Tamar en de m/v-ambt discussie

In de geschiedenis van Tamar en Juda zoals we die in Genesis 38 tegenkomen, zie je een inzichtgevend voorbeeld van hoe de verhoudingen tussen man/vrouw in een patriarchale samenleving vorm wordt gegeven.

Juda, de vierde zoon van Jakob, is getrouwd met Batshua, een Kanaanitische. Samen krijgen ze drie zoons. Als zijn zonen volwassen worden, zoekt Juda een vrouw voor ze. Zo komt  Tamar in beeld. Hij kiest haar als vrouw voor zijn oudste zoon Er. Zij zullen hopelijk de geslachtslijn van zijn huis voortzetten.

Voordat Tamar zwanger wordt, sterft Er. Juda geeft daarop Tamar aan zijn tweede zoon Onan als vrouw, zodat hij nageslacht bij haar kan verwekken. Dat was in het Oude Oosten een gebruikelijke manier om iemands naam en herinnering te laten voortleven. Verder was zo’n zwagerhuwelijk een middel om de bezittingen van de overleden man in de familie te houden en om er voor te zorgen dat de weduwe niet rechteloos achterbleef.

Niet lang daarna sterft ook Juda’s tweede zoon. Omdat Juda bang is dat ook zijn derde zoon Sela zal sterven wanneer hij hem Tamar als vrouw zal geven, zendt hij Tamar terug naar het huis van haar vader.

Juda stuurt Tamar als weduwe terug naar haar vader in plaats van dat hij als hoofd van zijn huis de zorg voor haar op zich neemt. Haar vader zal haar niet zonder slag of stoot in zijn huis hebben opgenomen. Hoewel ze er geen enkele invloed op uit heeft kunnen oefenen, heeft ze de eer van de familie te schande gemaakt. Tegelijk is ze met huid en haar met het huis van Juda verbonden, omdat ze onder het patriarchale gezag van Juda blijft vallen. Zonder zijn instemming zal ze niets kunnen doen, laat staan met een ander trouwen. Ze is toegezegd aan Sela, ook al weigert Juda haar te laten trouwen. Al met al heeft zij geen andere toekomst dan om als weduwe te sterven. Kinderen zal ze niet krijgen. Zo gauw ze zich met een andere man seksueel verbindt, zal ze van overspel beschuldigd worden.

Zo werkt dat in een patriarchale samenleving. Net zoals het in zo’n samenleving vanzelf spreekt dat je als man seksueel contact kunt hebben met een meisje of vrouw, zolang ze maar niet onder iemands gezag valt. Prostituées zijn van die vrije vrouwen. Ze worden veracht om wat ze doen, tegelijk profiteren de mannen er behoorlijk van. Wel de lusten, maar de lasten worden op de vrouwen afgeschoven. Dat blijkt later in de geschiedenis. Juda heeft zonder te weten dat het zijn schoondochter is, seksueel contact met haar. Hij denkt dat ze een hoer is. Wanneer drie maanden later blijkt dat zijn schoondochter zwanger is, vindt Juda steniging voor haar te weinig en eist hij de verbranding van Tamar.

Tamar kon zich niet aan die patriarchale cultuur onttrekken: ze had er creatief mee te dealen. En daarbinnen heeft ze een groot risico genomen. Voor haar maakt het kennelijk niet zoveel meer uit of ze nu de doodstraf krijgt omdat ze door Juda als overspelige wordt aangemerkt of doordat ze ‘gewoon’ van Juda levenslang krijgt. Haar toekomst is weg. Uit de geschiedenis blijkt dat ze dat risico neemt, omdat ze koste wat kost trouw wil blijven aan haar schoonfamilie. Net als die weduwe in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter wordt ze gedreven door het zoeken van gerechtigheid. Een gerechtigheid die Juda erkent, als hij zegt: ‘Niet ik, maar zij staat in haar recht!’

De vraag waar wij als gereformeerden behoorlijk verlegen mee zijn, is hoe wìj met die patriarchale cultuur in de bijbel hebben te dealen. Dat blijkt m.n. bij het nadenken over de vraag van ‘man/vrouw en het ambt’. De visie dat de vrouw van het ambt moet worden uitgesloten, komt uiteindelijk voort uit dit principe van de patriarchale samenleving: de vrouw mag niet over de man heersen, omdat zij onder het gezag van de man valt. De man is het hoofd van de vrouw en zij moet hem onderdanig zijn.

Een van de manieren om hiermee om te gaan is dat wij een onderscheid hebben ingevoerd dat mannen en vrouwen in de bijbel wel gelijkwaardig zijn, maar niet gelijk. Voor zover ik kan zien is dat een onderscheid dat wij vanuit een westers perspectief maken, maar dat in een patriarchale samenleving domweg niet werkt. Tamar heeft geen gelijkwaardige positie ten opzichte van Juda. Ze heeft zich gewoon te schikken.

Een tweede manier is dat wij het hoofd-zijn van de man met een beroep op Efeziërs 5,21 hebben geherdefinieerd als ‘dienende liefde’. Overigens is dit een exegese die nog maar een paar decennia algemeen aanvaard wordt.

Beide manieren zijn pogingen om het problematische van de patriarchale cultuur voor onze visie op de m/v-verhouding te verzachten of aanvaardbaar te maken, omdat wij ook recht willen doen aan het gezag van de bijbel.

Ik denk dat we in het gesprek over m/v en het ambt alleen verder komen als we de meer fundamentele vraag naar de relatie tussen de bijbelse openbaring en de cultuur aan de orde stellen. Eén van de basisaannames waardoor het voor velen onmogelijk lijkt dat vrouwen in het ambt zouden kunnen dienen, is dat de bijbelse openbaring en de patriarchale cultuur zo nauw met elkaar verweven zijn, dat er van een 1-op-1 relatie sprake is. Het afwijzen van de patriarchale gezagsverhouding betekent automatisch dat je het schriftgezag aantast.

Het is mooi dat deputaten M/V in het rapport dat afgelopen november verscheen, dit punt aansnijden en bespreken.[1] Tegelijk vind ik het jammer dat ze in de manier waarop ze keuzes maken en exegetische en hermeneutische conclusies trekken niet consistent zijn.

Aan de ene kant signaleren ze terecht dat de houding ten opzichte van vrouwen zeer cultuurbepaald geweest is en dat dit doorwerkt in de manier waarop vrouwen ten onrechte hun plek wordt gewezen:

‘[D]e bijeengebrachte bijbelgegevens doen de impact zien van de vloek van Gen. 3: nog steeds werkt het kwaad door in de man-vrouw-relatie en dat zorgt ervoor dat ook in onze tijd mannen en vrouwen nog steeds niet gelijkwaardig worden’ (15).

En voegen ze er als conclusie aan toe:

‘Het lijkt erop dat het evangelie (onzichtbaar maar zeker) vrouwen bevrijdt van hun ondergeschikte positie en hen naast de mannen plaatst’ (15).

Dit is in lijn met hun eerdere observatie, dat:

‘in de Bijbel de culturele tendens waarneembaar (is) om vrouwen te zien als ondergeschikt aan de man. Maar in de Bijbel wordt ook een tegenkracht zichtbaar die voortkomt uit Gods genadige verlossing en die voor de samenleving concrete aanzetten biedt tot herstel van de vanaf het begin bedoelde wederkerigheid in de man-vrouw-relatie’ (11).

Toch brengen ze deze inzichten niet in rekening als ze Paulus’ visie zo samenvatten en als normatief presenteren, dat het hoofd-zijn van de man in het huwelijk betekent, dat ‘van een man gevraagd (wordt) dat hij de koppositie inneemt en van zijn vrouw dat zij die koppositie aanvaardt’ (24). Hun eerdere conclusie dat het ‘in den beginne’ niet zo was wordt het zwijgen opgelegd. Ze kleuren in lijn met een eeuwenlange traditie de wederkerigheid in de man-vrouwverhouding bij de schepping opnieuw normatief in met een beroep op de patriarchaal gemotiveerde hiërarchische man-vrouw verhouding bij Paulus.

We zullen daarom eerst het thema van het schriftgezag in de man/vrouw en ambt discussie vanuit het perspectief van de aansluiting van de openbaring bij de toenmalige cultuur moeten doordenken, voordat het ons zal lukken om vrouwen in de kerk recht te doen.

Vanuit een westers perspectief typeren wij wat Juda ten opzichte van Tamar doet als een dubbele moraal. Een moraal mogelijk gemaakt door het uitbuiten van de gezags- en machtsrelaties tussen man en vrouw. Hoe lang nog laten wij Tamar kloppen op de bastions van ons gereformeerde patriarchale systeem, voordat wij zullen erkennen dat zij in haar recht staat?

 

[1] GKv Rapport deputaten M/V en ambt. Samen dienen (2016)

Advertenties