Alan Johnson over cultuur en bijbellezen

In 1976 verscheen er bij Moody Press in Chicago een bundel opstellen over verschillende aspecten die bij de uitleg van de bijbel een rol spelen. Eén daarvan is van de hand van de nieuwtestamenticus Alan Johnson[1], onder de titel: ‘History and Culture in New Testament Interpretation’.

Zijn bijdrage concentreert zich op de rol van historiciteit en de cultuur bij de exegese van het Nieuwe Testament. Waar hij onder meer aandacht voor vraagt, is het gevaar dat wij ons er te weinig bewust van kunnen zijn dat wij de bijbel altijd vanuit onze eigen context interpreteren. Hij pleit daarom in de exegese voor een cultuur-sensitieve benadering van de bijbel om zo aan de boodschap van de bijbel recht te doen.

Hieronder bied ik een vertaling van een deel uit dit essay, waarin hij o.a. zijn visie illustreert met enkele specifieke m/v-voorbeelden.

 

Een interculturele benadering van exegese [2]

Het woord van God in het Nieuwe Testament komt tot ons via de specifieke cultureel-historische taal van de eerste eeuw. Daarom hebben we een interculturele benadering van de bijbel nodig. In deze benadering probeert de exegeet om de onmiddellijke historische context van de schrijver te zien, zoals die gedeeltelijk in de literaire context en completer vanuit de bredere context van zijn wereld en tijd oplicht. Terwijl de exegeet zoekt naar de volledige context van de schrijver houdt hij voortdurend rekening met de mogelijkheid dat hij zijn eigen cultuur in de tekst inleest door de bijbelse uitspraken te harmoniseren met zijn eigen overtuigingen en tradities.

Ook al wordt de boodschap van Gods woord gebracht in culturele vormen, toch zijn de specifieke culturele kenmerken in zichzelf niet de boodschap. Johannes vertelt bijvoorbeeld in zijn evangelie (9:6) dat Jezus op de grond spuugt en van het speeksel modder maakt en dat papje op het oog van de blinde uitstrijkt. Tot welke boodschap wij na een zorgvuldige analyse van Johannes’ bedoeling om dit incident te vertellen ook komen, Gods woord zal niet zijn dat wij het spugen van Jezus als een voorbeeld in onze cultuur moeten navolgen. Wat in een oosterse cultuur een belangrijke en persoonlijke kwaliteit kan hebben (spuug), is in die van ons een smerig iets. Hetzelfde punt kunnen wij maken voor de manieren van preken door reizende evangelisten in het boek Handelingen, het dragen van lang haar of een sluier door vrouwen (1 Kor. 11), of zelfs de speciale positie van vrouwen in de kerk (1 Kor. 14,34-35). Het simpele punt is dat de boodschap van Gods woord voor ons vandaag niet in zichzelf bestaat uit het overzetten van deze culturele patronen uit de 1e eeuw.

Het falen om dit onderscheid te erkennen is vandaag speciaal aan te wijzen bij sommige groepen Jesus People. Zij proberen de boodschap en de cultuur van de wereld van het Nieuwe Testament in hun levensstijl te kopiëren. Zo wijzen sommigen het gebruik van muziek en zang om het evangelie te verspreiden af, omdat “zang in de vroege kerk of door de apostelen nooit gebruikt is om het evangelie te verspreiden.”

Wat verwarring geeft, is dat in de praktijk iedereen wel een bepaald onderscheid maakt. We erkennen allemaal dat Paulus’ opdracht om geen vlees te eten, wanneer ik daarmee een medegelovige aanstoot geef (1 Korintiërs 8), niet specifiek van toepassing is op onze westerse cultuur, waar vlees nooit gebruikt wordt als voedsel om te offeren. Dit is duidelijk een voorbeeld van een cultureel verschil. Iedereen zoekt meteen naar het geestelijke principe of de onderliggende boodschap van deze aansporing om die in onze situatie van vandaag te kunnen toepassen. Dat is goed. Maar juist op dit punt kunnen wij ook op een subtiele manier op het verkeerde been gezet worden. Door namelijk te veronderstellen, dat wanneer er geen enkele cultureel verschil zichtbaar is en de lezing van de tekst zo duidelijk voor ons is, we er automatisch van uit mogen gaan dat we met onze interpretatie goed zitten. Daardoor kunnen we er blind voor zijn dat wij in zulke gevallen onbewust onze eigen culturele equivalenten van de gebruikte bijbelse termen op de tekst projecteren en daarin inlezen.

Zo is het voor sommigen evident dat Paulus uitspreekt dat vrouwen in de kerk een hoofdbedekking moeten dragen en dat mannen hun haar kort moeten houden, (1 Kor. 11: 6, 14). Omdat vrouwen vandaag nog steeds hoeden dragen, moeten zij die in de kerk dragen, en wanneer mannen duidelijk korte en nette bakkebaarden hebben, is het logisch dat kort haar voor mannen ook meer schriftuurlijk is. Toch voelen sommigen zich er ongemakkelijk bij dat Paulus zo eenvoudig begrepen zou moeten worden. Of men negeert dit onderwijs over hoeden of men volgt gewoon de meerderheid in het niet dragen van een bedekking in de kerk. Hoevelen stellen de vraag: wat was de betekenis van het bedekken van het hoofd in het Korinthe van de 1e eeuw?  Of wie vraagt hoe lang ‘lang haar’ was voor mannen in die cultuur en welke betekenis daaraan verbonden was?

Mijn punt is dat wij de principes voor de uitleg die wij min of meer automatisch toepassen in zaken waarin de bijbelse cultuur aanzienlijk verschilt van die van ons, altijd zullen moeten toepassen, zelfs als de zaken voor ons ogenschijnlijk evident zijn. Alleen zo kunnen wij vermijden dat wij onze eigen culturele betekenissen in de tekst inlezen. Dit geldt ook voor bijbelse uitdrukkingen zoals ‘wedergeboren’, die onbewust een eigentijds religieuse en culturele kleur aan kan nemen, (d.w.z. van onze eigen groep). Ons verstaan kan iets anders impliceren dan Jezus’ onderwijs in Johannes 3, maar in ons denken gaan we ervanuit dat het gelijkwaardig is aan het bijbelse begrip. Zo zal het misschien nooit bij ons opkomen, dat Paulus die toch het grootste deel van het Nieuwe Testament schreef, nooit deze term gebruikte om te verwijzen naar iemand die christen wordt. De grote waarde die wij aan deze term hechten en de manier waarop wij de term ‘wedergeboren’ gebruiken, komt veel eerder van onze groep dan uit het Nieuwe Testament.

Recent werd mij in India verteld, hoe bepaalde ‘Hmar christenen in de deelstaat Nagaland beboet waren om een varken te betalen omdat zij christen waren geworden. Het was voor mij gemakkelijk om te veronderstellen dat een varken voor mij hetzelfde was als een varken voor hen. Dat was toch niet het geval. Bij de ‘Hmars word een varken gebruikt als een wettelijke boete voor misdaden als overspel, stelen of het in brand steken van je eigen of andermans  huis. Wat de waarde betreft is een varken vergelijkbaar met die van een auto bij ons. Varkens hebben in Nagaland een sociale betekenis in huwelijksrituelen en bij bepaalde initiatieriten voor jongemannen. Religieus kunnen zij gebruikt worden voor offers aan hun goden en kunnen ze op speciale momenten gedood worden. Het varken is praktisch gezien met elk aspect van het ‘Hmar leven verweven. Het opgeven van een varken als boete voor iemand die christen wordt, betekent veel meer dan het verlies van de prijs die hij voor het dier zou kunnen krijgen, zoals de waarde bij ons bepaald wordt. Ik ervoer een intercultureel probleem in de communicatie. Ook al werd het zelfde Engelse woord gebruikt, de culturele betekenis was totaal anders.

Deze interculturele benadering is ook van toepassing als het gaat om metaforische begrippen zoals ‘hoofd’. Wanneer Paulus over Christus als het ‘hoofd’ van de kerk spreekt (Kol. 1:18), denken wij natuurlijk aan een ‘baas’, ‘directeur’ of ‘president’ van een onderneming of vereniging. Hoewel deze voorstelling niet geheel in het denken van het Nieuwe Testament ontbreekt, is het dichter bij het gedachtengoed van de 1e eeuw om het ‘hoofd’ te zien als dat wat de rest van het lichaam voedt en in stand houdt en tot zijn bestemming brengt, (vgl. Ef. 4:13). In de oudheid zag men het hoofd niet als de zetel van de intellectuele vermogens, of van het verstand, zoals wij dat in onze cultuur doen. Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen.

 

 

 

[1] Alan F. Johnson (Th.D., Dallas Theological Seminary) is Emeritus Professor of New Testament and Christian Ethics van Wheaton College and Graduate School. Hij is de auteur van verscheidene commentaren, waaronder over 1 Korintiers (The IVP New Testament Commentary Series), Openbaring (Expositor’s Bible Commentary), en Romeinen (Everyman’s Bible Commentary).

[2] ‘A bicultural approach to interpretation.’ De oorspronkelijke paragraaf is te vinden op p. 134-136 van Alan Johnson, ‘History and Culture in New Testament Interpretation’, in: Interpreting the Word of God.Festschrift in honour of Steven Barabas, ed. Samuel J. Schultz and Morris A. Inch, Moody Press, Chicago, 1976, p. 128-161.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s