De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (4) – 1993

Algemeen

Besloot de GKv synode van Groningen-Zuid in 1978 nog met een ruime meerderheid de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers, in 1993 besluit zij unaniem om deze uitspraak vervallen te verklaren. Vervolgens besluit zij bijna unaniem (er was 1 onthouding) ‘uit te spreken dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’.

Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de stemming is een onderdeel van de verkiezing van ambtsdragers en kan getypeerd worden als meewerken aan de opbouw van de gemeente;
  • bij verkiezing en stemming gaat het niet om een eigen individuele stem, maar om de stem van de gemeente; de zusters vormen samen met de broeders de stem van de gemeente;
  • de stemming vindt plaats binnen de verantwoordelijkheid van de kerkenraad;
  • de Schrift geeft geen algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente;
  • het verkiezen door de gemeente heeft niet het karakter van uitoefenen van gezag of macht over de kerkenraad of de gekandideerden.

In 1987 lag er op de synodetafel al een revisieverzoek van het besluit over het vrouwenkiesrecht uit 1978 door een kerklid, maar dat werd niet ontvankelijk verklaard, omdat het een nieuwe zaak zou zijn en niet volgens de kerkelijke weg ingediend was.

In 1993 ontving de synode een tiental verzoeken, waaronder van vier Particuliere Synoden (Groningen, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland), om het besluit uit 1978 te herzien en vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen.

De voornaamste reden dat de synode in kan stemmen met het vrouwenkiesrecht is een kerkrechtelijke. Men interpreteert het karakter van een stemming zodanig, dat de vraag of vrouwen daarin gezagvol spreken over mannen niet meer van belang is, omdat het stemmen sowieso niet meer gezien wordt als het uitoefenen van gezaghebbend of leidinggevend spreken.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Omdat het in de argumentatie op de synode van 1993 vooral gaat om de kerkrechtelijke vraag naar het karakter van het stemmen, wordt er minder ingegaan op specifieke m/v-teksten. In de exegese richt men zich vooral op het thema van de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente.

Een belangrijke veronderstelling in de argumentatie van de synode van 1978 tegen het vrouwenkiesrecht is, dat de vrouw aan de man onderdanig behoort te zijn. Daarbij verwees men vooral naar de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 14:34-35 (opgevat als een algemeen zwijggebod) en 1 Tim. 2 (opgevat als een zich onderschikken aan de man en geen gezag over hem mogen uitoefenen).

Tegenover deze visie spreekt de synode van 1993 uit dat daarin te weinig rekening wordt gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Hiermee neemt de synode een lijn op, die in het commissierapport ingezet wordt. ‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen’.

Volgens het commissierapport leren de brieven in het Nieuwe Testament ‘de gelijkwaardigheid van man en vrouw (wat iets anders is dan de gelijkheid)’, en daarnaast leert het Nieuwe Testament óók ‘de onderdanigheid van de vrouw ten opzichte van de man, allereerst in het huwelijk; dit onderscheid werkt door in de gemeente, voor getrouwden en niet (meer) getrouwden; daarom wordt zij buitengesloten van het leer- en regeerambt’.

Een beroep op 1 Kor. 14:34-35 kan volgens de synode een algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente niet ondersteunen, omdat het daarin alleen gaat over het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst. Ook heeft het verbod in 1 Tim. 2:11-15 betrekking op het gezag oefenen over de man door ‘leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst ’.  Vandaar dat de conclusie wordt getrokken, dat deze teksten uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 niet gebruikt kunnen worden voor een verbod voor vrouwen om een stem uit te brengen tijdens de verkiezing van ambtsdragers.

Integendeel: met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Hand. 21:9 en 1 Kor. 11:5 is de synode van mening dat de vrouw in de gemeente wel degelijk een eigen, zelfstandige stem mag hebben. Die vloeit voort uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw, die blijkt uit het gegeven dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk.

Als het gaat over de positie van de vrouw in de kerk moeten namelijk niet alleen 1 Kor. 14:34 en 1 Tim 2:11v ter spraken komen. Andere teksten in het Nieuwe Testamant laten zien, dat mannen én vrouwen delen in de gaven van de profetie, terwijl vrouwen ook mogen bidden en profeteren in de gemeente, mits het gebeurt op een manier die met haar positie in overeenstemming is. In de vroeg-christelijke gemeenten zijn vrouwen actief betrokken bij èn worden ze ingeschakeld voor de dienst aan het evangelie. Ze worden net als mannen opgeroepen om mee te werken aan de opbouw van de gemeente. Op dezelfde wijze mogen vrouwen daarom wel degelijk een inbreng hebben bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente.

Duidelijk is dat er voor de synode in 1993 in het betrekken van vrouwen voor taken in de gemeente wel een grens is. Op grond van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11-15 concludeert zij dat de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente betekent dat ze ‘geen leer- of regeerambt in de gemeente mag vervullen’.  Expliciet wordt dat nog in de laatste grond voor het besluit verwoord: ‘omdat stemmen niet beschouwd mag worden als een vorm van (mee)regeren, mag het toekennen van stemrecht aan de zusters niet gezien worden als een eerste stap op weg naar het leer- en regeerambt van de zusters’.

 

Onderdanigheid en gelijkwaardigheid

Het is interessant om de exegese van de m/v-teksten in 1993 te vergelijken met die in 1978. Dan wordt zichtbaar, dat de synode een nieuwe richting kiest door in de bijbel expliciet twee lijnen in de verhouding tussen man en vrouw aan te wijzen: naast die van de onderdanigheid van de vrouw aan de man, ook die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Ook al wordt ook in het meerderheidsrapport uit 1978 de gelijkwaardigheid van man en vrouw als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, deze wordt meteen in dezelfde zin gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden.’ De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man. Dit ‘ondergeschikt’-zijn is verder bepalend voor de verdere invulling van de relatie tussen man en vrouw. Ook al wordt er gesproken over ‘de kompetentie van de zusters als mondige kerkleden’, van het belang is wel dat zij deze ‘kompetentie’ uitoefent binnen het zich onderschikken aan de man.

Het verrassende in de exegese in 1993 is, dat deze allesbeheersende dominantie van de ‘onderschikking’ ten opzichte van de ‘gelijkwaardigheid’ opgeheven wordt en dat man en vrouw ook als gelijkwaardig ten opzichte van elkaar gezien worden.

Met een beroep op Gen. 1 wordt betoogd, dat Adam en Eva beiden ‘naar Gods beeld geschapen zijn, in volkomen gelijkwaardigheid, met een gemeenschappelijke taak’. Het eerst geschapen zijn van Adam betekent wel, dat Adam is ‘het hoofd van zijn vrouw en de taak heeft voorop te gaan en leiding te geven’ (met een beroep op 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2), maar dat betekent niet dat Adam méér is dan Eva: in Gen. 2:18 krijgt de wederkerigheid juist het accent. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Men beseft dat het met name het Nieuwe Testament is, dat spreekt over de onderdanigheid van de vrouw aan de man. Maar men wijst er dan op, dat met die onderdanigheid ‘in de eerste plaats gezien wordt op de relatie van man en vrouw in het huwelijk’. Daarom kan ‘moeilijk ‘in abstracte zin’ gesproken worden over ‘de’ man en ‘de’ vrouw bij de schepping of over de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw in het algemeen’.

Wel voegt men er aan toe, dat ‘zoals het onderscheid tussen man en vrouw in het huwelijk niet wordt uitgewist’, dat ‘evenmin in de gemeente’ gebeurt. Het ‘leren’ en ‘regeren’ is niet aan de vrouwen opgedragen, terwijl vrouwen en mannen een onderscheiden plaats innemen. Maar dat betekent dus niet, dat aan vrouwen elke vorm van spreken verboden wordt of dat zij van elke activiteit uitgesloten wordt.

De mogelijkheid daartoe ligt in een andere exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. In 1978 worden deze teksten opgevat als een algemeen zwijggebod voor vrouwen, in 1993 wordt de reikwijdte van het verbod beperkt tot de eredienst en dan ook alleen tot die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Wel is men net als in 1978 van mening, dat in deze teksten vrouwen verboden wordt een ‘leer- of regeerambt te vervullen’.

Het grote verschil in uitkomst van het uiteindelijke synode besluit ligt in de vraag, of het stemmen kerkrechtelijk gezien valt onder de reikwijdte van het verbod om te spreken in de gemeente. In 1978 zei men ‘ja’, in 1993 ‘nee’.

Deze andere taxatie in 1993 is aanvaardbaar, omdat men op grond van een andere exegese van de m/v-teksten met een grotere nadruk op de gelijkwaardigheid van man en vrouw de mogelijkheid gecreëerd had om de bijdrage van vrouwen in de gemeente positief te waarderen. Het is denk ik niet zonder reden, dat de rapporteur van de commissie benadrukte dat Gal. 3:28, waarin het gaat over de gelijkwaardige positie van man en vrouw in Christus, ‘weliswaar niet doorslaggevend voor het vrouwenstemrecht (is), maar er wel iets over te zeggen (heeft)’ en daarom ook in het besluit opgenomen diende te worden.

 

Conclusie en beoordeling

Aan het besluit van 1993 ligt een veranderde visie op de m/v-teksten ten grondslag doordat men in de exegese niet meer het perspectief van de onderdanigheid van de vrouw aan de man laat domineren, maar ook principieel ruimte biedt voor de onderlinge gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • De inzet van het nadenken over de verhouding tussen man en vrouw bij de gelijkwaardigheid met een beroep op Gen. 1 en 2, waardoor het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk is geworden.
  • De visie dat het ‘onderdanig-zijn’ van de vrouw aan de man in eerste instantie betrekking heeft op de relatie van de man en vrouw in het huwelijk en dat dit niet zo maar veralgemeniseerd kan worden tot een scheppingsordening of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw.
  • Voor het eerst vindt er een erkenning plaats dat vrouwen in de gemeente mogen profeteren en bidden. Dat is een belangrijk motief om in de exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 het zwijggebod niet algemeen op te vatten, maar slechts te interpreteren als een verbod om leidinggevend te onderwijzen.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s