Kerk-zijn in context

Ook als kerk leven we in bijzondere tijden. We worden door de corona-maatregelen van de overheid gedwongen na te denken over wat wezenlijk is voor kerk-zijn. Als het niet meer kan zoals we dat altijd deden, mag het dan ook anders en hoe doe je dat dan?

De vragen zijn de afgelopen tijd breed uitgemeten en de antwoorden waren zeer divers. Hoe houd je kerkdiensten als er maar een minimaal aantal mensen aanwezig mogen zijn? Wat betekent het niet samen kunnen zingen voor een kerkdienst? Mag je en zo ja, hoe kun je digitaal avondmaal vieren? Hoe bedien je de doop als je op 1½ meter afstand moet blijven? En als er straks weer 100 mensen in een kerkdienst mogen, hoe ga je dat doen als een gemeente van 1800 zielen met één kerkgebouw?

Wat uit de discussie duidelijk wordt, is de vanzelfsprekendheid waarmee we de dingen doen. Het lijkt dat we zo gewend zijn geraakt aan een bepaalde vorm van kerk-zijn, dat voor het gevoel van velen vorm en inhoud samen zijn gaan vallen. Verandering van de vorm van kerk-zijn kan dan aanvoelen als een aantasting van het wezenlijke van ons kerk-zijn.

Toch is het gevoel niet nieuw, dat bij verandering van de vorm ook de inhoud aangetast wordt. De afgelopen decennia zijn we dit als kerken al regelmatig tegen gekomen in allerlei soorten discussies, die ook heel vaak gingen over de inrichting van de eredienst.

Mogen we gezangen of liederen uit Opwekking of E&R-bundels zingen in de eredienst? Mogen niet-vrijgegeven liederen alleen voor en na de zegen? Mag de samenzang begeleid worden door andere instrumenten dan een orgel? Ook door een combo met drumstel? Kan een cantorij of koor in de kerkdienst? Is de vroegdoop verplicht, ook al ligt de moeder in het kraambed? Mag de moeder het kind ten doop houden als de vader ook aanwezig is? Mag je geadopteerde kinderen dopen? Moet de doop door besprenkeling of onderdompeling? Eén of drie keer water uitgieten over het hoofdje van het kind? Mag je avondmaal vieren in een lopende viering of in een kring in plaats van aan tafel? Mag je uit een andere vertaling lezen dan de Statenvertaling of NBG ’51? Is interactie in de kerkdienst of de preek toegestaan? Moet in elke morgendienst de wet gelezen en in elke middagdienst de Catechismus behandeld worden? Mag de ouderling de zegen opleggen? Mogen gemeenteleden het gebed uitspreken tijdens de kerkdienst?

Maar het ging ook over andere zaken, als je kijkt naar de vormgeving van het kerkelijk leven. Een of twee ouderlingen op het huisbezoek? Moet elk adres jaarlijks huisbezoek krijgen? Mag je het pastoraal en diaconaal omzien toevertrouwen aan de miniwijk? Welke taken mogen vrouwen vervullen in de gemeente? Zijn ze stemgerechtigd? Mogen ze ambtsdrager worden? Of mogen ze alleen onder toezicht van de man hulpdiensten verrichten als pastoraal of diaconaal werker?

Heel wat kerkenraden en synodes hebben hun kostbare tijd gevuld met het behandelen van zulk soort vragen, officieel aan de orde gesteld of naar aanleiding van brieven van gemeenteleden. De bezinning op deze vragen kwam op, omdat de tijd of de context van ons kerk-zijn nadrukkelijk veranderde. Het grote verschil is dat we nu abrupt door een externe maatregel stil worden gezet bij deze vragen, terwijl de afgelopen decennia de vragen geleidelijk op de agenda kwamen.

Ik vind het belangrijk om bij de beantwoording van de vragen over de vormgeving van ons kerk-zijn helder te krijgen wat het probleem is en in welke mate het een probleem is. En dan gaat het met name over de twee elementen die in de discussies iedere keer weer een belangrijke rol spelen, namelijk de gewoonte en de visie op het ambt.

Gaat het over echt principiële en wezenlijk zaken, of is er sprake van een vorm-probleem? Als je kijkt naar de discussies die de afgelopen decennia over de vormgeving van de kerkdienst gevoerd zijn, dat blijkt dat wat veelal als principieel werd geladen uiteindelijk slechts een kwestie was van vorm, gewoonte en andere smaak. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat dat ook nu weer het geval is.

Het tweede element ligt ingewikkelder, omdat het ambt per definitie een principieel karakter heeft. Maar net als bij de gewoonte wordt de manier waarop de visie op het ambt in de discussie een rol speelt nauwelijks geëxpliciteerd. Men gaat uit van een impliciet ambtsbegrip en concludeert op basis daarvan dat de huidige vorm van doen van de ambtsdrager of van het kerk-zijn de norm is, van waaruit de oplossingen gevonden moeten worden.

Ik denk dat het niet zonder betekenis is dat het juist de missiologen zijn, die ons vandaag oproepen ons niet op de traditionele en culturele vormgeving van de norm blind te staren.[i] Zij hebben door schade en schande geleerd om onderscheid te maken tussen wat wezenlijk en wat vorm is. Dat het gereformeerd-zijn niet afhangt of er in het oerwoud de psalmen op Geneefse melodieën gezongen en de preken in een betoog van 1 thema en 3 punten vorm gegeven worden.

In plaats van een gemakkelijk principieel beroep te doen op gewoonte en de status quo in de vormgeving van kerk en ambt, vind ik dat we de vraag moeten blijven stellen wat daarin wezenlijk is of niet. De bijbelse norm is voor ons beslissend, maar die norm kun je niet één op één gelijk stellen aan de norm zoals die in de loop der tijd contextueel vorm is gegeven. Wanneer de omstandigheden rond de corona-epidemie ons dwingen om ons te focussen op de veranderende context van ons kerk-zijn vandaag èn ons (opnieuw) leert te onderscheiden tussen de vormgeving en de norm, dan lijkt mij dat vruchtbaar voor ons toekomstig kerkelijk leven en onverwachte winst.


[i] Zie o.a. het ingezonden van de missioloog Kees Haak in het Nederlands Dagblad van 8 mei 2020 onder de titel ‘Altijd dopen, zonder poeha’, dat eindigt met de oproep: “Laat daarom corona bij de vele nadelen die het virus heeft, toch dit ene voordeel krijgen: dat het klerikale denken met al zijn poeha aan linten en toga’s definitief bij de kliko gezet kan worden. Een ongedacht kerkelijk bevrijdingsfeest.” Verder denk ik aan de hartenkreet van de zendeling Gerrit Riemer op Twitter op 9 mei 2020: “Zelden zo’n onnozele ‘theologische’ discussie zien langskomen als die over de bediening in coronatijd van doop en avondmaal in @ndnl. #Corona legt meer bloot dan ons lief is. Doopschelpen, lange lepels, stucadoorsstang, super soakers – zijn we gek aan het worden?

2 gedachten over “Kerk-zijn in context

  1. Pingback: Dopen op afstand | Veldbeemd

  2. Pingback: Oplossingen gezocht voor Joodse dienstvoorziening | From guestwriters

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s