Het huwelijksformulier in de 20e eeuw – 1975/2005

Huwelijksformulier 1981

Op de GS Arnhem 1981 werd voor de GKv een nieuw huwelijksformulier vastgesteld. In de jaren ’70 hadden verschillende synodes zich gebogen over een herziening van het Gereformeerd Kerkboek en de formulieren. Toen was door de GS Kampen 1975 bij voorrang al een aangepast huwelijksformulier vastgesteld, dat tijdeljk het formulier uit 1933 moest vervangen. In het nieuwe formulier uit 1981 wordt ten opzichte van het formulier uit 1975 de gezagsrelatie tussen man en vrouw opnieuw aangescherpt.

Stond in de versie van 1975: ‘Zoals Christus het hoofd van de kerk is, is de man het hoofd van de vrouw.’ In de versie van 1981 formuleerde men: ‘Zoals Christus het Hoofd is van de kerk, en gezag over haar heeft, zo heeft de man als hoofd gezag over zijn vrouw.’ Ook werd bijvoorbeeld nog toegevoegd dat de vrouw zich ‘gehoorzaam’ toevertrouwt aan de man.

De achtergrond van deze wijzigingen was, dat men op die manier recht meende te doen aan Ef. 5:22, waar tegen de vrouw gezegd wordt: ‘Weest aan uw man onderdanig als aan de Here’ (NBG 1951).

Toen enkele afgevaardigden pleitten om de term ‘onderdanig’ ook als zodanig in het formulier op te nemen, kwam men na bespreking daarvan echter tot het oordeel: ‘het woord `onderdanig’ in het hedendaags Nederlands steeds meer de gevoelswaarde krijgt van `gedwee, kruiperig, serviel’. Het handhaven van dit woord zou de propagandisten van de emancipatie alleen maar wind in de zeilen geven.

 

Bezwaren 1996

In de loop van de jaren kwamen tegen de formuleringen in het formulier van 1981 steeds meer bezwaren. Toen de kerkenraad van GKv Groningen-Oost zich daarover in 1995 boog, kwam hij tot de conclusie dat deze gegrond waren. Daarom zond hij naar de GS Berkel en Rodenrijs 1996 een voorstel om het formulier op een vijftal punten aan te passen.

De belangrijkste betrof de exegese van Efeziers 5. De kerkenraad was van mening, dat het duidelijk is dat ‘gezag/leiding en volgen/gehoorzaamheid helemaal buiten Paulus’ betoog van Ef. 5 valt. Het is dus geen blijk van verkeerde emancipatie als met name zusters in de gemeente zich aan deze typeringen van de man/vrouw-relatie storen.’

Men stelde voor om deze passage zo aan te passen:

‘Zoals Christus er is voor zijn gemeente, zo is ook de man er voor zijn vrouw. Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zijn leven voor haar heeft gegeven, zo moet ook de man zijn vrouw liefhebben als zichzelf, voor haar zorgen en haar geborgenheid geven. Zoals de gemeente zich zonder reserve toevertrouwt aan Christus, zo moet ook de vrouw zich met liefde toevertrouwen aan haar man en hem helpen in alles wat naar Gods wil is. Door zo elkaar met liefdevol respect te aanvaarden, zullen man en vrouw hoe langer hoe meer de eenheid van Christus en zijn gemeente laten zien.’

Daarom stelde men ook voor om van man en vrouw dezelfde belofte te vragen, namelijk elkaar wederzijds ‘lief te hebben en te dienen.’

Een ander belangrijke wijziging betrof de taakverdeling in het huwelijk.

In het formulier in 1981 werd de man voorgehouden: ‘Wees trouw in de uitoefening van uw beroep, zodat u in staat bent uw gezin te onderhouden en andere mensen te helpen’. Terwijl tegen de vrouw werd gezegd: ‘wees uw man tot hulp, en zorg ook goed voor uw gezin. Leeft ingetogen en tooi u met het sieraad van goede werken, die God wil belonen in dit en het toekomstige leven’.

De kerkenraad vond dat deze tweedeling (de man buitenshuis z’n beroep, de vrouw binnenshuis haar gezinstaak) allang niet meer spoorde met de praktijk, terwijl het ook onjuist was ‘aan de feitelijke werkverdeling uit de bijbelse tijd een norm te ontlenen voor alle tijden.

Men stelde voor om niet een bepaalde taakverdeling als de enig ware op te nemen. Om deze zaak wel op het ‘juiste’ niveau te brengen, stelt men als formulering voor om beiden voor te houden: ‘Weest trouw in de uitoefening van de taken die God u geeft. Dan bent u samen in staat uw gezin te verzorgen en andere mensen te helpen.’

Naast de kerk van GKv Groningen-Oost kwam ook de kerk van GKv Zwolle-Centrum op de synode in 1996 met een voorstel voor een herzien huwelijksformulier. In de onderbouwing daarvoor wees men op soortgelijke bezwaren als de kerkenraad van Groningen-Oost aanvoerde.

De GS Berkel en Rodenrijs 1996 achtte de aangevoerde bezwaren zo reëel, dat deze haar inziens een herziening op deze punten wettigde. Ze besluit daarom meteen al een herzien formulier vrij te geven en deputaten op te dragen ‘verder te werken aan herziening van het huwelijksformulier met verwerking van reacties uit de kerken op het voorgelegde formulier en aan de volgende synode voorstellen dienaangaande te doen.’

 

Huwelijksformulier 1999

Zo komt het dat er op de synodetafel van de GS Leusden 1999 een voorstel ligt voor een nieuwe redactie van het huwelijksformulier. Als we de belangrijkste m/v-teksten bij langs gaan, dan zien we dat daarin de volgende exegeses verwerkt zijn:

     a.  Instelling

Gen 1:27 wordt zo uitgelegd, dat God de mens als man en vrouw schiep naar zijn beeld en hun samen de opdracht gaf de aarde te beheren en in cultuur te brengen. In Gen 2:18-23 blijkt dat God eerst de man geschapen heeft en vervolgens de vrouw maakt als ‘hulp die bij hem past’. Omdat de term ‘hulp’ misverstaan kan worden, wordt deze passage weergegeven als: ‘Hij miste iemand met wie hij het leven kon delen’. Wat dat concreet betekent wordt o.a. uitgewerkt in de paragraaf ‘Wederzijdse verplichtingen’ als: ‘Aanvaard haar liefdevolle steun als de hulp die Christus u geeft’. Zo verbindt God man en vrouw aan elkaar, ‘zodat zij een unieke levenseenheid vormen.’

     b.  Doel

Man en vrouw zullen elkaar in liefde toebehoren en uit zijn op het belang van de ander, zodat beiden tot bloei komen. Samen zullen zij hun leven wijden aan God en elkaar helpen op de weg naar het eeuwige leven.

Wanneer ze kinderen krijgen, zullen ze als vader en moeder het beeld van God vertonen in zorg en liefde voor hun kinderen. Ten slotte geeft God hen ook een plaats in de samenleving, waar ze zich zullen inzetten voor de leden van Christus’ gemeente en voor alle mensen die God op hun weg plaatst.

     c.  De onderlinge verhouding

Als het over de onderlinge verhouding gaat, komt allereerst de eenheid naar voren. Met een beroep op Gen. 1:27, Ef. 5:21 en Gal. 3:28 wordt gezegd, dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn ‘om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen.’ Dat vraagt ‘om wederzijds respect, waarbij liefdevolle trouw de toon aangeeft.’

Binnen deze eenheid hebben man en vrouw ieder een eigen plaats. Onder verwijzing naar Ef. 5:22-23 wordt gezegd, dat de man in navolging van Christus met liefde en zelfverloochening hoofd behoort te zijn van zijn vrouw: ‘Als eerstverantwoordelijke moet hij haar voorgaan in het leven met de Here. Hij zal zorg dragen voor haar welzijn en haar geborgenheid geven.’

De vrouw bewaart de eenheid door recht te doen aan de plaats van haar man: ‘Zoals de gemeente zich aan Christus toevertrouwt en zich door Hem laat leiden, zo moet de vrouw zich toevertrouwen aan haar man en hem volgen in het dienen van de Here. Zij zal hem helpen bij alle dingen die naar Gods wil zijn, en liefdevol het leven met hem delen.’

Uit de toelichting door deputaten blijkt, dat men het ‘hoofd-zijn’ bewust niet heeft willen omschrijven met de begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’  Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

Tegen (herinvoering van) het woord ‘gezag’ in het formulier pleit, dat Paulus dit woord niet gebruikt. Daarbij komt dat ‘gezag’ voor velen een negatieve lading heeft net zoals het woord ‘onderdanigheid’.

In het ‘hoofd-zijn’ ziet men twee gedachten tot uitdrukking gebracht: zowel verantwoordelijkheid als levenseenheid. Verantwoordelijkheid omdat Adam als eerste geschapen is en een levenseenheid omdat de vrouw een positie niet ondergeschikt aan, maar naast haar man heeft gekregen.

Het kernelement van Ef. 5:21 is het aan het elkaar onderdanig zijn, wat betekent ‘gericht zijn op de ander’: ‘de man moet niet de baas spelen over zijn vrouw, de vrouw moet niet proberen haar man naar haar hand te zetten.’ Voor de man betekent dat zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam, haar geborgenheid geven en haar steun aanvaarden als hulp. Voor de vrouw betekent dat die geborgenheid aanvaarden, maar ook als ‘hulp tegenover hem’ liefdevolle steun geven en de man aanspreken op zijn verantwoordelijkheid.

Van belang is dat bij de besluitvorming door de synode expliciet een amendement, waarin werd voorgesteld in dit onderdeel ook de tekst Gen. 3:16 in de marge te vermelden en de betekenis daarvan voor man en vrouw in het huwelijk te laten verwoorden, met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen werd. Dit betekent dat de aloude visie dat het de wil van God is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren, definitief niet meer in de GKv van kracht is.

     d.  De wederzijdse verplichtingen

In overeenstemming met de geschetste onderlinge verhouding wordt eerst als gemeenschappelijke verplichting de gehuwden voorgehouden ‘in liefde voor elkaar te zorgen.

Vervolgens wordt dat verschillend uitgewerkt: voor de man als hoofd om ‘haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn en voor haar te zorgen en haar geborgenheid te geven’ en voor de vrouw in het aanvaarden van de man als hoofd door ‘zijn liefdevolle zorg en geborgenheid te aanvaarden en hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die naar Gods wil zijn.’

Tenslotte zijn alle specifiek geachte mannen-  en/of vrouwenrollen en -taken uit het formulier geschrapt. Aan man èn vrouw wordt voorgehouden ‘samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin te dragen, trouw te zijn in de uitoefening van de taken die God hen geeft en zo tot een zegen te zijn in de gemeente en in de samenleving.

Deputaten geven aan bewust niet ‘een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij te willen geven.’ Belangrijk argument daarvoor is allereerst dat man en vrouw naar zijn beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast mogen wij ‘niet aan méér binden dan de Schrift doet.’ Wel zijn ze van mening, dat God alleen aan de vrouw het geschenk van het moederschap geeft. Dit eigene zien zij terug in Gen. 3:16 en 1 Tim. 2:15.  Vandaar dat zij in het gedeelte gericht op de vrouw haar taak in het gezin apart benoemen. Omdat de vaders ook een belangrijke taak in het gezin hebben, wordt vervolgens ook gesproken over ‘de gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin.

 

Revisieverzoeken 2002

Op de GS Zuidhorn 2002 ligt van zowel van enkele kerken als van particulieren verzoeken tot revisie van het besluit uit 1999 inzake het nieuwe huwelijksformulier. Ook vanuit het buitenland (Canada en Australië) komen via het deputaatschap Betrekkingen Buitenlandse Kerken op de synode vragen van zusterkerken over het nieuwe huwelijksformulier binnen. Wat de exegese van m/v-teksten betreft wordt o.a. gepleit voor de volgende elementen:

  1. bij de verhouding in het huwelijk moet de verscheidenheid voorop staan;
  2. er moet meer accent liggen op het hoofd-zijn van de man;
  3. het is een verdraaiing van Gen. 2:18 dat de gehuwden elkaar tot hulp moeten zijn.

Na bespreking worden deze bezwaren afgewezen met als grond:

  1. het is niet bewezen dat in het geheel van de Schrift de verscheidenheid van man en vrouw voorop staat;
  2. dat de man het hoofd is van de vrouw, komt in het formulier voldoende naar voren;
  3. het is niet in strijd met de Schrift te stellen, dat man en vrouw elkaar tot hulp dienen te zijn.

 

Terzijdestelling door de DGK(h) in 2005

In 2003 scheiden bezwaarde GKv’ers die zich geconcentreerd hadden rond het blad Reformanda van dr. P. van Gurp, zich af van de GKv en vormen een nieuw kerkverband: de herstelde Gereformeerde Kerken, aangeduid als de DGK(h).

Op hun eerste synode, de GS Mariënberg 2005, distantiëren ze zich van een groot aantal recente besluiten in de GKv. Zo wordt ook het nieuwe huwelijksformulier uit 1999 vervallen verklaard.

Belangrijke overwegingen zijn dat de termen ‘gezag‘, ‘leiden‘ en ‘gehoorzaam toevertrouwen‘ zijn verdwenen en dat met betrekking tot de positie van man en vrouw in het huwelijk veel nadruk wordt gelegd op het gelijk-zijn in Christus en op het recht doen aan elkaars positie als uitleg van ‘het hoofd zijn van de man zoals Christus hoofd is van zijn gemeente.’ Ook heeft men moeite met het besluit van de GS Zuidhorn 2002, dat de verscheidenheid van de man en de vrouw in het huwelijk voorop staat in het geheel van de Schriften.

Als gronden voort men daar o.a. voor aan:

  1. in het formulier van de GS Berkel en Rodenrijs 1996 wordt onvoldoende recht gedaan aan wat de bijbel leert over de door de Here al bij de Schepping ingestelde verhouding tussen man en vrouw met de daaruit voorvloeiende onderscheiden taken (Spreuken 31, 1 Kor. 11:7-10; 1 Kor. 14:34; Ef. 5:22-33; 1 Tim 2:13-15; Titus 2:4; 1 Petrus 3:1-7).
  2. Hoewel de tekst van het huwelijksformulier van GS Leusden 1999 op punten een verbetering is, wordt nog steeds op het belangrijke punt van de verhouding tussen man en vrouw, en hun onderscheiden taken, geen goed Bijbels onderwijs gegeven. In een samenleving waarin de gelijkheid tussen man en vrouw een onschriftuurlijk streven is, wordt op dit punt niet de wacht betrokken bij de secularisatie van de kerkleden.
  3. De GS Zuidhorn 2002 neemt nog duidelijker afstand van het onderwijs van de Schriften met betrekking tot de verscheidenheid tussen man en vrouw in het huwelijk.

In plaats van het nieuwe formulier uit 1999 wordt het huwelijksformulier zoals dat in 1981 vastgesteld werd en in 1984 in het Gereformeerd Kerkboek is opgenomen, opnieuw door de DGK(h) ingevoerd.

 

 

Advertenties

De VVV

Het was in het voorjaar van 1983 dat wij tijdens onze studietijd in Groningen een werkgroepje vormden: Vrijgemaakte Vrouwen Vraagstukken (VVV).  Met zijn zevenen (zes meiden en ik) hebben we 3 jaar lang het huwelijksformulier bestudeerd: geschiedenis, formulering, versies en mogelijke alternatieven. Het liep tegen de tijd dat mijn vriendin en ik zouden trouwen.

Belangrijke aanleiding was dat wij als studenten moeite hadden met de manier waarop in het formulier de verhouding tussen man en vrouw en de rol van de vrouw in gezin en samenleving geformuleerd werd. Vooral stoorde ons de onevenwichtigheid daarin. De positie van de man was in het kort gezegd ‘hoofd zijn, liefhebben in een goede verstandhouding en kostwinner zijn’ en die van de vrouw ‘liefhebben, onderdanig zijn en hulp in het leven en de huishouding’. Die strekking spoorde niet met de manier waarop het economische en sociale leven in die tijd al ingericht was. Ook getrouwde vrouwen werkten, hoewel nog maar enkele jaren de wettelijke maatregel dat de huwende en gehuwde vrouw ontslagen kon worden opgeheven was (in 1975). Belangrijker nog was, dat de veronderstelde gezagsrelatie tussen man en vrouw ons inziens in het begrip ‘hoofd-zijn’ ingelezen was. Het huwelijksformulier hield ons niet een bijbelse visie op het huwelijk voor, maar een cultuurbepaalde interpretatie daarvan.

Toen onze huwelijksdatum dichterbij kwam, zochten wij begin 1984 via een brief contact met de kerkenraad van de GKv Groningen-Noord en legden hen het verzoek voor om te mogen trouwen onder een aangepast huwelijksformulier. Ik kan me het gesprek met de ouderlingen nog goed herinneren. Hij begreep eigenlijk niet waar wij ons druk over maakten. Na een enkel gesprek werd duidelijk, dat een alternatief formulier er voor ons niet in zat. Het was òf ons huwelijk niet in de kerk laten bevestigen òf het huwelijksformulier voor lief nemen en met behoud van gevoelens ons ja-woord uitspreken. Omdat wij zeer hechtten aan het trouwen in de kerk, zijn we op een goede woensdagmiddag in augustus 1984 in het stadhuis van Groningen getrouwd en hebben we de daarop volgende zondag in de kerk te Hattem ons huwelijk laten bevestigen.

Ook nadat wij getrouwd waren, hebben wij onze gesprekken over het huwelijksformulier in VVV-verband voortgezet. Naar aanleiding van verschillende punten en vragen nodigden wij mevr. Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom in februari 1985 uit om ons daarin verder te helpen. Een zeer interessante avond waarin wij ons gezamenlijk over de verschillende m/v-teksten bogen.

Wat mij bij is gebleven is de beslistheid waarmee zij bepaalde argumenten kritisch tegen het licht kon houden. Ze was ervan overtuigd, dat de bijbel de vrouw nergens op een bepaalde taak vastlegde. Vrouwelijke profetessen en richters kun je niet afdoen met het argument, dat het een ‘noodsituatie’ was of als uitzonderingen die de regel bevestigen. ‘Waarom zou dat een uitzondering zijn? Hoe bepalen theologen wat de regel is? Bestaan er noodsituaties voor God? Nee, toch!’

Ook liet ze zich kennen als erfgenaam van een traditie van opkomen voor een betere en rechtvaardige positie van de vrouw in de kerk. Toen de zinsnede uit 1 Kor. 11:7 –  de vrouw is de heerlijkheid van de man – ter sprake kwam verbond zij dat met het gezamenlijk ‘beeld van God zijn’ van man en vrouw. Het heeft betrekking op het samen volbrengen van de opdracht. Niet dat de vrouw de heerlijkheid van de man ‘an sich’ is, maar in het kader van de schepping is zij dat. Om te voorkomen dat de man maar even  de gedachte mocht hebben dat hij meer is, voegt Paulus er daarom aan toe: ‘en toch is de man niet meer.’ Bij dit alles haalde zij de gedachte aan van J.C. Sikkel uit zijn postuum uitgegeven lezing ‘De groote toekomst en de vrouw’ (1920): ‘De man ontplooit zich pas ten volle, als de vrouw zich ten volle kan ontplooien’.

Op een gegeven moment waren we wel klaar met het huwelijksformulier. Het laatste verslag dat ik nog heb is van een VVV-vergadering van februari 1986. We waren allemaal onder het bestaande huwelijksformulier getrouwd en het werd tijd om af te studeren.

Een stukje persoonlijke geschiedenis die een treffende illustratie is voor de invloed van de context op ons lezen en toepassen van de bijbel en de invloed die generaties hebben op het reilen en zeilen in de kerk, dat wat wel genoemd wordt ‘de ongelijktijdigheid van het gelijktijdige’.

Wij waren geboren eind jaren ‘50/begin ’60 en opgegroeid in de jaren ‘60 en ‘70. Voor ons was de gelijkwaardige positie van man en vrouw vanzelfsprekend. Wij studeerden met het perspectief dat vrouwen evengoed als mannen actief aan de samenleving deel zouden nemen, en dat zij ook als gehuwden zouden werken. Wij zagen dat in het maatschappelijk verkeer een notie als dat de man gezag over de vrouw heeft of dat de vrouw onderdanig aan de man zou zijn, totaal niet aan de orde was. Praktisch gezien was er wel ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar principieel niet.

De synode die in 1978 een uitspraak deed dat het vrouwenstemrecht niet bijbels verantwoord is of in 1981 een nieuw huwelijksformulier vaststelde, waarin de ongelijkwaardige positie van man en vrouw uitgangspunt is, werd gedomineerd door mannen die grotendeels voor de 2e wereldoorlog geboren waren of net daarna. Zij waren groot geworden in een samenleving, waarin tot 1956 de gehuwde vrouw wettelijk handelingsonbekwaam was verklaard en tot 1971 bij wet vastgelegd was dat de man ‘het hoofd van de echtvereniging’ was en de vrouw aan hem ‘gehoorzaamheid was verschuldigd’. Zelf waren ze getrouwd onder een huwelijksformulier, waarin het oordeel van God over de vrouw in Gen. 3:16: ‘Tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben’ als een ordinantie van God werd beschouwd.

Boeiend is het om te zien, dat op een gegeven moment de kracht van het bijbelse argument voor een bepaalde visie niet meer overtuigt. 15 jaar na 1978 wordt het vrouwenstemrecht in de GKv ingevoerd en 15 jaar na 1981 wordt er een huwelijksformulier vrij gegeven, waarin de gelijkwaardigheid van man en vrouw het uitgangspunt is. De samenleving is veranderd en wij als gereformeerden veranderen mee. Een nieuwe context leidt tot een nieuw verstaan en een nieuwe toepassing van de bijbel.

Tegenstanders van een veranderend schriftverstaan op het terrein van m/v hebben op dit moment de gewoonte om de oorzaak daarvan te zoeken in een zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’, waarin de context van de interpretatie over de tekst zou gaan heersen. Dat is makkelijk scoren, omdat zo’n verwijt het eigen schriftverstaan bij voorbaat onaantastbaar maakt voor kritiek.  Daarnaast biedt het geen verklaring waarom bepaalde interpretaties, die door hen met deze term als niet verantwoord afgewezen worden, al in het begin van de 20e eeuw in de gereformeerde kerken opgeld deden.

Op basis van exegetische argumenten lag er, – toen er nog lang geen sprake was van een ‘nieuwe‘ hermeneutiek -, in 1927 en 1930 een pleidooi voor het vrouwenstemrecht op de synodetafel. Ook het inzicht dat naast het geoorloofd zijn van het vrouwenstemrecht vrouwen ook geroepen zouden mogen worden tot het ambt van predikant, ouderling en diaken, komen wij in de hierboven aangehaalde lezing van J.C. Sikkel uit 1920 al tegen.

Het lezen en toepassen van de bijbel is altijd contextueel bepaald. Voor een verklaring dat een bepaalde lezing op een gegeven moment overtuigt en dominant wordt, zul je daarom vooral moeten kijken naar de invloed van de sociale, culturele en (kerk)politieke situatie eerder dan dat de inhoud van de exegese zelf de doorslag heeft gegeven.

 

 

 

Een nieuwe consensus

Ik ben een serie blogs begonnen over de exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw. De bedoeling daarvan is om de achtergrond te laten zien voor het besluit van de GS Meppel 2017 om ook vrouwen in de GKv toe te laten tot het bijzondere ambt van diaken, ouderling en predikant.

Dat m/v-besluit is niet uit de lucht komen vallen. Op zichzelf is het breuk in een lang ervaren traditie van vastliggende rollen voor man en vrouw in de kerk. De grond voor deze breuk ligt in een nieuwe exegese van de specifieke m/v-teksten die wij in de bijbel tegenkomen.

Belangrijk is het om te zien dat deze andere exegetische keuzes in het verlengde liggen van een nieuwe consensus op de verhouding tussen man en vrouw, zoals die zich aan het einde van de 20e eeuw in de GKv voltrokken heeft. Een vernieuwde visie die niet alleen zichtbaar werd in het denken en handelen van individuele kerkleden, maar ook terug te vinden is in de officiële besluiten van de kerken op landelijk niveau.

Deze veranderende visie op de verhouding tussen man en vrouw en op de taken van mannen en vrouwen in gezin en samenleving heeft een bezinning op gang gebracht over de rol van de vrouw in de kerk en op de manier waarop wij traditioneel de m/v-teksten over het ambt hebben gelezen.

Kort gezegd: traditioneel hebben wij de zwijgteksten altijd gelezen als een bevestiging en uiting van het onderdanig-zijn van de vrouw aan de man en van het gezag-hebben van de man over de vrouw. Aan het einde van de 20e eeuw is er een nieuwe consensus in de GKv ontstaan over de verhouding van man en vrouw, waarbij deze veronderstelde onderdanigheid ter discussie is gesteld. Het uitgangspunt in ons denken over m/v ligt nu in de gelijkwaardigheid van man en vrouw bij de schepping en bij het samen beeld van God zijn. Daarmee is een belangrijke grond voor de traditionele exegese van de zwijgteksten weggevallen en werd het noodzakelijk om deze teksten opnieuw te exegetiseren.

Het mag duidelijk zijn, dat wie zich niet kan vinden in de nieuwe consensus op de verhouding van man en vrouw en deze als onbijbels afwijst, ook zal opponeren tegen de vrouw in het ambt, omdat dit des te meer als in strijd met het bijbelse onderwijs over man en vrouw gezien zal worden.

Het zijn vooral die kerken en gemeenteleden die de onderdanigheid van de vrouw aan de man als bijbels zien, die het besluit bestrijden om de vrouw in het ambt toe te laten. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de kerken in het buitenland waar wij een zusterkerk-relatie mee onderhouden en aan de kerkleden, die zich na 2003 van de GKv afgescheiden hebben en zich verenigd hebben in de DGK(h), de Gereformeerde Kerken in Nederland in hersteld verband. Het zijn deze kerken, die vanuit hun traditionele visie op man en vrouw ons ook waarschuwden voor geloofsafval toen wij respectievelijk het vrouwenstemrecht invoerden in 1993 en nieuwe huwelijksformulieren formuleerden in 1996 en 1999.

In de eerdere blogs heb ik mij geconcentreerd op de exegeses van m/v-teksten in de besluiten over het vrouwenstemrecht. In een volgende blog zal ik stilstaan bij de exegese van die teksten in besluiten rond de herziening van het huwelijksformulier.

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (5) – 1996/2005

Revisie-verzoeken van het besluit inzake het vrouwenstemrecht

Niet iedereen kon zich vinden in het besluit van de GKv Synode van Ommen 1993, ‘dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’. Op de Synode van Berkel en Rodenrijs 1996 kwamen een 35-tal brieven binnen, voornamelijk van particulieren, waarin bezwaar tegen dit besluit werd gemaakt.

Sommige van de brieven maakten bezwaar tegen het feit dat men in 1993 de zaak van het vrouwenstemrecht sowieso in behandeling had genomen. De meeste met een verzoek om het besluit te herroepen, omdat men zich niet kon vinden in de gronden onder de besluitvorming.

De bezwaren die het sterkst naar voren komen zijn:

  1. de stemming heeft wel een beslissend karakter in het geheel van de verkiezing en moet als een vorm van regeren beschouwd worden.
  2. de synode doet de Schriftgegevens over de gelijkwaardigheid van de vrouw ten koste gaan van die over de onderdanigheid van de vrouw, omdat de scheppingsorde waarbij de man tot hoofd van de vrouw is bestemd genegeerd wordt.
  3. het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten ook het deelnemen van zusters aan de stemming (als een vorm van beoordelend en gezaghebbend spreken) uitgesloten wordt.
  4. het spreken van de vrouw in andere uit het Nieuwe Testament aangevoerde teksten, zoals Hand. 2:17-18, is niet van betekenis omdat het daar niet gaat over het ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de aangevoerde teksten tonen niet aan dat het een goddelijke eis is om vrouwen het stemrecht toe te kennen.
  6. ook al hebben vrouwen de gave van de Geest ontvangen wil dat nog niet zeggen, dat zij ook bevoegd zijn om mee te stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers. Uit Handelingen 1:23-24 en 6:2-3 blijkt dat dit voor de mannen is weggelegd.
  7. uitspreken dat ‘het toekennen van het vrouwenkiesrecht geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk en dus niet als een vorm van emancipatiezucht gezien moet worden’, is geen argument voor het vrouwenkiesrecht, maar hoogstens een verdediging van het vrouwenstemrecht. Daarnaast worden de schriftgegevens die nu aangevoerd voor het vrouwenstemrecht, elders gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Met betrekking tot de vraag, of de synode in 1993 de revisieverzoeken wel in behandeling had mogen nemen, spreekt de synode in 1996 uit dat ze dat terecht gedaan heeft gedaan. De zaak van het vrouwenstemrecht is naar artikel 30 KO in de kerkelijke weg, met goede voorbereiding en kennelijk breed gedragen door de kerken aan de synode voorgelegd.

Vervolgens wijst ze ook de inhoudelijke bezwaren tegen het genomen besluit gemotiveerd af:

Ad 1. omdat de kerkenraad in het geheel van de verkiezing de leiding heeft en het dus onjuist is om te stellen, dat de stemming en dus de inbreng van de zusters zo’n zware lading krijgen als gesteld wordt.

Ad 2, 4, 5. en 6, omdat de synode terecht heeft uit gesproken dat de Schrift, – die geen enkele vorm van verkiezing voorschrijft als verplicht voor alle tijden -, geen rechtstreeks antwoord geeft op de vraag of ook de zusters mogen stemmen. Vervolgens heeft de synode Schriftgegevens naar voren gebracht waarin de gelijkwaardigheid van de vrouw ten opzichte van de man wordt onderstreept. Ook noemt zij Schriftgegevens waarin gesproken wordt over de inwoning van de Heilige Geest in de hele gemeente en gegevens waarin de bevoegdheid en de roeping tot meewerken aan de opbouw van de gemeente aan de hele gemeente wordt voorgehouden. De conclusie is daarom dat door appellanten vanuit de Schrift niet voldoende is aangetoond dat, ondanks al deze Schriftgegevens over gaven en roeping van de zusters in de gemeente, toch het stemrecht niet voor de zusters bestemd zou zijn.

Ad 3. omdat uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2  geen verbod voor zusters af te leiden valt om haar stem uit te brengen bij de verkiezing. De synode heeft meerdere schriftgegevens genoemd, die het onmogelijk maken om daarin een algemeen zwijggebod te lezen. In ieder geval is duidelijk dat wat hier aan de zusters ontzegd wordt, op een heel ander niveau ligt dan een stemming met beperkt gewicht. Wel moet het bezwaar worden toegestemd, dat de synode in 1993 een exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 vastgelegd heeft door in de gronden uit te spreken dat deze teksten zich beperken tot de eredienst resp. dat ze vrouwen het leer- en regeerambt ontzeggen.

Ad 7. spreekt de synode uit, dat genoemde uitspraak inderdaad meer een verdediging van het besluit is dan een argumentatie voor het besluit, maar dat de genoemde elementen wel voor de beoordeling van het besluit van belang zijn. Toch heeft de synode haar besluiten duidelijk afgeschermd tegen de gedachte dat de drempel naar het leer- en regeerambt van de zusters hierdoor lager zou zijn geworden, terwijl ze ook Schriftgegevens heeft genoemd die niet gebruikt kunnen worden als argumenten tegen het vrouwenstemrecht, maar naar haar oordeel wel het leer- en regeerambt aan de zusters ontzeggen.

Wel voegt ze er aan toe, dat dit laatste overigens niet betekent dat de synode een besluit ten aanzien van het leer- en regeerambt heeft genomen. Wanneer men meent, dat die zaak aan de orde moet komen, moet men via de kerkelijke weg dat op de agenda van de synode brengen. Een gang die de PS Gelderland in 2005 zal maken met een voorstel ‘om te komen tot de instelling van een deputaatschap “Vrouwen in de kerk”’.

 

Terzijdestelling van het vrouwenstemrecht in de DGK

In hetzelfde jaar dat de GKv een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’ instelt, buigt de eerste generale synode van de herstelde Gereformeerde Kerken (DGK), – het kerkverband dat ontstaan is na een afscheiding in 2003 van de GKv rond het blad Reformanda – zich over de vraag welke GKv synodebesluiten zij uit het verleden wel en niet voor haar rekening wil nemen.

Het eerste besluit dat door de GS Mariënberg 2005 terzijde wordt geschoven en waar men zich niet meer aan gebonden acht, is dat van het vrouwenstemrecht. In plaats daarvan handhaaft men het besluit van de GS Groningen 1978 om vrouwen niet het stemrecht toe te kennen.

Niet verwonderlijk is, dat de argumentatie van de DGK synode het spiegelbeeld vormt van de GKv-besluiten om de revisieverzoeken in 1996 af te wijzen. T.L. Bruinius, toentertijd een van de indieners van een revisieverzoek, is nu 1e scriba van de GS Marienberg 2005 en samenroeper van het Deputaatschap Onderzoek Synodebesluiten.

Op basis van het voorstel van deze deputaten voert de DKG synode de volgende overwegingen aan voor terzijdestelling van het vrouwenkiesrecht:

  1. de stemming draagt in het geheel van de verkiezing een beslissend karakter
  2. de synode doet geen recht aan de verschillende positie van man en vrouw in de kerk en aan de verschillen in roeping voor broeders en zusters, de scheppingsorde wordt genegeerd en aan de eenheid en de verhoudingen binnen het christelijk huwelijk zoals de Bijbel die leert wordt geen recht gedaan.
  3. de GS Groningen-Zuid 1978 beschouwde op grond van de Schriftgegevens over de onderdanigheid van de vrouw (1 Kor. 11:3; 1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:11,12,14,15; 1 Petr. 3:5) terecht het stemmen als een vorm van regeren.
  4. het spreken van de vrouw in de aangevoerde teksten (Hand. 2:17,18 etc.) is iets anders dan het meebeslissende ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de synode had moeten aantonen dat er een goddelijke eis is om de zusters het stemrecht te geven. Uit de aangevoerde teksten kan geen conclusie getrokken worden voor het meedoen van de vrouw aan de verkiezing van ambtsdragers.
  6. teksten die spreken over het wonen van de Geest in de gemeente, verbinden daaraan niet het verkiezingsrecht van de zusters. In Handelingen 1:23, 24 en 6:2, 3 worden juist de broeders in de gemeente aangesproken.
  7. de genomen besluiten zijn onvoldoende afgeschermd tegen de invloed van een tijdgeest die zich kenmerkt door een sterke hang naar individualisme en een onbijbels emancipatiedenken. De drempel naar de vrouw in het ambt kan lager worden door deze besluiten. Schriftgegevens die nu gehanteerd worden voor het vrouwenstemrecht zijn elders ook gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Men besluit dan ook dat de afwijzing van de revisieverzoeken door de GS Berkel en Rodenrijs 1996 gezien deze argumenten onterecht is geweest. Op de keper beschouwd behelsen de door de DGK aangevoerde argumenten dus niet anders dan de inhoud van de revisieverzoeken zelf. Een mooi voorbeeld van een cirkelredenering, waarbij al aangenomen wordt wat bewezen moet worden.

 

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (4) – 1993

Algemeen

Besloot de GKv synode van Groningen-Zuid in 1978 nog met een ruime meerderheid de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers, in 1993 besluit zij unaniem om deze uitspraak vervallen te verklaren. Vervolgens besluit zij bijna unaniem (er was 1 onthouding) ‘uit te spreken dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’.

Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de stemming is een onderdeel van de verkiezing van ambtsdragers en kan getypeerd worden als meewerken aan de opbouw van de gemeente;
  • bij verkiezing en stemming gaat het niet om een eigen individuele stem, maar om de stem van de gemeente; de zusters vormen samen met de broeders de stem van de gemeente;
  • de stemming vindt plaats binnen de verantwoordelijkheid van de kerkenraad;
  • de Schrift geeft geen algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente;
  • het verkiezen door de gemeente heeft niet het karakter van uitoefenen van gezag of macht over de kerkenraad of de gekandideerden.

In 1987 lag er op de synodetafel al een revisieverzoek van het besluit over het vrouwenkiesrecht uit 1978 door een kerklid, maar dat werd niet ontvankelijk verklaard, omdat het een nieuwe zaak zou zijn en niet volgens de kerkelijke weg ingediend was.

In 1993 ontving de synode een tiental verzoeken, waaronder van vier Particuliere Synoden (Groningen, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland), om het besluit uit 1978 te herzien en vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen.

De voornaamste reden dat de synode in kan stemmen met het vrouwenkiesrecht is een kerkrechtelijke. Men interpreteert het karakter van een stemming zodanig, dat de vraag of vrouwen daarin gezagvol spreken over mannen niet meer van belang is, omdat het stemmen sowieso niet meer gezien wordt als het uitoefenen van gezaghebbend of leidinggevend spreken.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Omdat het in de argumentatie op de synode van 1993 vooral gaat om de kerkrechtelijke vraag naar het karakter van het stemmen, wordt er minder ingegaan op specifieke m/v-teksten. In de exegese richt men zich vooral op het thema van de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente.

Een belangrijke veronderstelling in de argumentatie van de synode van 1978 tegen het vrouwenkiesrecht is, dat de vrouw aan de man onderdanig behoort te zijn. Daarbij verwees men vooral naar de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 14:34-35 (opgevat als een algemeen zwijggebod) en 1 Tim. 2 (opgevat als een zich onderschikken aan de man en geen gezag over hem mogen uitoefenen).

Tegenover deze visie spreekt de synode van 1993 uit dat daarin te weinig rekening wordt gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Hiermee neemt de synode een lijn op, die in het commissierapport ingezet wordt. ‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen’.

Volgens het commissierapport leren de brieven in het Nieuwe Testament ‘de gelijkwaardigheid van man en vrouw (wat iets anders is dan de gelijkheid)’, en daarnaast leert het Nieuwe Testament óók ‘de onderdanigheid van de vrouw ten opzichte van de man, allereerst in het huwelijk; dit onderscheid werkt door in de gemeente, voor getrouwden en niet (meer) getrouwden; daarom wordt zij buitengesloten van het leer- en regeerambt’.

Een beroep op 1 Kor. 14:34-35 kan volgens de synode een algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente niet ondersteunen, omdat het daarin alleen gaat over het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst. Ook heeft het verbod in 1 Tim. 2:11-15 betrekking op het gezag oefenen over de man door ‘leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst ’.  Vandaar dat de conclusie wordt getrokken, dat deze teksten uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 niet gebruikt kunnen worden voor een verbod voor vrouwen om een stem uit te brengen tijdens de verkiezing van ambtsdragers.

Integendeel: met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Hand. 21:9 en 1 Kor. 11:5 is de synode van mening dat de vrouw in de gemeente wel degelijk een eigen, zelfstandige stem mag hebben. Die vloeit voort uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw, die blijkt uit het gegeven dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk.

Als het gaat over de positie van de vrouw in de kerk moeten namelijk niet alleen 1 Kor. 14:34 en 1 Tim 2:11v ter spraken komen. Andere teksten in het Nieuwe Testamant laten zien, dat mannen én vrouwen delen in de gaven van de profetie, terwijl vrouwen ook mogen bidden en profeteren in de gemeente, mits het gebeurt op een manier die met haar positie in overeenstemming is. In de vroeg-christelijke gemeenten zijn vrouwen actief betrokken bij èn worden ze ingeschakeld voor de dienst aan het evangelie. Ze worden net als mannen opgeroepen om mee te werken aan de opbouw van de gemeente. Op dezelfde wijze mogen vrouwen daarom wel degelijk een inbreng hebben bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente.

Duidelijk is dat er voor de synode in 1993 in het betrekken van vrouwen voor taken in de gemeente wel een grens is. Op grond van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11-15 concludeert zij dat de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente betekent dat ze ‘geen leer- of regeerambt in de gemeente mag vervullen’.  Expliciet wordt dat nog in de laatste grond voor het besluit verwoord: ‘omdat stemmen niet beschouwd mag worden als een vorm van (mee)regeren, mag het toekennen van stemrecht aan de zusters niet gezien worden als een eerste stap op weg naar het leer- en regeerambt van de zusters’.

 

Onderdanigheid en gelijkwaardigheid

Het is interessant om de exegese van de m/v-teksten in 1993 te vergelijken met die in 1978. Dan wordt zichtbaar, dat de synode een nieuwe richting kiest door in de bijbel expliciet twee lijnen in de verhouding tussen man en vrouw aan te wijzen: naast die van de onderdanigheid van de vrouw aan de man, ook die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Ook al wordt ook in het meerderheidsrapport uit 1978 de gelijkwaardigheid van man en vrouw als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, deze wordt meteen in dezelfde zin gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden.’ De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man. Dit ‘ondergeschikt’-zijn is verder bepalend voor de verdere invulling van de relatie tussen man en vrouw. Ook al wordt er gesproken over ‘de kompetentie van de zusters als mondige kerkleden’, van het belang is wel dat zij deze ‘kompetentie’ uitoefent binnen het zich onderschikken aan de man.

Het verrassende in de exegese in 1993 is, dat deze allesbeheersende dominantie van de ‘onderschikking’ ten opzichte van de ‘gelijkwaardigheid’ opgeheven wordt en dat man en vrouw ook als gelijkwaardig ten opzichte van elkaar gezien worden.

Met een beroep op Gen. 1 wordt betoogd, dat Adam en Eva beiden ‘naar Gods beeld geschapen zijn, in volkomen gelijkwaardigheid, met een gemeenschappelijke taak’. Het eerst geschapen zijn van Adam betekent wel, dat Adam is ‘het hoofd van zijn vrouw en de taak heeft voorop te gaan en leiding te geven’ (met een beroep op 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2), maar dat betekent niet dat Adam méér is dan Eva: in Gen. 2:18 krijgt de wederkerigheid juist het accent. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Men beseft dat het met name het Nieuwe Testament is, dat spreekt over de onderdanigheid van de vrouw aan de man. Maar men wijst er dan op, dat met die onderdanigheid ‘in de eerste plaats gezien wordt op de relatie van man en vrouw in het huwelijk’. Daarom kan ‘moeilijk ‘in abstracte zin’ gesproken worden over ‘de’ man en ‘de’ vrouw bij de schepping of over de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw in het algemeen’.

Wel voegt men er aan toe, dat ‘zoals het onderscheid tussen man en vrouw in het huwelijk niet wordt uitgewist’, dat ‘evenmin in de gemeente’ gebeurt. Het ‘leren’ en ‘regeren’ is niet aan de vrouwen opgedragen, terwijl vrouwen en mannen een onderscheiden plaats innemen. Maar dat betekent dus niet, dat aan vrouwen elke vorm van spreken verboden wordt of dat zij van elke activiteit uitgesloten wordt.

De mogelijkheid daartoe ligt in een andere exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. In 1978 worden deze teksten opgevat als een algemeen zwijggebod voor vrouwen, in 1993 wordt de reikwijdte van het verbod beperkt tot de eredienst en dan ook alleen tot die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Wel is men net als in 1978 van mening, dat in deze teksten vrouwen verboden wordt een ‘leer- of regeerambt te vervullen’.

Het grote verschil in uitkomst van het uiteindelijke synode besluit ligt in de vraag, of het stemmen kerkrechtelijk gezien valt onder de reikwijdte van het verbod om te spreken in de gemeente. In 1978 zei men ‘ja’, in 1993 ‘nee’.

Deze andere taxatie in 1993 is aanvaardbaar, omdat men op grond van een andere exegese van de m/v-teksten met een grotere nadruk op de gelijkwaardigheid van man en vrouw de mogelijkheid gecreëerd had om de bijdrage van vrouwen in de gemeente positief te waarderen. Het is denk ik niet zonder reden, dat de rapporteur van de commissie benadrukte dat Gal. 3:28, waarin het gaat over de gelijkwaardige positie van man en vrouw in Christus, ‘weliswaar niet doorslaggevend voor het vrouwenstemrecht (is), maar er wel iets over te zeggen (heeft)’ en daarom ook in het besluit opgenomen diende te worden.

 

Conclusie en beoordeling

Aan het besluit van 1993 ligt een veranderde visie op de m/v-teksten ten grondslag doordat men in de exegese niet meer het perspectief van de onderdanigheid van de vrouw aan de man laat domineren, maar ook principieel ruimte biedt voor de onderlinge gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • De inzet van het nadenken over de verhouding tussen man en vrouw bij de gelijkwaardigheid met een beroep op Gen. 1 en 2, waardoor het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk is geworden.
  • De visie dat het ‘onderdanig-zijn’ van de vrouw aan de man in eerste instantie betrekking heeft op de relatie van de man en vrouw in het huwelijk en dat dit niet zo maar veralgemeniseerd kan worden tot een scheppingsordening of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw.
  • Voor het eerst vindt er een erkenning plaats dat vrouwen in de gemeente mogen profeteren en bidden. Dat is een belangrijk motief om in de exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 het zwijggebod niet algemeen op te vatten, maar slechts te interpreteren als een verbod om leidinggevend te onderwijzen.