Zeven wegwijzers

In 2006 schreef de Anglicaanse theoloog Tom Wright als bisschop van Durham een inleiding in het christelijk geloof dat in het Nederlands verscheen als ‘Eenvoudig christelijk’. Zijn doel was om buitenstaanders het geloof aan te bevelen en kerkleden dat geloof uit te leggen. Het was een mooie introductie omdat Wright zijn uitgangspunt nam in de werkelijkheid van het leven van elke dag en liet zien hoe het christelijk geloof daarin van betekenis is.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 1 oktober 2021]

Afgelopen jaar verscheen onder de titel ‘Broken Signposts’ een verrassende aanvulling en verdieping, waarin Wright opnieuw zijn uitgangspunt neemt in de waarde van het christelijk geloof voor vandaag. In ‘Eenvoudig christelijk’ haakte hij al bij vier belangrijke levensthema’s aan zoals gerechtigheid, spiritualiteit, liefde en schoonheid, nu voegt hij daar vrijheid, waarheid en macht als wegwijzers aan toe.

Wegwijzers als ‘echo’s’

Ieder mens verlangt ernaar dat er in het leven gerechtigheid is, dat men inspiratie op kan doen, liefde en schoonheid mag ervaren, in vrijheid kan leven, dat de waarheid het wint, en dat macht op verantwoordelijke wijze uitgeoefend wordt. Het zijn oriëntatiepunten, waar wij ons naar richten en waaraan wij de waarde van ons leven afmeten, maar die vaak in ons leven schrijnend afwezig zijn. Vandaar dat de vraag gesteld is, of ze geen illusies zijn die ons maar iets voorspiegelen.

Het is de overtuiging van Wright, dat deze ‘gebroken’ wegwijzers toch betekenisvolle ‘echo’s’ zijn voor de aanwezigheid van God in onze werkelijkheid. Niet dat ze op zichzelf direct naar God verwijzen of Hem kunnen bewijzen, maar wel dat ze een richting kunnen wijzen waar God als de Schepper en oorsprong van liefde, recht, schoonheid (glorie), en die andere waarden in het leven gevonden kan worden.

Het Johannesevangelie

In ‘Eenvoudig christelijk’ vertelde Wright het overkoepelende verhaal van God en de wereld om te laten zien hoe het christelijk geloof beantwoordt aan deze ‘echo’s’ van God. In dit nieuwe boek onderzoekt hij de betekenis van deze zeven wegwijzers door ze te verbinden met het evangelie van Johannes.

Zelf heeft Wright dit boek wel getypeerd als een experiment. Want legt hij geen raster over de tekst, waardoor hij het evangelie in een keurslijf perst? Wat mij betreft is dat niet het geval. Juist door het evangelie thematisch te bevragen blijkt de boodschap van Johannes aan diepgang te winnen en komt nog helderder de betekenis van Jezus voor de gelovige tot uiting. Jezus’ uitleg en belichaming van deze wegwijzers staat haaks op de manier waarop in onze wereld aan deze thema’s betekenis wordt gegeven. Indrukwekkend wordt dat duidelijk in Jezus’ confrontatie met Pilatus over de vraag wat waarheid is en wie de macht heeft. Maar evengoed in zijn confrontatie met de Joodse leiders over wat gerechtigheid en liefde is. Uiteindelijk blijkt het kruis de ultieme ‘gebroken’ wegwijzer naar God.

Herschepping

Dit boek is tegelijk een mooie inleiding op het evangelie van Johannes geworden, omdat Wright de lezer ook helpt om dit evangelie zelf te lezen en te beluisteren. Hij schetst het verhaal van de kruisiging en opstanding van Jezus als een kader om zowel de gebrokenheid als de herschepping van onze wereld te begrijpen. Uiteindelijk nodigt Wright ons als lezers van het Johannesevangelie uit de zeven wegwijzers als startpunt en hoopvolle tekens van Gods nieuwe schepping te zien en te gebruiken, zodat wij vandaag daarin al als Gods kinderen zullen leven.

N.a.v. Tom Wright, Zeven wegwijzers, Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2021, 176 pagina’s. Prijs: € 22,50.

Religieuze betekenis

Op 1 april jl. is de filosoof Paul van Tongeren benoemd tot de nieuwe Denker des Vaderlands. Het is een eretitel die sinds 2011 elke twee jaar door de Stichting Maand van de Filosofie aan een gerenommeerd denker wordt verleend. De nieuwe Denker mag zijn taak naar eigen inzicht invullen. De 70-jarige Paul van Tongeren is o.a. emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek van de Radboud Universiteit in Nijmegen, en verder een groot kenner van het werk van Aristoteles en Nietzsche.

[Artikel op website http://www.gereformeerdkerkblad.nl d.d. 14 september 2021]

Ter gelegenheid van zijn benoeming verscheen er gelijktijdig een interviewbundel met hem onder de titel ´Het wonder van betekenis´. In mijn vakantie heb ik deze bundel met grote belangstelling gelezen. Wat me daarin vooral aansprak was zijn pleidooi, dat er geen feiten zijn zonder betekenis.

Een voorbeeld, dat Van Tongeren gebruikt om dat te illustreren, is dat de dingen om ons heen altijd op een bepaalde manier aan ons verschijnen. Je staat ’s morgens op, doet het gordijn open en ziet, dat het ´mooi weer´ is, of ´rotweer´ of ´hetzelfde weer´. Je ervaart dat onmiddellijk op hetzelfde moment dat je naar buiten kijkt. De ´betekenis´ die het weer heeft, ervaren we als ´gegeven´. Zo ervaren we de wereld altijd: ´Wij kunnen niet om ons heen kijken zonder betekenis te zien, te horen, te proeven, te ruiken. De werkelijkheid toont zich aan ons altijd al in termen van mooi en lelijk, goed en slecht, uitdagend of saai; dat zijn allemaal “betekenissen”’.

Aandacht vragen voor ‘dat wonder van betekenis´ ziet Van Tongeren als de invulling van zijn functie als Denker des Vaderlands. Hij vindt dat belangrijk, omdat wij door het wetenschappelijk wereldbeeld geneigd zijn om die ‘betekenis’ over het hoofd te zien. Voor hem is dat een misleidende gedachte. Alsof de dingen zijn, zoals de wetenschap ze beschrijft, kaal, objectief en betekenisloos. En alsof wij daar dan vervolgens subjectief een betekenis aan geven of opplakken. Toch is de ‘betekenis’ er al, voordat wij de werkelijkheid op wetenschappelijke wijze gaan beschrijven.

Een ander voorbeeld dat Van Tongeren noemt, is muziek. Wanneer wij noten of klanken horen, dan ervaren wij het onmiddellijk als ‘muziek’ of als ‘lawaai’, en ervaren we het als mooi of lelijk. En wanneer het op het eerste gehoor niet duidelijk is, dan ga je opnieuw en nog een beter luisteren om te bepalen of het echt wel muziek is of niet.

Ik vind dit een waardevolle manier om als gelovige te kijken en te luisteren naar de werkelijkheid. Want het pleidooi van Van Tongeren geldt denk ik niet alleen voor het schone (mooi/lelijk) of het goede (wel/niet moreel verantwoord), maar ook voor het religieuze. Dat we door de dominantie van het wetenschappelijk wereldbeeld geneigd zijn om de religieuze betekenis van de werkelijkheid over het hoofd te zien. Voor mij is het een appel om nog intensiever uit te zien naar het wonder van Gods aanwezigheid of sporen daarvan in onze werkelijkheid.

Mede n.a.v. Marc van Dijk, Het wonder van betekenis. Op zoek naar geluk en wijsheid met Paul van Tongeren, Amsterdam: Boom Uitgevers, 2021.

Het christelijk huwelijk – een verloren ideaal?

Deze zomer las ik een fictieve roman vanuit het perspectief van de vrouw van Jezus. De vraag of Jezus ooit getrouwd is geweest, is al eeuwenlang gesteld en met tal van verhalen en legenden beantwoord. Voor sommige gelovigen is de vraag stellen al een vorm van heiligschennis – hoe kun je Jezus, die God zelf was, associëren met zoiets aards en lichamelijks als het huwelijk? Toch is het huwelijk in de christelijke traditie ook als iets heiligs beschouwd. Wat is vandaag de dag nog de waarde van een christelijk huwelijk?

[Artikel in ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021 door Anne-Maaike Pathuis]  

Ik hoor jonge mensen de waarde van het huwelijk soms relativeren. Het voegt voor een stel weinig toe, omdat hun relatie vooral iets tussen hen is. ‘Wij weten toch wel dat we altijd bij elkaar willen blijven.’ Hier weerklinkt een idee over relatie en huwelijk dat bij onze postmoderne tijd past, waarin de persoonlijke vrijheid in het vormgeven van je leven normatief is. Heel gechargeerd gezegd: iets is goed wanneer het voor mij – of binnen een relatie: voor ons – goed voelt. En waarom zou je een huwelijk (maar denk hierbij ook aan andere duurzame samenlevingsvormen) dan nog ‘voor God en zijn gemeente’ laten bevestigen?

Economische redenen

In vroeger tijden ging het bij relaties en huwelijk niet (alleen maar) over wat goed voelde. In het nawoord van de roman over de vrouw van Jezus legt de auteur uit waarom ze de mogelijkheid veronderstelt dat Jezus getrouwd was. ‘Je zou kunnen stellen dat het huwelijk in de Joodse wereld van Galilea in de eerste eeuw zo volslagen standaard was, dat het min of meer vanzelfsprekend was. (…) Ik zie reden om te denken dat Jezus op 20-jarige leeftijd, een decennium voor het begin van zijn evangeliebediening, de religieuze en culturele ethiek van zijn tijd en plaats niet terzijde legde.’ Deze overweging geeft aan dat het huwelijk in Jezus’ tijd niet zozeer met liefde en passie te maken had als wel met economische en familiaire overwegingen.

Gemeenschap

Het is een groot goed, dat tegenwoordig liefde een veel grotere rol speelt in de keuze voor een huwelijkspartner dan in vroeger tijden. Ik ben een kind van mijn tijd als ik stel, dat je zonder liefde beter niet aan een levenslange verbintenis kunt beginnen. Daarom is het ook niet per definitie een verkeerd signaal als geliefden zoveel vertrouwen hebben in hun relatie, dat zij het huwelijk niet nodig denken te hebben. Maar tegelijkertijd denk ik dat het belangrijk is om het aspect van de gemeenschap waarin je een relatie of huwelijk aangaat, niet te verwaarlozen. Met het laten bevestigen van een huwelijk ‘voor God en zijn gemeente’ geef je woorden aan het grotere geheel waarbinnen je een relatie ziet. Dat werkt twee kanten op.

God en naaste

Aan de ene kant geven twee geliefden bij een huwelijksbevestiging expliciet aan dat zij in hun relatie niet alleen hun eigen wederzijdse belangen willen dienen. Zij hebben met hun relatie ook de verhouding tot God en hun naaste op het oog. Het huwelijk is een plek waarin zij God willen dienen en ook een thuis willen bieden voor andere mensen. Op die manier kan hun relatie vruchtbaar zijn – ook als er geen kinderen worden geboren.

Aan de andere kant geven twee geliefden aan dat ze aanspreekbaar willen zijn op hun relatie. Dan gaat het om de al eerder genoemde dienstbaarheid van een huwelijk aan de geloofs- en familiegemeenschap waarin hun relatie een plek heeft. Maar ook om het bewustzijn dat de steun van God en de naasten onmisbaar zijn om hun relatie duurzaam te laten zijn. Volgens mij heeft een (huwelijks)relatie pas echt duurzame waarde, wanneer je deze óók laat opnemen in het grotere verband van de verhouding tot God en de gemeenschap.

Kerk en ongehuwd samenwonen

Ongehuwd samenwonen was in de jaren ’70 in de kerk ondenkbaar, dat was ‘hokken’. Maar nu is het in de samenleving eerder regel dan uitzondering dat jongeren al samenwonen voordat ze naar het stadhuis gaan om te gaan trouwen, als dat al de volgende stap wordt. Want ook het geregistreerd partnerschap en het samenlevingscontract zijn een alternatief voor een huwelijk. Voor de kerk is het belangrijk om op deze veranderingen een visie te vormen. Ook gereformeerde jongeren gaan samenwonen, ouders en de kerk zijn er verlegen mee, en de jongeren zelf vervreemden van het kerkelijk leven.

 [Artikel in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021]

In de Kerkorde van de GKv is vastgelegd, dat ‘de kerkenraad erop toeziet dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, daarvoor een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen’, (C46.2). In de voorgestelde Nieuwe Kerkorde is als bepaling opgenomen, dat de kerkenraad dit bevordert (C7.1).[1]

Taak overheid

Het is interessant om de geschiedenis van dit kerkordeartikel op te halen. In de Middeleeuwen was de verloving de grondslag voor het huwelijk, die in overeenstemming met de Germaanse ‘Muntehe[2] een overeenkomst was tussen clans of families, waarbij de wettelijke macht over de vrouw overging van de vader/voogd in de hand van de echtgenoot. Tegelijk groeide de praktijk dat de huwelijkssluiting zelf in de kerk tegenover de priester plaatsvond, want het r.k.-huwelijk werd beschouwd als een sacrament.

Vanwege hun visie op het huwelijk als een ‘wereldlijke’ ordening pleitten de gereformeerden er in de Reformatietijd voor dat het sluiten van het huwelijk een taak van de overheid werd. Omdat de overheid daar onvoldoende voorzieningen voor trof, werd in 1619 in art. 70 van de Kerkorde geformuleerd dat de kerk tijdelijk de huwelijkssluiting zou blijven waarnemen, zoals ze dat ‘in overeenstemming met Gods Woord en de kerkelijke regelgeving’ tot nu gedaan had. Pas in 1809 trok de Franse overheid in het kader van de scheiding van kerk en staat de huwelijkssluiting exclusief naar zich toe.

Positie kerk

Op zichzelf gezien had de kerk in de 19e eeuw, toen het haar verboden werd een huwelijk te sluiten, art. 70 KO kunnen schrappen. Maar in dit artikel was ook opgenomen, dat de overheid zich in de huwelijkswetgeving zou moeten richten naar de bijbelse richtlijnen, zoals de kerk haar die aan zou reiken. Naast de burgerlijke aspecten kent het huwelijk ook ethische aspecten waar de kerk op betrokken is. Daarom wilde men bij de sluiting van een huwelijk aandacht vragen voor de specifiek christelijke setting van het samenleven als man en vrouw. In de Kerkorde van 1905 vinden we dan ook een sterk ingekorte formulering van art. 70, waarbij gesteld wordt dat ‘alzoo het behoorlijk is, dat de huwelijkse staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.’

Wie het klassieke huwelijksformulier (gebaseerd op dat van 1566) erop naslaat, merkt dat dit inderdaad stamt uit de tijd dat de kerkelijke bevestiging tegelijk de burgerlijke huwelijkssluiting was. Dat betekent dat sinds de 19e eeuw de huwelijkssluiting, ingebed in een kerkelijke setting, werd herhaald.[3] Theologisch beargumenteerde Abraham Kuyper de rechtmatigheid daarvan vanuit de idee, dat eerst door het kerkelijk handelen de ‘finale’ huwelijkssluiting tot stand kwam.

Pas in 1981 is er definitief gebroken met deze ‘dubbele huwelijkssluiting’. In het huwelijksformulier van de GS Arnhem hebben de beloften die van het bruidspaar ‘voor God en zijn heilige gemeente’ gevraagd worden, alleen betrekking op het christelijk willen leven in het huwelijk, terwijl daarna daarover een zegen gevraagd en gegeven wordt.

Burgerlijk huwelijk

Vandaag de dag is het aangaan van een huwelijk geen zaak meer van families en vormt ook de verloving niet de grondslag daarvan. Jongeren zijn met 18 jaar wettelijk meerderjarig en kunnen in vrijheid besluiten of ze willen trouwen of niet. Aan het samenwonen heeft de overheid gevolgen verbonden op het gebied van met name de belastingwetgeving en sociale zekerheid. Wil je meer vastleggen dan kun je een samenlevingscontract opstellen, een geregistreerd partnerschap aangaan of trouwen. Maar in alle gevallen worden aan de levensvormen wettelijk vastgelegde rechten en plichten verbonden.

De cruciale vraag is op grond waarvan de kerk samenwonen afwijst en in de kerkorde uitspreekt, dat gereformeerde jongeren die als man en vrouw het leven willen delen daarvoor als levensvorm het burgerlijk huwelijk dienen te kiezen. Het is namelijk overduidelijk, dat in de Nederlandse wetgeving de bijbelse waarden voor het samenleven van man en vrouw niet als eis of als ideaal in het burgerlijk huwelijk voorgehouden worden. Integendeel. Voor Abraham Kuyper was het neutrale karakter van de overheid en het ‘anti-clericalisme’ dat hij in het toenmalige Burgerlijk Wetboek meende op te merken, het motief om een kerkelijke bevestiging als aanvulling op en voltooiing van de huwelijkssluiting te beschouwen. Ook pleitten in de jaren ’90 om die reden C. Trimp en A.L.Th. de Bruijne er al voor om zo nodig als kerk tegenover de burgerlijke huwelijkswetgeving een eigen ‘huwelijksrecht’ te gaan handhaven.

Verwelkomen

Mijn pleidooi is als kerk met betrekking tot ‘huwelijk of samenwonen’ niet in te zetten op de juridische vorm, maar op het doel en de inhoudelijke vormgeving van het samenleven als man en vrouw.

Belangrijk is om in het onderlinge gesprek hierover in de argumentatie terminologisch heldere onderscheidingen aan te brengen. Op zijn minst moet er onderscheiden worden tussen (a) ‘het huwelijk als instelling van God’ d.w.z. Gods bedoeling met het samenleven van man en vrouw, (b) het bijbelse huwelijk d.w.z. de wijze waarop het samenleven van man en vrouw binnen de toenmalige context en cultuur in de bijbelse tijd werd vormgegeven, (c) het burgerlijk huwelijk d.w.z. de wijze waarop de overheid aan de sluiting van een huwelijk eisen stelt en rechtsgevolgen verbindt, en (d) het christelijke huwelijk d.w.z. de wijze waarop vandaag christenen als man en vrouw samenleven.

Laten we het gesprek voeren over de bijbelse waarden, die ten grondslag liggen aan het samenleven als man en vrouw; zoals een leven in liefde en levenslange trouw, voor het aangezicht van God, met een verantwoordelijkheid voor eventuele kinderen, en daarin van betekenis zijn voor de samenleving. Wanneer jongeren bereid zijn om zich hieraan te verbinden, zullen we hen als kerk van harte kunnen verwelkomen en uitnodigen om Gods zegen te vragen over hun ‘ongehuwd’ samenwonen.


[1] C7.1. ‘De kerkenraad bevordert dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen.’

[2] Vanuit het oudhoogduits: ‘munt’ is ‘wettelijke bescherming, scherm, voogdijschap’ en ‘ēwa’ is ‘huwelijk[scontract], wet, statuut’. In het middelnederlands heeft het verwante ‘mondig’ o.a. de betekenis ‘volmacht hebben’.

[3] Ook het gegeven dat de huwelijksbevestiging nog steeds de instemming van de gemeente behoeft en van te voren afgekondigd wordt, is terug te voeren op de eisen die in de 16e eeuw aan het sluiten van een burgerlijk huwelijk gesteld werden.

Politiek spel

Het is niet mijn gewoonte om over politiek te bloggen, maar dit keer wel. Ik maak mij zorgen over de manier waarop het formatiespel gespeeld wordt. En dan met name over de positie en de opstelling van de ChristenUnie (CU), de partij waar ik in maart toch nog op gestemd heb, daarin. Heeft de CU haar harde prioriteiten scherp en komt ze daar ronduit voor uit?

We kennen het adagium van Gert-Jan Segers: als politieke partij lopen we niet voor onze verantwoordelijkheid weg. Terecht. De belangrijke vraag is echter: als er een beroep op de CU gedaan wordt, wat zijn dan de zaken waar niet over onderhandeld kan worden? Waar ligt de grens om nog samen een kabinet te kunnen vormen? Daar maak ik mij zorgen over. Dat er uiteindelijk in de onderhandelingen in het kader van het grote uitruilen van thema’s en dossiers de kern van een christelijke politiek verdwenen of onmogelijk gemaakt wordt, namelijk de gerechtigheid en barmhartigheid.

Dat is wat ik volgens mij de afgelopen kabinetsperiode heb zien gebeuren. Dat de ChristenUnie aan een regeringsakkoord vastzat, waardoor ze ten hemel schreiend onrecht heeft moeten dulden. Voortdurend trok de christelijke politiek op het gebied van recht en barmhartigheid in dit liberale kabinet aan het kortste eind, met de Moria-deal als een van de meest recente dieptepunten, afgezien nog van het vrij spel dat de liberalen sowieso de laatste jaren op de terreinen van veiligheid, recht en vluchtelingenbeleid hebben gehad. Voor mij was dat de meest giftige ‘meloen’ die de CU de afgelopen kabinetsperiode heeft moeten doorslikken. Dat Segers in maart de wietexperimenten ‘met voorrang’ als de grootste meloen typeerde, begrijp ik nog steeds niet. Die experimenten vallen toch bij het niet-kunnen betrachten van politieke barmhartigheid en gerechtigheid verre in het niet?

Vandaar mijn zorg: waar leg je als christelijke partij je prioriteiten? De directe aanleiding voor deze blog is het recente pleidooi van enkele CDA-leden om de ‘voltooid leven’-wet van D’66 als ‘niet-onderhandelbaar’ te verklaren. De wet zou niet in een regeerakkoord mogen worden opgenomen en coalitiepartners zouden elkaar daarin niet mogen vrijlaten. Volgens mij ga je een blinde steeg in wanneer je jezelf als christelijke partij op zo’n ethisch dossier politiek klem wilt zetten.

Afgelopen tijd ben ik weer onder de indruk gekomen van de wetgeving en profetie in het oude Israël. De ballingschap was Gods oordeel over het gebrek aan het betonen van gerechtigheid en barmhartigheid door het volk Israël en Juda. De leiders hadden het kunnen weten. De profeten keerden zich vaak en ondubbelzinnig genoeg tegen de prioriteiten van economie en status ten koste van het rechtdoen aan de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling.

Volgens mij is er geen onduidelijkheid over de keuze waar de christelijke politiek vandaag pal voor moet staan. Scherp neergezet: wanneer mensen graag dood willen omdat ze hun leven als voltooid beschouwen, laat dat maar gebeuren. Veel belangrijker is het om in het politieke spel niet de levens en de hoop op een zin- en betekenisvol leven van vele anderen op te offeren. Of dat nu de slachtoffers van een bepaalde overheids- en bestuurscultuur dichtbij betreft of de vele vluchtelingen van deze aarde verder weg. Het betrachten van gerechtigheid en barmhartigheid is onopgeefbaar!

Tijdgebonden tradities

In 1972 verhuisden mijn ouders naar een grotere woning met meer slaapkamers. Ik kreeg een eigen slaapkamer, die ik zelf mocht inrichten. De planken die als boekendragers aan de muur kwamen te hangen, verfde ik oranje en groen. Ik vond het een mooie kleurencombinatie. Veel later pas, tijdens een bezoek aan het Openluchtmuseum in Arnhem, besefte ik opeens hoe die kleurkeuze naadloos paste in het modebeeld van de jaren ’70.

[Artikel in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 20 augustus 2021]

In het christelijk geloof kan het besef van tijdgebondenheid je soms ook overvallen. Zijn de inzichten en tradities die mij aangereikt zijn, ook door de tijd en de mode bepaald? Het is een vraag die zeker opkomt wanneer in kerk en samenleving allerlei veranderingen plaatsvinden.

Maarten Luther  

De vraag is niet nieuw. De gereformeerde theologie heeft haar bestaan zelfs te danken aan het gegeven, dat een bepaalde overlevering van het christelijk geloof als tijdgebonden erkend werd.

Aan het begin van de 16e eeuw kwam Maarten Luther (1483-1546) tot de overtuiging dat er scheefgroei ontstaan was in de visie van de Rooms-Katholieke kerk op genade en geloof. Hij leerde zien dat een mens alleen door het geloof zalig wordt en niet door het doen van goede werken. Op grond daarvan formuleerde hij in 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaatpraktijken van de Rooms-Katholieke kerk. Alleen het geloof in Christus kan de grond zijn van een herstelde relatie met God en zo de gelovige zekerheid bieden over zijn heil. 

Het begin van dat besef kwam bij Luther toen hij in de jaren 1513-1519 zijn colleges over de Psalmen, Romeinen en Galaten aan het voorbereiden was. De ‘reformatorische doorbraak’ kwam toen hij het tegenover de middeleeuwse scholastieke theologie opnam voor de inzichten van de kerkvader Augustinus (354-430) en radicaal de filosofische invloed van Aristoteles (384-322 v. Chr) op de scholastiek afwees.

Semper reformanda

Zo heeft in de 16e eeuw een opnieuw lezen van de bijbel, samen met een bezinning op de vooronderstellingen in de theologie, geleid tot het ontstaan van de gereformeerde theologie. Niet zonder reden is het ‘ecclesia reformata quia semper reformanda’ een kenmerkende slagzin geworden: ‘de kerk is een gereformeerde kerk, omdat zij altijd weer gereformeerd moet worden.’

In dit parool kun je een verwijzing herkennen naar Rom. 12:2: ‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil, wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.’ In het ‘semper reformanda’ gaat het erom steeds weer terug te keren naar de bron van ons leven, Christus zelf. Hij is de inhoud van het evangelie en de persoon, door wie wij het heil en het nieuwe leven van God in het geloof ontvangen.

Zuurdesem

Herman Bavinck, wiens 100e sterfdag op 29 juli jl. was, gebruikte het beeld van het Koninkrijk der hemelen als een zuurdesem om de invloed van het christelijk geloof op cultuur en samenleving aan te duiden.

Volgens hem zal het herstel in de verhouding met God leiden tot een vernieuwing van het leven op de terreinen en in de relaties, waarin gelovigen functioneren. Vandaar zijn verwachting dat in de loop van de tijd, onder de voorzienigheid van God, al de terreinen van het leven, zoals gezin, maatschappij, staat, beroep, wetenschap en kunst, zich overeenkomstig hun aard zullen ontwikkelen.

Veranderingen in tradities zijn verantwoord, wanneer die ontwikkelingen gegrond zijn in het leven volgens het evangelie in de navolging van Christus. Een continue lezing van de bijbel in combinatie met een kritische aandacht voor de vooronderstellingen in ons denken en handelen zijn daarvoor belangrijke voorwaarden.

Naar behoren

Veel gereformeerden zullen ethiek verbinden met de vraag hoe je als christen behoort te leven, zeg maar ethiek als bezinning op wat vroeger aangeduid werd als ‘de gereformeerde zede’. Naast de theologische ethiek kennen we ook de filosofische ethiek, waarin over de moraal wordt nagedacht. Interessant wordt het wanneer filosofische ethiek vanuit een christelijke perspectief wordt bedreven. Alleen al om die reden is de recent verschenen geschiedenis van de filosofische ethiek in de neocalvinistische traditie een waardevol boek om te lezen.

[Als recensie verschenen in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 20 augustus 2021]

Bart Cusveller, de auteur van ‘Naar behoren’, is docent ethiek aan Hogeschool Viaa Zwolle en heeft onderzoek gedaan naar de ethiek van de verpleegkundige. Toen hij als christen zocht naar een theoretisch kader, waarin hij het ethisch handelen in de verpleging kon verantwoorden, kwam hij uit bij de christelijke filosofie zoals die in de neocalvinistische traditie aan de Vrije Universiteit door de theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck aan het einde van de 19e eeuw ontwikkeld is.

Over de voorvragen

Het boek biedt een overzicht van hoe in de 20e eeuw door verschillende vertegenwoordigers van deze christelijke filosofie over moraal en ethiek gedacht is. De focus ligt niet zozeer op het weergeven van de omgang met concrete inhoudelijke ethische kwesties, maar op de behandeling van voorvragen als ‘wat is moraal?’, ‘hoe weet je dat iets goed of kwaad is?’, ‘hoe kunnen morele beoordelingen als goed en kwaad verantwoord worden?’, ‘hoe kun je een morele of ethische norm onderbouwen?’, ‘zijn ethische normen algemeen geldig?’, etc.

Cusveller deelt zijn boek in drie perioden in, waarbij hij naast Nederlandse neocalvinisten ook aandacht besteedt aan de Amerikanen Nicholas Wolterstorff en Richard Mouw. Boeiend is dat hij zijn overzicht niet beperkt tot de algemeen filosofische beschouwingen van Herman Dooyeweerd en André Troost. Hij bespreekt ook de meer toegespitste visies van de econoom Bob Goudzwaard, de techniek- en cultuurfilosoof Egbert Schuurman, de politicus Roel Kuiper, de medisch-ethicus Henk Jochemsen en de psychiater Gerrit Glas. Als contrast en vergelijking geeft hij bovendien de ethische visies van de Engelse literatuurwetenschapper C.S. Lewis en de Zuid-Afrikaanse politieke activist en theoloog Allan Boesak weer.

Gods wil

Kenmerkend voor het neocalvinisme is de visie dat niemand religieus-neutraal in het leven staat. Bezinning op moraal en ethiek zal daarom altijd vanuit een levens- en wereldbeschouwing plaatsvinden. Christelijke ethiek wil Gods wil voor ons leven onderzoeken. Kenbronnen voor Gods bedoelingen voor het goede leven zijn de zgn. scheppingsordeningen, de Woordopenbaring en de heilsgeschiedenis.

Uit het overzicht blijkt verder dat er in het neocalvinisme een brede en een smalle opvatting van ethiek is. In de smalle visie staat de moraal als het onderscheid tussen ‘goed en kwaad’ centraal. De kern van het moreel goede is daar de belangeloze liefde voor de ander. Daarnaast is er de brede ethiek-opvatting, waarbij ethiek de studie van het verantwoordelijk handelen is met als onderscheid ‘goed en verkeerd handelen’. In de ethiek van de medicus gaat het niet alleen om moreel verantwoord handelen, maar ook om het goed handelen volgens de normen van de medische wetenschap en praktijk.

Theologische ethiek

Ethiek is van oorsprong een filosofische discipline, die in de Griekse oudheid is ontstaan. Allerlei begrippen als ‘ethos’, ‘deugd’, ‘plicht’ en ‘hoogste goed’ zijn van hieruit in de theologische ethiek terechtgekomen, die men daar een bijbelse invulling probeerde te geven. Toch bleef er een spanningsveld bestaan, omdat in de niet-christelijke ethiek de normativiteit en het gezag van de moraal afgeleid werden vanuit de werkelijkheid en de rede. Belangrijk discussiepunt blijft de vraag op welke wijze in de theologische ethiek normen ontleend kunnen worden aan de zgn. scheppingsopenbaring, de historische ontwikkeling en het christelijk bewustzijn.

Door de concentratie op de voorvragen is het Cusveller gelukt om de verschillende visies in het neocalvinisme helder en overzichtelijk weer te geven. Tegelijk vergt het wel inspanning van de lezer om bij de les te blijven. Net als de morele vragen en dilemma’s zelf, zijn ook de ethische voorvragen bij tijden behoorlijk ingewikkeld. Als overzicht van de neocalvinistische filosofische ethiek heeft Cusveller een zeer waardevol werk geschreven.  

N.a.v. Bart Cusveller, Naar behoren. Filosofische ethiek in de neocalvinistische traditie, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2021, 296 pagina’s, € 27,50.


De vrouw in de reformatorische ambtstheologie

Het afgelopen juni-nummer van het tijdschrift voor gereformeerde theologie ‘Theologia Reformata[1] is voor een deel gewijd aan het thema ‘man-vrouw’, waarbij vooral het gesprek over de positie van de vrouw in het ambt de aandacht trekt. Centraal daarin staat de visie van de Gereformeerde Bond (GB)[2], die door de PKN-predikant dr. Harmen Jansen kritisch beschouwd[3] en door de theologen dr. Jan Hoek (PKN/GB) en dr. Dolf te Velde (GKv) verdedigd wordt.[4] Het gesprek wordt voorafgegaan door een meditatie van dr. Gijsbert van den Brink over Gal. 3:28, waar staat ‘dat het niet van belang is dat men Jood is of Griek (..) slaaf of vrije, (…) man of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus.’[5]

Semantisch spel

Ik heb het theologisch gesprek met gemengde gevoelens gelezen, vooral de bijdrage van Hoek en Te Velde. Hun bijdrage in de discussie blijft – om een term te gebruiken die ze zelf invoeren – het karakter van een ‘semantisch spel’ houden, en niet alleen als het gaat om de begrippen ‘gelijkwaardigheid’ en ‘gelijkheid’. Ook als het gaat over ‘het gezag van de Heilige Schrift’, ‘scheppingsorde’, ‘ambt’ en ‘theologische constructies’ blijft hun artikel steken in een vruchteloos herdefiniëren van de eigen positie en het formuleren van een aantal ‘fundamentele noties’, die ‘niet zomaar opgegeven kunnen worden.’ Deze noties zijn ‘(1) de eigenheid van mannen en vrouw in hun onderlinge verhoudingen; (2) het karakter van de ambten en hun plaats in het geheel van de gaven en diensten in de gemeenten; (3) het gezag van de Bijbel als Woord van God voor alle tijden.’

In mijn ogen functioneren de door Hoek en Te Velde genoemde noties in het artikel vooral als een voor gereformeerde theologen open deur die weinig toevoegt aan het gesprek, omdat er geen criteria aangereikt worden waar je aan af kunt meten of een verdediging van de vrouw in het ambt in een gereformeerde visie nu echt onmogelijk is. Daarmee zeg ik niet dat het commentaar van Hoek en Te Velde bij de argumentatie van Jansen helemaal geen hout snijdt. Maar wel dat de door hen aangevoerde kanttekeningen en tegenargumenten niet dwingend leiden tot een afwijzen van de vrouw in het ambt.

Bij de door hen genoemde noties kunnen o.a. de volgende vragen worden gesteld: (1) Waarom kan de eigenheid van mannen en vrouwen in hun onderlinge verhoudingen niet ook tot uitdrukking komen in het dragen van het ambt door zowel mannen als vrouwen? (2) Wat is het unieke karakter van het ambt dat vrouwen daarin niet kunnen dienen, wanneer – zoals Hoek en Te Velde uitspreken – biologische, psychologische, intellectuele of andere eigenschappen daar geen belemmering voor vormen? (3) Op grond waarvan vallen de culturele context en cultuur waarbinnen God zijn Woord gegeven heeft, ook onder het gezag van de Bijbel voor ons vandaag?

Elke tekst?

Ik vind het jammer dat Hoek en Te Velde het artikel van Jansen niet gezien en gebruikt hebben als uitnodiging om kritisch te reflecteren op de eigen vooronderstellingen bij het gebruik van de Bijbel, wanneer zij de opvatting ‘het ambt komt vrouwen niet toe’ onderbouwen. Dat zou het gesprek op een hoger niveau hebben getild. Met name mis ik node, hoeveel woorden zij ook wijden aan ‘het verstaan van de Bijbel als Gods Woord’, een paragraaf en onderbouwing van hoe wij in onze huidige context recht kunnen doen aan het gezag van de Bijbel.

In het voorjaar van 2021 betuigde Hoek nog zijn instemming, dat in het gesprek over ‘vrouw en ambt’ van ‘eminent belang’ is dat ‘onze cultuur niet bepalend is voor de uitleg van de Bijbeltekst en de toenmalige cultuur niet bepalend voor de toepassing van de Bijbeltekst.’[6] Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat in dit artikel zonder veel onderbouwing het ‘buigen voor de Schrift zelf’ ook betekent het aanvaarden van ‘de oosterse, paternalistische cultuur’ waarbinnen God zijn Woord gesproken heeft.

Hoek en Te Velde maken het zich wel erg gemakkelijk om met een verwijzing naar art. 5 en 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis de Heilige Schrift met Gods Woord voor vandaag te identificeren. Ze ondersteunen deze stelling met een beroep op 2 Tim. 3:16, waar staat dat ‘elke schrifttekst door God geïnspireerd is en gebruikt kan worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ M.i. kan het beroep op het ‘elke tekst’ (pasa graphè) de identificatie van de Bijbel met Gods Woord voor vandaag niet dragen. Zowel het gereformeerde adagium ‘sola scriptura’, dat alleen de Schrift het Woord van God is, als het ‘tota scriptura’, dat heel de Schrift Gods woord is, maken bezinning op de hermeneutische vraagstelling niet overbodig.

Woord en Geest

Winst vind ik het dat Hoek en Te Velde erkennen, dat Gal. 3:28 niet alleen spreekt over de religieuze positie ten opzichte van God, maar dat deze tekst ook een ‘krachtige impuls’ voor de sociale verhoudingen in de gemeente impliceert. Als het gaat om de gevoelde spanning tussen Gal. 3:28 en de zgn. zwijgteksten en hun pleidooi om te zoeken naar de consistentie van Paulus’ woorden, was het interessant geweest als ze zich geconfronteerd hadden met de suggestie van Van den Brink, dat ‘de zwijgteksten minder centraal zijn en beogen om bij te sturen wat er in concrete situaties mis dreigde te gaan.’

In het verlengde van deze opmerkingen hadden Hoek en Te Velde m.i. op zijn minst in moeten gaan op de verhouding tussen Woord en Geest. Terecht stelt Van den Brink namelijk in zijn bijdrage de vraag, of ‘waar het Woord ambivalent is, de Geest bepaalde wegen in de tijd schrijft?’ Kan het ervaren van een roeping voor het ambt door vrouwen en kunnen het ontvangen van gaven daarvoor ‘een vingerwijzing vormen om Galaten 3:28 niet te muilkorven, maar inderdaad ook op dit punt door te laten werken, en de zwijgteksten niet het zwijgen op te leggen maar wel van daaruit te lezen?’ Hoek en Te Velde raken aan deze vragen, waar zij constateren dat de Heilige Geest ‘kennelijk’ in de wereldkerk op zegenrijke wijze gebruik maakt van de dienst van de vrouw in het ambt van predikant, ouderling en diaken, maar doen hier uiteindelijk in hun eigen betoog weinig mee.

Hermeneutische vooronderstellingen

Tenslotte blijft er de vraag, of Hoek en Te Velde ook feitelijk ruimte in de reformatorische ambtstheologie zien voor een verantwoorde onderbouwing van de vrouw in het ambt. Intrigerend vind ik in ieder geval hun opmerking dat de visie op de door hen genoemde ‘fundamentele noties’ niet ‘volledig dichtgetimmerd’ is: ‘Er liggen vragen open, die met een beroep op de Schrift op verschillende manieren beantwoord en beargumenteerd kunnen worden.’ Ook eerder al maakten ze een soortgelijke opmerking, toen ze stelden dat de vijf door de GB geformuleerde hermeneutische regels om de uitleg van de Schrift in goede banen te leiden ‘niet per definitie tot één uitkomst in een vraagstuk als ‘vrouw en ambt’ leiden, maar ze wel de fundamentele richting bepalen waarin ons verstaan van de Schrift zich heeft te bewegen.’

Graag wil ik Hoek en Te Velde uitdagen om het gesprek voort te zetten en nader op de eigen hermeneutische vooronderstellingen te reflecteren. Het recent vanuit de eigen kring gepubliceerde boekje ‘Geschapen om te regeren’, waarin Robert Plomp een gedegen kritische bespreking van de visie van de GB op ‘vrouw en ambt’ biedt[7], kan daar een zinvolle aanzet voor zijn. Dan kunnen ze tegelijk daarmee de dupliek van Jansen beantwoorden, die hen de vraag en keuze voorlegt: ‘Handhaving van de patriarchale orde of ingaan op de dynamiek van de Geest?’[8]

Zwolle, 19 augustus 2021


[1] Theologia Reformata, jaargang 64, nummer 2, juni 2021. Het blad, afgekort als TR, verschijnt 4x per jaar onder redactie van theologen uit de kring van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Hersteld Hervormde Kerk.

[2] Het hoofdbestuur van de ‘Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland’ heeft zijn visie in twee brochures vastgelegd. De eerste is ‘Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Over man, vrouw en ambt’, Apeldoorn 2012, met als auteur P.F. Bouter. De tweede, als aanvulling en uitwerking van de eerste, is ‘Geroepen vrouw. Vrouwen in Christus’ gemeente’, Apeldoorn 2015, met als auteurs M. van Campen en J. Hoek.

[3] H. Jansen, ‘Alleen voor mannen? Het patriarchale rudiment in de reformatorische ambtstheologie’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 105-122.

[4] J. Hoek en R.T. te Velde, ‘Reformatorische ambtstheologie en de eigenheid van mannen en vrouwen’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 123-137.

[5] G. van den Brink, ‘Meditatie. Titus, Callixtus, en Leene?’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 98-104.

[6] Zie zijn ‘Woord vooraf’ in: Robert Plomp, Geschapen om te regeren. In gesprek over vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021, p. 7-8.

[7] Voor gegevens zie noot 6.

[8] H. Jansen, ‘Reactie. Handhaving van de patriarchale orde of ingaan op de dynamiek van de Geest?’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 138-141.

Rust vinden onder het juk van Jezus

Het is een geliefde en zeer bekende tekst: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven,’ (Mat. 11:28). Zo’n tekst die je vroeger ingelijst op een tegeltje zag en die je vandaag als bemoedigingkaartje stuurt naar iemand die het moeilijk heeft. Wie in de bijbel de daarop volgende verzen leest, komt tot de verrassende ontdekking dat het ‘rust geven’ nauw verbonden is met het opnemen van het juk van Jezus en het hem als leerling volgen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 30 juli 2021]

Er zijn allerlei dingen waardoor je onder lasten gebukt kunt gaan en vermoeid kunt raken. Je kunt depressief of ernstig ziek zijn, te maken hebben met rouw na overlijden of door opgebroken relaties. Je kunt zorgen hebben over jezelf, over anderen, of over hoe het met de kerk en met de samenleving zal gaan. Toch is deze oproep van Jezus niet tot een bepaalde groep mensen beperkt. Het is een algemene oproep, want het is een toespitsing van zijn boodschap dat iedereen tot inkeer moet komen, omdat het Koninkrijk van de hemel dichtbij is gekomen.

Wie is Jezus?

Matteüs laat in hoofdstuk 11 en 12 zien, dat er discussie komt over wie Jezus is. Is hij wel degene waar al eeuwen naar uit werd gezien, laat Johannes de Doper vragen. Zou dit de Zoon van David zijn, vragen de mensen. En het antwoord van Jezus is dat ze moeten letten op wat hij doet: ‘Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd, doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws verteld.’

Toch gaan velen niet op de uitnodiging in. Jezus verwijt het de steden Chorazin, Betsaïda en Kafarnaum. Als in Tyrus en Sidon, ja zelfs in Sodom en Gomorra, dezelfde wonderen waren gebeurd, dan zouden ze zich allang bekeerd hebben. De Farizeeën en schriftgeleerden beschuldigen hem, dat hij die wonderen alleen kan doen omdat hij een handlanger is van Beëlzebul, de vorst van de demonen.

Beseffen wie Jezus is, moet je geschonken worden. Wanneer je met eigen inzichten naar de gebeurtenissen kijkt, merk je niet op dat hij de Messias is. Maar van wie het inzicht gescherpt is door de profetieën van de wet en de profeten tot aan Johannes de Doper toe, die zal het gewaar worden. Aan hem of haar zal geopenbaard worden, dat Jezus werkelijk de bode is in wie God zelf naar zijn volk toekomt, (Mal. 3:1). Jezus is de Zoon, aan wie de Vader heeft toevertrouwd het Koninkrijk van de hemel te openen.

Genezingen als tekenen

Het was de taak van Jezus om het contact tussen God en de mensen te herstellen en te verstevigen. De wonderen die hij doet, zijn even zovele tekenen dat Gods rijk onder de mensen gekomen is. Want die lichamelijke ziekten waar mensen van genezen worden, waren signalen van hoe mensen op geestelijk niveau ervoor stonden. Ze zijn het gevolg van de vloek die met de zondeval van Adam en Eva over de mensheid gekomen is. Buiten het paradijs zijn er de doorns en distels op de akker en de verstoorde verhoudingen tussen mensen.

Zo komt Jezus in het evangelie met zijn oproep naar de mensen toe. Bij mij moet je zijn, iedereen die de gevolgen van de vloek ervaart – ik zal je rust geven. Ik ben gekomen om die vloek te dragen, om de vrede met God te herstellen en om jullie weer in harmonie met elkaar te brengen. Ik ben – om het met die woorden van Psalm 23 te zeggen – gekomen om jullie als een goede herder naar groene weiden en vredige wateren te brengen. Ik wil jullie nieuwe kracht geven en jullie langs veilige paden leiden, zodat jullie voor eeuwig weer bij mijn Vader thuis zullen zijn.

Het juk van Jezus

Zo biedt Jezus de mensen het geluk aan: ‘Het echte geluk is voor mensen, die weten dat ze God nodig hebben. Want voor hen is Gods nieuwe wereld,’ (BGT Mat. 5:3). Geluk ligt niet in het verzamelen van geld en dingen en in het opdoen van belevingen. Echt geluk ontvang je in een relatie als genade van Jezus. Omdat hij je zijn liefde verklaart, zijn zorg aan je wil besteden, en je in Gods nabijheid wil brengen.

Leven in Gods wereld betekent daarom leerling van Jezus worden, met hem samenleven en zijn onderwijs ter harte nemen. Dat vat Jezus samen als het opnemen van zijn juk. Hoe dat leven eruit ziet, schetst hij in de Bergrede. Het is een leven van overvloeiende gerechtigheid en barmhartigheid.

Jezus is degene die vervuld met de Geest van God onze demonen uitdrijft. Nu is het van belang om zijn onderwijs in ons leven te laten ontkiemen, zodat het vrucht zal dragen, honderdvoudig, zestigvoudig, dertigvoudig. Zo zullen wij onder het juk van Jezus rust en het geluk vinden.

Herman Bavinck – orthodox christen in een moderne samenleving [1]

Donderdag 29 juli 2021 is het 100 jaar geleden dat de gereformeerde theoloog Herman Bavinck op 66-jarige leeftijd overleed. Samen met Abraham Kuyper stond hij aan de wieg van wat wij vandaag het neocalvinisme noemen, de update van de gereformeerde theologie aan het begin van de 20e eeuw. Maar als we stil staan bij de betekenis van Bavinck’s werk voor de 21e eeuw, dan ligt die vooral in de wijze waarop hij een bijdrage heeft geleverd aan de door het neocalvinisme geïnspireerde christelijke wereld- en levensbeschouwing.[2]

De Schotse theoloog James Eglinton publiceerde vorig jaar een nieuwe biografie van Bavinck. Hij maakt duidelijk dat het Bavinck’s levensmissie was om binnen de snel moderniserende cultuur een eigentijds gereformeerd geluid te laten horen. Eglinton schetst het leven van Herman Bavinck als die van ‘een moderne Europeaan, een orthodoxe calvinist en een man van de wetenschap.’[3]

Allereerst is Bavinck de dogmaticus, die met zijn nog steeds lezenswaardige 4-delige ‘Gereformeerde Dogmatiek’ (1895-1901) de gereformeerde theologie wetenschappelijk weer bij de tijd bracht. Hij zocht daarin nadrukkelijk het gesprek met de moderne theologie om haar terechte inzichten en vragen in zijn eigen denken te verwerken en te beantwoorden.

Vervolgens is Bavinck ook de man die zich vol ijver inzette om de gereformeerde beginselen maatschappelijk en politiek op een eigentijdse wijze vorm te geven. Hij besefte terdege dat het ongeloof sinds de 17e eeuw in de samenleving een gestage opmars was begonnen en zag het eind 19e eeuw hand over hand toenemen. Maar hij had een groot vertrouwen dat als God het wilde het gereformeerde geloof in de maatschappij en in de wetenschap een grote kracht zou kunnen ontwikkelen, vergelijkbaar met de invloed van het calvinisme in het 16e- en 17e-eeuwse West-Europa.[4]

Zelf zette Bavinck zich in het bestuur van het Gereformeerd Schoolverband vanaf 1890 op nationaal niveau onvermoeibaar in om het gereformeerd onderwijs te bevorderen.[5] Daarnaast droeg hij, met name in zijn professoraat aan de VU vanaf 1902, bij aan de ontwikkeling van een gereformeerde psychologie en pedagogiek.[6] Op politiek terrein bracht hij zijn visie vanaf 1911 publiek voor het voetlicht als lid van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal.

Het belangrijkste is dat Bavinck in heel zijn leven tot uitdrukking bracht dat een christen voor het aangezicht van God en tot eer van God leeft.[7] Daar trok hij de consequentie uit dat een christen zich niet van de wereld mocht afsluiten, maar de roeping had gekregen ‘om de wereld naar de beginselen van het Christendom te hervormen en te vernieuwen.’[8] Dat was ook zijn motivatie om te ijveren voor de eenwording van de gereformeerden in één kerkgemeenschap, zoals bij de Vereniging van 1892,[9] en om tegenover èn onafhankelijk van de liberale staat te werken aan een sterk maatschappelijk middenveld dat gedragen zou worden door bijbelse geïnspireerde overtuigingen en praktijken.[10]

Zo is Herman Bavinck een inspirerend voorbeeld hoe je als een orthodox christen kunt leven in een geseculariseerde (post)moderne tijd.


[1] Artikel website Gereformeerd Kerkblad d.d. 27 juli 2021, zie: http://www.gereformeerdkerkblad.nl.

[2] Zie o.a. H. Bavinck, Christelijke wereldbeschouwing, Kampen: J.H. Kok, 19132 en H. Bavinck, Wijsbegeerte der openbaring. Stone-Lezingen voor het jaar 1908, gehouden te Princeton N.J., Kampen: J.H. Kok, 1908.

[3] James Eglinton, Bavinck. A Critical Biography, Grand Rapids: Baker Academic, 2020, p. xxii.

[4] Zie: H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 3 (1896), p. 129–163.

[5] Zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen: J.H. Kok N.V., ‘Hoofdstuk XII. Pedagoog’, p. 243-247 en J. Exalto, ‘Herman Bavinck. De ziel overwint’, in: A. C. Flipse (ed.), Verder kijken. Honderdvijfendertig jaar Vrije Universiteit Amsterdam in de samenleving. Zesentwintig portretten, Amsterdam: VU University Press, 2016, p. 43-50.

[6] Zie o.a. H. Bavinck, Beginselen der psychologie, Kampen: J. H. Bos, 1897; H. Bavinck, Bijbelsche en religieuze psychologie, Kampen: J.H. Kok, 1920 en H. Bavinck, Paedagogische beginselen, Kampen: J. H. Kok, 1904.

[7] Voor zijn visie zie H. Bavinck, ‘De Eere Gods’, in: H. Bavinck, Kennis en leven. Opstellen en artikelen uit vroegere jaren, Kampen: J.H. Kok, 1922, p. 106-114, met een typerende samenvatting op p. 113: ‘Aan dat beginsel dankte de Gereformeerde Kerk, die meer dan andere Kerken daardoor haar leven, denken en streven liet beheerschen, haar kracht en grootheid. Voor die eere heeft zij opgeeischt niet slechts de Kerk, maar ook het huisgezin, den staat en de maatschappij; de kunst en de wetenschap, het rijke, volle leven in zijne gansche diepte en breedte. Daardoor heeft zij het beter dan andere begrepen, dat godsdienst niet maar is een stuk van het leven, dat alleen op den Sabbat in het huis des gebeds op zijn plaats was, maar dat godsdienst hèt leven was, dat heel het leven moest wezen één dienen, één prijzen, één verheerlijken Gods; dat die eere nergens moest uitgesloten en nergens mocht ingesloten worden, maar dat ze vrij en breed zich uitbreiden en alle ding aan zich dienstbaar maken moest. Opdat alwat adem had den Heere zou loven!’

[8]  H. Bavinck, ‘De navolging van Christus en het moderne leven’, in: H. Bavinck, Kennis en leven, p. 115-144, citaat op p. 131.

[9] Ook na 1892 bleef het zijn verlangen om zich te verenigen met ‘de duizenden in de Nederlandsche Hervormde Kerk die de Gereformeerde belijdenis van harte liefhebben’, zie H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, p. 145: ‘In elk geval mag de actie, die er van de Gereformeerde Kerken uitgaat, nimmer rusten, voordat alle zonen van hetzelfde huis ook weer in liefde en vrede samen wonen onder één dak.’

[10] Vgl. H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, p. 148v.