Spreken namens God (3)

Spreken namens God heeft verschillende aspecten. Eén daarvan is: wie mag er spreken namens God? Wie is bevoegd of gemachtigd?

Kees de Ruijter laat in zijn  boek Horen naar de stem van God zien dat er een gelaagdheid is in het spreken van God: van Jezus via de bijbel naar de preek. God is uit op communicatie met de mens, want Hij wil zijn heil aan de mensen schenken. In dat kader is de preek een effectief middel. De Heilige Geest gebruikt de prediking om de omgang met God (via de bijbel) vorm te geven.

Deze sterke nadruk op de prediking kan de suggestie oproepen, dat alleen de prediker namens God kan spreken. Dat is echter niet echter wat De Ruijter beoogt te beargumenteren. In zijn optiek heeft de professionele prediker namelijk niet het exclusieve voorrecht om echo van God te worden. Hij is een middel in Gods hand om de gemeente te brengen tot de liturgie aan God. Naar mijn mening ontwikkelt De Ruijter drie argumentatielijnen om dit aspect te verhelderen.

Allereerst laat De Ruijter zien dat de prediker Gods Woord kan laten klinken omdat hij als mens beeld van God is. In Christus kan ieder mens zelfs weer ‘sprekend’ beeld van God worden: ‘Het geldt dus voor elk mens dat hij sprekend een echo van God kan worden’ (66). Iedere christen heeft de roeping gekregen om profetisch te spreken. De Ruijter verbindt hier de conclusie aan dat de verkondiging van het evangelie de taak van de hele gemeente is. ‘Het evangelie profetisch ter sprake brengen in deze wereld is daarom een algemene taak van de gemeente’ (66-67). Preken is een functie van de gemeente. In de gemeente mogen wij de echo van Gods stem opvangen.

Een tweede lijn is dat de prediker geroepen is om de gemeente voor te gaan in het antwoord geven op Gods stem. In deze lijn brengt hij het ambt ter sprake. Want ook al is preken een functie van de gemeente, dit betekent volgens De Ruijter niet dat het kerkelijk ambt daarmee weggeredeneerd wordt. In de gereformeerde traditie wordt het ambt gezien als een middel om de kerk op een betrouwbare wijze bij Christus te bewaren. Het ambt fungeert als een tegenover voor de gemeente: ‘het evangelie komt niet uit de gemeente zelf op, maar het komt van de andere kant. Daarom is het tegenover niet gelegen in het ambt op zich, maar in het Woord zelf’ (67).  De prediker is eerst ook zelf hoorder en gaat de gemeente voor in het antwoorden op Gods woord. ‘Ook wanneer een prediker uit de rijen [van de gemeente, FP] naar voren komt blijft hij als twaalfde man deelnemend daarbij betrokken’ (68). De dienst van de ambtsdrager is gericht op en staat ten dienste van het leven van de gemeente:  ‘het leven als burgers van Gods rijk‘ (41).

In het licht van de discussie over de vrouw en het ambt wordt het spannend wanneer je de vraag stelt, hoe deze twee lijnen zich tot elkaar verhouden:

(1) Ieder mens is geroepen om als beeld van God namens God te spreken. (2) De prediker wordt geroepen om de gemeente voor te gaan in het antwoorden op Gods woord.

De Ruijter laat zich (wijselijk) niet uit over de vraag, of vrouwen ook zouden mogen preken. Wel biedt hij theologisch gezien een legitimering om ook vrouwen het recht te geven om in het midden van de gemeente als prediker de gemeente te dienen. Dit is mogelijk, omdat hij het (ambtelijk) spreken met gezag niet zozeer verbindt met de persoon die spreekt (man of vrouw), maar vooral met de inhoud van de preek. Het tegenover van het ambt ligt in het Woord zelf, dat in de prediking zijn vertolking vindt.

Hiermee kom ik op de derde – en mijns inziens meest vernieuwende argumentatielijn -, die aan de eerste twee lijnen ten grondslag liggen. Want het verrassende in De Ruijter’s theologie van de preek is dat hij het spreken namens God vanuit de metafoor van het horen probeert te doordenken.

Spreken namens God is mogelijk als je eerst naar de stem van God geluisterd hebt. Gods spreken gaat aan ons spreken namens God vooraf. Ons antwoord wordt als het ware door Gods spreken zelf opgeroepen. Horen is gehoor geven aan Hem die spreekt.  Dit betekent dat Gods spreken een beroep doet op de menselijke verantwoordelijkheid om te antwoorden. Doordat God mensen aanspreekt, geeft Hij ze als het ware de bevoegdheid om echo van zijn Woord te zijn en zo namens Hem te spreken.

Vanuit de metafoor van het horen probeert De Ruijter het dilemma te overstijgen, dat optreedt als je de vraag stelt: wat is de verhouding tussen het woord van God en het mensenwoord dat de woorden van God vertolkt? De discussie daarover beweegt zich tussen twee polen:

Aan de ene kant is er een lange traditie die Gods woord en de preek per definitie heel sterk naar elkaar toe trekt. Aan de andere kant is er bij hedendaagse hoorders juist veel behoeft om op dit punt ruimte te scheppen tussen wat God zegt en wat in de preek gezegd wordt’, (70).

Als de mens een antwoordend wezen is, dan zijn horen en antwoorden rechtstreeks op elkaar betrokken. In het antwoord blijkt of en in hoeverre de leerling zich gewonnen geeft aan het woord van de Meester. ‘Het antwoord wordt gevoed, gecorrigeerd en bevestigd in het horen naar het Woord van God’, (94).  Zo probeert De Ruijter de ruimte zichtbaar te maken, die er in de factor van de persoonlijke inbreng van de prediker en het verstaan van de hoorder is tussen Schrift en preek. Tegelijk probeert hij daarmee aan te duiden, dat er een structurele verbinding is tussen Schrift en preek. Vandaar dat hij de preek kan beschrijven als ‘de stem van de Meester’:

‘Het is een aanduiding van de eigenheid van de leerling die zelf verantwoordelijk is en verantwoording aflegt tegenover het gehoorde Woord en tegelijkertijd klinkt het verhaal van de Meester er in door’, (94).  

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s