Pater Jan van Kilsdonk, (19 maart 1917 – 1 juli 2008)

Ik weet niet meer hoe pater Jan van Kilsdonk S.J. mijn leven binnen is gekomen. Waarschijnlijk door een documentaire eind jaren ’80 of begin ’90. Wat mij bij bleef is het verhaal, dat hij na afloop van de pastorale gesprekken die hij voerde heel vaak de volgende dag brieven schreef. In de contemplatieve taal van de brief kon volgens hem de verborgen rijkdom van het gesprek beter tot zijn recht komen dan in het gesproken woord zelf. Zo ontstond een pastoraat van duizenden, vaak lange brieven die door velen bewaard zijn, omdat zij er persoonlijk door geraakt werden.

Al was hij in 1982 als studentenpastor in Amsterdam met emeritaat gegaan, nog vele jaren ging hij elke avond de straat op, tot diep in de nacht. Velen kenden hem, spraken hem aan en vonden een luisterend oor. Jongeren, van huis vervreemd, die levend in de grote stad hun plek in de samenleving zochten. Maar vooral was hij een steun voor homoseksuelen en lesbiennes. Een pastor die ook met ontferming bewogen was om al degenen die in de jaren ’80 en ’90 met aids besmet raakten en voor wie op dat moment geen genezing mogelijk was. Hij was een trouw bezoeker als ze op de afdelingen van het AMC verpleegd werden en was bij hen als ze onvermijdelijk aan deze ziekte overleden. Tot op hoge leeftijd heeft hij velen van hen begraven.

Afgelopen weken kwam ik hem weer tegen in de biografie die Wiel Kusters over het leven van Kees Fens geschreven heeft.[i] Hoe hij nadat hij in Kamp Vught als aalmoezenier onder gedetineerde ex-NSB’ers en andere politieke gevangenen gewerkt had, godsdienstleraar werd op het St. Ignatiuscollege in Amsterdam waar o.a. de literatuurcriticus Kees Fens en de theoloog-dichter Huub Oosterhuis leerlingen van hem zijn geweest. Anders als andere godsdienstleraren in die tijd, maakte hij hen niet alleen vertrouwd met de traditionele rooms-katholieke dogmatiek, maar ook met de actualiteit in het bijzonder met wat er in de wereld speelde aan sociale nood.

Sinds hij in 1947 in Amsterdam aankwam, is pater Van Kilsdonk daar niet meer weg gegaan. Op 1 juli 2008 is hij er op 91-jarige leeftijd overleden. Als hij nog geleefd had, zou hij dit jaar dus 100 zijn geworden. In het boek van Kusters wordt het feest van zijn 70e verjaardag en zijn 40-jarig ambtsjubileum in de stad gememoreerd, dat op 16 mei 1987 in de Nieuwe Kerk groots gevierd werd. Fens kon er niet bij aanwezig zijn.

Van Kilsdonk was kritisch op de rooms-katholieke kerk en het dogma, waardoor hij tot tweemaal toe bijna uit zijn functie als pastor ontheven is geweest. Desondanks is hij niet als zoveel andere priesters in de jaren ’60 en ’70 uit de Jezuïetenorde getreden en heeft hij ook niet openlijk afstand van de kerk genomen. Zelf wijst hij als reden daarvoor op de liefde en de onbaatzuchtigheid van velen die door het christelijke geloof gemotiveerd zijn en op de dienstbaarheid aan en de beschikbaarheid voor mensen die hij in de kerk tegen is gekomen. Daarom was en bleef hij christelijk katholiek.

Intrigerend blijft voor mij zijn verhouding tot het atheïsme en de twijfel over het bestaan van God. Daaruit blijkt dat hij overtuigd is, dat God niet op een dogmatische of theologische formule gebracht kan en mag worden. Hij had al vroeg een kritische houding en een ontvankelijkheid voor twijfel. Na zijn achttiende jaar heeft hij niet meer een ‘niet door twijfel aangetaste zekerheid omtrent de fundamentele geloofswaarheden’ gekend. Bidden heeft hij dan ook nooit zonder enige twijfel kunnen doen. Daarom kan hij mensen die zeggen niet in God te geloven goed begrijpen. Hij herkent dan de atheïst in zichzelf, omdat hij alle vormen van geloof en ongeloof in zichzelf heeft meegemaakt. Ten diepste beschouwt hij zich als een agnost en noemt hij zichzelf vrijzinnig. Hij vindt het heelal echter zo overweldigend, dat hij de godsgedachte ‘intellectueel tamelijk bevredigend’ acht: ‘Ik kan niets waterdicht bewijzen, maar te roepen dat geloof primitief is en achterhaald, nee. Ik denk dat beide partijen [geloof en ongeloof] erg bescheiden moeten zijn.’

Toch heeft hij als priester nooit het geloof geveinsd. Voor zover ik dat kan duiden heeft dat te maken met de kracht van het ritueel in de katholieke traditie. Godsdienst is voor hem een menselijke activiteit, die bestaat bij de genade van de onmiddellijke ervaring van een andere werkelijkheid, die wij God noemen. In de kerk heeft hij die ervaring gevonden in de bediening van de sacramenten. Kernwoord is voor hem de term transsubstantiatie, die voor hem geen exotische roomse uitdrukking is, maar een begrip waarmee aangeduid wordt dat de werkelijkheid in het ritueel zo anders wordt, dat de gelovige daarin God kan ervaren. Transsubstantiatie kan zich echter op alle cultuurniveaus voordoen: bijvoorbeeld ook in een pastoraal gesprek dat een mystieke ernst krijgt. Van Kilsdonk vergelijkt het ontstaan van een andere werkelijkheid met iemand die door de liefde in het gezicht van de geliefde iets ziet wat niemand anders ziet. Als de beleving van de andere werkelijkheid er niet meer is, zal een godsdienst verdwijnen.

Als je de memoires leest die Alex Verburg op basis van ruim 60 uur gesprekken in Van Kilsdonk laatste levensjaar op schrift heeft gesteld[ii], ontmoet je een priester die op kleurrijke wijze zijn levensverhaal kan vertellen. Daarbij steekt hij zijn duidelijke voor- en afkeuren voor bepaalde personen en zaken in de rooms-katholieke kerk niet onder stoelen of banken. Van Kilsdonk komt erin naar voren als een sterke persoonlijkheid met een behoorlijk eigenzinnig karakter, die niet bang is om de gevestigde orde tegen zich in het harnas te jagen. Tegelijk proef je door alles heen zijn geweldige pastorale bewogenheid voor de underdog, voor de verachten in de samenleving en voor, zoals hij zelf zegt, ‘de mannen en vrouwen, jongens en meisjes die hoe dan ook niet voldoende geluk hebben gevonden en soms wel erger.’ Of zoals hij het op een ander moment formuleert: ‘Ik heb een innerlijk vermogen om van mensen te houden. Ik ben ontzettend ontroerbaar door het geluk van hen, of het ongeluk.’ Geen tekst was passender geweest dan die werd gekozen voor het prentje ter herinnering aan zijn wijding als priester op 22 augustus 1945: ‘Hij heeft mij gezonden om aan armen de blijde boodschap te brengen en genezing aan hen die gebroken van hart zijn’, (Lucas 4:18).

In gesprekken onbevooroordeeld nabij de mensen te zijn, het vermogen om de ander oprecht lief te hebben en eerbied voor het verhaal en de persoon van de ander te tonen, dat was het geheim waardoor hij velen tot steun is geweest. Ten diepste was hij een pastor. In het pastoraat heeft hij ook de meeste voldoening in zijn werk gevonden. Om ruimte en vrijheid te scheppen bij de ander en zo te helpen wonden te dichten. Dat was zijn innerlijke roeping, die hij op indrukwekkende wijze gestalte heeft gegeven en die gemotiveerd werd door de wijze waarop hij zelf door het evangelie van Jezus van Nazareth gegrepen is geweest.[iii]

 

[i] Wiel Kusters, Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens, 1929-2008, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2014.

[ii] Alex Verburg, Pater Van Kilsdonk. Raadsman in delicate zaken * Memoires, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2013.

[iii] Wie in het kort een mooi portret van zijn leven en werk wil zien, verwijs ik naar de KRO-documentaire te vinden op https://www.npo.nl/kruispunt/01-12-2013/RKK_1645505.

 

 

Advertenties

Alle volken

Overdenking

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen’, (Matteüs 28:19a)

Leerlingen van Jezus krijgen de opdracht om leerlingen te maken. Dat is de kern van kerk-zijn. Het bijzondere is, dat zij nu niet alleen naar het eigen volk Israel, maar ook naar de volken worden gezonden.

Jezus zijn missie richt zich, zoals hij tegen de Kanaanitische vrouw zegt, op het volk Israel. Zoals we als samenvattend bericht van Matteüs lezen, ‘dat Jezus op weg gaat en langs alle steden en dorpen trekt, onderricht in de synagogen geeft, het goede nieuw over het koninkrijk verkondigt en iedere ziekte en kwaal geneest’, (9:35).

Wanneer de leerlingen in het kader van deze missie voor de eerste keer er op uitgezonden worden, is dat ook Jezus’ instructie voor hen: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in, bezoek zelfs geen Samaritaanse stad, maar zoek de verloren schapen van het volk Israel’, (10:5-6).

Toch is Jezus’ missie ook op de volken gericht. Ook al is hij de zoon van David en wordt hij beschouwd als de koning van de Joden, Jezus missie was ten diepste om het koninkrijk van God op aarde te brengen. Om dat te onderstrepen vertelt Matteüs meteen aan het begin van het evangelie het verhaal van de magiërs uit het Oosten, die als vertegenwoordigers van de volken hem eer komen bewijzen.

Maar al aan het begin van zijn evangelie geeft hij programmatisch het overzicht van zijn afstamming en typeert hij Jezus als de Messias, de zoon van David, de zoon van Abraham, (1:1). Jezus is de zoon van Abraham, de vader van vele volken. In hem zullen nu werkelijk alle volken van de aarde gezegend worden.

In Jezus’ sterven en in zijn opstanding is de grondslag voor het koninkrijk van God gelegd. Dat is het goede nieuws, dat de leerlingen uit zullen moeten dragen. Eerst in Israel, maar daarna in heel de wereld.

In zijn laatste rede op Olijfberg heeft Jezus zijn leerlingen daar op voorbereid. Hij heeft samen met hen de tempel verlaten en aangekondigd, dat van die tempel geen enkele steen op de ander zal worden gelaten, maar dat alles afgebroken zal worden. Wanneer zij hem dan vragen: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen wij uw komst en de voltooiing van de wereld herkennen’, dan antwoordt hij dat ‘pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, het einde zal komen’, (24:14).

Het alle volken tot leerlingen maken is de brug tussen de Hemelvaart van Jezus en zijn terugkomst. Ook al zal de tempel van Jeruzalem, het symbool van de aanwezigheid van God, afgebroken worden, God verdwijnt niet uit onze wereld.

Jezus is de Immanuel, de God-met-ons. Namens hem zullen zijn leerlingen alle volken het nieuws brengen, dat God zijn koninkrijk op aarde gevestigd heeft. In de verkondiging van het evangelie komt Jezus en zo God zelf naar ons toe.

Jezus roept ons via de leerlingen op om zijn navolgers te worden. Om net als zij op weg te gaan, het koninkrijk van God binnen te gaan, het evangelie te verkondigen en zo ook zelf leerlingen te maken. In het vertrouwen, dat hij elke dag met ons is, tot aan de voltooiing van de wereld, (28:20).

 

 

Twijfel

Overdenking

‘Toen ze Jezus zagen, knielden ze voor hem. Maar sommige leerlingen twijfelden’, (Matteüs 28:17)

Ik vind het een intrigerend zinnetje: ‘Maar sommige leerlingen twijfelden.’ Twijfelen waaraan?

De leerlingen zijn op die berg in Galilea, waar voor hen alles begonnen is. Het zal een reünie worden waar de initiator van hun beweging niet zal ontbreken. Hij heeft het leven gelaten en is begraven, maar ze hebben van de beide Maria’s de boodschap gekregen dat hij uit de dood is opgestaan en dat hij hen voor zal gaan naar Galilea.

Wanneer ze daar op de berg zijn, gebeurt het zoals hen verteld is. Jezus verschijnt aan hen: de leerlingen zien de opgestane Heer. Hun eerste reactie is, dat ze voor hem neerknielen. Net zoals de vrouwen reageren op Jezus’ verschijning bij het graf. ‘Zij lopen op Jezus toe, grijpen zijn voeten vast en bewijzen hem eer’, (28:9).

Toch blijft dat bijzonder. Voor iemand neerknielen, dat doe je alleen maar als het een hoger geplaatste is of als je een verzoek extra wilt onderstrepen.

Eén keer eerder lezen we in het evangelie van Matteüs dat de leerlingen voor Jezus knielen. Wanneer ze ’s nachts een keer alleen in grote tegenwind op het meer zijn en Jezus hen aan het einde van de nacht over het water voorbijloopt. Petrus vraagt dan of hij over het water naar Jezus toe mag lopen. Wanneer Jezus vervolgens met Petrus in de boot stapt, gaat de wind liggen. En dan lezen we dat alle discipelen in de boot zich voor hem neerbuigen en zeggen: ‘U bent werkelijk Gods zoon!’, (14:33).

De leerlingen knielen hier op de berg opnieuw neer en betuigen Jezus goddelijke eer. Hij is de rabbi, hun meester. Maar nu beseffen ze dat hij werkelijk de messias is. Dat hij ook als zodanig aanbeden behoort te worden.

Het was al de centrale vraag tijdens zijn leven op aarde. Wie is Jezus? In het evangelie komen we verschillende antwoorden tegen. Is hij de zoon van David, zoals het volk dacht? Of is hij Elia? Of Johannes de Doper? Of Jeremia of één van de andere profeten? Of kan hij al die wonderen doen, omdat hij Beëlzebul, de vorst van de demonen, hem daartoe in staat stelt?

Halverwege het evangelie stelt Jezus de vraag aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen jullie dat de Mensenzoon is?’ Petrus antwoordt dan namens alle leerlingen: ‘U bent de messias, de zoon van de levende God’, (16:16). Dan verbiedt Jezus hen ook maar tegen iemand te zeggen dat hij de messias is. Maar nu is het zover, dat zij daar openlijk voor uit mogen komen.

Kun je je voorstellen, dat het voor de discipelen een hele omschakeling van het denken blijft? Dat sommigen nog twijfelen? Ze twijfelen er niet aan, dat het de opgestane Jezus is die ze zien. Maar dat hij echt de messias is? Dat moet nog landen.

Om hen in die twijfel te helpen, komt Jezus dichterbij en zegt: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.’ Ik ben werkelijk de mensenzoon, die Daniel al in zijn visioenen zag. De mensenzoon, aan wie ‘macht, eer en koningschap werden verleend en die allen volken en naties, welke taal zij ook spreken, dienden’, (Daniel 7:13). Vandaar dat Jezus er aan toevoegt: Schroom niet, ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen.

Twijfel toch niet, maar geloof dat Jezus echt de messias, de zoon van God, is. Twijfel niet, maar vereer Jezus door hem net als de leerlingen als koning te dienen.

 

Galilea als thuisbasis

Overdenking

Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien’, (Matteüs 28:7b)

Jezus keert na zijn opstanding uit de dood terug naar waar het allemaal begon: Galilea. Jeruzalem zal altijd verbonden blijven met de kruisiging en het sterven van Jezus, maar Galilea vooral met het leven en de missie van Jezus.

Aan het eind van het evangelieverhaal vertelt Matteüs, dat Jezus naar Jeruzalem gaat, (19:1). Onderweg neemt Jezus zijn leerlingen apart om te zeggen, dat nu de Mensenzoon ter dood zal worden veroordeeld, (20:18v). Wanneer Jezus op een ezel Jeruzalem binnenrijdt, raakt de hele stad in rep en roer en vraagt men zich af wie hij is. Dan blijkt dat ze hem vooral kennen als ‘de profeet uit Nazaret in Galilea’ (21:11) of als ‘die Jezus uit Galilea’ (26:69).

Galilea is de thuisbasis en het werkterrein van Jezus. Nadat hij door Johannes de Doper bij de Jordaan gedoopt is en hij zijn openbare optreden begint, gaat hij wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. Juist het gebied, dat het ‘Galilea van de heidenen’ genoemd wordt, (4:13v). Dat is ook de reden, dat Pilatus tijdens de rechtsgang van Jezus hem ook naar Herodes Antipas, de viervorst over Galilea en Perea, stuurt, omdat Jezus onder diens gezag valt (Lukas 23:7).

Na de opstanding uit de dood gaat Jezus naar Galilea terug. Dat had hij bij het laatste Avondmaal al gezegd, (26:31). Naar deze aankondiging verwijzen de engelen de vrouwen. Daar moeten ze de leerlingen aan herinneren. Ook Jezus zelf draagt hen dat op, wanneer hij aan de vrouwen verschijnt: ‘Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien’, (28:10).

Zo gaan ook de leerlingen weer terug naar Galilea, speciaal naar de berg waar Jezus hen in zijn Bergrede onderricht had over het koninkrijk van God. Dit is de berg bij het Meer van Galilea, waar Jezus later gedurende drie dagen allerlei verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen zieken genas en vervolgens voordat hij ze wegzond, vele duizenden mensen van voedsel voorzag, (15:29). Het is waarschijnlijk ook de berg van de verheerlijking, waar Mozes en Elia aan Jezus zijn verschenen, (17:1v).

In Galilea hebben de leerlingen hun eerste stage-opdrachten gekregen. Nu Jezus zijn missie op aarde zal beëindigen, krijgen ze ook in Galilea hun vervolgopdrachten. Mochten ze tijdens hun stage niet de weg naar de heidenen inslaan of een Samaritaanse stad bezoeken (10:5), nu moeten ze op weg gaan en alle volken tot leerlingen van Jezus maken (28:19).

Vanuit Galilea, het grensgebied tussen het Joodse volk en de heidenen, zal het evangelie de wereld in worden gedragen. Daarom gaat Jezus terug naar het begin. Toen was zijn boodschap: het koninkrijk van de hemel is nabij. Nu hij in Jeruzalem geweest is en hij is gekruisigd en opgestaan, is zijn boodschap: ‘Mij is gegeven alle macht op hemel en aarde’, (28:18).

Christus, de zoon van David, is niet in Jeruzalem geboren, maar in een klein stadje ten zuiden daarvan. Ook nu zijn koningschap definitief gevestigd is, is Jeruzalem niet de stad waar Jezus zich laat huldigen. De leerlingen zullen hem in Galilea zien: daar zullen ze hem aanbidden.

Vanuit het zaad in Galilea gezaaid, zal het koninkrijk van de hemelen in deze wereld zijn groei vinden. Overal waar mensen Jezus op grond van het evangelieverhaal en het getuigenis van de leerlingen eer gaan bewijzen en ook zijn leerling worden, overal waar mensen in zijn naam met elkaar als gemeenschap verbonden worden, daar zal het koninkrijk vanuit de hemel op aarde verschijnen. Daar zullen wij Jezus zien.