Paulus en de scheppingsorde

     –  Verhouding m/v in Gen. 1 en 2

Het afgelopen half jaar heb ik een serie van 6 blogs geschreven over verschuivingen in de 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten in de GKV.

Een van mijn conclusies was dat er in de 90-er jaren van de 20e eeuw een consensus ontstaan is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw.

Op basis van de besluitvorming van de GKV Synode Ommen 1993 over het toekennen van het actief kiesrecht aan vrouwen in onze kerken formuleerde ik deze consensus zo:[i]

‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.’

 

      – Beroep op Paulus bij Rufus Pos

Nu we 25 jaar verder zijn, doet zich het interessante verschijnsel voor dat deze consensus aangevochten wordt door degenen die zich niet kunnen verenigen met het besluit van de GKV Synode Meppel 2017 om nu ook de ambten in de kerk voor vrouwen open te stellen.

Rufus Pos voert in een serie brieven geplaatst op de website van de over dit besluit verontruste GKV-ers  www.bezinningmvea.nl een pleidooi voor een interpretatie van Genesis 1-3, waaruit zou blijken dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’.

Exegetisch gezien is de in de jaren ’90 ontstane consensus gebaseerd op de overweging dat een absoluut opgevatte uitleg van de zgn. zwijgteksten niet – zoals men dat eeuwenlang gewoon was – als interpretatiekader voor de exegese van Genesis 1-3 gebruikt mag worden. Wil men aan deze hoofdstukken recht doen, dan moeten ze allereerst in hun eigenheid uitgelegd dienen te worden.

Gezien wat Pos wil betogen is het niet verwonderlijk, dat hij ter ondersteuning van zijn exegese weer een beroep wil doen op die oude manier van het inlezen van de onderdanigheid van man en vrouw in het scheppingsverhaal. Toch zou hij het gesprek over m/v verder helpen, wanneer hij niet alleen die verouderde exegeses van stal haalt, maar ook zou toelichten hoe hij die ten opzichte van de thans gangbare exegeses verantwoordt. Anders blijft het gewoon een ‘welles-nietes’ debat.

 

     – ‘Hoofd’ in Efeziers 5 : 22 – 33

Veel van de argumenten voor de door Pos voorgestane exegeses van de teksten van Paulus hebben het niveau van: ‘het staat er toch!’, en dan denk ik: ‘hoezo staat dat daar?’

Typerend voorbeeld is zijn exegese van Ef. 5:22-33. Wie de commentaren er op na slaat weet, dat één van de belangrijkste exegetische vragen is: wat betekent het begrip ‘hoofd’ hier?

Wat die vraag betreft schrijft Pos: “De man is het hoofd van zijn vrouw. Daar hoor je iets in van verantwoordelijkheid. En als je nu wil weten wat dat precies inhoudt dan moet je letten op de vergelijking die Paulus maakt. De man is het hoofd van zijn vrouw zoals Christus het Hoofd is van zijn gemeente. Zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen.”

Vervolgens verwijst hij kort naar de uitleg van deze tekst in synoderapporten en -besluiten terzake van het vrouwenkiesrecht en het huwelijksformulier, waarin het ‘hoofd-zijn’ omschreven wordt als ‘dienend gezag of liefdevolle leiding’. Op zichzelf kan hij daarmee instemmen. Het ook wel in dit verband gehanteerde beeld van een ‘koppositie’ -hebben vindt hij maar niets, omdat dat te vrijblijvend is en daarin elke normatieve betekenis ontbreekt. Waaraan hij toevoegt: ‘Paulus roept de vrouw op het gezag van haar man te erkennen, omdat de man het hoofd is van zijn vrouw. Kan het duidelijker!?

In zijn hele betoog stelt Pos zich niet de vraag, wat het begrip ‘hoofd’ betekent. Hij gaat er gewoon vanuit dat het ‘hoofd-zijn’ van de man betekent dat de man gezag over de vrouw heeft, maar hij doet geen enkele poging om dat te beargumenteren.[ii]

 

     –  De term ‘gezag’ bij Paulus

Bijzonder in dit verband vind ik de suggestie die Pos op een gegeven moment doet: ‘Waarom niet de termen gebruiken die we in de Bijbel tegenkomen? Het gaat immers gewoon over gezag!’

Als hij zijn eigen advies opgevolgd zou hebben, zou hij ontdekt hebben dat je er niet vanzelfsprekend vanuit kunt gaan, dat overal waar in de nederlandse vertaling ‘gezag’ staat, griekse woorden of termen gebruikt worden die staan voor ‘zeggenschap hebben over een persoon in een onderdanige positie.’

Zo is de enige keer waarin het meest gebruikelijke griekse woord voor gezag (exousia) in het Nieuwe Testament in relatie tot de verhouding man/vrouw gebruikt wordt 1 Kor. 7:4: ‘Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over zijn lichaam, maar zijn vrouw.’ Ik ben wel benieuwd hoe Pos deze tekst verbindt met zijn visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig moet zijn.

Ook als Pos de zgn. zwijgteksten aanhaalt, gaat hij niet na welke termen of omschrijvingen Paulus precies voor ‘gezag’ gebruikt en hoe die bij hem functioneren. Het enige dat hij doet is ze te citeren:

  • 1 Korinte 11 spreekt Paulus over het ‘hoofd-zijn’ van de man en verwijst dan naar de volgorde waarin man en vrouw geschapen zijn.”
  • Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt (submissive) blijven” (1 Kor. 14)
  • Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen etc.” (1 Tim. 2:12vv).

Het belangrijkste voor Pos is niet de exegese van deze teksten, – die is voor hem kennelijk evident – , maar de conclusie die hij daaraan wil verbinden: “[Paulus] grijpt onbekommerd en uit volle overtuiging telkens terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis.

Als we dan de griekse woorden nagaan die in de NBV in relatie met de verhouding m/v met ‘gezag’ vertaald worden, zijn dat de werkwoorden ‘authentein’ en hupotassein’.

Over ‘authentein’ kan ik kort zijn. Dat is een woord dat alleen in 1 Tim. 2:12 voorkomt. Het heeft niet de normale betekenis van ‘gezag hebben’, maar de klankkleur van ‘domineren, willen overheersen, de macht grijpen’. Dat is wat Paulus de vrouwen verbiedt. Maar met dit verbod is niet gezegd dat vrouwen niet met gezag zouden mogen spreken.

Hupotassein’ betekent 1. aktief: ‘iemand onderwerpen’, 2. passief: ‘onderworpen worden’ en 3. mediaal: ‘zich onderwerpen aan’ / ‘zich schikken naar’ / ‘zich voegen onder’. Vanuit de context zal duidelijk moeten worden op grond waarvan én de wijze waarop men zich dient te ‘onderschikken’. Je kunt er niet automatisch vanuit gaan, dat overal waar Paulus deze term gebruikt hij naar een veronderstelde scheppingsorde verwijst als reden waarom de vrouw zich dient te ‘onderwerpen’.

 

     –  Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal

Aan de vraag hoe de elementen die Paulus aan het scheppingsverhaal ontleent, binnen de context van Paulus’ betoog verstaan dienen te worden, besteedt Pos geen aandacht. Hij denkt kennelijk te weten, dat het over gezag en onderdanigheid gaat, en op basis daarvan voelt hij zich gerechtigd om die veronderstelde ‘gezag- en onderdanigheidsrelatie’ in het verhaal in Genesis 1-3 in te lezen.

Als ik echter lees op welk moment Paulus in Efeziërs 5 een beroep doet op het scheppingsverhaal, dan is dat in het gedeelte dat aan de man gericht is om de mannen er op te wijzen, dat zij hun vrouw moeten liefhebben als hun eigen lichaam. Paulus haalt juist die nauwe eenheid en verbondenheid van man en vrouw uit het scheppingsverhaal naar voren met zijn beroep op Gen. 2:24: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die zullen tot één lichaam zijn’. En Paulus zijn conclusie is dan: ‘Daarom geldt voor elk van u [= mannen] dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man’.

Paulus beargumenteert dus met dit beroep op de schepping helemaal niet de onderdanigheid van de vrouw aan de man, maar hij fundeert daarmee de totale eenheid en liefdevolle verbondenheid van man en vrouw aan elkaar. Als Paulus hier het Griekse woord gebruikt dat in de NBV vertaald wordt met ‘ontzag’ (phobos), dan heeft dat de betekenis van ‘respect’ en ‘eren’ in zich en totaal niet de connotatie van ‘onderdanigheid’, zoals Pos het daar iedere keer over heeft. Paulus neemt hier het woord op, dat hij ook in 5:21 gebruikt: ‘Aanvaard elkaars gezag uit eerbied [phobos] voor Christus’, (NBV).

 

     –  ‘Onderdanig’-zijn bij Paulus

Om op dit punt het verhaal rond te maken nog een enkele opmerking over de manier waarop Paulus het werkwoord ‘hupotassein’ fundeert en gebruikt. Want Paulus heeft het natuurlijk wel over het ‘onderdanig’ zijn van de vrouw aan de man. Het punt is echter dat hij die onderdanigheid niet fundeert op de scheppingsorde, zoals Pos dat veronderstelt.

Ook al kun je je niet beroepen op de scheppingsorde zoals Pos doet, daarmee is niet ontkend, dat er in het christelijke leven en in de kerk – en ook op een vernieuwde aarde – wel van gezag sprake is. Ook is daarmee niet gesteld, dat ‘dat ‘gezag’ en ‘autoriteit’ niet uitsluitend bestaan vanwege de zonde’, zoals Pos uitentreure over visies beweert, waar hij het niet mee eens is. De vraag is wel, waar dat gezag op gebaseerd is, aan wie het verleend wordt en hoe dat ‘gezag oefenen’ dan functioneert. Wat dit betreft vind ik dat Pos tegen windmolens ten strijde trekt en karikaturen bestrijdt, die hij eerst zelf opgeroepen heeft.[iii]

Als het om het functioneren van het werkwoord ‘hupotassein’ bij Paulus gaat zijn er twee parameters te herkennen, die de betekenis bij hem bepalen.

Allereerst is er de context van een samenleving die gebouwd is op een honor/shame-cultuur en een patronagesysteem van ‘patron’ en ‘client’, waarbij de client zich schikt naar de ‘patron’ en die eer betoont, terwijl de ‘patron’ als ‘benefactor’ (weldoener) gunsten en zorg aan de ‘client’ besteedt.

Als tweede wordt dit werkwoord echter inhoudelijk bepaald en ingevuld door het voorbeeld van Christus, zoals Paulus dat in Ef. 5:1-2 aan de kerk in Efeze ten voorbeeld stelt: ‘Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God’. Vandaar dat Paulus de zgn. huistafels over de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, en tussen heren en slaven, ook begint met de algemene aansporing: ‘Onderwerp u aan elkaar uit eerbied voor Christus’, (GNB 1996 Ef. 5:21).

Pos meent deze uitleg te kunnen bestrijden met het argument, dat:

‘als je het woord ‘elkaar’ in deze tekst [Ef. 5:21] op bovenstaande manier uitlegt, loopt het begrip ‘gezag’ helemaal leeg. Wat blijft er van ‘gezag’ over als ik jouw gezag moet aanvaarden en jij mijn gezag? Deze tekst kan m.i. daarom echt niet anders betekenen dan dat je, hoewel allemaal kind van God en dus voor Hem gelijk, toch het door God aan sommigen gegeven gezag zult moeten aanvaarden. Gelijkwaardigheid ontslaat je niet van de plicht om legitiem gezag te erkennen.’

Eerlijk gezegd begrijp ik niet, wat Pos bedoelt met het ‘leeglopen’ van het begrip ‘gezag’. ‘Hupotassein’ gaat niet over het begrip gezag of over het schikken naar een scheppingsorde. Dat is m.i. pure inlegkunde van Pos vanuit een voorbije christelijke cultuur waarin orde en gezag op een patriarchale wijze ingevuld werden. De standaard voor gezag is niet de ‘patron’ tegenover zijn ‘client’, maar de standaard is Christus die zijn leerlingen heeft voorgedaan wat het betekent om in liefde elkaar te dienen. Elk vorm van gezag en van gezaghebbend spreken in de christelijke gemeente is op hem gefundeerd en van hem afgeleid.

 

     –  Conclusie

Samenvattend is mijn conclusie, dat Rufus Pos in zijn brieven er ongefundeerd en onterecht vanuit gaat dat hij Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal kan gebruiken om in Gen. 1-3 te lezen, dat de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Paulus gaat niet uit van de door Pos veronderstelde scheppingsorde met betrekking tot man en vrouw.

 

[i] Zie de betreffende blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[ii] Zie in dit verband de waarschuwing van Alan Johnson: ‘Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen’, mijn vertaling in de blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/23/alan-johnson-over-cultuur-en-bijbellezen/.

[iii] Zie mijn eerdere blog over de wijze waarop Pos de inzichten van Ad de Bruijne weergeeft: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

 

 

2 gedachten over “Paulus en de scheppingsorde

  1. Pingback: Zondeval en scheppingsorde | Veldbeemd

  2. Pingback: Genesis 1-3 en de scheppingsorde (1) | Veldbeemd

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s