Leiding geven aan de kerk

Leiding geven aan de kerk

Hoe geef je leiding aan een kerkgemeenschap in verdeeldheid?

Dat was vast een vraag die in 2002 door het hoofd van Rowan Williams speelde. Hij was net benoemd tot de104e Aartsbisschop van Canterbury. Tien jaar lang had hij al in Wales kunnen oefenen. Eerst als bisschop, sinds 2000 als aartsbisschop. Maar nu werd hij verantwoordelijk voor de eenheid van de anglicaanse gemeenschap wereldwijd.

De problematiek van de eenheid was groot. Een grote verscheidenheid in cultuur en theologie. Conflicten over de vrouw in het ambt en homosexualiteit. Het verwerken van het koloniale verleden van Groot-Brittannië. De anglicaanse gemeenschap was een gemeenschap van gelovigen wereldwijd, vanuit zeer verschillende culturen.

Daar komt bij, dat Rowan Williams zelf ook duidelijk een eigen visie op de hete hangijzers heeft, die hij nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Van huis uit theoloog is hij altijd betrokken geweest op de roeping van de kerk. Hij heeft zich uitgesproken over de openstelling van het ambt voor de vrouw. Ook ondersteunt hij de Lesbian and Gay Christian Movement. Door sommigen wordt hij daarom gezien als een liberaal theoloog. Wat hem echter drijft is, dat hij de actuele vragen van de cultuur wil betrekken op de Schrift en de traditie. Daarbij zoekt hij altijd naar ‘orthodoxe antwoorden’, terwijl hij open staat voor veranderingen in visie en praktijk.

Dr. Joris Vercammen, – aan wie ik deze gegevens ontleen -, zegt dat Rowan Williams vaak verweten is, dat hij te weinig leiding zou geven. De dreiging van het uiteenvallen van de anglicaanse gemeenschap leek steeds groter te worden. Het is de vraag, wat je dan onder leiding geven verstaat. Williams is er namelijk van overtuigd dat zowel de meer liberale als de conservatieve vleugel van de anglicaanse kerk onvoldoende openstaan voor het feit dat het geloof ons op de eerste plaats gegeven wordt:

“[H]et is duidelijk dat zijn interesse vooral ligt in het creëren van openheid, zowel naar elkaar als naar de uitdagingen van traditie en cultuur toe. Williams gelooft in de moeilijke weg van een eenheid die van onderop wordt opgebouwd en niet centralistisch opgelegd. Hij is ervan overtuigd dat een eenheid die ruimte geeft aan een bepaalde verscheidenheid, uiteindelijk ook sterker zal blijken te zijn dan een opgelegde uniformiteit en dat het eerste meer te maken heeft met de verzoening die ons in Jezus Christus gegeven is dan het laatste.”

(Gegevens en citaat uit de inleiding op: Rowan Williams, Teken van vertrouwen. Een inleiding in het christelijk geloof, Berne Media / Uitgeverij Abdij van Berne, Heeswijk, 2013).

Advertenties

Spreken namens God (2)

Preken is een van de bekendste voorbeelden van het spreken namens God. ‘De prediking van Gods Woord is zelf Gods Woord’, zei men in de protestantse traditie. Recent heeft Kees de Ruijter –  hoogleraar Praktische Theologie aan de TU Kampen –  enkele kanttekeningen bij deze omschrijving geplaatst.[1]

Volgens hem kun je de preek niet rechtstreeks verbinden met het spreken van God. Tegelijk is er wel het wonder dat God zichzelf in menselijke taal meedeelt. Er zijn in de preek als het ware twee die spreken. Het is een mens die woorden uitspreekt en de boodschap van de preek formuleert, terwijl het God is die aan deze woorden kracht verleent waardoor deze menselijke woorden gemeenschap stichten tussen God en de hoorders van de preek. Luther zei het al: ‘Het woord dat klinkt is een menselijke stem, maar het bewerkt heil door goddelijke autoriteit.’

Daarnaast laat De Ruijter zien dat er in Gods spreken een volg- en rangorde is. Allereerst is er het spreken van God in de Zoon: Jezus Christus is het Woord van God dat mens geworden is. Als we God willen kennen, zijn we alleen op Jezus aangewezen. Vervolgens is er de bijbel, die naar deze openbaring van God verwijst: ‘De Schrift, zoals God ons die in handen geeft, kunnen [we] aanduiden als taaldaad van God, waarmee Hij ons rechtstreeks aanwijst op Jezus Christus, het vleesgeworden Woord.’  Tenslotte is er de preek, die in lijn met de bijbeltekst verkondigt wat mensen van God zelf moeten horen. Zo tekent De Ruijter een beweging, die van God uitgaat:

‘In de weg die van Jezus Christus, het mens geworden Woord, via de Schrift als het gedocumenteerde Woord van God uitmondt in de preek als een specifieke functie van het Woord, komt God Zelf sprekend naar de gemeente toe en spreekt Hij tot haar.

Je kunt dus drie gestalten van Gods Woord onderscheiden: (1) Jezus Christus in wie de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig is, (2) de bijbel waardoor wij deze God leren kennen en (3) de preek. De Ruijter merkt hierbij op dat er tussen de eerste en tweede gestalte van Gods Woord essentiële verschillen zijn, net zoals er ook een diep onderscheid is tussen de tweede en de derde gestalte.

Wat het verschil tussen de eerste en tweede gestalte betreft: ook al is de bijbel als historisch getuigenis essentieel voor onze kennis van God, toch gaat de levende en tegenwoordige nabijheid van Christus ver uit boven dat op schrift vastgelegde getuigenis. Daar komt bij dat de vorm waarin de bijbel overgeleverd is sporen van begrensde menselijkheid laten zien. Deze duiden op een menselijke beperking van de tweede gestalte van Gods Woord vergeleken met de eerste. Toch beperken deze verschillen het gezag van de Schrift als getuigenis omtrent Christus niet. Daarom kunnen wij door de bijbel God en Christus leren kennen zoals we dat nodig hebben. In de bijbel is ons ‘het criterium gegeven om te beoordelen wat in overeenstemming is met wat door God gesproken is. Wie de Bijbel van God aanneemt ontvangt metterdaad het Woord van God.’

Wat het onderscheid tussen de tweede en derde gestalte van Gods Woord betreft: in de preek wordt Gods Woord voor vandaag betrokken op de concrete setting van de gemeente. Daarmee is ons spreken namens God bewust sterk cultureel geconditioneerd. Naast de bijbel is ook de belevingswereld van prediker en hoorder een bron voor de inhoud van de preek:

‘Tussen Schrift en preek spelen historische, talige en subjectieve factoren een bepalende rol. De Schrift is als getuigenis omtrent Christus gegeven aan de kerk van alle tijden en plaatsen. De preek ontvangt haar betekenis juist in de specifieke context van plaats en tijd.’

Ik vind het waardevol om met een rangorde in Gods spreken rekening te houden. Tegelijk vraag ik mij af of De Ruijter het structurele verschil tussen de bijbel en de preek voldoende getroffen heeft. Ook in de bijbel is de boodschap toegespitst op de culturele belevingswerkelijkheid van spreker en hoorder. Zoals de oudtestamenticus H.M. Ohmann ons leerde: profetie is allereerst ‘een woord gesproken op zijn tijd’. De Ruijter heeft er zelf ook oog voor, wanneer hij in verband met het verschil tussen de eerste en tweede gestalte van Gods woord schrijft, dat ‘de Bijbel van Genesis tot Openbaring cultureel geconditioneerd is. Want het Woord is een verbinding aangegaan met een concrete historische setting en heeft daarmee een specifieke culturele kleur gekregen.’  Als dit zo is, vraagt de omschrijving van het onderscheid tussen de 2e en 3e gestalte van Gods Woord nadere bezinning. Vooral ook omdat de verwevenheid van cultuur en Gods Woord in de bijbel iedere keer het lastige punt in ons spreken namens God blijkt te zijn.

De conclusie van De Ruijter is dat de preek bedoeld is om de gemeente te binden aan de Schrift als het betrouwbare getuigenis omtrent Christus. In het afleggen van de weg van Jezus via de bijbel naar de preek baant God voor ons de weg naar Hem zelf terug. Zo vinden wij in de preek door middel van de Schrift de weg naar Christus. ‘Zo wordt voor de gemeente de weg naar God ontsloten’  met als doel: ‘de aanbidding van Zijn naam’.

Als het gaat om de vraag hoe wij namens God kunnen spreken, stelt De Ruijter terecht de beslissende vraag: op welke wijze wordt in de preek de Schrift tot klinken gebracht? Dat bepaalt of in de vertolking van de bijbel Gods Woord wordt verkondigd.


[1] Zie: Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer, 2013.

Spreken namens God (1)

Soms zijn wij mensen verlegen om de wil van God te kennen en te spreken. Want hoe weet je wat de wil van God is? Kunnen wij wel namens God spreken? Wie is er eigenlijk bevoegd om namens God zijn wil af te kondigen?

Kunnen wij namens God spreken op dezelfde manier zoals wij voor onszelf spreken: door ons te bezinnen, een mening te vormen en daar de argumenten voor aan te dragen? Onderbouw je zo je mening als het over een kwestie in de kerk of het christelijke leven gaat? Door je te bezinnnen en argumenten voor je mening aan te dragen, maar dan vooral bijbelse argumenten? Omdat de bijbel toch Gods woord is?

Misschien denk je dat de woordvoerders van God in de bijbel gemakkelijker af waren. De profeten in het Oude Testament lijken de boodschap op een briefje te worden aangereikt: ‘Zo zegt de HEER’. Niks geen argument! Zo is het! De Geest van God spreekt door de mond van de profeet. Maar wij staan niet (meer) in zo’n één-op-één-relatie met God. Wij lijken het te moeten doen met de bijbel. Toch is het minder eenvoudig als het lijkt.

Allereerst wat die oudtestamentische profeten betreft. Bij het formuleren van zijn (of haar) boodschap kwam er heel wat bezinning, overweging en argumentatie te pas. Profeten zijn geen typemachines van Gods Geest. Persoonlijkheid, karakter, de eigen (historische) ontwikkeling en cultuur: ze werden door God alle ingeschakeld om zijn boodschap te formuleren. Ook de profeet keek naar de context, pakte eerdere woorden van God erbij, bracht tekst en context bij elkaar, analyseerde ze, ging in gesprek met God  en kwam zo tot zijn conclusies. Zo rijpte de tekst die hij uit zou spreken. Met als resultaat, dat hij kon zeggen: Zo spreekt de HEER. Alles gemotiveerd en geïnspireerd door God Geest.

In het Nieuwe Testament is het niet anders. De woordvoerders namens God werken op dezelfde wijze.

Jezus brengt de boodschap van het Koninkrijk van God, maar in de uitleg daarvan verwijst hij net zo gemakkelijk naar de natuur, gebruikt hij voorbeelden uit de samenleving, citeert hij de religieuze geschriften en maakt hij gebruik van een zelfde manier van redeneren als de rabbijnen ook deden. Zo schrijft Paulus ook zijn brieven naar de verschillende huisgemeenten, die tijdens zijn evangelisatiereizen ontstaan zijn.Of het nu Jezus is of de apostelen: ze bezinnen zich, ze argumenteren en komen dan met hun boodschap: zo spreekt de HEER.

Maar wij zijn geen oudtestamentische profeten. Wij zijn geen Jezus of Paulus. Hoe kunnen wij spreken namens God?

 

Vogelvrij?

Ik kreeg een unheimisch gevoel, toen ik recent de webpagina van de GKv Synode Ede bekeek. Die opende met de volgende alinea:

“Afgelopen weekend boog de synode zich over de vraag van de kerkenraad van Ten Boer. Zij wilden namelijk aan de orde stellen of ds. W. van der Schee als afgevaardigde ontvangen kan worden.”

Ook al was de brief niet ontvankelijk en had de synode deze naast zich neer kunnen leggen, toch vroeg de synode aan ds. Van der Schee of hij zijn visie op het bezwaar van de kerkenraad van Ten Boer wilde geven. De betreffende kerkenraad vond dat ds. Van der Schee op zijn website uitlatingen had gedaan, die zijn betrouwbaarheid als synodelid te niet zouden doen. Hij zou namelijk hebben geschreven, dat ‘de tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes onontkoombaar verleden tijd’ zou zijn.

Na de toelichting van ds. Van der Schee, dat ‘de kerkenraad van Ten Boer zijn blog niet correct heeft gelezen en de kerkenraad van Ten Boer zijn woorden anders uitlegt dan door hem bedoeld’,  besloot de synode het ingebrachte bezwaar af te wijzen:

“Het ingebrachte bezwaar berust op een door ds. Van der Schee niet beoogde interpretatie van het gewraakte gedeelte; ds. Van der Schee beoogt niet meer te zeggen dan dat in de huidige tijd méér nodig is dan alleen het handhaven van belijdenis en kerkorde, namelijk ook het helpen van mensen om deze geschriften zich eigen te maken, zodat ze bewust belijden en kerkelijke regels toepassen.”

Ook al is het bezwaar afgehandeld en kan de synode zich verder wijden aan haar agenda, toch blijft er iets knagen. Want de vraag blijft, hoe je moet duiden wat er gebeurd is. Naast die andere vragen, die door mijn hoofd spelen.

Wat betekent een dergelijke motie van wantrouwen? Is het een eerste schot voor de boeg om grip te krijgen op de uitkomsten van de synode? Kun je dit zo maar laten passeren?

Hoe veilig ben je, als je je visie geeft op wat er in de kerken speelt? 

Moet ik mij ook zorgen maken, als ik zo af en toe wat op mijn weblog plaats? Je staat kennelijk zo maar in de verdachtenhoek en voor je het weet zit je op de schopstoel.

Vragen waar ik ook zo geen antwoord op weet. Maar blij word ik hier niet van. En het unheimische gevoel van een deja vu wil ook maar niet verdwijnen. Dat predikanten en gemeenteleden beoordeeld worden of ze wel zuiver op de graat zijn:

“Wij zijn van mening dat de geachte afgevaardigde van de PS Holland-Noord niet te vertrouwen is en vinden dat hij zijn plaats aan de synodetafel niet waard is.”

Je zou toch mogen wensen, dat we die tijden van ketter-jagen al eeuwen achter ons gelaten hebben?

In de sportwereld is het spelen op de man een ernstige overtreding. Het minste dat je mag verwachten is dat er stevig voor gefloten wordt.

De hermeneutiek van het troosten

Troosten is een teer onderwerp. Anne van der Meiden heeft er een bemoedigend boekje over geschreven. Herkenbaar, praktisch, en zoals je van hem kunt verwachten vanuit de invalshoek van de communicatie in en tussen mensen. Hij is ten slotte niet voor niets theoloog èn communicatiewetenschapper.

Troost bieden is alleen mogelijk wanneer je bereid bent het verdriet en de pijn van de ander te delen en bereid bent om de ander daarin te ontmoeten. Anders wordt de geboden troost gauw goedkoop en schraal. ‘Hoe oprechter de motivatie tot ontmoeting is, des te betrouwbaarder is de gecommuniceerde troost.’  Troost hoort bij het rijtje familiewoorden als ‘vertrouwen, trust en trouw’.

Spannend wordt het wanneer Van der Meiden gaat spreken over de bron van troost en de vraag stelt of God de bron van troost is:

Als je een aanhanger bent van de orthodox-christelijke geloofsleer, zul je inderdaad in dit soort termen kunnen spreken over een goddelijk ingrijpen in de nood van mensen. Dicht je God dit troostende vermogen toe, dan spreek je uiteraard geloofstaal. In woorden gestolde, vrome ervaringen.’

Toch kan troost ook heel andere vormen aannemen: een bloeiende tuin, de wijdheid van de zee, een treffend lied, een gedicht, een spelend kind. Van der Meiden vraag zich daarom af:

‘Kun je een onderscheid maken tussen een door een afzender bedoelde troost en een door de ontvanger geduide troost? Uiteraard kun je iemand zonder dat je het weet of bedoelt troosten, met een woord, een gebaar, een verhaal, een simpel geschenk of een bos bloemen. De ontvanger vult autonoom in wat hem troost’.

Op de achtergrond speelt tenslotte de vraag: ‘Is er iets in je leven de enige, ware troost?’  Dat is ook de openingsvraag van de Heidelbergse Catechismus, een van die 16e eeuwse belijdenissen van de protestantse kerken. En het bekende antwoord is dan in de woorden van Van der Meiden: ‘dat ik eigendom (in alle opzichten) van Jezus Christus ben, die mij gered heeft, en dat ik mag geloven dat mijn leven tot in details in de hand van God is, dat ik zeker mag zijn van het eeuwige leven.

Volgens Van der Meiden kan een modern denkend mens niet zo veel met zo’n soort ‘allesomvattende, finale en fundamentele troost’: ‘Deze troost stamt uit de denkwereld van de onwrikbare zekerheden, die waar zijn en geldig blijven, ook buiten mij om. Alsof alle troost onder het beslag staat van die ene en enige troost.’ En hij suggereert dat je met zo’n antwoord velen de mogelijkheid ontzegt om troost te ontvangen en te ervaren: ‘Arme moslim, arme hindoe, arme agnost. Waar moeten zij de troost vandaan halen? En als ze dan elkaar troosten, geldt dat dan wel?’

Interessant is de theologische beschouwing die hij vervolgens aan deze overweging vastknoopt:

‘Of mag ik toch nog even een greep doen in de rijke verzameling van theologische overwegingen die in de dogmatiek de naam kreeg van ‘algemene genade’? God laat het toch niet exclusief over goede mensen regenen? En bij een epidemie worden vrome mensen toch niet gespaard? Zo is het troosten en getroost worden toch ook niet een exclusief voor christengelovigen geoormerkt voorrecht? Troosten hoort bij de praktijk van de ultieme, algemene menselijkheid. Daarom moeten we de potentie om te troosten toekennen aan alle mensen, zonder te letten op ras, geloof of herkomst. De bron waaruit troost geput moet worden is onvoorwaardelijk de medemenselijkheid die voor allen geldt. In principe mogen alle mensen in staat en bekwaam geacht worden om de medemens te troosten, maar er blijven aanzienlijke verschillen in de praktische realisatie daarvan. Als we maar vasthouden aan het oergegeven dat geen enkele groep of geen enkel geloof het alleenrecht heeft op het bieden van troost, laat staan op het ijken van troost op exclusieve herkomst en betrouwbaarheid. En dat doet niets af aan de vrijheid die ieder getroost mens heeft om wat hij of zij aan troost ontving toe te wijzen aan een vertrouwde bron.’

Tegenover de belijdenis van de Heidelbergse Catechismus lijkt Van der Meiden een eigen belijdenis te plaatsen: de bron van troost is onvoorwaardelijk gelegen in de medemenselijkheid, die voor allen geldt.

Waardevol vind ik dat Van der Meiden met een beroep op de ‘algemene genade’ aandacht vraagt voor het gegeven, dat troost bieden een mogelijkheid is die God aan ieder mens heeft gegeven en dat God daadwerkelijk aan velen op deze menselijke wijze troost wil schenken. (Overigens zijn er volgens mij niet veel christenen of kerken die denken dat zij het alleenrecht op de bron van troost zouden hebben.)

Troost is een geschenk, dat wij niet in pacht hebben, maar dat wij soms de ander kunnen schenken. Een geschenk dat God mogelijk heeft gemaakt, omdat wij als mens en medemens zijn beeld mogen vertonen. Dat is ook één van die theologische inzichten uit de oude doos: wij mensen zijn het beeld-van-God-zijn niet kwijtgeraakt. Het is zwaar beschadigd, maar niet vernietigd. Inderdaad is troost ook een vorm van algemene genade.

Wie een beroep wil doen op de ‘algemene genade’ kan echter de ‘bijzondere genade’ niet buiten beeld laten: dat verlangen van God dat ieder mens weer in optima forma Gods beeld zal vertonen. En dat God dat zelf door de komst van Jezus Christus in deze wereld mogelijk heeft willen maken. Voor degenen die Hem vertrouwen, is juist die ‘bijzondere genade’ een rijke bron van troost.

Ik vermoed dat hier de werkelijke reden ligt, dat Van der Meiden zo weinig kan met wat hij noemt een ‘allesomvattende, finale en fundamentele troost’. Ik moest denken aan wat hij verderop in zijn boekje duidelijk maakt: wanneer er geen vertrouwen is, zal iemand zich niet willen laten troosten. Wil Van der Meiden Jezus Christus niet als de bron van troost aanwijzen, omdat hij geen vertrouwen heeft in de God van Jezus Christus, over wie de Heidelberger zo troostvol kan spreken?

N.a.v. Anne van der Meiden, Morgen verder. De kunst van het troosten¸ Uitgeverij Protestantse Pers, Heerenveen, 2013.

De synode en de liturgie

Vandaag heeft Jos Douma onder de mooie titel ‘De landelijke synode en de lokale liturgie’ een interessante blog op zijn website geplaatst over het gebruik van de liturgische formulieren in de GKv, http://bit.ly/1f0Uf9L

Hij signaleert, dat er meer vrijheid mogelijk is, dan algemeen wordt gedacht. Hij baseert zich daarbij op deze passage uit het Deputatenrapport Liturgie en Kerkmuziek dat op de synode dient:

“Voor de formulieren in de gereformeerde traditie is kenmerkend dat ze vaak ook een uitgebreid onderwijzend deel hebben. Dit onderwijs kan ook in andere bewoordingen gegeven worden. Ook dan kan de tekst van het formulier als bron of voorbeeld dienen. Voor het gebruik van de liturgische formulieren in deze tijd is het dienstig dat het nieuwe kerkboek dit onderscheid kort uitlegt in een introductie op de formulieren.”

Deputaten maken zo een onderscheid in de formulieren tussen ‘een hard gedeelte en een minder hard gedeelte.’ Tot het harde deel behoren de rituele teksten en handelingen, tot het minder harde gedeelte b.v. de onderwijzende delen.

Jos Douma verbindt hier de volgende overweging aan:

“Kijk, dat is mooi. Ik merk ook dat in de lokale kerkelijke praktijk enerzijds al lang wat vrijer wordt omgegaan met de formulieren (en ik doe dat zelf ook in bescheiden mate) maar dat tegelijkertijd nog veel gedacht wordt dat formulieren ongewijzigd behoren te worden voorgelezen. Afspraak is tenslotte afspraak. Maar dat blijkt dus allemaal wat genuanceerder te liggen: in de praktijk al, maar nu ook in de kerkelijke afspraken.”

Gezien deze ontwikkelingen is het interessant ook te kijken naar het andere onderdeel in de liturgie, dat vanouds binnen de GKv als dwingend leek te worden voorgeschreven: het kerklied. De Synode van Zuidhorn formuleerde in 2002 zelfs een koersbepaling met als kern:

“De resultaten van deze gemeenschappelijke arbeid [op liturgisch gebied, FP] worden van synodewege niet dwingend aan de kerken voorgeschreven. Ze worden als verantwoorde mogelijkheden aanbevolen, tenzij de kerken voor bepaalde liturgische zaken expliciet hebben afgesproken dat ze prescriptief zijn. Te denken is aan de geldende afspraken die in KO art. 59, 61 en 70 zijn vastgelegd over het verplichtend gebruik van formulieren, of aan het liturgisch te gebruiken liedcorpus.”

Ook op het terrein van het kerklied blijkt het niet allemaal zo vast te liggen als algemeen de gedachte is.

Zoals bekend zal zijn is het de bedoeling dat op de Synode van Ede 2014 een compleet Nieuw Gereformeerd Kerkboek definitief vastgesteld zal worden, die dan zo snel mogelijk daarna naar de drukker zal gaan om uitgegeven te worden. Daarmee is volgens deputaten hun opdracht nog niet voltooid. Ze zien nog een taak voor hen weggelegd:

“Met de afronding van het kerkboek stopt de ontwikkeling van de kerkmuziek niet. De synode zou de deputaten kunnen opdragen te blijven werken aan een lijst met vrijgegeven liederen, in eerste en tweede lezing vast te stellen, op de manier zoals dat de afgelopen vijftien jaar gebeurd is. De praktijk is echter dat de kerken anders omgaan met het nieuwe kerklied dan in de jaren negentig van de twintigste eeuw. Er wringt ook iets in de regelgeving. Terwijl er vrijelijk geplukt kan worden uit de Opwekkingsbundels (de lijst uit 2008 is een voorbeeldlijst) worden andere nieuwe liederen aan een betrekkelijk strenge selectieprocedure onderworpen. De deputaten stellen daarom voor dat een nieuw te benoemen deputaatschap de opdracht krijgt zich hierop te bezinnen en een voorstel te doen aan de volgende synode.”

Hoewel ik de formulering (‘vrijelijk plukken’) rijkelijk suggestief vind, maken deputaten wel duidelijk dat de lijst uit 2008 met liederen uit de Opwekkingsbundel een voorbeeldlijst is, die niet zodanig dwingend is dat er geen andere liederen uit de Opwekkingsbundeling gezongen mogen worden. Lijkt me goed om dit ter harte te nemen.

Blijft staan dat er een spanning is tussen een vast repertoire aan goedgekeurde liedteksten in het Nieuwe Gereformeerde Kerkboek en het feit, dat er ook voortdurend nieuwe kerkliederen geschreven worden en op de markt komen. Tot nu toe probeerde de synode met deze spanning om te gaan door een lijst met liederen te laten selecteren, deze liederen gedurende 6 jaar voor gebruik vrij te geven en ze dan definitief goed of af te keuren. Deputaten vinden nu dat er sprake is van ‘rechtsongelijkheid’ tussen de keuze van liederen uit de Opwekkingsbundel en de strenge selectie van andere kerkliederen en typeren dat als ‘probleem’.

Ik vraag mij af of de synode voor dit ‘probleem’ eerst een nieuw deputaatschap zou moeten benoemen, die zich 3 jaar gaat bezinnen op een oplossing. Afgezien van het feit dat dit ‘probleem’ al jaren geleden onderkend is, is het praktischer en logischer om als synode de constatering van deputaten serieus te nemen. Laat de synode consequenties verbinden aan het feit, dat ‘de kerken anders omgaan met het nieuwe kerklied dan in de jaren negentig van de twintigste eeuw.’  Net als bij het gebruik van de formulieren het geval is, ook de liedkeuze meer aan de vrijheid en verantwoordelijkheid van de kerken over te laten.

De kenmerken van een christen

Als je vraagt waar je een christen aan kunt herkennen, wordt vaak concreet gedrag genoemd. Een christen is iemand, die bepaalde dingen doet of bepaalde dingen nalaat.

De vraag laat zich ook anders stellen. Wat mag je als christen doen? Dan is het een vraag naar de legitimatie. Laat maar eens de gronden zien, op basis waarvan jij bepaalde dingen doet.

In het dagelijks leven is die laatste vraag vrij eenvoudig te beantwoorden. Je hebt een bepaalde functie en daar horen bepaalde bevoegdheden en bepaald gedrag bij. Als politieagent mag je iemand van zijn vrijheid beroven. Als ambulancechauffeur mag je harder rijden als toegestaan is. Als je gevraagd wordt naar een verantwoording van je gedrag, dan kun je verwijzen naar de taak die je gekregen hebt, de bevoegdheden die daarbij horen en de kaders waarbinnen je speelruimte hebt gekregen om je op een bepaalde manier te gedragen. Want veel ligt niet vast. Daarom heb je vaak een opleiding genoten, vaardigheden aangeleerd en een intuïtie ontwikkeld. Je bent bekwaam om een bepaald vak uit te oefenen en daar hoort bepaald passend gedrag bij.  

Zo kun je ook naar christenen kijken. Het christen zijn zien als het vervullen van een bepaalde rol of functie. Er zijn kaders die vastliggen: God liefhebben, je naaste liefhebben, de 10 woorden van God. En binnen die kaders heb je een zeer grote speelruimte in keuzes en gedrag. Op basis van de bekwaamheid om als christen te leven vul je die ruimte verder in.

Kijk maar naar de leden van een willekeurige kerkgemeenschap: hoe verschillend leiden ze hun leven, terwijl ze soms in bepaalde zaken tegengestelde keuzes maken. Verschillen die vaak te maken te hebben met opvoeding en scholing, met de traditie waar ze mee verbonden zijn, met de familie waarin ze groot zijn geworden, de scholen waar ze naar toe zijn geweest, de vrienden die ze hebben, het beroep dat ze uitoefenen, de buurt waar ze wonen, de man of vrouw met wie ze getrouwd zijn. Maar ook met de persoon die ze zijn, het karakter dat ze hebben, de hobby’s en interesses die ze ontwikkeld hebben. En toch hebben ze allen iets gemeenschappelijks: ze zijn christen.

Inderdaad heeft het christen zijn iets van het vervullen van een bepaalde functie of rol. Je hebt scholing gehad, je hebt vaardigheden aangeleerd en je hebt je een bepaalde houding eigen gemaakt. En nu ben je herkenbaar als christen. Zoals je soms de docent of de manager in iemand herkent: het doortrekt heel zijn optreden. Je herkent de manier waarop hij of zij de dingen aanpakt, de blik in zijn ogen, de kijk op de wereld, de drive achter zijn handelen.

Maar misschien kun je het christen zijn nog beter vergelijken met het opgroeien in een bepaald gezin. Soms herken je iemand als typisch een zoon of dochter van. Zo’n iemand heeft zich de houding en cultuur van zijn ouders en zijn familie eigen gemaakt. Vaak onbewust: het heeft met de genen te maken, met nabootsing en met het aanvoelen van en het vertrouwd zijn met een familiecultuur. Zo kun je christenen ook herkennen. Ze hebben zich de houding van Jezus eigen gemaakt, die zich heeft laten kennen als een echte zoon van zijn Vader.

Het is niet primair concreet gedrag. Het is niet zozeer een rol of functie. Het is vooral de manier van zijn, de liefdevolle houding en de drive die Jezus uitstraalde. Die hebben christenen zich eigen gemaakt. Daaraan kun je ze herkennen. Christenen zijn herkenbaar aan hun familiecultuur.