Paradoxaal

Willie Roskam-Kroeze is politica voor de ChristenUnie geweest, raadslid en wethouder in de gemeente Hellendoorn. Ze was altijd vrijgemaakt, maar is sinds kort overgegaan naar de CGK. Ze heeft namelijk onoverkomelijke bezwaren tegen het besluit in de GKv om vrouwen toe te laten in het ambt van ouderling en predikant. In de Trouw van 23 januari jl.[1] onderbouwt ze haar bezwaren met een beroep op de bijbel als het gezaghebbend Woord van God:

God heeft in de Bijbel de ordening voor zijn kerk gegeven, het lichaam van Christus. Daarin heeft de man de koppositie. Aan hem is het regeerambt en het geestelijk leidinggeven, waar ook tucht bij hoort.

Ze vindt dat God aan vrouwen andere taken in de kerk heeft gegeven, aanvullend aan de man:

Je kunt zoveel mooie dingen doen als vrouw in de kerk. Bidden en bijbel lezen met broeders en zusters. Waarom moeten vrouwen zo nodig op de kansel? Dat is doorgeslagen emancipatie.”

Het merkwaardige is dat ze naar haar zeggen ‘totaal geen spanning’ ervaart tussen haar opvattingen over de vrouw in de kerk en de politiek. Het was voor haar namelijk geen enkel probleem om als vrouwelijke wethouder leiding te geven aan ambtenaren:

De kerk is een instelling van God, de politiek is door mensen georganiseerd. Dat is wezenlijk anders.

Je zou verwachten dat Roskam-Kroeze als christelijke politica beseft dat dit een behoorlijk betwist punt is. De SGP, die andere christelijke partij uit de reformatorische gezindte, was jarenlang principieel tegenstander van vrouwen in de politiek. De bijbelse richtlijnen voor de verhouding van man en vrouw waren ook in de politiek van toepassing. De vrouw werd uitgesloten van het politieke handwerk, zodat ze geen gezag zou uitoefenen over de man. Roskam-Kroeze’s bezwaar tegen vrouwen met een gezagvolle positie in de kerk, zou een SGP-er moeiteloos van toepassing achten op haar bijdrage aan de CU en de politiek: ‘Waarom moeten vrouwen zo nodig in de politiek? Dat is doorgeslagen emancipatie.

In een eerdere blog heb ik laten zien dat het argument van ‘doorgeslagen emancipatie’ in het verleden regelmatig rond ‘vrouwenzaken’ in stelling is gebracht.[2] Ik heb dat geduid in het kader van het spanningsveld tussen de bijbel en de moderniteit.

Er zit iets paradoxaals in de visie van Roskam-Kroeze. Ze gebruikt de bijbel als argument tegen wat zij ziet als uiting van de moderniteit, namelijk de gelijkheid van man en vrouw in de kerk. Tegelijk aanvaardt zij probleemloos de differentiering en privatisering, die met de moderne samenleving gegeven is. De bijbelse visie op de verhouding van man en vrouw geldt wel in de kerk (en ik vermoed in haar visie ook voor het huwelijk), maar niet in de politiek (en de rest van de samenleving (?)). In haar optiek is dat iets ‘wezenlijk anders’.

Voor mij blijft het een raadsel dat tegenstanders van de vrouw in het ambt de inconsistentie in hun bijbelgebruik en visie niet doorzien. Zowel een beroep doen op de scheppingsorde als algemeen principe om de ongelijkheid van man en vrouw te legitimeren en praktisch gezien zonder problemen die veronderstelde scheppingsorde in grote delen van de samenleving buiten spel zetten.

Kennelijk omdat er wel een bijbels voorschrift is dat de vrouw in de kerk moet zwijgen en er niet expliciet in de bijbel staat dat ze ook in de politiek geen gezag over de man mag voeren. Hoewel dat laatste in de toenmalige samenleving ook not done was.

Wie een betere verklaring voor deze inconsistentie heeft, mag het zeggen.


[1] In het artikel van Maaike van Houten: ‘Komt de derde vrouwengolf bij de orthodoxen eraan?’

[2] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.

Schriftbeschouwing en hermeneutiek in de GKv

Mijn onderzoekspaper over de ontwikkeling van de Schriftbeschouwing en de hermeneutiek in de Gkv (1944-2017), waarbij ik ook inga op de bredere kerkhistorische context: Schriftbeschouwing en hermeneutiek in de GKv (1944-2017).

Als inleiding schets ik de uitgangspositie van de Schriftbeschouwing in de GKv. Eerst ga ik in het op het belang, dat in de Vrijmaking gehecht wordt aan het honoreren van de bijbel als Gods Woord (§2). Vervolgens laat ik zien dat de gereformeerd-vrijgemaakten zich daarin nadrukkelijk erfgenaam voelen van de strijd van de Afscheiding en Doleantie tegen de Schriftkritiek (§3). In aansluiting daarop geef ik in vogelvlucht een theologisch-historisch overzicht van de GKv op het punt van Schriftbeschouwing en hermeneutiek (§4). Dit overzicht plaats ik vervolgens in een breder kerkhistorisch kader als achtergrond voor de ontwikkelingen in de GKv (§5)..

Bijbelgetrouw

Er staat veel op het spel op de GKv synode die nu vergadert. Het gaat niet alleen over hoe je concrete bijbelteksten over de verhouding van de man en vrouw uitlegt, maar ook over de vraag wat je daar vervolgens mee doet. Hoe pas je de gevonden bijbelse inzichten anno 2020 toe?[1]

De vraag waar de synode zich over moet buigen is, of wij met betrekking tot de positie van de vrouw in de kerk op bijbels verantwoorde wijze tot andere keuzes mogen/kunnen komen dan die ons in de traditie zijn overgeleverd. Is er ruimte om van mening te verschillen zonder dat de rode kaart van ontrouw aan Gods woord wordt getrokken? Dat oordeel over het ‘m/v-besluit’ uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten hangt als een zwaard van Damocles boven de synode. Het is de achtergrond van verschillende verzoeken om revisie van dat besluit.[2] Het is ook het oordeel van enkele buitenlandse kerken, die de afgelopen week om die reden de banden met de GKv als zusterkerken verbroken hebben.[3]

In deze blog ga ik in op de historische context van de vraagstelling waar de synode voor staat. Die wordt namelijk bepaald door de worsteling in het spanningsveld tussen bijbel en cultuur, waar de gereformeerde kerken sinds 1900 steeds meer mee te maken hebben gekregen. In het dossier ‘vrouw en kerk’ klinken de hele 20e eeuw door de waarschuwingen tegen de invloed van de tijdgeest, die zich zou uiten in individualisme, emancipatiezucht en gelijkheidsdenken.[4] Hoe verhoud je je als christen tot de moderne samenleving? Is aanvaarden van elementen daaruit in strijd met Gods woord, wanneer in de bijbel de samenleving duidelijk op een andere wijze geordend is dan vandaag? Hoe bepaal en verantwoord je dat?

In het eerste deel geef ik de visie van Herman Bavinck op de verhouding tussen geloof en samenleving weer. In het tweede deel beantwoord ik de vraag hoe je in het dossier ‘vrouw en kerk’ recht doet aan de normativiteit van de bijbel. In het derde deel laat ik zien op welke wijze men in de argumentatie pro en contra het ‘m/v-besluit’ omgaat met de normativiteit van de bijbel, waarna ik eindig met een korte samenvattende conclusie.


  • Herman Bavinck

Dat de vragen rond geloof en samenleving op de gereformeerde agenda zijn komen te staan is grotendeels te danken aan het werk van de 19e– en vroeg 20e-eeuwse gereformeerde theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck. Het doel van Abraham Kuyper was om kerk en theologie in rapport met de tijd te brengen, terwijl de spits van het werk van Herman Bavinck lag in de bezinning op de verhouding tussen ‘het oude geloof en de moderne cultuur, de orthodoxie en de moderniteit.’[5] Ik noem twee publicaties, waarin hij op deze verhouding ingaat.

Allereerst is er zijn rectorale rede van 18 december 1888: ‘De Katholiciteit van Christendom en Kerk.’ Zijn uitgangspunt daarbij is dat ‘het Evangelie een blijde boodschap is, niet slechts voor de enkele mens, maar ook voor de mensheid, voor het gezin en de maatschappij en de staat, voor kunst en voor wetenschap, voor de ganse kosmos, voor heel het zuchtend creatuur.’ Daarom is het geloof algemeen of katholiek: ‘aan geen tijd of plaats, aan geen land of volk gebonden; het kan ingaan in alle toestanden, zich aansluiten aan alle vormen van het natuurlijke leven, het is geschikt voor alle tijden, is tot alle dingen nut, komt te pas onder alle omstandigheden; vrij is het en onafhankelijk, want het bestrijdt niets dan de zonde alleen, en reiniging is er voor alle zonde in het bloed van het kruis.’ Bavinck waarschuwt daarom tegen een piëtistische en ascetische beschouwing van de wereld en haar cultuur en pleit voor ‘een methodisch, organische hervorming van het geheel, van de kosmos, van volk en van land’ en voor ‘een hervorming van het openbare leven naar de eis van Gods Woord.’ In dit alles prijst hij als ideaal ‘het geloof van hem die, het koninkrijk der hemelen als een schat bewarend, het tegelijk indraagt in de wereld, verzekerd dat Hij die voor ons is, meer is dan die tegen ons is, en machtig om ook te midden der wereld ons te bewaren voor het kwaad.’

In 1911 sprak Bavinck een rede uit, waarin hij expliciet de gevoelde tegenstelling tussen ‘Modernisme en orthodoxie’ thematiseert. Nadat hij uitvoerig de ontwikkeling van cultuur en wetenschap in de 19e eeuw beschreven heeft, verbindt hij daar de verwachting aan dat men nog maar aan het begin van een nieuwe ontwikkeling staat: ‘God is bezig, grote dingen in deze tijden te doen.’ Juist op grond van de voorzienigheid van God roept Bavinck zijn toehoorders op om ‘dankbaar en hoopvol de wereld die Hij door de wetenschap ons kennen doet en in wier midden Hij ons een plaats gegeven heeft’ te aanvaarden. Daarom hecht Bavinck ook aan de naam ‘gereformeerd’. Daarin ligt ‘enerzijds opgesloten aansluiting aan het verleden, historische continuïteit, handhaving van de Christelijke belijdenis, zoals ze in de Reformatie overeenkomstig de Heilige Schrift van Roomse dwalingen gezuiverd werd; en anderzijds de eis en de plicht, om naar deze Schriftuurlijke en historische beginselen leer en leven van eigen persoon en gezin, en voorts van onze ganse omgeving voortdurend te herzien. Reformati quia reformandi en omgekeerd.’

Als grond voor deze aanvaarding van de moderne cultuur verwijst Bavinck net als in zijn rede over ‘De katholiciteit van Christendom en Kerk’ naar ‘de eenheid van God, dat is de eenheid van de God van de natuur en van de God van de genade’:  ‘De Schepper van hemel en aarde, in wie alle schepselen leven en zich bewegen en zijn, die onvergelijkelijk, onbegrijpelijk, oneindig en eeuwig is, Hij is tevens de Vader van onzen Heere Jezus Christus en in Hem de Vader van al zijn kinderen.’ Daarom kan er geen scheiding zijn tussen wereld en kerk, wetenschap en geloof, of geloof en leven.

Voor de christen betekent de aanvaarding van de moderne cultuur de roeping om ‘tegenover de ontzaglijke problemen waar de wetenschap en het leven ons voor plaatsen’, de katholiciteit van het christendom te bewijzen door te laten zien dat het evangelie ‘een woord is voor alle volken, tijden en toestanden.’ Met al de hulpmiddelen, die de wetenschap en de cultuur ons ten dienste stellen, hebben wij de waarheid van God in zijn algemene openbaring in geschiedenis en natuur en bijzondere openbaring in de Heilige Schrift te leren verstaan en tot ons geestelijk eigendom te maken.

Deze visie op de verhouding van geloof en het moderne leven is voor Bavinck zelf een belangrijke motivatie geweest om in zijn latere theologische leven zich uitgebreid te verdiepen in de eigentijdse filosofie, psychologie en pedagogie, om zich actief in te zetten in de politiek en voor het onderwijs, alsmede in de bezinning op de ontwikkelingen in de samenleving. Zo bracht Bavinck ‘steeds dat oude gereformeerde geloof ter sprake, omdat hij ervan overtuigd was dat binnen deze kaders ook in de moderne wereld de weg moest en kon worden gevonden.’[6]


  • Normativiteit  

De vraag die ons vandaag bezighoudt is, hoe je de ontwikkelingen in de moderne samenleving dient te taxeren. De bezinning op die vraag bracht Abraham Kuyper en Herman Bavinck in hun tijd tot een opnieuw doordenken van de Schrift- en openbaringsleer. In zowel kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd formuleerde Bavinck de leer van de ‘organische inspiratie’.[7] Met dit begrip vraagt Bavinck aandacht voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.

Voor het Schriftberoep betekent dit dat rekening moet worden gehouden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis. Ook dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

De bijbel is het middel waardoor God vandaag tot ons spreekt, maar niet het einddoel van zijn openbaring. Ook al bestaat de openbaring voor ons ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, Bavinck’s visie is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.’ Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. In de bedeling van de Geest brengt God zelf door middel van zijn Geest via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.

Met betrekking tot de vraag naar de positie van de vrouw in de bijbel is het daarom belangrijk het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel in rekening te brengen. Bavinck laat zien, dat er onderscheid is tussen het woord van God in formele en in materiële zin, zonder dat deze gescheiden kunnen worden. Rekening houdend met het organisch en historisch geheel van de openbaring zullen het dogma en de levensregels op de Schrift gegrond en daaruit afgeleid moeten worden. De bijbel is geen wetboek. Niet alles wat in de bijbel gezegd, beschreven en voorgeschreven is, heeft het stempel ‘Gods Woord’ als was het onderdeel van een wetboek vol artikelen. De openbaring is gegeven in de vorm van de geschiedenis. Daarom zijn de context, het historische verband en de fase in de heilsgeschiedenis belangrijke parameters om het soortelijk gewicht van de bijbeltekst vast te stellen. Er is een onderscheid tussen historisch en normatief gezag.


  • Pro en contra het ‘m/v-besluit’

In de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ is het zeer verwarrend, dat men met dit onderscheid tussen het historisch en het normatief gezag van de bijbel nauwelijks of geen rekening lijkt te houden.

Dit manco is het meest duidelijk in het oordeel van Anthony Curto, de afgevaardigde van de Orthodox Presbyterian Church uit Amerika, afgelopen week op de synode: ‘In jullie uitspraken lijkt het alsof de Bijbel tegengestelde dingen kan zeggen. Of dat hij voor een bepaalde tijd is geschreven, waarmee je ondermijnt dat de Bijbel waar is voor altijd.’ Maar dit verwijt van onzorgvuldig argumenteren treft ook categorische uitspraken als: ‘De bijbel zegt duidelijk dat God aan man en vrouw een verschillende rol heeft toebedeeld’[8] en ‘Uit het bijbels onderwijs blijkt dat er een onderscheid is tussen mannen en vrouwen, ook als het gaat om de roeping tot het bijzonder ambt.’[9]

Al deze uitspraken hebben alleen geldingskracht, wanneer de voorvraag gesteld en beantwoord is, of datgene wat de bijbel op dit punt historisch gezien leert of uitspreekt ook normatief als Gods woord geduid en zo ons vandaag voorgehouden moet worden. Hoewel de formele en materiële betekenis van de uitdrukking ‘de bijbel is Gods woord’ nauw met elkaar verbonden zijn, moet je in de toepassing van de bijbel je rekenschap geven van de wijze waarop deze beide betekenissen zich tot elkaar verhouden.

Het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, is mede gebaseerd op de rapporten ‘Pijnpunten rond vrouw en ambt’ en ‘Samen dienen’ van deputaten ‘M/V en ambt’. Wat je verder ook van de inhoud van deze rapporten vindt, deputaten hebben zich uitgebreid rekenschap gegeven van de wijze, waarop zij in dit dossier de bijbel gebruiken. Principieel gezien hebben zij het volste recht om reliëf en gelaagdheid aan te brengen in de gegevens, die ze in de bijbel over de positie van de vrouw bijeen hebben gelezen. Dat doen ze bijvoorbeeld in alinea’s als de volgende twee:

In het voorgaande schemerde al even door dat de houding jegens vrouwen wel eens zeer cultuurbepaald geweest zou kunnen zijn. In het Oude Nabije Oosten heerste sowieso een sterk patriarchale cultuur, waarin de vruchtbaarheid (van de vrouw) een centrale kwaliteit vormde. Het is dan ook niet verwonderlijk als de Israëlitische cultuur daar herkenbare trekken van mee krijgt. In dat kader is de vraag van belang of en in hoeverre de geboden van en de omgang met God heilzaam genezend inwerkten op dit aspect van de cultuur.[10]

Wie reflecteert op het beeld dat de Bijbel van vrouwen tekent, komt vroeg of laat onder de indruk van de complexiteit. Dat hangt vooral samen met de dynamiek in Gods openbaring. Het evangelie is een in zichzelf consistent verhaal. Maar het groeit wel procesmatig de wereld in. Het is dus zaak die stapsgewijze voortgang te honoreren; dat wordt in de gereformeerde traditie wel aangeduid als Gods pedagogische progressie. Daarbij is ook nog eens sprake van een zeer wisselende context. Door heel de Bijbel heen is die context herkenbaar, met als gevolg dat het verhaal van de Bijbel van A tot Z cultureel gekleurd is. Dat complex levert in de duiding van de Schriftgegevens ook problemen en uiteraard missers op.[11]

Deputaten laten hier op het punt van de positie van de vrouw in de bijbel zien, wat Bavinck bedoelde met zijn inzicht dat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.[12] Mede op basis daarvan kunnen zij verantwoord de conclusie trekken dat er ‘Schriftuurlijke gronden zijn om vrouwen van de gemeente te roepen tot de dienst van predikant, ouderling en diaken.’


  • Samenvattende conclusie

Het is in de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ gemakkelijk om het predikaat ‘bijbelgetrouw’ te claimen. Wanneer men echter in dat oordeel geen rekening houdt met het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel, leidt dat veeleer tot biblicisme dan tot werkelijke trouw aan de bijbel als Gods woord.


[1] In de hermeneutiek is het onderscheid tussen uitleg en toepassing van wezenlijk belang. Wanneer je aan dit onderscheid voorbij gaat, dan verval je tot biblicisme. Zie voor dit onderscheid en voorbeelden van wat biblicisme is, mijn blog over hermeneutiek: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[2] Voor een analyse en beoordeling van de ingebrachte bezwaren tegen de openstelling van het ambt voor de vrouw zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

[3] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/11/stokkend-gesprek/. Dit oordeel komt m.i. niet alleen voort uit een ander verstaan van de bijbel, zoals dr. Dean Anderson namens de Free Reformed Churches of Australia op de synode naar voren bracht: ‘Als je de Bijbel anders gaat verstaan, heb je opeens een ander geloof en een ander fundament’, maar dit anders verstaan zelf komt voort uit een andere visie op de relatie tussen de bijbel en de openbaring van God. Er is een wisselwerking in de visie op de bijbel en het verstaan van de bijbel. Deze relatie heb ik onderzocht in mijn blog over een beoordeling van het ‘m/v-besluit’ vanuit de Hersteld Hervormde Kerk: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/. Zie ook hierna in deze blog de bespreking van de ‘organische inspiratieleer’, zoals Herman Bavinck deze ontwikkeld heeft.

[4] Van september 2017 t/m maart 2018 heb ik in een groot aantal blogs de exegetische en hermeneutische argumentatie in het dossier ‘vrouw en kerk in de 20e eeuw’ geanalyseerd. Voor een samenvattende conclusie en nabeschouwing, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[5] Zie George Harinck, ‘De gereformeerde spiritualiteit van Herman Bavinck (1854-1921)’, in: H.J. Selderhuis, R. Kuiper, W.J. Ouweneel, G. Harinck, H. Medema, Wandelen met God. Spiritualiteit in de negentiende eeuw, Vaassen: Uitgeverij Medema, 2001, p. 75-94. Citaat op p. 77.

[6] George Harinck, a.w., p. 90. Voor de wijze waarop Herman Bavinck in 1917 de 1e Kamer een pleidooi voerde voor het kiesrecht van de vrouw, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/. Zijn rede heeft hij in 1918 uitgewerkt tot het boek ‘De vrouw in de hedendaagsche maatschappij’, waarin hij zich op het punt van de emancipatie van de vrouw sterk progressief betoonde. Het meest opmerkelijke is dat hij daarin een voor zijn tijd ongekende en ruimhartige verdediging biedt van het vrouwenkiesrecht in de kerk. Voor het boek en de reacties daarop, zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 260-262.

[7] Voor een schets van de organische inspiratieleer van Herman Bavinck met verwijzing naar zijn Dogmatiek, zie mijn al genoemde blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/, onder par. 2.3. ‘Openbaring’, waar ik hier deels uit put.

[8] Ds. J.J. Schreuder op de synode van 2005 bij de instelling van het deputaatschap dat onderzoek moet gaan doen naar de positie van de vrouw in de kerk.

[9] ‘Appèl’ op de GS Goes 2020 van de Kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ in ‘Open brief’ d.d. 14 december 2019. Zie over dit ‘Appèl’ mijn blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/ en https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.  

[10] Deputaten ‘M/V en ambt’, Samen dienen. Rapport aan de GS Meppel 2017, p. 10.

[11] Idem, a.w., p. 11.

[12] In eerdere blogs heb ik ook aandacht geschonken aan de bijbelse patriarchale cultuur en op soortgelijke wijze als deputaten beargumenteerd, dat wanneer God zich in zijn openbaring aansluit bij de patriarchale cultuur, dit niet impliceert dat die cultuur zelf ook door God normatief verklaard is, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/patriarchale-cultuur/, alsmede https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/06/gods-gebod-en-de-cultuur/.

Stokkend gesprek

‘Jullie hebben Gods woord betwist met uw besluit. Zijn duidelijkheid, autoriteit en toereikendheid. In jullie uitspraken lijkt het alsof de Bijbel tegengestelde dingen kan zeggen. Of dat hij voor een bepaalde tijd is geschreven, waarmee je ondermijnt dat de Bijbel waar is voor altijd’, zei Anthony Curto van de Amerikaanse Orthodox Presbyterian Church in zijn bijdrage vrijdag 10 januari 2020 op de synode van de GKv.[1]

Dit lijkt me een treffend citaat om duidelijk te maken welke problemen je creëert, wanneer je probeert met algemene uitspraken je visie vóór of tègen de vrouw in het ambt te onderbouwen.

Ik moet geloven, dat elke uitspraak in de bijbel voor ons normatief is, omdat het in de bijbel staat. Met als argument, dat ‘de bijbel waar is voor altijd’.

Zo geformuleerd kun je van geen enkele tekst in de bijbel zeggen dat die zodanig contextueel bepaald is, dat hij voor ons niet meer normatief is. Want dan tast je ‘de autoriteit en de toereikendheid’ van de bijbel aan.

Ik vind zo’n algemene uitspraak veel te kort door de bocht. Mijn inziens zijn zulk soort argumenten inadekwaat om te dienen als grond om het ‘m/v-besluit’ van de synode af te wijzen.

Volgens mij kun je niet ontkennen dat de voorschriften in de bijbel voor een bepaalde tijd geschreven zijn en dat iedere christen met dat inzicht heeft te rekenen. De christelijke kerk heeft altijd beargumenteerde keuzes gemaakt en een verantwoording gegeven, waarom bepaalde voorschriften wel of niet meer normatief voor ons zijn.

Wanneer iemand toch op deze onbeschermde manier de uitspraak: ‘de bijbel is waar voor altijd’ gebruikt om zijn argument kracht bij te zetten, kan ik dat niet anders duiden dan als biblicisme. Met zo’n insteek wordt een gesprek over de keuzes die de synode gemaakt heeft om de vrouw in het ambt wel toe te laten overbodig en zelfs onmogelijk gemaakt.


[1] https://www.nd.nl/geloof/geloof/947796/buitenlandse-gasten-op-vrijgemaakte-synode-het-vertrouwen-is-weg-

Over ´gelijkheidsideologie´

De kerk positioneren als een bolwerk en veilige haven tegen de gelijkheidsideologie die in de wereld rondwaart. Dat is waar het Appèl van de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ de GS Goes 2020 toe oproept.[1]

In deze blog wil ik eerst de achtergrond van de term ‘gelijkheidsideologie’ schetsen, (§1). Vervolgens laat ik zien, dat in het Appèl een argumentatiestrategie ingezet wordt, die vaker toegepast is. Ontwikkelingen in de samenleving als ‘onbijbels’ duiden en dat vervolgens als principieel argument in het debat in te brengen, (§2). Daarna geef ik een voorbeeld uit de gereformeerde traditie waarin maatschappelijke ontwikkelingen als democratie en vrouwenkiesrecht, die eerst negatief en als niet-bijbels geduid en afgewezen werden, in latere instantie acceptabel werden en vandaag de dag als een positieve verworvenheid gezien worden, (§3). Tenslotte eindig ik met de conclusie over de kwestie van ´vrouw en ambt´, dat het daarin vooral gaat om de vraag naar de relatie tussen kerk en wereld en hoe wij bijbelse instellingen en normen in het tijdperk van de moderniteit zullen vormgeven, (§4).

  • §1.  ‘Gelijkheidsideologie’ versus ‘gelijkheidsbeginsel’

Het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ is in orthodox-gereformeerde kring met name in zwang geraakt in de jaren ‘80 van de 20e eeuw rond de invoering van de Algemene Wet Gelijke Behandeling, die als doel had het gelijkheidsbeginsel zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken,[2] Sindsdien bekritiseren woordvoerders uit orthodox-gereformeerde kring de door hen ongewenste visies op emancipatie, de economische zelfstandigheid van vrouwen, het homohuwelijk, adoptie voor lesbische en homostellen, de basisvorming in het onderwijs, de SGP en het vrouwenkiesrecht, bezwaarde trouwambtenaren, de ‘Nashville’-verklaring, etc, als voorbeelden van ‘gelijkheidsideologie’, vaak ook nog voorafgegaan met het adjectief ‘doorgeslagen’, ‘verabsoluteerde’, ‘seculiere’ of ‘anti-christelijke’. Het is een sjibbolet dat functioneert op de manier van een gekuist scheldwoord.

Met name in de reformatorische gezindte wordt er ook gewaarschuwd dat deze ´gelijkheidsideologie´ steeds verder wordt uitgerold over Nederland, waarbij men er op wijst dat er steeds minder begrip is voor christenen die op grond van hun uitleg van de bijbel anders denken over de positie van de vrouw en kwesties rond gender.

Met het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ stelt de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ dat het toelaten van de vrouw in het ambt voortkomt uit bijbels niet te verantwoorden motieven en de invloed is van ‘werelds’ denken. Deze stelling wordt ondersteund met de oproep om ‘culturele ontwikkelingen’ niet als leidraad bij de bezinning te nemen en deze te bekleden met bijbelse argumenten.  

  • §2.  ‘Individualisme’ en ‘emancipatiezucht’

Waar vandaag de term ‘gelijkheidsideologie’ wordt ingezet om een pleidooi voor de vrouw in het ambt van een negatief stempel te voorzien, waren in het verleden de begrippen ‘individualisme’ en ‘emancipatie’ de geijkte termen om de vrouw in de haar ondergeschikte positie aan de man te houden.

 In 1993 voelde de synode zich gedrongen, in een poging om dergelijke oordelen voor te zijn, haar besluit om vrouwen het stemrecht te geven o.a. te verdedigen met de uitspraak dat ‘het toekennen van stemrecht aan de zusters geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk is, en daarom niet beoordeeld moet worden als een knieval voor verkeerde emancipatiezucht.’

Ruim 60 jaar daarvoor, in 1927, wijst de meerderheid van deputaten het vrouwenkiesrecht juist af met een beroep op Paulus die ook de emancipatiezucht van de christelijke vrouwen uit zijn tijd afgekeurd zou hebben. Men acht de invoering van het vrouwenkiesrecht niet raadzaam, omdat ‘dit vrouwenstemrecht onder de tegenwoordige tijdsomstandigheden niet zonder gevaar zou wezen met het oog op de onchristelijke emancipatiebeweging, die zich tegen de ordinantie Gods keert.’[3]

Toch klonk toen op de synode ook de tegenstem van ds. C. Lindeboom die deze redenering ter discussie stelde:

‘Gaat het dus in ’t algemeen niet aan, aan de tijdsomstandigheden motief te ontlenen om aan de vrouw dit recht te onthouden, in het bijzonder moet worden afgewezen het verband, dat gelegd wordt tusschen „de onchristelijke emancipatie-beweging, die zich tegen de ordinantlën Gods keert” èn het pleiten voor de medewerking der vrouwelijke kerkleden aan de verkiezing van ambtsdragers.’[4]

Interessant voor de m/v-discussie vandaag is het argument dat hij aanvoert. Hij is van mening dat het motief voor het vrouwenkiesrecht ten onrechte verbonden wordt met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit recht van de vrouw juist voortkomt uit het deel hebben aan de zalving van Christus:

‘Niet alleen heeft de z.g, emancipatie-zucht slechts in schijn enige gelijkenis met de eis om de vrouwelijke kerkleden niet langer van die medewerking uit te sluiten, wijl die eis uit een gans ander beginsel opkomt en een gans ander doel heeft, maar ook wordt die eis juist gesteld op grond van de ordinantie Gods, gelijk die uitkomt in de roeping der vrouw tot het ambt aller gelovigen.‘[5]

  • §3.   Algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht

In november 1917 wordt het algemeen kiesrecht wettelijk in de Grondwet vastgelegd. Twee jaar later wordt bij wet aan vrouwen naast het passief kiesrecht ook het actief kiesrecht toegekend. In de bespreking van het wetsvoorstel in de 1e Kamer heeft de theoloog Herman Bavinck een opmerkelijke rede gehouden, die binnen en buiten de Kamer grote indruk maakte.[6]

Bavinck begint met te schetsen hoe het algemeen kiesrecht wortelt in het individualisme van de 18e eeuw. Daarom is zijn oordeel: ‘dat algemeen stemrecht, dat op die manier wortelt in het individualisme en als men het verder zoekt in het deïsme van de 18de eeuw, lijdt aan tal van gebreken, en er is bijna niets goeds van te zeggen, want het abstraheert van alles, wat er aan onderscheid in de maatschappij tot stand is gekomen.’

In dit oordeel horen we de visie van Groen van Prinsterer doorklinken, die ‘tegenover de revolutie het evangelie’ plaatste en de Grondwetsherziening van 1848 afwees, omdat daarin ‘de leer van de volkssouvereiniteit’ in praktijk werd gebracht. De constitutionele monarchie van 1813 was ingeruild tegen een ‘zeer slechte soort van democratische republiek’ en dat gepaard met een voortgaande sloping van het zelfstandig koningschap. De soevereiniteit is niet uit de mensen, maar uit God.

Toch kan Bavinck uiteindelijk wel instemmen met het algemeen kiesrecht. Zijn motivatie daarvoor is, dat het ‘een phase [is], die wij door moeten om tot betere toestanden te geraken.’ Of zoals hij zegt: ‘Ik ben er niet warm voor, maar heb wel vrijmoedigheid, om aan de herziening van art. 80 mijne stem te geven.’

Vervolgens gaat hij in op het vrouwenkiesrecht. In zijn beoordeling daarvan maakt hij een soortgelijke beweging als bij het algemene kiesrecht: ‘dat wanneer het vrouwenstemrecht nu nog werd begeerd als bij het opkomen van de vrouwenbeweging, ik geen ogenblik zou aarzelen om daartegen mijn stem te verheffen en het artikel in dit opzicht beslist te bestrijden.’ Omdat ‘de vrouwen, stemrecht op dezen grond begerende, uitgingen van een door en door niet alleen onschriftuurlijke, maar ook onwetenschappelijke theorie.’

Bavinck signaleert echter dat het feminisme van zijn tijd van visie veranderd is. Nu wordt niet meer voor algemeen stemrecht geijverd op grond van de leuze van de gelijkstelling van man en vrouw, maar juist omgekeerd op grond van de ongelijkheid en het verschil tussen mannen en vrouwen. Bavinck feliciteert de vrouwenbeweging met dit inzicht en verklaart daarom, dat ‘wanneer dit principe wordt aanvaard, er inderdaad voor vrouwenstemrecht het een en ander in het midden [valt] te brengen, dat ten gunste daarvan spreekt.’

Hoewel hij beseft dat niet al zijn christelijke partijgenoten met het vrouwenkiesrecht instemmen, is hij van mening ‘dat de Heilige Schrift zich er niet tegen verzet.’ Vervolgens noemt hij drie argumenten die voor hem van beslissende betekenis zijn om voor het vrouwenkiesrecht te pleiten: ‘In de eerste plaats de verandering in de positie der vrouw. In de tweede plaats de verandering in de ontwikkeling van de maatschappij, en in de derde plaats de verandering in de werkzaamheden van den Staat.’ Zo komt hij ‘met de Schrift in de hand’ tot de conclusie, dat de vrouw niet meer van het kiesrecht uitgesloten kan worden ‘enkel en alleen omdat zij vrouw is.’

Ik kan mij zo maar voorstellen dat de schrijvers van het Appèl van mening zijn, dat Herman Bavinck in zijn bezinning bezweken is voor de verleiding ‘om de culturele ontwikkelingen als leidraad te nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’. Toch ken ik geen vrijgemaakt-gereformeerde, ook niet uit de Bezinningsgroep ‘M/V en ambt’, die de democratie en het vrouwenkiesrecht als onbijbels afwijst. Vandaag de dag worden beide in de gereformeerde traditie als een positieve maatschappelijke verworvenheid gezien.[7]

  • §4. Als christen leven in de moderniteit

Ik vind dat de opstellers van het Appèl zich goedkoop afmaken van de vragen waar wij als christenen in een moderne samenleving voor zijn komen te staan. Op een willekeurige wijze verklaren ze de bijbelse normen, waarden en instellingen met betrekking tot de positie van de vrouw van toepassing voor de kerk, maar niet voor de samenleving.

Mijns inziens is een groot gevaar van deze positie dat het bijdraagt aan die vorm van secularisatie, die de ‘verkerkelijking’ van het geloof wordt genoemd, dit wil zeggen aan een scheiding tussen geloven op maandag en de zondag.

De vrouw mag in de samenleving volop meedraaien en gezag over mannen uitoefenen, maar op het terrein van de kerk wordt ze weer op haar bijbels geachte, aan de man onderdanige positie gezet. Waar de opstellers zich op kerkelijk terrein met een beroep op de bijbel verzetten tegen wat zij de invloed van de ‘gelijkheidsideologie’ noemen, accepteren ze con amore de invloed daarvan in de samenleving.

Historisch gezien leven we niet meer in een standenmaatschappij, waar het vanzelf sprak dat de vrouw aan de man onderdanig was. Wij hebben in het Westen een transformatie meegemaakt van de premoderne samenleving naar de moderniteit, wat betekent dat wij nu in een ‘een seculiere tijd’ leven en in deze context ons leven als christen moeten vormgeven.[8]

Interessant is te zien hoe christenen in de 19e eeuw geprobeerd hebben politiek recht te doen aan wat zij als de bijbelse positie van vrouw zagen, die ze ook voor de samenleving van toepassing achtten. Toen het over de invoering van het algemeen kiesrecht ging pleitte de voorman van de antirevolutionaire partij, Abraham Kuyper, voor het zogenaamde ‘huismanskiesrecht’, waarbij het kiesrecht alleen werd toegekend aan de gezinshoofden. Daarbij had hij er geen bezwaar tegen, dat onder het gezinshoofdenkiesrecht ook weduwen zouden vallen, omdat dit geen vorm van vrouwenkiesrecht was: de weduwe kreeg geen kiesrecht als vrouw, maar als hoofd van het gezin terwijl de zoon vervolgens het kiesrecht uitoefende. Toen Bavinck in de 1e Kamer pleitte voor het vrouwenkiesrecht, kwam dat hem dan ook op een weerwoord van Kuyper in De Standaard te staan.

In de 21e eeuw is het bijbels niet meer verantwoord om de vrouw van het kerkelijke ambt uit te sluiten, omdat zij vrouw is. Wij moeten niet op een biblicistische wijze proberen bijbelse instellingen en samenlevingsvormen in onze tijd in te passen, en zeker niet op willekeurige basis. Hermeneutisch en exegetisch gezien is het namelijk onjuist om de patriarchale samenleving voor ons vandaag normatief te verklaren. Op basis van de opdracht die God aan man en vrouw gegeven heeft om hem in deze wereld te vertegenwoordigen, kan ook de vrouw namens God met gezag in het bijzondere ambt dienen.[9]


[1] Zie mijn eerdere blog hierover: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/.

[2] De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) had als doel het gelijkheidsbeginsel, zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken. In dat artikel staat dat, ‘allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk [worden] behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’. Wanneer er sprake is van een gerechtvaardigd verschil is gelijke behandeling niet aan de orde. De AWBG is op 2 maart 1994 van kracht geworden. De AWBG geldt in het maatschappelijk verkeer, waarbij voor instellingen op godsdienstige, levensbeschouwelijke en politieke grondslag uitzonderingen vastgelegd zijn.

[3] RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 8

[4] ‘MEMORIE inzake het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de kerk, van Ds C. Lindeboom, aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, saam te komen te Groningen, in den jare 1927’, opgenomen in: RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 17.

[5] Idem, p. 17.

[6] Voor een korte weergave, zie: dr. R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 240-41. De rede is in extenso te vinden in de Handelingen van de 34e vergadering gehouden op 15 mei 1917.

[7] In dit verband is interessant de these van J.W. Sap in zijn aan de VU verdedigde dissertatie ‘Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat’ uit 1993, dat ‘de impliciete verbinding van volkssoevereiniteit met ongeloof, die anderhalve eeuw heeft gediend als paradigma van de antirevolutionaire staatkunde in Nederland, is gebaseerd op een historische vergissing.’

[8] Zie voor een schets van deze transformatie: Charles Taylor, Een seculiere tijd, Lemniscaat, 2009.

[9] Voor een nadere onderbouwing van het in deze paragraaf gestelde, zie mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/zwijgteksten-en-scheppingsorde/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.