De preek als getuigenis van Gods evangelie

[In een serie over de onderdelen van de liturgie schreef Anne-Maaike Pathuis in het Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 september 2020 een artikel over ‘De preek‘, dat ik hier als gastblog plaats.]


In de hedendaagse samenleving zijn er weinig plekken waar mensen met regelmaat met eenzelfde groep samenkomen en daarbij twintig tot veertig minuten naar het verhaal van één spreker luisteren. Toch is dat precies wat er zondag aan zondag gebeurt in protestantse kerken overal ter wereld. In deze kerken werd de preek een van de belangrijkste onderdelen van de liturgie.

In gereformeerde kerken sinds de Reformatie is de kerkdienst vooral een ‘dienst van het Woord’ geworden. Hierdoor ligt het accent in de liturgie op de preek, op de verkondiging van het evangelie door middel van het woord. Je zou de preek kunnen definiëren als ‘verkondiging van het evangelie’.

Dat de preek zo centraal kwam te staan in de liturgie was niet direct de bedoeling van Luther en Calvijn: hun streven was om Woord en sacrament dichtbij elkaar te houden.

Preken is natuurlijk maar één van de manieren waarop het evangelie verkondigd kan worden. Ook in boeken of in informele gesprekken kan het evangelie worden doorgegeven. Eveneens kan gedacht worden aan verschillende onderdelen van de liturgie waarin het evangelie verkondigd en ervaarbaar wordt: in schuldbelijdenis en genadeverkondiging en in de sacramenten van doop en avondmaal. In deze elementen wordt vrijspraak verkondigd en staan het sterven en de opstanding van Jezus centraal en vindt dus volop evangelieverkondiging plaats.

Evangelie = Jezus?

Als preken evangelieverkondiging is, dan is het goed om er over na te denken wat onder evangelie verstaan wordt. Eén van de vragen die in de homiletiek – in de ‘preekkunde’ – in dit kader vaak gesteld wordt, is of het in elke preek over Jezus moet gaan.

Sommige theologen stellen dat het in elke preek expliciet over Jezus moet gaan. Tim Keller schrijft bijvoorbeeld: “Elke keer als je een Bijbeltekst uitlegt, ben je pas klaar als je aantoont hoe hij ons laat zien dat we onszelf niet kunnen redden en dat alleen Jezus dat kan doen”. Keller vergelijkt dit belang van Jezus voor elke preek met het feit dat er in Engeland vanuit elke stad en elk gehucht een weg naar Londen loopt. Net zo loopt er vanuit elke bijbeltekst een weg naar het centrum van de Bijbel, namelijk Christus.

Evangelie = koninkrijk

Ik denk met Tim Keller dat we God en zijn verlossingsplan voor deze wereld bij uitstek leren kennen in Jezus. Tegelijk geloof ik dat het evangelie in sommige preken ook verkondigd kan worden zonder Jezus expliciet te noemen.

In preken wordt de gemeente als het goed is altijd gewezen op God en op zijn ‘trinitarisch-historische zelfopenbaring’ (C. Trimp). Dat betekent dat volgens het evangelie preken niet automatisch alleen over Jezus zal gaan, maar over de God die zich in de geschiedenis als Vader, Zoon en Geest heeft laten kennen. Deze God kwam in Jezus zelf naar de wereld om het evangelie te verkondigen. Dat evangelie is dat God koning is in deze wereld, dat zijn koninkrijk dichtbij is, en dat God ook heer over ons leven wil zijn.

De prediker

De preek is de plek in de liturgie waar de rol van de prediker het meest tot uiting komt. Er rust een zware verantwoordelijkheid op zijn of haar schouders. Dan gaat het er niet alleen om dat hij of zij aansprekend preekt, daarbij actuele voorbeelden en herkenbare taal gebruikt. De verantwoordelijkheid ligt er vooral in om het evangelie zó te verkondigen dat Gods stem in de preek tot klinken komt.

Tegelijk is die verantwoordelijkheid niet loodzwaar, omdat een prediker altijd mag beseffen dat het uiteindelijk Gods Geest is die het evangelie in de harten van mensen brengt. Die Geest brengt het ook in het hart van de prediker.

Kees de Ruijter gebruikt daar een mooi beeld voor: de prediker is een getuige, in wiens getuigenis de stem van de Meester doorklinkt. Als een getuige spreekt de prediker alleen over wat hij of zij zelf heeft gezien, “zelf moet hij eerst horen naar het Woord van God, maar dat brengt hem vervolgens tot sprekend getuigen”. Dat betekent dat een prediker alleen dan kan preken, als hij of zij zelf heeft ontdekt dat God in de Bijbel zijn evangelie bekendmaakt.

Rol van de gemeente

De gemeente lijkt een wat passieve rol te hebben rondom de preek. Dat is allerminst het geval: zij mag verwachten in de preek door Gods woord aangesproken te worden.

De gemeente mag – samen met de prediker – leren luisteren naar Gods stem en daar dan gelovig antwoord op leren geven. De preek nodigt de gemeente uit om God te aanbidden, in woorden en in daden. De preek is er zo uiteindelijk voor bedoeld dat niet alleen de prediker, maar alle gelovigen getuigen worden van Gods evangelie. Zo zal Gods koninkrijk, zijn heerschappij in ons leven, steeds meer zichtbaar worden.

‘Krijgen we ze weer terug?’

Ik heb de vraag de afgelopen maanden vaker voorbij zien komen. Op 18 augustus werd die bij de presentatie van het boek ‘Kerk in tijden van corona’ opnieuw gesteld door Gerard de Korte, bisschop van Den Bosch: ‘Krijgen we de mensen weer terug?’ Iedere keer als de vraag zo geformuleerd wordt, bekruipt mij een gevoel van onbehagen. De formulering getuigt mij van te weinig vertrouwen in kerkleden als gelovigen.

Artikel in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 september 2020

De routine van het kerkelijk leven is door het coronavirus radicaal overhoop gegooid, waarbij de zondagse kerkdienst als het meest prominente onderdeel van het kerk-zijn vrijwel onmogelijk werd. Daarmee zijn wij nadrukkelijk geplaatst voor de vraag naar de betekenis van kerk-zijn en van kerk-vormen.

Kerk geen eindstation

Stefan Paas pleitte er in 2003 voor om de kerk te zien als een voorportaal van het Koninkrijk van God, waar ‘toekomstige burgers van dat Koninkrijk worden opgevangen, onderwezen, gevoed, ontsmet en voorbereid.’ De kerk is geen doel op zichzelf, net zoals het lid-worden of lid-zijn van de kerk geen eindstation is. Het gaat erom dat de mensen steeds meer naar Christus toe zullen groeien en Hem gestalte laten aannemen in hun leven. Alle activiteiten en vormen van kerk-zijn, zowel intern als extern gericht, zullen dat als doel moeten hebben.

Zo bezien gaat het niet om de vraag hoe we de mensen weer in de kerk terugkrijgen, maar hoe we de (toekomstige) kerkleden zo goed mogelijk kunnen stimuleren en helpen om christen te zijn en te worden. De vraag is veeleer: ‘Hoe kunnen wij er als kerk voor de mensen zijn?’ Zelfs als zal blijken dat voor sommigen het bijwonen van kerkdiensten niet (meer) het middel is dat hen helpt om hun christen-zijn te vormen.

Bezorgdheid

Tegelijk proef ik wel de bezorgdheid. Zijn mensen door het wegvallen van het normale kerkelijke leven gaan zwerven en op plekken gekomen waar ze niet meer voor het heil bereikbaar zijn? De coronacrisis maakte deze optie nadrukkelijk zichtbaar, ook al is kerkverlating op grote schaal al meer dan een halve eeuw aan de orde van de dag. Het bijzondere is dat de huidige bezorgdheid betrekking heeft op betrokken kerkleden. Ook zij lijken gevoelig voor wat je met Herman Paul kunt typeren als de secularisatie van het dagelijkse leven.

Slag om het hart

Herman Paul, die bijzonder hoogleraar Secularisatiestudies in Groningen was, heeft in twee boekjes de conclusies van zijn onderzoek samengevat. In 2017 verscheen ‘De slag om het hart’ en dit voorjaar bij zijn afscheid ‘Shoppen in advent’.

Paul corrigeert op twee punten de gangbare visie op secularisatie. Allereerst dat secularisatie geen noodlottige wetmatigheid is, maar een optie die actief gepromoot werd, en dus ook weerstaan kan worden. Ten tweede dat de oorzaken voor kerkverlating niet primair liggen op het niveau van veranderende ideeën of overtuigingen. Secularisatie is vooral een zaak van andere levensstijlen die concurreren met de tijd en aandacht voor kerk en geloof. Nieuwe patronen van werk en vrije tijd lieten weinig ruimte over voor de kerkgang. Zo verdween God geleidelijk naar de achtergrond en werd het geloof steeds minder relevant voor de culturele omgeving waarin men leefde.

Het zijn de verlangens van mensen die hun hart richten op de dingen die ze lief hebben, waar ze op hopen en waar ze naar uitzien. Omdat deze verlangens bij uitstek vatbaar zijn voor manipulatie en (onbewuste) beïnvloeding, wordt het hart voortdurend alle kanten opgetrokken. Secularisatie is dat je je verlangens voornamelijk laat vormen door het ‘saeculum’: de dingen die er in deze wereld zijn, ook al zijn ze op zichzelf niet verkeerd. De vraag voor een christen is: hoe voorkom je dat je verlangens naar het seculiere het verlangen naar God en zijn Koninkrijk overschaduwen en wegdrukken? De sleutel daarvoor is discipline, omdat verlangens door herhaling en gewenning aan gewoontes gevormd worden. Wat je aandacht geeft groeit, maar wanneer geloof niet beoefend wordt verpietert het.

Vertrouwen

Tegen deze achtergrond is de bezorgdheid begrijpelijk of wij als kerkleden onze verlangens naar God blijvend zullen vormen.

En toch. Secularisatie is geen wetmatigheid. Gelovigen weten wel wat zij nodig hebben. Daarbij vertrouw ik erop, dat wanneer de kerk(dienst) een bron is waar levend water te vinden is, de Geest hen daar ook wel naar zal leiden. Laten we ons minder zorgen maken of we iedereen weer terugkrijgen, maar vooral nadenken over de vormen waardoor wij als kerk het verlangen naar God en zijn rijk kunnen stimuleren.

Effata, open je!

Overdenking in de Vesperdienst van de Plantagekerk Zwolle op zondag 30 augustus 2020 bij de evangelielezing van Marcus 7:31-37 op de 12e zondag na Trinitatis.

Tekst: Jesaja 32: 3-4

3  Ogen zullen niet langer blind zijn, oren luisteren weer aandachtig; 4 de onbezonnen geest verwerft kennis en inzicht, de tong van stotteraars spreekt vloeiend en vlot.


Overdenking

Voor ons als hoorders en lezers van de bijbel blijft het altijd de uitdaging om je door een tekst te laten aanspreken en die werkelijk je leven binnen te laten komen. In de christelijke traditie worden ons daar verschillende methoden voor aangereikt. Lectio divina is er een van: in vier rondes ga je dan langs de tekst.

Vanmiddag wil ik op een andere wijze dat proces van aangesproken worden stimuleren. In deze overdenking ga ik, iedere keer vanuit een ander perspectief, in drie ronden langs de tekst. Na de overdenking zullen wij tenslotte de tekst als bezinningsmoment op muzikale wijze tot ons laten spreken, door te luisteren naar een fragment uit de cantate die Johann Sebastian Bach bij dit evangelieverhaal heeft geschreven. 

1.   De genezing

In de eerste ronde nodig ik je uit om je voor te stellen, dat jij die dove bent, die bij Jezus wordt gebracht. Je bent opgegroeid door te kijken, door te voelen, door te proeven. Je kunt je stem gebruiken, maar er vormen zich geen woorden, alleen maar onverstaanbare klanken.

Voor communicatie met de mensen om je heen ben je op andere middelen aangewezen dan woorden. Duidelijk maken wat je bedoelt, dat doe je door de dingen aan te wijzen, ze aan te raken, en door met je lichaam je emoties zichtbaar te maken: pijn, vreugde, boosheid en verdriet.

Zo heb je je de wereld eigen gemaakt. Met andere zintuigen dan je oren en je stem. Al experimenterend en door na te bootsen wat de anderen deden, heb je geleerd het leven te leven en geleerd om met de mensen samen te leven. Maar uiteindelijk blijf je op jezelf aangewezen en zit je grotendeels opgesloten in je eigen wereld.

Ik weet niet, wat voor plek jij daar in die samenleving zou hebben. Maar kun je je voorstellen, dat je er dan naar zou verlangen om anders te worden, om te horen en te spreken? Of zou het zo zijn, dat je het niet kunnen horen en spreken je zo eigen hebt gemaakt, dat je er niet naar taalt om te horen en te leren spreken?

Ik weet het niet, want het zijn de mensen die je bij Jezus brengen en Hem vragen of hij jou de handen op wil leggen. Mensen die zozeer op je betrokken zijn, dat ze smeken of Jezus je wil genezen.

En Jezus geneest je op een heel persoonlijke manier. Hij neemt je apart, en bereidt je voor op wat hij gaat doen. Hij steekt zijn vingers in je oren en raakt met zijn speeksel je tong aan, hij kijkt vervolgens omhoog en spreekt al zuchtend een intens gebed uit en zegt dan tegen jou: Effata! Open je!

En dan gebeurt het wonder: je kunt horen en spreken. Er is wederzijds contact mogelijk, de communicatie komt op gang. Met je oren kan je intensief luisteren en met je tong kun je vloeiend en vlot spreken. De communicatie tussen jou en de wereld kan zich nu echt verdiepen.

En de omstanders die het beseffen, zijn er zo van onder de indruk, dat ze uitroepen: ‘Zelfs doven kunnen horen en stommen kunnen spreken!’

2.   Vervulling van de profetie

Daarmee kom ik bij de tweede ronde. Want die uitroep: ‘zelfs doven kunnen horen en stommen kunnen spreken’ gebruikt de evangelist als een soort refrein dat we vaker tegenkomen wanneer hij vertelt over de genezingen die Jezus verricht. Daarmee plaatst hij de genezingen in een breder perspectief en helpt hij ons om deze genezingsverhalen te duiden en met onze eigen leefwereld te verbinden.

In deze refreinen klinkt het besef door dat Jezus meer is dan een wondergenezer. Zijn genezingen zijn een teken, dat hij degene is die door de profeten beloofd werd en naar wie volk Israël uitkijkt. Jezus is de Messias. Nu breekt de messiaanse tijd aan: God zal komen wonen bij zijn volk en zij zullen zijn heiligheid erkennen en respecteren.

Wanneer je zo de profetie naast het evangelie leest, dan mag je beseffen dat ook jij mag delen in deze nieuwe werkelijkheid. Tegelijk functioneren de refreinen ook als een oproep om in die werkelijkheid gaan te leven. Hoe vaak lezen we in het evangelie niet de woorden van Jezus: ‘Laat wie oren heeft, goed luisteren!’

Wil je je oren gebruiken als Gods woord naar je toe komt? In de tijd van Jesaja verwijt God het volk dat het blind en dat het doof is. Dat ze weigeren om naar de profetie te luisteren. Ja, dan is het niet gek zegt Jesaja dat zijn woorden zijn als de tekst van een verzegeld boek, die ze niet kunnen lezen. Wanneer het volk God slechts met de lippen eert en Hem naar de mond probeert te praten, terwijl hun hart ver bij Hem vandaan is, en wanneer hun doen slechts plichtsbetrachting, omdat het altijd zo hoorde, dan is het ook niet gek dat ze blind zijn voor wat de juiste richting voor hun levensweg is.

En tegelijk is het verrassende van de profetie, dat God aankondigt dat hij die blindheid en die doofheid van zijn volk wil genezen. Dat hij de machten van de duisternis zal ontmaskeren en hen de macht zal ontnemen. En zo zien we Jezus de strijd met de machten van de duisternis aanbinden, wanneer hij onreine geesten en demonen uitdrijft en de mensen geneest.

Wanneer wij nu het verhaal van de genezing van de dove en de reactie van de omstanders lezen, dan is dat voor ons een teken dat God zelf er voor zal zorgen dat hij hun gehoor zo zal herstellen, dat zij weer aandachtig zullen luisteren naar zijn onderwijs en dat de ogen van zijn volk niet langer blind zullen zijn voor Zijn werkelijkheid.

En dat niet alleen: de hele wereld zal de ogen geopend worden, want de genezing van de dove vindt plaats in Dekapolis, in heidens gebied buiten Israël. God zelf zal de woorden van de profetie in vervulling laten gaan, dat onze onbezonnen en onnadenkende geest kennis en inzicht zal verwerven, zodat onze tong en onze mond vloeiend en helder het goede zullen spreken. Want God wil dat wij mensen weer zullen functioneren, zoals Hij dat bij de schepping bedoeld heeft.

3.   In onze leefwereld

En daarmee zijn we bij de derde ronde gekomen, bij het hier en nu. Want wij, mensen van de 21e eeuw, zijn het die, – net als de dove man -, bij Jezus gebracht moeten worden.

Wij die door de 18e-eeuwse Verlichting heen zijn gegaan en gepokt en gemazeld zijn in het moderne wetenschappelijk wereldbeeld, wij zijn doof geworden voor de stem van God. Omdat wij zijn opgegroeid in een wereld, waarin het vanzelfsprekend is dat God slechts een projectie is van ons menselijk denken, een illusie waar geen werkelijkheid aan beantwoordt.

Wij, mensen van deze tijd, zijn het die slechts op gebrekkige wijze over God kunnen spreken, omdat wij zo opgesloten zijn in onze eigen werkelijkheid, dat wij het contact met God zijn kwijtgeraakt.

Daarom hebben wij het nodig, dat Jezus ons tegemoet komt en ons persoonlijk ontmoet. Dat hij onze oren opnieuw vormt en herschept, zodat wij Gods stem zullen onderscheiden tussen alle stemmen die ons leven binnenkomen.

Daarom hebben wij het nodig, dat hij met zijn genezende levenskracht onze tong aan zal raken, zodat vanuit ons hart en uit onze mond de goede woorden zullen klinken. Dat hij voor ons bidt en ons in de nabijheid van zijn Vader brengt. En dat hij ons aanspreekt en tegen ons zegt: Effata, open je!

Vanuit onze werkelijkheid zullen wij de brug niet kunnen slaan. God zelf zal door zijn Geest ons moeten vernieuwen en herscheppen.

Hoor hem nu via het evangelie jouw leven binnenkomen. Merk op je dat je oren op de woorden van God gericht worden. Ervaar dat Zijn Geest jouw hart zoekt en je tong wil bewegen om het goede te spreken.Besef dat Jezus jou in Gods nabijheid brengt. En hoor zijn bevel: Effata! Ga open!

Laat God jouw bestaan openen! Leef in Zijn werkelijkheid! Amen.

Liturgie

  1. Votum en zegengroet
  2. Zingen: Sela – God is in ons midden 
  3. Gebed
  4. 1e lezing: NBV Jesaja 29:11-14a en 29:17-19
  5. Zingen: GK Psalm 146 : 4 en 6
  6. 2e lezing: NBV Marcus 7: 31-37
  7. Zingen: Opwekking Lied 187 – Open mijn ogen
  8. Meditatie over NBV Jesaja 32:3-4 
  9. Luistermoment: BWV 35: https://www.youtube.com/watch?v=2Xp5tzWq6pU (v.a. 20:57
    1. nr. 6. Recitatief – Ach, starker Gott, laß mich doch dieses stets bedenken
    2. nr. 7. Aria  – Ich wünsche nur, bei Gott zu leben
  10. Gebeden
  11. Zingen: Psalm Project Psalm 139 – Heer, die mij ziet zoals ik ben
  12. Zegen

Tekst BWV 35 ‘Geist und Seele wird verwirret’

6. Recitatief

Ach, starker Gott, laß mich doch dieses stets bedenken, so kann ich dich vergnügt in meine Seele senken. Laß mir dein süßes Hephata das ganz verstockte Herz erweichen; ach, lege nur den Gnadenfinger in die Ohren, sonst bin ich gleich verloren. Rühr auch das Zungenband mit deiner starken Hand, damit ich diese Wunderzeichen in heilger Andacht preise und mich als Kind und Erb erweise.

7. Aria

Ich wünsche nur, bei Gott zu leben. Ach! Wäre doch die Zeit schon da! Ein fröhliches Halleluja mit allen Engeln anzuheben! Mein liebster Jesu, löse doch das jammerreiche Schmerzensjoch und laß mich bald in deinen Händen mein martervolles Leben enden!

De kracht van kleine groepen in corona-tijd

In verschillende kerken en geloofsorganisaties wordt al langere tijd nagedacht over de waarde van kleine groepen voor onderling pastoraat en gezamenlijke geloofsgroei. De coronamaatregelen geven een extra stimulans om meer samenkomsten in kleinere groepen te organiseren.

Artikel van Anne-Maaike Pathuis in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 31 juli 2020

Het lijkt erop dat de mogelijkheden om met een hele gemeente samen te komen voor een kerkdienst voorlopig nog beperkt zullen blijven vanwege de coronamaatregelen. Verschillende kerken en organisaties zoeken daarom naar manieren waarop men in kleinere groepen toch invulling kan geven aan het kerk-zijn.

Drie voorbeelden

De Protestantse Kerk introduceerde half juni het concept “360 graden kerk“, gebaseerd op het principe van ‘flipping the classroom’. Hierbij is het klaslokaal of de kerk niet langer de plek waar de docent of dominee de informatie overbrengt, maar juist de plek waar leerlingen of gemeenteleden met elkaar aan de slag gaan met de informatie. De preek wordt vooraf opgenomen en bekeken door de gemeenteleden, waarna de inhoud op verschillende manieren wordt verwerkt. Bijvoorbeeld door het maken van een schilderij, door een gesprek of discussie, door een lectio divina over de tekst, of door het zoeken naar praktische toepassingen van de preek.

De Baptistenkerk in Groningen heeft ervoor gekozen om de gemeente in 35 groepen op te delen (Nederlands Dagblad, 7 juli jl.). Vanaf de zomer zal er twee zondagen per maand een online dienst worden uitgezonden, op de andere zondagen komt men samen in deze groepen. Het voordeel van de groepen is dat men in kleinere kring kan samenkomen nu dat in de grote gemeente – regulier zijn er twee ochtenddiensten met elk 2000 bezoekers – vanwege corona niet kan. De leiders van de Baptistenkerk hopen daarnaast dat de groepen een plek worden waar omzien naar elkaar gemakkelijker wordt en waar leden zich uitgedaagd voelen om bij te dragen aan elkaars geloofsgroei.

Ook de zomerconferentie van New Wine kon dit jaar niet doorgaan vanwege corona. De organisatie koos ervoor om een online programma aan te bieden met vijf lezingen en gespreksmateriaal over het thema ‘Heel het leven!’. Daar kunnen kerken en bijbelstudiegroepen het hele jaar door zelf mee aan de slag.

Kracht van groepen

Dit zijn drie voorbeelden van een benadering van kerk-zijn in kleine groepen. De beweging naar meer kleinere groepen in kerken is al jaren aan de gang. Ook in veel vrijgemaakte kerken komen gemeenteleden met regelmaat samen in zogenaamde kringen of miniwijken.

De kracht van kleine groepen ten opzichte van de grote gemeenschap is duidelijk, maar kleine groepen hebben ook hun eigen uitdagingen. In een kleine groep kunnen gemeenteleden gemakkelijker verbondenheid met elkaar en een ‘thuis’ ervaren dan in de grote gemeenschap. Aan die verbondenheid moet wel gewerkt worden, omdat het niet voor iedereen vanzelfsprekend is om zich toe te wijden aan een groep en persoonlijke zaken met elkaar te delen. Als men groeit in verbondenheid, kan er ook zicht ontstaan op de pastorale en diaconale noden van gemeenteleden, waardoor men elkaar op die terreinen kan ondersteunen. Tot slot biedt een kleine groep bij uitstek mogelijkheden om te groeien in geloof. Er is ruimte voor geloofsgesprekken en voor het oefenen in het leven in gemeenschap met God, door zingen, bijbelstudie en gebed. 

Geloofsgroei zoeken

Uit eigen onderzoek naar het functioneren van de kringen in de GKv Buitenpost blijkt dat het soms moeilijk is om op een goede manier invulling te geven aan het stimuleren van geloofsgroei. Er is vaak wel onderlinge verbondenheid in de kringen, maar de geloofskant van het samen kring-zijn blijft soms onderbelicht. Gemeenteleden willen graag geloofsgroei stimuleren op de kringen, maar samen bijbelstudie doen is niet voor iedereen de beste manier. Gemeenteleden zoeken een verschillend niveau van diepgang als het gaat om geloof, en die verschillen in behoeften kunnen voor spanning zorgen binnen de kringen.

Tips

In mijn onderzoek kwamen ook een aantal tips naar voren om de geloofsgroei in kringen te stimuleren.

Het kan goed zijn om in gesprek te gaan over de verschillende manieren waarop mensen groeien in geloof: bijvoorbeeld door muziek, door het opdoen van nieuwe kennis, door wandelen of fietsen in de natuur. Deze manieren kunnen ook afwisselend worden ingezet bij de invulling van bijeenkomsten in kleine groepen. Een andere genoemd idee was om samen een film te bekijken waarin een geloofsthema, zoals vertrouwen of vergeving, belicht wordt en daarover in gesprek te gaan. Sommige kringen hebben behoefte aan input van de dominee, bijvoorbeeld door gespreksvragen of een verdiepende bijbelstudie naar aanleiding van een preek.

Flipping the classroom

Om het vormgeven aan geloofsgroei in kleine groepen te structurer­en, kan het principe van ‘flipping the classroom’ – zoals in de “360 graden kerk” – heel behulpzaam zijn.

In een tijd waarin grote samenkomsten niet mogelijk zijn, kan een dominee wel een preek opnemen die gemeenteleden kunnen bekijken. Op deze manier is er gelegenheid om een bijbeltekst uit te leggen en aanzetten te geven voor het verbinden van de bijbeltekst en het dagelijks leven. Ook wordt voorkomen dat er vrijblijvendheid en eenzijdigheid is op het gebied van geloofsgroei in kleine groepen.

Het verwerken van een preek in kleinere groepen is een goede aanvulling op die preek. Juist in kleinere groepen kan immers worden aangesloten bij de verschillende geloofstalen en leerstijlen die mensen spreken. Zo kan de boodschap van het evangelie, misschien wel meer dan in een traditionele kerkdienst, zowel de hoofden als de harten van gelovigen bereiken.


Zie voor meer informatie over “360 graden kerk” het artikel op https://www.protestantsekerk.nl/verdieping/360kerk-met-het-woord-op-weg/ en voor meer informatie over het online programma van New Wine de website https://heelhetleven.new-wine.nl/.

De wonderlijke maaltijd

Overdenking Lunchpauzedienst Plantagekerk Zwolle op vrijdag 31 juli 2020 over Matteüs 14: 13 – 21.

Misschien kende je dit verhaal van deze wonderbaarlijke maaltijd wel? Het komt niet alleen in het evangelie van Mattheus voor, maar ook in de andere drie evangeliën van Marcus, Lucas en Johannes. Het is een indrukwekkende geschiedenis: 5000 man, kinderen en vrouwen niet meegerekend, die einde middag een maaltijd krijgen, zeg maar een redelijk bezet PEC-stadion vol. En dat met 5 kleine broodjes en 2 visjes. En wanneer iedereen genoeg heeft gehad, is er nog 12 manden vol eten over. Geen wonder dat het de mensen bij is gebleven.

Tegelijk kan ik me goed voorstellen, dat je er zo je vraagtekens bij hebt. Hoe kan dat nou? Is het wel echt zo gebeurd als het daar beschreven staat? Als dat mogelijk is, waarom gebeurt dat vandaag dan niet meer? Dan zou het voedselprobleem toch ook opgelost kunnen worden?

Dat zijn de vragen die wij stellen, als wij vandaag zo’n verhaal horen. Fact-checking noemen we dat. Verhalen en mythen zijn er al genoeg. Als mensen van de 21e eeuw, die alles wetenschappelijk onderbouwd willen hebben, gaan wij voor de harde feiten en de echte waarheid. Verhalen over een wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging, over genezingen, of het verhaal dat hierna komt, dat van Petrus die over het water loopt, daarvan vragen wij ons dan af of het wel echt zo gebeurd is, want dat kun je niet wetenschappelijk onderbouwen.

Ik denk dat als je hier over na wilt denken en die vraag wilt beantwoorden, of dat wetenschappelijk gezien kan om zo veel mensen te voeden met zo weinig brood en vis, je dat woordje ‘wetenschappelijk’ moet proeven. Wat is wetenschappelijk?

Wetenschap onderzoekt hoe onze werkelijkheid in elkaar zit. En ze probeert in kaart te brengen, hoe het zo gekomen is. Hoe het leven en de maatschappij in elkaar zit, de mooie dingen, maar ook wat er mis is in ons leven en ons samenleven. Zo wil de wetenschap er aan bijdragen om de dingen nog beter te laten werken. Zo zijn op dit moment veel wetenschappers bezig om het Covid-19 virus in kaart te brengen en te analyseren hoe dat virus werkt en vooral ook, hoe een vaccin er uit zou moet zien om dat virus de baas te worden.

De werkelijkheid van vandaag, die was er ook al in de tijd van Jezus, het mooie en het gebrokene. Jezus spreekt over de schoonheid van de schepping, de lelies op het veld, de vogels in de lucht, het groen op het veld. Maar we hebben ook net gelezen dat toen Jezus uit de boot stapte, er een grote menigte was op zoek naar genezing en herstel van ziekte en allerlei kwaal, niet zomaar in het algemeen, maar juist bij hem. Want Jezus is de boodschapper en de brenger van een nieuwe werkelijkheid. En omdat zij naar die werkelijkheid van genezing en heling van het gebrokene en het zieke verlangen, zijn ze naar hem op weg gegaan en lezen we, dat Jezus medelijden met hen krijgt en hen geneest.

De werkelijkheid waar Jezus over vertelt en die hij brengt, is de komst van het Koninkrijk van God in deze wereld. Maar op de komst van dat Koninkrijk is niet altijd de vinger te leggen. Het gaat niet zo maar langs de lijnen en volgens de manieren, zoals onze werkelijkheid vandaag in elkaar zit en die wij gewoon zijn wetenschappelijk te analyseren. Want wil dat Koninkrijk van God werkelijkheid worden, dan is daar niet minder dan de inzet en de energie van God zelf voor nodig om dat te realiseren.

Dat is wat het evangelie ons op allerlei manieren duidelijk maakt. God is in de persoon van Jezus, de Messias, naar onze wereld gekomen om die te herscheppen, te vernieuwen en te herstellen. En dat doet hij heel vaak door zijn woord: ‘Ik wil het, word rein!’ Zijn spreken heeft kracht, dezelfde kracht die ook zichtbaar werd toen God door zijn Woord de schepping tot stand bracht.

Dit gebeurt ook bij deze wonderlijke maaltijd. Jezus zegt tegen zijn leerlingen: ‘Breng mij de broden en de vissen.’ En nadat hij een gebedshouding aan heeft genomen door naar de hemel op te kijken, dankt hij voor het brood en spreekt er de zegen over uit, breekt het en deelt het uit aan de leerlingen, die het vervolgens doorgeven aan de mensen, die in groepen bij elkaar zijn gaan zitten om de maaltijd te gebruiken.

Wanneer Jezus spreekt en wanneer hij met zijn handen de mensen en de dingen aanraakt, dan stroomt Gods liefde en zijn zegen onze werkelijkheid binnen. Mensen worden genezen en zij krijgen voedsel voor hun leven, meer dan genoeg. 

Wil je dat wetenschappelijk verklaren, dan moet je ook deze hemelse factor, die van de energie en het handelen van God, in je modellen opnemen. Je moet de juiste maatstaf aanleggen, wil je deze geschiedenis fact-checken. Maar zolang onze wetenschappelijke modellen op dit punt te kort schieten, kunnen ze geen bewijs zijn dat de evangelisten ons maar wat verhalen of mythen op de mouw hebben gespeld.

De geschiedenis van de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging is een teken van èn een verwijzing naar Gods nieuwe wereld. Een wereld waarin God actief werkt aan de herschepping van onze wereld. Daar wil  Jezus ons in laten delen. Die nieuwe werkelijkheid maakt Jezus mogelijk door zichzelf te geven als het levensbrood voor deze wereld. Via hem, via zijn woorden, via zijn handen, via zijn dood en door zijn opstanding brengt hij Gods zegen weer in onze gebroken werkelijkheid terug.

Zo mogen wij dit verhaal vanmiddag lezen en met ons meenemen. Zo mogen wij ons door Jezus’ woorden en zijn daden laten zegenen, om nu die zegen ook door te geven aan de mensen om ons heen. Laten we God daarom zingen en bidden, of hij ons door zijn Geest de zegen wil geven, dat ook wij vruchtbaar mogen zijn in de goede daden van zijn genade in het herstel van ons leven, (Nieuw Liedboek Lied 718:4).


Liturgie

  1. Welkom
  2. Lied: ‘Als een hert’ (Opw. 281): https://www.youtube.com/watch?v=PTk-PV6dSSY
  3. Gebed
  4. Bijbel lezen:  NBV Matteus 14: 13 – 21
  5. Lied: ‘Breng dank aan de Eeuwige’ (Opw. 331): https://www.youtube.com/watch?v=RhCvHDNPctg
  6. Overdenking
  7. Lied: LB 718: 1,2,3, 4 (God die leven hebt gegeven): https://www.youtube.com/watch?v=VoPp7x36XyU
  8. Bidden en danken
  9. Lied: LB 704: 1 en 3 (Dank, dank nu allen God):  https://www.youtube.com/watch?v=AuGo_faayBk
  10. Zegen

Gezagsrelatie m/v

Exegese is een vak apart. Henk de Waard wijdde er als onderzoeker Oude Testament (TU Apeldoorn) afgelopen week de Theologenblog aan, nadat hij het rapport over de revisieverzoeken ‘M/V en ambt’ op de synode van de GKv had gelezen. Dat het RD en ND er een verschillende titel aan hebben gegeven is een mooie illustratie hoe een krant zijn lezers voorsorteert om de geboden informatie tot zich te nemen.[1]

In zijn blog wijst De Waard de uitleg van Genesis 2 en 3 van de synodecommissie op twee punten af.

1e. Tegenover de exegese van de commissie dat in Gen. 2 de nadruk ligt op de verbondenheid en gezamenlijkheid van man en vrouw stelt De Waard dat Gen. 2 een asymmetrische relatie tussen man en vrouw laat zien.

2e. De commissie gaat er ten onrechte van uit, dat de onderdanigheid van de vrouw aan de man pas in Gen. 3 als gevolg van de zondeval aan de orde komt in het heersen van de man over de vrouw. In plaats daarvan stelt De Waard dat het juist ‘een diep geïntegreerd aspect van de zondeval’ is, dat de vrouw haar in het paradijs al gestelde ondergeschikte relatie aan de man miskent en omkeert door het voortouw te nemen in het luisteren naar de slang.

Op basis van deze twee argumenten verdedigt De Waard zijn visie dat er in het paradijs al sprake is van een normatieve gezagsrelatie respectievelijk een afhankelijkheid van de vrouw van de man en stelt hij dat de commissie er niet aan ontkomen is om een exegese te presenteren die bij haar eigen visie past.

Ik wil in deze blog nagaan hoe De Waard zijn visie exegetisch en hermeneutisch beargumenteert.


–    1. Afhankelijkheid van de vrouw en gezagsrelatie van de man in Gen. 2

Allereerst stelt De Waard dat ‘de mens’ die God maakt (2:7) de man blijkt te zijn. De vrouw wordt pas later door God gemaakt (2:22). Dat dit zo is blijkt uit het gegeven, dat het verhaal consequent blijft spreken over ‘de mens en zijn vrouw’. Vandaar zijn conclusie: 1e. de man is en blijft dus de ‘primaire’ mens, en 2e dat de vrouw uit de mens (= man) gemaakt wordt, wijst op afhankelijkheid.

Hier worden door De Waard een paar essentiële exegetische knopen doorgehakt, waarvan moet blijken of ze gerechtvaardigd zijn. ‘De mens’ [ha ʾadam] (2:7) die God maakt is namelijk niet de man. De ‘mens’ wordt pas gedefinieerd als ‘man’, wanneer hij tegenover de vrouw wordt gesteld (2:22). Zo wordt de vrouw gevormd uit ‘de mens’ [ha ʾadam]. De kern van Gen. 2 is dat ‘de mens’ [ha ʾadam] als categorie bestaat als mannelijk en vrouwelijk (vgl. Gen, 1:27). De Waard kan daarom zijn 1e conclusie niet hard maken, dat ‘de man de ‘primaire’ mens is en dat de vrouw uit de man gemaakt wordt.’ Dat impliceert dat zijn 2e conclusie, ‘dat de vrouw afhankelijk is van de man omdat zij uit ‘de mens (=man)’ genomen is’ ook in het luchtledige hangt.

Interessant detail in dit verband. Het is ‘de mens’ [ha ʾadam]die in zijn lied in 2:23 uitspreekt dat ‘de vrouw uit de man gebouwd is’, maar dan staat er in het Hebreeuws voor man [ʾish] en niet [´adam].

De ondersteunende stelling van De Waard dat uit het gegeven dat “het verhaal consequent blijft spreken over ‘de mens en zijn vrouw’” volgt dat “‘de mens’ de man blijkt te zijn”, is exegetisch ook niet evident. Genesis 2 en 3 hebben het karakter van oorsprongsverhalen en moeten in het licht van dat specifieke genre worden gelezen. Literair en verhaaltechnisch gezien gebruikt de verteller het hebreeuwse woord ‘adam eerst als soortnaam (de mens) en wanneer de vrouw geschapen is als eigennaam (Adam). Tegelijk is het juist een van de krachtige elementen van het verhaal, dat de verteller met dit dubbele gebruik van het hebreeuwse woord ‘adam speelt en het op zo’n manier retorisch inzet dat het verhaal een universele betekenis krijgt voor ons mensen (m/v).

Volgens De Waard is er vervolgens duidelijk van een gezagsrelatie sprake, ‘wanneer de mens (= man) de vrouw haar naam geeft (2:23), precies zoals hij eerder bij de dieren deed (2:20)’. Gelezen binnen een oud-Oosterse context is naamgeving namelijk een vorm van gezag uitoefenen.

Opnieuw maakt De Waard hier exegetisch betwistbare keuzes. Allereerst omdat ‘de mens’ niet als ‘man’ namen aan de dieren geeft, maar als ‘mens’. De verteller legt zo een link naar Gen. 1 waar aan ‘de mens (m/v)’ het gezag wordt gegeven over de schepping door o.a. te heersen over alle dieren die op aarde rondkruipen. Vervolgens stelt De Waard het namen geven van de dieren (2:20) op één lijn met het bezingen van zijn vrouw, wat duidelijk geen vorm van naamgeving is. ‘De mens’ constateert dat degene die hij nu als vrouw krijgt ‘been van zijn been, zijn eigen vlees’ is, waar hij vervolgens aan toevoegt dat zij vanwege die gemeenschappelijkheid nu ‘vrouw’ [ʾisha] zal heten, omdat zij uit de man [ʾish] gevormd is.

Het mag duidelijk zijn, dat de verteller van het paradijsverhaal dit lied (2:23) in ieder geval niet zoals De Waard beschouwt als het uitoefenen van een gezagsrelatie door ‘de mens (=man)’ over ‘de vrouw’, want hij verbindt aan dit lied meteen de conclusie (2:24) dat ‘een man [ʾish] zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw [ʾisha], met wie hij één van lichaam wordt’. De verbondenheid van man en vrouw staat in Gen. 2 centraal.

Volgens mij houdt de eindconclusie van De Waard, dat er ‘dus reeds in Genesis 2 ook sprake van een zekere rangorde en gezagsrelatie’ is, exegetisch niet stand. Er zijn geen tekstelementen, op basis waarvan je kunt concluderen dat er in het paradijs sprake is van een asymmetrische verhouding tussen man en vrouw.

De synodecommissie heeft in haar rapport in dit opzicht duidelijk meer recht van spreken, wanneer zij constateert dat Genesis 2 net als Genesis 1 alle nadruk legt op de gezamenlijkheid van man en vrouw en dan op basis van haar exegese van Gen. 2 concludeert: ‘Man en vrouw zijn, in hun diversiteit, over en weer op elkaar aangewezen. Tussen beiden bestaat een gelijkwaardige, complementaire relatie, geen gezagsrelatie. Niet rangorde of verschil, maar eenheid is het sleutelwoord.’[2]


–    2. De vrouw zet de ondergeschikte relatie met de man op zijn kop

Methodisch gezien komen wij bij de interpretatie van de zondeval en de exegese van Genesis 3 op een lastig punt. Want de resultaten van de exegese van Genesis 2 zullen doorwerken in die van Genesis 3.

Zijn interpretatie dat de vrouw ‘de ondergeschikte relatie met de man op zijn kop zet’, kan De Waard alleen als een ‘geïntegreerd aspect van de zondeval’ beschouwen, als de norm van een asymmetrische verhouding tussen man en vrouw al in het paradijs bestond. Ga je daar, zoals de synodecommissie, op grond van de exegese van Gen. 2 niet vanuit, dan gaat het in de zondeval mede om het verstoren van de complementaire, op samenwerking gerichte relatie tussen man en vrouw.

Dus wanneer De Waard als beschrijving van de zondeval weergeeft: ‘Wat de slang doet, en waar hij de mens (= man) en de vrouw in meeneemt, is (onder andere) het miskennen en omkeren van de juiste verhoudingen’, dan gaat het exegetisch om de vraag wat ‘de juiste verhoudingen’ zijn.

Dat ‘de juiste verhoudingen’ die van gezag en ondergeschiktheid zijn, blijkt volgens De Waard direct al aan het begin, ‘als de slang zich niet tot de mens (= man) richt, maar tot de vrouw.

De Waard vindt dat opmerkelijk, des te meer ‘omdat de vrouw nog helemaal niet bestond toen God verbood om van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ te eten (2:16-17)’ en omdat ‘de mens (= man) er ondertussen gewoon bij staat’ (3:6). Zijn conclusie: de man is passief en de vrouw neemt het voortouw en geeft de man de vrucht.

Maar exegetisch kun je op basis van deze tekstgegevens geen uitsluitsel bieden of ‘de juiste verhoudingen’ die van ondergeschiktheid is of die van samenwerking zijn. In beide gevallen kan de slang zich tot de vrouw richten om die ‘juiste verhoudingen’ te ondermijnen. In het eerste geval door de veronderstelde gezagsrelatie te ondermijnen, in het tweede geval door de samenwerkingsrelatie te ontregelen.

Exegetisch is vooral van betekenis, dat de slang als het over gezag gaat inhoudelijk niet het veronderstelde gezag van Adam uitdaagt, maar het gezag van God ter discussie stelt. Verder is het vanuit de verhaallogica binnen een samenwerkingsperspectief heel aannemelijk dat Adam en Eva bij elkaar zijn, wanneer de slang hen aanspreekt, (wat De Waard overigens ook betoogt). 

Net als bij de exegese Genesis 2 doet De Waard opnieuw een beroep op ‘de oud-Oosterse bril’, in dit geval op de mannelijk georiënteerde patriarchale cultuur, voor wie het onmiskenbaar zou zijn dat in deze elementen ‘de juiste verhoudingen op hun kop gaan’, te weten de ondergeschiktheid van de vrouw. 

De Waard ziet zijn lezing bevestigd in twee elementen van het verhaal: 1e. dat God die ‘uiteraard wist dat de vrouw het voortouw had genomen, richt Hij zich tot de mens (= man)’, de juiste verhoudingen wél respecteert, en: 2e. dat God ‘de mens (= man) er dan ook van beschuldigd te hebben geluisterd naar zijn vrouw (3:17)’, d.w.z. hij had zich nooit door haar moeten laten meenemen in ongehoorzaamheid.

Dat tweede element geeft exegetisch geen uitsluitsel over het karakter van ‘de juiste verhoudingen’, omdat in beide opties sprake kan zijn van het zich ‘laten meenemen in ongehoorzaamheid’. Het eerste element verklaren met de veronderstelling dat God wel ‘de juiste verhouding’ respecteert en ‘de man’ als gezag voerend over zijn vrouw hem als eerste aanspreekt, leek altijd logisch omdat men traditioneel bij het lezen van Gen. 1-3 al als vooronderstelling van de ondergeschiktheid van de vrouw uitging. Als je dat laatste beargumenteerd niet meer doet, dan is de vanzelfsprekendheid van de verklaring die De Waard biedt verdwenen.

Binnen de verhaallogica vanuit een samenwerkingsperspectief is het ook logisch, dat juist omdat ‘de mens (=man) er bij was’, hij even schuldig is als ‘de vrouw’ en dat het daarom niet vreemd is dat ‘de mens’ [ha ʾadam] door God als eerste wordt aangesproken, niet als ‘man’ maar categoriaal als ‘mens’. Want juist ‘de mens’, toen die man noch vrouw was, had het gebod gekregen om niet van de boom te eten (2:16-17). Daarnaast past het als eerste aangesproken worden uitstekend in de opbouw van het verhaal. Vanaf 3:1 wordt eerst de slang, dan de vrouw en tenslotte de man als personage ingevoerd, terwijl vervolgens in een concentrische constructie eerst de man, dan de vrouw en tenslotte de slang door God worden aangesproken op hun handelen, waarbij het verbindende element is dat zo de schuld van de een naar de ander kan worden doorgeschoven: de man naar de vrouw, de vrouw naar de slang.  

Samenvattend: dat in Genesis 3 de asymmetrische relatie tussen man en vrouw een belangrijke rol speelt, maakt De Waard op basis van de aangevoerde tekstelementen exegetisch niet hard.


–    3. Een tekst gelezen vanuit een patriarchale cultuur

De Waard verwijt de synodecommissie dat zij de ongemakkelijke elementen ‘van een zekere rangorde en gezagsrelatie’ in Genesis 2 en 3 weg-exegetiseert en zo de eigen visie dat er in Gen. 1-3 sprake zou zijn van gelijkwaardigheid, verbondenheid en gezamenlijkheid aan de tekst oplegt.

Ik heb geprobeerd de door De Waard genoemde, op de tekst gebaseerde exegetische argumenten op hun houdbaarheid te wegen en moest concluderen, dat die zijn bewering dat de synodecommissie op die punten de zaak naar haar hand zet, niet kunnen dragen.

Toch ligt uiteindelijk het verschil in visie tussen De Waard en de synodecommissie niet zozeer op exegetisch niveau. Zijn exegese wordt namelijk hermeneutisch gestuurd door zijn beroep op het gegeven, dat deze tekst ontstaan is binnen een patriarchale cultuur waarin de man gezag oefende over zijn vrouw en vanuit dat perspectief ook gelezen zal zijn. Daarmee doet hij een beroep op een receptie-theoretisch perspectief, dat hij normatief acht voor de bepaling van de betekenis van de tekst. Hetzelfde perspectief dat eeuwenlang ook in de gereformeerde traditie normatief is geacht om Genesis 2 en 3 te lezen.

De Waard raakt aan dit hermeneutisch verschil, wanneer hij opmerkt dat het niet vreemd is dat in patriarchale culturen ook ‘oorsprongsverhalen’ een mannelijk perspectief vertonen en vervolgens de vraag stelt welke betekenis dat perspectief voor ons vandaag nog heeft: ‘Behoort de in Genesis 2-3 uitgedrukt asymmetrie in de relatie tussen man en vrouw wezenlijk tot Gods boodschap voor vandaag? Of is het iets wat we als tijd- en cultuurgebonden kunnen beschouwen?’

Toch vind ik het onjuist, want te voorbarig om de vraagstelling bij de exegese van Genesis 2-3 zo te formuleren. Want daarmee maakt hij zijn interpretatie van Genesis 2-3 ten onrechte normatief. De oproep die hij aan de synodecommissie doet, geldt namelijk ook hemzelf: ‘Laten we de zaken rond m/v en ambt bespreken op basis van een exegese die lastige elementen in de Bijbeltekst niet downplayt, maar juist zichtbaar maakt.’ Zijn ‘die lastige elementen in de Bijbeltekst’ inderdaad dat de tekst over een gezagsrelatie en de onderschikking van de vrouw aan de man spreekt, zoals De Waard claimt? Kan het ook zijn dat juist de gelijkwaardigheid en verbondenheid van man en vrouw ‘de lastige elementen’ in Genesis 2 en 3 zijn, – als een kritisch tegenover -, die al eeuwenlang binnen de gereformeerde traditie gedownplayd zijn en nu zichtbaar gemaakt dienen te worden, zoals de synodecommissie van mening is?

De hermeneutische vraagstelling, waar wij als kerken voor staan is daarom de volgende: ‘Mogen wij het patriarchale perspectief op de verhouding van man en vrouw, zoals dat in de bijbel en in de traditie zichtbaar is geworden, beschouwen als Gods ordening voor de mensen? Of is dat een tijd- en cultuurgebonden perspectief, dat ons ten onrechte als bijbels normatief wordt voorgehouden?


[1] Verschenen in het Reformatorisch Dagblad d.d. 14 juli 2020 onder de titel ‘Zoek geen exegese die eigen visie staaft’ en op de website van het Nederlands Dagblad d.d. 17 juli 2020 onder de titel: ‘In het paradijs was er al een gezagsrelatie en afhankelijkheid tussen man en vrouw’.

[2] GS Goes 2020, Rapport synodecommissie revisieverzoeken M/V en ambt ‘Elkaar van harte dienen’, p. 14.

Liturgie als centrum van kerkzijn? [1]

Dit weekend een jaar geleden sprak dr. Hans Schaeffer aan de TU Kampen in zijn inaugurele rede als hoogleraar Praktische Theologie over ‘Liturgie als centrum van kerkzijn’.[2] Hij kon toen niet bevroeden hoe actueel het onderwerp van zijn rede zou worden, nu wij door de corona-crisis al bijna 4 maanden verstoken zijn van normale kerkdiensten. Daardoor zijn we nadrukkelijk voor de vraag gesteld, wat de functie en het belang van de liturgie voor het kerkelijk leven is. Is de liturgie werkelijk het centrum van het kerkzijn?

Schaeffer beantwoordt deze vraag met een volmondig ‘ja’. Hij doelt dan speciaal op de liturgie als vormgeving van de zondagse eredienst. Omdat hij daarnaast ook een breder begrip van liturgie gebruikt, is zijn spreken over het verband tussen liturgie en kerkzijn niet eenduidig. Hij omschrijft liturgie als ‘dat wat een groep mensen tot kerk maakt’ en als ‘een verzamelwoord voor een set praktijken die mensen doen – en waarbij door het doen ervan iets gebeurt’, omdat God ons door die praktijken aan zichzelf wil verbinden. Via die praktijken werkt God heilzaam in onze gebroken werkelijkheid en verzamelt hij zich een volk dat toeleeft naar de komst van Zijn rijk.

Kerkelijke praktijken

Met het concept ‘praktijken’ geeft Schaeffer aan dat het in het bieden van gastvrijheid, ziekenzalving, vergeving, onderhouden van de sabbat, een kerkdienst, aanbidding, miniwijkbijeenkomsten om elkaar te bemoedigen, diaconaat, zorg voor de naaste of evangelisatie, niet alleen gaat om het doen, maar om een ‘way of life’. Het doen is ingebed in wat de filosoof Charles Taylor ‘sociale beeldvorming’ noemt: beelden, verhalen, verwachtingen, die als een vanzelfsprekende ‘achtergrond’ het handelen begrijpelijk en zinvol maken. Voor de kerk is dat het grote verhaal van God en mensen. Zo is kerkzijn een ‘web van praktijken die tegelijkertijd de kerk markeren en haar constitueren.’ Dat betekent dat kerkelijke praktijken zowel expressie zijn van individueel of collectief geloof als dat ook Gods mystieke aanwezigheid daarin tot uitdrukking komt. Daarbij zijn het specifiek de praktijken van gebed en schriftlezing die de aandacht voor God voeden en ons richten op de bron, waar al die praktijken als gelovige antwoord op Gods handelen uit voortkomen.

Eredienst als levensvorm

De kern van de vraag is of de praktijk van de zondagse eredienst binnen deze kerkelijke praktijken een speciale status heeft die je als centrum kunt kwalificeren. Die gedachte past zeker bij de gereformeerde visie op de eredienst als de wekelijkse ontmoeting tussen God en zijn volk. In het samenkomen van de gemeente schenkt God zijn heil en ontvangt de gemeente deze in geloof. Voor Calvijn is het daarbij essentieel dat van de zondagse samenkomst een krachtige appel uitgaat tot een leven van dankbaarheid.  De zondagse liturgie wordt gezien als ‘de centrale van de krachtstroom die uitstraalt naar en gebruikt wordt in het dagelijkse leven’.

Schaeffer sluit zich hierbij aan, waarbij hij wel – net als zijn voorganger dr. Kees de Ruijter – twee nauw met elkaar samenhangende eigen accenten legt. Allereerst dat het in de eredienst gaat om Woord èn sacrament. Dit als correctie op de eenzijdige focus op het rationele en het woord in de gereformeerde traditie, waardoor de eredienst geheel gedomineerd werd door de prediker en de preek. Een tweede accent is dat hij de eredienst typeert als praktijk of levensvorm, waaraan de kerkgangers actief deelnemen en tegelijk zich in de liturgie als gelovige laten vormen. Voor deze vorming spelen juist de sacramenten, als speciale door God ingestelde rituelen, een belangrijke rol. Zo wordt de zondagse eredienst ‘een uniek intense plaats van de transformerende aanwezigheid van Gods Geest’ en vormt de liturgie ‘in feite het script van het christelijke leven’ (De Ruijter).

De stelling van Schaeffer is nu dat de eredienst als levensvorm de bronpraktijk is, waar al de andere kerkelijke praktijken aan ontspringen. Al die praktijken van kerkzijn verwijzen naar en hebben hun voedingsbodem in de omgang met God in de gemeenschappelijke viering van het heil in de liturgie. Zo is de zondagse eredienst het centrum van de kerkelijke praktijken, dat het hele christelijke leven wil doortrekken.

Alternatieve visies

Schaeffer gaat ook in op visies die de centrale rol van de eredienst in het kerkzijn relativeren. Enerzijds omdat de eredienst niet als een levensvorm ervaren wordt, waarin het christelijke leven als model wordt ingeoefend. De kerkdienst wordt vooral ervaren als een zelfstandig moment van ontmoeting met God en met elkaar als gemeente, bedoeld voor bezinning, inspiratie en om tot rust te komen in een alle aandacht opslokkende wereld. Anderzijds zijn dat visies die de vraag stellen of ‘kringen of projecten (soms) niet een veel betere oefenplaats’ van kerkelijke praktijken zijn dan de kerkdienst.

Een belangrijk bezwaar van deze relativering van de eredienst is voor Schaeffer dat de zondag gemakkelijk een zwerfsteen in het christelijke leven kan worden en zo het kerkzijn zelf op het spel staat. Zonder een bewuste wisselwerking tussen de zondagse eredienst en het dagelijkse leven, is het gevaar groot dat de praktijken van kerkzijn, zelfs die van bijbel lezen en bidden, op den duur hun kracht zullen verliezen en uiteindelijk zullen verdwijnen. Alleen een funderende bronpraktijk voor het kerkzijn zal dat tegen kunnen gaan.

Ter ondersteuning van zijn pleidooi voor de centrale rol van de zondagse liturgie in het kerkzijn voert Schaeffer naast een beroep op de geschiedenis – ‘de liturgie heeft een vorm gekregen, die zich in de loop der tijd bewezen heeft’ – als belangrijk argument aan, dat zijns inziens de kerk juist in de liturgie kerk wordt: ‘De kerk vindt in het vieren van de liturgie een vorm waardoor zij wordt wat zij is: volk van God, lichaam van Christus.’ Met name in het avondmaal komt door het handelen van God zelf deze gemeenschap van gelovigen tot stand. Daarin leren wij wat God met deze wereld wil en daar worden wij door de Geest verbonden met onze Schepper, Verlosser en Heiligmaker en ontvangen wij richting in het leven.

Ja en nee

Dr. Schaeffer heeft in zijn inaugurele rede een belangrijk thema aan de orde gesteld. Terecht wijst hij op gevaar dat kerkelijke praktijken zullen eroderen wanneer wij ons als christenen daarin niet voortdurend oefenen. Ook lijkt mij het belang van de zondagse eredienst voor de vorming en ondersteuning van ons geloof als christenen evident. Mijn vragen heb ik bij de manier waarop hij de zondagse eredienst en de kerkelijke praktijken met elkaar wil verbinden. Ook al is de zondagse eredienst inderdaad centrum van ons kerkzijn, is hij daarmee ook bij uitstek het middel om de kerkelijke praktijken te oefenen? Voor mij heeft Schaeffer de bezwaren die de alternatieve visies opgeworpen hebben, onvoldoende kunnen wegnemen.


[1]   Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 26 juni 2020, 73e Jaargang, nummer 13.

[2] In uitgewerkte vorm opgenomen als ‘Hoofdstuk 7’ in de bundel: Hans Schaeffer, Kerk om te vieren. Praktisch-theologische reflecties op kerkzijn, Kampen: Summum Academic Publications, 2019. In het Gereformeerd Kerkblad van 21 februari 2020 gaf ik een introductie op deze bundel.

De stem van God

(De Lunchpauzediensten van de Zwolse Plantagekerk op vrijdagmiddag zijn in aangepaste vorm ook weer opgestart, zonder zingen en zonder koffie en brood. Vanmiddag mocht ik er weer voorgaan. De tekst voor de overdenking was Psalm 29.)


In de bijbelvertaling van de NBG 1951 stonden er boven de Psalmen ook korte omschrijvingen om iets over de inhoud te vertellen. Zo’n opschrift kan je helpen om te begrijpen wat je gaat lezen, terwijl ze je soms op het verkeerde been zetten.

Boven Psalm 29 stond ‘Gods majesteit in het onweer’. En dat klopt op een bepaalde manier ook. Het gaat over wat wij in zo’n natuurverschijnsel als het onweer over God kunnen waarnemen. Iets van zijn majesteit en van zijn indrukwekkende macht. Daarom typeert deze psalm het geluid van de donder als de stem van God. Tot zeven maal toe, – als zeven donderslagen -, wordt die uitdrukking gebruikt: ‘de stem van God’.

Een stem die, wanneer die klinkt, ook van alles te weeg brengt, hoorbaar en zichtbaar: de lucht dreunt, bomen splijten, bergen komen in beweging, dieren werpen van schrik hun jongen.  

Als lezers van deze psalm kunnen we ons daar van alles bij voorstellen. Zeker als er met het weerlicht en de donder ook de kracht van de wind, de regen of de storm bijkomt. Dan raken we van het onweer onder de indruk en kunnen er zelfs bang van worden, ik in ieder geval wel. Want we weten dat het tot brand en verwoesting kan leiden, en dat mensen of dieren door de bliksem dodelijk geraakt kunnen worden.

Zo spreekt deze psalm over het onweer als de stem van God, waarin zijn majesteit, zijn grootsheid, zijn indrukwekkendheid, zijn heerlijkheid hoorbaar en zichtbaar worden.

Toch is dit maar één aspect van deze psalm. Want die majesteit van God verwijst er vooral naar, dat God de koning van hemel en aarde is. Dat is waar deze psalm als in een climax in vers 10 op uitloopt:

De HEER heeft zijn troon boven de vloed, ten troon zit de HEER als koning voor eeuwig.

Gods majesteit in het onweer staat voor Gods koningschap. Wij mogen dat interpreteren als een verwijzing naar en als uitdrukking van het koning zijn van God.


Het koningschap van God is een belangrijk thema in de bijbel, juist omdat het koningschap van God de hele geschiedenis door betwist wordt. De hele wereldgeschiedenis draait om de vraag, of wij als mensen God als koning willen erkennen. Dat is dan ook de rode draad in de bijbel.

In het eerste deel van de bijbel, – dat wij het Oude Testament noemen -, gaat het over de geschiedenis van God met het volk Israël, dàt God en hòe God koning is van het volk Israël. Maar ook in het tweede deel, – dat wij het Nieuwe Testament noemen -, waarin het leven en het werk van Jezus centraal staan gaat het om het koningschap van God. Zoals Jezus zelf zegt: ik ben gekomen om Gods koninkrijk hier op aarde te brengen, niet alleen voor het volk Israël, maar voor de hele wereld, voor alle volken op deze aarde. 

Daarom is het ook niet vreemd dat Psalm 29 de majesteit van God in het onweer verbindt met het koning zijn van God. Want ook in het boek van de Psalmen is het koningschap van God een belangrijke rode draad.

Aan het begin, in Psalm 2, lezen we dat de volken God en zijn vertegenwoordiger hier op aarde, zijn gezalfde, niet willen erkennen als koning. En het Psalmboek eindigt met vijf psalmen, Psalm 145-150, waarin niet alleen het volk Israël, maar alle volken worden opgeroepen om God als Koning te erkennen, om Hem als de HEER in zijn heiligdom in de hemel te loven en te prijzen. En ruim over de helft van het Psalmboek is er een kleine bundel van zeven psalmen die hem speciaal als Koning bezingen en eren, Psalm 93-99.

Met de eerste psalm van die bundel, Psalm 93, zijn we vanmiddag begonnen. Daarin wordt God geëerd als de koning, die de wateren in bedwang houdt. Of het nu rivieren zijn die met alle kracht buiten hun oevers treden en alles meesleuren. Of dat het gaat om zeeën en oceanen waar zich orkanen en tsunami’s ontwikkelen, die wanneer ze aan land komen alles kunnen verwoesten. Psalm 93 erkent dat God met zijn macht boven al dat geweld staat en dat hij over de wateren heerst.


Het geheim en de grond van dat heersen van God als koning is, dat Hij ook de Schepper is. In het begin, toen de aarde nog woest en doods was en er alleen maar een duisternis over de oervloed lag, schiep God eerst het licht. Vervolgens scheidde hij die oervloed, zodat hemel en aarde ontstonden, om daarna op de aarde een scheiding aan te brengen tussen het droge van het land en het water van de zee.

Zo toonde God bij de schepping al zijn majesteit. En vandaag doet hij dat nog steeds, doordat hij heerst over de schepping en over de geschiedenis van deze wereld.

Daarom roept de dichter de hele schepping in Psalm 29 op om als Hem als koning te erkennen en voor hem in eerbied te buigen. Wanneer wij natuurverschijnselen als het onweer meemaken en daarin de stem van God horen. Maar òòk wanneer wij wat wij vandaag aan geschiedenis meemaken, proberen te duiden als aspecten van Gods macht en majesteit.

Ik besef heel goed, dat dat laatste behoorlijk ingewikkeld is. Want waar zie je overduidelijk de hand van God in onze werkelijkheid? Net als het onweer kunnen wij ook de geschiedenis wetenschappelijk en op natuurlijke wijze verklaren, zonder er mee te rekenen dat er een God is die in ons leven en in onze werkelijkheid handelt.

Gelukkig geeft de bijbel ons een maatstaf die ons daarbij kan helpen. Kijk naar wat Gods plan met onze wereld is. In Jezus heeft hij zijn koninkrijk hier op aarde gebracht. Want God wil de macht en kracht die hij bezit delen met ons mensen. Zoals vers 11 als uitwerking van Gods koningschap aankondigt:

De HEER zal macht aan zijn volk verlenen, de HEER zal zijn volk zegenen met vrede.

Dat is een maatstaf aan de hand waarvan wij Gods handelen in onze geschiedenis kunnen duiden. Dat is waar Psalm 29 ons voor uitnodigt. Om Gods majesteit en zijn macht in ons leven op te merken, en Hem daarom in Jezus Christus als koning van hemel en aarde te erkennen en te eren.


Liturgie LPD van 19 juni 2020 in de Plantagekerk te Zwolle

Preken in coronatijd

Artikel van Anne-Maaike Pathuis in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 15 mei 2020

Door de coronacrisis moeten kerken hun zondagse erediensten anders invullen. De meeste kerken zorgen voor een online viering, en elke kerk kiest daar zijn eigen manier voor. Sommigen laten een aantal gemeenteleden liederen zingen, anderen gebruiken vooral liederen van Nederland Zingt. Sommige online diensten hebben een liturgie die nagenoeg hetzelfde is als voor de coronacrisis, andere diensten zijn sterk verkort – een paar liederen en een preek. Wat in elke online dienst een plek lijkt te krijgen is een preek of overdenking. Ik vroeg een aantal predikanten naar hun ervaringen met preken in coronatijd.

Het coronavirus bepaalde vooral de eerste paar weken van de ‘intelligente lockdown’ de thematiek van de preken. “Het coronavirus ‘kort aanstippen’ kan ik niet: de preek wordt geboren in de leefwereld van vandaag en ademt voortdurend de sfeer waarin wij leven,” schrijft ds Kees van Dusseldorp (GKv Schildwolde). Ds Gerbram Heek (GKv Buitenpost) sluit hierbij aan als hij schrijft dat hij zijn preekplan “wel steeds [heeft] toegespitst op de coronasituatie. Dat is wel meer dan dat het kort wordt aangestipt. Ik ben er verschillende keren nadrukkelijk op in gegaan.”

Dominees proberen in hun preken natuurlijk altijd aan te sluiten bij de leefwereld van de gemeenteleden, de hoorders, maar een tijd van crisis en grote maatschappelijke ontwikkelingen vraagt daar wel in het bijzonder om. Ds van Dusseldorp hield tijdens de eerste twee online diensten echte ‘tijdredes’ waarin hij vanuit het evangelie licht wierp op de vragen die opkomen door het coronavirus en de lockdown. Ook ds Jos Douma (GKv Zwolle-Centrum) merkte dat het crisisgevoel de eerste twee zondagen sterk bepalend was voor het thema van de preek.

Preekthema’s

Na de eerste online diensten zijn de predikanten wel anders gaan preken. Het crisisgevoel was eerst bepalend, “maar daar werden de online diensten wel wat ernstig van. Dat hebben we als kerkenraad geëvalueerd en gezegd: het mag ook wel weer wat sprankelender, positiever,” schrijft ds Douma. In Zwolle is daarom gekozen voor het thema #DASLIEFDE, in aansluiting bij de landelijke SIRE-campagne #DASLIEF en een plaatselijk initiatief van een kunstenaar #HEBLIEF. Ds Douma: “Ik heb gepreekt over onder meer zelfbeheersing en geduld als deugden, en elementen van de vrucht van de Geest, omdat dat precies de waarden zijn waar we ons als samenleving in moeten oefenen.”

In Schildwolde is ds van Dusseldorp begonnen met een prekenserie over de woestijntocht van het volk Israël. “De thema’s liggen voor het opscheppen: omgaan met beperkingen, volhouden in een taaie tijd, oefenen in vertrouwen, mopperen en/of bidden, wat kun je van God verwachten?” Ds Rutger Heij (GKv Heemse) hield vanwege zijn werk op de synode tot nu toe twee preken in coronatijd, maar koos bewust voor thema’s die met het coronavirus te maken hebben: over de vraag of het virus een teken van de eindtijd is, en over hoe we ondanks de fysieke afstand in Christus toch met elkaar verbonden zijn.

Relevantie

Ds Heij merkt dat juist de actualiteit van de preken ervoor zorgt dat de boodschap echt bij mensen binnenkomt. Ook in Zwolle is er “waardering voor het aanbrengen van een thematische rode lijn die als heel relevant wordt ervaren en toch ook alle ruimte biedt om het evangelie eigen stem te geven,” zo schrijft ds Douma. “Het valt mij op dat bijbelteksten en geloofswoorden in deze tijd een veel intensere klank hebben gekregen. Dat merk ik bij mezelf en ook bij gemeenteleden die ik spreek,” zo schrijft ds van Dusseldorp.

Het is mooi dat de kracht van het evangelie, en ook de kracht van preken, juist in deze tijd zo ervaren wordt. De preek is een van de manieren waarop gelovigen leren om hun leven in het licht van het evangelie te zien en te leven. Emeritus hoogleraar Kees de Ruijter schreef in het boek ‘Horen naar de stem van God’ onder andere over de bedoeling van de eredienst. Volgens hem is het een leerplek waar hoorders leren om hun levensverhaal te vertellen en te leven vanuit het perspectief van het evangelie. Dit leerproces wordt juist in de preek geconcentreerd. In de preek zoekt de predikant in het bijzonder naar de manieren waarop God, door de bijbeltekst heen, tot de gemeente in haar concrete leefwereld spreekt.

Interactie en reactie

Voor de predikanten is het contact met de hoorders, de gemeenteleden, tijdens de preek een stuk minder direct dan voor de coronacrisis. Daardoor is de beleving van het preken is heel anders. “De preek ademt normaal gesproken in de interactie en de sfeer van de kerkgangers. Zelfs als ze niets zeggen, ben je toch met ze in gesprek. Dat gesprek voelt nu nog meer virtueel geworden,” schrijft ds van Dusseldorp. Dit wordt versterkt doordat predikanten niet weten wie hun online diensten allemaal volgen.

De vier predikanten die ik sprak krijgen net zoveel of meer reacties na de dienst als eerder, en die gaan vaak niet alleen over de preek maar over de hele dienst. Ds Heek schrijft: “Je hoort aan de ene kant minder, omdat er na de kerkdienst geen mensen naar je toekomen. Aan de andere kant komen er meer complimenten omdat mensen vooral blij zijn dat de diensten online nog wel doorgaan.”

Ook in Zwolle, Heemse en Schildwolde zijn gemeenteleden blij dat er door de voortgang van de online diensten een stukje vertrouwdheid blijft bestaan. In de waardering voor het feit dat er online diensten zijn, wordt wellicht ook zichtbaar dat het evangelie niet alleen wordt gehoord in de preken, maar door de hele liturgie heen wordt ervaren.

Nabije toekomst

De verwachting is dat erediensten voorlopig nog online moeten plaatsvinden. De predikanten geven aan dat ze hun preken ook op deze manier zullen voortzetten. Voor de gemeenteleden in Zwolle betekent dat, dat ze de komende tijd bemoedigende, relevante en relatief korte preken zullen horen. “Wel wil ik meer inzetten op het helpen van gemeenteleden thuis om aansluitend aan de onlinedienst een geloofsgesprek te voeren aan de hand van een gesprekshandreiking,” zo geeft ds Douma aan. In Buitenpost werd dat al vanaf de eerste online dienst gedaan, en ds Heek hoopt dat er in deze tijd ook alternatieve vormen voor de preek worden uitgeprobeerd, zoals een soort talkshow naar aanleiding van een bijbeltekst of thema.

Het zal voorlopig nog wel een vreemde situatie blijven, zo zegt ds Heij: “Preken in een lege kerk, met de blik op de camera gericht, is een vervreemdende ervaring. Maar preken in een kerk met anderhalve meter opstelling lijkt me minstens zo vervreemdend, misschien nog wel meer.” Het belangrijkste is dat het evangelie verkondigd wordt, ook in een tijd van crisis. Daarom, zo schrijft van Dusseldorp, “probeer ik me open te stellen voor de leiding van de Heilige Geest. Ik stel mij in dienst van het evangelie van Jezus Christus dat echt een bron van vreugde, vrijheid en vrede is.”

Een nieuwe schepping

(Verschenen als artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 1 mei 2020)

Op de Paasdag is Jezus opgewekt en stond hij op uit graf. De impact van dit gebeuren voor ons leven en voor de wereld is immens. Paulus raakt er niet over uitgeschreven. Het biedt hoop, want wij ontvangen door Jezus de shalom van God, zijn genade en liefde, vrijspraak en eeuwig leven.

In de brief aan de Galaten formuleert Paulus de betekenis van Pasen heel sterk: ‘Met Christus ben ik gekruisigd; ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’ (2:19-20). Dat is de werkelijkheid waarin wij als gelovigen leven. Wij zijn een nieuwe schepping (6:15). Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Het beeld dat Paulus in Galaten gebruikt om de grote wending in zijn leven te omschrijven, zal hij later in hoofdstuk 6 en 7 van de Romeinenbrief verder uitwerken. Daar schrijft hij dat ons oude bestaan met Christus gekruisigd is, zodat er een einde zou komen aan ons zondige leven. Met als keerzijde dat wij ook delen in Christus’ opstanding.

De zonde is zijn macht over ons kwijtgeraakt en wij staan nu onder de heerschappij van de Geest. Daarom mogen wij onszelf zien als dood voor de zonde en levend voor God. ‘Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.


Een andere mensvisie

Wat het voor ons lastig maakt om Paulus te begrijpen, is dat hij uitgaat van voorstellingen over hoe wij als mensen in elkaar zitten die ons niet vertrouwd zijn.

Wij gaan uit van een begrip van de mens als een onafhankelijk individu, die bij alle veranderingen die hij doormaakt toch gekenmerkt wordt door een zelfstandige identiteit.

In de mediterrane wereld van de 1e eeuw wordt de mens niet zo zeer bepaald door de eigen individualiteit, maar door de sociale verbanden waarbinnen hij functioneert. Men richt zich voor de ontwikkeling als individu op wat de groep zegt, doet, denkt, verwacht en eist.

Een nog groter verschil met vandaag is, dat men naast de sociale verbanden van familie, clan, rang en volk, ook rekening houdt met bovenmenselijke of bovennatuurlijke kosmische machten en krachten.

De mens is in zijn lichaam als microkosmos verbonden met de macrokosmos. Zo heeft het bestaan van de mens niet zozeer een duidelijk begrensde eigenheid, maar is het een poreus knooppunt waar de externe sociale en geestelijke wereld volop deel van uitmaakt en zijn invloed op uitoefent.


De nieuwe werkelijkheid

Met deze mensvisie als achtergrond moeten wij Paulus’ spreken over de zonde als externe kracht begrijpen, die de mens in zijn macht heeft en zo de mens aanzet en verleidt tot het doen van zonde. Maar ook dat hij zinswendingen kan gebruiken als ‘met Christus gekruisigd’ en ‘in Christus zijn’, ‘met Christus omkleed zijn’, dat ‘Christus in mij leeft’, dat wij ‘geleid worden door de Geest’ en dat wij ‘leden van Christus lichaam’ zijn.

Wat wij gemakkelijk kunnen zien als beeldspraak die we niet letterlijk hoeven op te vatten, is voor Paulus de omschrijving van de werkelijkheid zoals hij die ervaart. Wanneer wij ons van deze beelden een voorstelling willen maken, moeten wij ervan uitgaan dat zijn beeldspraak de werkelijkheid wil duiden.

Leven in Christus’ betekent dat wij leven in een door de Geest gerealiseerde nieuwe werkelijkheid, waarin wij vergeving van zonde ontvangen hebben en in een nieuwe verhouding tot God gesteld zijn. We hebben door Christus het kindschap van God ontvangen.

Tegelijk is er nog de werkelijkheid van de zonde, die door Paulus in de Galatenbrief in het Grieks als die van het ‘vlees’ (5:13) wordt aangeduid, waar ‘de macht van de zonde’ achter schuilt (3:22). Als gelovige moet je er voor waken om je opnieuw met deze macht in te laten.


Dynamisch

Belangrijk is om alle nadruk te laten vallen op het ‘leven in Christus’ als werkwoord en dat ‘leven’ verder in te vullen. Want die nieuwe werkelijkheid heeft een dynamisch karakter en omvat meer dan dat de gelovige de status van ‘gerechtvaardigd’ heeft.

Het is actief leven binnen de reikwijdte van God en in de sfeer van alles wat bij Christus’ heerschappij hoort en bij Hem vandaan komt. Het is leven in relatie met God, met Christus, met de Geest en met ieder die bij Christus hoort. Een nieuwe schepping zijn is het samen met broers en zussen delen in de dood en de opstanding van Christus en je zo samen door Hem laten transformeren.

Een nieuwe schepping zijn is je door Hem laten beïnvloeden en motiveren om het goede te doen, ook al betekent dat soms afzien en elkaars lasten dragen. Het is zijn Geest en de goddelijke krachten ontvangen om dat goede ook handen en voeten geven (3:5).

Kortom, binnen de structuren van onze aardse werkelijkheid, naar het voorbeeld van Christus, Gods liefde als de vrucht van de Geest zichtbaar maken.