De gereformeerde eredienst en liturgie

De theologie van de Reformatie is gegroeid rond de grote herontdekking van Luther, dat de ‘gerechtigheid van God ’ een relatie-term is. Wij mogen met God omgaan, omdat hij in Jezus Christus ons genadig opzoekt met zijn verlossing en redding. Nu mogen wij in vrijheid hem dienen en eren. De gereformeerde liturgie is een poging om dit inzicht te laten doorwerken in de vormgeving van de erediensten. Daarbij grijpen de reformatoren achter de middeleeuwse liturgie terug op het Nieuwe Testament en de gewoonte van de vroege kerk.

 

  • Joods godsdienstig leven

Wil je de vormgeving van de vroeg-christelijke erediensten begrijpen, dan moet je die zien tegen de achtergrond van het joodse godsdienstige leven in de tijd van het Nieuwe Testament. Die wordt bepaald door de tempel, de synagoge en het huis als de plaatsen waar het leven met en het eren van God vorm krijgt.

De tempel in Jeruzalem speelt als huis van God en als plek van zijn aanwezigheid in de wereld een centrale rol als de plaats van het offer, de verzoening, het gebed, de aanbidding, het onderwijs en het vieren van de drie grote feesten. De synagoge is de plek waar men samenkomt voor het lezen, de uitleg en het onderwijs van de Schriften. Daarnaast  vervult de synagoge ook de functie van een gebeds- en aanbiddingsruimte. De synagoge is in de tijd van de ballingschap in Babel ontstaan als middel om het godsdienstig leven vorm te geven, nadat de tempel van Jeruzalem door Nebukadnezar verwoest was.

Na de herbouw van de tempel in de tijd van Haggai en Zerubbabel heeft de synagoge zich als religieuze ontmoetingsplaats gehandhaafd en heeft die ook in het joodse land naast de tempel een plek gekregen. In de tijd van Jezus waren de Farizeeën meer verbonden met het leven in de synagoge en de Sadduceeën met de tempeldienst.

Het huis tenslotte is de ruimte waar de persoonlijke eredienst en de heiliging van het leven van elke dag zijn centrum vindt in het gebed en de zegening. Die wordt met name gevierd tijdens de maaltijd en de feesten. Ook vindt in de huizen religieus onderricht van de kinderen plaats.

 

  • Vroegchristelijke liturgie

Uit alles blijkt dat de eerste joodse christenen met hun samenkomsten niet de bedoeling hebben om de joodse vormen van eredienst te vervangen. In hun houding tegenover het joodse godsdienstige leven oriënteren ze zich op het onderwijs van Jezus, die wel kritisch stond tegenover de leiders van de tempel en ten opzichte van de Farizeeën, maar toch trouw de tempel en de synagoge bezocht. Dat betekent dat ook de eerste christenen de tempel en de synagoge nog bezoeken en daar met de rituelen en samenkomsten meedoen. Zo worden de christenen in eerste instantie ook beschouwd: als een van de richtingen binnen de joodse godsdienst, vergelijkbaar met die van de Farizeeën of Sadduceeën. Op deze plekken dienen zij God en zijn zij tegenover hun medebezoekers getuigen van Jezus.

In de samenkomsten in hun huizen gebruiken ze de maaltijd en vieren ze de onderlinge verbondenheid in het avondmaal en bouwen ze elkaar op in het geloof door onderwijs in het geloofsgesprek, door gebed en door het delen van profetie en andere gaven van de Geest. De discipelen zetten zo de manier van samenleven voort, die ze hadden toen ze samen met Jezus optrokken en waar ze ook in de huizen rondom de maaltijd het geloof met hem en andere gasten deelden. Het grote verschil is dat Jezus nu niet lichamelijk aanwezig is, maar in zijn Geest.

In de loop van de 1e eeuw valt echter het kunnen bezoeken van de tempel en de synagoge voor de christenen weg. Buiten Jeruzalem was sowieso een bezoek aan de tempel niet aan de orde en was men aangewezen op de synagoge, maar definitief wordt dat na de verwoesting van de tempel in 70 n. Chr.

Ook het bezoeken van de synagoge wordt op een gegeven moment onmogelijk, doordat het getuigenis van het Messias-zijn van Jezus een breekpunt in de relatie wordt. Dat zien we eerst al in het leven van Paulus en zijn gemeenten uit de heidenen, maar ook voor de joden-christenen komt er na 70 n. Christus een ‘parting of the ways’ met de overige joden die zich hergroeperen rondom het rabbijnse jodendom.

Aan het eind van de 1e eeuw zien we dat de functies die de tempel en de synagoge in het godsdienstig leven vervulden nu in de samenkomsten in de huizen geïntegreerd worden. Dat wordt nu de plaats waar het offer, de oriëntatie op de Schriften, het gebed en het onderwijs plaats vinden. Ook zien we dat in de loop van de 2e eeuw er een meer geordende liturgie in de samenkomsten ontstaat, waarin we een voorloper herkennen van wat later in een tweeledige structuur van een ‘Schrift en woord’-deel en een ‘sacrament’-deel van de liturgie zijn beslag krijgt.

Als je vanuit het schema van het joodse godsdienstige leven naar de liturgiegeschiedenis kijkt, dan zie je dat vanaf de 3e eeuw de tempel-functie van het offer steeds meer de nadruk krijgt in de liturgie, tot in de naamgeving toe: priesters die de eredienst vorm geven en een concentratie op het offer, dat in de eucharistie wordt gebracht. Deze tendens wordt versterkt doordat men sinds de 4e eeuw niet meer in de huizen samenkwam, maar in basilieken.

In de Reformatie bant men alles wat aan een offer doet denken uit de viering van de eucharistie en krijgt in de liturgie de synagoge-functie van het lezen van de Schriften en het onderwijs alle nadruk.

Tenslotte zie je de huis-functie vooral benadrukt in de kloosters en in vernieuwingsbewegingen als de Moderne Devotie (14e eeuw), dopersen (16e eeuw), het Pietisme en de bevinding (18e en 19e eeuw) en de meer evangelisch georiënteerde kerken en groepen (vanaf de 19e eeuw).

 

  • Eredienst in liturgie en dagelijks leven

Het is niet verwonderlijk, dat wanneer de tempel en de synagoge uit het godsdienstig leven van de christenen verdwijnt, men zich voor de ordening en vormgeving van de eredienst in hun samenkomsten blijft richten naar de structuur en de tijden van het joodse godsdienstig leven. Immers het Jezus-geloof en de verering van Jezus door de christenen is diep verankerd in de eeuwenoude verbondsrelatie tussen God en zijn volk. Aan het onderhouden van deze relatie wilde ook het godsdienstige leven in de tempel en synagoge uitdrukking geven. Dat is de grondslag van de ‘eredienst’ van de israëlitische gelovige, die ook al beoefend werd ver voordat er nog maar een tempel of synagoge sprake is.

De eredienst in tempel, synagoge of huis zijn dan wel de brandpunten van het joodse godsdienstige leven geweest, het dienen en eren van God gaat daar niet in op. Wanneer het godsdienstig leven zich daar toe beperkt, dan is er de profetische kritiek op het offer en het ritueel, zoals wij die in het de oude testament en bij Jezus tegenkomen. Dan horen we het verwijt namens God dat de uiterlijke eredienst geen oprechte uitdrukking van het innerlijk is, waardoor de eredienst ook geen handen en voeten krijgt in het leven van elke dag. Er moet namelijk een wisselwerking zijn tussen enerzijds het dienen van God op de heilige plaatsen en tijden en anderzijds het leven volgens Gods thora in de wereld. Echte eredienst wordt gekenmerkt door barmhartigheid en gerechtigheid.

De kern van het christelijk geloof is dat Jezus de perfecte belichaming is van de dienst aan God en dat hij door zijn offer aan het kruis de verzoening met God tot stand heeft gebracht, waardoor wij nu door zijn Geest in staat zijn om innerlijk oprecht God te dienen en als gelovige in de wereld te leven. Paulus noemt dat in Romeinen 12 de eredienst van het christelijk geloof. De samenkomsten van de gemeente zijn er op gericht om dit geloof en deze dienst aan God en in de wereld te beoefenen en te stimuleren.

Het is deze notie die ook een grote rol in de inzichten van Calvijn over eredienst en liturgie. Naast woord, gebed en sacrament speelt ook de onderlinge verbondenheid een rol. De eredienst voor God is nauw verbonden met de dienst aan de naaste. Die verbondenheid wordt allereerst zichtbaar in de diaconale collecte, terwijl Calvijn ook de ‘vredeskus’ noemt.

Het betekent een bewust zijn van de wederzijdse noden, zowel fysiek als geestelijk, in de gemeente, wat ook betekent het bekendmaken van de zieken en behoeftigen in de gemeente. Omdat dit een standaard onderdeel van de dagelijkse gebeden en de woensdags gebedsdienst was, was daar in Geneve op de zondag minder aandacht voor nodig.

Tenslotte legt Calvijn ook een nadruk op de dagelijkse eredienst. Het luisteren naar Gods woord was niet alleen een activiteit voor de zondag, maar ook een dagelijkse door de week, terwijl op vrijdag ook nog een reguliere bijbelstudie voor de geestelijken en gemeenteleden werd gehouden.

De gemeente werd geïnstrueerd om op gezette tijden stil te staan om te bidden. Gebedsteksten daarvoor werden gepubliceerd. Zo zijn in ons kerkboek ook gebeden voor diverse gelegenheden opgenomen, zoals een morgen- en avondgebed, een gebed voor en na het eten en gebeden bij ziekte. Ook getoonzette psalmen kunnen voor deze particuliere gebedsmomenten gebruikt worden.

Tenslotte verwachtte Calvijn dat in het dagelijks leven de verbondenheid en onderlinge gemeenschap zichtbaar werd in het omzien naar elkaar. Op die manier werden de gelovigen opgeroepen om het welzijn van de naaste te dienen en zo in de ander het beeld van God te eren. Wij zijn niet van onszelf, maar van God. Dat inzicht moet een leidraad voor het leven van de gelovigen zijn en zal de basis moeten zijn om in het dagelijks leven van elke dag te groeien in geloof en liefde.

 

 

De oorsprong en geschiedenis van de (2e) eredienst

  • De vroege kerk

In het Nieuwe Testament lezen we dat de eerste christenen op de 1e dag van de week ’s avonds in hun huizen bij elkaar komen. Dit gebeurt nadat het gewone werk gedaan is. De inhoud van deze bestaat in het lezen van de Schriften, verkondiging, zingen, het voeren van geloofsgesprekken, terwijl ook het avondmaal in aansluiting op de agape– of liefdemaaltijden wordt gevierd. De vormgeving van deze samenkomsten is deels geënt op die van de synagoge en deels op wat men gewoon was in het delen van het geloof binnen het dagelijks leven in huis.

In een brief van stadhouder Plinius uit het jaar 112 lezen we, dat christenen op de zondag de gewoonte hebben ´s morgens vroeg bij elkaar te komen om te zingen en aan het einde van de dag om een maaltijd te gebruiken.

Wanneer het christendom in de 4e eeuw staatskerk wordt, komt men niet meer in huizen bij elkaar maar in kerkgebouwen (basilieken). Ook wordt het tijdstip van de zondagse samenkomst verschoven van zonsopgang naar het ´derde´ uur, d.w.z. negen uur ´s morgens. Tenslotte wordt het vanaf die tijd ook gebruik om in de morgendienst het avondmaal te vieren. Naast deze morgendienst komt men ook aan het einde van de dag als afsluiting van de zondag voor een samenkomst bij elkaar. Men krijgt van overheidswege de tijd om eerst naar de kerk te gaan, voordat men aan zijn werk gaat. Pas vanaf de 6e eeuw is de zondag een volledige werkvrije of rustdag.

We zien dus dat niet alleen de structuur van de erediensten met de joodse manier van geloofsbeleving verbonden is, maar dat ook de tijden van de samenkomsten daarop zijn afgestemd. In de synagoge komt men voor het morgen- en het late-middag/avondgebed bij elkaar op die momenten dat in de tempel het offer wordt opgedragen. In later tijd ook nog eens na het vallen van de avond voor een avondgebed.

In de vroege kerk spelen deze gebedstijden niet alleen een rol op de zondag, maar ook door de week. Daar zien we zelfs een sterke uitbreiding van gebedsmomenten in navolging van de oude Joodse dagelijkse gebedsuren naar het derde, het zesde en het negende uur en het middernachtelijk gebed.

Zo worden vanaf de 4e eeuw in de bisschopssteden dagelijks morgendiensten en vespers gehouden, waarin lezingen uit de bijbel plaatsvinden, Psalmen gezongen en gebeden uitgesproken worden. Ook vinden in de vespers regelmatig de gemeenschappelijke liefdemaaltijden plaats, die door welgestelde leden aangericht worden voor de armen en de weduwen. Alle gemeenteleden  worden opgeroepen om deze dagelijkse gebedsdiensten te bezoeken. Daarnaast komt de clerus (de bisschop, de presbyters en de diakenen) ook op de overige gebedstijden overdag bij elkaar, waar de overige leden van de gemeente door werk niet bij aanwezig kon zijn.

Eenzelfde gebedspatroon zien we bij groepen christenen die rond de vierde eeuw buiten de steden gaan wonen om zich uit de wereld terug te trekken en zich aan een godsdienstig en ascetisch leven te wijden. Zij houden net als de clerus op de tijden van het joodse gebedsuur gezamenlijk godsdienstige oefeningen. Op het moment dat ook priesters in deze kloostergemeenschappen gingen wonen, kregen deze gebedsmomenten een kerkelijk en liturgisch karakter.

Wanneer later ook in de steden kloosters bij de belangrijke basilieken worden gebouwd, worden juist de monniken gezien als de dragers van de liturgie. Zij onderhouden alle zeven gebedstijden, terwijl de clerus zich dan beperkt tot de viering van de meer plechtige gebedsuren in de morgen en de avond.

Een neveneffect van deze ontwikkeling is, dat het onderhouden van regelmatige gebedstijden, wat eerst een integraal onderdeel van het geloofsleven van de gemeente was, uiteindelijk beschouwd wordt als een exclusieve taak van de geestelijke stand. De geestelijkheid (clerus en kloosterling) bidt als het ware plaatsvervangend voor de leken. Zo zeer zelfs, dat bij de gebedsdiensten ook met het gewone volk geen rekening wordt gehouden. De gebeden, de lezingen en de gezangen blijven in het Latijn plaatsvinden, ook daar waar het Latijn (al lang) niet (meer) de landstaal is. Pas tegen het einde van de middeleeuwen komen er getijdenboeken, waarin de gebeden en lezingen op een aan de leken aangepaste manier in de landstaal worden ‘vertaald’.

Van het dagelijkse morgen- en avondgebed van de gemeente zelf is dus in de middeleeuwen weinig meer overgebleven. In de moderne tijd zien we deze diensten wel weer terugkeren, maar uiteindelijk hebben deze alleen in de Anglicaanse traditie een min of meer vaste plek gekregen.

 

  • De middeleeuwen

In de middeleeuwen ligt in de zondagse morgendiensten de concentratie helemaal op de viering van de eucharistie, hoewel meer op de verering van het sacrament als dat de gelovige ook daadwerkelijk ter communie gaat. ’s Avonds worden er in de kloosters en kerken vesperdiensten gehouden. In het pastoraat en in het onderwijs wordt vooral een sterke nadruk gelegd op de zondag als een rustdag, waarop je niet mag werken en naar de kerk moet komen. Net als voor de sabbat bij de joden worden allerlei nauwkeurige voorschriften gegeven over wat toegestaan is of niet.

De kern van de middeleeuwse vroomheid is de verering van de hostie als het lichaam van Jezus. De mis wordt niet alleen op zondag, maar ook tijdens het morgengebed gevierd. Door de verering van de hostie en de wijding met het water hoopt men op wonderen als vergeving, een goede oogst, een voorspoedige geboorte, geluk in de liefde, bescherming tegen kwaad of rampen en op een zalige dood. Deze verering van het sacrament is gestimuleerd doordat er sinds de 13e eeuw een speciaal gebedsuur ingesteld is – ‘het Lof’ geheten – dat om 15.00 u op zon- en feestdagen plaatsvindt. Ook ontstaat er een speciale ‘sacramentsdag’, waarop in een grote processie de hostie door de stad wordt gedragen.

Naast deze gerichtheid op het lichaam en het leven van Jezus staan in de vroomheid ook Maria en de talloze heiligen centraal. Ook wordt aandacht gevraagd voor de biecht, de boetedoening en  het uitspreken van gebeden. Een voorbeeld van het laatste is dat sinds de 13e eeuw drie maal daags de klok geluid wordt, de Angelus-klok: in de avond, in de morgen en om 12 uur ‘s middags. Daardoor worden de gelovigen herinnerd het Ave Maria of het Onze Vader te bidden, gebeden die ook onderdeel zijn geworden van het rozenkransgebed. Op deze volksvroomheid speelt ook de Moderne Devotie in de late middeleeuwen in.

Niet alleen op de zondagen, maar ook op allerlei feestdagen wordt men in de kerk verwacht. Tegen het einde van de middeleeuwen telde men buiten de zondagen nog zo’n 43 feestdagen, welke ook in het burgerlijk leven door zondagsrust en het bezoeken van de erediensten gevierd dienden te worden.

De prediking is al sinds de 6e eeuw steeds meer uit de liturgie verdwenen, vaak omdat de meeste priesters niet in staat waren zelf een preek te maken. Als er al gepreekt wordt, is het vooral een moraalprediking, waarin allerlei ethische voorschriften worden gegeven en niet zozeer de bijbel wordt uitgelegd.

Vanaf de 12e eeuw komt er tegenbeweging op gang om het kerkvolk niet in bijgeloof en onwetendheid te laten afglijden. Priesters werden door synodes en theologen geïnstrueerd om de inhoud van de geloofsbelijdenis, het Onze Vader en de 10 geboden over te brengen. Deze uitleg vindt vanaf de preekstoel plaats en in de landstaal. Ook probeert men door spel en drama deze prediking te ondersteunen.

Zo ontstaat er in de late middeleeuwen op verschillende plekken een preekdienst in de volkstaal, die in de in het latijn uitgevoerde viering van de mis wordt ingeschoven. Omdat de misviering zo wel lang begon te duren, wordt dit nieuwe onderdeel soms ook wel uit de misdienst gelicht en afzonderlijk op een ander uur gehouden, ’s morgens of ’s middags in de kerk of in een naburige kloosterkerk van de Franciskanen of Dominicanen. Deze diensten die speciaal bedoeld zijn voor het godsdienstig onderwijs kun je zien als de voorlopers van de later ontstane Catechismus-diensten uit de tijd van de Reformatie.

Ook al is deze preekdienst nooit door de paus geautoriseerd, ze heeft in Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en ook in Engeland een grote verbreiding gekregen. In de liturgische handboeken staat die bekend als de ‘pronaus’. De liturgie zoals die in de 16e eeuw in de reformatorische kerken ontwikkeld is, heeft veel aan de opzet van deze preekdienst te danken.

 

  • De Reformatie

De intentie van de Reformatie is geweest om in de erediensten alle aandacht weer te richten op het woord van God en op de genade van God, die ons in dat woord beloofd wordt en in geloof ontvangen mag worden: sola scriptura, sola gratia en sola fide.

Eredienst betekent voor Luther niet dat God onze dienst nodig heeft en wij hem daarom moeten eren, of dat wij door die dienst onze zaligheid door ons offer in de eucharistie zouden moeten bewerken, maar betekent vooral dat God ons dienen wil door de verkondiging van het evangelie van de genade in Christus. In plaats van een concentratie in de eredienst op het sacrament en het ritueel komen de bijbel en de preek centraal te staan. Vervolgens krijgt de gemeente via het lied, het gebed, de belijdenis, het geven van gaven en het deelnemen aan het sacrament weer een zelfstandige rol in de eredienst in plaats dat de priester alle handelingen namens de gemeente verricht en als middelaar tussen God en gemeente functioneert. Tenslotte vindt heel de eredienst plaats in de landstaal, zodat iedereen mee kan doen, omdat men begrijpt wat er gebeurt.

Door Calvijn wordt het traditionele dagelijkse getijdengebed teruggebracht tot een Schriftdienst in de morgen en de avond. Daarbij vervangt hij de bediening van de mis door de bediening van het woord in de prediking. In Genève vinden deze diensten aanvankelijk plaats op dinsdagmorgen voor de uitleg van het Oude Testament en op maandag- en vrijdagavond voor die van het Nieuwe. In de loop van Calvijn’s leven is het aantal diensten uitgebreid tot dagelijkse diensten, met op woensdag een speciale morgendienst gewijd aan het gebed. In Straatsburg zijn er vanaf het begin van de reformatie al meteen elke dag drie getijdediensten: in de zomer om vier uur en acht uur in de morgen en vijf uur in de middag, in de winter om respectievelijk vijf, acht en drie uur.

De reformatoren schaffen de perikopen-ordening, waarbij korte gedeelten passend bij het kerkelijk jaar en de feestenkalender gelezen worden, af. Die bevatte meest een selectie uit het Nieuwe Testament en dan ook voornamelijk de evangeliën. Calvijn en Bucer kiezen voor een doorlopende lezing van de bijbel. Zo willen ze de hele bijbel in de harten van de gelovigen planten. Daarnaast willen ze door het zingen en bidden van de psalmen de gemeente weer bijbels leren bidden. Calvijn laat alle psalmen getoonzet op nieuwe melodieën in de Franse taal berijmen.

Wat de erediensten op zondag betreft zien we dat zowel ’s morgens als ’s middags als ’s avonds diensten worden gehouden.

In Straatsburg, de bakermat van de ontwikkeling van de gereformeerde liturgie, wordt in de jaren ‘30 van de 16e eeuw op de zondag eerst het dagelijkse morgengebed in de kathedraal gehouden. Daarna vindt de eredienst plaats waarin na de verkondiging ook doop en avondmaal gevierd kunnen worden. Onmiddellijk na het eten van twaalf uur wordt een tweede Woorddienst gehouden, waarna aansluitend een catechisatiedienst voor het onderricht van de kinderen is. Na deze twee diensten worden de avonddiensten of vespers gehouden in de wijkkerken. Deze bestaan uit het zingen van Psalmen, het uitspreken van gebeden en een collecte. Eventueel kan aan het eind van die dienst ook de doop worden bediend.

In Genève wordt in twee van de drie kerken op zondag bij het aanbreken van de dag gepreekt, waarna in alle drie kerken ’s morgens om negen uur een dienst is. Vervolgens wordt op zondagmorgen om twaalf uur gecatechiseerd voor de jeugd, terwijl er dan om drie uur in alle kerken weer een dienst wordt gehouden.

Voor gereformeerden in Nederland is de tweede dienst op de middag of avond nauw verbonden met de verkondiging uit de (Heidelbergse) Catechismus.

Dat is een traditie die al in de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen rond 1550 is ontstaan. Daar werden tijdens de 2e dienst op zondag twee preken gehouden: eerst één over een bijbeltekst,  daarna één over een catechismusgedeelte. Later is deze gewoonte ook in de Nederlanden door verschillende synoden eind 16e eeuw ingevoerd. Uiteindelijk werd in de kerkorde van Dordrecht (1619) in artikel 68 vastgelegd dat in de middagdienst de Heidelbergse Catechismus, onderverdeeld in 52 zondagen, als leidraad voor de prediking genomen diende te worden. Zo heeft de tweede dienst de afgelopen vier eeuwen als invulling en doel gehad om de gemeente vertrouwd te maken met de christelijke leer en het christelijke leven.

De tweede dienst zelf is dus geen eigen vinding van de Reformatie is. Een samenkomst van de gemeente in de zondagmiddag of -avond bestaat al sinds de vroege kerk. Het bijzondere in de 16e eeuw is, dat deze dienst in Duitsland en in de Nederlanden het specifieke karakter van een catechismusdienst krijgt.

Over het houden van de getijdendiensten heeft men zich in de Nederlanden op verschillende synoden eind 16e eeuw gebogen. In de roomse kerken werden de avondgebeden altijd als vesperdienst gevierd. Deze diensten bestonden destijds uit een korte bijbellezing met aansluitend een gebed. Wanneer in 1572 een aantal kerken van rooms gereformeerd waren geworden, kwam de vraag op of deze gehandhaafd moesten worden. Een deel van de gemeenteleden wilde dat graag en deed een verzoek om elke avond in de kerken een korte vesperdienst te houden.

In 1574 heeft de synode van Dordrecht daar een gedetailleerd besluit over genomen. Waar ze niet (meer) zijn, moet men ze niet weer opnieuw invoeren. Waar men in plaats van de roomse vesperdienst een avondgebed heeft ingesteld, moet men deze zo voorzichtig en stil mogelijk afschaffen. Duidelijk is dat men gemeenteleden niet voor het hoofd wil stoten of wil afstoten van de nu gereformeerde kerken. Als redenen voor dit besluit worden genoemd:

  • Dat men des te ijveriger de gewone zondagse woorddiensten zou bezoeken. Men mocht eens denken, dat elke avond een kwartiertje in de kerk voldoende was.
  • De huisgodsdienst moet onderhouden worden. Elke vader is verplicht om met zijn kinderen ’s avonds te bidden. Sommigen, die vroeger rooms waren, deden dat namelijk nooit.
  • Opdat de algemene gebeden op de vastendagen des te vuriger en plechtiger gehouden zouden worden. Die zouden door de vespers in de in de schaduw gesteld kunnen worden.

Kennelijk vervulden de dagelijkse vesperdiensten toch in een behoefte. Want op de bekende synode van Dordrecht in 1619 werd in art. 64 van de kerkorde opgenomen, dat elke kerk zelf mocht besluiten wat haar het meest stichtelijk leek. Wanneer men ze toch wilde afschaffen, mocht dat alleen gebeuren nadat het oordeel van de classis en van de overheid, mits die de gereformeerde religie toegedaan was, daarover was ingewonnen.

Toch zijn de dagelijkse vesperdiensten in de loop van de zeventiende eeuw langzamerhand geheel verdwenen. Het bleek praktisch onmogelijk de gehele gemeente elke avond bijeen te krijgen. Het  langst bleven ze nog op de zondagavond bestaan, zodat in sommige steden de zondagavonddienst nog lang het ‘zondagavondgebed’ genoemd is.

In ons land zijn in later tijd in de plaats van de avondgebeden bijbellezingen gekomen. In de 19e eeuw werden die in kringen van het Réveil ’s winters op een doordeweekse avond week gehouden om de bijbelkennis te vergroten. Men behandelde dan een bepaald bijbelboek of een aansluitend gedeelte daaruit. In evangelische kringen, b.v. bij de Vergadering der gelovigen, worden nog steeds bijbellezingen gehouden.

 

De 2e eredienst op de zondag

In november 2017 schreef ik op verzoek van de Raad van Oudsten van de Fontein, de Gkv Zwolle-West, een notitie over de tweede eredienst. Men wilde zich bezinnen op het gegeven, dat het aantal bezoekers van de middagdienst al jarenlang daalt.

In mijn notitie staan twee zaken centraal: wat is de functie van de zondag in het leven van ons als gemeente en wat is het karakter van het samenkomen van de gemeente op zondag.

Na een verkenning van de problematiek rond het dalend bezoek van de tweede kerkdienst in par. 1, sta ik in par. 2 stil bij de normatieve betekenis van de zondag voor ons als kerk. Daarna bied ik in par. 3 een schets van de geschiedenis van de tweede kerkdienst. Na een analyse van het karakter van de samenkomsten van de gemeente in par. 4, trek ik in par. 5 enkele conclusies en doe ik aanbevelingen.

De notitie is hier te vinden: Notitie – Over de 2e eredienst op zondag – 2017.

Schriftgezag

(Preek over art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met als thema: ‘Aanvaard de bijbel als Gods Woord’


  1. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?              

Waarom zou je de bijbel gaan lezen en luisteren naar wat daar in staat? Dat is de vraag, waar het vanmorgen/vanmiddag over gaat. Waarom hechten wij als christenen zo veel waarde aan de bijbel? Waarom zijn ze canoniek, d.w.z. waarom zijn ze normatief voor ons als christenen en hebben ze gezag?

Ik denk dat de meeste mensen hier in de kerk zullen zeggen: omdat de bijbel Gods woord is. Daarom is het belangrijk om je te verdiepen in de bijbel. Zo leer je God kennen. Zo kom je te weten wat hij wil, en welke plannen hij met ons en met deze wereld heeft.

Dat antwoord klopt. Inderdaad: door de bijbel leer je God kennen. Tegelijk ligt daar voor velen vandaag nog wel een probleem. Want hoe weet je nu dat de bijbel ook echt Gods woord is? Dat kun je als christen wel beweren, maar is het niet gewoon een menselijk boek? En als de bijbel een menselijk boek is, dan kan het zo maar zo zijn, dat er onwaarheden staan.

Mensen zijn feilbaar, maken fouten en vergissen zich. En dat niet alleen: mensen kunnen ook de boel verzieken, bewust verkeerde informatie geven,  er op uit zien om anderen te misleiden, fake-news de wereld in brengen. Hoe weet je dat dat bij de bijbel niet het geval is?

Dus: als de bijbel een menselijk boek is, dan is het maar de vraag, of je de informatie die daar gegeven wordt, wel kunt vertrouwen. En hoe kun je dat controleren, zeker bij zo’n boek dat meer dan 2000 jaar geschreven is? En ook nog door allerlei verschillende auteurs geschreven is. En die elkaar soms ook schijnen tegen te spreken. Waarom zou je aan die verhalen waarde hechten?

Ik weet niet of u deze vragen herkent. Of daar wel eens bij stil hebt gestaan. Ik hoop in ieder geval wel, dat u zich deze vragen voor kunt stellen.

Want dit is zoals er vandaag tegen de bijbel wordt aangekeken. Buiten de kerk vaak heel stellig. De bijbel: die hoef je niet serieus te nemen, of in ieder geval niet in alles, het is maar een menselijk boek, inspirerende verhalen misschien, wijsheid waar je soms wat aan hebt, maar verder ook niet. De bijbel als Gods woord, dat is hoogstens wensdenken, maar geen realiteit. 

Maar het is vooral belangrijk om zulke vragen te herkennen, omdat het ook vragen zijn, die binnen de kerk gesteld worden. Met name jongeren, die zich afvragen of ze wel geloven, zoeken antwoorden op zulke vragen. Maar het zijn niet alleen jongeren, die vragen over de bijbel hebben. Ik kom ook anderen tegen, ze hebben belijdenis gedaan en worstelen ook met deze vragen. En die zie ik, wanneer ze geen overtuigende antwoorden krijgen of als deze vragen worden weggewuifd, afhaken van het geloof.

Vandaar dat het goed is om bij deze vraag stil te staan. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?


  • 2. Vanwege het getuigenis van de Heilige Geest 

Wat zou het eerste antwoord zijn, als jou die vraag aan gesteld wordt: Waarom is de bijbel Gods Woord?

Ik denk dat de meesten zullen zeggen: door de inspiratie. Omdat de bijbel geïnspireerd is door de Heilige Geest. Dat is het ‘bewijs” dat de bijbelboeken, die door mensen zijn geschreven voor ons nu Gods Woord zijn.

Nu is het opvallende, dat als de Geloofsbelijdenis een antwoord geeft op die vraag, dat ze niet naar het ontstaan van de bijbel verwijst – door middel van inspiratie – maar naar de inhoud van de bijbel zelf.

De geloofsbelijdenis zegt: lees de bijbel maar, dan zul je ontdekken dat wat daarin geleerd wordt van God komt. De bijbel is Gods woord, omdat daarin de geschiedenis van de openbaring van God in vastgelegd is. Dat is wat de Geloofsbelijdenis in art. 3 ook al naar voren bracht. Die hebben we niet gelezen, maar daar wordt 2 dingen over Gods Woord gezegd.

Allereerst, dat het Woord van God, waaruit wij God kennen, niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt. De profeten in de tijd van het Oude Testament hebben namens God gesproken, ze spraken niet namens zichzelf. Mozes, David, Salomo, Jesaja en al die andere profeten. Ze spraken namens God. En voor de tijd van het Nieuwe Testament geldt het zelfde. Allereerst natuurlijk Jezus, die namens God sprak: hij was het Woord van God in levende persoon. En het geldt ook voor de apostelen: ze spraken namens en in opdracht van God. Gedreven door de Heilige Geest.

Daarna, als tweede heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en voor ons behoud geboden om die namens Hem gesproken woorden ook op schrift te stellen. En dan krijgen we in het Oude Testament de vijf boeken van Mozes, de Vroege Profeten (Richteren, Ruth, Samuel, Koningen) en de Late profeten, Jesaja, Jeremia, Ezechiel, Daniel en de twaalf kleine profeten, en als derde categorie de Geschriften. zoals de Psalmen, Job, Hooglied enz. En in het Nieuwe Testament de evangeliën en Handelingen, de brieven van de apostelen als Paulus, Jakobus, Petrus en Johannes en tenslotte Openbaring van Johannes.

Deze boeken worden ‘heilige en goddelijke Schriften’ genoemd. Niet omdat ze onder inspiratie zijn geschreven, maar vanwege de inhoud: omdat ze de woorden van de profeten en apostelen bevatten, die namens God Zijn boodschap en Zijn woorden aan de mensen overgebracht hebben.

Daar gaat het om: vanwege die inhoud zijn deze boeken waardevol en hebben ze gezag. Dat is wat art. 5 dan ook opnieuw zegt. Deze boeken ontvangen wij als ‘heilige en canoniek’, d.w.z. als normatief, ‘omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn’. En het bewijs daarvoor is niet zo zeer de inspiratie, maar dat ligt in de boeken zelf! In hun inhoud.

Lees de bijbel maar, dan zie je dat de boodschap van de bijbel van God komt. Al lezende zal de Heilige Geest je er van overtuigen dat deze boeken van God komen. Die boodschap van verlossing en van behoud, dat verzinnen mensen zelf niet, – dat God mens werd in Jezus en dat in zijn dood aan het kruis redding is – maar die komt uiteindelijk bij God zelf vandaan.


  • 3. Zo werkt God in deze wereld

Zijn Geest doet het werk. Die zorgt er voor, dat wanneer mensen de bijbel lezen ze oog krijgen voor de Goddelijke oorsprong van de boodschap van de bijbel.

Dat is ook wat Paulus schrijft in zijn brief aan de Thessalonicenzen. Hij is in Thessalonika gekomen. Gezonden door Christus zelf heeft hij ze het evangelie gebracht, met gevaar voor zijn eigen leven. Ze hebben zijn verkondiging gehoord en ze hebben die aanvaard. Niet als mensenwoord, maar als Woord van God voor hen. Niet omdat hij zo’n geweldige spreker was of vanwege zijn optreden, maar omdat de kracht van de Heilige Geest hen zelf overtuigde. 

En God gebruikt niet alleen Paulus’ verkondiging, maar ook zijn hele persoon, in wie hij is. Paulus brengt een boodschap van verzoening en liefde van God voor hen. God heeft hen uitgekozen en hen lief. Maar Paulus verpersoonlijkt die boodschap ook. Hij is toegewijd, oprecht en zuiver ten opzichte van de Thessalonicenzen. Paulus heeft hen lief en spoort hen aan als een vader zijn kinderen. Hij is niet autoritair, claimt geen gezag, maar door zijn woorden en door zijn gedrag krijgt hij erkenning als de apostel en gezondene door Christus zelf.

En ook al moest Paulus overhaast vertrekken vanwege de dreiging van de Joden, toch stuurt hij na enige tijd Timoteüs naar hen. Omdat hij wil weten hoe het ze vergaat, nu ze tot geloof zijn gekomen. Namens Paulus moet Timoteüs doen, wat Paulus zelf graag had willen doen: hen bemoedigen en hun geloof versterken.

Dat is de manier hoe God werkt in deze wereld. God schakelt mensen in om zijn boodschap van redding in deze wereld te communiceren en te belichamen. Het meest duidelijk werd dat in de woorden en het daden van Jezus, toen hij hier op aarde was. Hij was het Woord van God. Zo kwam God heel persoonlijk dichtbij. In de kracht van Gods Geest.

En wanneer Jezus weer naar zijn Vader teruggaat, dan zendt hij zijn leerlingen als apostelen de wereld in. Nu moeten zij die boodschap van redding verkondigen en belichamen als zijn navolgers. Zij moeten namens hem het evangelie dat hen toevertrouwd is. bewaren door in geloof en in liefde te leven, maar ook dat evangelie verkondigen aan ieder die er naar wil luisteren.

De apostelen vervolgens op hun beurt vertrouwen dat evangelie toe aan hun leerlingen en medewerkers. Zoals Paulus b.v. aan het einde van zijn loopbaan Timoteüs de opdracht geeft om als zijn navolger het pand dat hem is toevertrouwd zorgvuldig te bewaren en daarvan uit te delen en door te geven.

Zo werkt God via mensen, maar ook via de geschriften, waarin die openbaring van God, zijn grote verlossingsdaden en zijn woorden vastgelegd zijn. Het Oude Testament als verslag van de geschiedenis van God met zijn volk Israël, het Nieuwe Testament als het verslag van de geschiedenis van Jezus en van het ontstaan van de eerste christelijke gemeenten in deze wereld.

Mensen die spreken namens God èn bijbelboeken die getuigen van Gods werken en daden: dat zijn de middelen die de Geest gebruikt om zijn boodschap te blijven communiceren en om Gods plannen met deze wereld te verwezenlijken, de eeuwen door, tot op vandaag.

Zo werkt God en zo spreekt God in deze wereld, door de kracht van Zijn Geest.


  • 4. Gebruik daarom de bijbel als ondersteuning van je geloof    

Zo kom ik terug bij die vraag waar ik mee begon: waarom is de bijbel canoniek, normatief en waardevol voor ons als christenen? Het antwoord dat we gevonden hebben is: de bijbel is waardevol en heeft gezag, omdat daarin de boodschap van onze redding en van heil verkondigd wordt. God gebruikt deze boeken om zijn liefde en zijn beloften voor ons te communiceren. En om die boodschap ook echt in ons hart en leven te laten landen. En dat doet hij doordat hij zelf met zijn Geest in het lezen van de bijbel meekomt en zo in onze gedachten en in ons leven werkt, omdat Hij zo ons leven wil transformeren tot navolgers van Hem en van Christus.

De bijbel bestaat gewoon uit menselijke geschriften, geschreven in een bepaalde tijd en binnen een bepaalde cultuur, in de wereld van Egyptenaren, Filistijnen, Kanaänieten, Babyloniërs, Grieken en Romeinen van 2 tot 3 duizend jaar geleden. Een tijd en cultuur waar wij ons ook in moeten verdiepen, willen we de betekenis van deze boeken en teksten ten volle begrijpen.

En dan kan het af en toe ook wel botsen. Het bijbels wereldbeeld is een andere dan het wetenschappelijke wereldbeeld waarin wij leven. De mentaliteit en zeden in die cultuur is een andere dan die van ons vandaag. De samenleving anders opgebouwd dan bij ons. Daar een patriarchale samenleving, waarin de man over de vrouw heerst, terwijl wij in een samenleving leven waarin man en vrouw veel meer gelijkwaardig zijn. Daar moeten we wat mee. We kunnen niet zeggen: omdat het in de bijbel zo beschreven staat, is het ook Gods Woord en Gods wil voor vandaag dat mannen over vrouwen heersen.

Zo hebben we in de loop van de tijd geleerd de bijbel anders te lezen. Wij hebben geleerd dat polygamie niet normaal is, ook al was het in de tijd van het Oude Testament gebruikelijk. Wij zijn anders over slavernij gaan denken. Wij zijn ervan doordrongen geraakt dat God man en vrouw gelijkwaardig geschapen heeft. Wij hebben leren zien, dat het verhaal van de schepping zoals Genesis dat vertelt niet bedoeld is om een wetenschappelijke uitleg daarvan te geven. Schepping als Gods werk en processen van evolutie kunnen naast elkaar bestaan.

Dat kan: omdat de bijbel geen handboek voor wetenschap is of een geschiedenisboek zoals wij geschiedenis beschrijven. De bijbel spreekt op een ander niveau en met andere middelen. Het is een boek, waarin wij zicht krijgen op God, op Zijn wereld, op Zijn plannen met onze wereld. Het is een boek, dat zich concentreert in Zijn openbaring in Jezus Christus tot ons behoud. Dat is het centrum van de Godsopenbaring, waar het Oude Testament al naar toewerkt en naar uitkijkt en waar het Nieuwe Testament verslag van doet.

Zo is de bijbel bedoeld als een boek, dat vertrouwen en geloof in God en in Jezus wil wekken en dat ons geloof wil ondersteunen en doen groeien. Dat is dan ook de blikrichting van waaruit wij de bijbel moeten lezen. Stem in de bijbel af op het hart van Jezus. Want de bijbel is een boek, waarin beloften van God voor ons klinken en waarin God zijn relatie van liefde met ons en de wereld wil verhelderen en waarin hij die relatie via Jezus wil vormgeven. Daarin is de bijbel normatief en daarom heeft hij gezag. Zo is de bijbel Gods Woord voor ons. Zo wordt ook deze gezaghebbende leer van de bijbel verder in het vervolg van de Geloofsbelijdenis samengevat en uitgelegdt, beginnend met de wie de drie-enige God is in art. 8 tot aan de wederkomst van Christus in art. 37.

In de woorden van de Geloofsbelijdenis zelf: de bijbel is geschreven tot ons behoud. De Geest die door de profeten, door Jezus en door de apostelen gesproken heeft, wil via het getuigenis van deze canonieke bijbelse geschriften ook vandaag, door de kracht die Hij daarin legt en meegeeft, ons overtuigen en in onze harten doordringen om die boodschap van liefde te laten landen. Zo wil hij ons leven via de bijbel transformeren. Daarin ligt het gezag van de Schrift. Zo worden we in de geloofsbelijdenis aangespoord om deze boeken van de bijbel als Gods Woord in geloof te ontvangen en te aanvaarden.


Liturgie d.d. 06-10-2019 – GKv Baflo (morgendienst)  // Gkv Ommen (midddagdienst)

  • Votum en zegengroet
  • Zingen: GKB Psalm 33 : 1 en 2
  • Lezen:  1 Thes. 1: 1-5a, 2: 1-4 en 9-13 en 2 Tim. 1: 13-14 en 3: 14-17
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 305 : 1 en 2 (Waar God de Heer zijn schreden zet)
  • Lezen: NGB Art. 4 t/m 6
  • Preek
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 314 : 1 en 2 (Gij die gelooft, verheugt u samen)
  • Wet: 1 Thes. 4 : 1-12 // Zingen: NPB Psalm 119 : 32 (Richt mij op U)
  • Gebed
  • Apostolische Geloofsbelijdenis / LvK (1973) Gezang 314 : 3 en 4 (Nabij of ver)
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 326 : 1 en 2 (Een rijke schat van wijsheid)
  • Zegen