De 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten (6) – conclusie en nabeschouwing

In enkele blogs heb ik de exegeses van m/v-teksten in de 20e eeuw aan een nader onderzoek onderworpen. In deze blog wil ik de verschuivingen aanwijzen die ik heb waargenomen in de visie van de GKv op de positie van de vrouw in de kerk en in de samenleving.

Als ik deze verschuivingen kort samenvat is dat:

  • van een totale ondergeschiktheid en onderdanig-zijn van de vrouw aan de man (1930) nààr een positie waarin het uitgangspunt is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw (1999).

 

1930

Een belangrijke rol in de visie op de man/vrouw verhouding speelt in 1930 de term ‘scheppingsordinantie’: op alle terreinen van het leven (te weten huwelijk, kerk en maatschappij) is de vrouw de hulp van de man, beiden zijn drager van het beeld van God, maar de man staat boven de vrouw, omdat hij de drager van de heerschappij is en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.

De vrouw is door de wijze van haar schepping in wezen, aard en roeping bepaald naar de man en in afhankelijkheid van hem. Komt zij op zijn terrein, dan handelt zij in strijd met de door God gestelde verhouding tussen man en vrouw en wordt zij ontrouw aan haar natuur.

Deze scheppingsordening betekent dat de vrouw geen enkele leidende of onderwijzende positie in de gemeente is toegestaan.

 

1978

De gelijkwaardigheid van man en vrouw wordt als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, maar wordt in één adem gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen. De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man.

Dat betekent dat de vrouw in de gemeente niet de man met een vermeend, zelfstandig gezag tegemoet mag treden, maar dat zij moet luisteren en zich laten leren. Deze verhouding is al van vóór de zondeval. Dit betekent dat zij ook niet deel mag nemen aan de verkiezing van ambtsdragers en zeker geen leer- of regeerambt mag vervullen.

 

1993

Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.

Uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw volgt dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken mogen worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk. De vrouw mag een eigen, zelfstandige stem in de gemeente hebben en wordt daarom ook niet meer uitgesloten van het stemrecht.

Het onderscheid waarin de man de taak heeft om voorop te gaan en leiding te geven en de vrouw om te volgen, betekent alleen dat de vrouw in de gemeente wordt uitgesloten van die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Daarom wordt zij wel van het leerambt in de erediensten uitgesloten en ook van het regeerambt.

 

1999

De gelijkwaardige positie wordt nogmaals bevestigd. God heeft de mens als man en vrouw geschapen naar zijn beeld en hen samen de opdracht gegeven de aarde te beheren en in cultuur te brengen.

‘Hulp’ uit Gen. 2:20 mag niet misverstaan worden en moet geïnterpreteerd worden als een gelijkwaardig iemand met wie de man het leven kan delen en een levenseenheid kan vormen. Vanuit het Nieuwe Testament gezien betekent dit dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen. De man mag niet over de vrouw heersen, maar moet haar geborgenheid bieden. Deze relatie kan ook niet als een relatie van ‘onderdanigheid’ getypeerd worden, omdat de vrouw niet ondergeschikt is aan de man, maar een positie naast hem heeft gekregen.

Het ‘hoofd-zijn’ van de man omschrijft men niet met begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat in bijbels licht gezien in deze gelijkwaardige relatie wel sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de man de eerste verantwoordelijkheid heeft gekregen.

Het ‘voorgaan’ van de man en het ‘volgen’ van de vrouw wordt met name betrokken op de dingen die naar Gods wil zijn. Het betreft de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin te dragen en de taken die God hen geeft in de gemeente en in de samenleving.

Een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij wordt niet meer gegeven, omdat man en vrouw naar Gods beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast wil men niet aan méér binden dan de Schrift doet.

 

Bezwaren

Dat de hierboven geconstateerde verschuivingen fundamenteel zijn blijkt wel uit de bezwaren, die daar sinds 1993 tegen in gebracht werden. De belangrijkste daarvan zijn:

  • het spreken over de gelijkwaardigheid van man en de vrouw strookt niet met de scheppingsorde, waarbij de man aangesteld is tot hoofd en de vrouw hem als hulp gegeven is;
  • het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten een algemeen zwijggebod voor vrouwen gegeven is.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de van de GKv afgescheide bezwaarden die zich verenigd hebben in de DGK(h), teruggekeerd zijn naar de visies zoals die in 1978 (met betrekking tot het afwijzen van het vrouwenkiesrecht) en in 1981 (met betrekking tot het huwelijksformulier) vastgelegd zijn.

 

Conclusie en nabeschouwing

In de loop van de 20e eeuw is er een nieuwe consensus in de GKv ontstaan over de verhouding van man en vrouw, waarbij de veronderstelde totale onderdanigheid van de vrouw aan de man ter discussie is gesteld. Zo ontving de vrouw in het huwelijk en in de samenleving in principe een gelijkwaardige positie naast de man.

Exegetisch gezien is deze consensus tot stand gekomen, doordat men in het formuleren van een visie op de verhouding tussen man en vrouw op een andere wijze met de zgn. zwijgteksten om is gegaan:

  1. De zwijgteksten worden niet meer opgevat als algemene en absolute geboden, maar ze worden geïnterpreteerd als beperkt en in relatie met de (veronderstelde) situatie waarin de diverse gemeenten zich toen bevonden;
  2. De voorheen absolute interpretatie van deze zwijgteksten is niet langer meer het normatief kader voor de uitleg van het scheppingsverhaal van man en vrouw en hun onderlinge verhouding, zoals die ons Genesis 1 t/m 3 wordt verteld, maar deze hoofdstukken worden in hun eigenheid geïnterpreteerd.

Dit heeft geresulteerd in de volgende exegetische verschuivingen:

  1. Het uitgangspunt voor het denken over m/v ligt nu in de gelijkwaardigheid van man en vrouw bij de schepping en bij het samen beeld van God zijn;
  2. Daarmee is een belangrijke grond voor de traditionele exegese van de zwijgteksten weggevallen en hebben wij afscheid genomen van de traditionele interpretatie,  waarbij de zwijgteksten gelezen werden als een bevestiging en uiting van het onderdanig-zijn van de vrouw aan de man en van het gezag uitoefenen van de man over de vrouw.

Als je naar de onderbouwing van deze verschuivingen kijkt, dan zie je dat die niet ondubbelzinnig is en dat er exegetisch gezien spanningen aan te wijzen zijn. Ook is het duidelijk dat er geen afgerond verhaal neergelegd is. Concreet:

  • Hoe moet je exegetisch en hermeneutisch aankijken tegen het poneren van twee lijnen in de Schrift als het gaat over de verhouding van man en vrouw? Hoe verhoudt zich de lijn van de gelijkwaardigheid met die van de onderscheiden positie van man en vrouw?
  • Hoe kan het dat de positie van man en vrouw in de kerk een andere is dan in het huwelijk en in de samenleving? Waarom mogen vrouwen in de samenleving wel leidinggevende posities vervullen en in de kerk niet?
  • De constatering van de GS Berkel & Rodenrijs 1996 dat de vraag of het leer- en regeerambt aan de vrouw wel of niet toekomt nog open ligt, omdat daarover in de GKv geen besluit ligt.

Het is begrijpelijk dat niet lang nadat deze consensus bereikt was, er op de GS Amersfoort-Centrum 2005 om verheldering gevraagd werd door te vragen om een bezinning door een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’.

Advertenties

2 gedachten over “De 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten (6) – conclusie en nabeschouwing

  1. Een prachtig stuk geschiedenis. Mag ik dit op mail ontvangen om dit te gebruiken bij het behandelen van dit vraagstuk blijf het punt of de geschiedenis bepalend is bij het veranderen van een mening EN of dit past in de geschiedenis van de GODS openbaring, is Gods plan hieraan onderhevig of blijft Gods woord gestand zonder toevoeging van woord of title. Met broedergroet, Albert de Graaf

  2. Zeker zijn man en vrouw gelijkwaardig, maar….. het gaat in deze discussie niet over de waarde van de man en de waarde van de vrouw maar over hun verschillende taken. Zie ook de website van Aize Smit “DePoarte”. Ook zeer instructief over de vraag wat “nieuwe hermeneutiek” is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s