Genesis 1-3 en de scheppingsorde (2)

In eerste deel van deze blog [i] heb ik de visie van ds. Rufus Pos op de zgn. ‘scheppingsorde’ weergegeven en ben ik ingegaan op zijn uitleg van Gen. 2. In dit tweede deel bespreek ik zijn beroep op Gen. 3.

 

     –   Pos’ visie op (on)gelijkheid in Gen. 3

Volgens Pos is in Gen. 3 dé zonde van de vrouw dat zij de door God aan Adam gegeven positie en diens gezag niet erkende. Als ze dat wel gedaan had, zou ze Adam eerst geraadpleegd hebben over de woorden van de slang en niet van de vrucht hebben gegeten, mits Adam natuurlijk zijn verantwoordelijkheid had genomen en haar was voorgegaan in het gehoorzaam blijven om niet van de boom van kennis van goed en kwaad te eten.

Bij het lezen van Gen. 3 zien we op verschillende momenten dat de ongehoorzaamheid aan het door God geven verbod de reden is, dat de mens en zijn vrouw door God geoordeeld worden. Nergens in de tekst wordt gezegd, dat de oorzaak van deze ongehoorzaamheid is dat de vrouw zich niet ondergeschikt aan de mens opgesteld heeft. Dat betekent dat het argument dat Pos aanvoert een veronderstelling van de categorie (c) is, die hij gebruikt om zijn exegese aannemelijk te maken. Een veronderstelling die geen aanknopingspunt in de tekst heeft en daarom moet worden afgewezen. Verder geldt ook hier dat een beroep op Paulus faalt, omdat ook Paulus niet uitgaat van een zgn. scheppingsorde. [ii]

Uit de opbouw van het verhaal in Gen. 2 en 3 blijkt dat de zonde van de vrouw is, dat zij op basis van het gesprek met de slang de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad neemt en die eet. Vervolgens is de zonde van haar man dat hij de vrucht van haar aanneemt en ook daarvan eet. In deze elementen van Gen. 3 verwijst de verteller terug naar de voorwaarden en mogelijkheden om te zondigen, zoals hij die in Gen. 2 : 8-9 en 15-17 in het verhaal verweven heeft.

Voor God is de kern van de zonde: ‘Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’, (3:11b) en ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden’, (3:17a), met als gevolg: ‘Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad’, (3:22). Dat betekent, dat de primaire focus van Gen. 2 en 3 primair de relatie tussen de mens en God is. Informatie over de overige relaties van de mens (mens-aarde, mens-dier en man-vrouw) zijn daarin secundair of ‘ondergeschikt’.

Terecht kan Pos erop wijzen, dat zowel de vrouw als de man geen recht doet aan de onderlinge relatie en de verantwoordelijkheid voor elkaar. Maar omdat het verhaal in Gen. 2 en 3 een tekstuele eenheid is, moet je die onderlinge relatie interpreteren vanuit Gen. 2 (en dus vanuit de gelijkwaardigheid, zie deel 1) en niet vanuit een in Gen. 3 ten onrechte veronderstelde ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

De argumenten die Pos daar toch voor aan meent te kunnen dragen zijn: (a) Adam wordt als eerste aangesproken, (b) Adam en Eva krijgen een verschillende straf, (c) alleen tegen Adam wordt gezegd dat hij zal sterven, en (d) de uitspraak, dat de man over de vrouw zal heersen (Gen. 3:16), is wel degelijk een straf voor de vrouw.

 

       Ad a.  Als eerste aangesproken

Opnieuw doet Pos een impliciet beroep op Paulus, omdat hij er vanuit gaat dat Paulus de man met de term ‘hoofd’ als de eerstverantwoordelijke in de ongelijke relatie tussen man en vrouw typeert. Allereerst is dat een uitleg van Paulus die niet standhoudt[iii] en dus ook niet als terechte aanname gehanteerd kan worden. Ten tweede is er in de tekst van Gen. 2 en 3 geen enkel element, dat een dergelijke interpretatie van het als eerste aangesproken worden rechtvaardigen kan.

Binnen de logica van de verhaallijn is het juist niet vreemd, dat de mens/man als eerste spreekt, wanneer God man en vrouw aanspreekt. Het past in een concentrische weergave van de gebeurtenissen en Gods reactie daarop. In Gen. 3:1-8 komen eerst de slang, de vrouw en de mens op het toneel, waarna als God verschijnt en begint te spreken in omgekeerde volgorde eerst een dialoog is met de mens en dan de vrouw is en vervolgens God het oordeel uitspreekt over de slang, de vrouw en ten slotte de mens. Tegelijk kan de verteller zo een directe verbinding leggen met het in Gen. 2:17 gegeven verbod, dat God tegenover de mens uit heeft gesproken, toen de vrouw nog niet geschapen was.

Het is duidelijk dat de man en de vrouw zowel zelfstandig handelen, als dat zij in het overtreden van het gebod en het omgaan met de gevolgen door de verteller als eenheid gezien worden. ‘Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan’, (3:6b). Daarna gaan hun ogen open: zij herkennen dat ze naakt zijn, maken schorten van vijgenbladeren en verbergen zich, wanneer God in de hof verschijnt en hen gezamenlijk ter verantwoording roept en tegelijk man en vrouw ieder op zijn eigen daden aanspreekt. Net als in hoofdstuk 2 speelt de dubbele betekenis van ‘adam’ als soortnaam en eigennaam een rol. In het verhaal van God en mens komt God na de overtreding met zijn roep: ‘God riep de mens en zei tot hem: “Waar ben je”’, (3:8), waarbij hij zowel oog heeft voor hun eenheid als vervolgens ook voor ieders afzonderlijk handelen.

 

      Ad b. en c.  Verschillend oordeel en aanzegging van de dood

Het oordeel dat God uitspreekt over de man en de vrouw heeft zowel gemeenschappelijke aspecten als specifieke.

Gemeenschappelijk is dat God allereerst vijandschap zet tussen de slang en de mens. Ook al noemt God in het oordeel over de slang expliciet de vrouw, het gaat in haar wel over de mens(heid) als geheel, collectief aangeduid met het woord ‘zaad’.

Daarnaast zal het leven van de mens, zowel van de man als van de vrouw, moeizaam worden. Voor beiden gebruikt God daarbij de term ‘smart’. Ieder zal het op zijn eigen specifieke wijze ervaren. Of dat nu betreft het bewerken van het land, het baren van kinderen, of het genieten en eten van de opbrengst. Tegenover het leven, genieten en eten in (en van de bomen in) het paradijs, plaatst God het toekomstig leven van de mens in smart op de aarde buiten het paradijs, dat uiteindelijk voor beiden uit zal lopen op de dood.

Dat alleen tegen de mens gezegd wordt, dat hij zal sterven, heeft opnieuw niet te maken dat Adam de eerstverantwoordelijke is, maar wordt verklaard door de manier waarop het verhaal verteld wordt. De verteller verwijst daarmee op concentrische wijze op de aankondiging daarvan, zoals die ook aan de mens gegeven is in 2:17, en naar zijn schepping uit de aardbodem in 2:7, waar de mens (m/v) weer naar zal terugkeren.

Veronderstellen dat het onderscheid in het oordeel van God daarmee te maken heeft dat de vrouw ten opzichte van de mens een ondergeschikte positie en verantwoordelijkheid heeft en dat hieruit een ‘scheppingsorde’ zou blijken, is inlegkunde die botst met de manier waarop de verteller zijn verhaal presenteert. Het zwoegen om in leven te blijven, omdat de aardbodem vervloekt is, en het sterven geldt gelijkelijk voor de vrouwelijke nakomelingen van de mens en voor de mannelijke.

 

      Ad d.  De man zal heersen als strafmaatregel, Gen. 3:16b

In het oordeel dat God over de vrouw uitspreekt, wordt duidelijk dat het overtreden van het gebod niet alleen consequenties heeft voor de relatie tussen de mens en God, maar ook voor de onderlinge relatie tussen de man en zijn vrouw: die is beschadigd en opgebroken. Ze bedekken hun naaktheid voor elkaar en wanneer God met hen in gesprek gaat schuiven de mens en de vrouw allebei de schuld op een ander af.

In Gods oordeel over de vrouw: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen’ legt Pos de term ‘begeren’ uit als het verlangen van de vrouw om de ‘leidende’ positie van de man in te nemen. Ook al zou zijn interpretatie juist zijn, – waar in de exegetische literatuur behoorlijk wat discussie over is  -, het willen heersen of domineren is zowel mogelijk in een hiërarchische als in een gelijkwaardige relatie. De context en de verhaallijn pleiten er echter voor om deze uitspraak in een gelijkwaardige relatie tussen man en vrouw te plaatsen in plaats van een hiërarchische relatie te veronderstellen, zoals Pos met zijn beroep op Paulus doet.

Pos legt het oordeel van God over de vrouw uit als dat ‘dit streven (begeren) niet het door haar gewenste resultaat zal hebben. Juist het omgekeerde: de man zal op dit ‘begeren’ van zijn legitieme plek door de vrouw reageren met een ‘over haar te heersen’. Zijn conclusie is daarom, dat waar mannen over vrouwen heersen, dat een straf van God is. Omdat dit ‘laat zien dat God door zijn straffen niet een einde maakt aan de zonde, maar dat Hij de zonde juist als straf kan gebruiken.’

Ik vind dat deze interpretatie ten sterkste afgewezen moet worden. Mijn inziens zegt Pos hiermee: ‘Eigen schuld, dikke bult, had je je maar als vrouw aan je man moeten onderschikken’. Ook al schreef hij in een eerdere brief over Gen. 3:16: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk’, toch legitimeert hij met zijn interpretatie van Gen. 3:16b nog steeds de onderdrukking van vrouwen, zoals dat eeuwenlang vaak met een beroep op deze ‘ordinantie Gods’ gebeurd is.

 

     –   Samenvatting en conclusie

In zijn serie brieven naar aanleiding van het besluit van de GKv Synode Meppel in 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, wil Pos laten zien dat deze uitspraak in strijd is met de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man. Hij beroept zich daarvoor op zijn uitleg van Gen. 1-3, waar zijns inziens God deze scheppingsorde ingesteld heeft.

Mijn conclusie over deze interpretatie kan kort zijn. Alle retoriek van Pos ten spijt dat elk detail van het scheppings- en zondevalverhaal van betekenis is en aandachtig gelezen moet worden, gaat hij zelf op zeer onzorgvuldig wijze met de gegevens in Gen. 1-3 om en leest hij op basis van allerlei onhoudbare veronderstellingen en zonder enige fundering in de tekst zelf zijn visie op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in zijn uitleg van deze verhalen in. Uitgaande van een onjuiste interpretatie van Paulus’ spreken over het ‘hoofd’-zijn van de man gaat hij er vanuit dat in Gen. 3 een hiërarchische relatie tussen man en vrouw verondersteld wordt, die hij vervolgens zonder ondersteuning in de tekst in zijn uitleg van Gen. 2 probeert te verdedigen.

Om het in Pos’ termen te zeggen: ‘Je bent niet heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn.’ Die ongelijkheid is met het man-  en vrouw-zijn gegeven. De vraag is echter, of deze ongelijkheid een zodanige ‘ongelijke positie en verantwoordelijkheid’ van man en vrouw impliceert, dat de vrouw aan de man ondergeschikt is. Dat heeft Pos in zijn brieven met zijn uitleg van Paulus en Gen. 1-3 niet kunnen aantonen. Op grond van de tekst van Gen. 2-3 moet je concluderen dat de mens en zijn vrouw door God in een gelijkwaardige positie aan elkaar gegeven zijn en zo als man respectievelijk vrouw voor Gods aangezicht in verantwoordelijkheid mogen leven. Gen. 1-3 geven geen richtlijnen of aanwijzingen, op basis waarvan aan het man- of vrouw-zijn specifieke sociale rollen, verantwoordelijkheden en domeinen als een door God gestelde scheppingsorde kunnen worden verbonden. Pos’ visie dat de vrouw binnen het huwelijk, in de samenleving en in de kerk een ondergeschikte positie ten opzichte van de man moet innemen moet daarom worden afgewezen.

 

 

[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/

[ii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

Advertenties

Genesis 1-3 en de scheppingsorde (1)

‘Vaststellen hoe een tekst werkt, betekent vaststellen welke van de diverse aspecten relevant of toepasselijk zijn voor een samenhangende interpretatie ervan, en welke marginaal en ondeugdelijk blijven om een samenhangende lezing te ondersteunen’, (Umberto Eco)[i]

Voor velen is het belangrijkste argument om de vrouw in het ambt af te wijzen, de visie dat God de vrouw ondergeschikt ten opzichte van de man heeft geschapen en dat zij dus geen leidende positie in de kerk mag vervullen.

 

      –   ‘Ordinantie Gods’

Tot ver in de 20e eeuw was deze visie op de ondergeschiktheid van de vrouw in de GKv gangbaar. Het meest duidelijk werd die onder woorden gebracht in het klassieke huwelijksformulier, waar met een beroep op Gen. 3:16 gesproken werd over de heerschappij van de man over de vrouw als de ‘ordinantie Gods’, waar tegen de vrouw zich niet mocht verzetten. Toch is in 1981 deze zinsnede al in de GKv uit het huwelijksformulier geschrapt, omdat God met deze woorden niet het gezag van de man over de vrouw fundeert, maar uitspreekt hoe ten gevolge van de val de man zijn macht misbruiken zal.[ii]

Als dit beroep op Gen. 3:16 om de onderdanigheid van de vrouw als norm te funderen onterecht is, hoe kun je dan toch nog het ondergeschikt-zijn van de vrouw verdedigen vanuit Gen. 1-3?

In zijn artikelenserie[iii] naar aanleiding van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor vrouwen op te stellen ziet ds. Rufus Pos juist in Genesis 3 een belangrijke grond om de vrouw in het ambt af te wijzen. Uitgangspunt voor het schrijven van de reeks is de vraag van een van zijn kinderen ‘waarom het lijkt alsof je heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn.

Zijn conclusie is dat uit Gen. 1-3 blijkt, dat:

  • man en vrouw in de onderlinge relatie hun eigen plek en verantwoordelijkheid hebben;
  • Adam als eerstverantwoordelijke gezag heeft over Eva;
  • dit gezag door God aan Adam in Genesis 2 gegeven is;
  • de vrouw de man daarom voorop moet laten gaan.

Het herstel van de door de zonde geschonden schepping betekent dat God ook de oorspronkelijke ongelijkheid weer in ere zal herstellen. De onderdanigheid van de vrouw, zoals ook Paulus daarover in Efeziers 5 spreekt, geldt daarom ook niet alleen in het huwelijk, maar ook in de kerk en in de samenleving.

In eerdere blogs heb ik al eens Pos’ uitleg van Paulus zijn visie op de vrouw besproken.[iv] In een vervolg daarop wil ik nu nagaan hoe Pos Genesis 1-3 leest en of zijn uitleg aan de tekst recht doet. Daarbij wil ik mijn voorlopige conclusie nader onderbouwen, dat de houdbaarheid van Pos’ visie ligt in de vraag of zijn exegese van Gen. 1-2 geldig is of niet.[v] 

 

      –   De visie van Pos op scheppingsorde en zondeval

Onderdanig zijn betekent dat de vrouw het door God gegeven gezag van de man moet erkennen. Het is een onderdanigheid die de man niet mag afdwingen, maar één waar de vrouw zich uit vrije wil in behoort te begeven. Zij moet de bereidheid tonen om ten opzichte van haar man de tweede plaats in te nemen. Volgens Pos fundeert Paulus dit gezag van de man over de vrouw in de instelling van het eerste huwelijk, zoals Gen. 2 daarover spreekt.

Volgens Pos wordt in Gen. 1 de gelijkwaardigheid van man en vrouw gefundeerd. De mens wordt mannelijk en vrouwelijk geschapen en beiden vormen het beeld van God en krijgen de opdracht om de aarde te bevolken en over de aarde te heersen. Vervolgens wordt in Gen. 2  de ongelijkheid gefundeerd. Ten eerste wordt eerst Adam geschapen en later pas Eva, ten tweede worden beiden op andere wijze geschapen. Daarbij gaat Pos er vanuit, dat wie eerder (in relatie ouder-kind) of als eerste geboren is, vaak een bijzondere positie krijgt. Volgens hem is dat ook het argument voor Paulus om de man en de vrouw een andere rol in het (samen)leven toe te bedelen.

Als het gaat om zijn visie op Gen. 3 dan is de zonde van de vrouw in de visie van Pos niet alleen dat zij van de vrucht nam, maar dat zij daartoe gekomen is, omdat zij de door God gegeven positie van Adam niet erkende en buiten hem om zaken met de slang deed. De zonde van Adam is daarnaast dat hij dat liet gebeuren en de leiding van Eva in het nemen en eten van de vrucht aanvaardde. Omdat Eva haar rol van ondergeschikte en daarin haar verantwoordelijkheid niet serieus nam, is de zonde ontstaan.

De term die Pos gebruikt om dit optreden van Eva en Adam te karakteriseren is individualisme: ‘Eva opereert volstrekt individualistisch en breekt daarmee in feite het (huwelijks)verbond. Door niets te doen stemt Adam daarmee in. Adam en Eva ervaren dat ogenblikkelijk na hun openbare kiezen voor zichzelf als losse individuen.

Dat Adam vervolgens als eerste aangesproken wordt, vat Pos op als indicatie dat hij als man de eerstverantwoordelijke is en ter verantwoording wordt geroepen. Daarnaast benadert en straft God volgens hem Adam en Eva niet op gelijke wijze, omdat zij elk afzonderlijk op een eigen manier in hun verantwoordelijkheid en de hen gegeven positie gefaald hebben. God sluit aan bij de door hem gegeven orde. Eva wordt gestraft in haar vrouw zijn, doordat ze met smart kinderen zal baren en dat haar relatie met haar man onder druk zal komen te staan. Adam wordt omdat hij naar Eva geluisterd heeft, gestraft doordat de aardbodem vervloekt is en hij zal moeten zwoegen om in leven te blijven. Ook wordt alleen bij Adam genoemd, dat hij zal sterven, omdat God dit alleen eerder tegen Adam als eerstverantwoordelijke uitgesproken heeft en niet tegen Eva. Dat ook zij zal sterven is omdat zij bij Adam inbegrepen is.

Volgens Pos moet de aanzegging van God in Gen. 3:16 dat de man over de vrouw zal heersen, ook niet als een gevolg van de zonde beschreven worden, maar wel degelijk als straf. Wanneer de vrouw probeert de positie van de man in te nemen zoals Eva gedaan heeft, dan zal de reflex zijn dat de man over haar gaat heersen. Maar wanneer zij in de ondergeschikte positie zal blijven, zal de man niet over haar hoeven te heersen, maar zullen zowel man als vrouw elkaar op de hen door God gegeven positie kunnen dienen.

 

      –   Exegetische verantwoording

Zonder uitgebreid in te gaan op de theorie van de exegese zijn er verschillende soorten argumenten te gebruiken om een bepaalde uitleg te verantwoorden.

Je kunt een beroep doen op:

(a)  gegevens in de tekst en de directe literaire context zelf;

(b)  gegevens uit de historische context, dit wil zeggen uit de tijd waarin de geschiedenis die in de tekst weergegeven wordt historisch gesitueerd is of uit de tijd waarin de tekst zelf ontstaan of (op)geschreven is;

(c)  aannames of hulplijnen, die de niet in de tekst staan of niet bekend zijn uit de historische context, maar die kunnen helpen om de tekst begrijpelijk te maken.

Bij een beoordeling van een exegese gaat het eerst om de vraag of de aangevoerde argumenten inhoudelijk juist zijn en vervolgens of die argumenten de conclusie van de exegese ook ondersteunen. In het vervolg zal ik af en toe naar deze categorieën verwijzen.

 

      –   Pos’ visie op (on)gelijkheid in Gen. 2

Allereerst beroept Pos voor de manier waarop hij Gen. 2 en 3 uitlegt verschillende malen op Paulus, met name diens spreken over de verhouding tussen man en vrouw in Ef. 5. Dat is een argument van de categorie (c).

Zoals ik in een eerdere blog heb laten zien, gaat Paulus hier niet uit van een zgn. scheppingsorde.[vi] Dat betekent dat dit argument door Pos als een onterechte aanname aangevoerd wordt. Het kan zijn conclusie dat er bij de instelling van het huwelijk in Gen. 2:24 sprake is van een onderschikking van de vrouw en van een gezagsrelatie van de man over de vrouw niet rechtvaardigen. Exegetisch gezien wordt door de verteller van Genesis 2 juist de verbondenheid en het gelijk-zijn van man en vrouw benadrukt, wanneer hij de uitroep van de mens citeert: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd’ (NBV Gen. 2:23) en daarop concludeert: ‘Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt’ (NBV Gen. 2:24).

Pos beroept zich behalve op Paulus voor zijn visie dat in Gen. 2 de onderdanigheid van de vrouw wordt gefundeerd, erop dat (a) Adam als eerste wordt geschapen en dat (b) Adam en Eva op verschillende wijze geschapen worden. De aanname van Pos is hier, dat hij uit de wijze van scheppen en de orde van scheppen kan concluderen, niet alleen tot ongelijkheid, maar ook tot onderdanigheid.

Als het om (a) de orde van scheppen gaat: waarom vindt Pos het eerder of later geschapen zijn van betekenis om vast te stellen of iemand gezag heeft of ondergeschikt is? Zijn mensen ondergeschikt aan dieren, omdat dieren volgens Gen. 1 eerder geschapen zijn dan de mens? Is de vrouw ondergeschikt aan de dieren omdat zij volgens Gen. 2 later geschapen is? Zelfs Calvijn vindt dat geen sterk argument van Paulus om daarmee de onderwerping van de vrouw aan de man te beargumenteren.[vii]

Overigens maakt Pos zich wel erg gemakkelijk af van het gegeven, dat man en vrouw op het zelfde moment ‘geboren’ worden. Literair en verhaaltechnisch gezien gebruikt de verteller van Gen. 2 en 3 het hebreeuwse woord ‘adam’ eerst als soortnaam (de mens) en pas later als eigennaam (Adam). Uit de ene mens (2:7) bouwt God vervolgens man en vrouw (2:23). Wanneer Pos dit vergezocht vindt, laat hij m.i. merken dat hij weinig gevoel heeft voor het genre en de literaire stijl, waarin de verhalen van schepping en zondeval verteld worden. Want zoals hij zelf opmerkt is elk detail in het vertellen ‘belangrijk en mogen we [dat] niet aan de kant schuiven als niet ter zake doende’.

Als het om (b) de andere wijze van scheppen van de vrouw gaat: zowel de mens (2:7) als de dieren (2:19) worden op gelijke wijze geformeerd vanuit de aardbodem en worden beiden tot levende wezens (dezelfde uitdrukking voor de dieren in 1:21 en 1:24 en 2:19 als voor de mens in 2:7). Een verschil zou kunnen zijn dat expliciet van de mens gezegd wordt dat de mens van God de levensadem ingeblazen krijgt, waardoor hij een levend wezen werd. Belangrijker is het gegeven dat de vrouw uit de mens geschapen werd en niet vanuit de aardbodem, er juist is om de verbondenheid en de overeenkomst in wezen te garanderen, zoals de mens ook concludeert (2:23).

De vrouw wordt gegeven als een ‘hulp tegenover’ (2:18) de mens. Algemeen wordt erkend, dat daarin niet het onderdanig zijn van de vrouw gefundeerd kan worden. De Studiebijbel – een m.i. onverdacht orthodox commentaar- zegt hierover: ‘Het woord ‘helper’ is een algemeen woord dat op zich geen hogere of lagere positie aangeeft. De vrouw past aanvullend bij de man en heeft een gelijkwaardige positie (vgl. 3:12); de ondergeschiktheid komt in 3:16 als onderdeel van het oordeel’.[viii]

Vanuit de tekst van Gen. 2 wordt duidelijk dat het doel van de schepping van de vrouw is dat zij samen met de mens de aarde moet bewerken en bewaren. Daarvoor is de mens(heid) geschapen (2:5 en 2:15), daarvoor is de vrouw als ‘helper tegenover’ aan de mens gegeven.

Op grond van de tekstuele aanwijzingen moet je m.i. concluderen dat de verteller – net als in Genesis 1 – ook in Genesis 2 uitgaat van de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Pos’ conclusie, dat in Gen. 2 een verschillende rol aan man en vrouw gegeven wordt en dat de vrouw ondergeschikt aan de man zou zijn, kan hij op grond van de tekst niet onderbouwen.[ix] Ook zijn verwijt, dat ‘je alleen als je de gelijkheid van man en vrouw eerst als uitgangspunt neemt’ deze in Genesis 2 in kunt lezen, is uit de lucht gegrepen.

(wordt vervolgd)

 

[i] Umberto Eco, Over interpretatie, Kampen, Kok Agora, 1992, p. 174.

[ii] Aldus E.A. de Boer in zijn artikel ‘Vijf huwelijksformulieren’ in: De Reformatie, Jaargang 76, Nummer 7, 18 November 2000, p. 118.

[iii] Zie de website https://www.bezinningmvea.nl/entry/brieven-aan-mijn-kinderen-inleiding

[iv] Zie https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/22/paulus-en-de-scheppingsorde/.

[v] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[vi] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[vii] In zijn commentaar op 1 Tim. 2:12: ‘Nochtans, dat Paulus voortbrengt dat de vrouw ’t laatst geschapen is, schijnt geen sterke reden der onderwerping te zijn: want Johannes de Dooper is vóór Christus geweest naar den tijd, hoewel hij nochtans naar de waardigheid ver onder Christus was’, (vertaling A.M. Donner in ed. 1891).

[viii] M.J. Paul, G. van den Brink en J.C. Bette (red.), Bijbelcommentaar Genesis|Exodus. Studiebijbel Oude Testament, deel 1, Centrum voor Bijbelonderzoek, Veenendaal, 2004, p. 43.

[ix] Symptomatisch vind ik dat Pos zijn conclusies vaak niet argumenteert vanuit de tekst zelf, maar op basis van suggestieve veronderstellingen die hij zelf over de tekst heeft. Twee willekeurige voorbeelden: 1e. ‘Maar betekent dat nu dat het voor God lood om oud ijzer was wie van de mensen Hij het eerst zou scheppen? Ik denk niet dat iemand dat met droge ogen kan beweren.’ 2e. Over de schepping van de vrouw: ‘Maar tegelijk dus wel heel anders dan het bij de dieren was gegaan. Die werden in één keer als mannetjes en vrouwtjes geschapen en niet op een verschillende manier. Met Eva gaat het dus anders.’ De enige vermelding van het scheppen van de dieren in Gen. 2 is 2:19, waar staat: ‘Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels’ d.w.z. niets over de wijze waarop ze als mannetjes en vrouwtjes geschapen zijn.

Gods gebod en de cultuur

In het Gereformeerd Kerkblad heb ik eind mei/begin juni 2018 in twee artikelen het boekje ‘Meedenken met Paulus’ van de hand van dr. Bert Loonstra besproken.[i] Naar aanleiding van deze artikelen heeft Jaap Spoelstra in dit blad een ingezonden geschreven onder de titel ‘Meedenken met Pathuis’.[ii] Op verzoek van de redactie heb ik daarop met onderstaande tekst gereageerd.

Om te beginnen wil ik graag een misvatting rechtzetten. Ik hecht er aan om bij de exegese van de bijbel het onderscheid tussen uitleg en toepassing van de bijbel te honoreren. Dat betekent dat de kern van Loonstra’s model niet is, – zoals Spoelstra samenvat – dat de westerse cultuur (mede) bepaalt hoe we de Bijbel uitleggen, maar wel dat we bij het gebruik en de toepassing van de bijbel met onze cultuur rekening hebben te houden.

Het mag duidelijk zijn, dat de bijbel een patriarchale cultuur veronderstelt en dat de aanwijzingen en wetten die daarin gegeven zijn ook op deze cultuur toegespitst zijn, ook als het gaat over de verhouding m/v. Maar dit betekent niet dat je aan het gezag van Gods spreken recht doet, wanneer je deze aanwijzingen zonder meer van toepassing verklaart voor onze eigen cultuur en context. Je zult ook moeten overwegen of een toepassing in onze cultuur mogelijk, wenselijk of geboden is om de bedoeling van Gods spreken tot uitdrukking te brengen.

In een oosterse cultuur is het bijvoorbeeld een teken van respect om in een gezagsrelatie de ander niet aan te kijken, maar je ogen neer te slaan. Deze regel kun je niet zo maar in een westerse cultuur toepassen. Een kind dat een ouder niet aankijkt als die hem vermanend toespreekt, wordt juist gesommeerd: ‘Kijk mij aan, als ik tegen je praat!’. Hetzelfde gedrag kan in verschillende contexten een andere betekenis hebben of krijgen. Bij de toepassing van een regel of gebod zul je daarom altijd de eigen cultuur en context in rekening moeten brengen. Je kunt er ook niet vanuit gaan, dat Paulus met de aanwijzingen voor zijn eigen tijd het laatste woord heeft gesproken en dat in de wijze waarop het christelijke en het gemeenteleven vorm gegeven moet worden geen ontwikkeling of aanpassing aan andere tijden meer mogelijk is. Onze driedeling van het ambt in predikant, ouderling en diaken is een toepassing die pas ontstaan is in de 16e eeuw.

In de bijbel zelf zie je al de aandacht voor de context, waarin geboden toegepast moeten worden. Zelfs zo, dat bepaalde geboden aangepast en soms terzijde geschoven worden om de intentie van Gods Woord in een nieuwe situatie (beter) tot uitdrukking te brengen. De geboden in het zgn. Bondsboek (Ex. 21-23) veronderstellen een agrarische dorpssamenleving, waar offers gebracht worden op zelfgebouwde altaren. De geboden in Deut. 12-26 veronderstellen een nationale samenleving met een koning met adel, met versterkte steden en een tempel, waar alleen de offers gebracht mogen worden. Er kwamen andere regels voor het slachten van dieren, de omgang met de zgn. eerstelingen en ook een andere invulling van de drie jaarfeesten, in het bijzonder het Pesach-feest. Dat de verering van God net als het hele rechtssysteem een andere vorm krijgt in een andere sociaal-culturele situatie laat het dynamisch karakter van de wetgeving zien. Heel duidelijk werd dat in de tijd na de ballingschap toen o.a. de synagoge als institutie ontstond. De bijbelse wetgeving paste zich zo aan niet voorziene omstandigheden en veranderende culturele situaties aan.

Als criterium voor de toepassing van de bijbelse geboden kun je daarom niet categorisch stellen, dat die altijd haaks moet staan op de heersende cultuur. Dan laat je je uiteindelijk in je gedrag negatief bepalen door de cultuur in plaats van dat je positief uitgaat van Gods woord en bedoelingen zelf. Vroeger zijn met een beroep op de NGB 1951 vertaling van Ef. 4:20: ‘Maar gij geheel anders’ veel gebruiken als ongereformeerd afgewezen, waar wij vandaag heel anders over denken. In bepaalde aspecten sluit God aan bij de cultuur, in andere staat zijn Woord daar tegendraads tegenover. Polygamie en slavernij waren destijds gangbaar en de wetgeving in de bijbel sloot daarbij aan. In het Nieuwe Testament is polygamie niet meer aan de orde, terwijl de slavernij in de 19e eeuw uiteindelijk als niet passend bij Gods bedoeling met mensen is afgewezen.

Paulus geeft een staalkaart aan criteria als het gaat om de toepassing van Gods geboden in concrete situaties. Soms is het missionair, zoals in 1 Kor. 9:19-23 (de Joden een Jood, de Grieken een Griek). Een andere keer doet hij een beroep op het geweten, op zijn overtuiging, op het onderscheidingsvermogen, of iets passend is, of het opbouwt, op gewoonte of natuur, of dat het in overeenstemming is met de wet. Ook wijst hij op zijn eigen voorbeeld, dat van Christus of doet hij een beroep op de Geest. Maar zijn belangrijkste en overkoepelend criterium in dat alles is dat van de liefde. Opvallend daarbij is, dat hij ook niet in alle gevallen een zelfde beslissing verwacht: voor zwakken in het geloof kan de toepassing anders uitvallen dan voor sterken in het geloof. Paulus doet heel vaak een beroep op de eigen overwegingen en inzicht van de gelovigen.

Als het om m/v en het ambt gaat is een beroep op de regels van 1 Kor. 11 en 14 en op 1 Tim. 2 niet beslissend. Naast oog voor het relatieve karakter van deze regels binnen een patriarchale samenleving is ook bezinning op de eigen culturele context noodzakelijk, wil je hierin verantwoorde keuzes maken. Dr. Bert Loonstra heeft in zijn boekje ‘Meedenken met Paulus’ een vruchtbaar model gegeven om zo’n keuze te kunnen verantwoorden.

 

 

[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/26/meedenken-met-paulus-i/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/09/meedenken-met-loonstra-i/.

[ii] Zie: Gereformeerd Kerkblad, 21e jaargang, nummer 14, 6 juli 2018, p. 4.