De appel

Jutta Richter is in Nederland vooral bekend als schrijfster van jeugd- en kinderboeken.

 In 2008 verscheen van haar Der Anfang vom allem, in 2009 in het Nederlands vertaald als De oorsprong van alles. Toevallig stuitte ik in onze bieb op deze novelle. Op de achterflap stond wel een mooie typering: ‘Jutta Richter laat haar lezer peinzend achter: hoe kan het dat de mens, die eindeloos verlangt naar liefde en leven toch altijd weer strandt op jaloezie, wrok, verdriet en vertwijfeling.’

Het gaat over de mens en wat hem drijft. Zoals een van de personages in het boekje (de poes) de mens typeert: ‘Zo zijn mensen immers? Naderhand zeggen ze altijd dat ze het niet wilden. Maar eerst doen ze precies wat ze niet willen.’

En de oorsprong van alles? Dat was toch die appel? Begon alle ellende daar niet mee?

Jutta Richter geeft met haar verbeeldingskracht een interpretatie van het oorsprongsverhaal uit de bijbel, die uitnodigt tot verder denken:

“‘Adam, ik was je vriend en ik dacht dat jij de mijne was. Ik geloofde dat onze vriendschap niet kapot kon. Ik geloofde soms dat ik mezelf terugzag in jouw ogen. Ik was zoals jij en jij was zoals ik. Ik heb me vergist, Adam. Ik heb me vergist in jou. In je ogen lees ik angst. Je bent bang voor mij. Maar Adam, voor je vrienden hoef je toch niet bang te zijn! Een mens is bang voor zijn vijanden! Je denkt nu dat ik je vijand ben, je denkt dat ik je zal verstoten omdat je vrouw die appel buiten mij om geplukt heeft. Daar ben je bang voor en daarom ben je bang voor mij. Je hebt zo weinig vertrouwen in mij! En het is bitter voor me, te zien hoe je je in allerlei bochten wringt om mij maar niet te hoeven aankijken. Te zien hoe je de liefde die ik voor je koesterde in het stof vertrapt heb.’

Hij keek Adam aan.

‘Nog vandaag zul je deze plaats verlaten. Niet vanwege die ene appel, dat zou kleinzielig en goedkoop zijn. Je vertrekt omdat je bang bent en omdat het nooit meer zo kan zijn als eerst, je vertrekt omdat je onze vriendschap verraden hebt!’

Na deze woorden draaide hij zich om en liep met moede schreden weg. En Adam keek hem na, op zijn beurt uit steen gehouwen. Zo stonden ze daar lange tijd, Eva gehuld in zijn mantel en Adam bleek en verstard. Ze konden het nog niet bevatten.”,

(Citaten uit Jutta Richter, De oorsprong van alles, Uitgeverij Brandaan, Barneveld, 2009, p. 41 en 51-53).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s