‘Bijbelse’ bezwaren tegen de vrouw in het ambt

In de vragen rond ‘vrouw en ambt’ in de GKv gaat het uiteindelijk om het Schriftberoep. Welke criteria heb je om vast te stellen of je in de uitleg en de toepassing van de verschillende m/v-teksten de bijbel als Gods woord recht doet of niet? Uitgedaagd om daar op een gemeentevergadering nader licht op te laten schijnen heb ik mij de afgelopen weken opnieuw verdiept in de ‘bijbelse’ bezwaren tegen de vrouw in het ambt. In deze blog zal ik de belangrijkste bezwaren in kaart brengen en becommentariëren.[i]


(1) Twee bijbelse lijnen

Een van de belangrijkste argumenten van tegenstanders in de GKv om de vrouw in het ambt toe te laten is, is de uitspraak van de GS Ede 2014 dat er in het doorlopend spreken van de Schrift twee lijnen kenbaar zijn. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven. Men vindt dat wanneer aan de tweede lijn getornd of als deze gerelativeerd wordt ten opzichte van de eerste, dat het gezag van de bijbel wordt aangetast.  

In dit deel van deze blog wil ik bij de status en achtergrond van deze lijnen drie kanttekeningen plaatsen. Later zal ik er inhoudelijk op terugkomen.

Als eerste dat er in 2014 ook een voorstel op tafel lag, waarin als twee lijnen werd uitgesproken: man en vrouw zijn gelijkwaardig in Christus èn daarbij heeft de man de primaire verantwoordelijkheid. In het definitieve besluit is de tweede lijn geformuleerd als: ‘verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven’.

Ten tweede blijkt uit de discussie op de synode van 2014, dat de betekenis en de implicaties van deze twee lijnen allerminst duidelijk zijn. Een bijbelse onderbouwing van deze twee lijnen werd niet gegeven, terwijl door deputaten al werd aangegeven dat deze twee lijnen op zichzelf niet duidelijk maken dat het ambt alleen aan de man toekomt.

Ten derde werd juist uitgesproken dat de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen vrij bespreekbaar moet zijn, omdat de discussie over gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid nog niet uitgekristalliseerd was. Er was onvoldoende grond om ten gunste van de klassieke visie uit te spreken dat het niet geoorloofd was om vrouwen tot het ambt toe te laten. De synode kwam in 2014 niet verder dan de constatering, dat er verschil van inzicht is over de manier waarop wij voor ons leven hier en nu conclusies trekken uit wat de bijbelschrijvers in eerste instantie voor hun lezers van toen opschreven. Daarom was er volgens de synode juist bijzondere aandacht voor schriftgetrouw en gehoorzaam bijbel lezen nodig.

Mij lijkt dat het dan ook onterecht is dat je je op deze uitspraak van de synode in 2014 over de twee lijnen kunt beroepen om afwijkingen van de klassieke visie als aantasting van het Schriftgezag te beschouwen. Dat is gezien de context van de besluitvorming niet te verdedigen.


(2) Tweeërlei hermeneutiek?

Door verscheidene tegenstanders van het synode-besluit wordt gesuggereerd dat er in de GKv bij voorstanders van de vrouw in het ambt sprake is van andere hermeneutiek, die verantwoordelijk zou zijn voor een andere uitkomst dan de klassieke visie dat alleen de man het ambt toekomt. In deze ‘moderne’ filosofische hermeneutiek zou de eigentijdse context bepalend zijn voor de betekenis van de bijbeltekst in plaats van dat de ‘bijbelse’ betekenis daarvan methodologisch gerespecteerd zou worden.

Persoonlijk stoor ik mij behoorlijk aan dergelijke verdachtmakingen. Wie enigszins vertrouwd is met de hermeneutische filosofie weet dat één van de belangrijkste stellingen van de voornaamste vertegenwoordiger daarvan – de filosoof Hans-Georg Gadamer – is dat de ‘moderne’ hermeneutiek geen eigen methode voor de interpretatie van teksten heeft of voorschrijft. In zijn visie gaat hij er vanuit, dat bij het lezen van teksten van de regels en de methoden van de traditionele hermeneutiek gebruik gemaakt wordt. Met zijn filosofische hermeneutiek beoogt hij slechts het verstaansproces te verhelderen.[ii]

Gadamer laat in zijn hermeneutiek zien dat een tekst lezen en begrijpen alleen maar mogelijk is vanuit bepaalde vooroordelen. Die vooroordelen worden je aangereikt door de traditie, door je omgeving of heb je door eigen denken ontwikkeld. Zowel de aanhanger van de klassieke visie op het ambt als degene die tot de conclusie komt dat het bijbels verantwoord is dat vrouw in het ambt mag dienen, leest de bijbel vanuit zijn eigen context en vooroordelen. Het is Gadamers stelling dat je niet vooraf op grond van een methodologie kunt weten of bepaalde vooroordelen van de lezer het begrijpen van de tekst zullen verhinderen of tot misverstanden zullen leiden. Alleen in het leesproces zelf zul je kunnen bepalen, welke vooroordelen helpend zijn om de tekst echt te begrijpen en welke het zicht op de betekenis en de boodschap van de tekst verminderen.[iii]

Bijbelgetrouwheid wordt daarom niet zo zeer bepaald door het juist methodisch toepassen van de hermeneutische regels en het vaststellen van de toenmalige betekenis (meaning), maar vooral door de manier waarop je op basis van je theologische vooroordelen in de toepassing van die betekenis tot de boodschap  van de bijbel voor vandaag (significance) komt.[iv]

Om die reden is het waardevol dat de gereformeerde theologie in Kampen hierin verheldering en ondersteuning biedt door de traditionele gereformeerde (methodologische) hermeneutiek te verfijnen en uit te bouwen tot een relevante hermeneutiek voor vandaag.[v] Het veroordelen en wegzetten van deze ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ als een vorm van ´moderne hermeneutiek´ en Schriftkritiek is mijns inziens ethisch onverantwoord en goedkoop scoren voor de bühne van het verontruste gereformeerde kerkvolk.[vi] Ik schaam mij er voor dat gereformeerde theologen die beter kunnen weten, zich daarvoor blijven lenen en zich tot in de beoordeling van het m/v-besluit en de onderbouwing van hun revisieverzoeken tegen dit besluit bij zo’n taxatie en framing van Schriftkritiek aansluiten.


(3)  Van bijbelse betekenis naar hedendaagse visie

Tegenstanders van het m/v-besluit wekken bij voorkeur de indruk dat de voorstanders van de vrouw in het ambt ten prooi zijn gevallen aan de tijdgeest en voorrang geven aan de eigen cultuur en beleving boven die van de bijbel. Voor zover ik kan zien heeft juist de eigen tijd het oog gescherpt voor aannames in de exegetische verantwoording van de klassieke visie op vrouw en ambt en stelt zij die ter discussie. Uit de aangevoerde ‘bijbelse’ bezwaren blijkt dat er eerder sprake is van verschil in theologische waardering en gebruik van de m/v-teksten dan dat het argument van de tijdgeest hard gemaakt wordt.

  • Feit of norm?

Een belangrijke argumentatiestrategie bij de tegenstanders van het m/v-besluit is dat men op basis van de feitelijke positie van de vrouw in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament concludeert tot de normatieve visie, dat het bijbels verantwoord is om de vrouw het ambt niet toe te kennen. Waar de feitelijke situatie anders lijkt, betwist men dat het om een ambt gaat of beschouwt men dat als een uitzondering op de veronderstelde regel. Vanuit dit zelfde motief hecht men er sterk aan om de door de synode van 2014 geformuleerde lijnen van gelijkwaardigheid en verschil in verantwoordelijkheid een normatieve betekenis te verlenen. Hermeneutisch gezien kunnen er echter vraagtekens geplaatst worden bij de gronden die worden aangevoerd om deze normativiteit voor de feitelijke bijbelse man/vrouw-verhoudingen te claimen. Want men geeft zich nauwelijks rekenschap van de zgn. ‘hermeneutische vraagstelling’: hoe kom je van de betekenis van de bijbeltekst (meaning) tot de boodschap van de bijbel voor vandaag (significance)?[vii]

Hierboven merkte ik met betrekking tot de twee lijnen al op dat de betekenis en de implicaties daarvan allerminst door de synode duidelijk gemaakt zijn. Daarnaast is het de vraag of deze termen als typering voor de verhouding tussen man en vrouw in de Bijbel bruikbaar zijn. Ze komen als begrippen in de bijbel niet voor, terwijl uit een filosofische analyse van de begrippen ‘gelijkwaardigheid’ en ‘verschil’ blijkt dat ze geen eenduidige betekenis hebben, maar ondanks deze manco’s wel als een hermeneutische bril worden gebruikt in de selectie en exegese van teksten.[viii]

  • Scheppingsorde?

De normativiteit van het verschil in taken, verantwoordelijkheid en positie van man en vrouw probeert men als bijbels verantwoord te beargumenteren met een verwijzing naar het begrip ‘scheppingsorde’. Daarbij steunt men vooral op de traditionele exegese van de argumentatie die Paulus in de zgn. zwijgteksten lijkt te ontwikkelen met zijn verwijzingen naar ‘de wet’ en ‘de schepping’.[ix]

De evidentie van het bestaan van een ‘scheppingsorde’ waarin de vrouw onderdanig aan de man behoort te zijn, is echter in de loop van de 20e eeuw praktisch en principieel gezien behoorlijk verdwenen. Zo’n conclusie is op basis van een verantwoorde exegese van Gen. 1-3 niet meer hard te maken.[x] Verder vat men in de gereformeerde ethiek vandaag de verwijzingen van Paulus naar ‘de wet’ en ‘de schepping’ niet meer op als een fundering van een onaantastbare scheppingsorde. Dat wat in de schepping besloten ligt, kan in de loop van de (heils)geschiedenis op verschillende wijze vorm gegeven worden, waarbij de wet (Israëls Thora) als ‘een heilshistorisch paradigma’ functioneert, d.w.z. als ‘een model van het goede leven in de context van Gods werk in Israel’. Dit betekent dat wij de ‘normatieve woorden van de Thora niet plompverloren [kunnen] promoveren tot christelijke plichten vandaag’, maar die eerst moeten ‘overzetten naar de nieuwe context van Jezus’ koninkrijk’. Op eenzelfde manier mogen wij, wanneer onze omstandigheden verschillen van die van de christenen destijds, ook ‘de ethische instructies van het Nieuwe Testament’ op andere wijze vormgeven.[xi]

  • Status van Paulus’ voorschriften

In tegenstelling tot de huidige visie op de n.t.-ische ethiek in de GKv trachten de tegenstanders van de vrouw in het ambt de normativiteit van de instructies van Paulus voor vandaag te claimen met een beroep op zijn gezag als apostel. Daarbij verwijst men ook naar de NGB, waar wij in art. 2 t/m 7 belijden dat wij de bijbel als het Woord van God ontvangen die daarin nog altijd tot ons spreekt. Hier wil ik twee kanttekeningen bij maken.[xii]

Allereerst, wanneer je het gezag van de bijbel op deze wijze formuleert lijkt het erop dat men theologisch gezien de openbaring van God laat samenvallen met de bijbel, en dat men de betekenis van de bijbeltekst (meaning) identificeert met de boodschap van de bijbel (significance). Daar tegenover zou ik dan een lans willen breken voor het inzicht van Herman Bavinck, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het zonder meer toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.[xiii]  

Een tweede opmerking is dat de onuitgesproken aanname in het gebruik van het gezagsargument van Paulus als apostel is, dat wanneer wij de instructies van Paulus vandaag op andere wijze toepassen, je tornt aan de waarheid en het gezag van Gods woord. Mijns inziens is dat geen logische aanname. Beter is het om hier met Herman Bavinck te onderscheiden tussen principe en toepassing.

In zijn analyse van Bavinck’s ethiek vat John Bolt diens visie zo samen: ‘By stressing the specific social circumstances of the early church as key constitutive element in the formulation of the New Testament ethic, Bavinck opts for a certain relativization of that ethic. … The relativization of the specific and concrete ethic of the New Testament, however, does not mean a relativization of the authority of the New Testament itself.’ Specifiek als het gaat om de bergrede schrijft hij: ‘The Christian does not have the freedom to accept or reject the teaching of the Sermon on the Mount, but does have the freedom to apply the moral virtues and principles which the sermon illustratively concretizes in different ways depending upon the circumstances.’[xiv]


(4)  Samenvattende conclusie en afsluiting

Samenvattend ben ik van mening, dat de tegenstanders van het m/v-besluit op basis van de door hen aangevoerde ´bijbelse´ bezwaren ten onrechte suggereren dat het onderwerp ´vrouw en ambt´ het karakter heeft van status confessionis inzake de trouw aan de Schrift.[xv] Aan het verschil in de beoordeling van het m/v-besluit liggen theologische verschillen op het terrein van hermeneutiek, openbaring, bijbel en ambt ten grondslag. Helaas uit zich dit in het ontbreken in de GKv van een consensus over de ‘hermeneutische vertolking’, d.w.z. hoe je van de betekenis van de m/v-teksten in de bijbel komt tot de boodschap voor vandaag.

In de 20e eeuw hebben in de Gereformeerde kerken tot drie maal toe verschillen in theologische visies geleid tot scheuringen met desastreuze uitkomsten. Ik hoop dat de tegenstanders van het m/v-besluit beseffen dat ze niet zonder gevolgen de kaart van de Schriftkritiek kunnen trekken. Breuken zijn sneller geslagen dan geheeld.


[i] Deze beperking betekent dat ik niet expliciet inga op het bezwaar, dat in het m/v-besluit geen strikt onderscheid gemaakt wordt tussen het gezagskarakter van het ambt van alle gelovigen en dat van het bijzonder ambt. Exegetisch en historisch gezien zijn er bij de fundering van de klassieke visie op het ambt, zoals men dat met name op grond van de gegevens uit het Nieuwe Testament beargumenteert, veel vragen te stellen. In vergelijking met de andere aspecten die ik in deze blog behandel, is dit bezwaar van minder belang.

[ii] Zie: Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, Nijmegen: Uitgeverij Van Tilt, 2014, 11: ‘Als wij het verstaan tot voorwerp van bezinning maken, stellen we ons niet ten doel een kunstleer van het begrijpen te ontwikkelen, zoals de traditionele filologische en theologische hermeneutiek wil’. Of zoals Gadamer het in het voorwoord bij de 2e druk schrijft: ‘Sie fragt, um es kantisch auszudrücken: Wie ist Verstehen möglich? Das ist eine Frage, die allem verstehenden Verhalten der Subjektivität, auch dem methodischen der verstehenden Wissenschaften, ihren Normen und Regeln, schon vorausliegt‘, Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode. Ergänzungen. Register, (Gesammelte Werke, Band 2), Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), 1986, p. 439-440.

[iii] Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode, p. 282-83.

[iv] Voor het onderscheid tussen betekenis van de tekst (meaning) en boodschap van de bijbel voor vandaag (significance) verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[v] Ad de Bruijne en Hans Burger(red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (TU-Bezinningsreeks 18), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017. Zie verder mijn blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[vi] Voor een onderbouwing en nadere verantwoording van deze stelling verwijs ik naar mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/.

[vii] Voor de hermeneutische vraagstelling, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[viii] Zie de analyse van de m/v-besluiten van de GS Ede 2014 en GS Meppel 2017 in: Maarten Verkerk, Nienke Verkerk-Vegter, Fokke Pathuis en Christien Westerik, ‘‘Gelijkwaardigheid’ en ‘verschil’ in kerkelijke discussies over man, vrouw en ambt. Over macht en de betekenis van woorden’, in: Radix 45 (2019) 3, p. 193-204.

[ix] Voor een voorbeeld van een andere exegese van de zwijgteksten, naast de vele andere die er te geven zijn, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/. B.J. Oropeza komt hier tot de conclusie dat noch 1 Kor. 14:34-35 noch 1 Tim. 2:9-15 de intentie lijken te hebben voor alle eeuwen te claimen dat vrouwen niet in de kerk mogen spreken, profeteren of onderwijs aan mannen geven.

[x] Zie daarvoor mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/gen-2-3-en-de-scheppingsorde/.

[xi] Voor een verdere verantwoording van deze visie verwijs ik naar het hoofdstuk van Ad de Bruijne over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 181-198. De hier aangehaalde citaten zijn te vinden op p. 188.

[xii] Voor de omschrijving van het Schriftgezag in relatie met NGB art. 2 t/m 7 verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/10/07/schriftgezag/.

[xiii] De argumentatie in dezen is vergelijkbaar met die van dr. Gert van den Brink in zijn bespreking van het m/v-besluit en zijn beoordeling van de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Voor een analyse van diens visie, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/.

[xiv] John Bolt, A Theological Analysis of Herman Bavinck’s Two Essays on the Imitatio Christi. Between Pietism and Modernism, Lewiston, Queenston, Lampeter: The Edwin Mellen Press, 2013, p. 305 en 304.

[xv]  ‘Wij belijden en geloven niet dat de vrouw zich aan de man moet onderschikken, opdat hij in deze wereld de verantwoordelijkheid zou uitoefenen, maar dat Christus zich vernederd heeft om ons te redden en door God verhoogd is om zijn gezag te vestigen en uit te oefenen.’