De appel

Jutta Richter is in Nederland vooral bekend als schrijfster van jeugd- en kinderboeken.

 In 2008 verscheen van haar Der Anfang vom allem, in 2009 in het Nederlands vertaald als De oorsprong van alles. Toevallig stuitte ik in onze bieb op deze novelle. Op de achterflap stond wel een mooie typering: ‘Jutta Richter laat haar lezer peinzend achter: hoe kan het dat de mens, die eindeloos verlangt naar liefde en leven toch altijd weer strandt op jaloezie, wrok, verdriet en vertwijfeling.’

Het gaat over de mens en wat hem drijft. Zoals een van de personages in het boekje (de poes) de mens typeert: ‘Zo zijn mensen immers? Naderhand zeggen ze altijd dat ze het niet wilden. Maar eerst doen ze precies wat ze niet willen.’

En de oorsprong van alles? Dat was toch die appel? Begon alle ellende daar niet mee?

Jutta Richter geeft met haar verbeeldingskracht een interpretatie van het oorsprongsverhaal uit de bijbel, die uitnodigt tot verder denken:

“‘Adam, ik was je vriend en ik dacht dat jij de mijne was. Ik geloofde dat onze vriendschap niet kapot kon. Ik geloofde soms dat ik mezelf terugzag in jouw ogen. Ik was zoals jij en jij was zoals ik. Ik heb me vergist, Adam. Ik heb me vergist in jou. In je ogen lees ik angst. Je bent bang voor mij. Maar Adam, voor je vrienden hoef je toch niet bang te zijn! Een mens is bang voor zijn vijanden! Je denkt nu dat ik je vijand ben, je denkt dat ik je zal verstoten omdat je vrouw die appel buiten mij om geplukt heeft. Daar ben je bang voor en daarom ben je bang voor mij. Je hebt zo weinig vertrouwen in mij! En het is bitter voor me, te zien hoe je je in allerlei bochten wringt om mij maar niet te hoeven aankijken. Te zien hoe je de liefde die ik voor je koesterde in het stof vertrapt heb.’

Hij keek Adam aan.

‘Nog vandaag zul je deze plaats verlaten. Niet vanwege die ene appel, dat zou kleinzielig en goedkoop zijn. Je vertrekt omdat je bang bent en omdat het nooit meer zo kan zijn als eerst, je vertrekt omdat je onze vriendschap verraden hebt!’

Na deze woorden draaide hij zich om en liep met moede schreden weg. En Adam keek hem na, op zijn beurt uit steen gehouwen. Zo stonden ze daar lange tijd, Eva gehuld in zijn mantel en Adam bleek en verstard. Ze konden het nog niet bevatten.”,

(Citaten uit Jutta Richter, De oorsprong van alles, Uitgeverij Brandaan, Barneveld, 2009, p. 41 en 51-53).

Advertenties

Spreken namens God (3)

Spreken namens God heeft verschillende aspecten. Eén daarvan is: wie mag er spreken namens God? Wie is bevoegd of gemachtigd?

Kees de Ruijter laat in zijn  boek Horen naar de stem van God zien dat er een gelaagdheid is in het spreken van God: van Jezus via de bijbel naar de preek. God is uit op communicatie met de mens, want Hij wil zijn heil aan de mensen schenken. In dat kader is de preek een effectief middel. De Heilige Geest gebruikt de prediking om de omgang met God (via de bijbel) vorm te geven.

Deze sterke nadruk op de prediking kan de suggestie oproepen, dat alleen de prediker namens God kan spreken. Dat is echter niet echter wat De Ruijter beoogt te beargumenteren. In zijn optiek heeft de professionele prediker namelijk niet het exclusieve voorrecht om echo van God te worden. Hij is een middel in Gods hand om de gemeente te brengen tot de liturgie aan God. Naar mijn mening ontwikkelt De Ruijter drie argumentatielijnen om dit aspect te verhelderen.

Allereerst laat De Ruijter zien dat de prediker Gods Woord kan laten klinken omdat hij als mens beeld van God is. In Christus kan ieder mens zelfs weer ‘sprekend’ beeld van God worden: ‘Het geldt dus voor elk mens dat hij sprekend een echo van God kan worden’ (66). Iedere christen heeft de roeping gekregen om profetisch te spreken. De Ruijter verbindt hier de conclusie aan dat de verkondiging van het evangelie de taak van de hele gemeente is. ‘Het evangelie profetisch ter sprake brengen in deze wereld is daarom een algemene taak van de gemeente’ (66-67). Preken is een functie van de gemeente. In de gemeente mogen wij de echo van Gods stem opvangen.

Een tweede lijn is dat de prediker geroepen is om de gemeente voor te gaan in het antwoord geven op Gods stem. In deze lijn brengt hij het ambt ter sprake. Want ook al is preken een functie van de gemeente, dit betekent volgens De Ruijter niet dat het kerkelijk ambt daarmee weggeredeneerd wordt. In de gereformeerde traditie wordt het ambt gezien als een middel om de kerk op een betrouwbare wijze bij Christus te bewaren. Het ambt fungeert als een tegenover voor de gemeente: ‘het evangelie komt niet uit de gemeente zelf op, maar het komt van de andere kant. Daarom is het tegenover niet gelegen in het ambt op zich, maar in het Woord zelf’ (67).  De prediker is eerst ook zelf hoorder en gaat de gemeente voor in het antwoorden op Gods woord. ‘Ook wanneer een prediker uit de rijen [van de gemeente, FP] naar voren komt blijft hij als twaalfde man deelnemend daarbij betrokken’ (68). De dienst van de ambtsdrager is gericht op en staat ten dienste van het leven van de gemeente:  ‘het leven als burgers van Gods rijk‘ (41).

In het licht van de discussie over de vrouw en het ambt wordt het spannend wanneer je de vraag stelt, hoe deze twee lijnen zich tot elkaar verhouden:

(1) Ieder mens is geroepen om als beeld van God namens God te spreken. (2) De prediker wordt geroepen om de gemeente voor te gaan in het antwoorden op Gods woord.

De Ruijter laat zich (wijselijk) niet uit over de vraag, of vrouwen ook zouden mogen preken. Wel biedt hij theologisch gezien een legitimering om ook vrouwen het recht te geven om in het midden van de gemeente als prediker de gemeente te dienen. Dit is mogelijk, omdat hij het (ambtelijk) spreken met gezag niet zozeer verbindt met de persoon die spreekt (man of vrouw), maar vooral met de inhoud van de preek. Het tegenover van het ambt ligt in het Woord zelf, dat in de prediking zijn vertolking vindt.

Hiermee kom ik op de derde – en mijns inziens meest vernieuwende argumentatielijn -, die aan de eerste twee lijnen ten grondslag liggen. Want het verrassende in De Ruijter’s theologie van de preek is dat hij het spreken namens God vanuit de metafoor van het horen probeert te doordenken.

Spreken namens God is mogelijk als je eerst naar de stem van God geluisterd hebt. Gods spreken gaat aan ons spreken namens God vooraf. Ons antwoord wordt als het ware door Gods spreken zelf opgeroepen. Horen is gehoor geven aan Hem die spreekt.  Dit betekent dat Gods spreken een beroep doet op de menselijke verantwoordelijkheid om te antwoorden. Doordat God mensen aanspreekt, geeft Hij ze als het ware de bevoegdheid om echo van zijn Woord te zijn en zo namens Hem te spreken.

Vanuit de metafoor van het horen probeert De Ruijter het dilemma te overstijgen, dat optreedt als je de vraag stelt: wat is de verhouding tussen het woord van God en het mensenwoord dat de woorden van God vertolkt? De discussie daarover beweegt zich tussen twee polen:

Aan de ene kant is er een lange traditie die Gods woord en de preek per definitie heel sterk naar elkaar toe trekt. Aan de andere kant is er bij hedendaagse hoorders juist veel behoeft om op dit punt ruimte te scheppen tussen wat God zegt en wat in de preek gezegd wordt’, (70).

Als de mens een antwoordend wezen is, dan zijn horen en antwoorden rechtstreeks op elkaar betrokken. In het antwoord blijkt of en in hoeverre de leerling zich gewonnen geeft aan het woord van de Meester. ‘Het antwoord wordt gevoed, gecorrigeerd en bevestigd in het horen naar het Woord van God’, (94).  Zo probeert De Ruijter de ruimte zichtbaar te maken, die er in de factor van de persoonlijke inbreng van de prediker en het verstaan van de hoorder is tussen Schrift en preek. Tegelijk probeert hij daarmee aan te duiden, dat er een structurele verbinding is tussen Schrift en preek. Vandaar dat hij de preek kan beschrijven als ‘de stem van de Meester’:

‘Het is een aanduiding van de eigenheid van de leerling die zelf verantwoordelijk is en verantwoording aflegt tegenover het gehoorde Woord en tegelijkertijd klinkt het verhaal van de Meester er in door’, (94).  

Impasse

Soms zit je als christen klem tussen toekomst en traditie. Hoe doorbreek je dan de impasse?

Begin jaren ’30 van de twintigste eeuw schreef Martinus Nijhoff een gedicht waar hij de titel Impasse boven plaatste. Het verscheen in 1935 in de verzamelbundel Kristal. Letterkundige Productie, samen met werk van 58 andere auteurs:

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Ik weet het niet.’ Geen perspectief en geen uitweg.

Hoe verrassend is het te weten, dat er niet lang daarna een variant van dit gedicht opduikt. In 1936 verschijnt in het literair tijdschrift De Gids een bundel met 8 sonnetten, geschreven door Nijhoff en opgedragen aan de historicus Johan Huizinga. Het laatste gedicht heeft grote overeenkomsten met Impasse uit 1935. De eerste 2 kwatrijnen zijn nagenoeg gelijk. Het verschil zit met name in de laatste twee terzinen. Die luiden nu:

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in ander land te zijn.

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup’lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

Er gloort hoop. De ik-persoon heeft richting gekregen: een nieuw bruiloftslied.

Wat is er veranderd?

In 1935 verscheen er een cultuurhistorische studie van de hand van Johan Huizinga onder de titel ‘In de schaduwen van morgen’. Daarin analyseert deze historicus de culturele en maatschappelijke situatie van zijn tijd. Martinus Nijhoff is met name gegrepen door de titel. Na lezing van het boek concludeert hij, dat Huizinga weliswaar de wereld langzaam in een woestijn ziet veranderen, maar bij deze ondergang vertrouwen blijft houden in de toekomst.

Hoe zal de toekomst zijn? Wat moet men doen? Niemand weet het, omdat men leeft in het donker ‘voor dag en dauw’. Als reactie op deze cultuuranalyse heeft Nijhoff, zoals hij toelicht, ‘acht menselijke omtrekken geprobeerd te schetsen, zoals zij zich in de morgenschemering gedragen.’ Het laatste sonnet is een schets van een echtpaar op leeftijd, die op andere basis een nieuwe start maakt.

Wat is er veranderd?

Door zijn verbeeldingskracht te gebruiken lukte het Martinus Nijhoff om uit de impasse te komen. Hij heeft de boodschap van het evangelie gelegd naast de analyse van de cultuur. Hij heeft zich laten inspireren door Jesaja: ‘Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de HEER’, (Jesaja 51:3). En zo heeft hij de toekomst geopend met een nieuw bruilofslied.

Dit is de weg uit de impasse, zo breekt de toekomst open: verbindt de boodschap en de betekenis van de bijbel op innovatieve wijze met de werkelijkheid van vandaag. Dat is het boeiende perspectief, dat ik ook tegenkwam in de recent verschenen homiletiek van Kees de Ruijter.

De tendens van Gods handelen, zoals wie die in de bijbel uitgetekend zien, mag richtingsgevend zijn voor ons handelen als christen in heden en toekomst. Al improviserend op de tendens van dit gezaghebbende verhaal van God mogen wij in de eigen context onze weg naar de toekomst zoeken.

Het is de ontspanning van het spel, die de weg naar de toekomst baant. Niemand hoeft van de wijs te raken, ‘maar alle christenen en kerken zijn in Christus vrij om de op hun eigen setting geënte variaties te improviseren.

(Zie Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer, 2013, p. 111, 116 en 117).

Blanco bril

In de Gereformeerde Kerkbode (Groningen – Fryslân – Drenthe) van 8 maart 2014 staat een gesprek met ds. A.A.J. de Boer uit Ureterp over zijn werk op de GKv Synode.

Hij vertelt dat er heel wat werk op de afgevaardigden afkomt: Ze moeten veel lezen. Niet alleen de rapporten die nu op tafel liggen, maar ook rapporten uit het verleden, om zo tot een goede oordeelsvorming te komen:

“Het gesprek over het Rapport M/V in de kerk ligt me na aan het hart. Het gaat mij daarbij speciaal om de vraag of wij de Schrift kunnen lezen door een blanco bril (lezen wat er staat en laten staan wat we lezen) of dat we (in navolging van anderen) toch de tekst door een gekleurde bril gaan zien. Mochten we voor zo’n bril kiezen dan kunnen we die ook gebruiken voor andere teksten. Daar ligt mijn zorg”, (p. 19).

Dit is de hermeneutische voorvraag. Ik hoop dat de synodeleden deze voorvraag zorgvuldig bespreken. Er hangt inderdaad veel van af: kunnen wij de bijbel door een blanco bril lezen?

Beeldvorming

0

Disclaimer: je hoeft deze blog niet te lezen – ik hou ook niet van polemiek.

1.

Afgelopen week kruiste de website ‘werkenaaneenheid.nl’ mijn pad. Onder mijn blog vond ik een verwijzing naar een reactie. Ik kende deze website niet. Dit wil zeggen: ik wist van het bestaan, maar had tot nu toe geen reden gevonden om deze te raadplegen.

2.

Toen in doorklikte zag ik een vette kop boven het artikel staan, waarin mijn naam wordt genoemd, maar waarin vooral prominent benadrukt wordt dat ik kandidaat ben in de GKv. Een noot onderaan het artikel onderstreept het nog eens.

De reactie heeft de vorm van een opstel van meer dan 2000 woorden. Vrij veel als antwoord op een blog van ca. 500. Bij nader toezien constateerde ik al, dat ze niet allemaal voor mij bedoeld zijn.

Mijn blog wordt namelijk vooral als een opstapje gebruikt om ds. Wim van der Schee eens goed de oren te wassen. En passant worden prof. B. Kamphuis en deputaten Herziening Kerkorde in het betoog meegenomen. Tenslotte wordt een waarschuwend woord aan de GKv Synode gericht, dat als de synodeleden met genoemde deputaten meegaan zij ‘metterdaad’ instemmen met de uitspraak: “De tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes is onontkoombaar verleden tijd.” Kennelijk gaat het de schrijver in zijn reactie om dit laatste punt, want hij eindigt met de profetische woorden: ‘Bij ontbinding (en opheffing van de handhaving) aan Gods Woord en de belijdenissen verklaar je jezelf en elkaar vogelvrij.

3

Mijn eerste indruk is dat dit een artikel is van het soort ‘van dik hout zaagt men planken’, dat met grote woorden en korte stappen thuis is en suggereert dat het wel ergens over gaat. Vandaar dat ik ook maar eens verder naar de rest van de site gekeken heb.

Dat is wat ik mijn leerlingen ook altijd heb voorgehouden. Als je wilt verwijzen naar een artikel op internet, doe ook onderzoek naar de website waar het op geplaatst is. Wat is de waarde en status van de site? Wat is de kwaliteit van de artikelen die er op staan?  Net als in real life is er verschil tussen een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift, de NRC of een blad als Privé. Er is verschil tussen kwaliteitsjournalistiek en roddeljournalistiek. Op internet is het niet anders. Rijp en groen staan door elkaar heen. Dus zoek ook iets op over de achtergronden en weeg de geboden informatie. En als het geen niveau heeft of als de website dubieus is, kun je de informatie daarvan niet gebruiken ter ondersteuning van je betoog. In sommige gevallen is het zelfs beter om bij bepaalde websites weg te blijven.

4.

De achtergrond en doelstelling van de website is gemakkelijk te vinden. De initiatiefnemer, Johan Trip, schrijft dat hij vanaf het ontstaan donateur van ‘St. Woord en Wereld’ was en in 1991 samen met dr. P. van Gurp een van de mede-oprichters van de vereniging Reformanda. Hij was daar enige jaren actief als correspondent, eindredacteur en bestuurslid. Ook draaide hij mee in de LWVKO (Landelijke Werkgroep Kerkelijke Ontwikkelingen) en was hij één van de ondertekenaars van de ‘Oproep tot Reformatie’ d.d. 12 februari 2003, die leidde tot de definitieve breuk met de GKv.

In 2003 heeft hij zich vrijgemaakt van de GKV Zwolle-Centrum en zijn plek ingenomen in de toen door dr. P. van Gurp gestichte Gereformeerde Kerken (hersteld). Eerst als lid van het voorlopig bestuur in Zwolle e.o., daarna als ouderling en catecheet. Met betrekking tot de doelstelling van de website schrijft hij dat hij zeer betrokken is bij het bevorderen van kerkelijke eenheid van alle gereformeerden die bij elkaar horen.

Eerlijk gezegd was me dat laatste bij het lezen van de reactie op mijn blog niet opgevallen. Ik vind de reactie niet echt een voorbeeld van het werken aan of het bevorderen van eenheid onder gereformeerden. Ik merk vooral dat mensen en instanties de maat worden genomen, terwijl het geheel gedragen wordt door wantrouwen en bevooroordeelde interpretaties, waarin gesprekspartners nauwelijks recht wordt gedaan. Ik constateer vooral een gedrevenheid om te benadrukken en aan de kaak te stellen wat er allemaal niet in de GKv zou deugen en hoe slecht dat allemaal wel niet is.

Vandaar dat mijn voorlopige conclusie is: lang geleden vanwege onvrede uit de GKv gestapt en nog steeds proberen te laten zien, hoe verderfelijk de weg van de GKv wel niet is. Op de een of andere manier is het eigen gelijk nog niet zo duidelijk, dat kennelijk na 10 jaar dat gelijk nog steeds bewezen moet worden. En dat kleurt de argumentatie en de bejegening van de gesprekspartners vanuit de GKv behoorlijk. Blijvend punt van aandacht lijkt mij.

5.

Behalve de achtergrond van de reactie te bekijken is het ook goed om de kwaliteit van de argumentatie te wegen. En die vind ik op zijn zachtst gezegd niet sterk. Laat ik dat op 2 punten illustreren.

Een eerste voorbeeld is de wijze waarop de auteur aan de haal gaat met een zinsnede uit een blog van ds. Wim van der Schee. Alleen al het gegeven, dat ik daarover schreef dat ds. Van der Schee die zin ‘geschreven zou hebben’, roept een forse reactie op. Immers, – zo betoogt de auteur met alle klem -, ds. Van der Schee heeft die zin echt wel geschreven. Echt wel!  Lees maar: het staat echt in zijn blog: ‘De tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes is onontkoombaar verleden tijd’.  Zwart op wit! Daar is toch geen twijfel over mogelijk?

Men mag van mij aannemen, dat ik die zinsnede inderdaad gelezen heb. En toch formuleerde ik welbewust in mijn blog: ‘Hij zou namelijk hebben geschreven, dat ‘de tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes onontkoombaar verleden tijd’ zou zijn.’

Ik ben er namelijk van overtuigd, – gezien de context van deze zinsnede -, dat het niet de bedoeling van ds. Van der Schee was om te zeggen, ‘dat de tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes onontkoombaar verleden tijd is’. Uit het geheel van zijn blog blijkt dat dàt niet de strekking van zijn betoog is. Ds. Van der Schee zegt hier niet meer dan dat wij niet op dezelfde manier, zoals dat vroeger wel kon, vandaag belijdenissen en kerkordes kunnen handhaven. De Engelsen zouden zeggen: that’s obvious, zo duidelijk als wat.

Wat hier gebeurt is dat men één zin uit een betoog isoleert en dan aan deze op zichzelf staande zin allerlei interpretaties toekent. Interpretaties die in bepaalde contexten best geldig kunnen zijn. Maar die gezien de context, waaruit de zin genomen is, als onjuiste interpretaties moeten worden afgewezen.

Laat ik een voorbeeld gebruiken. Het woord ‘bank’ heeft meerdere betekenissen. Het kan (1) een zitmeubel zijn, (2) een bij laag water droogvallend stuk of (3) een financiële instelling. Als je dan de zin: ‘Hij stort zijn geld op de bank’ leest, is de meest waarschijnlijke interpretatie dat iemand zijn geld naar een financiële instelling brengt. Natuurlijk kun je je geld op een zitmeubel storten of in zee. Maar als de zin voorkomt in een verhaaltje over een jongen, die zijn eerste vakantiegeld verdiend heeft en dat geld op zijn spaarrekening wil zetten, dan vallen de laatste twee interpretaties duidelijk af.

Op dezelfde manier vallen allerlei voorgestelde interpretaties van die zin, die ds. Van der Schee in zijn blog geschreven heeft, af. Wanneer men dan tegen de duidelijke bedoeling van ds. Van der Schee in aan deze zin allerlei betekenissen toekent, die daar gezien het verband niet aan toegekend kunnen worden, dan neemt men de schrijver van de blog niet serieus. Des te kwalijker wordt het, als men welbewust in de wetenschap dat het een onjuiste interpretatie is, de schrijver wegzet als iemand die over de gereformeerde schreef gaat. Dan is er sprake van moreel laakbaar gedrag. Ik vind dat je als christenen niet zo met elkaar kunt omgaan. Vandaar de strekking van mijn blog, dat je daar op zijn minst voor mag fluiten.

Deze manier van redeneren en argumenteren vind ik ten voeten uit terug in de onderhavige reactie. De betreffende zin wordt op zichzelf gezet en dan van een viertal mogelijke interpretaties voorzien, die vervolgens in de schoenen worden geschoven van respectievelijk ds. Van der Schee, de synode en deputaten Herziening Kerkorde. Tenslotte wordt de enige juiste interpretatie van deze zin – die van de auteur zelf – gehanteerd als meetlat voor wat de synode zou moeten besluiten of niet. Op deze manier geargumenteerd en geredeneerd heb je altijd gelijk: je stopt erin wat er uit moet komen. Tijdens mijn opleiding heb ik geleerd dat dit een vorm van onzindelijk denken is.

6

Een tweede voorbeeld. Curieus is de wijze waarop in de reactie de rechtmatigheid van de gehanteerde benadering wordt verdedigd. Dat gaat via een beschouwing over de mate waarin je bij de interpretatie van een tekst wel of niet rekening moet houden met de bedoeling van de auteur.

De auteur van het artikel laakt de visie van zowel de synode als van prof. B. Kamphuis, omdat die er voor pleiten om bij de interpretatie van een tekst rekening te houden met de bedoeling van de schrijver. Volgens de auteur betekent dat dus: ‘niet wat staat er geschreven, maar de bedoeling van de schrijver staat centraal’. Volgens hem is dat ‘moderne hermeneutiek’. Daar tegenover plaatst hij als eigen opvatting: ‘in de menselijke communicatie gaat het niet alleen maar om de bedoeling, maar ook om wat er feitelijk staat geschreven en hoe het kan worden geïnterpreteerd.’

Volgens mij begrijpt de auteur niet waar hij over spreekt als hij de term ‘moderne hermeneutiek’ in de mond neemt.

In de gereformeerde hermeneutiek van F.W. Grosheide, S. Greijdanus, L. Berkhof en J. van Bruggen is de bedoeling van de auteur vanouds altijd een belangrijk ijkpunt voor de exegese of interpretatie van de tekst geweest. Daar is niets modern aan. En ook zijn zij van mening, dat de context altijd een belangrijke factor om een tekst te interpreteren. Je zou massa’s citaten kunnen geven om deze stelling te ondersteunen.

Als voorbeeld noem ik L. Berkhof die in zijn Beknopte Bijbelsche Hermeneutiek (Kok Kampen, z.j.) zegt, dat als het gaat om de hulpmiddelen om een tekst te verklaren je allereerst op ‘het verband’ letten: ‘op beide, het voorafgaande en het volgende, het naaste en het verder verwijderde verband’ (129) en in de tweede plaats op‘het oogmerk van den schrijver’ (133). En J. van Bruggen schrijft in Het lezen van de bijbel (Kok Kampen, 1987) dat het feit dat de bijbel zich als boek presenteert, als gevolg heeft, dat het nu ‘noodzakelijk is om het éne Auteursbedoelen te zoeken’ (15).

(Terzijde: wanneer de schrijver van de reactie het niet van deze betrouwbare gereformeerde broeders wil aannemen, wil ik ook wel verwijzen naar de handboeken taalkunde en semantiek. Daar wordt het onderscheid uitgelegd tussen ‘locutie’ en ‘illucotie’ en wordt het verband duidelijk gemaakt dat er is tussen de betekenis van een zin of tekst en de bedoeling om die zin of tekst te schrijven of uit te spreken.)

Toch kan ik mij voorstellen, dat de schrijver zich op zijn website keert tegen de visie om met de bedoeling van de auteur rekening te houden. Dat zou namelijk betekenen dat hij zijn ‘vrijheid’ kwijt is om aan teksten willekeurige interpretaties toe te kennen en zou hij ds. Van der Schee niet meer kunnen kapittelen.

Want de schrijver past inderdaad consequent zijn eigen hermeneutiek toe: het gaat hem om ‘wat er geschreven staat’ (zwart op wit) en ‘hoe het kan worden geïnterpreteerd’, met de nadruk op ‘kan’. Het is voor hem voldoende dat een interpretatie mogelijk is. Rekening houden met de bedoeling van de auteur is dan maar knap lastig. Want dat betekent dat jouw interpretatie misschien niet geldig of onjuist is. En dát wil je toch niet. Je zou geen rode kaart meer kunnen uitdelen!

De implicatie van deze wijze van interpreteren en hermeneutiek bedrijven is echter wel dat andermans teksten vogelvrij zijn. Want met zo’n hermeneutiek heb je jezelf het recht verschaft om over andermans teksten te roepen wat je wilt. Je hoeft namelijk geen rekening meer te houden met de bedoeling waarmee de ander iets geschreven heeft. Hoe postmodern kun je zijn. En dat onder het mom van een opkomen voor de oude vertrouwde hermeneutiek.

7

Als ik de website #werkenaaneenheid en het daarop geplaatste artikel zou moeten beoordelen, dan zouden ze een zware onvoldoende krijgen. De wijze waarop geargumenteerd wordt, de betrouwbaarheid van de informatie. ik vind het inhoudelijk, maar vooral ethisch gezien onder de maat.

Als dit niveau van argumenteren, interpreteren en oordelen, representatief  is voor het klimaat in de Gereformeerde Kerken (Hersteld), dan ben ik blij dat ik kandidaat ben in de GKv. Bij de schrijver van deze website voel ik mij niet veilig. Ik zal anderen zeker niet aanraden om hun vertrouwen te schenken aan de hier geboden informatie. En mensen die met een beroep op deze website dingen gaan roepen, zou ik vragen om zich wel driemaal te bedenken.

8

Er was eens een Don Quichot die vocht tegen windmolens. Zelfs zijn trouwe dienaar Sancho Panza lukte het niet om hem van zijn waanbeelden af te brengen. De veelkleurige verscheidenheid in Gods werkelijkheid is inderdaad soms moeilijk te verdragen.

Geduld

Er kan in de kerk zomaar onenigheid komen over hoe je de bijbel leest. Als er bijvoorbeeld een verschil van mening is over zaken, die je niet zo rechtstreeks uit de bijbel af kunt lezen.

In het verleden ging het vaak over de sacramenten als doop en avondmaal of over de zondag. In de moderne tijd eerder over zaken als slavernij, apartheid, vrouw in het ambt en homoseksualiteit. Verschillen van mening kunnen dan gemakkelijk leiden tot het verbreken van de onderlinge verbondenheid. De een vermoedt dat hij  – het zijn helaas veelal mannen die hier het voortouw in nemen – meer de waarheid in pacht heeft als de ander. Een scheuring of vrijmaking ligt dan om de hoek.

Als zo’n situatie zich voordoet ligt er voor de kerk de uitdaging om geduld te betonen. Een mooie verwoording daarvan las ik recent bij Angus Paddison, die schreef:

‘Specifically , I will suggest that the virtue the church needs most when it is reading Scripture – and is disagreeing about its meaning – is patience.’

Als voorbeeld waar discussie over is, noemt hij het gesprek over homoseksualiteit. In de context van de kerken waar ik lid van ben (GKv) kun je daarvoor op dit moment ook het item van de vrouw in het ambt invullen:

‘One topic most recently conflicting the church is, of course, homosexuality. But rather than pose yet another argument about what Scripture does or does not say about homosexual behaviour (a debate which has occupied an inordinate amout of the church’s recent energies and attention), I want instead to aks the following: what kind of people must the church be to disagree about Scripture an yet remain in communion? And how does the virtue of patience sustain our vocation of reading Scripture?’

We kunnen geduld hebben, omdat we er op mogen vertrouwen dat God in Christus alles al gedaan heeft door hem uit de dood op te wekken. We hebben de tijd om het met elkaar oneens te zijn, omdat het strikt gesproken niet ‘onze’ tijd is: ons wordt de tijd en de ruimte gegeven om in liefde naar elkaar toe te groeien. Ook al kunnen wij nog niet tot overeenstemming komen, onze ziel en zaligheid hangt daar niet van af. In variatie op wat Paulus schrijft: als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden, Rom. 8 : 25.

Paddison wijst er op dat het niet iets nieuws is, dat er verschil van mening over de bijbeluitleg is:

‘Indeed, the church has always disagreed about the Scripture in some way. The issue we need to relearn is rather how the church is to endure one another patiently. That we have forgotten how to do this marks our neglect of Scripture’s ministry. Scripture is, as Augustine pointed out, given so that the church may grow closer to one another in communion. Fellow interpreters must not therefore vaunt their interpretation over that of other interpreters but instead seek to build up the community.’

Hij verwijst hiermee naar wat Augustinus in de Confessiones (Boek 12, hoofdstuk XXV) zegt over de verschillende interpretaties van het scheppingsverhaal in Genesis:

Hoe dwaas is het om bij een zo grote overvloed van volkomen juiste interpretaties die daaraan verbonden kunnen worden, vermetel te verzekeren dat een particuliere mening de juiste bedoeling van Mozes weergeeft en door verderfelijke twisten juist de liefde te kwetsen, ter wille waarvan die woorden juist geschreven zijn.

De bijbel is ons toch niet gegeven om verdeeldheid te bevorderen, maar om ons als kerk aan elkaar te verbinden als het lichaam van Christus?

Wanneer de kerk geduld en volharding betoont is ze in staat om het met elkaar uit te houden ook als men het niet met elkaar eens is. Ze laat dan een houding van ontvankelijkheid en kwetsbaarheid zien, die nodig is om het gesprek gaande te houden in vertrouwen op wat God zal laten zien: ‘The patient person is willing to be receptive to the action of God in unexpected places and people and as such is willing to yield control.

Christenen kunnen geduldig zijn, niet omdat het een deugd is die op natuurlijke wijze uit hun samenzijn voortvloeit, maar omdat volharding deel uitmaakt van het wezen van God en omdat God de kerk één maakt, (vgl. Joh. 17:20-23). De deugd van de volharding en geduld is vooral een beschrijving van wie God is en hoe hij handelt.

Geduld betonen als men het niet met elkaar eens is, betekent dat de kerk bereid is een open gesprek te voeren, zonder dat men voorafgaand aan de concrete ontmoeting de randvoorwaarden voor de uitkomst probeert vast te leggen. Dat men bereid is om alle relevante stemmen in het gesprek uit te laten spreken en dat men weerstand biedt aan elke tendens om iemand door de manier waarop het gesprek wordt vorm gegeven bij voorbaat uit te sluiten. Het betekent weerstand bieden aan elke vorm van verabsolutering van de eigen mening.

De eenheid van de kerk vereist dat er geen grenzen worden getrokken tussen waar wel of niet naar geluisterd zal worden. De eenheid wordt niet gevonden door overhaaste buitensluiting, maar in het gesprek waarin men kwetsbaar durft te zijn. Als mensen die bereid zijn om zichzelf als kwetsbare geduldige lezers van de bijbel te laten kennen aan anderen die de boodschap van de bijbel op andere wijze hebben verstaan.

Paddison schrijft dat de eenheid van de kerk niet het resultaat zal zijn van een gemakkelijke overeenkomst, maar ten diepste groeit door het verschil van mening uit te houden:

A church that thinks unity is based on agreement is likely to reach a crisis point when disagreements naturally occur and is liable to split. To be in unity is therefore to know how, in the light of the gospel, to disagree.’

Dit betekent niet dat ‘anything goes’ of dat verschillen van mening op zichzelf kunnen blijven staan. Er zijn grenzen aan verschil in inzicht. Het punt is echter, dat die grenzen niet bereikt zijn voordat christenen een eerlijk proces hebben doorgemaakt van oprechte aandacht voor hen met wie ze van mening verschillen.

(Weergave van en geciteerd uit: Angus Paddison, Scripture: A Very Theological ProposaI, T & T Clark International, London, 2009, p. 57-62).