Gesprek

Het is een eerlijk en inzicht gevend interview, dat het Nederlands Dagblad dit weekend zijn lezers aanbiedt over het ‘vrouwenbesluit’ in de GKv.[1] Een gesprek tussen een voor- en een tegenstander van het besluit. Het interview illustreert voor mij op treffende wijze de argumentatielijnen die in het gesprek over m/v en ambt gebruikt worden en de spanningsvelden waarbinnen dat gesprek plaatsvindt.

Wat mij hierbij opnieuw opvalt is dat het spreken over de positie van de vrouw in de kerk geen theoretisch iets is. Het gaat over de praktische vraag hoe je zowel als voor- en als tegenstander vandaag trouw bent aan God, aan de bijbel, aan jezelf en aan de ander.

Hierbij is duidelijk dat het besluit vrouwen meer in hun existentie raakt dan mannen. Voor de vrouw gaat het naast het trouw zijn in het geloof ook om de vraag of en hoe zij als persoon, met de aan haar door God gegeven gaven en talenten, haar plek in de kerk actief in mag nemen. Dat is een aspect dat door mannen – voor wie het besluit zelf niet direct persoonlijke gevolgen heeft – gemakkelijk over het hoofd gezien of gebagatelliseerd kan worden. Hoe ga je om met het spanningsveld tussen de roeping die iemand van God kan ervaren en de onmogelijkheid om die ook in de kerk te kunnen opvolgen?

Naast dit persoonlijke element is er de sociaal-historische context van het gesprek. Wij leven in een samenleving waarin taken en beroepen gekoppeld zijn aan iemands kwaliteiten. In principe zijn mannen en vrouwen gelijkwaardig om die te mogen vervullen. Ook de met een functie gegeven gezagsrelatie is in de moderne samenleving niet aan het man- of vrouw-zijn gebonden. Dat is een stand van zaken, die pas sinds de 20e eeuw algemeen  is geworden. Wanneer ook door christenen geaccepteerd is en ook gestimuleerd wordt dat vrouwen in de ‘gewone’ samenleving zich zo mogen opstellen, dan is het niet verwonderlijk dat er vragen komen als blijkt dat er in de kerkelijke samenleving andere spelregels gelden.

Hier komt een ander groot spanningsveld naar voren. Waarom zou de regel die Paulus juist met een beroep op een scheppingsorde formuleert vandaag alleen gelden voor in de kerk en niet voor in de samenleving? En als die regel niet geldt in de samenleving, waarom geldt die regel vandaag nog wel in de kerk? Wat doe je verder met de gegevens waaruit blijkt, dat Paulus praktisch gezien ook binnen de kerk vrouwen taken liet vervullen, waarin zij ook gezag over mannen oefenden?

Een derde spanningsveld dat ik in het interview signaleer, is dat tussen het ambt en de andere taken en bedieningen in de kerk. Wat is het specifieke van het ambt, dat het noodzakelijk is dat te verbinden met een spreken met gezag, dat alleen aan mannen gegeven zou zijn? Wordt in andere taken en bedieningen in de kerk, zoals tijdens het kindmoment in de kerkdienst of het leiden van een kring, dan niet met gezag gesproken, zodat vrouwen daar dan wel hun plek kunnen en mogen vinden?

Tenslotte is er het spanningsveld in de interpretatie van de bijbel en het aanvaarden van standen van zaken en uitspraken in de bijbel als normatief Gods woord voor vandaag. Ook al is Gods woord voor alle tijden, dat betekent niet dat alle regels en voorschriften daarin ook voor de eeuwigheid gelden. Op wat voor manier mogen wij rekening houden met de culturele context en met de aansluiting van God in zijn openbaring bij een bepaalde (patriarchale) cultuur en bij bepaalde gebruiken binnen zo’n cultuur?

Voor zover ik kan zien zijn dit de vier spanningsvelden waarbinnen het gesprek over m/v en het ambt in de GKv zal plaatsvinden. Mijn verlangen is dat dit gesprek zal leiden tot een verheldering en wederzijdse acceptatie van verschillen en tot een weg om daarmee om te gaan. Het interview in het Nederlands Dagblad stemt mij helaas niet hoopvol. Ik zie dat het lastig is om een eeuwenlange, met een beroep op de bijbel gelegitimeerde traditie los te laten. Juist omdat men recht wil doen aan het gezag van God en trouw wil zijn aan zijn woord. Wat zou ik het fijn vinden, wanneer de visie op het onderwerp m/v en het ambt niet als lakmoesproef voor rechtzinnigheid aangemerkt wordt.

 

[1] Eline Kuijper, Gesprek over vrouwenbesluit moet in lokale kerk gevoerd worden, ND 24 juni 2017.

Advertenties

Bijbelgetrouw?

Laten we wel zijn. Als het over m/v en het ambt gaat, kun je er niet bij voorbaat vanuit gaan dat een exegese ten gunste van de vrouw in het ambt tegen het gezag van de bijbel ingaat en een exegese daartegen in overeenstemming is met het gezag van de bijbel. Net zomin als andersom natuurlijk. Dat betekent dat als je voor bijbelgetrouw gaat, je te allen tijde wat uit te leggen hebt.

Het is duidelijk dat een exegese pro niet strookt met een eeuwenoude traditie waarin op basis van bijbelteksten, mede gelezen door de bril van een hiërarchisch denken, geconcludeerd is dat vrouwen geen ambt in de kerk kunnen vervullen. Maar let wel op: er is ook een eeuwenoude traditie om uitgaande van een soortgelijk hiërarchisch denken op basis van de bijbel te concluderen dat de paus de primus inter pares van de bisschoppen en dus hoofd van de kerk is. Deze laatste traditie en visie op het ambt is in de reformatietijd ter discussie gesteld en uiteindelijk afgewezen.

De vraag is welke criteria je hebt om te bepalen of met een verandering van exegese ook het gezag van de bijbel aangetast wordt.

Gereformeerden hebben in dit verband altijd gestaan voor de vrijheid van de exegese. In de woorden van de christelijk gereformeerde oudtestamenticus B.J. Oosterhoff:

‘Men kan zelfs zeggen, dat de reformatie uit de vrijheid van de exegese geboren is. Ware de exegese gebonden gebleven binnen de traditionele leer van de Roomse Kerk, dan was het nimmer tot reformatie gekomen. Maar de vrije bijbel is door de banden van de traditionele leer der Kerk heengebroken in een vrije exegese.’[1]

Dit beroep op de vrijheid van de exegese is in 2014 ook de grond geweest voor de GKv synode om de mogelijkheid te blijven bieden na te denken over m/v en het ambt:

‘de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.’[2]

Een exegese komt tot stand op basis van allerlei – vaak veel meer impliciete, onuitgesproken dan expliciet gethematiseerde – vooronderstellingen over de tekst, over de context en over het thema of onderwerp dat in de tekst centraal staat.

Als het gaat om de concrete casus waar in de kerken discussie over is, – zoals nu in de GKv over m/v en het ambt[3] -, worden vervolgens om een bijbels verantwoorde visie te bieden ook nog allerlei teksten samen gelezen en met elkaar verbonden. Wanneer daarbij verschillende posities in de bijbelteksten of zelfs tegenstrijdigheden naar voren komen, wordt er aan sommige teksten of serie teksten een groter gewicht toegekend dan aan andere. Of er worden verklarende theorieën gezocht om bepaalde teksten als uitzonderingsposities te kunnen kwalificeren, waardoor ze niet in het opstellen van een algemene lijn of regel meegenomen hoeven te worden.

Het is niet verwonderlijk dat men zo, afhankelijk van de keuzes die men in het interpretatieproces maakt, tot verschillende beoordelingen van de casus komt. Ook binnen de drie zogenaamde kleinere gereformeerde kerken (de GKv, de CGK en de NGK) zijn er in de loop van de 20e eeuw rond het thema m/v en ambt minderheidsposities opgekomen die voor de vrouw in het ambt pleiten.

Hoe taxeer je nu het gegeven dat minderheidsposities een meerderheid krijgen?

De conclusie dat dan de bijbel niet meer veilig is of dat het gezag van de bijbel wordt aangetast, is mij net iets te snel. Juist verschillen in interpretatie zijn een reden om door te vragen naar de gehanteerde (impliciete) vooronderstellingen voor een bepaalde exegese of interpretatielijn. In vind het onjuist om daarbij de eigen interpretatie immuun te maken door te suggereren danwel te claimen dat een daarvan afwijkende interpretatie het gezag van de bijbel aantast.

Interessant blijft wel de vraag naar de grond(en) waarop de GKv synode nu tot een besluit voor de openstelling van de ambten voor vrouwen is gekomen. Dat kan alleen maar doordat zij een ander besluit van haar voorganger ter zijde heeft geschoven. Het besluit:

‘niet in te stemmen met de onderbouwing van de conclusie van de deputaten M/V in de kerk dat het past binnen de bandbreedte van wat als Schriftuurlijk en gereformeerd kan worden bestempeld wanneer naast mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen.’[4]

De grond onder dat besluit luidde:

‘Het doorlopend spreken van de Schrift laat twee lijnen zien. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven; deze beide lijnen dienen verdisconteerd te worden.’[5]

Voorlopig ga ik ervan uit dat het verschil tussen voor-  en tegenstanders van de vrouw in het ambt in de GKv eerder vast zit op de toepassing van deze uit de bijbel afgeleide notie dan dat het gezag van de bijbel zelf in het geding is.

 

[1] B.J. Oosterhoff, De vrijheid der exegese, Kampen, 1976, 7

[2] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Besluit 2b, (p. 41).

[3] Andere hot items zijn b.v. schepping versus evolutietheorie, homoseksualiteit, de gaven van de Heilige geest, de (geloofs- vs kinder)doop, denken over hemel en hel, etc.

[4] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Besluit 2a, (p. 41).

[5] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Grond besluit 2, (p. 41).