Desiderata en het lijstje van Trimp

Het feest van St. Nicolaas is voorbij en de verlanglijstjes kunnen opgeborgen worden tot volgend jaar of tot de eerstkomende verjaardag. Zo gaat dat met deze verlanglijstjes. Het gaat meestal over zaken die je niet direct nodig hebt. Het zou mooi of fijn zijn, dat je ze kreeg, maar het is geen ramp wanneer de Sint niet alle verlangens heeft kunnen vervullen. Op een later tijdstip kunnen de lijstjes dan weer van pas komen.

Er zijn ook verlanglijstjes die hoger op de agenda zouden moeten staan. Verlanglijstjes die als ze niet vervuld worden, tot achterstand in een ontwikkeling leiden. Of als je er niet aan werkt, je op een gegeven moment moet constateren dat je niet verder kunt. Omdat je de noodzakelijke tools niet tot je beschikking hebt om een bepaald probleem aan te kunnen pakken, laat staan om ze op te kunnen lossen.

Dat is de situatie waarin de gereformeerde theologie zich vandaag bevindt. Die heeft geen instrumentarium tot zijn beschikking om met de hermeneutische vragen rond bijbel en schriftgezag om te gaan. Iedere keer als zich een vraagstuk op dat gebied voordoet is de verlegenheid met handen te tasten. Ik hoef de items niet uitgebreid te benoemen. De afgelopen jaren hebben ze voortdurend het gesprek en de polemiek bepaald: schepping en evolutie, de vrouw en het ambt, de omgang met homoseksualiteit, geloof en wetenschap.

Er wordt wel gezegd dat er in de GKV-kerken gewerkt wordt met een ‘nieuwe’ hermeneutiek, waarbij de ‘oude’ (gereformeerde) hermeneutiek geen gelding meer zou hebben. Ik geloof daar niet in. Wat ik zie is dat het instrumentarium van de oude gereformeerde hermeneutiek niet toereikend is om de hedendaagse problemen op te lossen. En dat komt, omdat die daar niet geschikt voor is.

Kort aangeduid: de traditionele gereformeerde hermeneutiek is met name geschikt om de (oorspronkelijke) betekenis van een tekst vast te stellen, maar ze biedt (te) weinig houvast om uitspraken te doen over de eigentijdse toepassing en het gebruik van de gevonden betekenis. Gereformeerde bijbelwetenschappers beschouwden de uitleg en de exegese als hun corebusiness en daar hebben ze in hun hermeneutiek de regels voor vastgelegd. Maar zo gauw de vraag gesteld werd naar de toepassing en het gebruik van teksten, dan verwezen ze naar de systematische en de praktische theologen: dat was niet hun pakkie-an.

Het nadenken over de toepassing van teksten is er natuurlijk altijd geweest. Een vakgebied waarin dat bij uitstek centraal staat is de rechtswetenschap. Maar ook in de theologie is er bezinning geweest en heeft men geprobeerd methoden te ontwikkelen om bijbelteksten te gebruiken.

In de dogmatiek heeft de methode van de loca probantia lange tijd opgeld gedaan. Daarbij werd de bijbel als een bron van bewijsteksten gezien, die je systematisch met elkaar kunt verbinden om tot een beslissing over een bepaalde kwestie te komen. Tegenwoordig wordt deze methode niet meer zo toegepast, omdat er meer oog is gekomen voor het grote gevaar daarin, dat je te weinig rekening houdt met de context in de bijbel zelf of de tijd waarin de tekst ontstaan is, en dan je eigen ‘bijbelse’ waarheid kunt creëren.

Ook binnen de homiletiek – het nadenken over het maken en houden van een preek – is de vraag naar de toepassing van oudsher een belangrijk onderdeel van het vak geweest: wat betekent de bijbeltekst voor vandaag? De discussie over heilshistorische en exemplarische prediking in de 20-er en 30-er jaren van de 20e eeuw is een voorbeeld van hoe men geprobeerd heeft hiervoor een verantwoorde theorie te ontwikkelen.

Een samenhangende theorie over de toepassing van de bijbel is er in de gereformeerde theologie helaas tot nu toe niet gekomen. Als belangrijke reden daarvoor zie ik, dat het methodisch nadenken over de toepassing van teksten in de 50-er, 60-er en 70-er jaren in een kwade reuk kwam te staan en weggezet werd als een vraagstelling van de ‘moderne hermeneutiek’, waar je niet mee in zee mag gaan: ze is ongereformeerd.

Deze negatieve houding tegenover de ‘moderne hermeneutiek’ heeft alles te maken met de invloed van de existentialistische filosoof Martin Heidegger op de moderne theologie in Duitsland. Met name de nieuwtestamentici Rudolf Bultmann en Ernst Fuchs hebben zich sterk door de hermeneutische filosofie van Heidegger laten inspireren, terwijl juist gereformeerde nieuwtestamentici als Herman Ridderbos en Jakob van Bruggen zeer fel in hun afwijzing van deze theologen en hun theologie zijn geweest.

Het gevolg is geweest, dat met de inhoudelijke afwijzing van een bepaalde hermeneutische theologie ook de hermeneutische vraagstelling als zodanig verdacht is gemaakt. Daar plukken wij nu de wrange vruchten van, omdat het systematisch nadenken hoe je die hermeneutische vraagstelling zou kunnen behandelen niet verder op gang is gekomen. Wij missen de methodische tools om de vraag naar de toepassing van de bijbel verantwoord te kunnen laten plaatsvinden. Dit is volgens mij ook de reden, dat juist rond vragen over schepping en evolutie, de vrouw en het ambt of homoseksualiteit, – die juist gaan over de toepassing van de bijbelteksten, – zo vaak mensen beschuldigd worden van het hanteren van een ‘nieuwe hermeneutiek’. Terwijl het niet zozeer een zaak is van ‘nieuwe hermeneutiek’ als wel van een ‘nieuwe hermeneutische vraagstelling’. Het is de uitdaging is om zo’n nieuwe vraagstelling zo verantwoord mogelijk te behandelen.

En daarmee kom ik terug bij dat verlanglijstje. De huidige hermeneutische impasse komt m.i. omdat men in de gereformeerde theologie te weinig heeft gedaan met wat ik kortweg aanduid als ‘het lijstje van Trimp’.

C. Trimp was aan de TU Kampen systematisch en praktisch theoloog. Meerdere malen heeft hij de roeping van de gereformeerde theologie benadrukt om ‘te volharden in haar arbeid aan de nadere ontvouwing van het geopenbaarde welbehagen des Heeren’ en de vragen rond Schriftgezag verder te behandelen. In zijn proefschrift in 1961 vult hij de desiderata-lijst van de oudtestamenticus B. Holwerda uit 1942 aan met een specifiek verlanglijstje op het gebied van a) hermeneutiek en canoniek, b) exegese en c) dogmatiek. Hij roept daarbij de gereformeerde theologie op om haar ‘tijd’ ten nutte te maken.

Later heeft hij dat lijstje een enkele keer herhaald, o.a. toen hij in 1963 sprak over ‘de historische roeping van Kampen’. Hij sluit zijn lijstje dan af met de profetische woorden: ‘Zou al deze arbeid niet worden aangevat, dan zal de wraak over deze nalatigheid zich eenmaal aan ons presenteren in een verlies aan aansluiting aan de concrete situatie’.

De hermeneutische vraagstelling niet serieus nemen betekent volgens Trimp uiteindelijk dat je de relevantie van de bijbel als Gods woord zult verliezen en dat de kerk het gevaar loopt tot een secte te vervallen.

Volgens mij is dat lijstje van Trimp nog meer dan actueel. Willen wij uit de huidige hermeneutische impasse komen, dan is er voor de gereformeerde theologie werk aan de winkel.

Advertenties

Goed lezen

In het Nederlands Dagblad van 3 december jl. voert dr. Paul Voorberg in een ingezonden een pleidooi voor de kracht van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg van het scheppingsverhaal in Genesis.

Aanleiding is de uitspraak van dr. G. van den Brink in een interview in het ND van 28 november, dat ‘geen mens zich meer letterlijk voorstelt dat God de mens boetseerde (maakte van ‘klei’)’. Daartegenover poneert Voorberg dat hij de euvele moed heeft zich dat wel letterlijk voor te stellen. Maar dat kan wat hem betreft alleen, ‘wanneer je goed leest wat er staat.’

Naar aanleiding van het interview stelt hij aan Van den Brink, – die bij de interpretatie van Genesis er rekening mee wil houden dat God het leven op aarde heeft geschapen via de weg van evolutie -, vier vragen. Voorberg hoopt dat hij op basis daarvan aan kan tonen dat de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg nog steeds heel goed te verdedigen is en dat Van den Brink een veel te stellig verhaal lanceert.

Maar wanneer lees je goed? Je zou verwachten, dat Voorberg ingaat op de hermeneutische vooronderstellingen in de verschillende interpretaties van Genesis. Dat hij in het ingezonden zou laten zien dat de hermeneutische vooronderstelling van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg van Genesis nog degelijk hout snijdt. Of dat de hermeneutische vooronderstellingen van Van den Brink niet te verantwoorden zijn. Uiteindelijk komen de verschillen in de uitleg van het scheppingsverhaal hier toch uit voort. Merkwaardigerwijs doet hij dat niet. Voorberg argumenteert met name op het niveau van de tekstexegese. Daarbij gaat hij er te gemakkelijk vanuit dat de eigen hermeneutische vooronderstellingen vanzelfsprekend zijn.

Een voorbeeld hiervan is dat Voorberg zich voor zijn letterlijke interpretatie beroept op het Hebreeuws, dat in Genesis een woord gebruikt dat je kunt vertalen met ‘beeldhouwen’. “God nam ‘stof’ (materie) van deze aarde en vormde dat, scheppend als een beeldhouwer, om tot een mens.” Toch is dit geen voldoende argument om de tekst in zijn geheel als letterlijk-historisch te lezen. Beslissend is namelijk in wat voor soort tekst dat woord ‘beeldhouwen’ voorkomt. Dat is de vraag naar het genre van de tekst. Maar die vraag stelt Voorberg niet aan de orde. Het genre bepaalt of je de hermeneutische beslissing neemt om de tekst als ‘letterlijk-historisch’ te lezen (zoals in de klassieke-gereformeerde bijbeluitleg altijd standaard is geweest) of om de tekst te lezen als een tekst met figuratieve elementen, (zoals Van den Brink nu voorstelt om te doen).

Dat hij geen oog heeft voor de hermeneutische vooronderstellingen blijkt ook uit de soort vragen die Voorberg in zijn ingezonden stelt. Vraag 2 (hoe moet je tegen het huwelijk van Kain aankijken?) en vraag 4 (wat betekent het woordje ‘goed’ in de tekst van Genesis?) bevinden zich bij uitstek op het gebied van de tekstexegese. Vraag 3 vraagt naar de consequentie van een bepaalde exegese voor de dogmatiek, met name voor het Godsbeeld.  Terecht merkt hij daarbij op, dat Romeinen 8 wel degelijk over het lijden van de schepping spreekt. Helaas voegt dit element aan het gesprek over de hermeneutische voorvragen niet zoveel toe.

Alleen vraag 1 is van de vier vragen nog het meest gericht op de hermeneutische vooronderstellingen van de verschillende interpretaties van Genesis. Daarin stelt Voorberg de invloed en betekenis van de natuurwetenschap op de interpretatie van Genesis aan de orde. Heeft Van den Brink niet te veel respect voor de natuurwetenschap en te weinig besef dat de (natuur)wetenschap op interpretatie gebaseerd is? Waarom heeft hij een voorkeur voor de natuurwetenschappelijke interpretatie ten opzichte van de klassiek-gereformeerde exegese?

Het vreemde van deze opmerkingen en vragen is echter dat Voorberg zelf in het interview al de antwoorden van Van den Brink daarop had kunnen vinden. Zelfs het belangrijkste argument van Voorberg tegen de visie van Van den Brink – ‘wetenschappelijke interpretaties zijn feilbaar’ -, wordt door Van den Brink genoemd en van commentaar voorzien. Voorberg beseft terdege dat deze feilbaarheid ook geldt voor de interpretaties die theologen van de bijbelgegevens naar voren brengen en dat je de interpretatie van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg niet als ‘onomstotelijke waarheid’ kunt brengen. Vermoedelijk spreekt hij daarom ook niet over ‘de onomstotelijkheid van de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg’, maar over ‘de kracht’ daarvan.

Ik vind dat Voorberg in zijn ingezonden het gesprek over de wezenlijke vragen bij de uitleg van Genesis niet bevordert. Redenerend vanuit het klassieke-gereformeerde paradigma komt hij tot een viertal vragen over het nieuwe paradigma dat Van den Brink voorstelt. Daarmee toon je echter de kracht van het klassieke paradigma niet aan. Die zal pas duidelijk worden, wanneer de klassiek-gereformeerde bijbeluitleg van Genesis de hermeneutische vragen over schepping, evolutie en het bijbelse wereldbeeld in haar paradigma weet te integreren.

Het ingezonden van Voorberg zie ik daarom vooral als een gemiste kans om met Van den Brink over de hermeneutische vooronderstellingen bij de uitleg van Genesis door te spreken. Onnodig te zeggen, dat het interview daarvoor mogelijkheden te over biedt om bij aan te sluiten.