Een andere visie op m/v en ambt

Pieter Niemeijer, een predikant in de Gkv met een prominente staat van dienst, heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKV over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt.

Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn betoog.[ii]

 

–   Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk, dat in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het deputaatschap pleitte voor openstelling van het ambt voor de vrouw, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen vormen een positieve beantwoording van die vraag.

Voorafgaand aan zijn bespreking stelt Niemeijer vast, dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de leer van de verlossing of ons geloof in Christus. De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Omdat de bijbel ons geen blauwdruk voor de kerkinrichting biedt, zullen wij daar onder gebruikmaking van schriftuurlijke overwegingen en rekening houdend met onze eigen context besluiten over mogen nemen.

Hij is daarom ook van mening, dat bij verschil in visie op een kerkordelijke praktijk we niet te snel moeten roepen dat de ander in strijd komt met het Woord van God. Zolang we ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag. Als er dan een beleidsmatige knoop doorgehakt is, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten.

 

–   Zwijgteksten

Toen hij zich nogmaals over de exegese van de zwijgteksten boog, kwam Niemeijer tot de bevinding dat hij tot nu toe deze nooit rechttoe rechtaan gelezen had, maar dat hij ongemerkt heel wat knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest.

Om te kunnen lezen dat er ‘gewoon staat’ dat de vrouw niet in het leer- of regeerambt mag dienen, moest hij op zo’n 11 momenten een beslissende keuze maken. Om daarin de juiste keuzes te maken zul je echt oog moeten hebben voor de situatie waarin ze geschreven zijn en ook de literaire context in rekening moeten brengen.

Zo werd hem o.a. duidelijk dat het in 1 Timoteüs 2 niet gaat:

  • over m/v en het ambt, maar over m/v in de samenleving;
  • over vrouwen in het algemeen, maar over vrouwen die provoceren;
  • over gezag hebben, maar over de baas willen spelen;
  • over onderwijzen in het algemeen, maar over iemand publiek ‘de les lezen’;
  • over vrouwen met kwaliteiten, maar over vrouwen die eerst zelf nog het nodige onderwijs nodig hebben voor ze anderen kunnen onderwijzen;
  • over de positie van de vrouw ten opzichte van iedere man, maar over de relatie met haar eigen man in het huwelijk.

In deze situatie waarschuwt Paulus vrouwen dat wanneer ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren en zegt hij dat ze moeten ‘zwijgen’. Als ondersteuning daarvoor verwijst hij naar Genesis 2 en 3. Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man. Ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Thuis niet, in de samenkomsten in de kerk niet, en ook niet in de samenleving. Je trekt altijd als man en vrouw samen op.

Dat is de boodschap van de zgn. zwijgteksten. Want zo argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 het niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook daar niet aan de orde. Daar gaat het over de erediensten. De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk moet honoreren, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is.

Paulus past hier een inzicht toe, dat hij in Efeziërs 5:22-33 verder uitgewerkt heeft. De man moet zich richting zijn vrouw met liefde opstellen en de vrouw richting haar man met respect. Toegepast in 1 Timoteüs 2 betekent dit, dat bescheidenheid en dienstbaarheid de toon hoort te zetten, zowel bij mannen (zonder wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (niet bazig de les lezen, vers 12).

Zo is Niemeijer tot de conclusie gekomen, dat je de zwijgteksten niet kunt gebruiken om de vrouw in het ambt af te wijzen.

Volgens hem mag je al die andere plaatsen, waarin over de inzet van vrouwen in de kerk en in de samenleving gesproken wordt, niet weg-exegetiseren door daar een canon van de zgn. zwijgteksten overheen te leggen. Zoals in het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen en vrouwen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen. Dat er geen absoluut gebod voor vrouwen is om onderwijs te geven, blijkt al wel uit Kolossenzen 3 en Romeinen 12, waar ook vrouwen de gave en de opdracht kunnen krijgen te leren en terecht te wijzen.

Zijn eindoordeel is daarom, dat wanneer vrouwen zich met gepaste bescheidenheid en met respect voor hun man gedragen, zij geroepen kunnen worden om ‘ambtelijke’ taken in de gemeente te vervullen.

 

     –   Scheppingsorde

Niemeijers visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden. Hij ging uit van de klassieke opvatting, dat omdat de man het eerst geschapen is, hij het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Zo is er een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw.  Kort samengevat: de man heeft de leiding.

Hij heeft nu ontdekt dat hij met deze inkleuring geen recht doet aan m.n. Efeziërs 5:22-33, waar Paulus helemaal niet uit is om een gezagsrelatie tussen man en vrouw op de schepping te funderen. Want in het begrip ‘onderdanig’ is bij Paulus geen gezagsrelatie verondersteld.

In zijn betoog keert Paulus zich juist tegen een hiërarchische relatie tussen man en vrouw, waarbij de man zich verregaande vrijheden veroorloofde in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omging. Paulus benadrukt dus niet het onderscheid van man en vrouw òf de leidinggevende positie van de man, maar uitgaande van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man, roept hij hen samen op om elkaar te honoreren. Dat is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één.

Ook in 1 Korintiërs 11 benadrukt Paulus dit. De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Zij zijn onderscheiden en horen bij elkaar. Zo zijn ze geroepen om elkaar aan te vullen en een éénheid te vormen.

Uit dit ‘verschil in positie’ kun je volgens Niemeijer niet concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt. Net zoals in andere onderscheiden relaties als ‘ouders-kind’ of ‘werkgever-werknemer’ de ‘ondergeschikte’ ook gewoon tot het ambt geroepen kan worden en als ambtsdrager ten opzichte van de ander kan functioneren.

 

     –   Hermeneutiek

Niemeijer weet dat als je de zwijgteksten en de scheppingsorde anders gaat lezen dan in de traditie gebeurde, je verdacht wordt er een nieuwe hermeneutiek op na te houden. Vandaar dat hij zich uitgebreid voor zijn exegese verantwoordt.

De kern daarvan is, dat hij gewoon de normale regels uit de traditionele hermeneutiek toegepast heeft. Het verschil is, dat hij nadrukkelijker rekening heeft gehouden met de heilshistorische regel, dat je teksten niet als losse of tijdloze teksten mag behandelen.

Verder heeft hij meer oog gekregen voor obstakels en vertekeningen bij de exegeet. Daar was in het verleden veel minder methodische aandacht voor. Ons mensbeeld, ons zondaar zijn, ons wereldbeeld en de scherpte of onscherpte van de bril die wij op hebben, beïnvloeden de exegese en kunnen ons verstaan belemmeren.

Tenslotte brengt hij nadrukkelijk in rekening dat de bijbel een boek met een geschiedenis is en geschreven is ìn en vòòr een verworden patriarchale cultuur, waar God wel bij aansluit in zijn openbaring, maar die niet door Hem gesanctioneerd wordt. In tegenstelling tot de omringende volken wordt in het Oude Testament de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is.

We mogen daarom de patriarchale werkelijkheid van de bijbel niet als norm hanteren. Niet alles wat God op enig moment doet of voorschrijft, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag en houden we ook rekening met de heilshistorische voortgang. Dat vergt wat ik zou willen noemen een ‘kritisch hermeneutisch besef’.

Opmerkelijk is dat Niemeijer sterk benadrukt dat het afstand nemen van patriarchale patronen niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken is. Volgens hem nemen de apostelen afstand van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. In het huwelijk delen man en vrouw elkaars leven zonder dat dit ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie. Ook in het denken over m/v en ambt moeten we recht blijven doen aan deze geordende positie.

Dat de klassieke exegese toch zo lang stand heeft gehouden, is omdat die scheen te kloppen met de eeuwenlange ondergeschikte plek van de vrouw in onze samenleving, waardoor er geen reden was om die exegese diepgaand op zijn houdbaarheid te toetsen. Toen er gepleit werd voor een andere positie van de vrouw in de samenleving, werden die pleidooien voor de emancipatie van de vrouw in de kerk als verdacht afgewezen, omdat zij voornamelijk uit een puur werelds denken zouden voortkomen.

 

     –   De regie van de Geest

Nadat Niemeijer aangetoond heeft, dat de zwijgteksten en de scheppingsorde niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, doet hij ook een voorstel hoe wij positief tot de inschakeling van vrouwen in de kerk kunnen overgaan.

Volgens hem is daar vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je alleen op basis van een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een mogelijke redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKV-synode in 2017. Hij presenteert die niet als een dwingende redenering, maar vindt die wel passen binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen.

Niemeijer vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de geschriften van het oude verbond toen het ging om de vraag, of en hoe ook heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg: ‘de regie van de Geest’.  Dat is dus de manier: erken zijn beleid en heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat ook heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Op dezelfde manier mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen. Gaven als onderwijzen en leiding geven. In de bijbel worden die gaven positief getaxeerd en wordt door Paulus de gemeente opgeroepen om die ook in te zetten in de kerk. Als mannen daarover beschikken, maakt ze hen geschikt voor het ambt. Ook al waren leidinggevende vrouwen in Israël eeuwenlang uitzondering, na Pinksteren mag je in begaafde vrouwen onder het nieuwe verbond een gave van de Geest zien, die ze ook mogen inzetten om in het ambt te dienen.

Niemeijer concludeert op basis daarvan dat, mits er recht wordt gedaan aan de verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk, vrouwen vandaag niet buiten het ambt gehouden hoeven te worden. Volgens hem kun je niet ontkennen dat dit binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt.

 

     –   Beoordeling en vragen

1.   Ik vind het van eerlijkheid en moed getuigen, wanneer je in de lastige discussie over m/v en kerk openlijk getuigenis aflegt van een veranderende visie. Niemeijer legt zijn kaarten op tafel en laat zien, dat in tegenstelling tot wat hij altijd dacht een vrouwelijke ambtsdrager binnen de bandbreedte van de bijbel en de gereformeerde belijdenis past.

2.   Ik ben blij met de openheid die Niemeijer in het gesprek toont naar zowel voorstanders als tegenstanders van het genomen m/v-besluit in de Gkv. Hij blijft in zijn argumentatie en weergave grotendeels ter zake en nodigt uit tot beoordeling en reactie.

3.   Het werkt ontspannend, wanneer Niemeijer het belang van de discussie relativeert door de vrouw in het ambt als een kerkordelijke zaak aan te merken. Tegelijk laat hij zien, dat dit niet betekent dat het niet zoveel uitmaakt wat er besloten wordt. Want ook dan zullen schriftuurlijke overwegingen een belangrijke rol moeten spelen.

4.   Ik vind Niemeijer te laconiek, wanneer hij zich afvraagt waarom hij een absoluut standpunt over m/v en het ambt zou moeten hebben. Zijn motief begrijp ik: voor ons behoud is het niet noodzakelijk. Toch vind ik het thema van de vrouw in het ambt belangrijk. Ook al gaat het niet om mijn persoonlijk heil, het gaat voor mij wel om recht te doen aan de ander. Ik vind dat wij als kerken de verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig met de positie en gaven van vrouwen om te gaan. Ongerechtvaardigde discriminatie is ethisch laakbaar. Daarom vind ik zijn conclusie, dat het niet vol te  houden is dat ‘de kerk de zusters onrecht zou doen door hun het ambt te onthouden’ (81) te kort door de bocht en onvoldoende onderbouwd.[iii]

5.   Niemeijer laat overtuigend zien, dat hij te gemakkelijk in de zwijgteksten gelezen heeft dat vrouwen niet mogen dienen in het leer- of regeerambt. De argumenten daarvoor zijn valide. Het zelfde geldt voor wat hij over de scheppingsorde naar voren brengt. Terecht is zijn waarschuwing om op te passen voor generalisaties van losse teksten en zijn oproep om oog te hebben voor de context waarin Paulus zich op de schepping beroept.

6.   Niemeijer past gewoon de traditionele regels uit de gereformeerde hermeneutiek toe. Daarbij wijst hij er terecht op, dat er in de traditionele hermeneutiek minder methodische aandacht was voor de rol en de bepaaldheid van de exegeet op het interpretatieproces. Dat is iets waar de moderne hermeneutiek meer oog voor heeft gevraagd. Dit betekent niet, dat een andere exegese van de zwijgteksten of de scheppingsorde aan de moderne hermeneutiek toegeschreven kan worden. Niemeijer komt tot die andere exegese, omdat hij bewuster reflecteert op en rekening houdt met de (heilshistorische) bepaaldheid van de bijbeltekst.

7.   Ik ben blij, dat Niemeijer ronduit erkent dat het patriarchaat niet de norm mag zijn voor ons handelen in de kerk. Toch gebruikt hij af en toe nog argumenten voor zijn visie, waarin resten van het patriarchale denken doorsijpelen, (zie hieronder bij 13).

8.   Ik vind Niemeijers voorstel om de beweging naar de vrouw in het ambt te funderen op de regie van de Geest waardevol. Dat is een afscheid van het idee, dat je al je handelen zou moeten funderen op bijbelteksten. Het betekent wel dat je in het formuleren van je visie oog moet hebben voor de hermeneutische aspecten van je bijbelberoep. Het zou mooi zijn, als we daarbij gebruik zouden maken van het gemeenschappelijke referentiekader dat we daarin binnen de GKV hebben opgebouwd. Daarbij denk ik speciaal aan de hermeneutiek die ten grondslag ligt aan de besluiten over huwelijk en echtscheiding van de GKV synoden sinds 1999. Ook verwijs ik hiervoor naar het model, dat Ad de Bruijne geschetst heeft in zijn artikel ‘Ethiek en hermeneutiek’ in de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag.[iv]

9.   Niemeijers betoog zou sterker zijn geworden, wanneer hij een aparte notitie over het ambt had toegevoegd. Impliciet blijkt dat hij van mening is, dat het gezag van het ambt niet aan de persoon gekoppeld is, maar verbonden is aan de opdracht en roeping die aan de persoon gegeven is. De ambtsdrager geeft namens Christus leiding. Het gehoorzamen en onderwerpen aan een ambtsdrager is niet een onderwerpen aan de persoon die Christus daarvoor roept, maar aan Christus zelf, (zie zijn opmerkingen daarover op p. 59-60).

10.   Zijn analyse waarom de klassieke exegese van de zwijgteksten in de GKv het zolang uitgehouden heeft deel ik. De bestaande visie werd niet geconfronteerd met de praktijk. Een oppervlakkige lezing van de zwijgteksten legitimeerde de visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig hoorde te zijn. Tegelijk vind ik dat hij de geschiedenis van de vrouw te rooskleurig voorstelt, waar hij geen oog heeft voor al het werk dat eeuwenlang door vrouwen verricht werd, bijvoorbeeld zolang ze (nog) niet getrouwd waren, als dienstmeisjes en later fabrieksarbeidsters, en als ze tot de klasse van de kleine middenstand of het boerenbedrijf behorend daar met hun echtgenoten meewerkten.

11.   Interessant is de vraag, waarom op dit moment dat deel van de GKV-ers dat zich verzet tegen de vrouw in het ambt, aan de klassieke exegese van de zwijgteksten en aan de scheppingsorde vast blijft houden. Evenals de vraag, hoe het komt dat Niemeijer nu pas tot de overtuiging is gekomen, dat hij ten onrechte van de traditionele visie uitging. Soortgelijke argumenten die hij nu noemt, zijn al sinds de jaren ‘80 en ’90 in de GKV naar voren gebracht door b.v. Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom, Lies Schaeffer-de Wal en Maarten J. Verkerk.

12.   Ik vind dat Niemeijer te gemakkelijk concludeert, ‘dat de klassieke exegese van de zgn. zwijgteksten en de zogenaamde scheppingsorde bestaansrecht hebben binnen de kerk, maar niet het alleenrecht’, (p. 81). Betekent het feit dat wij nu een scherpere bril hebben niet, dat wij ook de verantwoordelijkheid hebben om die op te zetten? Mogen wij interpretaties die stoelen op een minder scherpe bril afwijzen als een ongerechtvaardigd argument binnen een pleidooi tegen de vrouw in het ambt? Terecht wijst Niemeijer er op dat er in de kerk vrijheid van exegese is. Toch kun je mijns inziens met de huidige kennis van zaken niet meer zeggen dat de klassieke exegese van de zwijgteksten een geldige manier van interpreteren is, maar moet je die als een vorm van inlegkunde afwijzen.

13.   Als het gaat om de interpretatie van Efeziërs 5:22-33 zie ik dat Niemeijer afstand neemt van een exegese, waarbij in het hoofd-zijn een gezagsrelatie wordt ingelezen.

Tegelijk zijn er verschillende momenten in zijn betoog, waarin hij toch die afgewezen veronderstelde gezagsrelatie tussen man en vrouw inzet om te ondersteunen, dat er geen gelijkwaardigheid is in de positie tussen man en vrouw. Dat wreekt zich met name in zijn exegese van Gen. 2:18 e.v. in combinatie met Efeziers 5, waardoor hij er toch niet aan ontkomt in de verhouding van man en vrouw een – weliswaar relatieve en gematigde – onderschikking te lezen: ‘Zoals een man niet zonder helper naast zich kan, kan de vrouw niet zonder hoofd’ en ‘vrouwen moeten niet streven naar de eerste plaats maar de van God ontvangen positie van hun man erkennen’, (zie p. 59). Vanuit deze exegese keert hij zich tegen een ‘hedendaags gelijkheidsdenken’ en suggereert hij dat ‘die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over man, vrouw en ambt wel eens wordt vergeten’. Daarbij verwijst hij naar het boek Zonen & dochters profeteren.[v] Graag had ik van Niemeijer nog een zorgvuldige exegese van Gen. 1 en 2 gezien om deze relatieve onderdanigheid van de vrouw aan de man te onderbouwen en die exegese dan te confronteren met de inzichten uit genoemd boek.

In dit verband wil ik Niemeijer een vraag stellen, naar aanleiding van zijn opmerking over Paulus’ formulering voor de vereisten voor het ambt: ‘dat Paulus van een man spreekt in aansluiting bij de bestaande praktijk, zoals je dat veel vaker in de Schrift ziet gebeuren’, (70). In hoeverre mag je zeggen, dat Paulus ook in de formulering van de zgn. huistafels zich aansluit bij een bestaande praktijk? Niemeijer laat zien, dat in Efeziërs 5 een behoorlijke kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken aanwezig is, maar zijn er desondanks bij Paulus zelf ook geen resten daarvan te bespeuren? Zijn stelling, dat het patriarchaat in het Nieuwtestamentische denken duidelijk voorbij is, is mij veel te stellig en mijns inziens niet houdbaar.

14.   Mij puzzelt het nog wat Niemeijer er van weerhoudt, wanneer hij afstand neemt van de klassieke exegese van zwijgteksten en scheppingsorde en concludeert dat die geen verhindering zijn om de vrouw in het ambt te laten dienen, om een pleidooi daarvoor voluit te ondersteunen. Ik kan me voorstellen dat hij daar gevoelsmatig nog niet aan toe is (8), maar voor zover ik de logica van zijn argumentatie begrijp, zou dat wel een gerechtvaardigde conclusie zijn.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Ik ga in deze blog in op de hoofdlijn van zijn betoog, zonder uitgebreide verwijzingen naar de tekst van Niemeijer zelf. Wie de details wil weten, verwijs ik naar de samenvatting die ik van deze bundel gemaakt heb, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/02/samenvatting/.

[iii] Hij voert als argument aan: ‘Uit het niet-roepen door Christus van vrouwen tot apostel blijkt dat niet te zeggen is dat te allen tijde vrouwen moeten kunnen dienen in het ambt’, (81). Deze uitspraak is waar, tegelijk geeft hij zelf aan, dat het ‘lastig is om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’, (72). De vraag die beantwoord moet worden is, of nu na Pinksteren het onrecht is om hen het ambt te onthouden.

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, ed. Ad de Bruijne en Hans Burger, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017. Zie ook de toepassing van dit model op m/v en het ambt, zoals De Bruijne die verwoord heeft bij de presentatie van deze bundel opstellen: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/.

[v] Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016.

Een gedachte over “Een andere visie op m/v en ambt

  1. Pingback: Samenvatting | Veldbeemd

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s