Priester (m/v)

In een artikel in Nader Bekeken gaat dr. Pieter Boonstra in op de in 2017 genomen besluiten van de GKV-synode over ‘M/V en ambt’[i]. Hij heeft twee argumenten om deze besluiten af te wijzen. Allereerst wordt er geen recht gedaan aan de zgn. zwijgteksten, waar Paulus zijns inziens duidelijk leert dat vrouwen geen ambtelijke taken in de gemeente mogen verrichten. Ten tweede wordt er geen recht gedaan aan wat hij noemt de ‘priesterlijke’ lijn. Dat is het patroon in de Bijbel dat begint bij mannelijke priesters, vervolgens loopt via mannelijke apostelen en ten slotte uitkomt bij mannelijke oudsten. Dit tweede argument stel ik in deze blog centraal. Over het eerste argument heb ik al vaker geschreven op deze site en heb ik laten zien, dat een beroep op de zwijgteksten als absoluut verbod om vrouwen uit het ambt te weren niet te rechtvaardigen is.

Over die ‘priesterlijke lijn’ schrijft Boonstra, dat:

alleen mannen voor die dienst in aanmerking kwamen. Op deze regel vind je in het Oude Testament géén uitzondering, nergens is er sprake van een priesteres. Dit is des te opvallender, omdat in de toenmalige wereld bij de omliggende volken priesteressen dienstdeden in de tempel. De reden dat de Here niet koos voor vrouwelijke priesters, kan dus niet gezocht worden in het feit dat daar in de toenmalige cultuur geen ruimte voor was. Die was er dus wel degelijk! Desondanks kiest de Here alleen voor mannelijke priesters.’

Zijn gedachte is vervolgens dat Jezus juist 12 mannen als apostel gekozen heeft, omdat hij bij deze priesterlijke lijn uit het Oude Testament aansluit. Een bevestiging van die gedachte ziet hij daarin, dat Paulus zijn apostolische prediking typeert als ‘bediening van de verzoening’, wat een priesterlijke taak is. Een taak die Paulus vervolgens overdraagt aan de oudsten en opzieners (Hand. 20:27v) en die hij uitsluitend aan mannen toevertrouwt, (1 Tim. 2:13v, 1 Tim. 3:2 en Titus 1:6). Dat is een bewuste keuze, omdat Paulus in 1 Tim. 3:11 wel toestaat dat een vrouw diaken mag worden.

Duidelijk mag zijn dat de door Boonstra gesignaleerde lijn een constructie is, die hij als lezer aanbrengt, waarbij het dan de vraag wordt of daar in de bijbel zelf wel voldoende gronden voor zijn.

Als we op de lijn letten die Boonstra construeert, valt op dat in het Nieuwe Testament niets gezegd wordt over Jezus’ motivering om juist twaalf mannen als apostel te kiezen, laat staan dat het duidelijk wordt dat het zou zijn om daarin een ‘priesterlijke’ lijn voort te zetten. Wel weten we dat er onder zijn leerlingen ook vrouwen waren. Ook lezen we in Lukas dat hij 72 leerlingen twee aan twee op stage uitzond met de opdracht zieken te genezen en de komst van het koninkrijk van God aan te kondigen. We weten niet of onder die 72 leerlingen ook vrouwen waren. Maar de kans dat bijvoorbeeld de Emmaus-gangers, twee leerlingen van Jezus, een echtpaar vormen, is veel groter dan dat het twee mannelijke leerlingen zijn.

Als de keuze voor aansluiting bij een ‘priesterlijke’ lijn voor Jezus het argument zou zijn voor de aanstelling van apostelen, dan vraag ik me verder af waarom Boonstra alleen focust op het man/vrouw-zijn als criterium. Er waren meer vereisten voor priesters: ze moesten afkomstig zijn uit de stam Levi en dan ook nog uit het geslacht van Aäron. Nadere vereisten waren verder dat ze geen gebrek aan het lichaam mochten hebben. Tenslotte mochten ze als ze onrein waren geen dienst doen in de tempel.

Dat laatste aspect lijkt mij overigens de meest aannemelijke verklaring, dat vrouwen in het Oude Testament geen priester zijn geworden. Door hun maandelijkse ongesteldheid en bloedverlies zijn er maar beperkte tijden, dat ze dienst kunnen doen. Mijn conclusie zou daarom ook eerder zijn, dat vrouwen geen priester konden worden, niet omdat zij vrouw zijn, maar omdat ze – doordat ze vrouw zijn – veel te vaak onrein zouden zijn om deze functie te kunnen vervullen. Een logische vraag die hier uit volgt is, of dit criterium onder het nieuwe verbond nog zijn geldigheid zou hebben. Deze vraag stellen is haar mijns inziens negatief beantwoorden. Het criterium rein/onrein heeft in Christus zijn voltooiing gevonden. De heiligheid en reinheid van gelovigen en hun representanten liggen door het offer dat Hij gebracht heeft in Hem verankerd. Vrouwen zouden daarom onder het nieuwe verbond wel priester kunnen zijn.

Als we verder kijken naar de argumentatie voor de lijn die Boonstra veronderstelt, is op te merken dat inderdaad het nederlandse woord ‘priester’ etymologisch afgeleid is van het griekse woord ‘presbuteros’, dat oudste betekent. Maar dat betekent niet dat dus de functie van oudste in het Nieuwe Testament ook afgeleid is van de functie van de priester in het Oude Testament.

Het argument dat Boonstra daar toch voor denkt te kunnen aanvoeren is die van de metafoor van ‘de bediening van de verzoening’, die hij in de NBG-vertaling van 1951 in 2 Kor. 5:18 bij Paulus vindt. Toch vind ik het vreemd om te suggereren, dat zoals de priester verzoening tot stand brengt tussen God en mens door middel van het offer, de verkondiger van het evangelie verzoening tot stand brengt tussen God en de hoorder. Uit de NBV-vertaling van 2004 van dit vers blijkt duidelijk, dat de verzoening met God door Christus tot stand gebracht is en dat de verkondiging dat de verzoening tot stand gebracht is toevertrouwd is aan Paulus en aan de andere medewerkers van God (6:1) als gezanten van God (5:20). Het griekse werkwoord dat Paulus gebruikt is ‘presbeuoo’, waarin de gemeenschappelijke stam van ‘presbuteros’ te herkennen is. Het waren vaak de ouderen (oudsten) die de gemeenschap of het volk representeerden en als gezanten optraden en als zodanig het woord voerden.

Vanuit strategische en (kerk-)politieke overwegingen begrijp ik wel dat Boonstra de vraag van m/v en ambt graag exclusief wil toespitsen op de vraag aan welke kwalificaties een priester moet voldoen om God te kunnen representeren. Het is duidelijk dat in het Oude Testament vrouwen God wel kunnen vertegenwoordigen als profetessen en richteressen. In het Nieuwe Testament wordt vrouwen toegestaan om te profeteren en in de verkondiging werkzaam te zijn. Het zou mooi zijn om dan te kunnen aantonen, dat het ambtelijke spreken in het Nieuwe Testament zijn kern vindt in het priesterlijke en niet in het profetische, zoals deputaten MV betogen, en dan een beroep te kunnen doen op een constante ‘priesterlijke’ mannelijke lijn vanuit het Oude Testament.

Ik wil aan deze korte opmerkingen bij Boonstra’s zgn. ‘priesterlijke’ lijn twee conclusies verbinden. Ten eerste dat een ‘priesterlijke’ lijn van het Oude naar het Nieuwe Testament niet vanuit de bijbel valt aan te tonen en daarom als onverantwoorde fictie en dus als een non-argument in het m/v-ambt gesprek moet worden afgewezen.

Ten tweede dat als het over de vrouw in het ambt gaat, het niet om de vraag gaat of vrouwen priester mogen worden, maar om de vraag aan welke kwalificaties vertegenwoordigers van God moeten voldoen om Hem te representeren.

Ook al is het zo, dat in het Nieuwe Testament voornamelijk mannen als ‘oudsten’  worden genoemd, mijn inziens valt het bijbels niet hard te maken om vrouwen vanwege hun vrouw-zijn categorisch van deze functie uit te sluiten. Man en vrouw zijn samen naar het beeld van God geschapen. Daarom kunnen ook vrouwen Hem vertegenwoordigen. Als het om priesters gaat kan Gods volk, zowel mannen als vrouwen, in het Nieuwe Testament (onder verwijzing naar het Oude Testament) gekarakteriseerd worden als ‘een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht’, (1 Petrus 2:9).

Vrouwen als priester? Onder het nieuwe verbond is dat wel degelijk mogelijk.

 

 

[i] Zie: Nader Bekeken, Jaargang 24, nr. 9, september 2017, p. 239-243.

Advertenties

Meedenken met Loonstra [i]

In zijn boekje ‘Meedenken met Paulus[ii] snijdt dr. Bert Loonstra de belangrijkste vraag in het gesprek over de vrouw in het ambt aan. Hoe ga je om met de bijbel, in het bijzonder met de zgn. zwijgteksten? Mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Welke waarde hebben Paulus’ verwijzingen naar de wet en de scheppingsorde als hij voorschriften geeft over de positie van de vrouw in de gemeente?

Zijn stelling is dat trouw zijn aan de Schrift niet bestaat in het exact naspreken van wat Paulus destijds in zijn culturele context als voorschriften heeft gegeven, maar in een toepassing van diens normatieve uitgangspunten en manier van denken op onze cultuur en context. In andere tijden is een andere toepassing mogelijk, mits de kern van het evangelie overeind blijft staan en die toepassing uitdrukking geeft aan het door Christus bevrijde leven in de Geest.

Loonstra tilt het gesprek over m/v en het ambt zo op het niveau van de hermeneutiek. Op dit gebied hebben zich in de loop van de 20e eeuw in de gereformeerde theologie belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.[iii] Kort aangeduid: een besef dat verantwoord bijbelgebruik meer is dan een samenbrengen van een aantal bijbelteksten om een bijbelse visie op een ethisch, dogmatisch of kerkordelijk onderwerp te bieden. Dat leidt namelijk snel tot een biblicistisch bijbelgebruik, als voorbij wordt gegaan aan de eigenheid van elke tekst en aan de positie van de tekst in het geheel van de Schrift. Bij een beroep op de bijbel moet het grotere geheel van de heilsgeschiedenis en de voortgang van het Gods rijk in rekening worden gebracht. Ook  moet de cultuurhistorische context van de normen, waarden en geboden in de Schrift vastgesteld worden.

Het beroep op de bijbel is ingewikkelder geworden, niet omdat wij ons aan het gezag van de bijbel willen onttrekken, maar juist omdat wij de bijbel niet willen laten buikspreken. De vanzelfsprekendheid dat iets hoort of geldt omdat het zo in de bijbel staat, is verdwenen. We hebben leren zien dat veel van wat lang als bijbels of gereformeerd beschouwd werd een cultureel bepaalde invulling van bijbelse waarden en normen was. Ook zijn er nieuwe ontwikkelingen in de samenleving en cultuur, waar wij een bijbels verantwoord licht over mogen laten schijnen.ge

De inzichten van Loonstra sluiten aan bij het model dat Rob van Houwelingen schetst voor het contextueel lezen van de bijbel en Ad de Bruijne voor de ethische bezinning in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag[iv]. De bijbel functioneert daarin als een heilshistorisch model voor het goede leven in Israel resp. het Romeinse rijk. In de woorden van De Bruijne: ‘Evenals de apostelen deden met het onderwijs van Jezus en Mozes, moeten wij op onze beurt hun woorden leren zien binnen onze eigen context en zo de betekenis ervan ‘herkennen’’. In de GKv hebben wij ervaring met dit model opgedaan in de omgang met het onderwerp ‘huwelijk en echtscheiding’ op de verschillende synoden van 1999 t/m 2008. Het is dan ook logisch dat de GKv Synode Meppel 2017 in lijn met dit hermeneutisch model geconcludeerd heeft, dat er geen belemmeringen zijn om de vrouw in het ambt toe te laten.

Grote vraag bij deze benadering is, of de (westerse) cultuur gaat heersen over wat het evangelie ons leert. Het antwoord van Loonstra is tweeledig. Allereerst dat de kern van het evangelie niet is het houden van geboden en voorschriften, omdat wie in Christus gelooft dood is voor de wet en leeft door de Geest. Ten tweede dat ook de westerse cultuur in verbinding gebracht moet worden met het onderwijs en de levensweg van Christus en dat een ‘nee’ uitgesproken moet worden tegen zaken die zich niet met de heerschappij van Christus laten verenigen.

Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving. Zijn richtlijnen hadden niet de bedoeling om het patriarchale systeem te legitimeren, maar om de voortgang van het evangelie te bevorderen. Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis. Daarom mogen wij de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting brengen.

Loonstra’s boekje is een ontdekkingstocht op niveau. Voor degene die enigszins met de hermeneutiek vertrouwd is, biedt het een waardevolle bijdrage aan het gesprek over m/v en het ambt.

 

 

[i]  Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 12 d.d. 8 juni 2018

[ii] Zie het artikel ‘Meedenken met Paulus’ in het Gereformeerd Kerkblad, 71e jaargang, nr. 11 d.d. 24 mei 2018.

[iii] Zie het overzicht door Ad de Bruijne in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017, p. 13-34.

[iv] Zie: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne), citaat op p. 188.

Hermeneutiek [i]

Het was in het voorjaar van 1977. De verkiezingen voor de Tweede Kamer waren in aantocht. Stemmen mocht ik nog niet, maar met een vriend uit de 5e klas VWO ging ik naar de verkiezingsvergadering van D’66 om Jan Terlouw te zien en te horen. Samen discussieerden wij over christelijke politiek. Onze voorkeuren lagen ver uit elkaar: hij was meer voor de PvdA en de radicaal-christelijke PPR en ik voor het GPV. Ook bij andere thema’s werd duidelijk, dat wij erg bepaald waren door de tradities waarin wij geboren en opgegroeid waren: hij in de Nederlands Hervormde kerk en ik in de vrijgemaakt gereformeerde. Langzaam ontstond in die tijd bij mij een pijnlijk besef, dat een beroep op de bijbel niet automatisch tot consensus leidt. Om ergens het label ‘christelijk’, ‘bijbels’ of ‘gereformeerd’ aan te verbinden, is het citeren en verwijzen naar bijbelteksten niet voldoende. Elke uitleg wordt gedragen door hermeneutische vooronderstellingen. Mijn doel met dit essay is om een introductie te bieden in de verschillende hermeneutische aspecten die bij een verantwoord gebruik van de bijbel een rol spelen.

 

     –   Bezinning op verstaan

Hermeneutiek is afgeleid van een werkwoord dat in het Grieks uitleggen betekent. Een ‘hermeneut’ is een uitlegger of tolk van orakels en uitspraken van de goden, degene die de afstand tussen de wereld van de goden en die van de mensen overbrugt. Zo brengt de uitlegger de betekenis van een tekst over, zodat die door de lezer/hoorder begrepen kan worden. In de Griekse mythologie was Hermes de boodschapper van de goden. Hij zou ook de taal en het schrift ontdekt hebben, de middelen waarmee wij ons als mensen verstaanbaar maken en waarmee wij betekenis aan elkaar over kunnen dragen.

Je kunt hermeneutiek omschrijven als het vakgebied,  waarin nagedacht wordt over hoe mensen elkaar kunnen het begrijpen en verstaan (of elkaar niet-verstaan).

Eeuwenlang is de hermeneutiek niet meer geweest dan het beschrijven van de regels, die je gebruikt voor het uitleggen van teksten. Bij het lezen van teksten maken we gebruik van onze kennis van de taal, van de grammatica, van de betekenis van woorden (semantiek), van de manier waarop wij door middel van taal ons uitdrukken en handelingen verrichten (pragmatiek), van hoe teksten opgebouwd zijn (retorica) en van de soorten teksten die we onderscheiden (genres). Voor het lezen van teksten uit andere tijden of afkomstig uit landen of werelddelen die erg van de onze verschillen, zul je vaak ook nog specifieke historische en culturele kennis moeten hebben om ze goed te kunnen plaatsen of te begrijpen.

In de 19e eeuw, toen er een scheiding kwam tussen de natuurwetenschappen en de zgn. ‘geesteswetenschappen’ als letteren, geschiedenis en de sociale wetenschappen, is het terrein van de hermeneutiek door Wilhelm Dilthey verbreed naar de vraag wat begrijpen is en hoe het vaststellen van de betekenis wetenschappelijk verantwoord kan worden. Hij richt zich niet meer alleen op teksten, maar op alle menselijke uitingen en dingen die mensen maken (zoals ook kunst en andere objecten) waaraan betekenissen ontleend of toegekend kunnen worden.

Zo is de hermeneutiek van de 20e eeuw uiteindelijk de discipline geworden, waarin de voorwaarden en criteria voor een verantwoorde interpretatie van menselijke uitingen centraal staan. Een belangrijke mijlpaal is de filosofische hermeneutiek die Hans-Georg Gadamer in 1960 in zijn boek ‘Wahrheit und Methode’ beschreef.

 

     –   Bijbelse hermeneutiek

Meestal sta je als lezer niet stil bij de hermeneutische regels die je gebruikt. Dat gebeurt pas wanneer de inhoud van wat je leest niet klopt met je ervaring of je verwachtingen. Dan stel je de vraag of je de tekst wel begrepen hebt en je de tekst misschien anders moet lezen.

De vraag naar de hermeneutiek wordt des te belangrijker als het gaat om het lezen en interpreteren van gezaghebbende teksten als wetsteksten en religieuze teksten. Als je gelooft dat God in de bijbel tot ons spreekt, dan is het zaak om na te gaan hoe wij zijn boodschap voor ons leven kunnen verstaan.

Een wezenlijk uitgangspunt in de bijbelse hermeneutiek is het onderscheid tussen de betekenis van de afzonderlijke bijbeltekst (meaning) en de boodschap van de gehele bijbel (significance). Een voorbeeld kan dit onderscheid verduidelijken.

Gods leefregels voor het volk Israël in het land Kanaan zijn niet automatisch ook de leefregels, die wij vandaag in ons leven toepassen. Gods openbaring is historisch bemiddeld en kent een geschiedenis. De betekenis van Gods wet in de boeken van Mozes (meaning) speelt wel een rol voor onze manier van leven, maar wij betrekken daarin ook het latere onderwijs van Jezus en van de apostelen. Ook houden we bij de toepassing van die leefregels rekening met de cultuur en maatschappij waarin wij leven. Zo proberen wij op verantwoorde manier de betekenis van Gods woord (significance) voor ons leven vandaag vast te stellen.

De vraag is hoe je kunt waarborgen dat je in de interpretatie van de bijbel recht blijft doen aan het gezag van Godbibs spreken in zijn openbaring, zoals de bijbel daar getuigenis aan geeft. Hoe kun je zowel biblicisme als relativisme in het lezen van de bijbel vermijden? Ik denk door de betekenis van de bijbeltekst als uitgangspunt voor de vast te stellen boodschap van de bijbel te nemen, maar deze niet automatisch met de boodschap te identificeren. Elke bijbeltekst functioneert namelijk in het grotere geheel van Gods openbaring vanaf de  schepping tot aan de voltooiing van de wereld op een nieuwe hemel en aarde en krijgt vanuit dat geheel zijn specifieke betekenis.

Biblicisme is een vorm van bijbellezen, waarbij de boodschap van de bijbel samenvalt met de betekenis van de afzonderlijke bijbeltekst. Dat kan gebeuren als je een bijbeltekst presenteert als Gods woord voor vandaag, zonder dat je bij het lezen het geheel van Gods openbaring in rekening brengt. Deut. 22:5 betekent dan dat God vandaag verbiedt dat een man vrouwenkleding aantrekt of andersom.

Het is ook biblicisme als je geen rekening houdt met de specifieke omstandigheden van tijd en cultuur en door een eenvoudig beroep op bijbelteksten allerlei discussies op dogmatisch of ethisch terrein of met betrekking tot de organisatie van de kerk wilt beslechten. Tot in de 20e eeuw was het bijvoorbeeld gebruikelijk om in de dogmatiek of ethiek via een verzameling bewijsteksten bepaalde stellingen of posities als bijbels te onderbouwen. Aardig wat cultuurbepaalde inzichten en gewoonten zijn in de loop der eeuwen daarmee als Gods woord voor vandaag gelegitimeerd.

Een derde vorm van biblicisme is dat je zonder te rekenen met de verschillende tekstgenres met de regel ‘lezen wat er staat’ pleit voor het letterlijk nemen van de bijbel. Met een verwijzing naar profetische teksten als Ezechiël 40-48 en Zacharia 14 rekent men dan op met de historische komst van een aards vrederijk waarin een tempel in Jeruzalem een belangrijke rol zal spelen.

Relativisme is een vorm van bijbellezen, waarbij je de boodschap die je aan de bijbel ontleent niet meer ten opzichte van de betekenis van de afzonderlijke teksten binnen het geheel van Gods openbaring verantwoordt. Een voorbeeld is, dat je op grond van een moderne wereldvisie afscheid neemt van de opstanding van Jezus als historisch gebeuren en de verschijningen van Jezus aan zijn leerlingen als visioenen verklaart, die door psychische processen in hen zelf veroorzaakt zijn.

Biblicisme en relativisme kunnen ook samengaan. Bijvoorbeeld in de vraag: ‘Waar staat in de bijbel dat…?’, wanneer de achterliggende veronderstelling voor die vraag is dat als het niet expliciet in de bijbel staat, je er dus ook geen gezaghebbende uitspraken over kunt doen.

 

     –   Het tekort van de gereformeerde hermeneutiek

In de handboeken voor de gereformeerde exegese heeft men zich tot op het begin van de 21e eeuw vooral geconcentreerd op de betekenis (meaning) van de afzonderlijke bijbelteksten. Men pleit daarin voor een grammaticale, historische en literaire exegese van de tekst. Een belangrijke regel is verder om bij het vaststellen van de betekenis van een tekst rekening te houden met de verschillende contexten waar de tekst onderdeel van is, zoals de passage waarin die staat, het hoofdstuk, het boek of de bundel en tenslotte de hele canon. Een andere regel is wat genoemd wordt ‘het Schrift met Schrift vergelijken’: onduidelijke passages kunnen verhelderd worden door het licht van duidelijker passages in andere delen van de bijbel daar op te laten schijnen.

Het doel van de exegese is het begrijpen van de tekst als tekst. Omdat de bijbel een boek van goddelijke openbaring is, is het uiteindelijke doel van de exegese om vast te stellen wat God in deze specifieke tekst tegen zijn volk wil zeggen (meaning) en welke functie deze tekst vervolgens in het geheel van Gods openbaring (signifcance) vervult.

Voor de vraag hoe de boodschap van de tekst voor vandaag (significance) vastgesteld kan worden, hebben de exegetische handboeken in hun hermeneutische overwegingen helaas meestal weinig aandacht gehad.

Als belangrijkste reden voerde men daarvoor aan, dat de bezinning op de boodschap van de tekst (signifcance) niet onder de reikwijdte van de exegese valt, omdat het een vorm van toegepaste exegese zou zijn. Men verwijst vooral naar de homiletiek (preekkunde) als het meest aangewezen vakgebied om regels te geven voor het vaststellen van de boodschap van de tekst voor vandaag. Als richtlijn noemt men wel, is dat je er voor moet waken om aan een tekst vanuit een eigentijdse vraagstelling een toepassing te ontlenen die er eigenlijk niet in zit. Verder wijst men op meditatie over de tekst en gebed als middelen om tot een toepassing te komen.

 

     –   De boodschap van de bijbel

Het belangrijkste inzicht van de 20e-eeuwse hermeneutiek is dat de interpretatie en de toepassing van de tekst met elkaar verweven zijn. Dat komt omdat je een tekst niet onbevooroordeeld kunt lezen. Dat is geen handicap voor de interpretatie, maar schept juist de voorwaarde voor het verstaan: door je vooroordelen te confronteren met de tekst leer je de tekst te begrijpen. Objectiviteit op zichzelf bestaat niet en komt zeker niet tot stand doordat je alle vooroordelen in het interpretatieproces uitschakelt. Juist doordat je in het interpretatieproces je bewust wordt van je onjuiste vooroordelen, kun je recht doen aan de tekst (het object) die je uitlegt. Interpreteren wordt daarom ook wel voorgesteld als het je begeven in de hermeneutische cirkel. In het begrijpen en het je eigen maken van de betekenis van de tekst wordt de werking van de te interpreteren tekst als toepassing zichtbaar. De ‘zaak’ (die Sache) waar de tekst naar verwijst en uitdrukking van is, wordt begrepen.

Voor het lezen van de bijbel betekent dit dat je je door Gods openbaring aan laat spreken en je openstelt voor de aanspraak op waarheid en geloof, die God daarin op jou als hoorder/lezer laat gelden. Dat doe je door in gesprek met de tekst te gaan, waarbij je je door de betekenis (meaning) van de tekst laat leiden en in een vraag- en antwoordspel de waarheid (significance) daarvan eigen maakt. Belangrijk daarbij is te beseffen dat het God in zijn openbaring niet gaat om het bekendmaken van bepaalde onfeilbare geformuleerde feiten of standen van zaken die voor waar aangenomen moeten worden, maar dat Hij zichzelf via de bijbel aan ons bekend maakt en aanspreekt.

Het centrum van de bijbel is Gods zelfopenbaring in Jezus Christus om mensen te redden en in zijn koninkrijk te laten delen. Door middel van de door de Geest geademde teksten spreekt God ons persoonlijk aan en nodigt hij ons uit om Hem als Heer te vertrouwen en te erkennen en zo Gods koninkrijk binnen te gaan. Zo wil hij via de bijbel en door zijn Geest vandaag wonen bij de mensen. De bijbel is onfeilbaar, omdat hij alles leert wat wij moeten weten en geloven om behouden te worden. Die onfeilbaarheid wil dus niet zeggen, dat de in de bijbel vermelde feiten en gebeurtenissen gelezen moeten worden alsof ze volgens onze hedendaagse wetenschappelijke normen zijn beschreven. Daarom is bijvoorbeeld een andere lezing van het scheppingsverhaal dan de traditionele als een historisch verslag van 7 letterlijke dagen zeer goed te verdedigen.

De boodschap (significance) van de bijbel toepassen in ons leven betekent dat je gaat leven in Gods nieuwe werkelijkheid. Het is op zo’n manier leven, dat je recht doet aan het grote verhaal van Gods werken, zoals dat zijn centrum en hoogtepunt heeft gevonden in het leven, het sterven en de opstanding van Christus Jezus.

 

     –   Spirituele hermeneutiek

Leven in Gods koninkrijk is een kunde en een vaardigheid, die je niet alleen door het toepassen van regels op methodische wijze kunt beslissen. Het is een way of life, die ons uiteindelijk door de Geest van God geschonken wordt. Het lezen en begrijpen van de bijbel  zal zichtbaar worden in de praktijk van een christelijk leven.

Voor het vaststellen van Gods boodschap voor ons leven vandaag zullen we naast het beroep op de bijbel, ook mogen verwijzen naar algemene inzichten die wij opdoen in het bestuderen van de schepping en de cultuur. De openbaring van God is breder dan wat mensen daarover in de bijbel vanuit hun perspectief als getuigenis hebben kunnen vastleggen.

Zo Gods stem verstaan in en door de bijbel is alleen mogelijk, wanneer wij door de Geest deel hebben gekregen aan de werkelijkheid van Gods koninkrijk. Zoals Gadamer formuleerde is participatie aan ‘die Sache’ waar de tekst uitdrukking van is, een belangrijke voorwaarde voor het begrijpen van de tekst. Vandaar dat het ook om een door de Geest gewerkte wijsheid en fijngevoeligheid vraagt om de betekenis (meaning) van bijbelteksten zo toe te passen, dat het goede leven zoals God dat bedoeld  heeft (significance) zo optimaal mogelijk gerealiseerd wordt.

Voor het ontwikkelen van die fijngevoeligheid – in de filosofische hermeneutiek aangeduid met de term ‘phronesis’ – is o.a. inzicht in de geschiedenis en fases in de Godsopenbaring nodig, maar ook een besef van de culturele en historische context waarbinnen je dat leven in geloof vorm geeft. De historiciteit van de taal, cultuur en eigen tijd maakt het namelijk onontkoombaar dat we niet alleen de bijbel, maar ook onze eigen historische context moeten duiden, willen wij de significance van de bijbel vaststellen. Trouw zijn aan de boodschap van de bijbel kan dan soms ook betekenen dat de vormgeving van het christelijke leven in de loop van de geschiedenis verandert om de waarheid van Gods openbaring tot zijn recht te laten komen. Een belangrijk criterium daarvoor heeft Augustinus gegeven, waar hij stelt dat elk begrijpen en kennen van de bijbel gericht moet zijn op het groeien in geloof, hoop en liefde.

Het lezen van de bijbel vraagt daarom ook om een spirituele hermeneutiek, waarin wij door het een oefenen in en afstemmen op het leven met God in gebed en meditatie, persoonlijk en als geloofsgemeenschap, leren Gods stem voor vandaag te verstaan.

 

[i] Essay geschreven op verzoek van de redactie van de weblog nietsnieuwsblog.nl.

 

 

 

Meedenken met Paulus [i]

Dr. Bert Loonstra heeft een waardevol boekje geschreven over Paulus’ omgang met de wet en de geschriften van Israel. Daarmee wil hij het gesprek over de vrouw in het ambt in de GKv en in zijn eigen CGK verder helpen.

Waarin voor- en tegenstanders beslissend van mening met elkaar verschillen, is hoe om te gaan met de zgn. zwijgteksten. Zijn deze teksten het einde van alle tegenspraak of mag je ze ook in hun eigen context plaatsen? D.w.z. mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Dat laatste is wat Loonstra met zijn boekje beoogt: ‘Demonstreren dat de Schrift zelf leert dat in andere tijden de rol van de vrouw anders kan worden dan die welke Paulus in zijn eigen situatie verdedigt’ (12). Hij wil duidelijk maken dat trouw aan de Schrift niet bestaat in het naspreken van wat Paulus destijds heeft gezegd, maar in een nieuwe toepassing van diens eigen uitgangspunten en manier van denken.

Daarom probeert Loonstra de structuur van Paulus’ denken en redeneren op het spoor te komen. Hij laat zien dat Paulus aan de ene kant een continuïteit tussen het christelijk geloof en het Oude Testament tekent. Centraal staat God, de Schepper van de hemel en aarde, de God van Israel, de God van de Thora, de God van liefde, recht en trouw. Maar God is ook de Vader van onze Heer Jezus Christus, die bevrijdend verschenen is voor alle mensen. Op dit punt komt Paulus’ denken op gespannen voet te staan met het joodse denken. Paulus relativeert de betekenis van de wet en de besnijdenis, omdat God buiten de wet om gerechtigheid brengt (Romeinen 3). De ‘letter’ van de wet brengt een vloek, waar Christus ons van bevrijdt (Galaten 3). Zo heeft de geschreven wet als gevestigde autoriteit zijn macht verloren en kan Paulus de ‘letter’ tegenover de Geest stellen. De ‘letter’ d.w.z. de uitwendige wet doodt, maar de Geest maakt levend, doordat hij de wet in ons hart schrijft (2 Korintiërs 3) en in ons de liefde als vervulling van de wet uitstort (Romeinen 5).

In Galaten 5 benadrukt Paulus dat de gelovigen zich niet opnieuw een slavenjuk moeten laten opleggen: ze zijn bevrijd van de wet. Tegelijk schrijft hij dat die vrijheid niet misbruikt mag worden om de hartstochten te bevredigen. Het is een vrijheid tot dienstbaarheid in liefde. In dat kader formuleert Paulus concrete gedragsaanwijzingen voor de gelovigen, waarbij hij in sommige gevallen ook expliciet naar de geschreven wet verwijst, b.v. als het gaat over de positie van de vrouw in de gemeente.

De vraag is nu hoe de vrijheid van de Geest en het concrete gebod zich tot elkaar verhouden. Volgens Loonstra doet Paulus een beroep op bepalingen in de wet, wanneer en zolang ze een invulling geven aan de kernwaarden van het evangelie en uitdrukking geven aan het leven met Christus door de Geest. Andere tijden kunnen daarom een andere toepassing vragen om de betekenis van het evangelie te concretiseren. Een voorbeeld daarvan is de slavernij. Paulus roept slaven op om zich te onderschikken aan hun meesters, terwijl wij met een beroep op het evangelie slavernij als een mensonterende praktijk veroordelen. Waar in de tijd van Paulus een oproep tot verzet tegen de slavernij het evangelie in diskrediet zou brengen, heeft in onze tijd een pleidooi voor slavernij juist dat negatieve effect.

Dit principe past Loonstra toe op de positie van de vrouw in de gemeente. Gegeven de patriarchale samenleving waarin Paulus leefde, was zijn gebod aan vrouwen om zich in de gemeente aan de man te onderwerpen een middel om bij te dragen aan de verbreiding van het evangelie. In onze westerse samenleving is dit gebod tot onderwerping van de vrouw aan de man het tegendeel van een bevrijdende boodschap. Daarmee lijkt het op de ‘letter’ van de wet die niet heilzaam is. Het is namelijk goed te verdedigen dat de emancipatie van de vrouw in de gemeente en het toelaten van de vrouw in het ambt aansluit bij de kern van het evangelie, waarin Gods bevrijdende liefde centraal staat.

Volgens Loonstra is het onvermijdelijk en gerechtvaardigd, dat onze westerse cultuur zo een stempel zet op de manier waarop wij het evangelie in onze tijd vorm geven. Mits die toepassing geënt is en blijft op de basisnoties van het evangelie: toewijding aan Christus, gerichtheid op de ander in liefde, verantwoordelijkheid, gemeenschapszin, oprechtheid en trouw. Alles is geoorloofd, maatgevend is of het nuttig en opbouwend is.

Loonstra geeft terecht aan, dat er moed voor nodig is om zo met de bijbel om te gaan. Zijns inziens komt deze omgang met de wet en met de Schrift uit de bijbel zelf op en doet deze beter recht aan de integrale boodschap van Paulus dan het vasthouden aan zijn afzonderlijke aanwijzingen, omdat immers ook recht moet worden gedaan aan de context van Paulus’ Schriftgebruik.

N.a.v. dr. Bert Loonstra, Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018, prijs: € 12,95

 

[i] Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 11 d.d. 25 mei 2018

Een andere visie op m/v en ambt

Pieter Niemeijer, een predikant in de Gkv met een prominente staat van dienst, heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKV over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt.

Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn betoog.[ii]

 

–   Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk, dat in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het deputaatschap pleitte voor openstelling van het ambt voor de vrouw, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen vormen een positieve beantwoording van die vraag.

Voorafgaand aan zijn bespreking stelt Niemeijer vast, dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de leer van de verlossing of ons geloof in Christus. De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Omdat de bijbel ons geen blauwdruk voor de kerkinrichting biedt, zullen wij daar onder gebruikmaking van schriftuurlijke overwegingen en rekening houdend met onze eigen context besluiten over mogen nemen.

Hij is daarom ook van mening, dat bij verschil in visie op een kerkordelijke praktijk we niet te snel moeten roepen dat de ander in strijd komt met het Woord van God. Zolang we ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag. Als er dan een beleidsmatige knoop doorgehakt is, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten.

 

–   Zwijgteksten

Toen hij zich nogmaals over de exegese van de zwijgteksten boog, kwam Niemeijer tot de bevinding dat hij tot nu toe deze nooit rechttoe rechtaan gelezen had, maar dat hij ongemerkt heel wat knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest.

Om te kunnen lezen dat er ‘gewoon staat’ dat de vrouw niet in het leer- of regeerambt mag dienen, moest hij op zo’n 11 momenten een beslissende keuze maken. Om daarin de juiste keuzes te maken zul je echt oog moeten hebben voor de situatie waarin ze geschreven zijn en ook de literaire context in rekening moeten brengen.

Zo werd hem o.a. duidelijk dat het in 1 Timoteüs 2 niet gaat:

  • over m/v en het ambt, maar over m/v in de samenleving;
  • over vrouwen in het algemeen, maar over vrouwen die provoceren;
  • over gezag hebben, maar over de baas willen spelen;
  • over onderwijzen in het algemeen, maar over iemand publiek ‘de les lezen’;
  • over vrouwen met kwaliteiten, maar over vrouwen die eerst zelf nog het nodige onderwijs nodig hebben voor ze anderen kunnen onderwijzen;
  • over de positie van de vrouw ten opzichte van iedere man, maar over de relatie met haar eigen man in het huwelijk.

In deze situatie waarschuwt Paulus vrouwen dat wanneer ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren en zegt hij dat ze moeten ‘zwijgen’. Als ondersteuning daarvoor verwijst hij naar Genesis 2 en 3. Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man. Ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Thuis niet, in de samenkomsten in de kerk niet, en ook niet in de samenleving. Je trekt altijd als man en vrouw samen op.

Dat is de boodschap van de zgn. zwijgteksten. Want zo argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 het niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook daar niet aan de orde. Daar gaat het over de erediensten. De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk moet honoreren, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is.

Paulus past hier een inzicht toe, dat hij in Efeziërs 5:22-33 verder uitgewerkt heeft. De man moet zich richting zijn vrouw met liefde opstellen en de vrouw richting haar man met respect. Toegepast in 1 Timoteüs 2 betekent dit, dat bescheidenheid en dienstbaarheid de toon hoort te zetten, zowel bij mannen (zonder wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (niet bazig de les lezen, vers 12).

Zo is Niemeijer tot de conclusie gekomen, dat je de zwijgteksten niet kunt gebruiken om de vrouw in het ambt af te wijzen.

Volgens hem mag je al die andere plaatsen, waarin over de inzet van vrouwen in de kerk en in de samenleving gesproken wordt, niet weg-exegetiseren door daar een canon van de zgn. zwijgteksten overheen te leggen. Zoals in het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen en vrouwen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen. Dat er geen absoluut gebod voor vrouwen is om onderwijs te geven, blijkt al wel uit Kolossenzen 3 en Romeinen 12, waar ook vrouwen de gave en de opdracht kunnen krijgen te leren en terecht te wijzen.

Zijn eindoordeel is daarom, dat wanneer vrouwen zich met gepaste bescheidenheid en met respect voor hun man gedragen, zij geroepen kunnen worden om ‘ambtelijke’ taken in de gemeente te vervullen.

 

     –   Scheppingsorde

Niemeijers visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden. Hij ging uit van de klassieke opvatting, dat omdat de man het eerst geschapen is, hij het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Zo is er een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw.  Kort samengevat: de man heeft de leiding.

Hij heeft nu ontdekt dat hij met deze inkleuring geen recht doet aan m.n. Efeziërs 5:22-33, waar Paulus helemaal niet uit is om een gezagsrelatie tussen man en vrouw op de schepping te funderen. Want in het begrip ‘onderdanig’ is bij Paulus geen gezagsrelatie verondersteld.

In zijn betoog keert Paulus zich juist tegen een hiërarchische relatie tussen man en vrouw, waarbij de man zich verregaande vrijheden veroorloofde in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omging. Paulus benadrukt dus niet het onderscheid van man en vrouw òf de leidinggevende positie van de man, maar uitgaande van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man, roept hij hen samen op om elkaar te honoreren. Dat is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één.

Ook in 1 Korintiërs 11 benadrukt Paulus dit. De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Zij zijn onderscheiden en horen bij elkaar. Zo zijn ze geroepen om elkaar aan te vullen en een éénheid te vormen.

Uit dit ‘verschil in positie’ kun je volgens Niemeijer niet concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt. Net zoals in andere onderscheiden relaties als ‘ouders-kind’ of ‘werkgever-werknemer’ de ‘ondergeschikte’ ook gewoon tot het ambt geroepen kan worden en als ambtsdrager ten opzichte van de ander kan functioneren.

 

     –   Hermeneutiek

Niemeijer weet dat als je de zwijgteksten en de scheppingsorde anders gaat lezen dan in de traditie gebeurde, je verdacht wordt er een nieuwe hermeneutiek op na te houden. Vandaar dat hij zich uitgebreid voor zijn exegese verantwoordt.

De kern daarvan is, dat hij gewoon de normale regels uit de traditionele hermeneutiek toegepast heeft. Het verschil is, dat hij nadrukkelijker rekening heeft gehouden met de heilshistorische regel, dat je teksten niet als losse of tijdloze teksten mag behandelen.

Verder heeft hij meer oog gekregen voor obstakels en vertekeningen bij de exegeet. Daar was in het verleden veel minder methodische aandacht voor. Ons mensbeeld, ons zondaar zijn, ons wereldbeeld en de scherpte of onscherpte van de bril die wij op hebben, beïnvloeden de exegese en kunnen ons verstaan belemmeren.

Tenslotte brengt hij nadrukkelijk in rekening dat de bijbel een boek met een geschiedenis is en geschreven is ìn en vòòr een verworden patriarchale cultuur, waar God wel bij aansluit in zijn openbaring, maar die niet door Hem gesanctioneerd wordt. In tegenstelling tot de omringende volken wordt in het Oude Testament de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is.

We mogen daarom de patriarchale werkelijkheid van de bijbel niet als norm hanteren. Niet alles wat God op enig moment doet of voorschrijft, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag en houden we ook rekening met de heilshistorische voortgang. Dat vergt wat ik zou willen noemen een ‘kritisch hermeneutisch besef’.

Opmerkelijk is dat Niemeijer sterk benadrukt dat het afstand nemen van patriarchale patronen niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken is. Volgens hem nemen de apostelen afstand van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. In het huwelijk delen man en vrouw elkaars leven zonder dat dit ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie. Ook in het denken over m/v en ambt moeten we recht blijven doen aan deze geordende positie.

Dat de klassieke exegese toch zo lang stand heeft gehouden, is omdat die scheen te kloppen met de eeuwenlange ondergeschikte plek van de vrouw in onze samenleving, waardoor er geen reden was om die exegese diepgaand op zijn houdbaarheid te toetsen. Toen er gepleit werd voor een andere positie van de vrouw in de samenleving, werden die pleidooien voor de emancipatie van de vrouw in de kerk als verdacht afgewezen, omdat zij voornamelijk uit een puur werelds denken zouden voortkomen.

 

     –   De regie van de Geest

Nadat Niemeijer aangetoond heeft, dat de zwijgteksten en de scheppingsorde niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, doet hij ook een voorstel hoe wij positief tot de inschakeling van vrouwen in de kerk kunnen overgaan.

Volgens hem is daar vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je alleen op basis van een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een mogelijke redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKV-synode in 2017. Hij presenteert die niet als een dwingende redenering, maar vindt die wel passen binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen.

Niemeijer vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de geschriften van het oude verbond toen het ging om de vraag, of en hoe ook heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg: ‘de regie van de Geest’.  Dat is dus de manier: erken zijn beleid en heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat ook heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Op dezelfde manier mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen. Gaven als onderwijzen en leiding geven. In de bijbel worden die gaven positief getaxeerd en wordt door Paulus de gemeente opgeroepen om die ook in te zetten in de kerk. Als mannen daarover beschikken, maakt ze hen geschikt voor het ambt. Ook al waren leidinggevende vrouwen in Israël eeuwenlang uitzondering, na Pinksteren mag je in begaafde vrouwen onder het nieuwe verbond een gave van de Geest zien, die ze ook mogen inzetten om in het ambt te dienen.

Niemeijer concludeert op basis daarvan dat, mits er recht wordt gedaan aan de verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk, vrouwen vandaag niet buiten het ambt gehouden hoeven te worden. Volgens hem kun je niet ontkennen dat dit binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt.

 

     –   Beoordeling en vragen

1.   Ik vind het van eerlijkheid en moed getuigen, wanneer je in de lastige discussie over m/v en kerk openlijk getuigenis aflegt van een veranderende visie. Niemeijer legt zijn kaarten op tafel en laat zien, dat in tegenstelling tot wat hij altijd dacht een vrouwelijke ambtsdrager binnen de bandbreedte van de bijbel en de gereformeerde belijdenis past.

2.   Ik ben blij met de openheid die Niemeijer in het gesprek toont naar zowel voorstanders als tegenstanders van het genomen m/v-besluit in de Gkv. Hij blijft in zijn argumentatie en weergave grotendeels ter zake en nodigt uit tot beoordeling en reactie.

3.   Het werkt ontspannend, wanneer Niemeijer het belang van de discussie relativeert door de vrouw in het ambt als een kerkordelijke zaak aan te merken. Tegelijk laat hij zien, dat dit niet betekent dat het niet zoveel uitmaakt wat er besloten wordt. Want ook dan zullen schriftuurlijke overwegingen een belangrijke rol moeten spelen.

4.   Ik vind Niemeijer te laconiek, wanneer hij zich afvraagt waarom hij een absoluut standpunt over m/v en het ambt zou moeten hebben. Zijn motief begrijp ik: voor ons behoud is het niet noodzakelijk. Toch vind ik het thema van de vrouw in het ambt belangrijk. Ook al gaat het niet om mijn persoonlijk heil, het gaat voor mij wel om recht te doen aan de ander. Ik vind dat wij als kerken de verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig met de positie en gaven van vrouwen om te gaan. Ongerechtvaardigde discriminatie is ethisch laakbaar. Daarom vind ik zijn conclusie, dat het niet vol te  houden is dat ‘de kerk de zusters onrecht zou doen door hun het ambt te onthouden’ (81) te kort door de bocht en onvoldoende onderbouwd.[iii]

5.   Niemeijer laat overtuigend zien, dat hij te gemakkelijk in de zwijgteksten gelezen heeft dat vrouwen niet mogen dienen in het leer- of regeerambt. De argumenten daarvoor zijn valide. Het zelfde geldt voor wat hij over de scheppingsorde naar voren brengt. Terecht is zijn waarschuwing om op te passen voor generalisaties van losse teksten en zijn oproep om oog te hebben voor de context waarin Paulus zich op de schepping beroept.

6.   Niemeijer past gewoon de traditionele regels uit de gereformeerde hermeneutiek toe. Daarbij wijst hij er terecht op, dat er in de traditionele hermeneutiek minder methodische aandacht was voor de rol en de bepaaldheid van de exegeet op het interpretatieproces. Dat is iets waar de moderne hermeneutiek meer oog voor heeft gevraagd. Dit betekent niet, dat een andere exegese van de zwijgteksten of de scheppingsorde aan de moderne hermeneutiek toegeschreven kan worden. Niemeijer komt tot die andere exegese, omdat hij bewuster reflecteert op en rekening houdt met de (heilshistorische) bepaaldheid van de bijbeltekst.

7.   Ik ben blij, dat Niemeijer ronduit erkent dat het patriarchaat niet de norm mag zijn voor ons handelen in de kerk. Toch gebruikt hij af en toe nog argumenten voor zijn visie, waarin resten van het patriarchale denken doorsijpelen, (zie hieronder bij 13).

8.   Ik vind Niemeijers voorstel om de beweging naar de vrouw in het ambt te funderen op de regie van de Geest waardevol. Dat is een afscheid van het idee, dat je al je handelen zou moeten funderen op bijbelteksten. Het betekent wel dat je in het formuleren van je visie oog moet hebben voor de hermeneutische aspecten van je bijbelberoep. Het zou mooi zijn, als we daarbij gebruik zouden maken van het gemeenschappelijke referentiekader dat we daarin binnen de GKV hebben opgebouwd. Daarbij denk ik speciaal aan de hermeneutiek die ten grondslag ligt aan de besluiten over huwelijk en echtscheiding van de GKV synoden sinds 1999. Ook verwijs ik hiervoor naar het model, dat Ad de Bruijne geschetst heeft in zijn artikel ‘Ethiek en hermeneutiek’ in de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag.[iv]

9.   Niemeijers betoog zou sterker zijn geworden, wanneer hij een aparte notitie over het ambt had toegevoegd. Impliciet blijkt dat hij van mening is, dat het gezag van het ambt niet aan de persoon gekoppeld is, maar verbonden is aan de opdracht en roeping die aan de persoon gegeven is. De ambtsdrager geeft namens Christus leiding. Het gehoorzamen en onderwerpen aan een ambtsdrager is niet een onderwerpen aan de persoon die Christus daarvoor roept, maar aan Christus zelf, (zie zijn opmerkingen daarover op p. 59-60).

10.   Zijn analyse waarom de klassieke exegese van de zwijgteksten in de GKv het zolang uitgehouden heeft deel ik. De bestaande visie werd niet geconfronteerd met de praktijk. Een oppervlakkige lezing van de zwijgteksten legitimeerde de visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig hoorde te zijn. Tegelijk vind ik dat hij de geschiedenis van de vrouw te rooskleurig voorstelt, waar hij geen oog heeft voor al het werk dat eeuwenlang door vrouwen verricht werd, bijvoorbeeld zolang ze (nog) niet getrouwd waren, als dienstmeisjes en later fabrieksarbeidsters, en als ze tot de klasse van de kleine middenstand of het boerenbedrijf behorend daar met hun echtgenoten meewerkten.

11.   Interessant is de vraag, waarom op dit moment dat deel van de GKV-ers dat zich verzet tegen de vrouw in het ambt, aan de klassieke exegese van de zwijgteksten en aan de scheppingsorde vast blijft houden. Evenals de vraag, hoe het komt dat Niemeijer nu pas tot de overtuiging is gekomen, dat hij ten onrechte van de traditionele visie uitging. Soortgelijke argumenten die hij nu noemt, zijn al sinds de jaren ‘80 en ’90 in de GKV naar voren gebracht door b.v. Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom, Lies Schaeffer-de Wal en Maarten J. Verkerk.

12.   Ik vind dat Niemeijer te gemakkelijk concludeert, ‘dat de klassieke exegese van de zgn. zwijgteksten en de zogenaamde scheppingsorde bestaansrecht hebben binnen de kerk, maar niet het alleenrecht’, (p. 81). Betekent het feit dat wij nu een scherpere bril hebben niet, dat wij ook de verantwoordelijkheid hebben om die op te zetten? Mogen wij interpretaties die stoelen op een minder scherpe bril afwijzen als een ongerechtvaardigd argument binnen een pleidooi tegen de vrouw in het ambt? Terecht wijst Niemeijer er op dat er in de kerk vrijheid van exegese is. Toch kun je mijns inziens met de huidige kennis van zaken niet meer zeggen dat de klassieke exegese van de zwijgteksten een geldige manier van interpreteren is, maar moet je die als een vorm van inlegkunde afwijzen.

13.   Als het gaat om de interpretatie van Efeziërs 5:22-33 zie ik dat Niemeijer afstand neemt van een exegese, waarbij in het hoofd-zijn een gezagsrelatie wordt ingelezen.

Tegelijk zijn er verschillende momenten in zijn betoog, waarin hij toch die afgewezen veronderstelde gezagsrelatie tussen man en vrouw inzet om te ondersteunen, dat er geen gelijkwaardigheid is in de positie tussen man en vrouw. Dat wreekt zich met name in zijn exegese van Gen. 2:18 e.v. in combinatie met Efeziers 5, waardoor hij er toch niet aan ontkomt in de verhouding van man en vrouw een – weliswaar relatieve en gematigde – onderschikking te lezen: ‘Zoals een man niet zonder helper naast zich kan, kan de vrouw niet zonder hoofd’ en ‘vrouwen moeten niet streven naar de eerste plaats maar de van God ontvangen positie van hun man erkennen’, (zie p. 59). Vanuit deze exegese keert hij zich tegen een ‘hedendaags gelijkheidsdenken’ en suggereert hij dat ‘die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over man, vrouw en ambt wel eens wordt vergeten’. Daarbij verwijst hij naar het boek Zonen & dochters profeteren.[v] Graag had ik van Niemeijer nog een zorgvuldige exegese van Gen. 1 en 2 gezien om deze relatieve onderdanigheid van de vrouw aan de man te onderbouwen en die exegese dan te confronteren met de inzichten uit genoemd boek.

In dit verband wil ik Niemeijer een vraag stellen, naar aanleiding van zijn opmerking over Paulus’ formulering voor de vereisten voor het ambt: ‘dat Paulus van een man spreekt in aansluiting bij de bestaande praktijk, zoals je dat veel vaker in de Schrift ziet gebeuren’, (70). In hoeverre mag je zeggen, dat Paulus ook in de formulering van de zgn. huistafels zich aansluit bij een bestaande praktijk? Niemeijer laat zien, dat in Efeziërs 5 een behoorlijke kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken aanwezig is, maar zijn er desondanks bij Paulus zelf ook geen resten daarvan te bespeuren? Zijn stelling, dat het patriarchaat in het Nieuwtestamentische denken duidelijk voorbij is, is mij veel te stellig en mijns inziens niet houdbaar.

14.   Mij puzzelt het nog wat Niemeijer er van weerhoudt, wanneer hij afstand neemt van de klassieke exegese van zwijgteksten en scheppingsorde en concludeert dat die geen verhindering zijn om de vrouw in het ambt te laten dienen, om een pleidooi daarvoor voluit te ondersteunen. Ik kan me voorstellen dat hij daar gevoelsmatig nog niet aan toe is (8), maar voor zover ik de logica van zijn argumentatie begrijp, zou dat wel een gerechtvaardigde conclusie zijn.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Ik ga in deze blog in op de hoofdlijn van zijn betoog, zonder uitgebreide verwijzingen naar de tekst van Niemeijer zelf. Wie de details wil weten, verwijs ik naar de samenvatting die ik van deze bundel gemaakt heb, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/02/samenvatting/.

[iii] Hij voert als argument aan: ‘Uit het niet-roepen door Christus van vrouwen tot apostel blijkt dat niet te zeggen is dat te allen tijde vrouwen moeten kunnen dienen in het ambt’, (81). Deze uitspraak is waar, tegelijk geeft hij zelf aan, dat het ‘lastig is om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’, (72). De vraag die beantwoord moet worden is, of nu na Pinksteren het onrecht is om hen het ambt te onthouden.

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, ed. Ad de Bruijne en Hans Burger, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017. Zie ook de toepassing van dit model op m/v en het ambt, zoals De Bruijne die verwoord heeft bij de presentatie van deze bundel opstellen: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/.

[v] Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016.

Samenvatting

Een samenvatting van Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, (Uitgeverij Woord en Wereld, 2018) –  Fokke Pathuis

 

  1. Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’, dat uiteindelijk in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn vrucht van zijn denken over deze vraag. Daarom gaat hij ook uitgebreid in op de exegese van de zgn. zwijgteksten en op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

 

  1. Status van gesprek over m/v in de kerk

Een eerste punt dat Niemeijer naar voren brengt, is dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de ware en volkomen leer van de verlossing of dat daarmee iets zou veranderen aan ons geloof in Christus:

De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Niet minder, ook niet meer’, (11).

Over zaken van kerkinrichting en kerkregering hebben we in de bijbel geen sluitend systeem aangereikt gekregen. In de vormgeving daarvan heeft de kerk zowel recht gedaan aan de Schrift en tegelijkertijd eigentijdse overwegingen een rol laten spelen. Onze indeling van het ambt in predikant, ouderling en diaken stamt ook pas uit de tijd van de Reformatie, (34).

Niemeijer kan zich voorstellen, dat gemeenteleden het gevoel krijgen, dat ze de controle kwijt zijn. In de loop van de 20e eeuw moest men steeds weer terugkomen op stelligheden, die gekoesterd werden. Van het afwijzen van de broekdragende vrouw, de aanvaarding van de werkende vrouw, de opheffing van afzonderlijke bijbelstudieverenigingen voor jongens en meisjes, het toestaan van het stemrecht van de vrouw in de kerk, tot het denken over de sociale wetgeving, de afschaffing van de apartheid en de samenwerking in de politiek met niet-gereformeerden. En nu sneuvelt het volgende bolwerk, (12).

Zijn we nu wij als kerken niet bezig het Woord van God kwijt te raken? Argumenten die door de synode aangevoerd zijn om het besluit om vrouwen in het ambt toe te laten, overtuigen niet iedereen, (12).

Toch zijn de vragen waar de eerste christelijke kerk voor stond van veel groter gewicht. Zij moesten beoordelen of mensen buiten Israël behouden konden worden, zonder de wet van Mozes te onderhouden. Had Jezus zelf niet gezegd, dat hij niet was gekomen om de wet te ontbinden? Als je het hebt over zekerheden die onderuit lijken te gaan, dan zijn onze vragen over m/v en ambt daar kinderspel bij, (34).

 

  1. De interpretatie van de zwijgteksten

Als het over zwijgteksten gaat is het duidelijk, dat niet elk spreken of optreden van vrouwen in de kerk en de kerkdiensten wordt verboden. Vrouwen mogen zingen, bidden, profeteren en met een woord van God tot opbouw komen. De vraag is, wat de zwijgteksten dan wel verbieden.

Traditioneel worden deze teksten gezien als in ieder geval een blokkade voor vrouwelijke predikanten en ouderlingen. Paulus zou met een beroep op de schepping en de zondeval het leren en het gezag oefenen over mannen in de samenkomsten verbieden, wat vertaald wordt als dat het leer- en regeerambt voor de vrouw verboden is.

Ook is er een sterke overtuiging, dat als de bijbel op andere plaatsen over de inzet van vrouwen in de kerk spreekt, dat nooit in strijd kan zijn met de inzichten die men aan de zwijgteksten heeft ontleend. De bijbel als Gods woord kan zichzelf niet tegenspreken. ‘In feite vormen de zwijgteksten zo een soort canon binnen de canon. Alle spreken in de Bijbel over de inzet van vrouwen wordt aan deze teksten afgemeten’, (14).

Bij zijn bezinning in 2014 rees bij Niemeijer de vraag, of deze uitleg van de zwijgteksten echt wel zo helder en eenduidig was. Want als je de bijbel echt heilshistorisch wilt lezen, mag je teksten niet als losse en tijdloze teksten gebruiken. Hij zag nu dat de zwijgteksten toch vaak zo gelezen zijn, zonder oog voor de situatie waarin ze geschreven werden en zonder de context van de teksten in rekening te brengen.

Zo kwam hij tot de conclusie, dat hij niet rechttoe rechtaan gelezen had wat er ‘gewoon staat’, maar dat hij ongemerkt heel wat keuzes maakte en knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest. Niemeijer geeft bij zijn lezing van 1 Timoteüs 2 zo’n 11 keuzemomenten, waarvan de belangrijkste zijn, dat het daar niet specifiek gaat over m/v en het ambt, maar over m/v en de samenleving, en dat het niet gaat over de positie van de vrouw ten opzichte van alle mannen, maar specifiek ten opzichte van de eigen man in het huwelijk. Zo werd hem duidelijk:

Ik kan de uitleg die ik aanhing, dus niet meer betitelen als: dit is het Woord van God. Het was mijn uitleg ervan’, (22).

Wanneer hij nadenkt hoe het komt, dat de klassieke exegese zo lang stand gehouden heeft, ziet hij dat dit vooral ‘samenhangt met de plaats die de vrouw in onze samenleving had. In heel de samenleving ja, en niet alleen in de kerk’, (22).

De klassieke exegese en het spreken over verschillende levenstaken van man en vrouw passen heel goed bij een samenleving, waarin de vrouw nauwelijks rechten had en waarbij vrouwen niet actief in de samenleving participeerden, met als gevolg dat deze exegese niet door de praktijk op houdbaarheid werd beproefd.

Daarnaast kwamen pleidooien voor de rechten van de vrouw vaak op uit een puur werelds denken dat geen rekening wilde houden met het christelijke verleden. ‘In deze context was emancipatie per definitie verdacht en werd de ‘onderdanigheid’ van de vrouw kenmerk van het onverkort vasthouden aan goede waarden’, (22).

 

  1. Nieuwe hermeneutiek?

Tegenstanders van de vrouw in het ambt wijzen een andere interpretatie van de zwijgteksten af, omdat die zou voortkomen uit het gebruik van een andere hermeneutiek.

Niemeijer houdt daartegenover staande, dat hij tot zijn inzichten gekomen is door dezelfde regels op de bijbel toe te passen als in de traditionele hermeneutiek gebruikelijk was. Wel heeft hij meer oog gekregen voor de kant van de ontvanger: ‘wat er aan onze kant van belang is om de boodschap goed op te vangen’, (26). Deze kant kreeg in het verleden veel minder methodische aandacht.

In de nieuwere hermeneutiek is veel meer oog voor alle obstakels en vertekeningen bij de lezer. Ons schepsel-zijn (dat beperkt is), ons zondaar-zijn en ons zelfbeeld kunnen het verstaan van de bijbel in de weg zitten:

Ben ik voor de vrouw in het ambt of ertegen, dat beïnvloedt al gauw wat ik in teksten lees. Ik heb zomaar de neiging om teksten uit te leggen naar wat ik erin wil (!) horen’, (27).

Behalve ons zelfbeeld is volgens Niemeijer ook ons wereldbeeld of onze cultuur van invloed op hoe wij teksten lezen:

Lees bijvoorbeeld 1 Korintiërs 11 over wat een vrouw om haar hoofd moet hebben eens in onze cultuur en in die waar de hoofddoek nu nog normaal is  en het afdoen ervan ondenkbaar [= b.v. in een moslimcultuur, FP). Welke boodschap heeft Paulus voor onze vrouwen en welke voor die vrouwen met hoofddoek?’, (28).

Tenslotte speelt ook de scherpte van de bril waarover we beschikken een rol. Wij hebben meer zicht gekregen op bepaalde punten. ‘Soms gaan ineens je ogen open voor dingen die je voorheen niet zag en soms ook niet kon zien. Want Gods Woord is volmaakt en helder, maar onze bril is dat niet en ons gehoorapparaat staat wel eens verkeerd afgesteld’, (29).

Zo zijn onze ogen geopend voor factoren die ons verstaan belemmeren en hebben we geleerd om kritisch te zijn op ons zelf: ‘Niet kritisch op de Bijbel, maar op je eigen verstaan’, (35).

 

  1. De zgn. zwijgteksten

Paulus verbiedt in 1 Timoteüs 2 ‘vrouwen een/de man (enkelvoud) te onderwijzen en (en niet: of!) gezag over hem te oefenen. Ze moeten zich gehoorzaam en bescheiden laten onderwijzen’, (36).

Dit is geen absoluut verbod aan vrouwen om onderwijs te geven, want in Kolossenzen 3 krijgen vrouwen immers juist ‘de opdracht te leren en terecht te wijzen’, terwijl Paulus in Romeinen 16 spreekt over kerkleden ‘die de gaven hebben te onderwijzen en die gave moeten gebruiken’, (36). In 1 Timoteüs 2 verbiedt Paulus wel ‘een leren dat in strijd is met de geëiste bescheidenheid en gehoorzaamheid’. Dat betekent: ‘Als een vrouw geroepen wordt om ‘ambtelijk’ te leren, is dat niet als zodanig onbescheiden of ongeordend’, (37). Want: ‘Een vrouw die vanuit het Woord van God leert: zou dat verboden zijn?!’, (37).

Zij mag het, – net zomin als een man -,  niet op een ‘verkeerde’ wijze doen, d.w.z. op een wijze die niet strookt met Efeziërs 5:21-33: ‘de mannen moeten zich richting hun vrouwen met liefde en dus ‘zonder wrok en onenigheid’ opstellen en de vrouwen moeten met respect voor hun mannen zich opstellen, overal’. Wanneer mannen en vrouwen elkaar aanspreken en Gods weg wijzen, moet dat hun houding zijn, zegt 1 Timoteüs 2:

Bescheidenheid en dienstbaarheid hoort dan de toon te zetten: zowel bij mannen (geen wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (geen bazig leren)’, (37).

Belangrijk is namelijk te weten, dat het ‘onderwijzen’ en ‘gezag oefenen’ een hendiadys vormen. D.w.z. een stijlfiguur die niet twee losse acties omvatten, maar een omschrijving zijn van één bepaald optreden, waarbij het ‘gezag oefenen’ [in het grieks ‘authentein’, FP] aangeeft hoe er onderwezen wordt. Gezien context en woordgebruik moet dit ‘authentein’ opgevat worden als ‘autoritair, betweterig, onbescheiden’: ‘het gaat om vrouwen die hun eigen man publiek ‘de les lezen’. Dat is het leren wat Paulus hier aan vrouwen verbiedt’, (38).

Dat het om zulk ‘hautain leren’ gaat blijkt uit de eerdere aanduiding van deze vrouwen in vers 9 en 11: ‘Het gaat om vrouwen die zich blijkens de tekst (!) in kleding en make-up opzichtig presenteren en die ‘onderwijzen’, terwijl ze zelf nog heel wat onderwijs nodig hebben’, (38).

Paulus waarschuwt vrouwen dat als ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren. Daarom verwijst hij ook naar Genesis 2 en 3:

Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man: ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Dat doe je thuis niet, dat doe je ook in de samenkomsten of in de kerk niet. Dat doe je zelfs daarbuiten niet. Je trekt in heel je leven, waar dan ook, als man en vrouw samen op’, (38-39).

Op de zelfde manier argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook in 1 Korintiërs niet aan de orde. Daar gaat het over het verloop van de erediensten, (39).

De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk honoreert, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is:

Een vrouw die los van haar man wil opereren, is haar hoofd kwijt: een kip zonder kop. Een man die denkt dat hij zijn ambtelijk werk kan doen volkomen los van zijn vrouw, vergeet wat hij in zijn vrouw aan unieke hulp van de Here ontvangen heeft’, (40).

Op deze manier kunnen ook vrouwen aan het maatschappelijke en het kerkelijk leven meedoen. In het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen, (40).

Niemeijers conclusie is, dat deze interpretatie van de zwijgteksten ‘recht doet aan het blijvende gezag van die teksten zonder dat het zusters van de ambten uitsluit’, (41).

 

  1. Scheppingsorde bij Paulus

Zijn visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden.

Niemeijer ging uit van de klassieke opvatting, dat God de mens geschapen heeft met een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw. De man is eerst geschapen, daarna de vrouw, waarbij de man het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Kortom:  ‘de man heeft de leiding, en daartoe beperkte ik de scheppingsorde ook’, (42). Maar is dit wel de visie van Paulus in Efeziërs 5, in 1 Timoteüs 2 en in 1 Korintiërs 11?

Als je denkt dat de kernboodschap van Efeziërs 5:22-33 een pleidooi voor een gezagsrelatie in onderdanigheid voor de vrouw is, dan is het begin van deze perikoop niet goed uit leggen: ‘wees elkaar onderdanig’:

Als je in ‘onderdanig’ een gezagsrelatie veronderstelt, hoe verhoudt zich dan het onderdanig zijn c.q. ontzag hebben van de vrouw jegens de man tot dat wederzijdse onderdanig zijn, ontzag hebben?’, (43).

Rekening houdend met de context waarbinnen Paulus schrijft en argumenteert, zul je echter moeten erkennen dat het geen situatie is, waarin het hoofd-zijn van de man omstreden was. In tegendeel: de samenleving was sterk hiërarchisch georganiseerd, waarbij mannen zich ‘verregaande vrijheden veroorloofden in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omgingen’. Paulus had niet te maken met een samenleving die genderneutraal wilde zijn.

Daarom is het veel aannemelijker, dat Paulus in die situatie van een ontaard huwelijksleven ‘de eenheid en verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk’ accentueert en hen oproept voor elkaar ontzag te hebben:

Jullie, mannen, moeten je vrouw niet domineren of als voetveeg gebruiken, maar liefhebben, en jullie vrouwen, moeten het gedrag van je man niet accepteren, maar jullie moeten ook je man niet verachten. Je moet ontzag voor je man aan de dag leggen, zijn positie zien en hem van daaruit aanspreken en trouw zijn’, (43-44).

Paulus wil niet het onderscheid van man en vrouw of de leidinggevende positie van de man benadrukken. Hij gaat uit van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man en roept op om zo elkaar te honoreren. ‘Dit is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één’, (44).

Paulus benadrukt dit ook in 1 Korintiërs 11: ‘De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Je bent onderscheiden en hoort zo bij elkaar. Vermeng man- en vrouw-zijn niet met elkaar, maak  je niet aan elkaar gelijk, want je bent geroepen om elkaar aan te vullen en zo een éénheid te vormen’, (45).

Kun je dan uit het ‘verschil in positie’ concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt? Dat is dezelfde vraag als: Kunnen kinderen geen ambt bekleden als hun ouders nog leven, of kunnen knechten of werknemers geen ouderling worden in een gemeente waar ook hun bazen of werkgevers lid zijn? Geldt hier niet veeleer wat Paulus in Galaten 3  zegt, dat man en vrouw, slaaf en vrije, barbaar en Scyth in Christus één zijn? Kwamen Debora en Priscilla echt in strijd met de scheppingsorde? (47).

Als Paulus spreekt over de verhouding man en vrouw zet hij dus niet zozeer in op het onderscheid of hun eigenstandige positie, maar juist op hun eenheid en verbondenheid. Om dat te benadrukken doet hij een beroep op Genesis 2:

Het is vooral gericht op het stimuleren van de eenheid en verbondenheid van man en vrouw over de hele linie van hun leven. Laten ze ervoor waken zich van elkaar te distantiëren of zich tegen elkaar te laten uitspelen’, (49).

 

  1. Patriarchaat is geen bijbelse norm

Niemeijer laat in hoofdstuk 5 zien, dat de bijbel veel minder vrouw-onvriendelijk is als wel wordt gedacht. Het gelijkheidsdenken van vandaag is wat hem betreft niet superieur aan de bijbelse moraal. De rivaliteit tussen de seksen is niet Gods oorspronkelijke opzet, maar het gevolg van de zondeval. God heeft man en vrouw geschapen ‘met één taak, in opperste kwetsbaarheid (naakt) en zonder een spiertje angst voor elkaar’, (50).

Belangrijk is om te beseffen dat de bijbel een boek is met een ontstaansgeschiedenis en geschreven is in èn voor een bepaalde tijd. Ook de door God gegeven leefregels zijn niet tijdloos. God ‘neemt concrete, toen levende mensen, aan de hand, in hun omstandigheden en hun culturele setting’, (51).

Tegelijk spreekt God ons in onze tijd aan:

Om naar deze God te luisteren hoeven we ons niet los te maken uit ons concrete bestaan en ons naar ijle hoogten te laten meevoeren, we mogen zijn Woord in onze eigen werkelijkheid aanhoren en toepassen. .. [Z]ijn Geest neemt de eigenheid van mensen en tijden niet weg, maar werkt juist vernieuwend in levensechte mensen en in concrete situaties’, (52).

Dat betekent dat de wet van Mozes toen werd gegeven aan mensen in de verworden patriarchale cultuur van toen, die God van binnenuit wilde vernieuwen en verlossen. Gods Woord legt ‘de hoorder geen onwerkelijk en niet te dragen juk aan idealen uit een ander cultuur en tijd op, maar neemt hem aan de hand om stap voor stap verder te komen op de weg van God. Zo werkt Gods pedagogie (Calvijn), (52).

Zo wordt in het Oude Testament in die patriarchale cultuur, ‘zonder dat de man de positie en verantwoordelijkheid die hij vanaf het paradijs heeft wordt afgenomen’ de vrouw gerespecteerd. In tegenstelling tot de omringende volken wordt de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. Ook laat het Oude Testament zien hoe mannen door vrouwen worden aangesproken en gecorrigeerd, (53-54).

In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven ‘mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten’, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is, (55).

De conclusie van Niemeijer is, dat de Here de mannencultuur van het oude Oosten serieus neemt en die niet revolutionair omkeert, maar er zich ook niet door laat gijzelen of ophouden en een duidelijke richting daarin wijst: ‘Je ziet hoe de Here patronen aan het doorbreken is en hoe Hij op een voor die tijd begrijpelijke manier uit is op iets anders dan een mannencultuur. Tegelijk handhaaft hij de hoge roeping van de man’, (55-56).

 

  1. Geen gelijkheidsdenken

Afstand nemen van patriarchale patronen betekent volgens Niemeijer niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken.

In het Oude Testament zijn vrouwen geen priesteressen, zoals in de omringende culturen wel. Terwijl daar ook allerlei vrouwvriendelijke bepalingen gelden, die niet in de wet van Mozes overgenomen zijn. Net zomin als de apostelen ook niet bepaalde vrouwenrechten en gewoontes, die wij als vrouwvriendelijk zien, overnemen.

Paulus schrijft in Rom. 12:2 dat christenen op hun hoede moeten zijn voor een werelds denken:

Zoals Christus in het vrouwonvriendelijke Israël juist heel positief met vrouwen omgaat, zien we de apostelen afstand nemen van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. De bijbel is nooit slaaf van een cultuur, maar spreekt er altijd kritisch en bevrijdend op in’, (58).

Die orde van God wordt zichtbaar in het huwelijk, waarin man en vrouw elkaars leven delen zonder dat dat ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie:

In hoeveel man en vrouw ook samen en gelijk op delen (Hand. 2:17-21; Gal. 3:28; 1 Petr. 3:7), in het huwelijk hebben en houden ze hun eigen plek waarbij mannen hun vrouw niet moeten domineren of volkomen vrijlaten maar liefhebben, en waarin vrouwen niet naar de eerste plaats moeten streven maar de van God ontvangen positie van hun man moeten erkennen (Ef. 5): samengaan zonder rivaliteit en overheersingsdrang en zonder onverbondenheid’, (59).

Volgens Niemeijer wordt die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over m/v en ambt wel eens vergeten: ‘Bijvoorbeeld wanneer vanuit het gelijkelijk delen in de Geest rechtstreeks wordt geconcludeerd tot het gelijkelijk delen in het ambt’, (59).[i]

In het denken over man, vrouw en ambt moeten we recht blijven doen aan de geordende positie die man en vrouw in het huwelijk van God ontvangen hebben. Het hedendaagse gelijkheidsdenken, dat puur individualistisch is, heeft – ‘hoezeer het ons als kerk ook beschamen kan’ – te weinig oog voor het huwelijksverbond dat God gegeven heeft: ‘niet als twee dezelfde mensen, maar juist als twee verschillende mensen die niettemin één zijn’, (61).

 

  1. Vrouw en ambt

Wanneer zwijgteksten niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, wat kunnen wij dan positief over de inschakeling van vrouwen in de kerk zeggen?

Volgens Niemeijer is er vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je er alleen via een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKv-synode in 2017. Volgens hem geen dwingende, maar hij vraagt wel om te overwegen of die binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen past.

Hij vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de toenmalige schrift als het ging om de vraag, of en hoe heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten ‘letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt’. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg. Dat is ‘de regie van de Geest’: ‘Erken zijn beleid. Heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont’. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Zo mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen om in de kerk te dienen. Gaven die ‘in de bijbel positief getaxeerd en in praktijk gebracht moeten worden, en die als mannen erover beschikken, hen geschikt maken voor het ambt’. Gaven als onderwijzen en leiding geven.

Ook al waren begaafde en leidinggevende vrouwen eeuwenlang uitzondering, mag je als die gaven nu steeds meer bij vrouwen voorkomen, daar dan niet een gave van de Geest inzien?

Zo niet, wat zijn het dan: verleidingen, testen of wij het ambt wel gesloten houden voor vrouwen? Maar als het wel gaven van de Geest zijn, welke belemmering is er dan om het beleid van de Geest te volgen en zulke begaafde vrouwen in te zetten?’, (64).

Pinksteren betekent de vervulling van het verlangen van Mozes, dat heel het volk oudste en profeet zou kunnen zijn. Wanneer in Handelingen heel het volk deelt in de Geest, betekent dat niet automatisch dat iedereen oudste kan worden. Men moet er wel de gave voor hebben en voldoende bekwaam en betrouwbaar zijn. Maar als vrouwen die gaven hebbe, is het vrouw-zijn op zichzelf volgens Niemeijer geen redenen om vrouwen van het ambt uit te sluiten:

Er is, lijkt me, ruimte om te discussiëren over de gedachte dat de vrouw na en vanwege Pinksteren niet buiten het ambt gehouden hoeft te worden, zolang tenminste recht wordt gedaan aan de verbondenheid van de man en vrouw in het huwelijk’, (67).

En voegt hij er aan toe: ‘Ook wie deze gedachte niet overtuigend vindt, kan volgens mij niet ontkennen dat ze wel binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt’, (67).

 

  1. Tegenargumenten

Niemeijer bespreekt ook kort enkele tegenargumenten. O.a. dat het priesterschap een exclusief mannelijke zaak is. Dat is wel onder het oude verbond zo, maar in het Nieuwe Testament worden alle kerkleden priesters genoemd. Wij leven onder het nieuwe verbond, waar de verzoening wordt uitgedeeld via de verkondiging van het evangelie. Toch wil Paulus geen exclusieve positie voor de apostelen en ambtsdragers claimen, alsof zij over de uitdeling van het heil zouden beschikken.

Verwant hiermee is het beroep op het feit, dat Jezus twaalf mannen als leerlingen koos. Niemeijer noemt het ‘een vaak aangevoerd en sterk argument’. Toch is het de vraag, of ‘de handelwijze van Christus (en Paulus) aan de andere kant een verbod op vrouwelijke ambtsdragers’ is. Dat komt, omdat het ‘sowieso al lastig [is] om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’:

Niet alles wat God op enig moment doet, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag’, (72).

Als God aan David de vrouwen van Saul geeft, keurt hij dan polygamie goed? Als de Here slavernij laat bestaan, betekent dat hij zijn goedkeuring daaraan geeft? Je kunt uit Gods handelen in concrete situaties ook te veel willen afleiden:

Zie je in de Bijbel niet steeds dat God oog heeft voor de concrete praktijk op dat moment en in zijn leiding van zijn volk daarop niet onkritisch maar ook niet revolutionair ingaat?’, (72).

Daar komt bij, dat het nog geen Pinksteren was geweest. Kun je uit Christus’ optreden dus een verbod voor alle tijden afleiden?

Belangrijk is het om te zien, dat het bij de tegenargumenten vooral gaat om minder direct schriftgebruik en meer afgeleide redeneringen. Over de kracht daarvan kun je van mening verschillen: ‘Laten we dus uitkijken voor te grote woorden naar de ene of naar de andere kant. Zo simpel ligt het allemaal niet’, (72).

 

  1. Hoe ga je om met verschil in visie?

Niemeijer benadrukt dat m/v en ambt vooral een kerkordelijke zaak over de inrichting van de kerk is:

Niet het evangelie is in het geding, maar de ordening van het kerkelijk leven. Daarbij moet je wel rechtdoen aan Gods Woord, maar de Bijbel levert daarvoor geen blauwdruk of uniek model’, (73).

Daarom moeten we volgens hem ook ‘niet te snel roepen dat de ander in strijd komt met het woord van God. We hoeven de ander zelfs niet te overtuigen (Rom. 14:1)’, (75).

Belangrijk is dat wij ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag:

[A]ls er op die wijze een beleidsmatige knoop moet worden doorgehakt met het oog op een geordende kerkelijke praktijk, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten’, (77).

Daarom kun je binnen het kerkverband het ook dragen als een andere kerk een andere geordende praktijk heeft en de vrouw in het ambt invoert. Je bent als zusterkerk daar niet verantwoordelijk voor, zolang die kerkenraad de ambtelijke dienst binnen rechtsgeldige kaders heeft ingericht. Ook kun je blijven meewerken aan handelingen op een classis, ook al hebben die betrekking op de ambtelijke dienst van zusters.

Niemeijers voornaamste conclusie is dan ook: ‘Daarom moeten de aangevoerde en nog aan te voeren argumenten pro en contra de vrouw en het ambt vanuit de Schrift en met eerbiediging van haar goddelijk gezag worden afgewogen, waarbij we ons open en eerlijk en zonder dreiging van vertrek of manipulatie opstellen en bereid zijn zo nodig in te schikken hetzij naar de ene hetzij naar de andere kant’, (81).

Niemeijer eindigt met de opmerking, dat ‘zij die uiteindelijk geen ruimte zien voor de vrouw in het ambt, hoeven niet te volstaan met alles bij het oude te laten. En zij die vóór de vrouw in het ambt zijn, moeten niet doen alsof een onbeperkte opening van de ambten de enige mogelijkheid is’, (82). Ook mogelijk is alleen het diakenambt openstellen, een kleine raad van mannelijke oudsten, ambtsdragersechtparen, het laten spreken van een opbouwend woord, tot ook het ambt voor ouderling dan wel ook voor predikant voor vrouwen openstellen.

 

[i] Met een verwijzing naar de bijdragen in de bundel Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, (ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016), waar zo geredeneerd zou worden.

Pieter Niemeijer over m/v en kerk

Pieter Niemeijer heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKv over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt. Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn verhaal.

Dat de bundel opstellen uitkomt bij een uitgeverij, waarvan de betrokkenen tot nu toe zeer afwijzend staan tegenover vrouwelijke ambtsdragers in de GKV [ii], beschouw ik als een teken van bereidheid om het inhoudelijke gesprek over m/v in de kerk aan te gaan.

In 2005 was Niemeijer voorzitter van de GKv-synode die de opdracht gaf voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’. De bezinning die toen op gang is gekomen heeft uiteindelijk in 2017 geresulteerd in het besluit om het ambt voor de vrouw in de GKv open te stellen.

Destijds waren er al verschillende geluiden hierover te horen. Enerzijds een huiver om het onderwerp op te pakken: ‘Laten we niet zwichten voor de druk van de publieke opinie. Hoe wij ertegen aan kijken stoelt op een eeuwenlange overtuiging.’ Anderen pleitten voor een ‘open mind’: ‘Laten we ervoor waken dat opvattingen die niet stroken met die we hadden niet op voorhand afgedaan worden met de kritiek: niet schriftgetrouw.

Bij de instelling van dat deputaatschap zei Niemeijer dat een bezinning op m/v en de kerk gerechtvaardigd was, mits die zich binnen schriftuurlijke kaders zou voltrekken: ‘Er wordt in kaart gebracht hoe het Woord van God en de praktijk zich tot elkaar verhouden. Dat is eerlijk en noodzakelijk. De tweede opdracht behelst dat we uit zijn op ‘een goed onderbouwd schriftuurlijk antwoord’. Schriftuurlijk: dat is de norm en het anker.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn resultaat van het overdenken van deze vraag. Daarom houdt hij in een uitgebreide bespreking de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten tegen het licht. Ook gaat hij in op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open en schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

In een uitgebreidere vervolgblog zal ik binnenkort op zijn bijdrage in het m/v-gesprek ingaan.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Uitgeverij Woord en Wereld geeft naast de serie ‘Cahiers tot versterking van het gereformeerde leven’ ook het maandblad Nader Bekeken uit. Een aantal leden van het Stichtingsbestuur van de uitgeverij is actief betrokken bij de website www.bezinningmvea.nl, een platform van verontruste GKV’ers over het besluit in 2017 om vrouwen tot het ambt toe te laten.