De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (5) – 1996/2005

Revisie-verzoeken van het besluit inzake het vrouwenstemrecht

Niet iedereen kon zich vinden in het besluit van de GKv Synode van Ommen 1993, ‘dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’. Op de Synode van Berkel en Rodenrijs 1996 kwamen een 35-tal brieven binnen, voornamelijk van particulieren, waarin bezwaar tegen dit besluit werd gemaakt.

Sommige van de brieven maakten bezwaar tegen het feit dat men in 1993 de zaak van het vrouwenstemrecht sowieso in behandeling had genomen. De meeste met een verzoek om het besluit te herroepen, omdat men zich niet kon vinden in de gronden onder de besluitvorming.

De bezwaren die het sterkst naar voren komen zijn:

  1. de stemming heeft wel een beslissend karakter in het geheel van de verkiezing en moet als een vorm van regeren beschouwd worden.
  2. de synode doet de Schriftgegevens over de gelijkwaardigheid van de vrouw ten koste gaan van die over de onderdanigheid van de vrouw, omdat de scheppingsorde waarbij de man tot hoofd van de vrouw is bestemd genegeerd wordt.
  3. het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten ook het deelnemen van zusters aan de stemming (als een vorm van beoordelend en gezaghebbend spreken) uitgesloten wordt.
  4. het spreken van de vrouw in andere uit het Nieuwe Testament aangevoerde teksten, zoals Hand. 2:17-18, is niet van betekenis omdat het daar niet gaat over het ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de aangevoerde teksten tonen niet aan dat het een goddelijke eis is om vrouwen het stemrecht toe te kennen.
  6. ook al hebben vrouwen de gave van de Geest ontvangen wil dat nog niet zeggen, dat zij ook bevoegd zijn om mee te stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers. Uit Handelingen 1:23-24 en 6:2-3 blijkt dat dit voor de mannen is weggelegd.
  7. uitspreken dat ‘het toekennen van het vrouwenkiesrecht geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk en dus niet als een vorm van emancipatiezucht gezien moet worden’, is geen argument voor het vrouwenkiesrecht, maar hoogstens een verdediging van het vrouwenstemrecht. Daarnaast worden de schriftgegevens die nu aangevoerd voor het vrouwenstemrecht, elders gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Met betrekking tot de vraag, of de synode in 1993 de revisieverzoeken wel in behandeling had mogen nemen, spreekt de synode in 1996 uit dat ze dat terecht gedaan heeft gedaan. De zaak van het vrouwenstemrecht is naar artikel 30 KO in de kerkelijke weg, met goede voorbereiding en kennelijk breed gedragen door de kerken aan de synode voorgelegd.

Vervolgens wijst ze ook de inhoudelijke bezwaren tegen het genomen besluit gemotiveerd af:

Ad 1. omdat de kerkenraad in het geheel van de verkiezing de leiding heeft en het dus onjuist is om te stellen, dat de stemming en dus de inbreng van de zusters zo’n zware lading krijgen als gesteld wordt.

Ad 2, 4, 5. en 6, omdat de synode terecht heeft uit gesproken dat de Schrift, – die geen enkele vorm van verkiezing voorschrijft als verplicht voor alle tijden -, geen rechtstreeks antwoord geeft op de vraag of ook de zusters mogen stemmen. Vervolgens heeft de synode Schriftgegevens naar voren gebracht waarin de gelijkwaardigheid van de vrouw ten opzichte van de man wordt onderstreept. Ook noemt zij Schriftgegevens waarin gesproken wordt over de inwoning van de Heilige Geest in de hele gemeente en gegevens waarin de bevoegdheid en de roeping tot meewerken aan de opbouw van de gemeente aan de hele gemeente wordt voorgehouden. De conclusie is daarom dat door appellanten vanuit de Schrift niet voldoende is aangetoond dat, ondanks al deze Schriftgegevens over gaven en roeping van de zusters in de gemeente, toch het stemrecht niet voor de zusters bestemd zou zijn.

Ad 3. omdat uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2  geen verbod voor zusters af te leiden valt om haar stem uit te brengen bij de verkiezing. De synode heeft meerdere schriftgegevens genoemd, die het onmogelijk maken om daarin een algemeen zwijggebod te lezen. In ieder geval is duidelijk dat wat hier aan de zusters ontzegd wordt, op een heel ander niveau ligt dan een stemming met beperkt gewicht. Wel moet het bezwaar worden toegestemd, dat de synode in 1993 een exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 vastgelegd heeft door in de gronden uit te spreken dat deze teksten zich beperken tot de eredienst resp. dat ze vrouwen het leer- en regeerambt ontzeggen.

Ad 7. spreekt de synode uit, dat genoemde uitspraak inderdaad meer een verdediging van het besluit is dan een argumentatie voor het besluit, maar dat de genoemde elementen wel voor de beoordeling van het besluit van belang zijn. Toch heeft de synode haar besluiten duidelijk afgeschermd tegen de gedachte dat de drempel naar het leer- en regeerambt van de zusters hierdoor lager zou zijn geworden, terwijl ze ook Schriftgegevens heeft genoemd die niet gebruikt kunnen worden als argumenten tegen het vrouwenstemrecht, maar naar haar oordeel wel het leer- en regeerambt aan de zusters ontzeggen.

Wel voegt ze er aan toe, dat dit laatste overigens niet betekent dat de synode een besluit ten aanzien van het leer- en regeerambt heeft genomen. Wanneer men meent, dat die zaak aan de orde moet komen, moet men via de kerkelijke weg dat op de agenda van de synode brengen. Een gang die de PS Gelderland in 2005 zal maken met een voorstel ‘om te komen tot de instelling van een deputaatschap “Vrouwen in de kerk”’.

 

Terzijdestelling van het vrouwenstemrecht in de DGK

In hetzelfde jaar dat de GKv een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’ instelt, buigt de eerste generale synode van de herstelde Gereformeerde Kerken (DGK), – het kerkverband dat ontstaan is na een afscheiding in 2003 van de GKv rond het blad Reformanda – zich over de vraag welke GKv synodebesluiten zij uit het verleden wel en niet voor haar rekening wil nemen.

Het eerste besluit dat door de GS Mariënberg 2005 terzijde wordt geschoven en waar men zich niet meer aan gebonden acht, is dat van het vrouwenstemrecht. In plaats daarvan handhaaft men het besluit van de GS Groningen 1978 om vrouwen niet het stemrecht toe te kennen.

Niet verwonderlijk is, dat de argumentatie van de DGK synode het spiegelbeeld vormt van de GKv-besluiten om de revisieverzoeken in 1996 af te wijzen. T.L. Bruinius, toentertijd een van de indieners van een revisieverzoek, is nu 1e scriba van de GS Marienberg 2005 en samenroeper van het Deputaatschap Onderzoek Synodebesluiten.

Op basis van het voorstel van deze deputaten voert de DKG synode de volgende overwegingen aan voor terzijdestelling van het vrouwenkiesrecht:

  1. de stemming draagt in het geheel van de verkiezing een beslissend karakter
  2. de synode doet geen recht aan de verschillende positie van man en vrouw in de kerk en aan de verschillen in roeping voor broeders en zusters, de scheppingsorde wordt genegeerd en aan de eenheid en de verhoudingen binnen het christelijk huwelijk zoals de Bijbel die leert wordt geen recht gedaan.
  3. de GS Groningen-Zuid 1978 beschouwde op grond van de Schriftgegevens over de onderdanigheid van de vrouw (1 Kor. 11:3; 1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:11,12,14,15; 1 Petr. 3:5) terecht het stemmen als een vorm van regeren.
  4. het spreken van de vrouw in de aangevoerde teksten (Hand. 2:17,18 etc.) is iets anders dan het meebeslissende ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de synode had moeten aantonen dat er een goddelijke eis is om de zusters het stemrecht te geven. Uit de aangevoerde teksten kan geen conclusie getrokken worden voor het meedoen van de vrouw aan de verkiezing van ambtsdragers.
  6. teksten die spreken over het wonen van de Geest in de gemeente, verbinden daaraan niet het verkiezingsrecht van de zusters. In Handelingen 1:23, 24 en 6:2, 3 worden juist de broeders in de gemeente aangesproken.
  7. de genomen besluiten zijn onvoldoende afgeschermd tegen de invloed van een tijdgeest die zich kenmerkt door een sterke hang naar individualisme en een onbijbels emancipatiedenken. De drempel naar de vrouw in het ambt kan lager worden door deze besluiten. Schriftgegevens die nu gehanteerd worden voor het vrouwenstemrecht zijn elders ook gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Men besluit dan ook dat de afwijzing van de revisieverzoeken door de GS Berkel en Rodenrijs 1996 gezien deze argumenten onterecht is geweest. Op de keper beschouwd behelsen de door de DGK aangevoerde argumenten dus niet anders dan de inhoud van de revisieverzoeken zelf. Een mooi voorbeeld van een cirkelredenering, waarbij al aangenomen wordt wat bewezen moet worden.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s