicalisering van de gereformeerde wereld als verklarende factor te gebruiken. De evangelisch-gereformeerde kern die Stoffels in 1995 bij de orthodox-protestanten onderscheidt is met de door haar gebruikte gegevens moeilijk meetbaar, hoewel ze wel veronderstelt dat die aanwezig is.  

Enkele resultaten

Groei en krimp van kerkverbanden en eventuele vergrijzing kan verbonden worden met (a) de hoogte van de geboorte- en sterftecijfers, (b) het aandeel jongeren/doopleden, (c) grensverkeer tussen kerkverbanden, en (d) vertrek van (doop)leden.

Een voorbeeld is de CGK waarvan langere tijd het sterftecijfer hoger was dan in de Nederlandse bevolking. Dat kan verklaard worden doordat de CGK in de jaren ’60 en ’70 een instroom had van (oudere) verontrusten uit de GKN. Rond 2006 daalt het sterftecijfer, maar dan is er ook een grote instroom van GKv-leden die een opvallend laag sterftecijfer kennen. Een ander voorbeeld is dat de Nederlandse bevolking een veel kleiner deel 0-20-jarigen heeft dan de kerkverbanden doopleden. Daarbij hebben de orthodoxe gereformeerde kerkverbanden in tegenstelling tot de bevindelijke wel afnemende percentages doopleden, maar toch nog minder dan in de Nederland bevolking als geheel.

De groei van gereformeerde kerkverbanden komt niet door nieuwe leden uit de seculiere wereld als gevolg van evangelisatie en ook niet door grensverkeer tussen kerkverbanden, maar door hoge geboortecijfers en de manier waarop ze door zuilvorming hun gemeenschap dicht bij elkaar hebben behouden. Krimp is het gevolg van afnemende geboortecijfers en het vertrek van leden door een afnemende binding van leden. Dit laatste biedt m.i. een nuancering van een conclusie van Wijma dat de ontwikkeling van katholieke en hervormde kerken heel anders verloopt dan die van gereformeerde kerkverbanden. Wat groei betreft zijn gereformeerde kerkverbanden inderdaad anders, maar wat krimp is er toch enige overeenkomst.

Conflicten komen vooral voor in de groeifase, waarin kerkverbanden nog hun weg moeten zoeken om hun groepsidentiteit te vormen. Alleen in de GKv zijn er scheuringen in tijden van krimp geweest (2003/2009). Dat kan verklaard worden als een terugkeer naar de wortels en tradities die ooit vormend waren voor het ontstaan van het kerkverband, met name terugkeer naar een eenduidige vrijgemaakte groepsidentiteit gedragen door een ware-kerkbesef.

Orthodoxe Biblebelt

Een interessant demografisch inzicht is, dat Wijma aantoont dat naast een ‘Biblebelt’ van de bevindelijke kerken er ook een ‘orthodoxe Biblebelt’ is. Veel leden van de NGK, de GKV en ook de CGK wonen op de Veluwe, in het westen van Gelderland, in het Vechtdal van Overijssel, Flevoland en in de noordelijke provincies.

Daarnaast maakt ze zichtbaar dat er sinds de jaren ’50 een vertrek uit de vier grote steden naar de meer kleine steden en dorpen is geweest. Verder dat de groei van de kerkverbanden door de jaren heen vooral is afgenomen in de grensgebieden zoals Groningen, de randen van Friesland en Zeeuws-Vlaanderen. Dat roept de vraag op of we op regionaal of landelijk niveau elkaar als kerken meer kunnen of zouden moeten steunen in het omgaan met krimp in de kerken.

Uitdagingen

Als er sprake is van grensverkeer dan is de richting vooral die van streng naar minder orthodox of van streng bevindelijk naar minder streng en naar het midden van de NHK/PKN. Met de schaal van wereldgelijkvormigheid van Polderman uit 1996 kun je spreken van een toenemende openheid naar de samenleving. Met eenzelfde proces van openheid verbindt Wijma ook het gegeven dat zelfs (bevindelijke) kerkverbanden die hun leden het beste aan zich weten te binden, met moeite hun groei kunnen volhouden. Dat wijst op een sterke druk van buiten om zich aan te passen.

Daarin ligt ook de uitdaging van Wijma’s analyse. Op zichzelf is het niet vreemd dat kerkverbanden krimpen. De vraag is op welke wijze je de druk van de secularisatie en individualisering kunt weerstaan. Een kerkverband zal alleen kunnen blijven bestaan, wanneer het zich voldoende onderscheidt van de omringende samenleving op een manier die waardevol voor haar leden is. Tegelijk kan de afstand tot de samenleving ook zo groot worden, dat (doop)leden de kerk verlaten.

Uit de analyse van Wijma blijkt dat de aanwezigheid van gereformeerd basis- en middelbaar onderwijs een positieve correlatie had met de grootte en de groei van gereformeerde kerken. Dit betekent dat het zaak blijft om grote aandacht te hebben voor de geloofsoverdracht en identiteitsvorming van de jongere generaties. Daarnaast is uit haar analyse af te leiden dat, – ook al willen we niet weer terug naar eigen zuilvorming -, we moeten investeren in het versterken van de onderlinge betrokkenheid en de groepsidentiteit, willen we als kerken blijven bestaan.

Mooi proefschrift

Merijn Wijma heeft een grote prestatie geleverd. In een helder betoog presenteert ze de cijfers over de ontwikkeling van de ledentallen van gereformeerde kerkverbanden in Nederland van de afgelopen eeuw. Daarnaast weet ze die op overtuigende wijze te verbinden met de sociale, demografische en culturele context, ondersteund met een beroep op de verschillende theologische achtergronden van de kerkverbanden. Het boek is mooi in meerkleurendruk uitgegeven, zodat ook de verschillende figuren en tabellen goed te interpreteren zijn.


[1] Merijn Wijma, Een menigte die men tellen kan. Een historisch-geografische beschrijving van de ledentalontwikkeling van gereformeerde kerkverbanden in Nederland 1892-2015, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2022, 462 pagina’s, € 29.90.

De Invictus Games en de kerk

Van 16 tot en met 22 april jl. – in en rondom het Paasweekend – vonden de Invictus Games plaats in Den Haag. De Invictus Games is een internationaal sportevenement voor militairen die fysiek of mentaal gewond zijn geraakt door hun inzet in het leger. Van de verbondenheid en kracht die door dit evenement en in de aanloop ernaar toe ontstaan, kan de kerk misschien wel wat leren.

[Artikel door Anne-Maaike Pathuis in Gereformeerd Kerkblad van 29 april 2022]

De eerste Invictus Games vonden in maart 2014 plaats, op initiatief van onder andere prins Harry, die zelf veteraan van het Britse leger is. Harry was aanwezig geweest bij een soortgelijk evenement in de Verenigde Staten. Hij had daar gezien hoe krachtig sport kan zijn in een herstelproces, bij zowel fysieke als mentale verwondingen. Daarom zette hij zich in voor een internationaal sportevenement, waar tijdens deze editie deelnemers uit twintig landen aan meededen.

‘Invictus’ betekent ‘onoverwonnen’, en “symboliseert de vechtlustige geest (…). Het laat zien wat je, ondanks je verwondingen, kunt bereiken.” De vechtlust is hoorbaar in één van de slogans van de Games: “I am the master of my fate: I am the captain of my soul”, oftewel “ik ben de baas van mijn bestemming: ik ben de aanvoerder van mijn ziel”.

Groeiproces

Iemand deelde met mij wat persoonlijke ervaringen van het meesporten in het Nederlandse team voor de Invictus Games. Het team traint nu al zo’n vier jaar samen (extra lang omdat de Games twee jaar werden uitgesteld vanwege de coronapandemie) en heeft in de loop van de tijd veel opgebouwd met elkaar. De sporters zijn veranderd door de jaren heen: ze hebben een minder kort lontje en zijn gegroeid in vertrouwen in zichzelf en de mensen om hen heen. Er heerst een gevoel van veiligheid, juist omdat je allemaal in hetzelfde schuitje zit – iedereen heeft immers een trauma opgelopen.

Dat betekent niet dat alles voor deze sporters nu koek en ei is, overeind blijven is een dagelijkse strijd. Daarom kiezen sommige sporters ervoor om geen journaal te kijken, omdat dat zomaar oude pijn boven kan brengen. Het sporten biedt een positieve afleiding voor die pijn.

Kwetsbaarheid

Wat mij aanspreekt bij de Invictus Games is de aandacht die er is voor kwetsbaarheid. Er is erkenning voor de verwonding van oud-militairen, en daar wordt op een bepaalde manier rekening mee gehouden. Ik droom ervan dat de kerk ook een plek is waar mensen die een trauma hebben opgelopen – ook door andere ervaringen dan in het leger – zich veilig voelen.

In de kerk hoor ik helaas nog te vaak dat mensen bang zijn voor het oordeel van medegelovigen. Of dat ze het gevoel hebben er niet bij te horen omdat ze niet in staat zijn om mee te doen in de kerkdienst. Soms is de kerk zelfs de plek geweest waar mensen een trauma hebben opgelopen: door bijvoorbeeld misbruik, maar ook door conflicten die plaatsvonden in de kerk. Het is moeilijk om over deze dingen te praten, we gaan liever door met de positieve dingen van kerk-zijn en concentreren ons op de dingen die wel goed gaan. Toch is het ook belangrijk én heilzaam om te luisteren naar het verhaal van mensen die erg gekwetst zijn. Door te luisteren, kan het vertrouwen soms stapje voor stapje weer worden opgebouwd.

Oefenplek van gaven

Wat mij ook aanspreekt bij de Invictus Games is dat er wordt gekeken naar wat iemand (nog) wel kan. Misschien mist iemand een arm of been, maar kan hij, eventueel met een prothese, toch nog meedoen aan het sprinten. De sportteams bij de Games ondersteunen elkaar hierin. Het doet mij denken aan wat Paulus schrijft over de gemeente als lichaam in 1 Kor. 12:24-25: “God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen.”

Wat zou het mooi zijn als de kerk steeds meer een plek wordt waar de krachten en gaven van alle gelovigen naar boven worden gehaald. Soms hoor ik dat mensen niet meer naar de kerkdienst komen, omdat ze het vanwege psychische of lichamelijke klachten niet volhouden om een uur of langer stil te zitten. Soms hoor ik dat mensen niet meedoen in een kring, omdat ze zich niet veilig voelen in een groep of überhaupt buiten hun huis. Zulke zaken zouden volgens mij geen belemmering moeten zijn om toch onderdeel van de gemeente te zijn. Als iemand een halve kerkdienst wel kan volhouden, dan zouden we als gemeenteleden niet gek moeten opkijken als iemand halverwege de dienst besluit om naar huis – of gewoon even naar de wc – te gaan. En als iemand niet in een groep durft mee te doen, zijn er vast manieren te vinden waardoor wel veilige contacten plaats kunnen vinden. Als zo iemand bijvoorbeeld graag buiten sport of zijn handen uit de mouwen steekt om te klussen, dan is het goed om die gaven te waarderen en stimuleren.

Laten we er eerlijk over zijn: bij een gemeente horen is voor iedereen een proces van vallen en opstaan. Bij sommigen valt dat gewoon wat meer op.

Meer dan overwinnaars

Dat de Invictus Games een seculiere vorm van overwinningsdenken promoten, waarbij de sporter zelf de baas van zijn bestemming en de aanvoerder van zijn ziel is – daar stond degene die ik erover sprak niet helemaal achter. Als gelovige ligt je identiteit immers niet in je eigen kunnen, maar in het feit dat je een kind van God bent.

Daarom vond ik het, denkend aan het Bijbelse gedachtegoed over de overwinning, wel symbolisch dat de Games in het Paasweekend plaatsvonden. “In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad” schrijft Paulus in Rom. 8:37 (NBG’51). Te midden van het lijden dat er nog altijd is in deze wereld, leven we als kerk in het vertrouwen dat Jezus’ dood en opwekking de beslissende slag hebben toegebracht aan dat lijden. Daardoor kunnen we meelijden wanneer een gemeentelid pijn lijdt én blij zijn wanneer iemand reden tot vreugde heeft.

The Day After

Het is sabbat, een stille zaterdag, de day after. In het graf, waar het dode lichaam van Jezus ligt, is het donker en stil. De toegang is zorgvuldig afgesloten met een steen, goed verzegeld en van bewaking voorzien. Onherroepelijk is de dood.

[Schriftoverdenking in Gereformeerd Kerkblad d.d. 15 april 2022]

In de hoofden van de leerlingen kan het maar niet stil worden. Nu komt pas de echte klap. Het besef en de impact van wat er zich gisteren heeft afgespeeld. Dat drama van de kruisiging en de dood van Jezus uit Nazareth. De leerlingen zitten bij elkaar: verdwaasd, beschaamd en bang.

1. 

Ze hadden hem nog zo gewaarschuwd: ‘Ga toch niet tijdens het feest van Pesach naar Jeruzalem! Ze willen u doden!’ Maar Jezus was vastbesloten. Ze hadden zich laten meeslepen toen het volk met palmtakken begonnen te zwaaien: ‘Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.’ In één klap zijn al hun verwachtingen de grond ingeboord. Hun meester is er niet meer. De herder is gedood – de kudde uiteengeslagen.

Slechts enkele leerlingen, – voornamelijk vrouwen -,  hebben vanuit de verte bij het kruis gestaan. Ze waren er nog bij, toen Josef van Arimatea het lichaam van Jezus samen met Nikodemus van het kruis haalde en het na de zalving in een linnen doek wikkelde en in het graf legde. Ze besluiten om als de sabbat voorbij is,  met de kruiden en olie die ze al klaar hebben gemaakt in de vroege ochtend naar het graf te gaan. Ze willen de lijkwade impregneren, zodat de rotte doodsgeur niet door het linnen naar buiten zal komen. Dat is de enige dienst, die zij Jezus nog kunnen bewijzen. Bezegeling van drie intensieve jaren van het volgen en het dienen van Jezus, hun Heer.

2.

Het is stille zaterdag, de day after. Onweerstaanbaar dringt bij de leerlingen het besef door, dat hun toekomst weg is. Nu Jezus dood is, is al hun hoop vervlogen. Hun verwachting dat het koninkrijk van God is aangebroken, is de grond in geboord.

Opnieuw staan zij als Gods volk met lege handen. Het leek erop, dat Jezus de vervulling zou zijn van die aloude beloften. Bevrijding, verlossing, vrede! Ze hebben zich vergist. De vreugde over die blijde boodschap is in één dag verdampt. Ze zijn hardhandig uit een droom ontwaakt.


Wat rest is teleurstelling, verdriet, schaamte en angst. Ze zullen zonder de hulp en de bescherming van Jezus verder moeten leven. Het voelt alsof ze door God zelf in de steek gelaten zijn.

3.

Het is stille zaterdag, de day after. Als leerlingen van Jezus zitten ook wij bij elkaar. Ook wij hadden zo onze hoop en onze verwachtingen voor de toekomst. Ook wij zijn hardhandig uit onze droom gewekt.

Het geloof lijkt onder onze handen te verdampen. De secularisatie en het verlichte wetenschappelijk wereldbeeld lijken het in onze westerse wereld te hebben gewonnen. Als het aan de tegenstanders van God ligt, zal het christelijk geloof als bijgeloof ontmaskerd worden en ontmaskerd blijven.

Hoe zal de toekomst van de christelijke kerk in ons land eruit zien? Zullen wij, zullen onze kinderen het geloof kunnen volhouden? Sommigen zijn teleurgesteld in de gemeente en in het kerkelijk leven, anderen kunnen hun leven of het leven in deze wereld niet verbinden met God. Sommigen hebben in wanhoop, uit woede, of in berusting en gelatenheid het geloof vaarwel gezegd. Bij anderen is het gewoon uit het leven weggegleden.

Wij hebben verdriet over de kaalslag in het christelijke leven. Het voelt als we door God zelf verlaten zijn.

Waarop kunnen wij en waarop mogen wij nu nog hopen?

4.

Het is stille zaterdag, de day after. Het is de rust van de sabbat. Wat rest ons anders dan om onze Bijbel te openen, en de God van onze vaderen aan te roepen, zoals zij eeuwenlang op deze dag gedaan hebben. Om Psalmen te bidden, te zingen, te klagen?

‘God van de hemelse machten, keer u tot ons, kijk neer uit de hemel en zie. Bekommer u om deze wijnstok, de stek die uw hand heeft geplant, de zoon die u zelf hebt grootgebracht. Hij is verbrand en weggehakt, verkwijnd onder uw duistere blik.’

‘Leg uw hand op uw beschermeling, het mensenkind dat u hebt grootgebracht. Dan zullen wij niet van u wijken. Laat ons leven! Wij roepen uw naam: HEER, God van de hemelse machten! Keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat, dan zijn wij gered!’  

Onzeker weten

De woorden ‘onzeker weten’ als titel voor een boek door theologen afkomstig uit de GKv roept bijna vanzelf die andere woordcombinatie uit de Heidelbergse Catechismus op. ‘Een waar geloof is niet alleen een ‘stellig weten’, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen dat mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn.’ (HC Zondag 7.21). Het schuurt als je dit theologisch-filosofisch boek leest tegen de achtergrond van het gereformeerde geloof.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad d.d. 15 april 2022]

Het boek heeft als ondertitel ‘Een inleiding in de radicale theologie’. Daarmee wordt een richting in de moderne filosofische theologie bedoeld, die verbonden is met internationaal bekende filosofen als John Caputo, Slavoj Žižek en Peter Rollins. Zij laten zich enerzijds inspireren door de 19e-eeuwse nihilistische filosofen Ludwig Feuerbach en Friedrich Nietzsche, die de dood van God verkondigden. Anderzijds willen ze tegenover dit nihilisme een alternatief bieden om het toch weer over God en religie te kunnen hebben.

Moderniteit

De auteurs nemen in hun boek deze theologische stroming als uitgangspunt voor hun visie op bijbel, geloof en kerk. Het boek is in drie delen opgebouwd. Allereerst een historische introductie in de ‘radicale theologie’ (door Bram Kalkman). Vervolgens een theologisch-systematisch deel, waarin enkele kernconcepten uit het christelijk geloof behandeld worden, zoals erfzonde, Christus, waarheid, verlossing, orthodoxie, bijbel en hoop (door Gerko Tempelman). Tenslotte een praktisch-theologisch deel over preken, diaconaat, een gemeenschap vormen en liturgie (door Rikko Voorberg).

Het ‘onzeker weten’ van de radicale theologie staat primair tegenover het ‘zeker weten’ van het door de 18e-eeuwse Verlichting gestempelde wetenschappelijk en filosofische denken van de moderniteit. Sinds Descartes draait dit denken om het verkrijgen van zekere en betrouwbare kennis. Deze wordt uiteindelijk gefundeerd in de rationaliteit of de rede van de mens. In de 20e eeuw zijn behoorlijke deuken geslagen in dat vertrouwen in de rede. In de filosofie komt de kritiek daarop o.a. van het postmodernisme, waar John Caputo zich ook toerekent. De radicale theologie kun je daarom beschouwen als een vorm van postmodernisme.

Geloof en godsdienst  

In de moderniteit wordt het bestaan van God ontkend, omdat dit niet wetenschappelijk bewezen kan worden. Geloof en godsdienst zijn subjectieve privé-activiteiten, waar geen objectieve werkelijkheid aan beantwoordt. Voor postmoderne denkers is dit te kort door de bocht, omdat de wetenschap voor hen niet meer het laatste woord heeft. Wetenschap en religie zijn verschillende talen, die horen bij verschillende leefwerelden. De radicale theologie wil dan ook nadrukkelijk ruimte bieden voor de herontdekking van God en godsdienst. Caputo pleit voor respect voor wat ongrijpbaar is en voor een nieuwe manier van spreken over God.

Wanneer Caputo uitspreekt dat hij desondanks niet terug wil naar de situatie van vóór de moderniteit, is het wat mij betreft een gemiste kans dat de auteurs de positie van de gereformeerde theologie niet thematiseren. In hoeverre treft de kritiek van de radicale theologie op het moderne ‘zeker weten’ ook het ‘stellig weten’ van de Heidelbergse Catechismus? Hoe boeiend een doorlichting van kernconcepten uit het christelijk geloof vanuit een ‘radicaal theologisch’ perspectief ook is, ten diepste blijft het een exercitie vanuit een bepaald filosofisch principe. Graag had ik iets gelezen over de verhouding tussen het spreken over ‘waarheid’ in postmodern-filosofische zin en het waarheidsbegrip, waar de bijbel en het geloof van getuigen.

Spiegel

Van belang vind ik het boek m.n. voor die gedeelten, waarin de auteurs wijzen op de weerbarstige werkelijkheid ‘die schuilgaat achter de tweedimensionale weergave die we er vaak op nahouden.’ Terecht wijzen ze erop dat ook in de kerkelijke praktijk de echte werkelijkheid door mooie woorden verbloemd en daardoor monddood gemaakt wordt. Het aanwijzen van de ongemakkelijkheid van het geloof en de onzekerheid die dat betekent voor het denken en handelen van ons als gelovigen, is een waardevolle spiegel om als gereformeerden in te kijken. Ook in die gedeelten waar de auteurs aanwijzen dat de gereformeerde theologie zich door de ‘zekerheid’ van de moderniteit heeft laten leiden en tot fundamentalisme is vervallen, is hun kritische blik het overwegen waard.

N.a.v. Rikko Voorberg, Gerko Tempelman & Bram Kalkman, Onzeker weten. Een inleiding in de radicale theologie, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022, 222 pagina’s. Prijs: €20,00.