Priester (m/v)

In een artikel in Nader Bekeken gaat dr. Pieter Boonstra in op de in 2017 genomen besluiten van de GKV-synode over ‘M/V en ambt’[i]. Hij heeft twee argumenten om deze besluiten af te wijzen. Allereerst wordt er geen recht gedaan aan de zgn. zwijgteksten, waar Paulus zijns inziens duidelijk leert dat vrouwen geen ambtelijke taken in de gemeente mogen verrichten. Ten tweede wordt er geen recht gedaan aan wat hij noemt de ‘priesterlijke’ lijn. Dat is het patroon in de Bijbel dat begint bij mannelijke priesters, vervolgens loopt via mannelijke apostelen en ten slotte uitkomt bij mannelijke oudsten. Dit tweede argument stel ik in deze blog centraal. Over het eerste argument heb ik al vaker geschreven op deze site en heb ik laten zien, dat een beroep op de zwijgteksten als absoluut verbod om vrouwen uit het ambt te weren niet te rechtvaardigen is.

Over die ‘priesterlijke lijn’ schrijft Boonstra, dat:

alleen mannen voor die dienst in aanmerking kwamen. Op deze regel vind je in het Oude Testament géén uitzondering, nergens is er sprake van een priesteres. Dit is des te opvallender, omdat in de toenmalige wereld bij de omliggende volken priesteressen dienstdeden in de tempel. De reden dat de Here niet koos voor vrouwelijke priesters, kan dus niet gezocht worden in het feit dat daar in de toenmalige cultuur geen ruimte voor was. Die was er dus wel degelijk! Desondanks kiest de Here alleen voor mannelijke priesters.’

Zijn gedachte is vervolgens dat Jezus juist 12 mannen als apostel gekozen heeft, omdat hij bij deze priesterlijke lijn uit het Oude Testament aansluit. Een bevestiging van die gedachte ziet hij daarin, dat Paulus zijn apostolische prediking typeert als ‘bediening van de verzoening’, wat een priesterlijke taak is. Een taak die Paulus vervolgens overdraagt aan de oudsten en opzieners (Hand. 20:27v) en die hij uitsluitend aan mannen toevertrouwt, (1 Tim. 2:13v, 1 Tim. 3:2 en Titus 1:6). Dat is een bewuste keuze, omdat Paulus in 1 Tim. 3:11 wel toestaat dat een vrouw diaken mag worden.

Duidelijk mag zijn dat de door Boonstra gesignaleerde lijn een constructie is, die hij als lezer aanbrengt, waarbij het dan de vraag wordt of daar in de bijbel zelf wel voldoende gronden voor zijn.

Als we op de lijn letten die Boonstra construeert, valt op dat in het Nieuwe Testament niets gezegd wordt over Jezus’ motivering om juist twaalf mannen als apostel te kiezen, laat staan dat het duidelijk wordt dat het zou zijn om daarin een ‘priesterlijke’ lijn voort te zetten. Wel weten we dat er onder zijn leerlingen ook vrouwen waren. Ook lezen we in Lukas dat hij 72 leerlingen twee aan twee op stage uitzond met de opdracht zieken te genezen en de komst van het koninkrijk van God aan te kondigen. We weten niet of onder die 72 leerlingen ook vrouwen waren. Maar de kans dat bijvoorbeeld de Emmaus-gangers, twee leerlingen van Jezus, een echtpaar vormen, is veel groter dan dat het twee mannelijke leerlingen zijn.

Als de keuze voor aansluiting bij een ‘priesterlijke’ lijn voor Jezus het argument zou zijn voor de aanstelling van apostelen, dan vraag ik me verder af waarom Boonstra alleen focust op het man/vrouw-zijn als criterium. Er waren meer vereisten voor priesters: ze moesten afkomstig zijn uit de stam Levi en dan ook nog uit het geslacht van Aäron. Nadere vereisten waren verder dat ze geen gebrek aan het lichaam mochten hebben. Tenslotte mochten ze als ze onrein waren geen dienst doen in de tempel.

Dat laatste aspect lijkt mij overigens de meest aannemelijke verklaring, dat vrouwen in het Oude Testament geen priester zijn geworden. Door hun maandelijkse ongesteldheid en bloedverlies zijn er maar beperkte tijden, dat ze dienst kunnen doen. Mijn conclusie zou daarom ook eerder zijn, dat vrouwen geen priester konden worden, niet omdat zij vrouw zijn, maar omdat ze – doordat ze vrouw zijn – veel te vaak onrein zouden zijn om deze functie te kunnen vervullen. Een logische vraag die hier uit volgt is, of dit criterium onder het nieuwe verbond nog zijn geldigheid zou hebben. Deze vraag stellen is haar mijns inziens negatief beantwoorden. Het criterium rein/onrein heeft in Christus zijn voltooiing gevonden. De heiligheid en reinheid van gelovigen en hun representanten liggen door het offer dat Hij gebracht heeft in Hem verankerd. Vrouwen zouden daarom onder het nieuwe verbond wel priester kunnen zijn.

Als we verder kijken naar de argumentatie voor de lijn die Boonstra veronderstelt, is op te merken dat inderdaad het nederlandse woord ‘priester’ etymologisch afgeleid is van het griekse woord ‘presbuteros’, dat oudste betekent. Maar dat betekent niet dat dus de functie van oudste in het Nieuwe Testament ook afgeleid is van de functie van de priester in het Oude Testament.

Het argument dat Boonstra daar toch voor denkt te kunnen aanvoeren is die van de metafoor van ‘de bediening van de verzoening’, die hij in de NBG-vertaling van 1951 in 2 Kor. 5:18 bij Paulus vindt. Toch vind ik het vreemd om te suggereren, dat zoals de priester verzoening tot stand brengt tussen God en mens door middel van het offer, de verkondiger van het evangelie verzoening tot stand brengt tussen God en de hoorder. Uit de NBV-vertaling van 2004 van dit vers blijkt duidelijk, dat de verzoening met God door Christus tot stand gebracht is en dat de verkondiging dat de verzoening tot stand gebracht is toevertrouwd is aan Paulus en aan de andere medewerkers van God (6:1) als gezanten van God (5:20). Het griekse werkwoord dat Paulus gebruikt is ‘presbeuoo’, waarin de gemeenschappelijke stam van ‘presbuteros’ te herkennen is. Het waren vaak de ouderen (oudsten) die de gemeenschap of het volk representeerden en als gezanten optraden en als zodanig het woord voerden.

Vanuit strategische en (kerk-)politieke overwegingen begrijp ik wel dat Boonstra de vraag van m/v en ambt graag exclusief wil toespitsen op de vraag aan welke kwalificaties een priester moet voldoen om God te kunnen representeren. Het is duidelijk dat in het Oude Testament vrouwen God wel kunnen vertegenwoordigen als profetessen en richteressen. In het Nieuwe Testament wordt vrouwen toegestaan om te profeteren en in de verkondiging werkzaam te zijn. Het zou mooi zijn om dan te kunnen aantonen, dat het ambtelijke spreken in het Nieuwe Testament zijn kern vindt in het priesterlijke en niet in het profetische, zoals deputaten MV betogen, en dan een beroep te kunnen doen op een constante ‘priesterlijke’ mannelijke lijn vanuit het Oude Testament.

Ik wil aan deze korte opmerkingen bij Boonstra’s zgn. ‘priesterlijke’ lijn twee conclusies verbinden. Ten eerste dat een ‘priesterlijke’ lijn van het Oude naar het Nieuwe Testament niet vanuit de bijbel valt aan te tonen en daarom als onverantwoorde fictie en dus als een non-argument in het m/v-ambt gesprek moet worden afgewezen.

Ten tweede dat als het over de vrouw in het ambt gaat, het niet om de vraag gaat of vrouwen priester mogen worden, maar om de vraag aan welke kwalificaties vertegenwoordigers van God moeten voldoen om Hem te representeren.

Ook al is het zo, dat in het Nieuwe Testament voornamelijk mannen als ‘oudsten’  worden genoemd, mijn inziens valt het bijbels niet hard te maken om vrouwen vanwege hun vrouw-zijn categorisch van deze functie uit te sluiten. Man en vrouw zijn samen naar het beeld van God geschapen. Daarom kunnen ook vrouwen Hem vertegenwoordigen. Als het om priesters gaat kan Gods volk, zowel mannen als vrouwen, in het Nieuwe Testament (onder verwijzing naar het Oude Testament) gekarakteriseerd worden als ‘een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht’, (1 Petrus 2:9).

Vrouwen als priester? Onder het nieuwe verbond is dat wel degelijk mogelijk.

 

 

[i] Zie: Nader Bekeken, Jaargang 24, nr. 9, september 2017, p. 239-243.

Advertenties

Meedenken met Loonstra [i]

In zijn boekje ‘Meedenken met Paulus[ii] snijdt dr. Bert Loonstra de belangrijkste vraag in het gesprek over de vrouw in het ambt aan. Hoe ga je om met de bijbel, in het bijzonder met de zgn. zwijgteksten? Mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Welke waarde hebben Paulus’ verwijzingen naar de wet en de scheppingsorde als hij voorschriften geeft over de positie van de vrouw in de gemeente?

Zijn stelling is dat trouw zijn aan de Schrift niet bestaat in het exact naspreken van wat Paulus destijds in zijn culturele context als voorschriften heeft gegeven, maar in een toepassing van diens normatieve uitgangspunten en manier van denken op onze cultuur en context. In andere tijden is een andere toepassing mogelijk, mits de kern van het evangelie overeind blijft staan en die toepassing uitdrukking geeft aan het door Christus bevrijde leven in de Geest.

Loonstra tilt het gesprek over m/v en het ambt zo op het niveau van de hermeneutiek. Op dit gebied hebben zich in de loop van de 20e eeuw in de gereformeerde theologie belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.[iii] Kort aangeduid: een besef dat verantwoord bijbelgebruik meer is dan een samenbrengen van een aantal bijbelteksten om een bijbelse visie op een ethisch, dogmatisch of kerkordelijk onderwerp te bieden. Dat leidt namelijk snel tot een biblicistisch bijbelgebruik, als voorbij wordt gegaan aan de eigenheid van elke tekst en aan de positie van de tekst in het geheel van de Schrift. Bij een beroep op de bijbel moet het grotere geheel van de heilsgeschiedenis en de voortgang van het Gods rijk in rekening worden gebracht. Ook  moet de cultuurhistorische context van de normen, waarden en geboden in de Schrift vastgesteld worden.

Het beroep op de bijbel is ingewikkelder geworden, niet omdat wij ons aan het gezag van de bijbel willen onttrekken, maar juist omdat wij de bijbel niet willen laten buikspreken. De vanzelfsprekendheid dat iets hoort of geldt omdat het zo in de bijbel staat, is verdwenen. We hebben leren zien dat veel van wat lang als bijbels of gereformeerd beschouwd werd een cultureel bepaalde invulling van bijbelse waarden en normen was. Ook zijn er nieuwe ontwikkelingen in de samenleving en cultuur, waar wij een bijbels verantwoord licht over mogen laten schijnen.ge

De inzichten van Loonstra sluiten aan bij het model dat Rob van Houwelingen schetst voor het contextueel lezen van de bijbel en Ad de Bruijne voor de ethische bezinning in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag[iv]. De bijbel functioneert daarin als een heilshistorisch model voor het goede leven in Israel resp. het Romeinse rijk. In de woorden van De Bruijne: ‘Evenals de apostelen deden met het onderwijs van Jezus en Mozes, moeten wij op onze beurt hun woorden leren zien binnen onze eigen context en zo de betekenis ervan ‘herkennen’’. In de GKv hebben wij ervaring met dit model opgedaan in de omgang met het onderwerp ‘huwelijk en echtscheiding’ op de verschillende synoden van 1999 t/m 2008. Het is dan ook logisch dat de GKv Synode Meppel 2017 in lijn met dit hermeneutisch model geconcludeerd heeft, dat er geen belemmeringen zijn om de vrouw in het ambt toe te laten.

Grote vraag bij deze benadering is, of de (westerse) cultuur gaat heersen over wat het evangelie ons leert. Het antwoord van Loonstra is tweeledig. Allereerst dat de kern van het evangelie niet is het houden van geboden en voorschriften, omdat wie in Christus gelooft dood is voor de wet en leeft door de Geest. Ten tweede dat ook de westerse cultuur in verbinding gebracht moet worden met het onderwijs en de levensweg van Christus en dat een ‘nee’ uitgesproken moet worden tegen zaken die zich niet met de heerschappij van Christus laten verenigen.

Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving. Zijn richtlijnen hadden niet de bedoeling om het patriarchale systeem te legitimeren, maar om de voortgang van het evangelie te bevorderen. Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis. Daarom mogen wij de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting brengen.

Loonstra’s boekje is een ontdekkingstocht op niveau. Voor degene die enigszins met de hermeneutiek vertrouwd is, biedt het een waardevolle bijdrage aan het gesprek over m/v en het ambt.

 

 

[i]  Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 12 d.d. 8 juni 2018

[ii] Zie het artikel ‘Meedenken met Paulus’ in het Gereformeerd Kerkblad, 71e jaargang, nr. 11 d.d. 24 mei 2018, ook te vinden op deze site: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/26/meedenken-met-paulus-i/

[iii] Zie het overzicht door Ad de Bruijne in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017, p. 13-34.

[iv] Zie: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne), citaat op p. 188.

Hermeneutiek [i]

Het was in het voorjaar van 1977. De verkiezingen voor de Tweede Kamer waren in aantocht. Stemmen mocht ik nog niet, maar met een vriend uit de 5e klas VWO ging ik naar de verkiezingsvergadering van D’66 om Jan Terlouw te zien en te horen. Samen discussieerden wij over christelijke politiek. Onze voorkeuren lagen ver uit elkaar: hij was meer voor de PvdA en de radicaal-christelijke PPR en ik voor het GPV. Ook bij andere thema’s werd duidelijk, dat wij erg bepaald waren door de tradities waarin wij geboren en opgegroeid waren: hij in de Nederlands Hervormde kerk en ik in de vrijgemaakt gereformeerde. Langzaam ontstond in die tijd bij mij een pijnlijk besef, dat een beroep op de bijbel niet automatisch tot consensus leidt. Om ergens het label ‘christelijk’, ‘bijbels’ of ‘gereformeerd’ aan te verbinden, is het citeren en verwijzen naar bijbelteksten niet voldoende. Elke uitleg wordt gedragen door hermeneutische vooronderstellingen. Mijn doel met dit essay is om een introductie te bieden in de verschillende hermeneutische aspecten die bij een verantwoord gebruik van de bijbel een rol spelen.

 

     –   Bezinning op verstaan

Hermeneutiek is afgeleid van een werkwoord dat in het Grieks uitleggen betekent. Een ‘hermeneut’ is een uitlegger of tolk van orakels en uitspraken van de goden, degene die de afstand tussen de wereld van de goden en die van de mensen overbrugt. Zo brengt de uitlegger de betekenis van een tekst over, zodat die door de lezer/hoorder begrepen kan worden. In de Griekse mythologie was Hermes de boodschapper van de goden. Hij zou ook de taal en het schrift ontdekt hebben, de middelen waarmee wij ons als mensen verstaanbaar maken en waarmee wij betekenis aan elkaar over kunnen dragen.

Je kunt hermeneutiek omschrijven als het vakgebied,  waarin nagedacht wordt over hoe mensen elkaar kunnen het begrijpen en verstaan (of elkaar niet-verstaan).

Eeuwenlang is de hermeneutiek niet meer geweest dan het beschrijven van de regels, die je gebruikt voor het uitleggen van teksten. Bij het lezen van teksten maken we gebruik van onze kennis van de taal, van de grammatica, van de betekenis van woorden (semantiek), van de manier waarop wij door middel van taal ons uitdrukken en handelingen verrichten (pragmatiek), van hoe teksten opgebouwd zijn (retorica) en van de soorten teksten die we onderscheiden (genres). Voor het lezen van teksten uit andere tijden of afkomstig uit landen of werelddelen die erg van de onze verschillen, zul je vaak ook nog specifieke historische en culturele kennis moeten hebben om ze goed te kunnen plaatsen of te begrijpen.

In de 19e eeuw, toen er een scheiding kwam tussen de natuurwetenschappen en de zgn. ‘geesteswetenschappen’ als letteren, geschiedenis en de sociale wetenschappen, is het terrein van de hermeneutiek door Wilhelm Dilthey verbreed naar de vraag wat begrijpen is en hoe het vaststellen van de betekenis wetenschappelijk verantwoord kan worden. Hij richt zich niet meer alleen op teksten, maar op alle menselijke uitingen en dingen die mensen maken (zoals ook kunst en andere objecten) waaraan betekenissen ontleend of toegekend kunnen worden.

Zo is de hermeneutiek van de 20e eeuw uiteindelijk de discipline geworden, waarin de voorwaarden en criteria voor een verantwoorde interpretatie van menselijke uitingen centraal staan. Een belangrijke mijlpaal is de filosofische hermeneutiek die Hans-Georg Gadamer in 1960 in zijn boek ‘Wahrheit und Methode’ beschreef.

 

     –   Bijbelse hermeneutiek

Meestal sta je als lezer niet stil bij de hermeneutische regels die je gebruikt. Dat gebeurt pas wanneer de inhoud van wat je leest niet klopt met je ervaring of je verwachtingen. Dan stel je de vraag of je de tekst wel begrepen hebt en je de tekst misschien anders moet lezen.

De vraag naar de hermeneutiek wordt des te belangrijker als het gaat om het lezen en interpreteren van gezaghebbende teksten als wetsteksten en religieuze teksten. Als je gelooft dat God in de bijbel tot ons spreekt, dan is het zaak om na te gaan hoe wij zijn boodschap voor ons leven kunnen verstaan.

Een wezenlijk uitgangspunt in de bijbelse hermeneutiek is het onderscheid tussen de betekenis van de afzonderlijke bijbeltekst (meaning) en de boodschap van de gehele bijbel (significance). Een voorbeeld kan dit onderscheid verduidelijken.

Gods leefregels voor het volk Israël in het land Kanaan zijn niet automatisch ook de leefregels, die wij vandaag in ons leven toepassen. Gods openbaring is historisch bemiddeld en kent een geschiedenis. De betekenis van Gods wet in de boeken van Mozes (meaning) speelt wel een rol voor onze manier van leven, maar wij betrekken daarin ook het latere onderwijs van Jezus en van de apostelen. Ook houden we bij de toepassing van die leefregels rekening met de cultuur en maatschappij waarin wij leven. Zo proberen wij op verantwoorde manier de betekenis van Gods woord (significance) voor ons leven vandaag vast te stellen.

De vraag is hoe je kunt waarborgen dat je in de interpretatie van de bijbel recht blijft doen aan het gezag van Godbibs spreken in zijn openbaring, zoals de bijbel daar getuigenis aan geeft. Hoe kun je zowel biblicisme als relativisme in het lezen van de bijbel vermijden? Ik denk door de betekenis van de bijbeltekst als uitgangspunt voor de vast te stellen boodschap van de bijbel te nemen, maar deze niet automatisch met de boodschap te identificeren. Elke bijbeltekst functioneert namelijk in het grotere geheel van Gods openbaring vanaf de  schepping tot aan de voltooiing van de wereld op een nieuwe hemel en aarde en krijgt vanuit dat geheel zijn specifieke betekenis.

Biblicisme is een vorm van bijbellezen, waarbij de boodschap van de bijbel samenvalt met de betekenis van de afzonderlijke bijbeltekst. Dat kan gebeuren als je een bijbeltekst presenteert als Gods woord voor vandaag, zonder dat je bij het lezen het geheel van Gods openbaring in rekening brengt. Deut. 22:5 betekent dan dat God vandaag verbiedt dat een man vrouwenkleding aantrekt of andersom.

Het is ook biblicisme als je geen rekening houdt met de specifieke omstandigheden van tijd en cultuur en door een eenvoudig beroep op bijbelteksten allerlei discussies op dogmatisch of ethisch terrein of met betrekking tot de organisatie van de kerk wilt beslechten. Tot in de 20e eeuw was het bijvoorbeeld gebruikelijk om in de dogmatiek of ethiek via een verzameling bewijsteksten bepaalde stellingen of posities als bijbels te onderbouwen. Aardig wat cultuurbepaalde inzichten en gewoonten zijn in de loop der eeuwen daarmee als Gods woord voor vandaag gelegitimeerd.

Een derde vorm van biblicisme is dat je zonder te rekenen met de verschillende tekstgenres met de regel ‘lezen wat er staat’ pleit voor het letterlijk nemen van de bijbel. Met een verwijzing naar profetische teksten als Ezechiël 40-48 en Zacharia 14 rekent men dan op met de historische komst van een aards vrederijk waarin een tempel in Jeruzalem een belangrijke rol zal spelen.

Relativisme is een vorm van bijbellezen, waarbij je de boodschap die je aan de bijbel ontleent niet meer ten opzichte van de betekenis van de afzonderlijke teksten binnen het geheel van Gods openbaring verantwoordt. Een voorbeeld is, dat je op grond van een moderne wereldvisie afscheid neemt van de opstanding van Jezus als historisch gebeuren en de verschijningen van Jezus aan zijn leerlingen als visioenen verklaart, die door psychische processen in hen zelf veroorzaakt zijn.

Biblicisme en relativisme kunnen ook samengaan. Bijvoorbeeld in de vraag: ‘Waar staat in de bijbel dat…?’, wanneer de achterliggende veronderstelling voor die vraag is dat als het niet expliciet in de bijbel staat, je er dus ook geen gezaghebbende uitspraken over kunt doen.

 

     –   Het tekort van de gereformeerde hermeneutiek

In de handboeken voor de gereformeerde exegese heeft men zich tot op het begin van de 21e eeuw vooral geconcentreerd op de betekenis (meaning) van de afzonderlijke bijbelteksten. Men pleit daarin voor een grammaticale, historische en literaire exegese van de tekst. Een belangrijke regel is verder om bij het vaststellen van de betekenis van een tekst rekening te houden met de verschillende contexten waar de tekst onderdeel van is, zoals de passage waarin die staat, het hoofdstuk, het boek of de bundel en tenslotte de hele canon. Een andere regel is wat genoemd wordt ‘het Schrift met Schrift vergelijken’: onduidelijke passages kunnen verhelderd worden door het licht van duidelijker passages in andere delen van de bijbel daar op te laten schijnen.

Het doel van de exegese is het begrijpen van de tekst als tekst. Omdat de bijbel een boek van goddelijke openbaring is, is het uiteindelijke doel van de exegese om vast te stellen wat God in deze specifieke tekst tegen zijn volk wil zeggen (meaning) en welke functie deze tekst vervolgens in het geheel van Gods openbaring (signifcance) vervult.

Voor de vraag hoe de boodschap van de tekst voor vandaag (significance) vastgesteld kan worden, hebben de exegetische handboeken in hun hermeneutische overwegingen helaas meestal weinig aandacht gehad.

Als belangrijkste reden voerde men daarvoor aan, dat de bezinning op de boodschap van de tekst (signifcance) niet onder de reikwijdte van de exegese valt, omdat het een vorm van toegepaste exegese zou zijn. Men verwijst vooral naar de homiletiek (preekkunde) als het meest aangewezen vakgebied om regels te geven voor het vaststellen van de boodschap van de tekst voor vandaag. Als richtlijn noemt men wel, is dat je er voor moet waken om aan een tekst vanuit een eigentijdse vraagstelling een toepassing te ontlenen die er eigenlijk niet in zit. Verder wijst men op meditatie over de tekst en gebed als middelen om tot een toepassing te komen.

 

     –   De boodschap van de bijbel

Het belangrijkste inzicht van de 20e-eeuwse hermeneutiek is dat de interpretatie en de toepassing van de tekst met elkaar verweven zijn. Dat komt omdat je een tekst niet onbevooroordeeld kunt lezen. Dat is geen handicap voor de interpretatie, maar schept juist de voorwaarde voor het verstaan: door je vooroordelen te confronteren met de tekst leer je de tekst te begrijpen. Objectiviteit op zichzelf bestaat niet en komt zeker niet tot stand doordat je alle vooroordelen in het interpretatieproces uitschakelt. Juist doordat je in het interpretatieproces je bewust wordt van je onjuiste vooroordelen, kun je recht doen aan de tekst (het object) die je uitlegt. Interpreteren wordt daarom ook wel voorgesteld als het je begeven in de hermeneutische cirkel. In het begrijpen en het je eigen maken van de betekenis van de tekst wordt de werking van de te interpreteren tekst als toepassing zichtbaar. De ‘zaak’ (die Sache) waar de tekst naar verwijst en uitdrukking van is, wordt begrepen.

Voor het lezen van de bijbel betekent dit dat je je door Gods openbaring aan laat spreken en je openstelt voor de aanspraak op waarheid en geloof, die God daarin op jou als hoorder/lezer laat gelden. Dat doe je door in gesprek met de tekst te gaan, waarbij je je door de betekenis (meaning) van de tekst laat leiden en in een vraag- en antwoordspel de waarheid (significance) daarvan eigen maakt. Belangrijk daarbij is te beseffen dat het God in zijn openbaring niet gaat om het bekendmaken van bepaalde onfeilbare geformuleerde feiten of standen van zaken die voor waar aangenomen moeten worden, maar dat Hij zichzelf via de bijbel aan ons bekend maakt en aanspreekt.

Het centrum van de bijbel is Gods zelfopenbaring in Jezus Christus om mensen te redden en in zijn koninkrijk te laten delen. Door middel van de door de Geest geademde teksten spreekt God ons persoonlijk aan en nodigt hij ons uit om Hem als Heer te vertrouwen en te erkennen en zo Gods koninkrijk binnen te gaan. Zo wil hij via de bijbel en door zijn Geest vandaag wonen bij de mensen. De bijbel is onfeilbaar, omdat hij alles leert wat wij moeten weten en geloven om behouden te worden. Die onfeilbaarheid wil dus niet zeggen, dat de in de bijbel vermelde feiten en gebeurtenissen gelezen moeten worden alsof ze volgens onze hedendaagse wetenschappelijke normen zijn beschreven. Daarom is bijvoorbeeld een andere lezing van het scheppingsverhaal dan de traditionele als een historisch verslag van 7 letterlijke dagen zeer goed te verdedigen.

De boodschap (significance) van de bijbel toepassen in ons leven betekent dat je gaat leven in Gods nieuwe werkelijkheid. Het is op zo’n manier leven, dat je recht doet aan het grote verhaal van Gods werken, zoals dat zijn centrum en hoogtepunt heeft gevonden in het leven, het sterven en de opstanding van Christus Jezus.

 

     –   Spirituele hermeneutiek

Leven in Gods koninkrijk is een kunde en een vaardigheid, die je niet alleen door het toepassen van regels op methodische wijze kunt beslissen. Het is een way of life, die ons uiteindelijk door de Geest van God geschonken wordt. Het lezen en begrijpen van de bijbel  zal zichtbaar worden in de praktijk van een christelijk leven.

Voor het vaststellen van Gods boodschap voor ons leven vandaag zullen we naast het beroep op de bijbel, ook mogen verwijzen naar algemene inzichten die wij opdoen in het bestuderen van de schepping en de cultuur. De openbaring van God is breder dan wat mensen daarover in de bijbel vanuit hun perspectief als getuigenis hebben kunnen vastleggen.

Zo Gods stem verstaan in en door de bijbel is alleen mogelijk, wanneer wij door de Geest deel hebben gekregen aan de werkelijkheid van Gods koninkrijk. Zoals Gadamer formuleerde is participatie aan ‘die Sache’ waar de tekst uitdrukking van is, een belangrijke voorwaarde voor het begrijpen van de tekst. Vandaar dat het ook om een door de Geest gewerkte wijsheid en fijngevoeligheid vraagt om de betekenis (meaning) van bijbelteksten zo toe te passen, dat het goede leven zoals God dat bedoeld  heeft (significance) zo optimaal mogelijk gerealiseerd wordt.

Voor het ontwikkelen van die fijngevoeligheid – in de filosofische hermeneutiek aangeduid met de term ‘phronesis’ – is o.a. inzicht in de geschiedenis en fases in de Godsopenbaring nodig, maar ook een besef van de culturele en historische context waarbinnen je dat leven in geloof vorm geeft. De historiciteit van de taal, cultuur en eigen tijd maakt het namelijk onontkoombaar dat we niet alleen de bijbel, maar ook onze eigen historische context moeten duiden, willen wij de significance van de bijbel vaststellen. Trouw zijn aan de boodschap van de bijbel kan dan soms ook betekenen dat de vormgeving van het christelijke leven in de loop van de geschiedenis verandert om de waarheid van Gods openbaring tot zijn recht te laten komen. Een belangrijk criterium daarvoor heeft Augustinus gegeven, waar hij stelt dat elk begrijpen en kennen van de bijbel gericht moet zijn op het groeien in geloof, hoop en liefde.

Het lezen van de bijbel vraagt daarom ook om een spirituele hermeneutiek, waarin wij door het oefenen in en afstemmen op het leven met God in gebed en meditatie, persoonlijk en als geloofsgemeenschap, leren Gods stem voor vandaag te verstaan.

 

[i] Essay geschreven op verzoek van de redactie van de weblog nietsnieuwsblog.nl.