A. van de Beek over kinderdoop én kinderen aan het avondmaal

Bij het voorbereiden van een preek over de kinderdoop (HC Zondag 27, vr/a 74) stuitte ik ook op de inzichten van Bram van de Beek over de fundering van de kinderdoop. Daar knoopt hij nog een korte uitweiding over kinderen aan het avondmaal aan vast: 

De genade van God neemt de mens op met alles wat hij is, met zijn hele bestaan, ook met de liefde tot zijn kinderen. Het is onmogelijk om over de mens in zijn menselijkheid te spreken en daarvan zijn kinderen uit te sluiten. Het is onmogelijk om het beeld van God die zijn kinderen liefheeft te gebruiken, als de liefde tot hem niet de liefde tot de kinderen omvat.

En dan komt de bekende tekst over de kinderzegening naar voren: laat de kinderen tot mij komen. Barth heeft gelijk, als hij zegt dat het daar niet over de doop gaat. Het gaat er althans niet in expliciet over. Maar we moeten de tekst theologisch exegetiseren, dat wil zeggen vanuit de belijdende gemeente. Daar heeft het evangelie vanaf het begin zijn plaats. Als de evangelist schrijft en de gemeente leest, dat Jezus de kinderen tot zich laat komen, betekent dit dat zij deel hebben aan de gemeente. Zij horen bij het lichaam van Christus. Zij horen bij de gemeenschap van de Geest. Dat wordt bevestigd door de woorden ‘zegenen’ en ‘de handen opleggen’. Wat betekenen deze handelingen anders dan hen laten delen in de volle gemeenschap van de Geest? In Matteüs 18:5 zegt Jezus: ‘Ieder die zulk een kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee.’ Daarmee ontvalt iedere argumentatie voor de volwassendoop de grond onder de voeten. Want Geest en doop zijn niet los te maken.

Overigens is de consequentie hiervan wel, dat men ook kinderen moet toelaten aan het avondmaal, mede gezien het verhaal van de wonderbare spijziging, waar de kinderen ook aanwezig zijn (Matteüs 18:38). Nog sterker spreekt dit in het Johannesevangelie, waar het kind het brood brengt (6:9) en het verhaal op de avondsmaalrede en de belijdenis van Petrus uitloopt, (Tussen traditie en vervreemding, Nijkerk, 1985:141-42).

Advertenties

Geloof als middel om Gods redding te ontvangen

Bekend is het beeld, dat het geloof de uitgestoken hand is om het cadeau van Gods genade in ontvangst te nemen. In die zin is geloven noodzakelijk, maar het heeft geen waarde van zichzelf. Je wordt uit genade door God verlost en gered. Niet door je eigen kracht of werk. N.T. Wright gebruikt in zijn recent verschenen Paul and the Faithfulness of God (Fortress Press, 2013) een ander beeld om dit duidelijk te maken:

De term ‘geloof‘ wordt op dezelfde manier gebruikt als het woordje ‘uitzicht‘ in de zin ‘Heb je uitzicht vanuit je kamer?‘: het wordt gedefinieerd in relatie tot haar onderwerp. Het ‘uitzicht’ vanuit de kamer is niet iets wat je bezit. Het bestaat juist in de mogelijkheid om het landschap op afstand te zien. Paulus gebruikt de term ‘geloof’ niet om daarmee een’ kwaliteit‘ aan te duiden, die je op zichzelf zou bezitten. ‘Geloof’ wordt volledig gedefinieerd door en in termen van haar object. Het is wat het is, omdat het van zichzelf wegkijkt. Ons geloof krijgt waarde omdat het uitziet naar en met al haar gewicht steunt op wat God in de Messias gedaan heeft. Geloven wordt dan, net als bij Abraham, het teken van echt menselijk leven, het is de eer geven aan God de machtige schepper en vertrouwen dat Hij doet wat hij belooft. En zo wordt het, in het bijzonder, het kenmerkende teken van het nieuwe verbond, het echte ‘het doen van de wet’, (2013:952).

The word ‘faith’ functions like the word ‘view’ in the sentence ‘do you have a view from your room?’: it is defined in relation to its object. The ‘view’ from the room is not something you possess. It consist precisely in being able to see the distant scene. The ‘faith’ in Paul’s sense is not valued for a ‘quality’ it possesses in itself. It is defined entirely by, and in terms of, its object. It is what it is because it looks away from itself, and looks towards, and leans all its weight upon, the single act of the one God in the Messiah. It then becomes, as with Abraham, the sign of truly human life, giving glory to the powerful creator and believing that he does what he promises. And it becomes, in particular, the sign of the new covenant, the true ‘doing of the law’, (2013:952).

Spelen met heilig vuur

Over Ruard Ganzevoort, Spelen met heilige vuur, Utrecht, Uitgeverij Ten Have, 2013.

Ik heb het essay van Ruard Ganzevoort over de taak van de theologie gelezen en heb er gemengde gevoelens aan overgehouden. Hij wil als theoloog het spelen met heilig vuur bevorderen en laten zien dat geloof en godsdienst echt van betekenis kunnen zijn. Tegelijk wil hij dat de theologie haar claim op de waarheid opgeeft.

Aantrekkelijk vind ik zijn pleidooi om de theologie te verbinden met de samenleving. Geloof en godsdienst gaan wel ergens over en hebben betekenis voor het leven van alledag. Theologie kan helpen om die verbinding weer te leggen, waar wij dat verband zijn kwijtgeraakt. Geloofstaal kan een spel worden, dat zich losgezongen heeft van het gewone bestaan. Dan ontstaan religieuze zombie-begrippen: een codetaal waarvan de diepere betekenis onverstaanbaar is geworden. Voor de theologie is er de uitdaging om te laten zien, dat die verwijzen naar vragen en ervaringen die nog steeds actueel zijn, zowel binnen als buiten de kerk.

Maar willen de theologen deze taak in de samenleving verrichten dan moeten ze volgens Ganzevoort elke claim op waarheid opgeven. Allereerst omdat woorden als ‘God’ tot de geloofstaal behoren, waarin wij op ene directe wijze uiting geven aan het religieuze verlangen of de religieuze ervaring. Voor de theologie is die geloofstaal minder geschikt, omdat de theoloog alleen indirect, analyserend en evaluerend kan spreken over dit verlangen of ervaren. Als hij zijn persoonlijk overtuiging als uitgangspunt neemt is dat even arbitrair als individueel bevooroordeeld. Theologen kunnen niets zinnig over ‘God’ zeggen. Ze kunnen alleen zinvol spreken over het geloven van mensen en over hun bronnen, tradities en levenspraktijken.

Daarnaast moeten theologen de claim op waarheid opgeven omdat ook het spreken in termen van waarheid of onwaarheid over ‘God’ en het heilige weinig anders opleveren dan een cirkelredenering. Het suggereert dat het taalgebruik is, waarmee wij naar concrete objecten als een tafel, een stoel of een wiskundige uitspraak verwijzen. Maar bij geloofstaal gaat het niet om een overeenstemming van taal met feiten. In het bijbelse begrip ‘waarheid’ gaat het om trouw, standvastigheid, betrouwbaarheid. Om grond onder de voeten. Om integriteit en authenticiteit, kortom om wijsheid.

Spelen met heilig vuur betekent dat in de religieuze tradities en hun rituelen de ontmoeting met het heilige mogelijk wordt gemaakt. ‘God’ wordt een ‘aanwezige’ in het heilige spel van het ritueel. Theologen moeten vervolgens in gesprek gaan met deze religieuze tradities en daarin de fragmenten van wijsheid op het spoor komen en verstaan. Ze moeten het heilige ontdekken in het dagelijks leven en mensen de weg wijzen om daar in hun leven mee verder te kunnen. En daarbij is het niet van belang uit welke bron de theoloog zelf put. Zijn taak is het slechts om de wijsheid uit de verschillende bronnen te laten oplichten.

Het kenmerk van het religieuze spel is volgens Ganzevoort, dat tijdens het ritueel het spel werkelijkheid wordt en er niet getwijfeld wordt. Zolang we het sprookje van Roodkapje vertellen zijn de wolf en de grootmoeder reëel. Zo is er zolang wij bidden ‘Iemand’ die luistert. In de performance van het religieuze spel ontstaat de ontvankelijkheid voor de andere werkelijkheid.

Nu is het duidelijk dat er meerdere religieuze tradities zijn, die elkaar soms bijvallen en maar elkaar even vaak tegenspreken. En ieder mens kan ook in meer of mindere mate bij een, twee of meer wijsheidsgemeenschappen horen. Dat betekent dat elke geloofsgemeenschap zich met name zal moeten richten op zijn eigen aanbod en de vitaliteit daarvan in stand moet houden. Zo moeten ze uitdagend en uitnodigend blijven om mensen bij te staan in hun zoektocht naar het heilige. Deze pluraliteit is voor de theoloog een reden te meer om terughoudend te zijn met eventuele waarheidsclaims. Laat hij of zij vooral het spel faciliteren, informeren en stimuleren, maar niet beslissen wie het bij het rechte eind heeft. Het is voldoende zich als een makelaar dienstbaar op te stellen en verbindingen te leggen tussen mensen, religieuze gemeenschappen en wijsheidtradities. Hoe meer stemmen er met elkaar in gesprek gaan, des te groter de kans dat we wijsheid zullen ontdekken.

Erkenning van pluraliteit schept volgens Ganzevoort ook verplichtingen. Je moet bereid zijn om ook ruimte te geven aan de ander, die jouw wijsheid niet deelt. Niet op basis van een geclaimde eigen ‘waarheid’ de vrijheid van de ander in proberen te perken. Het recht op vrijheid van godsdienst en meningsuiting is een appèl om ook de vrijheid van de ander mogelijk te maken. Vrijheid is in die zin de ruimte voor verbondenheid en verantwoordelijkheid, opkomen voor religieuze minderheden en zelfs voor de ander die jou (blasfemisch) kan kwetsen. Ganzevoort sluit zich hierin aan bij de stelling van Karen Armstrong, dat de kern van religieuze tradities te vinden is in de notie van compassie: het besef van fundamentele verbondenheid met alles en iedereen. Dat betekent dat je erkent, dat jouw keuzes invloed hebben op anderen en die van anderen op jou. Daar hoort bij dat je bereid bent om je door de ander te laten raken en dat je bereid bent medeverantwoordelijkheid te dragen voor het lot van de ander.

Maar hoe doe je dat als theoloog? Verbindingen leggen, wijsheid opdelven, mensen helpen zichzelf, elkaar en de bronnen van wijsheidtradities te verstaan? Gezien de pluriforme wereld waar wij in leven is er geen andere weg dan die van de dialoog. Maar dat betekent niet dat de theoloog volgens Ganzevoort neutraal kan zijn alsof alles in de verschillende wijsheidtradities even goed is. Juist in de dialoog moeten schadelijke visie aan de kaak gesteld en dwaze standpunten ontmaskerd worden. Sommige bijdragen zijn gevaarlijk en daar zal de theoloog zich tegen moeten verzetten. B.v. als religieuze tradities minderheden discrimineren, geweld gebruiken, of anderen buiten spel plaatsen door hun spiritualiteit en wijsheid te diskwalificeren. Theologen moeten kritisch en betrokken helpen het religieuze spel in goede banen te leiden.

Het criterium dat Ganzevoort voorstelt is, dat in het zoeken naar levenswijsheid en in de omgang met het heilige de wijsheidtradities vruchtbaar worden gemaakt voor het begrijpen van en het leven in de wereld. Theologen lezen de oude bronnen in het licht van het leven van nu en nieuwe bronnen in het licht van de wijsheid van toen. Voor Ganzevoort betekent dit dat de publieke theologie per definitie fragmentarisch zal zijn en dat er geen gedeeld fundament is waarop deze theologie gebouwd kan worden, zeker geen fundament van een geopenbaarde waarheid. Theologie kan slechts fragmenten delen, momenten van wijsheid en ontmoeting, van inspiratie en kritiek. Ze kan niet uitgaan van een gedeeld fundament, maar slechts zoeken naar de verbindingen tussen wat verschillende tradities als fundament zien.

Hoe bescheiden Ganzevoort de rol van de theoloog ook voorstelt: slechts een bemiddelaar, dienstbaar aan het bevorderen van wijsheid, toch ontkomt de theoloog er niet aan om keuzes te maken, kritisch te zijn en wijsheid te identificeren. De vraag is dan: op grond waarvan? Op grond waarvan krijgen oude religieuze begrippen opnieuw betekenis in het moderne leven? Wat is het dat ze vruchtbaar worden om wijsheid op te laten lichten? Waar komen de criteria vandaan, die de theoloog in zijn kritische cultuuranalyse hanteert? Welke elementen uit de hedendaagse cultuur laten nieuwe aspecten van de klassieke religieuze begrippen zien?

Aan de ene kant is wijsheid een geschenk. Het beroep op een geopenbaarde waarheid is in de religieuze traditie volgens Ganzevoort uitdrukking van het geloof, dat de wijsheid ons gegeven is en dat we dat niet zelf bedacht hebben. Wezenlijk voor het heilige is, dat het ons overstijgt en dat het zich niet naar onze hand laat zetten. Tegelijk is spirituele taal een poging om het geheim van het menselijk bestaan te raken, te begrijpen en om te vormen. Spreken over het heilige is een manier om over het bestaan zelf te spreken, over onszelf en de samenleving en over het besef dat er daarin veel is dat ons overkomt, overstijgt, aanspreekt en schept. Theologisch spreken is voor Ganzevoort spreken over het menselijk bestaan ‘voor het aangezicht van God’ of ‘in het licht van het heilige’. Maar uiteindelijk heeft het spreken over het heilige betrekking op het alledaagse. Het is een symbooltaal die ons vertelt dat de werkelijkheid waarin wij leven, ander zou kunnen, anders zou mogen of anders zou moeten zijn. In die zin gaat theologische taal primair over levenswijsheid.

Ganzevoort omschrijft wijsheid daarom als het vermogen om je zo tot de wereld en de ander te verhouden dat je je weg in het leven kunt vinden. Wijsheid geeft samenhang tussen het begrijpen, het willen en het doen en vormt zo de basis voor een oprecht leven. Wijsheid is weten wat het goede leven is en daar ook naar handelen. Het heeft alles te maken met vorming, karakter en deugd. Religieuze tradities geven deze wijsheid door, maar deze wijsheid is ook te vinden in de volkscultuur en de populaire cultuur. Het gaat dan ten diepste over de visie op het goede leven, op het heilige, op de sacrale orde die onder, achter en in de sociale orde ligt. Religieuze tradities plaatsen deze ultieme vraag op de voorgrond en verankeren deze symbolisch in het spreken over ‘God’ zelf, in rituelen die de omgang met ‘God’ vormgeven, in verhalen die in heilige boeken worden opgeschreven.  In de populaire cultuur is de wijsheid in de marge aanwezig. Ze staat niet in het centrum, omdat wij vooral sprookjes vertellen en naar soapseries kijken ‘omdat het leuk is’. Maar ook daar kunnen wij de betekenis van deugden als geloof, hoop en liefde terugvinden. Aan de theoloog de taak om de betekenis daarvan te duiden en te kijken hoe ze in de populaire cultuur een rol spelen.

Ganzevoort maakt zijn voorstel concreet door analyses te bieden van geloof, hoop en liefde in liedjes en films van de hedendaagse cultuur. Tegelijk laat hij m.i. juist hier zien, dat hij er niet aan ontkomt om met normatieve noties te werken.

Op basis van een definitie van geloof van de godsdienstpsycholoog Paul Pruyser kijkt hij kritisch naar het geloof, zoals André Hazes dat in zijn lied Zij gelooft in mij verwoordt. Geloof is afstand doen van de eigen centrale positie en van de illusie dat we het leven onder controle hebben. De erkenning van de eigen begrensdheid van het geloof vindt Ganzevoort terug in de film Breaking the Waves. Tegelijk signaleert hij dat in deze film het thema ‘geloof’ weliswaar raakt aan allerlei klassieke noties als gehoorzaamheid, overgave en offer, maar dat de strekking van de film haaks staat op wat in christelijke kring vaak onder geloof wordt verstaan. Ganzevoort kiest daarom voor een interpretatie van Hebr. 11 : 1, waarin geloven een ontvankelijkheid is voor de a/Ander en voor de mogelijkheid dat het anders zou kunnen zijn. Volgens hem brengen twijfel, openheid en genade ons verder dan zekerheid en bewijs. Het gaat niet zozeer om de waarheid van het bestaande, maar veel meer om de hoop op het mogelijke.

De vraag is natuurlijk op basis waarvan Ganzevoort nu kiest om de definitie van Pruyser als leidraad te nemen voor zijn analyse. Het is meer dan een neutraal zoekontwerp. Ook al betoogt Ganzevoort dat de theoloog de claim op waarheid moet opgeven, hij smokkelt hier zelf een waarheidsclaim zijn theologisch onderzoek binnen, ook al camoufleert hij die als een flard of fragment wijsheid.

Dat Ganzevoort niet schroomt om normatief te spreken wordt ook duidelijk als hij bij het thema ‘liefde’ ingaat op de verhouding tussen seksualiteit en religie. Hier stapelen de verschillende oordelen met bijbehorende waarheidsclaim zich op. Z.i. heeft seksualiteit veel te lang geleden onder een onderdrukkende burgerlijke en kerkelijke moraal. Koude baden, sport en veel gebed moesten de demon van de seksualiteit bedwingen. Daartegenover acht hij de benadering van de theoloog James Nelson heilzamer die zelfbevrediging beschrijft als ‘potentieel zo’n eenvoudige en weldadige bron van zelfbevestiging’. Tegelijk erkent hij dat de verbinding van seksualiteit en spiritualiteit niet zonder risico’s is, omdat het geweld altijd op de loer ligt. Waar lust niet samengaat met eerbied voor het geheim van de ander en voor het geheim van het eigen lijf dreigen banaliteit, zielloze seks en misbruik.

Het gaat me nu niet om de vraag, of de concrete posities die Ganzevoort inneemt te verantwoorden zijn. Wat ik waarneem, is dat wanneer Ganzevoort als theoloog concreet religieuze uitingen gaat analyseren hij er niet aan ontkomt om waarheidsclaims uit te spreken. Dat is ook niet vreemd. Dit is inherent verbonden met duiden en begrijpen. Dat geldt zowel voor de (theologische) wetenschap als voor (religieuze) wijsheidstradities en voor het leven. H.G. Gadamer heeft in zijn filosofische hermeneutiek laten zien, dat begrijpen en waarheid alles met elkaar te maken hebben. Daarom kan de theologie net als iedere andere wetenschap de waarheidsclaim niet ontlopen en zou ze dat ook niet moeten willen. Ganzevoort gaat te gemakkelijk voorbij aan de implicaties van de stelling dat ‘al het spreken over boven van beneden komt’. Er is geen reden om de waarheidsclaim die in deze uitspraak besloten ligt te neutraliseren. Ook al is het een spreken van beneden, het is wel degelijk een spreken van beneden over boven. Ik kan met Ganzevoort instemmen dat de uitspraak ‘dat iets van boven komt’, niet automatisch betekent dat je ook de waarheid in pacht hebt. Wel maakt de claim op de waarheid in die uitspraak een dialoog over de waarheidswaarde van die claim en over de daarin besloten wijsheid mogelijk. En dat is van belang, omdat het in religie en in de theologie inderdaad gaat over het spelen met heilig vuur en dus ook over waarheid.  

Naar mijn mening doet Ganzevoort over dit spelen met heilig vuur te luchtigjes. Alsof het alleen maar te maken heeft met het vinden van wijsheid. Alsof het spreken over het heilige alleen maar een manier is om te spreken over het bestaan zelf. Een wijze van benoemen dat er in dit bestaan van alles en nog wat gebeurt dat ons overkomt en overstijgt, ons aanspreekt en schept. Ganzevoort lijkt religie en de omgang met het heilige te willen kanaliseren en neutraliseren tot een omgang met de ambivalentie in het leven zelf. Maar als je wilt spreken over het heilige dat verschijnt, dan moet je er rekening mee willen houden dat in onze werkelijkheid daadwerkelijk het transcendente verschijnt. Dat het heilige meer is als ons spel. Spelen met heilig vuur en spelen met vuur ligt dicht bij elkaar. Ook al menen wij dat wij slechts het spel van de religie spelen, God kan zomaar in eigen persoon verschijnen. Want ook al kun je God niet bewijzen, God verschijnt nog regelmatig in het leven van alledag. Dat is de ervaring van de gelovige. Dat in die ervaring een claim op waarheid meekomt, moet voor de theologie alle reden zijn om die claim ook serieus te nemen.

Recent heeft de theoloog Hans de Knijff in zijn Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging (Zoetermeer, Uitgeverij Boekencentrum, 2013) opnieuw een indrukwekkend pleidooi gehouden om het kennis- en waarheidskarakter van geloof en theologie te erkennen. In vergelijking hiermee biedt Ganzevoort in zijn essay weinig valide argumenten, dat wij aan geloof, hoop en liefde genoeg hebben om onze theologische taak uit te oefenen. Creativiteit, openheid en dialoog zijn inderdaad belangrijke voorwaarden om wijsheid te vinden. Maar wil je mensen de weg wijzen naar een betekenisvol levenshuis om in te wonen, dan kun je als theoloog het spreken over de waarheid niet buiten de deur houden. Ook al beweert Ganzevoort het tegendeel, zijn essay zelf legt daarvan onomstotelijk getuigenis af. Het zou van wijsheid getuigen, wanneer wij als theologen het spelen met heilig vuur meer serieus zouden nemen.