Ondergeschikt

Een groot struikelblok om de vrouw in de GKV in het ambt te aanvaarden is dat daarmee geen recht wordt gedaan aan het verschil tussen man en vrouw. Preciezer geformuleerd: dat dan onvoldoende rekening wordt gehouden met ‘het element van de ‘ongelijkheid’ van man en vrouw in het totaal van de Schriften.’

Men ziet deze ‘ongelijkheid’ door Paulus geformuleerd als hij de man het hoofd van de vrouw noemt en de vrouw oproept zich aan de man te onderwerpen. Omdat Paulus hierbij verwijst naar het oorsprongsverhaal van de mens in Genesis 1-3 is het ondergeschikt zijn van de vrouw aan de man in het verleden wel getypeerd als een scheppingsordinantie.

Wanneer een vrouw het ambt zou bekleden, komt zij als vrouw niet alleen op het zelfde niveau als haar mannelijke mede-ambtsdragers te staan, maar krijgt zij ook als ambtsdrager gezag over de man. Omdat dit bijbels niet te verantwoorden zou zijn, is het onmogelijk om vrouwen als ambtsdragers te aanvaarden.

In de traditie heeft men daar een mooie slogan voor bedacht: mannen en vrouwen zijn wel gelijkwaardig, maar ze zijn niet gelijk. Het grote verschil is dat de man gezag over de vrouw heeft en leiding aan haar behoort te geven en dat de vrouw zich aan dat gezag en aan die leiding moet onderwerpen.

Dat is de theorie die men eeuwenlang op basis van bijbelse gegevens geconstrueerd en voor waar aangenomen heeft, maar die steeds meer haaks lijkt te staan op de praktijk zoals wij die in de bijbel lezen en in de huidige samenleving tegenkomen.

Interessant is de vraag hoe wij als gereformeerden met deze discrepantie om gaan. Ik zie dan twee bewegingen.

Allereerst dat men in de maatschappij erin berust of er geen punt van maakt, dat de positie tussen vrouw en man gelijkwaardig is en dat men er daarom van afziet een bijbels beroep op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man te doen. Hoogstens past men deze regel in theorie nog toe op de huwelijksverhouding, maar in de praktijk heeft dat nauwelijks consequenties.

Ten tweede heeft men in de kerk lange tijd geprobeerd het gezag van de man ten opzichte van de vrouw in de vormgeving van het gemeenteleven hoog te houden. Ik zie echter dat de argumentatie daarvoor steeds minder overtuigend wordt gevonden en dat steeds meer rollen en functies die voorheen alleen door mannen werden verricht nu ook door vrouwen vervuld worden.

Ook zie je dat de theorie de afgelopen 40 jaar lichtelijk aangepast is. Kon een synode in 1978 nog onbekommerd en absoluut spreken over ‘de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft’, daarvan zegt de synode in 1993 dat daarmee te weinig de Schriftgegevens in rekening worden gebracht:

waarin gesproken wordt over de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17, 18, Gal. 3:28, 1 Petr. 2:5,9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’[1]

Wel wordt met een verwijzing naar de ‘zwijgteksten’ uitgesproken dat binnen de kerk de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man tot uitdrukking moet komen:

1 Kor. 14:34-36 geeft geen absoluut zwijggebod voor de vrouw in de gemeente, maar verbiedt haar het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst;

1 Tim. 2:11-15 bevat een verbod voor vrouwen om leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst en zo gezag te oefenen over de man; uit deze Schriftgegevens valt terecht af te leiden dat de vrouw geen leer- of regeerambt mag vervullen in de gemeente[2]

Deze twee lijnen heeft de vorige synode in 2014 kennelijk als kader voor het gesprek over m/v en het ambt geprobeerd te combineren:

‘[H]et doorlopend spreken van de Schrift laat twee lijnen zien. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven; deze beide lijnen dienen verdisconteerd te worden.’[3]

Wat opvalt is dat men niet meer expliciet spreekt over het gezag van de man ten opzichte van de vrouw, maar over ‘verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven’. Wat dat is en hoe dat ingevuld kan worden, wordt echter niet toegelicht. Dat maakt deze richtlijn voor het gesprek onhelder. Ik vermoed dat sommigen het zullen opvatten als een impliciete verwijzing naar de ondergeschikte positie van de vrouw in de kerk.[4] Terwijl uit de rest van het besluit blijkt dat het bedoeld is om aandacht te vragen voor ‘het recht van vrouwen om ook hun gaven in te zetten in de kerk’. Maar dan wel zo ingekaderd, dat ‘het dragen van de verantwoordelijkheid voor de geestelijke leiding aan de gemeente’ toch alleen bedoeld is voor mannen.

Nu wordt het interessant om te zien hoe deputaten het binnen dit kader toch lukt om te pleiten voor een actieve ambtelijke rol van de vrouw in de kerk. Dat gebeurt op een soortgelijke manier als waarop in 1993 in de GKV aan de vrouw het actief kiesrecht is gegeven.

Destijds was het argument dat het stemmen van vrouwen onder de verantwoordelijkheid en de leiding van de kerkenraad plaats vond en dat de vrouw dus in het stemmen niet kon heersen over de man.

Nu betogen deputaten dat de ambten geen macht/gezag aan een enkele persoon bieden, maar dat het om een collectief dragen van verantwoordelijkheid gaat. Daardoor is er ook voor de vrouw ruimte, – zelfs als het gaat om een leidinggeven -, in het ambt te dienen, omdat zij daarin niet over de man kan heersen.[5]

In de uitkomst van het deputatenrapport kan ik mij vinden, – de vrouw mag in het ambt dienen – toch zou het de acceptatie helpen dat niet alleen de theorie van de ondergeschiktheid van de vrouw zoals die eeuwenlang opgeld deed ter discussie gesteld wordt, maar dat ook duidelijk gemaakt wordt dat deze deconstructie bijbels te verantwoorden is.

Mijns inziens is de bijbelse boodschap die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw, zonder daar als een tweede lijn aan toe te voegen en uit te spreken dat God de man een koppositie geeft en dat de vrouw een positie krijgt waarin ze dat vooropgaan moet accepteren.[6]

 

[1] Acta GS Ommen 1993, p. 41

[2] Acta GS Ommen 1993, p. 41.

[3] Acta GS Ede 2014-2015, p. 41

[4] In lijn b.v. met hoe in een deputatenrapport over het vrouwenkiesrecht uit 1978 over de positie van de vrouw in huwelijk en gemeente gesproken wordt: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden. Deze diversiteit in funktioneren is de zin, de kracht en de glans van het huwelijk. Ten aanzien van dit funktioneren valt te spreken van een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’ en als het over de gemeente gaat: ‘Ook daar moet de vrouw haar eigen plaats kennen, d.w.z. ‘zichzelf onderschikken’. Het is niet voorstelbaar, dat zij haar houding en funktionering in het huwelijk (voor het aangezicht van Christus!) vergeet en aflegt, zodra zij gaat deelnemen aan de samenkomst van de gemeente, die van deze zelfde Christus is en waarin deze Christus zelf tegenwoordig is. Slechts vérgaand spiritualisme kan voor zulk een geschift leven het pleit voeren. Dus zal de vrouw ook in de gemeente haar plaats kennen en op haar plaats blijven.’

[5] Samen Dienen. Rapport deputaten M/V en ambt, 2016, p. 36

[6] Zoals door deputaten geconcludeerd wordt, zie Samen Dienen. Rapport deputaten M/V en ambt, 2016, p. 24

Advertenties

Zwijgteksten

Kun je trouw aan de bijbel zijn en toch de vrouw in het ambt toelaten? Doe je dan wel recht aan de zogenaamde zwijgteksten van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2? Daar staat toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente?

Maar dit is dus waar het om gaat: staat er wel wat er zo op het eerste gezicht schijnt te staan en wat we altijd vanuit de traditie hebben aangenomen?

Teksten worden altijd gelezen vanuit bepaalde vooronderstellingen, anders krijgen ze geen betekenis. Dat is de grote ontdekking geweest van de hermeneutische filosofie in de 20e eeuw. De vraag bij elke interpretatie of exegese is of je bereid bent om je vooroordelen ter discussie te laten stellen door de tekst zelf.

Anders gezegd: ben je bereid om door het lezen van een tekst een schifting aan te brengen tussen je terechte en je onterechte vooroordelen? En dan je onterechte vooronderstellingen los te laten om zo tot een ander verstaan van de tekst te komen? Mag de tekst werkelijk het laatste woord hebben, ook al zal dat laatste woord zich alleen in de interpretatie van de tekst zelf door kunnen zetten?

Een tekst wordt altijd op een bepaalde manier waargenomen. Het woord is een tegenover, maar kan pas als een tegenover bestaan wanneer het gelezen en geïnterpreteerd wordt. Ben je bereid om de bril die je onvermijdelijk altijd op hebt, scherper te stellen zodat de tekst zelf ook echt zijn gezag kan uitoefenen?

Juist bij teksten die een beschrijving geven van een historische situatie is het te verwachten, dat er in de loop van de tijd nieuwe interpretaties zullen komen. De brieven van Paulus zijn geschreven in een bepaalde tijd, aan specifieke gemeenten en personen en vaak naar aanleiding van concrete situaties, die wij niet direct kennen en daarom bij het uitleggen van de brieven moeten invullen om tot een coherente lezing van de tekst te komen. Doordat wij vooral de laatste vijftig jaar veel meer zicht hebben gekregen op de historische, culturele, sociale, religieuze en politieke context waarin Paulus en de vroeg-christelijke gemeenten hun weg moesten vinden, is het niet verwonderlijk dat er ook nieuw licht op de brieven van Paulus gevallen is.

Als het gaat om m/v en het ambt denk ik met name aan de informatie over èn de betekenis van onderwerpen als ‘eer en schande’, het patronagesysteem in de Grieks-Romeinse samenleving, de rol van de vrouw in het publieke leven en binnen de huiselijke sfeer, de samenstelling van het huis en de ‘household’, dat niet alleen uit een kern-gezin bestaat, maar uit een ‘extended family’, waar ook andere familieleden en slaven deel van uitmaakten. Al deze informatie helpt ons om een beter zicht te krijgen op het functioneren van de huisgemeenten en op de context waarin Paulus zijn aanbevelingen over de positie van de vrouw in de gemeente doet.[i]

De vraag is of je op basis van deze nieuwe informatie bereid bent om de bestaande vooronderstellingen in de traditionele exegese van de zwijgteksten opnieuw onder ogen te zien en te schiften tussen houdbare en niet-houdbare vooronderstellingen? Zelfs al zal dat leiden tot een andere uitleg van deze teksten en tot het openstellen van de ambten voor de vrouw in de GKV?

Dat is de uitdaging waar wij als gereformeerden voor staan. Tenminste dat lijkt me logisch, willen we werkelijk trouw aan de boodschap van de bijbel zijn.

[i] Goed leesbare standaardwerken zijn nog altijd Wayne A. Meeks, The First Urban Christians. The Social World of the Apostle Paul, Yale University, 1983 en Robert J. Banks, Paul’s Idea of Community. The Early House Churches in Their Cultural Setting, Hendrickson Publishers, 2007, revised edition. Voor een specifieke toepassing op het onderwerp m/v en de vroege kerk verwijs ik naar Cynthia Long Westfall, Paul and Gender. Reclaiming the Apostle’s Vision for Men and Women in Christ, Baker Acadamic, 2016.