De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (3) – 1975/78

Algemeen

De GKv synode van Groningen-Zuid 1978 besluit met 24 stemmen voor en 12 tegen om de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen. Zij bevestigt daarmee het besluit van de synode van 1930. Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de gemeente behoort bij de verkiezing betrokken te worden;
  • de gemeente wordt ingeschakeld door het indienen van namen bij vacatures, gebed, stemmen, de approbatie, voorbede bij de bevestiging en erkenning van de bevestigde;
  • het stemmen onderscheidt zich van de andere elementen dat deze voor de kerkenraad een bindend karakter heeft;
  • dat het niet in overeenstemming is met de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft (1 Kor. 14 : 34-36, 1 Tim. 2 : 11-15), haar in deze een eigen zelfstandige beslissende stem toe te kennen.

In 1972 had de kerk van Delft de synode gevraagd om de materie van het vrouwenkiesrecht vanuit de Schrift te laten bezien, omdat men van mening was dat de synode van 1930 aan het onderwijs van de Schrift geen recht had gedaan. Eerdere pogingen om het besluit van de synode van 1930 te laten herzien, waren in 1933, 1958 en 1964 niet gehonoreerd.

In 1975 lag op tafel een deputatenrapport, waarin verdedigd werd het besluit van 1930 te handhaven. De commissie die de bespreking van het rapport voorbereidde kon zich op verscheidene punten daarin niet vinden, terwijl ook in de discussie over het rapport een groot verschil van mening bleek. Daarom werd een nieuw  deputaatschap ingesteld, dat op de synode van 1978 een meerderheidsrapport (voor vrouwenkiesrecht) en een minderheidsnota (tegen)  – van de 2 deputaten die ook aan het rapport in 1975 meeschreven – presenteerde.

In deze blog concentreer ik mij vooral op de voorgestelde exegeses van de m/v-teksten, voor zover die betrekking heeft op:

  • de onderdanigheid van de vrouw;
  • de positie van de vrouw in de bijbel.

Ik zal speciaal stil staan in hoeverre er in de verschillende posities een verschil te zien is met de exegetische onderbouwing, zoals die in 1930 werd geformuleerd.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Opvallend is dat ook in het meerderheidsrapport in 1978 dat vóór het vrouwenkiesrecht pleit, alle nadruk op de onderdanigheid van de vrouw aan de man valt.

Deputaten schrijven dat de vrouw in het huwelijk haar plaats behoort te weten en die steeds van harte in moet nemen. Op die plek is zij veilig en kan zij zichzelf zijn, d.w.z. functioneren overeenkomstig het levensplan, dat God haar vanaf de schepping meegaf:

‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden. .. Ten aanzien van dit funktioneren valt te spreken van een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw. De ‘onderschikking’ heeft betrekking op déze zaak. De vrouw is uit de man en vanwege de man (1 Kor. 11: 8-9 met verwijzing naar Gen. 2: 22 vv.)’.

Inhoudelijk omschrijft men dit ‘onderschikken’ als een activiteit, waar men om Gods wil van harte toe bereid is, niet omdat men tegen de ander niet opgewassen is en ook niet als zou het een vorm zijn van ‘slaafse onderworpenheid of een zaak van dwangmatige nederigheid of schuwe teruggetrokkenheid’. Onderschikken betekent dat men de ander ‘vreest’ en wil ‘eren’: ‘men erkent de plaats en (ambtelijke) waardigheid van de ander’:

‘Men voegt zich in een orde, waarvan men door het geloof weet, dat God – de Schepper en Verlosser van het leven – haar stelde en bewaakt.

Het doel van deze onderschikking is dat men de kracht van het verloste leven demonstreert en zo Christus’ zaak op aarde bevordert. Men laat zien, dat men zich geeft ‘aan de taak die de Here aan ieder heeft geschonken’. Degene die zich onderschikt mag op het blijven ‘op eigen plaats’en ‘bij eigen werk’ liefde verwachten en verwachten ook zelf geëerd te worden. Concreet betekent dit, dat ‘men de vrouw niet eert door haar te roepen tot taken, die buiten haar kompetentie vallen en haar verplichten haar plaats te verlaten’.

Het ‘voorgaan’ van de man in het huwelijk is een ‘voorgaan in liefde, respekt en dienstbetoon’ en het ‘volgen’ is een ‘volgen in liefde, respekt en dienstbetoon’, zoals de Schrift leert in Ef. 5:22-33; 1 Petr. 3:7; Kol. 3:18- 19 en Tit. 2:4-5′.

Ook in de gemeente ‘moet de vrouw haar eigen plaats ten opzichte van de man kennen, d.w.z. ‘zichzelf onderschikken’’, anders zou zij ‘een geschift leven’ leiden. Daarom moet ‘de vrouw ook in de gemeente haar plaats kennen en op haar plaats blijven’. Deputaten verwijzen hier naar 1 Kor. 14:35 en 1 Tim. 2:12. De vrouw mag de man niet met een vermeend, zelfstandig gezag tegemoet treden, maar moet ‘luisteren en zich in de gemeente laten leren’. Anders zou ze de zonde van Eva herhalen, die haar plaats verliet en ging ‘leiden’ in plaats van ‘volgen’.

Om te bepalen of stemmen ook onder het ‘door de apostel afgewezen spreken’ valt, stellen deputaten de vraag, of stemmen het karakter heeft ‘van een ‘beslissend’ spreken, waarin ‘gezag’ wordt uitgeoefend’. Volgens hen niet. De gemeente oefent geen gezag uit, wanneer zij stemt. Zij helpt mee het gezaghebbend beleid van Christus via de stem van de gemeente aan het licht te brengen. Daarom is het niet de kracht van de stem van de zusters, maar ‘de door de kerkeraad gerespekteerde en door Christus verleende kracht van de gemeente, waardoor de stemming beslissend is voor de verdere besluitvorming’.

Hun conclusie is daarom:

‘Wanneer echter de kerkeraad de zusters roept om haar inzicht in het beleid van Hem, die ambtsdragers aan Zijn gemeente geeft, via haar stem bekend te maken, roept hij haar niet op tot het verlaten van haar plaats, maar tot een spreken op haar plaats, die zij als gemeentelid en naast haar man heeft. Ook zij vormt mede de ‘stem’ van de gemeente. Zij spreekt niet tot de gemeente, maar samen (met haar man en) met de gemeente’.

Zo richten deputaten zich in hun argumentatie voor het vrouwenkiesrecht vooral op het karakter van het kiezen, waarbij zij met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 3:7 er vanuit gaan dat zusters net zo goed als broeders competente en mondige kerkleden zijn, ‘die kunnen en mogen ‘omzien’ en inzicht hebben in de gaven en geschiktheden, die Christus in de gemeente geeft’. Daarom mogen ook zusters ‘een oordeel hebben over deze gaven van broeders en zij mogen dit oordeel ook bekend maken’.

Juist over de aard van de verkiezing verschillen deputaten onderling. In de minderheidsnota kiest men zijn uitgangspunt voor de beoordeling of vrouwen mee mogen stemmen in de onderdanigheid van de vrouw. God heeft het al bij de schepping behaagd de vrouw onder de man te plaatsen: ‘de Here heeft toen deze struktuur gesteld met betrekking tot de verhouding van man en vrouw: ‘hoofd van de vrouw is de man’ (1 Cor. 11: 3)’. Deze verhouding is al van vóór de zondeval. De struktuur van het begin blijft onder de nieuwe bedeling van kracht: ‘de ‘onderschikking’ blijft behoren tot de ‘tooi’, waarmee christenvrouwen, naar behoren, begeren zich te sieren (1 Petr. 3:5)’. Daarom is ‘het ‘spreekverbod’ in 1 Kor. 14:34 geen incident, maar vloeit voort uit de bij de schepping gegeven ‘status’ van de vrouw’.

Wel hechten deputaten er in hun minderheidsnota er sterk aan om te benadrukken, dat onderschikking ‘geen zaak van dwang’ is, maar ‘van eigen begeerte’:

Deze vrijwillige ‘onderschikking’ moet haar er toe leiden, dat zij zich rustig houdt en zich laat onderrichten en op grond van die ‘onderschikking’ kan haar niet worden toegestaan, dat zij onderricht geeft of gezag over de man heeft (1 Tim. 2:11-12); op grond van die ‘onderschikking’ is het haar niet vergund in de gemeenten te spreken (1 Cor. 14:34).

Zij tekenen er verder bij aan, dat het bijzondere van het spreekverbod in 1 Cor. 14:34 en in 1 Tim 2:11 is, dat daarin niet tot uitdrukking wordt gebracht ‘aan wie zij zich behoort te willen schikken’:

De vrijwillige ‘onderschikking’ van de vrouw in haar verhouding tot en optreden in de gemeente geldt heel algemeen: met deze term, zo zou men met recht kunnen stellen, wordt haar kerkelijke ‘status’ onder woorden gebracht.

Dit heeft volgens deputaten betekenis voor het optreden van de vrouw in de gemeente. In hun optiek is het stemmen van vrouwen niet verenigbaar met het zich gehoorzaam en vrijwillig willen onderschikken, ‘zoals ook de wet zegt’ (1 Cor. 14:34)’. De vrouw zal zich ‘bij voorbaat conformeren aan de meerderheidskeus van de mannenbroeders, gaarne en gewillig’.

Kennelijk overtuigd door deze visie, besluit de synode in 1978 dat ‘het niet in overeenstemming is met de positie van de onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft (1 Kor. 14:34-36, 1 Tim 2,11-15) haar in deze een eigen zelfstandige beslissende stem toe te kennen’. Daarom mag de vrouw niet aan de verkiezing van ambtsdragers meedoen.

 

De positie van de vrouw in de bijbel

Op één punt in de argumentatie uit het deputatenrapport uit 1978 wil ik nog de aandacht vestigen. Namelijk dat het Christus zelf is die via de verkiezing door de gemeente Christus ambtsdragers aan de ambtsdragers schenkt en zo zijn gemeente regeert en verzorgt. Men verzet zich hiermee tegen de visie van de synode van 1930 dat het kiezen ‘een daad van algemene regeermacht’ is, die uitgeoefend zou worden door de gelovigen in het kader van het ‘ambt van gelovige’. Het ‘ambt van gelovige’, zoals HC Zondag 12 daarover spreekt heeft hun inziens te maken met het leven als gelovige in deze wereld en ‘met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de duivel en de zonde strijden’ en heeft ‘werkelijk niets te maken met een ‘zeggenschap’ van de één over de ander in de gemeente’.

Dat betekent dat men het wel òf niet mogen stemmen als vrouw in de gemeente niet wil verbinden met de vraag of de vrouw ook deel heeft aan ‘de zalving van Christus’. Dat was namelijk het argument van de kerk van Delft om te pleiten voor het deelnemen van de vrouw aan de verkiezing. Zij schrijven in 1972 aan de synode:

Vanwege zijn christenambt en mondigheid in Christus neemt de man deel aan de verkiezing van broeders tot het ambt. Krachtens hetzelfde heeft ook de vrouw dit recht’.

Ter ondersteuning van deze stellingname doen ze een beroep op de manier waarop in het Nieuwe Testament ‘de vrouw – zonder tot het bijzonder ambt geroepen te zijn – vanuit haar christenambt en mondigheid in Christus aktief is in de gemeente en de verbreiding van het Evangelie’, met een verwijzing naar Rom. 16:1 (Phebe, dienares van de gemeente), Rom. 16:3 (Prisca genoemd voor Aquila, Rom. 16:12 (Tryphena en Tryphosa) en Filip. 4:2 (Euodia en Syntyche). Daarnaast verwijzen zij nog naar Hand. 6:5-6, waar vermeld wordt dat de gemeente onder leiding van de apostelen diakenen verkiest.

Inhoudelijk probeert de kerkenraad van Delft de inschakeling van de vrouw te beargumenteren vanuit 1 Joh. 2:27, waar de zalving genoemd wordt die de gemeente van Christus ontvangen heeft , en vanuit Gal. 3:26-28, waar Paulus schrijft dat in Christus geen sprake is ‘van mannelijk en vrouwelijk: gij zijt immers één in Christus Jezus’.

Al in 1975 had een deputaatschap dit argument van de kerk van Delft besproken. Het tegenargument van deputaten is, dat er geen schriftuurlijk bewijs is, dat:

‘aan het ambt van alle gelovigen als zodanig óók inhaerent is het recht, aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen. Heeft een mannelijk belijdend lid krachtens het ambt van gelovige ook het recht om aan de verkiezing deel te nemen? Of ontvangt hij dit voorrecht uit anderen hoofde?’

De tekst van 1 Joh. 2:27 kan hiervoor niet aangehaald worden, omdat Johannes het hier niet heeft over ‘het christenambt in het algemeen, als wel over het ontvangen van de ware kennis en over de vraag of men die ware kennis moet verkrijgen met behulp van (gnostische dwaal)leraren, dan wel door middel van het evangelie dat men van den beginne heeft gehoord’. In dit opzicht is er volgens Johannes geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Maar deze tekst geeft ‘geen recht voor het maken van de gevolgtrekking, dat er derhalve geen onderscheid tussen man en vrouw is voor wat betreft elks plaats in de kerk’.

Ook Gal. 3:28 kan niet als argument dienen. Hier gaat het namelijk om de verhouding van de gelovige ten opzichte van God. ’In de nieuwtestamentische gemeente zijn allen nu gesteld in de positie van vrije en mondige zonen en erfgenamen’. Ook al bestaan er tussen de gelovigen onderling allerlei, zelfs diepingrijpende, onderscheidingen als die tussen Jood en Griek en slaaf of vrije en tussen mannelijk en vrouwelijk, al deze onderscheidingen doen niet ter zake als het aankomt op die nieuwtestamentische verhouding tot God. Vanuit deze positie moet zowel man als vrouw ‘elk voor zich, uit wat de Schrift elders dienaangaande leert, door verlichting van de Heilige Geest, leren verstaan wat wel of niet door hen moet en mag worden gedaan’. Net zoals een slaaf ondergeschikt bleef aan zijn heer, zo is er tussen man en vrouw ‘het blijvende verschil, ook in gezagsverhoudingen’. Daarom is de conclusie van deputaten, dat deze tekst niet met zich meebrengt ‘dat elk van beiden dezelfde rechten en plichten heeft ontvangen in de gemeenschap met Hem’.

Wat betreft de taken die vrouwen in de nieuwtestamentische gemeente vervullen merken deputaten op, dat hun werk:

ten onrechte meer dan eens is ondergewaardeerd, soms om aldus deelname van de vrouwelijke belijdende leden aan de verkiezing van ambtsdragers in de kerk te helpen bestrijden. De hier bedoelde werkzaamheid van deze vrouwen moet ook niet worden beperkt tot bv. het uitsluitend verlenen van hulpdiensten aan de diakenen’.

Vrouwen waren inderdaad Paulus ‘medearbeiders en werkzaam in en behulpzaam bij de verbreiding van het evangelie. Zij hebben gestreden in de prediking van het evangelie en zich moeite getroost voor de kerk en haar opbouw. Maar wij mogen uit ‘déze, toch altijd maar betrekkelijk weinige gegevens’ niet de gevolgtrekking maken, dat de vrouwen dus ‘óók de bevoegdheid hadden deel te nemen aan de verkiezing in het bizondere ambt’.

Want ondanks deze waardering van Paulus voor het werk van vrouwen ‘zullen we toch niet mogen veronderstellen, dat hij zelf ter zake van dit alles de elders door hem doorgegeven instructies van Godswege over de positie van de vrouw in de gemeente eenvoudig heeft genegeerd’:

We moeten er wel van uitgaan dat al deze vrouwen zich hebben bewogen binnen het raam, dat de Heilige Geest in de paulinische correspondentie heeft uitgezet: zó alleen kan diezelfde Geest door de dienst van Paulus Phebe in haar werk aanbevelen’.

Kennelijk is deze weerlegging in 1975 van de visie van de kerk van Delft op het punt van de positie van de vrouw in het Nieuwe Testament zo overtuigend geweest, dat in de rapportage in 1978 noch 1 Joh. 2:27, noch Gal. 3:28, noch Rom. 16 of Fil. 4:2 besproken worden.

 

Conclusie en beoordeling 

In de exegese van de m/v-teksten is er in 1978 een consensus dat er in de bijbel een onderschikking van de vrouw aan de man wordt geleerd en dat dus de vrouw in de gemeente behoort te zwijgen. Verschil van visie is of in dit zwijgen ook begrepen is, dat de vrouw niet mag stemmen.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • Nog meer dan in 1930 wordt de omschrijving van de ‘scheppingsorde’ of de ’struktuur met betrekking tot de verhouding van man en vrouw bij de schepping’ uitsluitend beargumenteerd vanuit 1 Cor. 11, 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2.
  • De notie dat de mens als beeld van God is geschapen komt niet ter sprake. In plaats daarvan spreekt men over ‘het funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt’.
  • Ook de notie dat de vrouw als hulp tegenover de man geschapen is (Genesis 2) wordt niet genoemd. In plaats daarvan spreekt men onbekommerd over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven.
  • Alleen in het deputatenrapport van 1975 wordt expliciet de reikwijdte van de onderdanigheid van de man aan de vrouw beargumenteerd. Men leest zowel in 1 Cor. 11, als in 1 Cor. 14 en in 1 Tim. 2, dat de vrouw niet alleen onderdanig moet zijn aan haar eigen man, maar in het algemeen aan de man: ‘Het oefenen van gezag over een man, hoe dan ook, is haar niet toegestaan’.
  • Wordt in 1930 de onderschikking van de vrouw aan de man uitgelegd als ‘het gezag’ of ‘de autoriteit’ hebben of als het ‘heersen’ van de man over de vrouw, in 1978 wordt de onderschikking anders en meer verzachtend beschreven. Dan typeert men het positief met omschrijvingen als ‘een staan van de man boven de vrouw’, ‘de man treedt op de voorgrond, de vrouw blijft achter hem’, in een huwelijk als ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’ en in de gemeente als een ‘zwijgend luisteren en zich laten onderrichten’. Negatief geformuleerd gebruikt men een omschrijving als: ‘zij mag geen gezag over de man oefenen’.
  • Opvallend is de grote nadruk die men er op legt dat het zich onderschikken door de vrouw ‘vrijwillig en met vreugde’ dient te gebeuren.
  • In 1930 is men ervan overtuigd, dat de onderdanigheid van de vrouw niet alleen betrekking heeft op het huwelijk en de gemeente, maar ook op haar plek in de samenleving. In 1978 wordt wel genoemd, dat het ‘ondergeschikt zijn’ voor het hele christelijke leven geldt, maar is de betekenis daarvan voor de maatschappij niet in beeld, kennelijk omdat men zich uitdrukkelijk beperkt tot het vrouwenkiesrecht in de kerk.
  • De gelijkwaardigheid van man en vrouw en het door de Geest gezalfd zijn, zoals dat in Gal. 3:28 en 1 Joh. 2:27 verwoord worden, hebben geen betekenis voor de positie van de vrouw in de kerk, net zomin als het ‘ambt van de gelovige’ iets zegt over de taak van de vrouw in de kerk. Over de eventuele consequenties van het in een ‘volwassen, mondige’ positie ten opzicht van God mogen staan voor het optreden in de gemeente en in de samenleving, wordt niets anders gezegd dan dat wij in staat zijn om zelf een oordeel te vormen over hoe wij christelijk moeten en mogen handelen.
  • In 1978 komt 1 Cor. 11:2-16 in de rapportage door deputaten niet voor, terwijl de tekst 1 Cor. 14:34 uitsluitend behandeld wordt vanuit de vraag of ‘het ‘stemmen’ van de zusters der gemeente onder het haar door de Here opgelegde ‘spreekverbod’ uit 1 Cor. 14: 34’ valt.
  • In het deputatenrapport van 1975 wordt 1 Cor. 11:2-16 behandeld, waar gesproken wordt over vrouwen die in de gemeente profeteren en bidden. Toch wordt niet de vraag gesteld, of dit profeteren en bidden van vrouwen in de gemeente strijdig zou kunnen zijn met het zwijggebod uit 1 Tim. 2. Slechts wordt vanuit 1 Cor. 14:34 geconcludeerd, dat vrouwen het profeteren in de gemeente verboden is.
  • In tegenstelling tot in 1930 wordt nu de plaats die de vrouw in de nieuwtestamentische gemeente inneemt positief gewaardeerd als een handelen, waarin zij ‘vanuit haar christenambt en mondigheid in Christus aktief is in de gemeente en de verbreiding van het Evangelie’. Toch wordt dit niet als gezaghebbend optreden gezien, omdat dat in tegenspraak zou zijn met de visie dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen, want wij zouden niet mogen veronderstellen dat Paulus zich zelf tegenspreekt. Romeinen 16 wordt geïnterpreteerd vanuit de exegese van 1 Tim. 2.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s