Tamar en de m/v-ambt discussie

In de geschiedenis van Tamar en Juda zoals we die in Genesis 38 tegenkomen, zie je een inzichtgevend voorbeeld van hoe de verhoudingen tussen man/vrouw in een patriarchale samenleving vorm wordt gegeven.

Juda, de vierde zoon van Jakob, is getrouwd met Batshua, een Kanaanitische. Samen krijgen ze drie zoons. Als zijn zonen volwassen worden, zoekt Juda een vrouw voor ze. Zo komt  Tamar in beeld. Hij kiest haar als vrouw voor zijn oudste zoon Er. Zij zullen hopelijk de geslachtslijn van zijn huis voortzetten.

Voordat Tamar zwanger wordt, sterft Er. Juda geeft daarop Tamar aan zijn tweede zoon Onan als vrouw, zodat hij nageslacht bij haar kan verwekken. Dat was in het Oude Oosten een gebruikelijke manier om iemands naam en herinnering te laten voortleven. Verder was zo’n zwagerhuwelijk een middel om de bezittingen van de overleden man in de familie te houden en om er voor te zorgen dat de weduwe niet rechteloos achterbleef.

Niet lang daarna sterft ook Juda’s tweede zoon. Omdat Juda bang is dat ook zijn derde zoon Sela zal sterven wanneer hij hem Tamar als vrouw zal geven, zendt hij Tamar terug naar het huis van haar vader.

Juda stuurt Tamar als weduwe terug naar haar vader in plaats van dat hij als hoofd van zijn huis de zorg voor haar op zich neemt. Haar vader zal haar niet zonder slag of stoot in zijn huis hebben opgenomen. Hoewel ze er geen enkele invloed op uit heeft kunnen oefenen, heeft ze de eer van de familie te schande gemaakt. Tegelijk is ze met huid en haar met het huis van Juda verbonden, omdat ze onder het patriarchale gezag van Juda blijft vallen. Zonder zijn instemming zal ze niets kunnen doen, laat staan met een ander trouwen. Ze is toegezegd aan Sela, ook al weigert Juda haar te laten trouwen. Al met al heeft zij geen andere toekomst dan om als weduwe te sterven. Kinderen zal ze niet krijgen. Zo gauw ze zich met een andere man seksueel verbindt, zal ze van overspel beschuldigd worden.

Zo werkt dat in een patriarchale samenleving. Net zoals het in zo’n samenleving vanzelf spreekt dat je als man seksueel contact kunt hebben met een meisje of vrouw, zolang ze maar niet onder iemands gezag valt. Prostituées zijn van die vrije vrouwen. Ze worden veracht om wat ze doen, tegelijk profiteren de mannen er behoorlijk van. Wel de lusten, maar de lasten worden op de vrouwen afgeschoven. Dat blijkt later in de geschiedenis. Juda heeft zonder te weten dat het zijn schoondochter is, seksueel contact met haar. Hij denkt dat ze een hoer is. Wanneer drie maanden later blijkt dat zijn schoondochter zwanger is, vindt Juda steniging voor haar te weinig en eist hij de verbranding van Tamar.

Tamar kon zich niet aan die patriarchale cultuur onttrekken: ze had er creatief mee te dealen. En daarbinnen heeft ze een groot risico genomen. Voor haar maakt het kennelijk niet zoveel meer uit of ze nu de doodstraf krijgt omdat ze door Juda als overspelige wordt aangemerkt of doordat ze ‘gewoon’ van Juda levenslang krijgt. Haar toekomst is weg. Uit de geschiedenis blijkt dat ze dat risico neemt, omdat ze koste wat kost trouw wil blijven aan haar schoonfamilie. Net als die weduwe in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter wordt ze gedreven door het zoeken van gerechtigheid. Een gerechtigheid die Juda erkent, als hij zegt: ‘Niet ik, maar zij staat in haar recht!’

De vraag waar wij als gereformeerden behoorlijk verlegen mee zijn, is hoe wìj met die patriarchale cultuur in de bijbel hebben te dealen. Dat blijkt m.n. bij het nadenken over de vraag van ‘man/vrouw en het ambt’. De visie dat de vrouw van het ambt moet worden uitgesloten, komt uiteindelijk voort uit dit principe van de patriarchale samenleving: de vrouw mag niet over de man heersen, omdat zij onder het gezag van de man valt. De man is het hoofd van de vrouw en zij moet hem onderdanig zijn.

Een van de manieren om hiermee om te gaan is dat wij een onderscheid hebben ingevoerd dat mannen en vrouwen in de bijbel wel gelijkwaardig zijn, maar niet gelijk. Voor zover ik kan zien is dat een onderscheid dat wij vanuit een westers perspectief maken, maar dat in een patriarchale samenleving domweg niet werkt. Tamar heeft geen gelijkwaardige positie ten opzichte van Juda. Ze heeft zich gewoon te schikken.

Een tweede manier is dat wij het hoofd-zijn van de man met een beroep op Efeziërs 5,21 hebben geherdefinieerd als ‘dienende liefde’. Overigens is dit een exegese die nog maar een paar decennia algemeen aanvaard wordt.

Beide manieren zijn pogingen om het problematische van de patriarchale cultuur voor onze visie op de m/v-verhouding te verzachten of aanvaardbaar te maken, omdat wij ook recht willen doen aan het gezag van de bijbel.

Ik denk dat we in het gesprek over m/v en het ambt alleen verder komen als we de meer fundamentele vraag naar de relatie tussen de bijbelse openbaring en de cultuur aan de orde stellen. Eén van de basisaannames waardoor het voor velen onmogelijk lijkt dat vrouwen in het ambt zouden kunnen dienen, is dat de bijbelse openbaring en de patriarchale cultuur zo nauw met elkaar verweven zijn, dat er van een 1-op-1 relatie sprake is. Het afwijzen van de patriarchale gezagsverhouding betekent automatisch dat je het schriftgezag aantast.

Het is mooi dat deputaten M/V in het rapport dat afgelopen november verscheen, dit punt aansnijden en bespreken.[1] Tegelijk vind ik het jammer dat ze in de manier waarop ze keuzes maken en exegetische en hermeneutische conclusies trekken niet consistent zijn.

Aan de ene kant signaleren ze terecht dat de houding ten opzichte van vrouwen zeer cultuurbepaald geweest is en dat dit doorwerkt in de manier waarop vrouwen ten onrechte hun plek wordt gewezen:

‘[D]e bijeengebrachte bijbelgegevens doen de impact zien van de vloek van Gen. 3: nog steeds werkt het kwaad door in de man-vrouw-relatie en dat zorgt ervoor dat ook in onze tijd mannen en vrouwen nog steeds niet gelijkwaardig worden’ (15).

En voegen ze er als conclusie aan toe:

‘Het lijkt erop dat het evangelie (onzichtbaar maar zeker) vrouwen bevrijdt van hun ondergeschikte positie en hen naast de mannen plaatst’ (15).

Dit is in lijn met hun eerdere observatie, dat:

‘in de Bijbel de culturele tendens waarneembaar (is) om vrouwen te zien als ondergeschikt aan de man. Maar in de Bijbel wordt ook een tegenkracht zichtbaar die voortkomt uit Gods genadige verlossing en die voor de samenleving concrete aanzetten biedt tot herstel van de vanaf het begin bedoelde wederkerigheid in de man-vrouw-relatie’ (11).

Toch brengen ze deze inzichten niet in rekening als ze Paulus’ visie zo samenvatten en als normatief presenteren, dat het hoofd-zijn van de man in het huwelijk betekent, dat ‘van een man gevraagd (wordt) dat hij de koppositie inneemt en van zijn vrouw dat zij die koppositie aanvaardt’ (24). Hun eerdere conclusie dat het ‘in den beginne’ niet zo was wordt het zwijgen opgelegd. Ze kleuren in lijn met een eeuwenlange traditie de wederkerigheid in de man-vrouwverhouding bij de schepping opnieuw normatief in met een beroep op de patriarchaal gemotiveerde hiërarchische man-vrouw verhouding bij Paulus.

We zullen daarom eerst het thema van het schriftgezag in de man/vrouw en ambt discussie vanuit het perspectief van de aansluiting van de openbaring bij de toenmalige cultuur moeten doordenken, voordat het ons zal lukken om vrouwen in de kerk recht te doen.

Vanuit een westers perspectief typeren wij wat Juda ten opzichte van Tamar doet als een dubbele moraal. Een moraal mogelijk gemaakt door het uitbuiten van de gezags- en machtsrelaties tussen man en vrouw. Hoe lang nog laten wij Tamar kloppen op de bastions van ons gereformeerde patriarchale systeem, voordat wij zullen erkennen dat zij in haar recht staat?

 

[1] GKv Rapport deputaten M/V en ambt. Samen dienen (2016)

Eerste indruk

Er is een mooi boek verschenen over m/v in de kerk, met een veelkleurige voorkant waarin de symbolen van man en vrouw en het Ichthus-symbool van de christelijke kerk volop met elkaar verbonden zijn. De titel is ‘Zonen & dochters profeteren’.[i]

De kern van de voorgestane visie is dat heel Gods volk geroepen is om namens God te spreken. Toegespitst op de discussie m/v en het ambt betekent dit dat de gaven van vrouwen ook in de kerk breed mogen worden ingezet. Christus heeft met Pinksteren de barrières geslecht en elke voorkeurspositie in het vertegenwoordigen van God opgeheven: sekse, etnische afkomst of sociale positie – ze mogen geen rol meer spelen in wie welke taak in de gemeente mag vervullen. Wat telt is de gave die ieder van de Geest ontvangen heeft.

Vanuit historische, exegetische, theologische en verschillende andere wetenschappelijke invalshoeken worden argumenten voor deze visie aangedragen en worden traditionele visies, – soms al eeuwenlang binnen de christelijke kerk aangehangen -, grondig besproken en gewogen.

Persoonlijk vind ik het mooi dat het collectief dat hier zijn visie presenteert kerkelijk breed samengesteld is. Veel auteurs uit de vrijgemaakte kerken, maar ook uit de CGK, de NGK, de PKN en evangelische hoek. Het is een thema dat voor heel de christelijke kerk van belang is.

Mijn eerste indruk is dat dit boek het gesprek over m/v in de kerk op een positieve manier stimuleert. Het is ook een waardevolle bijdrage als voorbereiding op de komende synode van de GKv-kerken in 2017, waar dit thema opnieuw op de agenda zal staan.

Een deel van de visie is natuurlijk niet nieuw. Belangrijk vind ik dat er een coherente visie neergezet wordt, hoewel de samenhang op punten nog wel strakker had gekund. Een explicietere verwerking van de schepping als de ‘tempel’, waarin de mens (m/v) God mag dienen, had bijvoorbeeld hoofdstuk 8 over bijbel en ambt breder kunnen onderbouwen.

Waardevol is dat het boek zich confronteert met de angst dat het openstellen van de ambten voor vrouwen het aanpassen van de bijbel aan de cultuur betekent. Dat was het verwijt dat in 2014 tegen het GKv-deputatenrapport ‘Man/vrouw in de kerk’ ingebracht werd. De auteurs thematiseren regelmatig vragen rond openbaring, bijbel en cultuur en zijn zeer beducht op het gevaar dat de tijdgeest het wint van de bijbelse boodschap. Sterk vind ik dat ze beargumenteren, dat dit gevaar niet minder aanwezig is bij hen die ervoor pleiten om op grond van de bijbel vrouwen van het vervullen van de ambten uit te sluiten.

Het springende punt in het komende gesprek over m/v in de kerk zal de visie op het ambt zijn. De auteurs zijn hierin helder: volgens hen kent of gebruikt de bijbel het woord ‘ambt’ niet. Er zijn taken en bedieningen binnen de gemeente, die vervuld mogen worden door ieder (m/v), die daarvoor van de Geest de gave heeft gekregen. Ik ben benieuwd hoe het gesprek hierover zich zal ontwikkelen.

Het hoofdstuk over de rechtspositie van vrouwen in de bijbel vond ik zeer confronterend. Natuurlijk wist ik wel dat die positie altijd zeer discriminerend was, maar als je het zo in een kort overzicht weergegeven ziet dan schrik je wel. Dochters mogen als koopwaar verkocht worden en als de koper haar niet beviel mocht ze weer doorverkocht worden. Een gehuwde man ging in principe vrijuit wanneer hij met een ‘vrij’ meisje gemeenschap had. Maar bleek een jonge vrouw na de huwelijkssluiting geen maagd meer te zijn, dan werd ze gedood door steniging. Ook in het godsdienstig leven en in de eredienst heeft ze een lage positie. Vrouwen worden op alle gebieden overheerst door de mannen. Niet omdat dat zo met de scheppingsorde gegeven is, maar als gevolg van de vloek die over de mensheid gekomen is. Het intrieste is, dat mannen zich eeuwenlang met een beroep op deze vloek hun bevoorrechte positie hebben laten welgevallen en door hun machtspositie ook sterk hebben uitgebuit. Daarom is het goed dat de auteurs de vraag onder ogen durven zien: ‘Hoe kon het dat God via wetgeving en ook door profetische uitspraken meeging met de achterstelling van vrouwen?’

Duidelijk brengen de auteurs onder woorden dat deze discriminatie ‘van den beginne’ niet zo geweest is en dat het ook nooit Gods bedoeling is geweest om die te legitimeren. Daarbij citeren ze Calvijn die er op wijst, dat we nu eenmaal in een onvolmaakte wereld leven, waarbinnen God in de concrete situatie een weg wijst, ‘waarbij Hij rekent met de ‘hardheid van het hart’ van het volk. God tolereert dus soms wat Hij niet goed vindt, en soms biedt Hij tevoren al een regeling om erger te voorkomen.’

Een belangrijke onderbouwing van deze visie op m/v in de kerk is, dat wij in de bijbel een dynamische ontwikkeling in Gods openbaring mogen ontdekken. Met de komst van Christus en met Pinksteren delen vrouwen weer voluit in de roeping van Gods volk en mogen zij ook principieel op elk terrein en voor elke taak worden ingezet, zoals wij ook uit verschillende passages in het Nieuwe Testament mogen aflezen. Want wie nauwkeurig de bijbel bestudeert, ziet dat vrouwen in de nieuwtestamentische gemeente volop mogen meedoen op terreinen, die wij vandaag als ‘ambtelijk’ kwalificeren.

Ik hoop dat de lezers van dit boek, maar vooral degenen die leiding aan het kerkelijk leven geven, zich niet van de meest indringende vraag afmaken die de auteurs ons voorleggen: of de christelijke kerk doordat zij nog altijd vrouwen voor bepaalde taken en functies uitsluit niet meewerkt aan het ongeoorloofd onderdrukken en discrimineren van vrouwen? Zet ze daarmee niet bewust de vloek van Genesis 3 voort in plaats van dat ze het herstel van de oorspronkelijke positie van de vrouw dankbaar aanvaardt in de zegen, die Christus ons in de gaven van zijn Geest in vrouwen opnieuw heeft geschonken?

 

[i] N.a.v. Zonen & dochters profeteren. Manvrouw&kerk’, onder redactie van Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer, 2016.

Desiderata en het lijstje van Trimp

Het feest van St. Nicolaas is voorbij en de verlanglijstjes kunnen opgeborgen worden tot volgend jaar of tot de eerstkomende verjaardag. Zo gaat dat met deze verlanglijstjes. Het gaat meestal over zaken die je niet direct nodig hebt. Het zou mooi of fijn zijn, dat je ze kreeg, maar het is geen ramp wanneer de Sint niet alle verlangens heeft kunnen vervullen. Op een later tijdstip kunnen de lijstjes dan weer van pas komen.

Er zijn ook verlanglijstjes die hoger op de agenda zouden moeten staan. Verlanglijstjes die als ze niet vervuld worden, tot achterstand in een ontwikkeling leiden. Of als je er niet aan werkt, je op een gegeven moment moet constateren dat je niet verder kunt. Omdat je de noodzakelijke tools niet tot je beschikking hebt om een bepaald probleem aan te kunnen pakken, laat staan om ze op te kunnen lossen.

Dat is de situatie waarin de gereformeerde theologie zich vandaag bevindt. Die heeft geen instrumentarium tot zijn beschikking om met de hermeneutische vragen rond bijbel en schriftgezag om te gaan. Iedere keer als zich een vraagstuk op dat gebied voordoet is de verlegenheid met handen te tasten. Ik hoef de items niet uitgebreid te benoemen. De afgelopen jaren hebben ze voortdurend het gesprek en de polemiek bepaald: schepping en evolutie, de vrouw en het ambt, de omgang met homoseksualiteit, geloof en wetenschap.

Er wordt wel gezegd dat er in de GKV-kerken gewerkt wordt met een ‘nieuwe’ hermeneutiek, waarbij de ‘oude’ (gereformeerde) hermeneutiek geen gelding meer zou hebben. Ik geloof daar niet in. Wat ik zie is dat het instrumentarium van de oude gereformeerde hermeneutiek niet toereikend is om de hedendaagse problemen op te lossen. En dat komt, omdat die daar niet geschikt voor is.

Kort aangeduid: de traditionele gereformeerde hermeneutiek is met name geschikt om de (oorspronkelijke) betekenis van een tekst vast te stellen, maar ze biedt (te) weinig houvast om uitspraken te doen over de eigentijdse toepassing en het gebruik van de gevonden betekenis. Gereformeerde bijbelwetenschappers beschouwden de uitleg en de exegese als hun corebusiness en daar hebben ze in hun hermeneutiek de regels voor vastgelegd. Maar zo gauw de vraag gesteld werd naar de toepassing en het gebruik van teksten, dan verwezen ze naar de systematische en de praktische theologen: dat was niet hun pakkie-an.

Het nadenken over de toepassing van teksten is er natuurlijk altijd geweest. Een vakgebied waarin dat bij uitstek centraal staat is de rechtswetenschap. Maar ook in de theologie is er bezinning geweest en heeft men geprobeerd methoden te ontwikkelen om bijbelteksten te gebruiken.

In de dogmatiek heeft de methode van de loca probantia lange tijd opgeld gedaan. Daarbij werd de bijbel als een bron van bewijsteksten gezien, die je systematisch met elkaar kunt verbinden om tot een beslissing over een bepaalde kwestie te komen. Tegenwoordig wordt deze methode niet meer zo toegepast, omdat er meer oog is gekomen voor het grote gevaar daarin, dat je te weinig rekening houdt met de context in de bijbel zelf of de tijd waarin de tekst ontstaan is, en dan je eigen ‘bijbelse’ waarheid kunt creëren.

Ook binnen de homiletiek – het nadenken over het maken en houden van een preek – is de vraag naar de toepassing van oudsher een belangrijk onderdeel van het vak geweest: wat betekent de bijbeltekst voor vandaag? De discussie over heilshistorische en exemplarische prediking in de 20-er en 30-er jaren van de 20e eeuw is een voorbeeld van hoe men geprobeerd heeft hiervoor een verantwoorde theorie te ontwikkelen.

Een samenhangende theorie over de toepassing van de bijbel is er in de gereformeerde theologie helaas tot nu toe niet gekomen. Als belangrijke reden daarvoor zie ik, dat het methodisch nadenken over de toepassing van teksten in de 50-er, 60-er en 70-er jaren in een kwade reuk kwam te staan en weggezet werd als een vraagstelling van de ‘moderne hermeneutiek’, waar je niet mee in zee mag gaan: ze is ongereformeerd.

Deze negatieve houding tegenover de ‘moderne hermeneutiek’ heeft alles te maken met de invloed van de existentialistische filosoof Martin Heidegger op de moderne theologie in Duitsland. Met name de nieuwtestamentici Rudolf Bultmann en Ernst Fuchs hebben zich sterk door de hermeneutische filosofie van Heidegger laten inspireren, terwijl juist gereformeerde nieuwtestamentici als Herman Ridderbos en Jakob van Bruggen zeer fel in hun afwijzing van deze theologen en hun theologie zijn geweest.

Het gevolg is geweest, dat met de inhoudelijke afwijzing van een bepaalde hermeneutische theologie ook de hermeneutische vraagstelling als zodanig verdacht is gemaakt. Daar plukken wij nu de wrange vruchten van, omdat het systematisch nadenken hoe je die hermeneutische vraagstelling zou kunnen behandelen niet verder op gang is gekomen. Wij missen de methodische tools om de vraag naar de toepassing van de bijbel verantwoord te kunnen laten plaatsvinden. Dit is volgens mij ook de reden, dat juist rond vragen over schepping en evolutie, de vrouw en het ambt of homoseksualiteit, – die juist gaan over de toepassing van de bijbelteksten, – zo vaak mensen beschuldigd worden van het hanteren van een ‘nieuwe hermeneutiek’. Terwijl het niet zozeer een zaak is van ‘nieuwe hermeneutiek’ als wel van een ‘nieuwe hermeneutische vraagstelling’. Het is de uitdaging is om zo’n nieuwe vraagstelling zo verantwoord mogelijk te behandelen.

En daarmee kom ik terug bij dat verlanglijstje. De huidige hermeneutische impasse komt m.i. omdat men in de gereformeerde theologie te weinig heeft gedaan met wat ik kortweg aanduid als ‘het lijstje van Trimp’.

C. Trimp was aan de TU Kampen systematisch en praktisch theoloog. Meerdere malen heeft hij de roeping van de gereformeerde theologie benadrukt om ‘te volharden in haar arbeid aan de nadere ontvouwing van het geopenbaarde welbehagen des Heeren’ en de vragen rond Schriftgezag verder te behandelen. In zijn proefschrift in 1961 vult hij de desiderata-lijst van de oudtestamenticus B. Holwerda uit 1942 aan met een specifiek verlanglijstje op het gebied van a) hermeneutiek en canoniek, b) exegese en c) dogmatiek. Hij roept daarbij de gereformeerde theologie op om haar ‘tijd’ ten nutte te maken.

Later heeft hij dat lijstje een enkele keer herhaald, o.a. toen hij in 1963 sprak over ‘de historische roeping van Kampen’. Hij sluit zijn lijstje dan af met de profetische woorden: ‘Zou al deze arbeid niet worden aangevat, dan zal de wraak over deze nalatigheid zich eenmaal aan ons presenteren in een verlies aan aansluiting aan de concrete situatie’.

De hermeneutische vraagstelling niet serieus nemen betekent volgens Trimp uiteindelijk dat je de relevantie van de bijbel als Gods woord zult verliezen en dat de kerk het gevaar loopt tot een secte te vervallen.

Volgens mij is dat lijstje van Trimp nog meer dan actueel. Willen wij uit de huidige hermeneutische impasse komen, dan is er voor de gereformeerde theologie werk aan de winkel.

Goed lezen

In het Nederlands Dagblad van 3 december jl. voert dr. Paul Voorberg in een ingezonden een pleidooi voor de kracht van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg van het scheppingsverhaal in Genesis.

Aanleiding is de uitspraak van dr. G. van den Brink in een interview in het ND van 28 november, dat ‘geen mens zich meer letterlijk voorstelt dat God de mens boetseerde (maakte van ‘klei’)’. Daartegenover poneert Voorberg dat hij de euvele moed heeft zich dat wel letterlijk voor te stellen. Maar dat kan wat hem betreft alleen, ‘wanneer je goed leest wat er staat.’

Naar aanleiding van het interview stelt hij aan Van den Brink, – die bij de interpretatie van Genesis er rekening mee wil houden dat God het leven op aarde heeft geschapen via de weg van evolutie -, vier vragen. Voorberg hoopt dat hij op basis daarvan aan kan tonen dat de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg nog steeds heel goed te verdedigen is en dat Van den Brink een veel te stellig verhaal lanceert.

Maar wanneer lees je goed? Je zou verwachten, dat Voorberg ingaat op de hermeneutische vooronderstellingen in de verschillende interpretaties van Genesis. Dat hij in het ingezonden zou laten zien dat de hermeneutische vooronderstelling van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg van Genesis nog degelijk hout snijdt. Of dat de hermeneutische vooronderstellingen van Van den Brink niet te verantwoorden zijn. Uiteindelijk komen de verschillen in de uitleg van het scheppingsverhaal hier toch uit voort. Merkwaardigerwijs doet hij dat niet. Voorberg argumenteert met name op het niveau van de tekstexegese. Daarbij gaat hij er te gemakkelijk vanuit dat de eigen hermeneutische vooronderstellingen vanzelfsprekend zijn.

Een voorbeeld hiervan is dat Voorberg zich voor zijn letterlijke interpretatie beroept op het Hebreeuws, dat in Genesis een woord gebruikt dat je kunt vertalen met ‘beeldhouwen’. “God nam ‘stof’ (materie) van deze aarde en vormde dat, scheppend als een beeldhouwer, om tot een mens.” Toch is dit geen voldoende argument om de tekst in zijn geheel als letterlijk-historisch te lezen. Beslissend is namelijk in wat voor soort tekst dat woord ‘beeldhouwen’ voorkomt. Dat is de vraag naar het genre van de tekst. Maar die vraag stelt Voorberg niet aan de orde. Het genre bepaalt of je de hermeneutische beslissing neemt om de tekst als ‘letterlijk-historisch’ te lezen (zoals in de klassieke-gereformeerde bijbeluitleg altijd standaard is geweest) of om de tekst te lezen als een tekst met figuratieve elementen, (zoals Van den Brink nu voorstelt om te doen).

Dat hij geen oog heeft voor de hermeneutische vooronderstellingen blijkt ook uit de soort vragen die Voorberg in zijn ingezonden stelt. Vraag 2 (hoe moet je tegen het huwelijk van Kain aankijken?) en vraag 4 (wat betekent het woordje ‘goed’ in de tekst van Genesis?) bevinden zich bij uitstek op het gebied van de tekstexegese. Vraag 3 vraagt naar de consequentie van een bepaalde exegese voor de dogmatiek, met name voor het Godsbeeld.  Terecht merkt hij daarbij op, dat Romeinen 8 wel degelijk over het lijden van de schepping spreekt. Helaas voegt dit element aan het gesprek over de hermeneutische voorvragen niet zoveel toe.

Alleen vraag 1 is van de vier vragen nog het meest gericht op de hermeneutische vooronderstellingen van de verschillende interpretaties van Genesis. Daarin stelt Voorberg de invloed en betekenis van de natuurwetenschap op de interpretatie van Genesis aan de orde. Heeft Van den Brink niet te veel respect voor de natuurwetenschap en te weinig besef dat de (natuur)wetenschap op interpretatie gebaseerd is? Waarom heeft hij een voorkeur voor de natuurwetenschappelijke interpretatie ten opzichte van de klassiek-gereformeerde exegese?

Het vreemde van deze opmerkingen en vragen is echter dat Voorberg zelf in het interview al de antwoorden van Van den Brink daarop had kunnen vinden. Zelfs het belangrijkste argument van Voorberg tegen de visie van Van den Brink – ‘wetenschappelijke interpretaties zijn feilbaar’ -, wordt door Van den Brink genoemd en van commentaar voorzien. Voorberg beseft terdege dat deze feilbaarheid ook geldt voor de interpretaties die theologen van de bijbelgegevens naar voren brengen en dat je de interpretatie van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg niet als ‘onomstotelijke waarheid’ kunt brengen. Vermoedelijk spreekt hij daarom ook niet over ‘de onomstotelijkheid van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg’, maar over ‘de kracht’ daarvan.

Ik vind dat Voorberg in zijn ingezonden het gesprek over de wezenlijke vragen bij de uitleg van Genesis niet bevordert. Redenerend vanuit het klassieke-gereformeerde paradigma komt hij tot een viertal vragen over het nieuwe paradigma dat Van den Brink voorstelt. Daarmee toon je echter de kracht van het klassieke paradigma niet aan. Die zal pas duidelijk worden, wanneer de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg van Genesis de hermeneutische vragen over schepping, evolutie en het bijbelse wereldbeeld in haar paradigma weet te integreren.

Het ingezonden van Voorberg zie ik daarom vooral als een gemiste kans om met Van den Brink over de hermeneutische vooronderstellingen bij de uitleg van Genesis door te spreken. Onnodig te zeggen, dat het interview daarvoor mogelijkheden te over biedt om bij aan te sluiten.

Framing

De wetten van de communicatie blijken zelfs voor doorgewinterde journalisten lastig te doorgronden of het kan zijn dat journalisten een blinde vlek hebben. Dat waren zo wat overwegingen die bij mij opkwamen toen ik afgelopen zaterdag 7 november in het Nederlands Dagblad (ND) een verantwoording van de hoofdredacteur Sjirk Kuijper las over de commotie, die bij de Kerkenraad Algemene Zaken van de CGK Zwolle ontstaan was na het interview met ds. Henk Mijnders in het ND die zaterdag daarvoor.

Ik kreeg in ieder geval het gevoel dat Kuijper zijn journalistieke straatje probeerde schoon te vegen door omstandig uit te leggen, dat de kerkenraad van de CGK Zwolle eigenlijk niet snapt hoe het journalistieke handwerk in elkaar zit en dat ze volledig ten onrechte en onnodig die zelfde zaterdagmiddag bij elkaar hebben gezeten om met elkaar over het interview door te spreken. Maar ja, dat komt natuurlijk omdat de CGK Zwolle gewoon een eigenwijze kerk is. Ons als ND valt niets te verwijten, maar zij doen gewoon raar! Eigenlijk kun je ook niet anders verwachten, is de suggestie die ik in de slotzin las: ‘Enfin, de CGK Zwolle gaat wel vaker haar eigen weg’. Waarmee hij de beeldvorming van een kerk die eigen kerkelijke wegen gaat nog maar weer eens aanscherpte.

Waar het over moet gaan is: heeft het ND in deze casus ethisch gezien journalistiek zorgvuldig gehandeld of niet? Dat ze volgens de geldende journalistieke protocollen gewerkt hebben, dat meet Sjirk Kuiper breed uit en dat geloof ik graag. Maar wanneer er ter verantwoording van eigen handelen een beroep op protocollen gedaan moet worden, gaan er bij mij belletjes rinkelen.

Ik snap die leden van de kerkenraad wel, dat ze schrikken van een item op p. 3 met als kop: ‘CGK Zwolle gaat eigen weg’. Een nieuwsbericht op p. 3 geeft informatie over een stand van zaken en je mag ervan uitgaan als lezer van een krant, dat de kop boven zo’n bericht een adequate weergave van het betreffende item biedt. Dat is vervolgens ook de framing, van waaruit je het bericht leest en interpreteert. Ga er maar vanuit, dat de beeldvorming geslaagd is. Dit is wat er blijft hangen van dit nieuwsitem: ‘O ja, die CGK in Zwolle, dat is die kerk die gewoon zijn eigen gang gaat. Die trekt zich niets van het kerkverband aan.’ Daarom kan ik mij voorstellen dat de kerkenraad zich zorgen maakte, dat deze beeldvorming zijn werk zal blijven doen als straks het revisieverzoek van de CGK Zwolle ter bespreking op de synodetafel zal liggen. En dat zij daarom op die bewuste zaterdagmiddag geprobeerd heeft om zich van deze beeldvorming te distantiëren.

Het weerwoord van de redactie van het ND, dat ‘niemand afstand hoeft te nemen van een suggestie die niemand gewekt heeft’, is mij te goedkoop. Want daarmee loopt ze voor de vraag weg of zij als ND misschien in hun samenvatting van het interview toch niet de suggestie gewekt hebben, dat de CGK Zwolle haar eigen gang gaat. Volgens Kuijper kan de kerkenraad het niet maken een standje uit te delen over het de maken van het nieuwsbericht op p. 3 en tegelijk een compliment maken over het interview zelf. Voor mij is het echter duidelijk, dat op p. 3 op journalistieke wijze nieuws gemaakt is, waarbij geen recht gedaan is aan interview zelf. De kerkenraad maakte zich m.i. terecht zorgen over gewekte suggesties, die door het ND aan het interview verbonden werden.

De drie opties die ds. Mijnders in het interview opsomt als mogelijke reacties op een afwijzen van een revisieverzoek staan in een context van een zoeken van een weg, waarvan ook hijzelf zegt dat hij niet weet wat het zal moeten worden. Daarbinnen staat dan zijn opmerking, ‘dat het haast niet ander kan of er moet iets van een herverkaveling komen in de kerkelijke kaart.’ Dat is in mijn ogen meer een verzuchting en hartekreet, dan een vastomlijnd plan dat die herkaveling er zal moeten komen.

Maar journalisten van het ND hebben naar hun aard in zijn opmerkingen nieuws gelezen. Zoals Sjirk Kuijper in zijn verantwoording zegt: wij lezen in het portretinterview nieuws, omdat de spanning tussen de lokale praktijk en de lijn van het kerkverband door de predikant zo helder verwoord wordt en hij zonder kerkpolitieke meel in de mond een vraag naar de toekomst beantwoordde. Ds. Mijnders schetst drie wegen en wat doen wij dan: “Wij vragen aan de kerkredactie een berichtje te maken voor pagina 3, waarin we het nieuws uit de bijlage oplichten en een andere predikant (Dingeman Quant, voorzitter van de laatste CGK-synode) kort laten reageren op de geschetste opties.”

En dat is precies wat de ingeschakelde redacteur doet. Het ‘nieuws’ dat het ND in het interview ingelezen heeft, wordt als ‘feit’ gepresenteerd. Wat ds. Mijnders als een van de opties voor een mogelijke weg ziet in een context van zoeken en overwegen, poneert de journalist als een vaststaand gegeven: ‘Als de christelijk-gereformeerde synode het besluit om homorelaties af te wijzen niet herziet, komt het lidmaatschap van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Zwolle op losse schroeven te staan. Dat maakt ds. Henk Mijnders, predikant van de Zwolse kerk, duidelijk in een portretinterview in het Nederlands Dagblad. Volgens hem gaat zijn gemeente dan of zelfstandig verder, of sluit zij zich aan bij een ander kerkverband.’ Dit is echter niet, – zoals Sjirk Kuijper stelt -, een nieuwsbericht, waarin ‘de overwegingen uit het interview prima samengevat zijn’. Want in deze samenvatting wordt aan het karakter en de status van die overwegingen binnen het interview geen recht meer gedaan. Kennelijk is er te weinig besef van genreverschil.

Voor mij is dit een typerend voorbeeld van het bekende framen en nieuwsmaken, zoals wij dat veel vaker in de journalistiek zien. Uitspraken en citaten worden uit hun verband gerukt, waardoor ze een andere betekenis en lading krijgen dan ze oorspronkelijk hadden. Het zoeken van een onbekende weg en het weergeven van mogelijke opties door ds. Mijnders krijgt de betekenis van ‘een prognose’ en van ‘feiten’. Vervolgens worden deze ‘harde’ en ‘duidelijke’ uitspraken als feiten aan anderen voor commentaar voorgelegd, dat dan weer als journalistiek nieuws gepresenteerd wordt. Zo maakt men als krant en journalist nieuws en doet men mee aan het creëren van beeldvorming.

Fijn en terecht dat het ND graag de complimenten voor het interview met ds. Mijnders in ontvangst wil nemen, toch zal ze er wat mij betreft wijs aandoen om het volgens haar ‘volstrekt misplaatst standje‘ van de kerkenraad over het nieuwsitem op p. 3 niet zomaar weg te wuiven, maar zich in alle eerlijkheid af te vragen of de kerkenraad toch geen punt heeft. Mijn inziens is het ND op een onverantwoorde wijze met het interview aan de haal gegaan. Van het tegendeel heeft deze oratio pro domo van de hoofdredacteur mij niet kunnen overtuigen.

Ida Gerhardt

‘Stralende aanhef, wat houdt ge geborgen?
(‘Aanhef’, in: Kosmos, 1940)

Ter ere van de 50e verjaardag van Koningin Beatrix maakt Cherry Duyns in 1988 een documentaire over het artistieke scheppingsproces. Een van vijf kunstenaars die daarin figureert is Ida G.M. Gerhardt, als representant van de dichtkunst. Het is een documentaire die mij vooral bij is gebleven, omdat het de eerste keer was dat ik haar zag en hoorde spreken: een gedistingeerde vrouw van bijna 83, die behoorlijk gehandicapt was door een beperkt gezichtsvermogen.

Haar poëzie ken ik vanuit de Verzamelde Gedichten die ik in 1980 op mijn verjaardag kreeg. Die uitgave verscheen ter gelegenheid van haar 75e verjaardag. Een jaar daarvoor had zij twee belangrijk prijzen toegekend gekregen: de ‘Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde’ en de ‘P.C. Hooftprijs’, beide voor haar hele oeuvre. Voor haar gevoel een zeer late erkenning van haar roeping als dichter.

Sinds de jaren ’30 van de 20e eeuw bouwt Ida gestaag aan een indrukwekkend en markant oeuvre. Haar eerste bundel ‘Kosmos’ verschijnt in mei 1940, haar 17e ‘Adelaarsvaren’ zal in november 1988 verschijnen. Een van de hoogtepunten in haar werk is de bundel ‘Het levend monogram’ (herfst 1955).

Haar optreden in de koninklijke documentaire is een van haar laatste publieke optredens geweest. In april 1988 zal ze in haar geboortestad Gorcum aan de kade van de Merwede nog een literair monument onthullen, terwijl ze in november van dat jaar haar laatste bundel ‘Adelaarsvaren’ signeert. Nadat haar levensgezellin Marie H. van der Zeyde in maart 1990 overlijdt gaat het met Ida’s gezondheid snel bergafwaarts. Ze krijgt steeds meer last van wanen, aanvallen van paranoia, ze is bijna helemaal blind en raakt uiteindelijk nog verlamd. Haar geest heeft haar lichaam al veel eerder verlaten, wanneer ze op 15 augustus 1997 zal overlijden. Tragisch om dat opgetekend te zien en tegelijk mooi om te lezen, dat er dan vrienden en betrokkenen zijn die haar in dit lijden proberen bij te staan.

Al deze details staan sober beschreven in de vorig najaar uitgekomen biografie van Marieke Koenen [1], een uitnemend overzicht en introductie tot het leven en het werk van Ida Gerhardt.

Koenen stond voorgesorteerd om deze biografie te schrijven. Zij promoveerde net als Gerhardt als classicus op Lucretius. Al vrij snel na het overlijden van Gerhardt werd zij vanwege haar expertise gevraagd mee te helpen bij de ontsluiting van de literaire nalatenschap. Dit resulteerde o.a. in 2002 in een boek over de invloed van de oudheid op het literaire werk van Gerhardt. In 2006 kreeg zij een beurs van de Stichting Fonds voor de Letteren om deze biografie te schrijven.

In de loop der jaren heeft Koenen een paar duizend brieven van Ida Gerhardt verzameld. Daarnaast heeft zij vele interviews gehouden met familie, vrienden, buren, collega’s en oud-leerlingen van Gerhardt. Ook heeft zij onderzoek gedaan op alle plaatsen waar Gerhardt gewoond en gewerkt heeft en met vakantie geweest is. Zo traceerde zij nog brieven van Ida in een Ierse bungalow, ‘goed opgeborgen in een kledingkast en een koektrommel’.

Uitgangspunt van de biografie zijn de twee boeken die Marie van der Zeyde over het leven en het werk van Ida Gerhardt heeft laten verschijnen. Door haar eigen onderzoek is Koenen in staat om regelmatig nieuw licht op het werk van Gerhardt te werpen. Ook biedt ze overtuigende herinterpretaties van de door Van der Zeyde geboden gegevens en visies. Hoewel het duidelijk is dat Koenen de poezie van Gerhardt zeer waardeert, geeft ze blijk van een terechte kritische distantie. Regelmatig geeft ze expliciet commentaar op bepaalde opvattingen van Gerhardt, terwijl ze ook de minder aangename kanten in de houding en het gedrag van Gerhardt niet verbloemt.

Gezien haar specialiteit belicht Koenen vooral de klassieke kant in het werk van Ida Gerhardt goed. De invloed van het christelijk geloof en de religieuze kant in het leven en werk van Gerhardt komt minder aan de orde. Ook situeert Koenen Gerhardt niet echt in een breder literair-historisch perspectief. Het blijft bij het aanwijzen van de invloed van de dichter Leopold op haar werk (van 1920-23 op het gymnasium haar docent klassieke talen) en het benoemen van de aversie die Gerhardt ten toon spreidt ten opzichte van de Vijftigers.

Op 11 mei 2015 mogen wij de 110e geboortedag van Ida Gerhardt gedenken, een dag eerder dat haar eerste dichtbundel 75 jaar geleden verscheen.

Het boeiende is, dat nu ik deze biografie gelezen heb en terugkijk op het leven van Gerhardt en haar eerste bundel herlees, ik zie dat ze zich daar al als persoon en dichter uitgetekend heeft met typeringen als: aandachtig luisterend, in het verborgen arbeidend, de soberheid tot bondgenoot kiezend, verlangend om als een kind deel te zijn van het bloeiend leven, haar eigen aard onvervreemdbaar herkennend, de bittere jaren, vreugde-en-leed, en het verlangen naar het opgaan van de ster als lichtend teken in de Kerstnacht.

[1] Mieke Koenen, Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt, Atheanaum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2014.

Beroep op de bijbel

1. Rekening houden met de context

Een hermeneutische regel bij de interpretatie van de bijbel is dat je rekening houdt met de oorspronkelijke context. Deze regel is vooral belangrijk om bij je beroep op de bijbel niet in biblicisme te vervallen: het staat in de bijbel, dus het is gerechtvaardigd of het is zelfs verplicht om vandaag eenzelfde opvatting, visie, regel of wet er op na te houden.

Een treffend voorbeeld is de doodstraf. In veel landen is de doodstraf afgeschaft. In Nederland gebeurde dit in 1870, in Frankrijk bijvoorbeeld in 1981. Toch zijn er christenen die pleiten voor (een herinvoering van) de doodstraf. Zo betreurt J. Douma het dat de doodstraf bij de grondwetsherziening van 1983 zelfs uit het militaire recht en uit het oorlogsrecht geschrapt is.

Interessant is dat Douma tegelijk laat zien, dat een pleidooi voor de doodstraf niet vanzelfsprekend is, zelfs al is het duidelijk dat in de bijbel op verschillende misdrijven de doodstraf moest volgen en hij op grond van teksten uit het Oude en Nieuwe Testament niet anders kan concluderen dan dat de bijbel in positieve zin over de doodstraf spreekt.

 

2. Casus: J. Douma over de doodstraf

In het beroep op de bijbel ter legitimering van de doodstraf hebben vanouds twee bijbelteksten een belangrijke rol gespeeld, te weten Genesis 9:6 en Romeinen 13:4.

Een beroep op de tekst uit Genesis heeft zoveel haken en ogen en roept zoveel vragen op, dat Douma concludeert dat: ‘we moeilijk met een beroep op Gods wil [kunnen] zeggen, dat een christen in de huidige situatie zonder enige twijfel voor de herinvoering van de doodstraf zou moeten zijn. ‘Zonder enige twijfel’ zou betekenen dat we een duidelijke boodschap in de bijbel vonden over wat vandaag nog wel en wat niet meer de doodstraf verdient. Maar die boodschap is er niet.’

Anders staat het wat hem betreft met de tekst uit Romeinen. Volgens Douma kunnen we op grond van deze tekst wel zeggen, dat de huidige overheid het recht heeft om de doodstraf toe te passen. Tegelijk geeft hij aan, dat het niet uit de bijbel af te lezen is in welke gevallen de doodstraf vandaag opgelegd zou mogen worden.

Het lijkt een impasse. Zowel op grond van het Oude Testament als het Nieuwe Testament kunnen wij ons niet op de bijbel beroepen wat betreft de situaties, waarin de doodstraf gepast is. Toch leidt dit bij Douma niet tot een afwijzing van de doodstraf. Er zijn aan de bijbel noties of richtlijnen te ontlenen, die kunnen leiden tot een verantwoorde toepassing van de doodstraf: ‘wat wij weten over God en zijn gerechtigheid, alsook dat de overheid in de dienst van God staat als ‘toornende wreekster’ voor hen die kwaad bedrijven’. Dat geeft hem voldoende vrijmoedigheid om het opleggen van de doodstraf als een recht van de overheid te zien.

Toch blijft het wat hem betreft een recht, dat slechts in uitzonderlijke gevallen voltrokken mag worden. Als het om moord gaat, zullen wij op grond van het moderne strafrecht anders oordelen dan in Israel moest gebeuren. Opzet en voorbedachte rade spelen vandaag een rol, evenals de vraag of de dader toerekeningsvatbaar is. Daarnaast leggen wij vandaag gevangenisstraffen op: een (levens-)lange gevangenisstraf kan even vergeldend en preventief werken als de doodstraf in het oude Israel.

Tot de bijzondere gevallen dat de doodstraf voltrokken zou mogen worden, hoort volgens hem zeker de doodstraf in tijden van oorlog: ‘Het is ondenkbaar dat militairen en spionnen die verraad plegen, niet ter dood gebracht zullen worden. Dat geldt ook voor oorlogsmisdadigers van het formaat van Hitler en Eichmann. Ook iemand die als dictator de bevolking heeft geterroriseerd, zoals Ceausescu in Roemenië deed, verdient de doodstraf. De misdaad kan zo groot zijn dat een doodvonnis, voltrokken door een vuurpeloton, een genadige vergelding mag heten.’

Maar ook in vredestijd hoeft de doodstraf niet als rechtsmiddel te worden uitgesloten. Dat geldt zijns inziens voor situaties, waarin mensen anderen van het leven beroofd hebben, zonder dat daar verzachtende omstandigheden voor aan te voeren zijn. B.v. wanneer terroristen gijzelaars neerschieten, misdadigers kinderen vermoorden of wanneer iemand moord op moord pleegt. Zowel vanuit het motief van vergelding als vanuit preventie kan de doodstraf dan een te verdedigen optie zijn.

 

3. Beroep op de bijbel

De doodstraf is om verschillende redenen een interessante casus voor verantwoord bijbelgebruik. Allereerst omdat de bijbel positief over de doodstraf spreekt. Tegelijk is het duidelijk dat wij de bijbelse wetgeving voor het opleggen van de doodstraf niet zo maar over kunnen nemen: daar is onze sociale context te verschillend voor.

Hoe kun je in zo’n situatie je handelen als bijbels of christelijk verantwoorden? Zoals we heel vaak doen door een beroep te doen op bepaalde bijbelse noties, principes of richtlijnen, die wij dan in onze eigen context mogen invullen of concretiseren. Niet aan elk christelijk handelen hoeft altijd een expliciet bijbels gebod ten grondslag te liggen.

Dit maakt het beroep op de bijbel er niet gemakkelijker op. Mijns inziens in tegendeel. Juist bij de invulling van de richtlijnen breng je je zelf als persoon nadrukkelijker in het spel. Des te meer zul je het gevaar van willekeur en het legitimeren van je eigen voorafgaande overtuigingen onder ogen moeten zien. Op dit punt heeft Douma mij in zijn pleidooi voor de doodstraf nog niet kunnen overtuigen.

Allereerst: zijn terechte conclusie dat wij vanuit de bijbel niet kunnen beargumenteren in welke situatie de doodstraf passend is of niet, blijft ook staan als hij een beroep doet op de noties, dat God gerechtigheid wil en dat de overheid de taak heeft gekregen om het onrecht te wreken. Is het gegeven dat Paulus in de brief aan de Romeinen instemt met het feit dat de Romeinse overheid in zijn tijd bevoegd is om de doodstraf te voltrekken voldoende om vandaag te pleiten voor een herinvoering van de doodstraf? Daar wil ik graag nog eens over doordenken. Ik kan me namelijk niet aan de indruk onttrekken, dat het verschil tussen de wetgeving in Oude Testament en Nieuwe Testament minder groot is dan die tussen het Nieuwe Testament en vandaag. En als je je voor het invoeren van de doodstraf niet kunt beroepen op het Oude Testament, waarom dan wel op het Nieuwe? Heeft Douma zich echt wel voldoende rekenschap gegeven van de verschillen op sociaal, politiek, economisch en psychosociaal gebied tussen de antieke samenlevingen en onze moderne maatschappij?

Ten tweede is voor mij de overgang van het principe van Gods gerechtigheid naar de legitimering van de doodstraf wel een heel snelle en kort door de bocht. Gods recht en zijn gerechtigheid zie ik belichaamd in het leven, sterven en de opstanding van Jezus Christus. Wat is de verbinding tussen de eschatologie en de geschiedenis? Heeft God het brengen van zijn gerechtigheid nu uitbesteed aan de overheid? En zo ja, valt onder wraak oefenen ook het toepassen van de doodstraf? Heeft de notie van Paulus voor de gelovige: ‘Neem geen wraak, maar laat God rechter zijn’ geen betekenis voor de wijze waarop de overheid recht spreekt? Kun je zo gemakkelijk zeggen: ‘Wraak is ons verboden, maar de overheid duidelijk niet. Wat wij niet mogen, mag zij wel’? Voor Douma zijn het zaken, waar hij als vanzelfsprekend lijkt uit te gaan. Ik heb de behoefte aan een onderbouwing daarvan voordat ik met zijn pleidooi voor de doodstraf mee kan gaan.

[Citaten komen uit:
– dr. J. Douma, De Tien Geboden II, Kampen, 1986
– dr. J. Douma, Ethiek en Recht, Kampen, 1990]