Beroep op de bijbel

1. Rekening houden met de context

Een hermeneutische regel bij de interpretatie van de bijbel is dat je rekening houdt met de oorspronkelijke context. Deze regel is vooral belangrijk om bij je beroep op de bijbel niet in biblicisme te vervallen: het staat in de bijbel, dus het is gerechtvaardigd of het is zelfs verplicht om vandaag eenzelfde opvatting, visie, regel of wet er op na te houden.

Een treffend voorbeeld is de doodstraf. In veel landen is de doodstraf afgeschaft. In Nederland gebeurde dit in 1870, in Frankrijk bijvoorbeeld in 1981. Toch zijn er christenen die pleiten voor (een herinvoering van) de doodstraf. Zo betreurt J. Douma het dat de doodstraf bij de grondwetsherziening van 1983 zelfs uit het militaire recht en uit het oorlogsrecht geschrapt is.

Interessant is dat Douma tegelijk laat zien, dat een pleidooi voor de doodstraf niet vanzelfsprekend is, zelfs al is het duidelijk dat in de bijbel op verschillende misdrijven de doodstraf moest volgen en hij op grond van teksten uit het Oude en Nieuwe Testament niet anders kan concluderen dan dat de bijbel in positieve zin over de doodstraf spreekt.

 

2. Casus: J. Douma over de doodstraf

In het beroep op de bijbel ter legitimering van de doodstraf hebben vanouds twee bijbelteksten een belangrijke rol gespeeld, te weten Genesis 9:6 en Romeinen 13:4.

Een beroep op de tekst uit Genesis heeft zoveel haken en ogen en roept zoveel vragen op, dat Douma concludeert dat: ‘we moeilijk met een beroep op Gods wil [kunnen] zeggen, dat een christen in de huidige situatie zonder enige twijfel voor de herinvoering van de doodstraf zou moeten zijn. ‘Zonder enige twijfel’ zou betekenen dat we een duidelijke boodschap in de bijbel vonden over wat vandaag nog wel en wat niet meer de doodstraf verdient. Maar die boodschap is er niet.’

Anders staat het wat hem betreft met de tekst uit Romeinen. Volgens Douma kunnen we op grond van deze tekst wel zeggen, dat de huidige overheid het recht heeft om de doodstraf toe te passen. Tegelijk geeft hij aan, dat het niet uit de bijbel af te lezen is in welke gevallen de doodstraf vandaag opgelegd zou mogen worden.

Het lijkt een impasse. Zowel op grond van het Oude Testament als het Nieuwe Testament kunnen wij ons niet op de bijbel beroepen wat betreft de situaties, waarin de doodstraf gepast is. Toch leidt dit bij Douma niet tot een afwijzing van de doodstraf. Er zijn aan de bijbel noties of richtlijnen te ontlenen, die kunnen leiden tot een verantwoorde toepassing van de doodstraf: ‘wat wij weten over God en zijn gerechtigheid, alsook dat de overheid in de dienst van God staat als ‘toornende wreekster’ voor hen die kwaad bedrijven’. Dat geeft hem voldoende vrijmoedigheid om het opleggen van de doodstraf als een recht van de overheid te zien.

Toch blijft het wat hem betreft een recht, dat slechts in uitzonderlijke gevallen voltrokken mag worden. Als het om moord gaat, zullen wij op grond van het moderne strafrecht anders oordelen dan in Israel moest gebeuren. Opzet en voorbedachte rade spelen vandaag een rol, evenals de vraag of de dader toerekeningsvatbaar is. Daarnaast leggen wij vandaag gevangenisstraffen op: een (levens-)lange gevangenisstraf kan even vergeldend en preventief werken als de doodstraf in het oude Israel.

Tot de bijzondere gevallen dat de doodstraf voltrokken zou mogen worden, hoort volgens hem zeker de doodstraf in tijden van oorlog: ‘Het is ondenkbaar dat militairen en spionnen die verraad plegen, niet ter dood gebracht zullen worden. Dat geldt ook voor oorlogsmisdadigers van het formaat van Hitler en Eichmann. Ook iemand die als dictator de bevolking heeft geterroriseerd, zoals Ceausescu in Roemenië deed, verdient de doodstraf. De misdaad kan zo groot zijn dat een doodvonnis, voltrokken door een vuurpeloton, een genadige vergelding mag heten.’

Maar ook in vredestijd hoeft de doodstraf niet als rechtsmiddel te worden uitgesloten. Dat geldt zijns inziens voor situaties, waarin mensen anderen van het leven beroofd hebben, zonder dat daar verzachtende omstandigheden voor aan te voeren zijn. B.v. wanneer terroristen gijzelaars neerschieten, misdadigers kinderen vermoorden of wanneer iemand moord op moord pleegt. Zowel vanuit het motief van vergelding als vanuit preventie kan de doodstraf dan een te verdedigen optie zijn.

 

3. Beroep op de bijbel

De doodstraf is om verschillende redenen een interessante casus voor verantwoord bijbelgebruik. Allereerst omdat de bijbel positief over de doodstraf spreekt. Tegelijk is het duidelijk dat wij de bijbelse wetgeving voor het opleggen van de doodstraf niet zo maar over kunnen nemen: daar is onze sociale context te verschillend voor.

Hoe kun je in zo’n situatie je handelen als bijbels of christelijk verantwoorden? Zoals we heel vaak doen door een beroep te doen op bepaalde bijbelse noties, principes of richtlijnen, die wij dan in onze eigen context mogen invullen of concretiseren. Niet aan elk christelijk handelen hoeft altijd een expliciet bijbels gebod ten grondslag te liggen.

Dit maakt het beroep op de bijbel er niet gemakkelijker op. Mijns inziens in tegendeel. Juist bij de invulling van de richtlijnen breng je je zelf als persoon nadrukkelijker in het spel. Des te meer zul je het gevaar van willekeur en het legitimeren van je eigen voorafgaande overtuigingen onder ogen moeten zien. Op dit punt heeft Douma mij in zijn pleidooi voor de doodstraf nog niet kunnen overtuigen.

Allereerst: zijn terechte conclusie dat wij vanuit de bijbel niet kunnen beargumenteren in welke situatie de doodstraf passend is of niet, blijft ook staan als hij een beroep doet op de noties, dat God gerechtigheid wil en dat de overheid de taak heeft gekregen om het onrecht te wreken. Is het gegeven dat Paulus in de brief aan de Romeinen instemt met het feit dat de Romeinse overheid in zijn tijd bevoegd is om de doodstraf te voltrekken voldoende om vandaag te pleiten voor een herinvoering van de doodstraf? Daar wil ik graag nog eens over doordenken. Ik kan me namelijk niet aan de indruk onttrekken, dat het verschil tussen de wetgeving in Oude Testament en Nieuwe Testament minder groot is dan die tussen het Nieuwe Testament en vandaag. En als je je voor het invoeren van de doodstraf niet kunt beroepen op het Oude Testament, waarom dan wel op het Nieuwe? Heeft Douma zich echt wel voldoende rekenschap gegeven van de verschillen op sociaal, politiek, economisch en psychosociaal gebied tussen de antieke samenlevingen en onze moderne maatschappij?

Ten tweede is voor mij de overgang van het principe van Gods gerechtigheid naar de legitimering van de doodstraf wel een heel snelle en kort door de bocht. Gods recht en zijn gerechtigheid zie ik belichaamd in het leven, sterven en de opstanding van Jezus Christus. Wat is de verbinding tussen de eschatologie en de geschiedenis? Heeft God het brengen van zijn gerechtigheid nu uitbesteed aan de overheid? En zo ja, valt onder wraak oefenen ook het toepassen van de doodstraf? Heeft de notie van Paulus voor de gelovige: ‘Neem geen wraak, maar laat God rechter zijn’ geen betekenis voor de wijze waarop de overheid recht spreekt? Kun je zo gemakkelijk zeggen: ‘Wraak is ons verboden, maar de overheid duidelijk niet. Wat wij niet mogen, mag zij wel’? Voor Douma zijn het zaken, waar hij als vanzelfsprekend lijkt uit te gaan. Ik heb de behoefte aan een onderbouwing daarvan voordat ik met zijn pleidooi voor de doodstraf mee kan gaan.

[Citaten komen uit:
– dr. J. Douma, De Tien Geboden II, Kampen, 1986
– dr. J. Douma, Ethiek en Recht, Kampen, 1990]

Advertenties

Geloofsbelijdenissen

Geloofsbelijdenis voor de Goede Vrijdag

“God, breng mij uitkomst,
HEER, kom mij haastig te hulp.

Dat beschaamd en vernederd worden
wie mij naar het leven staan,
met schande terugwijken
wie mijn ongeluk zoeken,
beschaamd zich omkeren
wie de spot met mij drijven.

Wie bij u hun geluk zoeken
zullen lachen en vrolijk zijn,
wie van u hun redding verwachten
zullen steeds weer zeggen:
‘God is groot!’

Ik ben arm en zwak,
God, kom haastig,
u bent mijn helper, mijn bevrijder,
HEER, wacht niet langer.”

NBV Psalm 70, 2 – 6.

 

Geloofsbelijdenis voor de 1e Paasdag

“Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.

HEER, mijn God, ik riep tot u
om hulp en u hebt mij genezen.
HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven.

Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn,
loof zijn heilige naam.

Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.
Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen.
HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven.”

NBV Psalm 30 : 2 – 6 en 12 – 13.