Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

Advertenties

De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/