Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

Advertenties

Scheppingsorde?

In de bibliotheek van de TU Kampen kwam ik een klein boekje tegen van de auteur J.G. Brown, getiteld ‘An historian looks at 1 Timothy 2, 11-14’, met als intrigerende ondertitel ‘The authentic traditional interpretation and why it disappeared’.[1] In een tijd waarin sommige theologen in mijn kerkgenootschap (Gkv) met een beroep op o.a. 1 Timotheüs 2 verdedigen, dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen, lijkt het mij zinvol om de visie van de reformatoren op deze tekst door te geven.[2]

De belangrijkste conclusie van de schrijfster is dat wat vandaag met een beroep op de scheppingsorde als de traditionele interpretatie van dit hoofdstuk verdedigd wordt, pas halverwege de 19e eeuw gangbaar is geworden. Reformatoren als Luther en Calvijn gingen anders met deze zgn. zwijgtekst uit 1 Timotheüs 2 om dan veel huidige orthodoxe exegeten vandaag[3], die op grond van dit hoofdstuk vrouwen het recht om in de kerk te spreken willen ontzeggen. Volgens haar is de kwestie van het hoofd zijn van de man en de onderschikking van de vrouw in de kerk niet zo vast in de protestantse theologische traditie verankerd als men in orthodoxe kring wel veronderstelt, (x)[4].

Gemeenschappelijk in de interpretatie van zowel de reformatoren als de hedendaagse orthodoxe theologen is dat men het hoofd zijn van de man en de onderschikking van de vrouw aan de man als een scheppingsorde ziet. Het grote verschil tussen hen is de manier waarop deze veronderstelde scheppingsorde toegepast wordt.

De reformatoren achten de scheppingsorde met name van toepassing op de samenleving en cultuur in het algemeen. Hedendaagse orthodoxe exegeten vinden dat de scheppingsorde met name van toepassing is in de kerk en voeren dat aan als argument dat de vrouw in de kerk ondergeschikt is aan de man, maar ze vinden dat deze scheppingsorde niet van toepassing is op de samenleving en cultuur in het algemeen, (53).

Als voorbeeld van zo’n hedendaagse interpretatie van 1 Timotheüs 2 verwijst zij naar de uitleg van de English Standard Version Study Bible. De commentaarschrijvers passen deze verzen daar alleen toe op kerk, omdat ‘gender roles in the church are rooted in the creation order’, terwijl zij elders opmerken dat deze passage ‘does not have “in view the role of women in leadership outside the church (e.g., business or government)”[5]’, (53-54). Ze zijn niet de enigen. Samenvattend schrijft Brown dat alle hedendaagse commentaren ‘unite in rejecting (or ignoring) creation ordinances as a basis for a right functioning civil society, at least in regards to the subordination of women to men’, (54).

Het is duidelijk dat de reformatoren geloofden dat vrouwen uitgesloten waren van het geven van publiek onderwijs en van het bekleden van leidende posities in zowel de staat als de kerk. Toch is Calvijn bijvoorbeeld ook van mening dat God in de kerk deze orde in bijzondere en buitengewone situaties kan doorbreken. ‘The fact that God’s commands at creation are binding on human society in its ordinary business does not mean that God cannot supersede the law of nature if he wills’, (7).

Brown verwijst naar het commentaar van Calvijn op 1 Timotheüs, waar hij termen gebruikt als ‘de gewone wet van God’ en ‘de werkelijke orde van de natuur’, wat betekent dat de vrouw ‘van nature geboren is om te gehoorzamen’. De vraag is wat Calvijn onder deze termen verstaat, hoe hij ze precies toepast en op grond waarvan hij van mening is dat vrouwen toch in sommige situaties (ook in de kerk) leiding mogen geven en gezaghebbend mogen spreken. Om dat te verduidelijken doet Brown een onderzoek naar de manier waarop de reformatoren spreken over de relatie tussen het koninkrijk van God/Christus en het koninkrijk van deze wereld en over de rol van de natuurwet.

Zowel Luther als Calvijn geloven dat christenen burgers zijn van twee koninkrijken, die beide door God normatief bepaald worden. Toch gelden in de beide koninkrijken verschillende regels en hebben ze ook een andere bestemming te vervullen. Het geestelijk koninkrijk vindt zijn uitdrukking op aarde in de kerk en heeft een verlossingsfunctie en dient een eschatologisch doel. Het draagt geen zwaard en onderwerpt zich aan de ethische regels in de bijbel, zoals Jezus Christus die afgekondigd heeft. Een koninkrijk van deze wereld heeft daarentegen wel de mogelijkheid om het zwaard te dragen en is  gebaseerd op de natuurwet. Dat is de wet, die in het  geweten van de mensheid ingedrukt is (Rom. 2, 14-15) en te vinden is in de morele principes die aan de wet van Mozes ten grondslag liggen. Deze natuurwet vindt zijn oorsprong in de scheppingsorde. God heerst over beide koninkrijken: in de kerk als verzoener in Jezus Christus, in de staat en andere sociale instituties als schepper en onderhouder, (8). [6]

Omdat de kerk zijn bestaan in de wereld heeft, zullen er tal van situaties zijn waarin een overlap van de verschillende jurisdicties zich zal voordoen. De vraag is hoe in de praktijk daarmee omgegaan zal worden.

Van Luther is bekend dat hij de ‘externe’ regering van de kerk aan de zorg van de staat toevertrouwde. Ook het feit dat in de kerk de vrouw ondergeschikt was aan de man,  zag hij als een toepassen van een regel die gold binnen het domein van de wereld.  Toch vond hij dat deze onderschikking niet organisch bij het koninkrijk van Christus hoorde, zoals blijkt uit zijn commentaar op Galaten 3, 28:  ‘In the world and according tot the sinful nature, there is a great difference and inequality of persons, an this must be observed carefully […] But in Christ there is no [natural] law, nor difference of persons, there is only one body, one spirit, one hope, one Gospel (Eph. 4, 4-6).’[7]  Brown concludeert op basis daarvan dat in de optiek van Luther de natuurwet in de kerk toegepast wordt omdat het ook in de kerk ordelijk moet toegaan en daar verwarring voorkomen moet worden, maar dat uiteindelijk volgens hem ‘the Christian conscience “knows nothing of the [natural] law – but has only Christ before its eyes”[8]’, (10). Vandaar dat Luther ook  de onderschikking van de vrouw in de kerk ook nergens als ‘the law of the Gospel’ typeert, zoals sommige hedendaagse orthodoxe theologen wel doen.

Calvijn bouwt op dit gedachtengoed van Luther voort en expliciteert in zijn exegeses dat de vrouwelijke onderschikking weliswaar een principe is dat in de kerk toegepast wordt, maar zijn oorsprong vindt in de wetten die gelden voor de burgerlijke samenleving en niet primair gegeven zijn om in de kerk te gelden. Dat ze toch ook in de kerk gelden, heeft vooral te maken met het respecteren van de bestaande burgerlijke orde.

Net als Luther gaat ook Calvijn uit van Gods tweevoudig bestuur van de mensheid. ‘The church addresses the spiritual and internal while civil institutions relate to “the external regulation of manners”[9]’, (11).

De natuurwetten (te weten de morele wet en de scheppingsorde) zijn volgens Calvijn door God bedoeld om als een universele norm voor de ontwikkeling van de burgerlijke wet gebruikt te worden. Toch is hij er zich terdege van bewust dat de natuurwet in historische omstandigheden verschillend toegepast kan worden, zonder dat Gods wil daarmee geweld aangedaan wordt. De specifieke uitdrukking van de natuurwet in de wetten van Mozes is niet noodzakelijk passend in andere tijden en plaatsen. ‘All civil law, says Calvin, should ultimately operate out of equity and charity’, (13).[10]

In de kerk is volgens Calvijn de christelijke vrijheid (en dus niet de natuurwet) funderend voor het kerkelijk leven. Wanneer hij daarover schrijft, pleit hij voor zelfdiscipline en voor matigheid in gedrag. Ook noemt hij principes van ‘decency and order’ als ‘mediators of other lesser ordinances and traditions’ in het kerkelijk leven. Dat is ook de reden, dat als hij komt te spreken over de rol van de vrouw in de kerk, hij geen beroep doet op de scheppingsorde, maar op ‘decency and order’, (13-14).

Calvijns exegese van de verschillende bijbelteksten, waarin de positie van de vrouw in de kerk ter sprake komen, zijn hiermee in overeenstemming. Hij worstelt zichtbaar met de ogenschijnlijk inconsistente passages over de verhouding tussen man en vrouw, maar brengt ze in een coherent geheel door ze vanuit deze theorie van de twee koninkrijken te verstaan. Zo kan hij 1 Korintiërs 11, 3 (de man geplaatst in een bemiddelingspositie tussen Christus en de vrouw) in overeenstemming brengen met Galaten 3, 28 (in Christus is noch man, noch vrouw). In zijn commentaar op 1 Korinthiers schrijft hij dan ook: ‘When he [Paul] says that there is no difference between the man and the woman, he is treating of Christ’s spiritual kingdom, in which external qualities are not regarded or made any account of.’ Omdat in deze wereld onze vrijheid en gelijkheid in Christus altijd de sociale orde en het decorum (wat passend is) moet respecteren, kadert Calvijn zijn visie nader in: ‘In the meantime, however, he does not disturb civil order or honorary distinctions, which cannot be dispensed with in ordinary life. Here [in 1 Corinthians 11], on the other hand, he reasons respecting outward propriety and decorum – which is part of ecclesiastical polity’[11], (15-16).

Voor Calvijn betekent dit dat in geestelijk opzicht alleen Christus en niet de man het hoofd van de vrouw is, hoewel zij in het koninkrijk van deze wereld aan de man onderworpen is. In zijn woorden:  ‘Hence as regards spiritual connection in the sight of God, and inwardly in the conscience, Christ is the head of the man and of the woman without any distinction, because, as to that, there is no regard paid to male or female; but as regards external arrangement and political decorum, the man follows Christ and the woman the man, so that they are not upon the same footing, but, on the contrary, this inequality exists’[12].

De conclusie van Brown is dat waar hedendaagse orthodoxe theologen bij hun exegese van 1 Timotheüs 2 een beroep op de scheppingsorde doen om de vrouwelijke onderschikking in de kerk te rechtvaardigen, zij Calvijn en Luther niet aan hun zijde hebben.

De vrouwelijke onderschikking is volgens de reformatoren op grond van andere principes in de kerk gangbaar geworden: ‘Order (versus confusion) and “decorum” seem to be the universal principles that are cited most often’. Luther stelt in zijn uitleg van 1 Timotheüs dat het hoofd zijn van de man vrede en harmonie in de kerken bevordert. Calvijn voert ‘decency and order’ als reden aan. Zoals hij in zijn uitleg op 1 Kor. 11, 4 over de man en het wel of niet bedekken van het hoofd schrijft: ‘In fine, the one rule to be observed here is to prepon – decorum. If that is secured, Paul requires nothing further’[13], (56).

 

 

 

 

[1] J.G. Brown, An historian looks at 1 Timothy 2:11-14. The Authentic Traditional Interpretatio and Why It Disappeared, Wipf & Stock, Eugene, Oregon, 2012.

[2] Toen ik deze blog geschreven had, kwam ik op de website van CBE International een artikel van de auteur tegen waarin zij in het kort de hoofdstelling van haar boekje uiteenzet, zie: J.G. Brown, ‘A Historian Looks at 1 Timothy 2:11-14’, zie: https://www.cbeinternational.org/resources/article/priscilla-papers/historian-looks-1-timothy-211-14.

[3] Brown citeert voornamelijk Engelse en Amerikaanse orthodoxe theologen.

[4] Cijfers tussen haken verwijzen naar de bladzijdenummers van het boek van J.G. Brown.

[5] Citaat uit English Standard Version Study Bible, Wheaton, IL, Crossway, 2008, p. 2328.

[6] Brown verwijst hiervoor naar David VanDrunen, Natural Law and the Two Kingdoms. A Study in the Development of Reformed Social Thought, Grand Rapid, Eerdmans 2010.  

[7] M. Luther, ‘Lectures on Galatians, 1535’, Vol. 26, Luther’s Works, St. Louis, Concordia, 1963, 356.

[8] Idem, 356.

[9] John Calvin, Institutes of the Christian Religion, 2 vols., Grand Rapid, Eerdmans, 1970, par. 4.20.1.

[10] Idem, par. 4.20.15 en 4.20.16

[11] John Calvin, Commentary on the Epistles to the Corinthians, Vol. 20, Calvins Commentaries, Grand Rapids, Baker, p. 354.

[12] Idem, 354.

[13] Idem, p. 355.

Gesprek

Het is een eerlijk en inzicht gevend interview, dat het Nederlands Dagblad dit weekend zijn lezers aanbiedt over het ‘vrouwenbesluit’ in de GKv.[1] Een gesprek tussen een voor- en een tegenstander van het besluit. Het interview illustreert voor mij op treffende wijze de argumentatielijnen die in het gesprek over m/v en ambt gebruikt worden en de spanningsvelden waarbinnen dat gesprek plaatsvindt.

Wat mij hierbij opnieuw opvalt is dat het spreken over de positie van de vrouw in de kerk geen theoretisch iets is. Het gaat over de praktische vraag hoe je zowel als voor- en als tegenstander vandaag trouw bent aan God, aan de bijbel, aan jezelf en aan de ander.

Hierbij is duidelijk dat het besluit vrouwen meer in hun existentie raakt dan mannen. Voor de vrouw gaat het naast het trouw zijn in het geloof ook om de vraag of en hoe zij als persoon, met de aan haar door God gegeven gaven en talenten, haar plek in de kerk actief in mag nemen. Dat is een aspect dat door mannen – voor wie het besluit zelf niet direct persoonlijke gevolgen heeft – gemakkelijk over het hoofd gezien of gebagatelliseerd kan worden. Hoe ga je om met het spanningsveld tussen de roeping die iemand van God kan ervaren en de onmogelijkheid om die ook in de kerk te kunnen opvolgen?

Naast dit persoonlijke element is er de sociaal-historische context van het gesprek. Wij leven in een samenleving waarin taken en beroepen gekoppeld zijn aan iemands kwaliteiten. In principe zijn mannen en vrouwen gelijkwaardig om die te mogen vervullen. Ook de met een functie gegeven gezagsrelatie is in de moderne samenleving niet aan het man- of vrouw-zijn gebonden. Dat is een stand van zaken, die pas sinds de 20e eeuw algemeen  is geworden. Wanneer ook door christenen geaccepteerd is en ook gestimuleerd wordt dat vrouwen in de ‘gewone’ samenleving zich zo mogen opstellen, dan is het niet verwonderlijk dat er vragen komen als blijkt dat er in de kerkelijke samenleving andere spelregels gelden.

Hier komt een ander groot spanningsveld naar voren. Waarom zou de regel die Paulus juist met een beroep op een scheppingsorde formuleert vandaag alleen gelden voor in de kerk en niet voor in de samenleving? En als die regel niet geldt in de samenleving, waarom geldt die regel vandaag nog wel in de kerk? Wat doe je verder met de gegevens waaruit blijkt, dat Paulus praktisch gezien ook binnen de kerk vrouwen taken liet vervullen, waarin zij ook gezag over mannen oefenden?

Een derde spanningsveld dat ik in het interview signaleer, is dat tussen het ambt en de andere taken en bedieningen in de kerk. Wat is het specifieke van het ambt, dat het noodzakelijk is dat te verbinden met een spreken met gezag, dat alleen aan mannen gegeven zou zijn? Wordt in andere taken en bedieningen in de kerk, zoals tijdens het kindmoment in de kerkdienst of het leiden van een kring, dan niet met gezag gesproken, zodat vrouwen daar dan wel hun plek kunnen en mogen vinden?

Tenslotte is er het spanningsveld in de interpretatie van de bijbel en het aanvaarden van standen van zaken en uitspraken in de bijbel als normatief Gods woord voor vandaag. Ook al is Gods woord voor alle tijden, dat betekent niet dat alle regels en voorschriften daarin ook voor de eeuwigheid gelden. Op wat voor manier mogen wij rekening houden met de culturele context en met de aansluiting van God in zijn openbaring bij een bepaalde (patriarchale) cultuur en bij bepaalde gebruiken binnen zo’n cultuur?

Voor zover ik kan zien zijn dit de vier spanningsvelden waarbinnen het gesprek over m/v en het ambt in de GKv zal plaatsvinden. Mijn verlangen is dat dit gesprek zal leiden tot een verheldering en wederzijdse acceptatie van verschillen en tot een weg om daarmee om te gaan. Het interview in het Nederlands Dagblad stemt mij helaas niet hoopvol. Ik zie dat het lastig is om een eeuwenlange, met een beroep op de bijbel gelegitimeerde traditie los te laten. Juist omdat men recht wil doen aan het gezag van God en trouw wil zijn aan zijn woord. Wat zou ik het fijn vinden, wanneer de visie op het onderwerp m/v en het ambt niet als lakmoesproef voor rechtzinnigheid aangemerkt wordt.

 

[1] Eline Kuijper, Gesprek over vrouwenbesluit moet in lokale kerk gevoerd worden, ND 24 juni 2017.

Bijbelgetrouw?

Laten we wel zijn. Als het over m/v en het ambt gaat, kun je er niet bij voorbaat vanuit gaan dat een exegese ten gunste van de vrouw in het ambt tegen het gezag van de bijbel ingaat en een exegese daartegen in overeenstemming is met het gezag van de bijbel. Net zomin als andersom natuurlijk. Dat betekent dat als je voor bijbelgetrouw gaat, je te allen tijde wat uit te leggen hebt.

Het is duidelijk dat een exegese pro niet strookt met een eeuwenoude traditie waarin op basis van bijbelteksten, mede gelezen door de bril van een hiërarchisch denken, geconcludeerd is dat vrouwen geen ambt in de kerk kunnen vervullen. Maar let wel op: er is ook een eeuwenoude traditie om uitgaande van een soortgelijk hiërarchisch denken op basis van de bijbel te concluderen dat de paus de primus inter pares van de bisschoppen en dus hoofd van de kerk is. Deze laatste traditie en visie op het ambt is in de reformatietijd ter discussie gesteld en uiteindelijk afgewezen.

De vraag is welke criteria je hebt om te bepalen of met een verandering van exegese ook het gezag van de bijbel aangetast wordt.

Gereformeerden hebben in dit verband altijd gestaan voor de vrijheid van de exegese. In de woorden van de christelijk gereformeerde oudtestamenticus B.J. Oosterhoff:

‘Men kan zelfs zeggen, dat de reformatie uit de vrijheid van de exegese geboren is. Ware de exegese gebonden gebleven binnen de traditionele leer van de Roomse Kerk, dan was het nimmer tot reformatie gekomen. Maar de vrije bijbel is door de banden van de traditionele leer der Kerk heengebroken in een vrije exegese.’[1]

Dit beroep op de vrijheid van de exegese is in 2014 ook de grond geweest voor de GKv synode om de mogelijkheid te blijven bieden na te denken over m/v en het ambt:

‘de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.’[2]

Een exegese komt tot stand op basis van allerlei – vaak veel meer impliciete, onuitgesproken dan expliciet gethematiseerde – vooronderstellingen over de tekst, over de context en over het thema of onderwerp dat in de tekst centraal staat.

Als het gaat om de concrete casus waar in de kerken discussie over is, – zoals nu in de GKv over m/v en het ambt[3] -, worden vervolgens om een bijbels verantwoorde visie te bieden ook nog allerlei teksten samen gelezen en met elkaar verbonden. Wanneer daarbij verschillende posities in de bijbelteksten of zelfs tegenstrijdigheden naar voren komen, wordt er aan sommige teksten of serie teksten een groter gewicht toegekend dan aan andere. Of er worden verklarende theorieën gezocht om bepaalde teksten als uitzonderingsposities te kunnen kwalificeren, waardoor ze niet in het opstellen van een algemene lijn of regel meegenomen hoeven te worden.

Het is niet verwonderlijk dat men zo, afhankelijk van de keuzes die men in het interpretatieproces maakt, tot verschillende beoordelingen van de casus komt. Ook binnen de drie zogenaamde kleinere gereformeerde kerken (de GKv, de CGK en de NGK) zijn er in de loop van de 20e eeuw rond het thema m/v en ambt minderheidsposities opgekomen die voor de vrouw in het ambt pleiten.

Hoe taxeer je nu het gegeven dat minderheidsposities een meerderheid krijgen?

De conclusie dat dan de bijbel niet meer veilig is of dat het gezag van de bijbel wordt aangetast, is mij net iets te snel. Juist verschillen in interpretatie zijn een reden om door te vragen naar de gehanteerde (impliciete) vooronderstellingen voor een bepaalde exegese of interpretatielijn. In vind het onjuist om daarbij de eigen interpretatie immuun te maken door te suggereren danwel te claimen dat een daarvan afwijkende interpretatie het gezag van de bijbel aantast.

Interessant blijft wel de vraag naar de grond(en) waarop de GKv synode nu tot een besluit voor de openstelling van de ambten voor vrouwen is gekomen. Dat kan alleen maar doordat zij een ander besluit van haar voorganger ter zijde heeft geschoven. Het besluit:

‘niet in te stemmen met de onderbouwing van de conclusie van de deputaten M/V in de kerk dat het past binnen de bandbreedte van wat als Schriftuurlijk en gereformeerd kan worden bestempeld wanneer naast mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen.’[4]

De grond onder dat besluit luidde:

‘Het doorlopend spreken van de Schrift laat twee lijnen zien. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven; deze beide lijnen dienen verdisconteerd te worden.’[5]

Voorlopig ga ik ervan uit dat het verschil tussen voor-  en tegenstanders van de vrouw in het ambt in de GKv eerder vast zit op de toepassing van deze uit de bijbel afgeleide notie dan dat het gezag van de bijbel zelf in het geding is.

 

[1] B.J. Oosterhoff, De vrijheid der exegese, Kampen, 1976, 7

[2] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Besluit 2b, (p. 41).

[3] Andere hot items zijn b.v. schepping versus evolutietheorie, homoseksualiteit, de gaven van de Heilige geest, de (geloofs- vs kinder)doop, denken over hemel en hel, etc.

[4] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Besluit 2a, (p. 41).

[5] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Grond besluit 2, (p. 41).

Alle volken

Overdenking

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen’, (Matteüs 28:19a)

Leerlingen van Jezus krijgen de opdracht om leerlingen te maken. Dat is de kern van kerk-zijn. Het bijzondere is, dat zij nu niet alleen naar het eigen volk Israel, maar ook naar de volken worden gezonden.

Jezus zijn missie richt zich, zoals hij tegen de Kanaanitische vrouw zegt, op het volk Israel. Zoals we als samenvattend bericht van Matteüs lezen, ‘dat Jezus op weg gaat en langs alle steden en dorpen trekt, onderricht in de synagogen geeft, het goede nieuw over het koninkrijk verkondigt en iedere ziekte en kwaal geneest’, (9:35).

Wanneer de leerlingen in het kader van deze missie voor de eerste keer er op uitgezonden worden, is dat ook Jezus’ instructie voor hen: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in, bezoek zelfs geen Samaritaanse stad, maar zoek de verloren schapen van het volk Israel’, (10:5-6).

Toch is Jezus’ missie ook op de volken gericht. Ook al is hij de zoon van David en wordt hij beschouwd als de koning van de Joden, Jezus missie was ten diepste om het koninkrijk van God op aarde te brengen. Om dat te onderstrepen vertelt Matteüs meteen aan het begin van het evangelie het verhaal van de magiërs uit het Oosten, die als vertegenwoordigers van de volken hem eer komen bewijzen.

Maar al aan het begin van zijn evangelie geeft hij programmatisch het overzicht van zijn afstamming en typeert hij Jezus als de Messias, de zoon van David, de zoon van Abraham, (1:1). Jezus is de zoon van Abraham, de vader van vele volken. In hem zullen nu werkelijk alle volken van de aarde gezegend worden.

In Jezus’ sterven en in zijn opstanding is de grondslag voor het koninkrijk van God gelegd. Dat is het goede nieuws, dat de leerlingen uit zullen moeten dragen. Eerst in Israel, maar daarna in heel de wereld.

In zijn laatste rede op Olijfberg heeft Jezus zijn leerlingen daar op voorbereid. Hij heeft samen met hen de tempel verlaten en aangekondigd, dat van die tempel geen enkele steen op de ander zal worden gelaten, maar dat alles afgebroken zal worden. Wanneer zij hem dan vragen: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen wij uw komst en de voltooiing van de wereld herkennen’, dan antwoordt hij dat ‘pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, het einde zal komen’, (24:14).

Het alle volken tot leerlingen maken is de brug tussen de Hemelvaart van Jezus en zijn terugkomst. Ook al zal de tempel van Jeruzalem, het symbool van de aanwezigheid van God, afgebroken worden, God verdwijnt niet uit onze wereld.

Jezus is de Immanuel, de God-met-ons. Namens hem zullen zijn leerlingen alle volken het nieuws brengen, dat God zijn koninkrijk op aarde gevestigd heeft. In de verkondiging van het evangelie komt Jezus en zo God zelf naar ons toe.

Jezus roept ons via de leerlingen op om zijn navolgers te worden. Om net als zij op weg te gaan, het koninkrijk van God binnen te gaan, het evangelie te verkondigen en zo ook zelf leerlingen te maken. In het vertrouwen, dat hij elke dag met ons is, tot aan de voltooiing van de wereld, (28:20).

 

 

Twijfel

Overdenking

‘Toen ze Jezus zagen, knielden ze voor hem. Maar sommige leerlingen twijfelden’, (Matteüs 28:17)

Ik vind het een intrigerend zinnetje: ‘Maar sommige leerlingen twijfelden.’ Twijfelen waaraan?

De leerlingen zijn op die berg in Galilea, waar voor hen alles begonnen is. Het zal een reünie worden waar de initiator van hun beweging niet zal ontbreken. Hij heeft het leven gelaten en is begraven, maar ze hebben van de beide Maria’s de boodschap gekregen dat hij uit de dood is opgestaan en dat hij hen voor zal gaan naar Galilea.

Wanneer ze daar op de berg zijn, gebeurt het zoals hen verteld is. Jezus verschijnt aan hen: de leerlingen zien de opgestane Heer. Hun eerste reactie is, dat ze voor hem neerknielen. Net zoals de vrouwen reageren op Jezus’ verschijning bij het graf. ‘Zij lopen op Jezus toe, grijpen zijn voeten vast en bewijzen hem eer’, (28:9).

Toch blijft dat bijzonder. Voor iemand neerknielen, dat doe je alleen maar als het een hoger geplaatste is of als je een verzoek extra wilt onderstrepen.

Eén keer eerder lezen we in het evangelie van Matteüs dat de leerlingen voor Jezus knielen. Wanneer ze ’s nachts een keer alleen in grote tegenwind op het meer zijn en Jezus hen aan het einde van de nacht over het water voorbijloopt. Petrus vraagt dan of hij over het water naar Jezus toe mag lopen. Wanneer Jezus vervolgens met Petrus in de boot stapt, gaat de wind liggen. En dan lezen we dat alle discipelen in de boot zich voor hem neerbuigen en zeggen: ‘U bent werkelijk Gods zoon!’, (14:33).

De leerlingen knielen hier op de berg opnieuw neer en betuigen Jezus goddelijke eer. Hij is de rabbi, hun meester. Maar nu beseffen ze dat hij werkelijk de messias is. Dat hij ook als zodanig aanbeden behoort te worden.

Het was al de centrale vraag tijdens zijn leven op aarde. Wie is Jezus? In het evangelie komen we verschillende antwoorden tegen. Is hij de zoon van David, zoals het volk dacht? Of is hij Elia? Of Johannes de Doper? Of Jeremia of één van de andere profeten? Of kan hij al die wonderen doen, omdat hij Beëlzebul, de vorst van de demonen, hem daartoe in staat stelt?

Halverwege het evangelie stelt Jezus de vraag aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen jullie dat de Mensenzoon is?’ Petrus antwoordt dan namens alle leerlingen: ‘U bent de messias, de zoon van de levende God’, (16:16). Dan verbiedt Jezus hen ook maar tegen iemand te zeggen dat hij de messias is. Maar nu is het zover, dat zij daar openlijk voor uit mogen komen.

Kun je je voorstellen, dat het voor de discipelen een hele omschakeling van het denken blijft? Dat sommigen nog twijfelen? Ze twijfelen er niet aan, dat het de opgestane Jezus is die ze zien. Maar dat hij echt de messias is? Dat moet nog landen.

Om hen in die twijfel te helpen, komt Jezus dichterbij en zegt: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.’ Ik ben werkelijk de mensenzoon, die Daniel al in zijn visioenen zag. De mensenzoon, aan wie ‘macht, eer en koningschap werden verleend en die allen volken en naties, welke taal zij ook spreken, dienden’, (Daniel 7:13). Vandaar dat Jezus er aan toevoegt: Schroom niet, ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen.

Twijfel toch niet, maar geloof dat Jezus echt de messias, de zoon van God, is. Twijfel niet, maar vereer Jezus door hem net als de leerlingen als koning te dienen.

 

Galilea als thuisbasis

Overdenking

Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien’, (Matteüs 28:7b)

Jezus keert na zijn opstanding uit de dood terug naar waar het allemaal begon: Galilea. Jeruzalem zal altijd verbonden blijven met de kruisiging en het sterven van Jezus, maar Galilea vooral met het leven en de missie van Jezus.

Aan het eind van het evangelieverhaal vertelt Matteüs, dat Jezus naar Jeruzalem gaat, (19:1). Onderweg neemt Jezus zijn leerlingen apart om te zeggen, dat nu de Mensenzoon ter dood zal worden veroordeeld, (20:18v). Wanneer Jezus op een ezel Jeruzalem binnenrijdt, raakt de hele stad in rep en roer en vraagt men zich af wie hij is. Dan blijkt dat ze hem vooral kennen als ‘de profeet uit Nazaret in Galilea’ (21:11) of als ‘die Jezus uit Galilea’ (26:69).

Galilea is de thuisbasis en het werkterrein van Jezus. Nadat hij door Johannes de Doper bij de Jordaan gedoopt is en hij zijn openbare optreden begint, gaat hij wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. Juist het gebied, dat het ‘Galilea van de heidenen’ genoemd wordt, (4:13v). Dat is ook de reden, dat Pilatus tijdens de rechtsgang van Jezus hem ook naar Herodes Antipas, de viervorst over Galilea en Perea, stuurt, omdat Jezus onder diens gezag valt (Lukas 23:7).

Na de opstanding uit de dood gaat Jezus naar Galilea terug. Dat had hij bij het laatste Avondmaal al gezegd, (26:31). Naar deze aankondiging verwijzen de engelen de vrouwen. Daar moeten ze de leerlingen aan herinneren. Ook Jezus zelf draagt hen dat op, wanneer hij aan de vrouwen verschijnt: ‘Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien’, (28:10).

Zo gaan ook de leerlingen weer terug naar Galilea, speciaal naar de berg waar Jezus hen in zijn Bergrede onderricht had over het koninkrijk van God. Dit is de berg bij het Meer van Galilea, waar Jezus later gedurende drie dagen allerlei verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen zieken genas en vervolgens voordat hij ze wegzond, vele duizenden mensen van voedsel voorzag, (15:29). Het is waarschijnlijk ook de berg van de verheerlijking, waar Mozes en Elia aan Jezus zijn verschenen, (17:1v).

In Galilea hebben de leerlingen hun eerste stage-opdrachten gekregen. Nu Jezus zijn missie op aarde zal beëindigen, krijgen ze ook in Galilea hun vervolgopdrachten. Mochten ze tijdens hun stage niet de weg naar de heidenen inslaan of een Samaritaanse stad bezoeken (10:5), nu moeten ze op weg gaan en alle volken tot leerlingen van Jezus maken (28:19).

Vanuit Galilea, het grensgebied tussen het Joodse volk en de heidenen, zal het evangelie de wereld in worden gedragen. Daarom gaat Jezus terug naar het begin. Toen was zijn boodschap: het koninkrijk van de hemel is nabij. Nu hij in Jeruzalem geweest is en hij is gekruisigd en opgestaan, is zijn boodschap: ‘Mij is gegeven alle macht op hemel en aarde’, (28:18).

Christus, de zoon van David, is niet in Jeruzalem geboren, maar in een klein stadje ten zuiden daarvan. Ook nu zijn koningschap definitief gevestigd is, is Jeruzalem niet de stad waar Jezus zich laat huldigen. De leerlingen zullen hem in Galilea zien: daar zullen ze hem aanbidden.

Vanuit het zaad in Galilea gezaaid, zal het koninkrijk van de hemelen in deze wereld zijn groei vinden. Overal waar mensen Jezus op grond van het evangelieverhaal en het getuigenis van de leerlingen eer gaan bewijzen en ook zijn leerling worden, overal waar mensen in zijn naam met elkaar als gemeenschap verbonden worden, daar zal het koninkrijk vanuit de hemel op aarde verschijnen. Daar zullen wij Jezus zien.