Dietrich Bonhoeffer

(Fragmenten uit een dooppreek gehouden in de Veertigdagentijd.)

Wanneer Jezus op Palmpasen Jeruzalem binnen is gegaan, in het besef dat nu het lijden op hem afkomt, roept hij in Johannes 12 zijn leerlingen op hem daarin te volgen.  

Wij moeten bereid zijn om net als hij ons leven op te geven, door als een graankorrel in de aarde te vallen en te sterven en zò vrucht voort te brengen. Wanneer wij er niet op gericht zijn ons leven te behouden, zullen wij het eeuwige leven ontvangen.

Dietrich Bonhoeffer is een theoloog die veel heeft nagedacht over dat volgen van Jezus. Vandaag is het 75 jaar geleden, dat hij op 39-jarige leeftijd in het concentratiekamp Flossenburg door de nazi’s vanwege hoogverraad werd opgehangen. Daaraan voorafgaand bracht hij 2 jaar in een Berlijnse gevangenis door.  

In zijn gevangenistijd schreef hij in veel brieven over wat het betekent christen te zijn in een wereld waarin het kwaad oppermachtig is, zoals toen in Duitsland onder de regime van Hitler.

Wanneer in 1933 Hitler aan de macht komt, dreigen ook de kerken door het nationaal-socialisme te worden ingekapseld. Bonhoeffer is een van de leiders van de ‘Bekennende Kirche’, die grotendeels ondergronds de strijd aanbindt.

In 1935 wordt hij rector van een seminarie, waar jonge theologen een opleiding krijgen en gevormd worden om tegenwicht te bieden tegen de invloed van het nationaal-socialisme. Ook al weten ze dat ze risico lopen geen aanstelling in de kerk te zullen krijgen. In deze periode schrijft Bonhoeffer één van zijn beroemdste boeken ‘Navolging’ en werkt hij aan een ethiek.

Vanaf 1940 draagt hij onder het mom van contra-spionage bij aan het verzet en bereidt hij samen met anderen uiteindelijk een aanslag voor op het leven van Hitler. In maart 1943 wordt hij gevangen genomen en op 9 april 1945 op bevel van Hitler zelf ter dood veroordeeld.

Jezus volgen betekende voor Bonhoeffer geen compromissen sluiten met het nationaal-socialisme. Het betekende in verzet gaan, met de kans om zijn leven daardoor te verliezen. Daarin was hij een voorbeeld en inspiratiebron voor anderen.

Vlak voordat hij de galg opstapt, knielt hij neer en zijn stil gebed is zo aangrijpend, dat iedereen die dat zag, zelfs zijn beulen, ervan onder de indruk waren. Zijn laatste woorden zijn: ‘Dat is het einde – voor mij het begin van het leven’.

De oorlogstijd waarin Bonhoeffer leefde is een andere als vandaag en toch zijn er veel overeenkomsten.

Bonhoeffer peilde als geen ander hoe sterk de secularisatie en het leven zonder God de samenleving beïnvloedde. Hij zag hoe mensen, – tot zelfs in de kerk toe -, betoverd en ingepakt werden door de filosofie van het nationaal-socialisme.

Hij merkte dat het onderscheidingsvermogen om te bepalen wat goed en wat kwaad is, in grote mate aangetast werd. Dat mensen een willoos instrument waren, in staat tot alle kwaad, zonder dat zij het zelfs ook maar als kwaad onderkenden.

In mei 1944, wanneer hij al een jaar in de gevangenis zit, schrijft hij een doopbrief, gedachten bij de doop van het zoontje van zijn beste vriend en zijn oudste nichtje, van wie hij de peter is geworden en die naar hem vernoemd is. Daarin typeert hij het leven van de christen in onze tijd als het leven in ballingschap, een leven onder het oordeel van God.

Hij erkent dat de kerk in Duitsland onder het nationaal-socialisme de basiswoorden van het christelijk geloof, zoals verzoening, verlossing, wedergeboorte en Heilige Geest, de liefde voor de vijand, kruis en opstanding, het leven in Christus en de navolging van Christus niet geloofwaardig heeft weten uit te leggen. Dat de kerk niet in staat is geweest het verlossende woord aan de wereld en aan de mensen te brengen. Dat die woorden hun kracht verloren hebben en langzaam verstomd zijn.

Wat nu voor de christenen overblijft zijn twee dingen: bidden en onder de mensen het goede doen. Wil je vandaag die kernwoorden van het christelijk geloof opnieuw stem geven, dan zal het moeten gaan vanuit een houding van gebed en van rechtvaardigheid betrachten.

Je kunt van de schets van onze tijd moedeloos worden, – onze samenleving leeft inderdaad zonder God -, als je Bonhoeffers woorden echter diep tot je door laat dringen, ontdek je daarin toch ook hoop en vertrouwen voor de toekomst. Niet omdat wij christenen zelf zo overtuigend zullen zijn, maar omdat hij vertrouwt op de beloften van God.  

Bonhoeffer baseert zijn hoop op de woorden van Jeremia, die het volk in ballingschap oproept om God te bidden om vrede voor de stad Babel en het goede voor die stad te zoeken. Door de dood in ballingschap heen, zal God zijn volk nieuw leven schenken. Hij zal  een keer brengen in het lot van zijn volk. En dan zullen de volken rondom beseffen dat het God is, die zegen op het leven zal schenken.

Navolging van Christus is meer dan geloof in hem alleen! Het vergt een blijvende vorming van je geloof. Het spreekt niet vanzelf dat je onderscheiden kunt tussen goed en kwaad. Dat je weet welke keuzes je in het leven moet maken. Dat moet je leren. Bonhoeffer verwijst naar Psalm 111: ‘Ontzag voor de HEER is het begin van de wijsheid, leven naar zijn onderricht getuigt van goed inzicht’.

Dat is de weg ook voor ons vandaag. Elkaar helpen om in die sfeer van ontzag voor God te leven. God wil met zijn Geest in ons wonen en ons leiden en dat doet hij doordat wij ons zijn woord eigen maken.Via zijn woord, dat wij in de bijbel opgetekend vinden, gaat hij met ons mee.

Als wij de bijbel dichtlaten en het ons niet meer lukt om ons die woorden ons eigen te maken, dan hoef je niet vreemd op te kijken, wanneer het ook niet meer lukt om de kernwoorden van het christelijk geloof in ons leven tot klinken te brengen. Dat is het begin van de secularisatie in ons eigen leven.

Datzelfde geldt ook voor het gebed. Voor ons als christenen is het blijvende contact met God in het gebed levensnoodzakelijk om het geloof te voeden. Maar bidden en stil zijn voor God, dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt tijd, oefening en voorbeelden van inspiratie. 

Zo geloven betekent je leven uit handen geven. Niet voor jezelf iets bijzonders nastreven, maar de Geest in je leven laten werken, zodat in jouw leven de gestalte van Christus zichtbaar wordt. Dat je de houding van Christus, de manier waarop hij in het leven stond, je eigen maakt en zo er op gericht bent om in je daden en in je spreken de ander recht te doen.

Op Johannes 12 volgt Johannes 13, de geschiedenis van de voetwassing, waar Jezus zegt: ‘Ik heb een voorbeeld gegeven: wat ik voor jullie gedaan heb, moeten jullie ook doen.’

Jezus werd mens, zodat wij weer echt mens zouden worden. Wij moeten die nieuwe mens aantrekken, aan ons eigen ego afsterven, en net als Christus hier op aarde ons leven leiden: onder een open hemel, in het vertrouwen dat God zelf ons door Zijn Geest tot onze bestemming laat komen: als zijn kind voor Hem te leven en te spelen.

Door zo ons geloof te laten vormen, als uitwerking en verdieping van onze doop, zullen we in staat zijn om de basiswoorden van het geloof opnieuw te laten klinken.

Uit het verlies van ons leven, zal de winst van het leven met God geboren worden.

Een zwerverkoning op een ezel

Het evangelie van Palmpasen kan op verschillende manieren vertolkt worden.

Een van de lezingen voor Palmpasen is die van de intocht van Jezus in Jeruzalem op een ezel in Matteüs  21,1-9. In zijn weergave van deze geschiedenis verwijst de evangelist naar de profetie uit Zacharia 9:9: ‘Juich Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin’. Vanuit deze profetie heeft de theoloog Maarten Luther in de 16e eeuw eens een preek voor de 1e zondag van Advent geschreven: Jezus komt naar onze wereld als een zwerverkoning.

In de 21e eeuw heeft de troubadour David Olney op basis van het verhaal van de intocht ook een lied geschreven: ‘Hymn of Brays’.[1] Olney, die op 20 januari dit jaar op de leeftijd van 71 jaar aan een hartaanval overleed, stond bekend om de poetische stijl van zijn songs. Hij vertelt het verhaal vanuit het perspectief van de ezel.

Hymn of Brays

None is more proud than the stallion
None is more feared than the lion
None is more free than the eagle
But who is more blessed than I am?
 
I was never what you could call noble
Beauty and grace I lack
Only a poor beast of burden,
But once I bore a King upon my back.
 
Blessed am I of all creatures;
Blessed am I of all beasts:
I heard the cries of “Hosanna!”
Palm leaves were laid at my feet.
 
Tethered to a tree at the crossroads
When two men appeared at my side
They led me away to their Master,
And upon my back He did ride.
 
We entered the city in triumph,
Every man’s heart filled with joy;
I raised my ears at their shouting,
And added my own humble voice.
 
Before you would taunt me with your laughter
A favour of you I would ask
Remember the King that I once carried,
And let your mockery pass
 
Blessed am I of all creatures;
Blessed am I of all beasts
I heard the cries of “Hosanna!”
And palm leaves were laid at my feet.
 
None is more proud than the stallion,
None is more feared than the lion,
None is more free than the eagle,
But who is more blessed than I am?

Hier volgen enkele bewerkte fragmenten uit de preek van Luther, waarbij vooral de typologisch duiding van verschillende elementen uit het verhaal opvalt.[2]

God heeft al lang van tevoren door de profeet Zacharia laten verkondigen dat de Christus niet zou komen als een wereldlijke koning, in grote weelde en met een kostbare wapenuitrusting, maar als een arme bedelaar, zoals de geschiedenis van het evangelie van vandaag duidelijk maakt. Jezus komt publiek en op klaarlichte dag, als een bedelaar op een geleende ezel zonder zadel of andere uitrusting, terwijl zijn leerlingen hun kleding op de ezel leggen, zodat die arme koning zich daarmee kan behelpen.

Het is een heldere en ondubbelzinnige profetie. Wanneer Christus binnen zal rijden, zal hij niet als een wereldlijke koning hoog te paard komen met harnas, speer, zwaarden en schildknaap, wat allemaal verwijst naar aanzien en geweld. Hij zal komen in zachtmoedigheid, in armoede en in geringheid. Alsof de profeet ons waarschuwt: ‘Let goed op de ezel en besef dat degene die daarop komt, de wettige Messias is.’ Bewaar je er daarom voor om op een gouden kroon, fluwelen kleding en goudgestikte stoffen te azen en ook niet op een bewapende geleide te paard. Want Christus zal in kleinheid komen, met een oprecht en een zachtmoedig hart en verschijnen op een ezel. Dat is al zijn pracht en heerlijkheid, die hij bij het binnenrijden in Jeruzalem voor het oog van de wereld zal dragen.

Christus is een armoedige koning, die totaal niet het uiterlijk van een koning heeft. Daarom moet men hem niet beoordelen op de heerlijkheid die de wereldlijke koningen en vorsten dragen. Hij is een arme zwerverkoning met een andere autoriteit, want hij heet Justus en Salvator. Hij is een Rechtvaardige en een Heiland, die gerechtigheid en verlossing met zich meebrengt. Die de zonde en de dood zal aanvallen en hun vijand zal zijn. Hij zal verlossen, wie in hem gelooft en hem als zijn koning aanvaardt en zich niet laten ergeren door een arme, geleende ezel. Hij zal de dood de tanden uit breken, van de duivel de buik uiteen scheuren en zo ons die in hem geloven, van de zonde en de dood bevrijden en onder de engelen leiden, waar het eeuwige leven en de verlossing is.

Die andere koningen laat hij hun pracht, kastelen, huizen, geld en goed, hij laat hen hun heerlijker eten, drinken, kleden en gebouwen.  Maar zij kunnen niet, wat deze arme zwerverkoning Christus kan. Er is geen keizer, koning of paus, met al hun macht, die zou kunnen verlossen van de kleinste zonde en met hun geld en goed de geringste ziekte kan genezen. Laat staan, dat zij tegen de eeuwige dood en de hel zouden helpen. De zwerverkoning Christus helpt niet alleen tegen één zonde, maar tegen al mijn zonde; en niet alleen tegen mìjn zonde, maar tegen die van de hele wereld. Hij komt en wil niet alleen de ziekte wegnemen, maar ook de dood, en niet alleen mìjn dood, maar die van de hele wereld.

Erger je daarom niet aan zulke geringheid en armoede, zoals de priesters en schriftgeleerden doen. Want het is jou tot voordeel en het biedt jou het leven. Dank Christus ervoor en troost jezelf, want het gebeurt allemaal ter wille van jou en jou ten goede.

Volg het voorbeeld van de apostelen en die anderen om met de Heer Christus Jeruzalem binnen te lopen. Want Christus is een koning, die ook een rijk en een volk moet hebben, dat hem op een juiste en passende wijze zal dienen. Hoe die dienst er uit moet zien, duidt deze geschiedenis ook mooi aan. Want hier vind je mensen, die de Heer Christus als een koning erkennen en niet bang zijn naast de geringe ezel en de arme Koning te lopen.

Onder dezen zijn de apostelen de eersten, die de Heer Christus als de ware Messias erkennen. Daarom brengen zij de Christus de ezel, dat wil zeggen: zij richten de Joden die tot nu toe onder de wet leefden en die last als een ezel gedragen hebben, op Christus. Daarna leiden zij met de ezel ook dat jonge veulen naar Christus, de heidenen, die nog niet getemd en nog niet onder een wet geweest waren. Want Christus is een Heiland voor alle mensen. Daarom moeten alle predikers en leraren de mensen naar Christus leiden en brengen.

Vervolgens zal men voor de Heer Christus op de ezel het ‘Hosanna’ aanheffen. Dat wil zeggen, dat nadat men hem als Heiland erkend en aanvaard heeft, dat men hem ook voor zijn rijk heil en geluk wenst en alles doet, wat tot de uitbreiding en de bevordering van zijn rijk zal dienen. Hosanna betekent zoveel als: ‘Heer, help, Heer, geef geluk aan de Zoon van David’, net zoals wij in het Onze Vader bidden: ‘Laat uw rijk bij ons komen.’ Want de duivel en zijn verwanten zullen het niet onbeproefd laten om dit rijk te hinderen en het woord òf uit te roeien dan wel te vervalsen. Daarom is nodig God te bidden, dat hij de wil van de duivel zal breken en terugdrijven.

Het derde is dat men niet alleen moet bidden, maar ook zijn kleren uit moet trekken en voor de Heer Christus op de weg spreiden, zodat hij toch een beetje een heerlijke en feestelijke intocht zal hebben. Dat gebeurt wanneer wij het predikambt naar ons vermogen bevorderen en met geld en goederen helpen dat om passende, geleerde en vrome mensen op te leiden, die de kerken met het woord en hun goede wandel voorgaan. Kortom, waar men geld en goederen inzet, zodat de kerken ambten instellen en de mensen met goede voorgangers verzorgd worden, daar spreidt men voor de Heer Christus de kleren uit, zodat hij des te heerlijker binnen kan rijden.

Zo moet men deze koning dienen. Hij is een koning en daarom moet hij een hofhouding hebben die hem ter beschikking staat en hem dient. Hij is ook zo’n koning die ons van zijn kant dienen wil. Niet met geld en goederen, wat maar een zeer kleine dienst zou zijn, maar met de gerechtigheid tegen de zonde en met hulp tegen de dood en de eeuwige verdoemenis.

Ieder die hem aanvaardt en belijdt en zijn geringe middelen ten behoeve van zijn eer aangewend heeft, zal door hem eeuwige gerechtigheid en eeuwig leven ontvangen. Moge onze geliefde Heer en Heiland Jezus Christus dat ons allen vergunnen. Amen.


[1] Met dank aan mijn zwager Jan Lok, die ons dit lied vanmorgen appte.

[2] https://archive.org/details/werkekritischege52luthuoft/page/10/mode/2up

Openbaarheid

In mijn vorige blog ‘Nieuwsanalyse’ [i] ging ik in op de analyse die het Nederlands Dagblad op 29 februari 2020 plaatste over het gedrag en beleid van de GKv-synode inzake de behandeling van de revisieverzoeken rond de vrouw in het ambt.

Het ND reageerde in deze nieuwsanalyse op een interview dat de krant op 28 februari 2020 had met Dick Slump en Pieter Pel als woordvoerders van de 8 kerken die tegenstanders zijn van vrouwelijke ambtsdragers. In haar analyse nam het ND de kritiek van Slump en Pel over, dat de synode ten onrechte in dit dossier ook in beslotenheid vergaderd had. Het ND was van mening dat beslotenheid in het kader van veiligheid van synodeleden acceptabel kan zijn, maar dat dit niet aan de orde is en dat nu openheid noodzakelijk is om gemeenteleden in het proces van de besluitvorming mee te kunnen krijgen.

In de spin-off van de discussie op Twitter over deze Nieuwsanalyse ontspon zich een draadje dat licht werpt op de regels, die voor de synode gelden om keuzes te maken om in openbaarheid danwel beslotenheid te vergaderen.[ii]


De volgende artikelen uit de Huishoudelijk Regeling voor de Generale Synode ingevolge artikel E62.3 KO zijn van toepassing:

-      Artikel 6.  Niet besluitvormende vergaderingen

1. De synode kan bijeenkomen in een overlegvergadering, die niet
op besluitvorming is gericht. Het moderamen kan dergelijke 
vergaderingen onder andere uitschrijven:
a. wanneer dat wenselijk is voor een goede voorbereiding van de 
behandeling van het desbetreffende onderwerp;
b. met het oog op de goede contactoefening met zusterkerken in 
binnen- of buitenland.
2. Het verslag van een overlegvergadering wordt zo gesteld, dat 
het kan dienen ter ondersteuning van de plenaire behandeling van het 
onderwerp

-     Artikel 7. Orde van de vergaderingen

3. De beoordeling van personen zal altijd in besloten zitting 
plaatsvinden. Over andere onderwerpen wordt niet in besloten 
zitting vergaderd, tenzij daar een dringende noodzaak voor aanwezig 
wordt geacht.
6. Het moderamen draagt zorg voor een adequate informatieverschaffing
over de besluiten die in een besloten zitting zijn genomen.

Blijkens het interview met Slump en Pel doen zij een beroep op art. 7, lid 3: ‘De synode is in principe openbaar. Ze mag achter gesloten deuren vergaderen als het over personen gaat, of als er een dringende reden voor is. Er waren twee besloten dagen over vrouwelijke ambtsdragers. Ik zie hier geen reden voor, en de synode heeft dat ook niet toegelicht. Integendeel, toen ik daarop wees zei de synode dat ze die reden niet openbaar hoeft te maken. Dat is een machtswoord. Het gaat over een onderwerp dat alle kerken beroert. Daar passen geen achterkamertjes bij.’ Bovendien past het niet bij de regels van de kerk, zegt hij. ‘Openbaarheid is gezond en goed voor de transparantie. Om diezelfde reden zijn de rechtspraak en Tweede Kamer openbaar.’

Als voorbereiding op de publieke behandeling van de revisieverzoeken m/v op donderdag 23 en vrijdag 24 januari 2020 is er één voorbereidende synodevergadering conform Art. 6, lid 1a geweest die niet openbaar was.

Van deze mogelijkheid is op eerdere synodes die zich over ‘m/v en ambt’ gebogen hebben, zoals die van 2014 en 2017, – zoals Slump die in 2014 deputaat was had kunnen weten – , ook gebruik gemaakt.

In het licht van Art. 6, lid 2 en Art. 7, lid 6 lijkt mij de bewering van het Nederlands Dagblad over de beslotenheid van een dergelijke voorbereidende vergadering: ‘Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan’, ten onrechte insinuerend en niet gepast.


[i] https://fpathuis.wordpress.com/2020/02/29/nieuwsanalyse/

[ii] Met dank aan Hans Bügel en Rob Vreugdenhil (Scriba I van de GS Meppel 2020) die de betreffende regelgeving naar voren brachten.

Nieuwsanalyse

Op vrijdag 28 februari 2020 stond er een interview van Eline Kuijper in het Nederlands Dagblad (ND) met Dick Slump en Pieter Pel, vertegenwoordigers van de 8 kerken in de GKv die inhoudelijke bezwaren hebben aangetekend tegen het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten. Zij wilde weten hoe tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers deze synode van de GKv ervaren.

De volgende dag stond er op basis van dat interview een nieuwsanalyse van haar hand in het ND. In haar analyse raakt zij aan vijf thema’s, die ze als in een kluwen aan elkaar verbindt en er tenslotte een oordeel over uitspreekt:

  • de vertegenwoordiging op de synode
  • de besluitvorming over de m/v-revisieverzoeken
  • de verwachtingen en ervaringen van de tegenstanders van het m/v-besluit
  • de vergaderingen rond de eenwording van GKv en NGK
  • de beslotenheid van vergaderingen

Haar criterium is duidelijk: ‘De synode staat ten dienste van de kerken en daarom moeten alle leden kunnen volgen wat daar gebeurt.’ Op basis daarvan trekt zij vier conclusies:

1. De synode mist interne tegenspraak, omdat er geen tegenstanders van het vrouwenbesluit in de synode vertegenwoordigd zijn. In haar woorden: ‘Dat een of twee stevige tegenstemmen al een wereld van verschil kunnen maken, liet de synode van drie jaar geleden zien. Destijds waakte de synode voor een jubelstemming toen het besluit voor vrouwelijke ambtsdragers werd genomen. Er waren in hun midden namelijk mannen die daar intens verdrietig over waren en dat op een indringende wijze duidelijk maakten. Nu zitten zulke mensen er niet.

2.  De positieve sfeer tijdens de synodevergaderingen bij de groep bezwaarde vrijgemaakten roept vervreemding op: ‘Op conferentiecentrum Mennorode wordt een feestje gevierd: de afgevaardigden zingen hand in hand, drinken ‘s avonds nog gezellig wat aan de bar, geven elkaar een hug als ze naar huis gaan.’

3. De beslotenheid van de synodevergaderingen vergroot de afstand met de tegenstanders van het m/v-besluit. Ze erkent dat beslotenheid kan bijdragen aan veiligheid tussen afgevaardigden onderling, maar die veiligheid is geen doel op zich. Nu er geen ingrijpende onderlinge verschillen zijn in het m/v-dossier, is beslotenheid niet aan de orde: ‘die beslotenheid moet een uitzondering blijven en goed onderbouwd zijn, al is het maar om de synode eraan te herinneren dat zij niet bestaat voor zichzelf.’ Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: ‘wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan.

4.  De synode moet de tegenstanders van het m/v-besluit openheid geven over hun plek in de GKv: ‘Om hen [= tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers] binnenboord te houden, moet de synode laten zien wat ze doet. En bijvoorbeeld duidelijk aangeven hoe ze ruimte ziet voor een minderheid die er serieus anders over denkt. Zeker nu het tegengeluid niet van binnenuit klinkt.

Mijn grote moeite met deze ‘nieuwsanalyse’ betreft niet alleen de timing daarvan, maar ook de gronden daarvoor. Er wordt in de conclusies van alles gesuggereerd en verondersteld.

Ad 1. De suggestie gaat er vanuit, dat men geen oog heeft voor de tegenstanders van het m/v-besluit en dat er in tegenstelling tot drie jaar geleden een jubelstemming heerst over het m/v-besluit. Mijns inziens doet de synode wel degelijk moeite om de bezwaarden recht te doen en heeft ze al een keer met hen gesproken. Of de eisen die de bezwaarden aan een 2e gesprek stellen, terecht zijn kan ik en naar mijn idee ook het ND niet beoordelen, zolang we de visie van de synode in dezen niet weten. De stelling dat de synode interne tegenspraak mist, is ook niet volgens de werkelijkheid. Op de vergaderingen in januari was er wel degelijk ook kritische zin en tegenspraak te horen in opmerkingen als: ‘Veel mensen storen zich daaraan en vinden dat eng. Blijf bij dat soort redenaties weg’, en: ‘Dat is geen feit, maar een stellingname. Die moet je wel onderbouwen.’

Ad 2.  Die positieve sfeer heeft, zoals de bijgevoegde foto ook al aangeeft, m.n. betrekking op de gemeenschappelijke vergaderingen van de GKv-synode en die van de Landelijke Vergadering van de NGK. De suggestie die van het interview en nu van de nieuwsanalyse uitgaat, is dat er een feestje gevierd wordt, omdat nu de vrouw in het ambt mag.

Ad 3. In het interview stellen Slump en Pel, dat de synode een inhoudelijk gesprek ontwijkt. De nieuwsanalyse gaat met die visie mee en veronderstelt ook dat er op dit moment een inhoudelijk gesprek met de bezwaarden gevoerd zou moeten worden. Mijns inziens is er de afgelopen drie jaar inhoudelijk uitgebreid de tijd geweest om het pro en contra van het m/v-besluit te bespreken.

Wat nu aan de orde is, is dat de synode de revisieverzoeken moet beoordelen en daarover een inhoudelijk oordeel moet vellen. Dat betekent dat ze zich goed moeten oriënteren op de visie die in de revisieverzoeken geuit wordt. In dat kader hebben ze ook gesproken met de opstellers van de revisieverzoeken. Vervolgens moet de synode inhoudelijk een oordeel vellen over die verzoeken tot revisie. Daar heeft de synode een begin mee gemaakt op donderdag 23-01 en vrijdag 24-01, waarbij pers en publiek aanwezig waren.

Het uitgangspunt van de bespreking was een concept ‘Raamwerkdocument’, waarin een eerste richting geboden werd om de revisieverzoeken straks inhoudelijk te beoordelen. Omdat het nog een concept was en de synode niet wilde dat dit concept een eigen leven zou gaan leiden, werd het niet ter beschikking gesteld. Mijns inziens een kwestie van koudwatervrees. Ondanks dat waren de argumenten en de uiteindelijke conclusies in alle openbaarheid te vernemen. Ze kunnen nog steeds op diverse media na gelezen worden. Dat de bezwaarden niet gerust zijn op de uitkomst, heeft niet zozeer te maken met de beslotenheid van de synodevergadering, maar omdat de strekking daarvan – in tegenstelling tot hun visie – is dat de Bijbel geen belemmeringen opwerpt voor de vrouw in het ambt.

Ad 4. Dit is geen conclusie, maar een waardevolle aanbeveling op dit moment. Zolang er nog geen inhoudelijke besluiten over de revisieverzoeken genomen zijn, kan de synode zich ook nog niet uitspreken over de positie van de tegenstanders van het m/v-besluit. De synode zal in de motivering van haar besluit transparant en helder over de uitgangspunten moeten zijn en ook duidelijk moeten maken welke ruimte er is voor degenen is, die zich in dat revisiebesluit niet zullen kunnen vinden. Dat is niet iets nieuws.

Waar het ND mijns inziens in deze analyse nog wel een passage aan had mogen wijden, is de vraag hoe je omgaat met verandering van visie over een bepaald onderwerp in de kerk, verwoord in de mening van ds. Bart van Egmond: ‘Wat vroeger schriftuurlijk was, is nu een mening.’ Daaarmee zou de kern van de zaak getroffen zijn: ‘Hoe ga je in de kerk om met diversiteit en verschil van inzicht?’

Samenvattend: Ik betreur het dat deze nieuwsanalyse ernstig te kort schiet in objectiviteit, relevantie en inhoud. Een gemiste kans voor het ND om haar motto waar te maken. Laat de krant doen waar ze voor bedoeld is: volgen wat er echt op de synode gebeurt en niet op basis van veronderstellingen en suggesties zich laten verleiden tot onbehoorlijke stemmingmakerij over een GKv-synode, die nog tot besluitvorming moet komen.

Verbijsterend

Afgelopen week heb ik een kleine 2 dagen aan het scherm gekluisterd gezeten. Via de livestream kon ik de vergadering van de CGK synode volgen, die gisteren eindigde in een bevreemdende apotheose.[1]

Het onderwerp was kerkelijke eenheid. De aanleiding is de spanning die besluiten van CGK-kerken en samenwerkingsgemeenten CGK-NGK en/of CGK-GKv oproepen, wanneer die niet in lijn zijn met de bestaande afspraken en richtlijnen. Inhoudelijk gaat het over het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers en het toelaten van homoseksuele broers en zussen aan het avondmaal.

Het onderwerp was voorbereid door een synodecommissie. Omdat men niet tot een gezamenlijke conclusie kon komen was er een meerderheids- en een minderheidsrapport. Elk rapport sloot af met voorgestelde besluitteksten. Het meerderheidsrapport wil een signaal afgeven om afwijkingen een halt toe te roepen, zodat die zich niet als een olievlek zou gaan uitbreiden. De classis moet de band met de kerken die zich niet aan de afspraken houden opschorten en bij volharding daarvan de band met hen definitief verbreken. De minderheid voorziet als in die lijn besloten zou worden, dat er sprake zal zijn van een scheuring. Daarom pleit zij voor een taakgroep die uiterlijk voor de volgende synode van 2022 de huidige situatie goed in kaart moet brengen en zo snel mogelijk met een rapport moet komen.

Ik heb zowel woensdag als vrijdag vele afgevaardigden het woord zien voeren. Tijdens de eerste ronde woensdag werden de vragen en opmerkingen bij de rapporten geïnventariseerd. De opstellers van de rapporten kregen daarna de tijd om een zorgvuldige beantwoording voor te bereiden. Na de beantwoording vrijdag mochten de afgevaardigden in een tweede ronde reageren en eventuele schriftelijke voorstellen indienen. Die zullen tijdens een volgende vergaderweek besproken worden en in stemming komen.

De tegenstellingen waren groot. Is het ‘uw ja zij ja en uw nee zij nee’ (Jak. 5) òf mag en kun je afwijkingen tolereren en dragen? Een beroep op Jakobus 5:12 vond een deel van de synode geen voldoende grond om bij het afwijken van bestaande afspraken de zware artikelen art. 79 en 80 van de Kerkorde [= dominees, ouderlingen of diakenen die een openbare grove zonde bedrijven kunnen geschorst en uit hun ambt gezet worden] toe te passen. Eerst moet de vraag beantwoord worden of het Schriftgezag in het geding is – dan is optreden noodzakelijk – òf dat er sprake is van een verschillend Schriftverstaan, waarin je elkaar moet kunnen verdragen. Wat is het soortelijk gewicht van de thema’s, waarin afgeweken wordt? Behoren die tot de fundamenten van het christelijk geloof, of niet?

In de bespreking werd regelmatig teruggegrepen op de geschiedenis van de CGK-kerken. Wie zijn wij als CGK, waar staan wij voor en wat zijn onze manieren? Positief werd gewezen op het beginsel van de Afscheiding uit 1834, waar de inzet was de zuivere verkondiging. Door deze verkondiging heeft de Heer het kerkverband van de CGK in haar geschiedenis bewaard voor breuken. Negatief werd de afgevaardigden het Doleantie-denken van Abraham Kuyper en de Vereniging van 1892 voorgehouden: uiting van ‘ware kerk’-denken dat zichzelf verteert, gezien de breuken van 1926, 1944, 1967 en 2003. In plaats van kerkpolitiek bedrijven werd er opgeroepen tot verootmoediging voor de Heer: ‘De kerk is aan ons gegeven en wij zijn aan elkaar gegeven. Een zuivere kerk verwachten wij, maar die maken wij niet.’

De synode nam ruim de tijd om ieder aan het woord te laten. De geplande afronding om 15.00 u werd niet gehaald, maar tegen kwart voor vier had ieder zijn bijdrage kunnen inbrengen. Daarna kregen de hoogleraren als preadviseurs gelegenheid hun zienswijze en adviezen naar voren te brengen. Eerst de hoogleraren Kater, Huygen en Baars, tenslotte prof. Selderhuis.  

De visie van de hoogleraren Kater en Baars is helder. Kerken die afwijken van wat is afgesproken ‘misdragen zich op ongehoorde manier’ en ‘zondigen’ zodanig, dat ze broederlijk vermaand moeten worden. Als dat niet gebeurt, dan houden de CGK kerken op kerk te zijn. Huygen is van mening, dat het Schriftgezag niet in het geding is en dat het de CGK niet past om kerken buiten het verband te zetten.

Als laatste hoogleraar wordt Selderhuis door de voorzitter geïntroduceerd met de woorden: ‘Prof. Selderhuis had nog een advies van iets andere aard’. Zijn advies blijkt een voorstel om nu als afronding van de bespreking als synode een unaniem besluit te nemen en zo een appèl op de kerken te doen geen afwijkende besluiten te nemen of uit te voeren over die zaken, die op de synodetafel liggen. Hij heeft bij de synode de algemene verontwaardiging gemist dat kerken besluiten naast zich neer leggen en dat afwijkingen gedoogd worden. De CGK kerken staan in brand. Daarom moet er van de synode een appèl uitgaan niet nog meer olie op het vuur te gooien.

Het bijzondere van dit voorstel is dat het gepresenteerd wordt als een voorstel van orde – een tijdelijk moratorium om de synode rustig te laten nadenken -,  terwijl er inhoudelijk de aanname aan ten grondslag ligt waar uitgebreid de afgelopen dagen het voor en het tegen over naar voren is gebracht: afwijkingen van bestaande afspraken zijn niet te tolereren. Aannemen van dit voorstel van orde betekent daarom dat in die discussie een knoop wordt doorgehakt en inhoudelijk de toon gezet wordt voor het vervolg van de synode.

Vergader-technisch is het vervolgens vreemd, dat dit advies meteen door de voorzitter als voorstel in de vergadering wordt gebracht, waarbij hij suggereert dat er gezien de tijd niet inhoudelijk over doorgesproken kan worden, maar dat hij het in stemming brengt om te bezien of het unaniem aanvaard kan worden, omdat ‘alleen dan zo’n appèl zal werken.’ Op de vraag of dit appel niet alleen voor de kerken maar ook voor de classes moet gelden, antwoordt de voorzitter dat het alleen de kerken geldt, omdat hij van mening is dat ‘het erg ver gaat om als synode te treden in de overwegingen en de procesgang van een classis.’  

Als toeschouwer van de livestream vond ik dit een spannend moment. Wordt er op deze manier geen morele druk op de synodeleden uitgeoefend om een eventuele unanimiteit niet te doorbreken, ook al heb je niet de gelegenheid om het voorstel goed op je in te laten werken en de consequenties daarvan te overzien?  Het voorstel is toch juist gepresenteerd als signaal aan de kerken, dat wij als synode niet willen dat kerken uiteen gaan? Wie kan daar nu tegen zijn?

Bij stemming blijkt het voorstel unaniem aangenomen. Als toeschouwer blijf ik verbijsterd achter met de vraag, die prof. Selderhuis op retorische wijze al opwierp: ‘Is de Doleantiegeest te ver bij de CGK binnengedrongen?’


[1] De livestream is te bekijken via: https://bit.ly/2Sc3gtj.

Paradoxaal

Willie Roskam-Kroeze is politica voor de ChristenUnie geweest, raadslid en wethouder in de gemeente Hellendoorn. Ze was altijd vrijgemaakt, maar is sinds kort overgegaan naar de CGK. Ze heeft namelijk onoverkomelijke bezwaren tegen het besluit in de GKv om vrouwen toe te laten in het ambt van ouderling en predikant. In de Trouw van 23 januari jl.[1] onderbouwt ze haar bezwaren met een beroep op de bijbel als het gezaghebbend Woord van God:

God heeft in de Bijbel de ordening voor zijn kerk gegeven, het lichaam van Christus. Daarin heeft de man de koppositie. Aan hem is het regeerambt en het geestelijk leidinggeven, waar ook tucht bij hoort.

Ze vindt dat God aan vrouwen andere taken in de kerk heeft gegeven, aanvullend aan de man:

Je kunt zoveel mooie dingen doen als vrouw in de kerk. Bidden en bijbel lezen met broeders en zusters. Waarom moeten vrouwen zo nodig op de kansel? Dat is doorgeslagen emancipatie.”

Het merkwaardige is dat ze naar haar zeggen ‘totaal geen spanning’ ervaart tussen haar opvattingen over de vrouw in de kerk en de politiek. Het was voor haar namelijk geen enkel probleem om als vrouwelijke wethouder leiding te geven aan ambtenaren:

De kerk is een instelling van God, de politiek is door mensen georganiseerd. Dat is wezenlijk anders.

Je zou verwachten dat Roskam-Kroeze als christelijke politica beseft dat dit een behoorlijk betwist punt is. De SGP, die andere christelijke partij uit de reformatorische gezindte, was jarenlang principieel tegenstander van vrouwen in de politiek. De bijbelse richtlijnen voor de verhouding van man en vrouw waren ook in de politiek van toepassing. De vrouw werd uitgesloten van het politieke handwerk, zodat ze geen gezag zou uitoefenen over de man. Roskam-Kroeze’s bezwaar tegen vrouwen met een gezagvolle positie in de kerk, zou een SGP-er moeiteloos van toepassing achten op haar bijdrage aan de CU en de politiek: ‘Waarom moeten vrouwen zo nodig in de politiek? Dat is doorgeslagen emancipatie.

In een eerdere blog heb ik laten zien dat het argument van ‘doorgeslagen emancipatie’ in het verleden regelmatig rond ‘vrouwenzaken’ in stelling is gebracht.[2] Ik heb dat geduid in het kader van het spanningsveld tussen de bijbel en de moderniteit.

Er zit iets paradoxaals in de visie van Roskam-Kroeze. Ze gebruikt de bijbel als argument tegen wat zij ziet als uiting van de moderniteit, namelijk de gelijkheid van man en vrouw in de kerk. Tegelijk aanvaardt zij probleemloos de differentiering en privatisering, die met de moderne samenleving gegeven is. De bijbelse visie op de verhouding van man en vrouw geldt wel in de kerk (en ik vermoed in haar visie ook voor het huwelijk), maar niet in de politiek (en de rest van de samenleving (?)). In haar optiek is dat iets ‘wezenlijk anders’.

Voor mij blijft het een raadsel dat tegenstanders van de vrouw in het ambt de inconsistentie in hun bijbelgebruik en visie niet doorzien. Zowel een beroep doen op de scheppingsorde als algemeen principe om de ongelijkheid van man en vrouw te legitimeren en praktisch gezien zonder problemen die veronderstelde scheppingsorde in grote delen van de samenleving buiten spel zetten.

Kennelijk omdat er wel een bijbels voorschrift is dat de vrouw in de kerk moet zwijgen en er niet expliciet in de bijbel staat dat ze ook in de politiek geen gezag over de man mag voeren. Hoewel dat laatste in de toenmalige samenleving ook not done was.

Wie een betere verklaring voor deze inconsistentie heeft, mag het zeggen.


[1] In het artikel van Maaike van Houten: ‘Komt de derde vrouwengolf bij de orthodoxen eraan?’

[2] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.

Schriftbeschouwing en hermeneutiek in de GKv

Mijn onderzoekspaper over de ontwikkeling van de Schriftbeschouwing en de hermeneutiek in de Gkv (1944-2017), waarbij ik ook inga op de bredere kerkhistorische context: Schriftbeschouwing en hermeneutiek in de GKv (1944-2017).

Als inleiding schets ik de uitgangspositie van de Schriftbeschouwing in de GKv. Eerst ga ik in het op het belang, dat in de Vrijmaking gehecht wordt aan het honoreren van de bijbel als Gods Woord (§2). Vervolgens laat ik zien dat de gereformeerd-vrijgemaakten zich daarin nadrukkelijk erfgenaam voelen van de strijd van de Afscheiding en Doleantie tegen de Schriftkritiek (§3). In aansluiting daarop geef ik in vogelvlucht een theologisch-historisch overzicht van de GKv op het punt van Schriftbeschouwing en hermeneutiek (§4). Dit overzicht plaats ik vervolgens in een breder kerkhistorisch kader als achtergrond voor de ontwikkelingen in de GKv (§5)..