Dopen op afstand

In tijden van corona dienen we ons als kerk te houden aan maatregelen die de overheid de samenleving opgelegd heeft. Hoe kunnen we ons kerkelijk leven onder deze voorwaarde organiseren? In de bezinning daarop is het belangrijk in de wijze waarop wij de dingen tot nu deden te onderscheiden tussen de norm en de vorm. Wat is wezenlijk en moeten we daarom zo blijven doen, willen we trouw zijn aan wat God van ons wil en waarin kunnen wij de vormgeving aanpassen aan de tijd en de context waarin wij ons nu bevinden? [i]


1.   Dopen met de doopstaf

Deze vraag is zeker relevant als het gaat om het sacrament van de doop. Toen in maart 2020 fysieke kerkdiensten niet meer mogelijk waren, werden de geplande doopdiensten uitgesteld. Nu er online kerkdiensten zijn, bestaat er de mogelijkheid om weer te dopen. Maar hoe doop je op verantwoorde wijze? Verantwoord richting de opgelegde maatregelen en zodanig dat de doop geldig is.

Halverwege april adviseerde het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) de doop uit te stellen ook al zou men weer met een beperkt aantal mensen samen mogen komen. Een doopbediening is moeilijk uit te voeren gezien de noodzakelijke afstand van 1½ meter tussen pastor en dopeling.

Afgelopen week kondigde het moderamen van de PKN een voorziening af, waarbij de predikant de 1½ meter overbrugt met behulp van een nieuw liturgisch doopvoorwerp: een doopschelp met verlengde arm. [ii]

In reactie op het advies van het CIO reageerde dr. John van Eck (PKN) met de vraag, ‘wat kan er tegen zijn dat de dominee de doopformule uitspreekt en een van de ouders staande bij het doopvont het water over het hoofd van het kind giet?’ [iii]

Dr. Bert van Veluw (PKN) acht dat geen goed idee, omdat wanneer een van de ouders deze handeling op zich kan nemen, je ‘het namelijk ook online [kunt] gaan doen bij de wastafel.’ Het moet wel ‘in een kerkdienst waar de handeling aan de dopeling wordt gedaan door een bevoegde ambtsdrager.’ [iv] Waarop ds. Jaap Huttenga (PKN) reageert met de wedervraag, of ‘de geldigheid van een doop afhankelijk [is] van de vingers die het water sprenkelden?[v]

De missioloog drs. Kees Haak (GKV) wijst de voorziening van de PKN met de doopstaf af, ‘alsof de doopbediening van de persoon van de predikant zou afhangen’, waarbij hij o.a. verwijst naar de praktijk op het zendingsveld. ‘Het besluit tot het toelaten tot de doop kan alleen door een kerkelijke bevoegdheid worden genomen’, maar ‘de bediening ervan kan door elke willekeurige persoon – die uiteraard dan door de bevoegde instantie moet worden aangewezen – worden uitgevoerd.’ [vi]

In deze lijn stelt ds. Wim Aanen (PKN) voor dat je ‘in een kerk waar we het ‘priesterschap aller gelovigen’ belijden (1 Petrus 2:9) zou kunnen afspreken dat dus iedereen die tot dit priesterschap behoort, mag dopen.’ Maar als men dat te verstrekkend zou vinden ‘de kerkenraad de bevoegdheid te geven mensen aan te wijzen – eventueel: de gemeente gehoord hebbende – die de sacramenten mogen bedienen.’ [vii]

De R.K. bisschop Ron van den Hout tenslotte waarschuwt dat de geldigheid van de doop in gevaar kan komen en daardoor de wederzijdse dooperkenning tussen kerken ‘als de bedienaars van de doop zelf creatief aan de slag gaan.’ [viii]

Een kleine staalkaart aan visies en reacties hoe je onder de 1½-metercondities de doop kunt bedienen. In deze reacties wordt duidelijk dat de hamvraag is hoe een geldige doop tot stand komt. Specifiek daarbij is de vraag of de rol van de ambtsdrager bij het dopen essentieel is en zo ja, welke die rol moet zijn.


2.   De vroegchristelijke traditie

Het gaat om drie vragen: wie is gerechtigd om de doop te bedienen, wat zijn de wezenlijke elementen van de doop en op welke wijze dient de doop uitgevoerd te worden? 

Rond 1150 gaf Peter Lombardus (ca. 1100 – 1160) in zijn werk ‘Libri Quatuor Sententiarum’ een samenvatting en verwerking van de theologische inzichten van de kerkvaders en kerkleraars. In Boek IV schrijft hij over de vraag wie er mogen dopen[ix]:

“Hierover zegt Isidore [560-636]: “Het staat vast dat de doop alleen door priesters wordt bediend, en het is zelfs voor diakenen niet geoorloofd om de bediening ervan zonder bisschop of priester uit te voeren, tenzij wanneer die door afstand er niet zijn en extreme noodzaak van zwakheid het vereist, en dan is het ook toegestaan voor de gelovige leken om te dopen.”

Verder verwijst hij naar het vierde Concilie van Carthago (398), dat uitsprak: “Laat geen vrouw, hoe heilig ook, veronderstellen te dopen, tenzij de noodzaak haar dwingt.

Eerder had hij al met verwijzing naar Augustinus aangegeven, dat de kwaliteit van de doop niet afhangt van degene die de doop bedient, of het nu een goed of een slecht mens is. De doop is een gave van God en niet van de mens: ‘Want de doop ontvangt zijn karakter van hem op wiens gezag hij is gegeven, niet van hem door wiens bediening hij is gegeven’. Zelfs als een moordenaar de doop zou bedienen, wordt de werking van het heilig sacrament niet aangetast.

Wat essentieel is voor de doop ontleent Lombardus aan Augustinus, namelijk de aanroeping van de drieënige God (= het woord) en het water:

“’De doop wordt door het woord geheiligd; neem het woord weg en wat is water, behalve water? Het woord wordt toegevoegd aan het element en het wordt een sacrament. Waar komt de grote kracht van water anders vandaan dan door het werkzame woord? Niet omdat het woord uitgesproken is, maar doordat het wordt geloofd. Want in het woord zelf is voorbijgaande klank één ding, het blijvende effect is een ander.”

Alle andere handelingen en gebruiken zoals zalvingen met olie, de handoplegging, het witte kleed of het doopbassin vanuit het westen ingaan en aan oostzijde verlaten, zijn bijkomstig en dienen slechts om de plechtigheid mooier te maken en het waardige karakter te verhogen.

De kracht van de doop komt van de Heilige Geest. Zoals Lombardus met de woorden van Augustinus zegt:

“Terwijl Mozes door zijn bediening met zichtbare sacramenten heiligt, heiligt de Heer met onzichtbare genade door de Geest, waarin de volledige vrucht van de zichtbare sacramenten ligt. Zonder deze heiliging hebben de zichtbare sacramenten geen nut.”

Daarmee neemt Augustinus de nadruk op het werk van de Geest over, die we ook bij Tertullianus (ca. 160 – ca. 230) in zijn doopbeschouwing ‘De Baptismo’ vinden. Daar zegt hij, dat na de aanroeping van God de Heilige Geest komt om het water te heiligen, zodat ‘wanneer de handeling van de doop lichamelijk door onderdompeling wordt uitgevoerd, het geestelijke effect daarvan is dat we van de zonden bevrijd worden.

Met betrekking tot de wijze waarop de doop plaatsvindt, bespreekt Lombardus de doopformule ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’ dan wel alleen ‘in de naam van Christus’ (beide is mogelijk, maar voorkeur voor de uitgebreide versie [x]). Verder gaat hij in op de vraag of de dopeling een- of driemaal ondergedompeld behoort te worden (ook dit is beide mogelijk, afhankelijk van de context [xi]).  


3.   De gereformeerde traditie

De voorziening die de PKN biedt om te dopen met de doopstaf wil nadrukkelijk invulling geven aan de regel in de kerkorde dat ‘de doop alleen bediend kan worden door iemand die door de kerk hiertoe bevoegd is’, een predikant of de aan de gemeente als ambtsdrager verbonden kerkelijk werker. Deze regel wortelt in de ambtsleer van de Reformatie.

De reformatorische visie op kerk en ambt is zowel door de reactie op de Rooms-Katholieken als op de Dopers bepaald. Richting de R.K. kerk verzet Calvijn zich tegen de hiërarchie, tegen het spiritualisme en subjectivisme van de Dopers pleit Calvijn voor orde in de kerk, die o.a. tot uiting komt in het ambt van de ‘minister verbi’. Zij die daartoe door de gemeenten geroepen worden zijn met de nodige gaven  toegerust en bekwaam gemaakt om in het ambt te dienen. God deelt zijn gaven van Woord en Geest uit door middel van het ambt. Deze ‘dienst van de verzoening’ wordt vervuld in de bediening van het Woord en het sacrament.

Als het specifiek om de doop gaat, wijzen de reformatoren de nooddoop af. Allereerst omdat ze niet meegaan in de veronderstelling dat die doop noodzakelijk is voor het heil alsof ongedoopte kinderen vanwege de erfzonde aan het oordeel van God onderworpen zouden zijn en daarom van het aanschouwen van God uitgesloten worden. Maar ook omdat ‘Christus niet aan vrouwen of aan alle mogelijke mensen bevolen heeft te dopen, maar dit bevel heeft gegeven aan hen die Hij tot de apostelen aangesteld had.’ [xii]

Op de Dordtse Synode 1618/18 heeft men op de vraag naar de geldigheid van een doop uitgesproken dat die van drie zaken afhankelijk is, samengevat:

‘a. de doop moet bediend zijn naar de instelling van Christus, d.w.z. met water en onder de naam van de drieënige God; b. de doop moet bediend zijn in een kerk die de belijdenis van de drie-eenheid vasthoudt en dus niet opgehouden heeft kerk te zijn; c. de doop moet bediend zijn door een persoon, die in die kring als ambtsdrager wordt erkend en bevoegdheid tot dopen heeft.’ [xiii]

Eveneens is door deze synode een eind gemaakt aan de mogelijkheid voor de vervolgde gereformeerde kerken dat een ouderling werd aangewezen om de doop te bedienen wanneer er geen predikant was of kon komen. Aan ouderlingen en diakenen wordt nu verboden te dopen. In een normale situatie met geordende predikanten mag niemand Woord en sacramenten bedienen dan zij die er werkelijk en ordelijk toe geroepen zijn.


4.   Het ambt en de ambtsdrager

Het gaat dus om de vraag wat het betekent dat het sacrament aan de kerk is gegeven en via de apostelen aan het ambt is toevertrouwd. Concreet: betekent dit dat elke doop door een ambtsdrager uitgevoerd moet worden?

Dat is de visie van het moderamen van het PKN, wanneer ze uitspreekt dat zij ‘in deze geen gebruik maakt van haar bevoegdheid om in deze crisistijd ook ouders de bevoegdheid tot dopen te verlenen. De doop is principieel geen familiegebeuren, maar een sacrament van de kerk van Christus. Vandaar dat de doop bediend wordt door een ambtsdrager die door de kerk hiertoe bevoegdheid is.[xiv] In lijn met de visie van de vroege kerk: ‘De bediening van de doop gaf Christus aan Zijn gemeente. Die bedient de doop door ambtsdragers, als haar representanten.’ [xv]

Toch is de redenering van het moderamen nogal kort door de bocht. Als ik mij probeer praktisch voor te stellen hoe op de Pinksterdag 3000 personen gedoopt zijn, lijkt het mij aannemelijk dat het niet alleen door de handen van de apostelen gebeurd is. Maar ook principieel gezien moet er meer gezegd worden.

Wat betekent het dat het sacrament aan het ambt is toevertrouwd? Mijn inziens is de interpretatie goed te verdedigen dat het vooral gaat om het verantwoordelijk zijn voor èn het toezicht houden op de bediening en het gebruik van het sacrament, maar niet direct bedoeld is om een exclusief recht op de bediening daarvan te geven.

Wanneer je er vanuit gaat dat alleen de ambtsdrager de bevoegdheid heeft om te spreken en te handelen namens God, blijft nog de vraag open in welke mate en op welke wijze hij (een deel van) deze bevoegdheid over mag dragen, door bijvoorbeeld mandaat, delegatie of volmacht? Terecht signaleert het moderamen al de optie dat het aan de ouders de bevoegdheid tot dopen had mogen verlenen, zonder dat het sacrament van de doop daarmee tot een familiegebeuren was geworden. (Tussen haakjes: het wordt toch ook geen familiegebeuren wanneer een predikant als ambtsdrager zijn eigen kind doopt?)

Daarnaast kan ik mij ook goed een door ouders bediende doopbediening ‘online bij de wastafel’ indenken, want het zijn de context, de voorwaarden en intentie die bepalen of er een geldige kerkelijke doop tot stand komt. In die zin spelen hier soortgelijke vragen een rol als bij het avondmaal vieren aan huis. [xvi]   

Tenslotte, wanneer de ambtsdrager wel de leiding heeft bij de viering van het sacrament kun je de vraag stellen of hij alle handelingen eigenhandig moet verrichten. In de taalhandelingstheorie kennen we het fenomeen dat verschillende uitingen (locuties) dezelfde strekking (illocutie) kunnen hebben. Op dezelfde manier kan handelingstheoretisch gezien het gebruik van een doopstaf hetzelfde effect hebben als dat een van de ouders het water sprenkelt. Beide kunnen gelden als uitgevoerd door de ambtsdrager zelf. [xvii]


5.   Afsluitende opmerkingen

Ik kan me prima vinden in het advies van Reina Wiskerke om ‘met behulp van eigen tradities en gemeenschappelijke uitgangspunten in opgewekte creativiteit en naar bevind van zaken’ je keuzes te maken voor dopen in tijden van corona. [xviii] Deze blog heeft als doel om inzicht te geven in die tradities en uitgangspunten, en tegelijk te wijzen op veronderstellingen in de geopperde voorstellen.

In mijn vorige blog constateerde ik al dat men vaak uitgaat van een impliciet ambtsbegrip en op basis daarvan de huidige vorm van handelen van de ambtsdrager als norm presenteert.[xix] Maar als wij werkelijk geloven dat het God zelf is die in de doop handelt, is er weinig reden om koste wat kost de huidige traditie waarin de ambtsdrager exclusief het recht van dopen toekomt te handhaven door de doopstaf als liturgische vorm in te voeren. Dat suggereert in mijn ogen toch te veel dat het om de ambtsdrager gaat en niet om de bediening van het sacrament.


[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2020/05/11/kerk-zijn-in-context/.

[ii] Nieuwsitem op de site van de PKN d.d. 6 mei 2020: https://www.protestantsekerk.nl/nieuws/moderamen-over-de-doop-in-corona-tijd/.

[iii] Ingezonden van John van Eck in het Nederlands Dagblad d.d. 30 april 2020, onder de titel ‘Het water bepaalt, niet de hand van de dominee’.

[iv] Ingezonden van Bert van Veluw in het Nederlands Dagblad d.d. 4 mei 2020, onder de titel ‘De doophandeling behoort toe aan een ambtsdrager’. Het verscheen ook in het Reformatorisch Dagblad op 6 mei 2020.

[v] Ingezonden van Jaap Huttenga in het Nederlands Dagblad d.d. 4 mei 2020, onder de titel ‘Een doopstok is een onzalig idee’.

[vi] Ingezonden van Kees Haak in het Nederlands Dagblad d.d. 8 mei 2020, onder de titel ‘Altijd dopen, zonder poeha’. 

[vii] Ingezonden van Wim Aanen in het Nederlands Dagblad d.d. 10 mei 2020, onder de titel ‘Dopen hoort bij priesterschap van gelovigen’.

[viii] Ingezonden van Ron van den Hout in het Nederlands Dagblad d.d. 8 mei 2020, onder de titel ‘Online doop heeft oecumenische implicaties’.

[ix] Ik maak gebruik van de Engelse vertaling door Elizabeth Frances Rogers in haar dissertatie: Peter Lombard and the Sacramental System, Columbia University, New York, 1917.

[x] ‘Whoever therefore baptizes in the name of Christ, baptizes in the name of the Trinity, which is thereby understood. Nevertheless it is safer to name the three, so that we say : in the name of the Father and of the Son and of the holy Spirit; not in the names, but in the name, that is in invocation or in confession of the Father and of the Son and of the holy Spirit; for thereby the whole Trinity is invoked, that it may work invisibly through itself, just as outside visibly through the ministry.’

[xi] ‘According to this, it is allowable to immerse not only thrice, but also only once. However it is only allowable to immerse once, where such is the custom of the Church.’

[xii] J. Calvijn, Institutie IV,15,20.

[xiii] T. Brienen, ‘Doopleer en dooppraktijk in de 17e en 18e eeuw bij de gereformeerden in de Nederlanden’, in: Rondom de doopvont. Leer en gebruik van de heilige doop in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de westerse kerk, red. W. van ’t Spijker, W. Balke, K. Exalto en L. van Driel, Goudriaan: De Groot, 1983, p. 368.

[xiv] Nieuwsitem op de site van de PKN d.d. 6 mei 2020: https://www.protestantsekerk.nl/nieuws/moderamen-over-de-doop-in-corona-tijd/.

[xv] P.L. Voorberg, Doop en Kerk. De erkenning, door kerkelijke gemeenschappen, van de elders bediende doop, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2007, p. 255.

[xvi] Als het gaat om bezinning op online vieringen is het interessant te weten, dat daar al in 2004 een studie over verscheen van Willem Marie Speelman, Liturgie in beeld. Over de identiteit van de rooms-katholieke liturgie in de elektronische media, (Netherlands Studies in Ritual and Liturgy 3), Groningen/Tilburg: Instituut voor Liturgiewetenschap Groningen/Liturgisch Instituut Tilburg, 2004.

[xvii] Vgl. ook de visie van de kerkrechtdeskundige dr. K.W. de Jong:  http://blog.kerkenrecht.nl/2020/05/07/dopen-met-het-azewijnse-paard/: ‘In het geval van de doop zouden doopouders voor het begieten met water als gevolmachtigde van de bevoegde voorganger kunnen optreden. Wie even doordenkt, beseft dat het verschil met de doopstok niet eens heel groot is. Bij de doopstok is de stok het middel waarvan de voorganger zicht bedient. Bij de volmacht is het woord – al dan niet schriftelijk vastgelegd – van de predikant de basis.’

[xviii] Reina Wiskerke in het Nederlands Dagblad d.d. 13 mei 2020, onder de titel ‘Creatief dopen’.

[xix] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2020/05/11/kerk-zijn-in-context/.

Kerk-zijn in context

Ook als kerk leven we in bijzondere tijden. We worden door de corona-maatregelen van de overheid gedwongen na te denken over wat wezenlijk is voor kerk-zijn. Als het niet meer kan zoals we dat altijd deden, mag het dan ook anders en hoe doe je dat dan?

De vragen zijn de afgelopen tijd breed uitgemeten en de antwoorden waren zeer divers. Hoe houd je kerkdiensten als er maar een minimaal aantal mensen aanwezig mogen zijn? Wat betekent het niet samen kunnen zingen voor een kerkdienst? Mag je en zo ja, hoe kun je digitaal avondmaal vieren? Hoe bedien je de doop als je op 1½ meter afstand moet blijven? En als er straks weer 100 mensen in een kerkdienst mogen, hoe ga je dat doen als een gemeente van 1800 zielen met één kerkgebouw?

Wat uit de discussie duidelijk wordt, is de vanzelfsprekendheid waarmee we de dingen doen. Het lijkt dat we zo gewend zijn geraakt aan een bepaalde vorm van kerk-zijn, dat voor het gevoel van velen vorm en inhoud samen zijn gaan vallen. Verandering van de vorm van kerk-zijn kan dan aanvoelen als een aantasting van het wezenlijke van ons kerk-zijn.

Toch is het gevoel niet nieuw, dat bij verandering van de vorm ook de inhoud aangetast wordt. De afgelopen decennia zijn we dit als kerken al regelmatig tegen gekomen in allerlei soorten discussies, die ook heel vaak gingen over de inrichting van de eredienst.

Mogen we gezangen of liederen uit Opwekking of E&R-bundels zingen in de eredienst? Mogen niet-vrijgegeven liederen alleen voor en na de zegen? Mag de samenzang begeleid worden door andere instrumenten dan een orgel? Ook door een combo met drumstel? Kan een cantorij of koor in de kerkdienst? Is de vroegdoop verplicht, ook al ligt de moeder in het kraambed? Mag de moeder het kind ten doop houden als de vader ook aanwezig is? Mag je geadopteerde kinderen dopen? Moet de doop door besprenkeling of onderdompeling? Eén of drie keer water uitgieten over het hoofdje van het kind? Mag je avondmaal vieren in een lopende viering of in een kring in plaats van aan tafel? Mag je uit een andere vertaling lezen dan de Statenvertaling of NBG ’51? Is interactie in de kerkdienst of de preek toegestaan? Moet in elke morgendienst de wet gelezen en in elke middagdienst de Catechismus behandeld worden? Mag de ouderling de zegen opleggen? Mogen gemeenteleden het gebed uitspreken tijdens de kerkdienst?

Maar het ging ook over andere zaken, als je kijkt naar de vormgeving van het kerkelijk leven. Een of twee ouderlingen op het huisbezoek? Moet elk adres jaarlijks huisbezoek krijgen? Mag je het pastoraal en diaconaal omzien toevertrouwen aan de miniwijk? Welke taken mogen vrouwen vervullen in de gemeente? Zijn ze stemgerechtigd? Mogen ze ambtsdrager worden? Of mogen ze alleen onder toezicht van de man hulpdiensten verrichten als pastoraal of diaconaal werker?

Heel wat kerkenraden en synodes hebben hun kostbare tijd gevuld met het behandelen van zulk soort vragen, officieel aan de orde gesteld of naar aanleiding van brieven van gemeenteleden. De bezinning op deze vragen kwam op, omdat de tijd of de context van ons kerk-zijn nadrukkelijk veranderde. Het grote verschil is dat we nu abrupt door een externe maatregel stil worden gezet bij deze vragen, terwijl de afgelopen decennia de vragen geleidelijk op de agenda kwamen.

Ik vind het belangrijk om bij de beantwoording van de vragen over de vormgeving van ons kerk-zijn helder te krijgen wat het probleem is en in welke mate het een probleem is. En dan gaat het met name over de twee elementen die in de discussies iedere keer weer een belangrijke rol spelen, namelijk de gewoonte en de visie op het ambt.

Gaat het over echt principiële en wezenlijk zaken, of is er sprake van een vorm-probleem? Als je kijkt naar de discussies die de afgelopen decennia over de vormgeving van de kerkdienst gevoerd zijn, dat blijkt dat wat veelal als principieel werd geladen uiteindelijk slechts een kwestie was van vorm, gewoonte en andere smaak. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat dat ook nu weer het geval is.

Het tweede element ligt ingewikkelder, omdat het ambt per definitie een principieel karakter heeft. Maar net als bij de gewoonte wordt de manier waarop de visie op het ambt in de discussie een rol speelt nauwelijks geëxpliciteerd. Men gaat uit van een impliciet ambtsbegrip en concludeert op basis daarvan dat de huidige vorm van doen van de ambtsdrager of van het kerk-zijn de norm is, van waaruit de oplossingen gevonden moeten worden.

Ik denk dat het niet zonder betekenis is dat het juist de missiologen zijn, die ons vandaag oproepen ons niet op de traditionele en culturele vormgeving van de norm blind te staren.[i] Zij hebben door schade en schande geleerd om onderscheid te maken tussen wat wezenlijk en wat vorm is. Dat het gereformeerd-zijn niet afhangt of er in het oerwoud de psalmen op Geneefse melodieën gezongen en de preken in een betoog van 1 thema en 3 punten vorm gegeven worden.

In plaats van een gemakkelijk principieel beroep te doen op gewoonte en de status quo in de vormgeving van kerk en ambt, vind ik dat we de vraag moeten blijven stellen wat daarin wezenlijk is of niet. De bijbelse norm is voor ons beslissend, maar die norm kun je niet één op één gelijk stellen aan de norm zoals die in de loop der tijd contextueel vorm is gegeven. Wanneer de omstandigheden rond de corona-epidemie ons dwingen om ons te focussen op de veranderende context van ons kerk-zijn vandaag èn ons (opnieuw) leert te onderscheiden tussen de vormgeving en de norm, dan lijkt mij dat vruchtbaar voor ons toekomstig kerkelijk leven en onverwachte winst.


[i] Zie o.a. het ingezonden van de missioloog Kees Haak in het Nederlands Dagblad van 8 mei 2020 onder de titel ‘Altijd dopen, zonder poeha’, dat eindigt met de oproep: “Laat daarom corona bij de vele nadelen die het virus heeft, toch dit ene voordeel krijgen: dat het klerikale denken met al zijn poeha aan linten en toga’s definitief bij de kliko gezet kan worden. Een ongedacht kerkelijk bevrijdingsfeest.” Verder denk ik aan de hartenkreet van de zendeling Gerrit Riemer op Twitter op 9 mei 2020: “Zelden zo’n onnozele ‘theologische’ discussie zien langskomen als die over de bediening in coronatijd van doop en avondmaal in @ndnl. #Corona legt meer bloot dan ons lief is. Doopschelpen, lange lepels, stucadoorsstang, super soakers – zijn we gek aan het worden?

De 2e eredienst op de zondag

In november 2017 schreef ik op verzoek van de Raad van Oudsten van de Fontein, de Gkv Zwolle-West, een notitie over de tweede eredienst. Men wilde zich bezinnen op het gegeven, dat het aantal bezoekers van de middagdienst al jarenlang daalt.

In mijn notitie staan twee zaken centraal: wat is de functie van de zondag in het leven van ons als gemeente en wat is het karakter van het samenkomen van de gemeente op zondag.

Na een verkenning van de problematiek rond het dalend bezoek van de tweede kerkdienst in par. 1, sta ik in par. 2 stil bij de normatieve betekenis van de zondag voor ons als kerk. Daarna bied ik in par. 3 een schets van de geschiedenis van de tweede kerkdienst. Na een analyse van het karakter van de samenkomsten van de gemeente in par. 4, trek ik in par. 5 enkele conclusies en doe ik aanbevelingen.

De notitie is hier te vinden: Notitie – Over de 2e eredienst op zondag – 2017.

Eer bieden

(Fragmenten uit een preek over het 5e gebod, gehouden in de Veertigdagentijd 2015)

1.

Ik weet niet of u Hanna Schygulla kent. Ze was in de jaren ’70 een belangrijke favoriet van de duitse regisseur Rainer Werner Fassbinder. In een groot aantal films van hem speelt ze een belangrijke rol. Onder andere de hoofdrol in ‘Die Ehe der Maria Braun’ en in ‘Lily Marleen’. Ook werkte ze met een groot aantal andere beroemde duitse regisseurs.

Het meest opvallende aan haar filmcarrière is dat die een kleine 20 jaar zo goed als onderbroken is geweest. In 1987, ze was toen 44, trok ze zich bijna helemaal uit het openbare leven terug om eerst haar moeder, die getroffen was door verscheidene beroertes, en later haar vader naar de dood te begeleiden. Ze wist natuurlijk van te voren niet hoe lang haar ouders nog zouden leven en dat het bijna 18 jaar van haar carrière zou kosten. Toch is ze altijd voor hen blijven zorgen. Haar moeder stierf na 8 jaar in 1995, haar vader tien jaar later in 2005 op 96-jarige leeftijd. Het was voor haar volkomen vanzelfsprekend om als hun enige kind voor hen te zorgen. Ze heeft er geen seconde over getwijfeld. Een daad van liefde voor haar moeder, die aan het eind van de 2e wereldoorlog met haar als 2-jarig kind vanuit Polen naar Beieren was gevlucht. En voor haar vader die in 1948 gebroken uit de Russische krijgsgevangenschap was teruggekeerd, hoewel haar relatie met hem daardoor altijd afstandelijk was geweest.

Dit is de oorspronkelijke kern van dat 5e gebod: eer uw vader en moeder.

Hou ouderen in waarde, hou ze hoog, juist als ze hulpbehoevend zijn en ze in hun ouderdom economisch niet meer van waarde zijn en zelfs een grote financiële en emotionele last kunnen worden. Verzorg ze juist dan op passende wijze met voedsel, kleding en een woning, en blijf respectvol met ze omgaan ondanks afnemende levenskracht of afnemende verstandelijke vermogens, en geef ze uiteindelijk een eervolle begrafenis.

Als ik het kort op een noemer breng: in het 5e gebod gaat het niet primair over gezag en gezagsrelaties, maar vooral om de verbinding en de verantwoordelijkheid van de generaties voor elkaar.

2.

Degene die Psalm 71 bidt, is een voorbeeld van iemand die oud is en nu juist vanwege zijn ouderdom niet meer serieus genomen wordt, en daarom een gemakkelijk mikpunt geworden is van onderdrukking, uitstoting en smadelijke behandeling, kortom van oneer en schande.

Heel deze psalm is doortrokken door en wordt gedragen door die tegensteling tussen eer en schande. En dat is niet verwonderlijk. De bijbel is een boek afkomstig uit een oud-oosterse cultuur. Het joodse geloof en daarmee ook het christelijk geloof is geworteld in een cultuur, waarin eer en schande een van de dragende waarden in de samenleving zijn.

De dichter van Psalm 71 wendt zich tot God en smeekt hem om uitkomst, verlossing, redding. Hij vraagt of God hem weer in aanzien en eer wil herstellen: verhoog mij in aanzien, staat er in vers 21. En tegelijk vraagt hij of God zijn tegenstanders van schaamte wil laten bezwijken en met schande bedekt wil laten worden, vers 13.

Maar het gaat niet om de eer voor de psalmdichter op zichzelf. Dat is een ander belangrijk dragend element in deze psalm. In alles gaat het om de eer van God: dat hij geprezen wordt, dat hem de lof wordt gebracht, dat het herdenken van zijn daden het brandpunt en centrum van de dichter is en van de samenleving wordt. In het bijzonder in vers 17 en 18:

‘God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm.’

Het gaat er om dat Gods gerechtigheid zichtbaar wordt in de samenleving. Dat is Gods bedoeling geweest toen hij het volk Israel verloste uit Egypte en hen Kanaan als het beloofde land gaf. Daarvoor gaf hij hen de Decaloog, die 10 woorden. Ook dat 5e gebod om de ouderen te eren. Opdat het volk in dat land een goed leven zou hebben. Als zijn volk wonend in vrijheid, in welvaart, en zo gezegend door hun God. En degene, die daarvoor moest waken, – dat het recht in het land zou heersen -, dat was de koning. Daarvoor had God hen een koning gegeven. De koning, die in Psalm 72 uitgetekend wordt als de messiaanse d.w.z. de gezalfde koning.

Je kunt Psalm 72 binnen de structuur van het boek der Psalmen zien als een toespitsing en als antwoord op dat gebed van de dichter van Psalm 71: “Heer, brengt recht in mijn situatie, verlos mij.”

In Psalm 72 wordt gebeden of de koning dan ook daadwerkelijk het volk rechtvaardig zal besturen. Of God hem daarvoor zijn wetten en gerechtigheid wil schenken, vers 1 en 2. Want daarvoor is hij geroepen, vers 12 tot 14:

‘Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.’

Dat is de manier waarop God vrede en recht wil brengen. Via de koning als zijn vertegenwoordiger op aarde. Als hij zijn taak als ‘gezagsdrager’ op de juiste wijze zal uitvoeren, zal er vrede met de volken zijn, zal het land vruchtbaar zijn, de economie ieder ten goede komen en zal via hem Gods zegen over heel de wereld verspreid worden. Kortom, dan zal werkelijk de messiaanse tijd aanbreken.

3.

Toen kwam Jezus als koning – rijdend op een veulen werd hij Jeruzalem binnengehaald. Hij vervulde in zijn leven ook dit gebod. En als je naar hem kijkt, dan zie je dat hij de zaken heel sterk op God zelf focust als degene, op wie je al jouw eer en ontzag moet richten.

Hij was zijn ouders onderdanig, maar hoe jong hij ook was hij maakte wel duidelijk zijn oriëntatiepunt lag in de zaken die op zijn Vader in de hemel betrekking hadden.

Hij relativeerde de natuurlijke bloedband ten gunste van de geestelijke band tussen broers en zussen in het geloof. Zoals Lukas optekent in Lukas 14 : 26 – 27:

‘Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. Je kunt alleen mijn leerling zijn als je je kruis op je neemt en mij op mijn weg volgt.’

Daarmee schuift Jezus het 5e gebod niet aan de kant. Wel maakt hij duidelijk dat discipelschap gaat boven andere zaken waar je je aan kunt wijden, zoals je werk, je gezin, je geld. Dat het vooral gaat om het je richten op God en zijn rijk en op het volgen van Jezus zelf.

Net als Abraham en het volk Israel moet je vandaag je land, je bedrijf, je familie achterlaten om naar het beloofde land te trekken, je daar te settelen en je verantwoordelijkheid te nemen, ook ten aanzien van het 5e gebod. Ik geloof dat vandaag de geloofsgemeenschap een belangrijk plek is van waaruit je dat beloofde land en die messiaanse samenleving gestalte mag geven.

4.

Vanuit dit perspectief wil ik deze preek toespitsen door nog een enkele vraag en overweging mee te geven om verder over na te denken.

Als eerste: tegen mensonterende situaties. Je mag best in rekening brengen, dat wij vandaag veel meer geïndividualiseerd leven als in de collectieve samenleving van vroeger. Wij hebben het kerngezin van vader, moeder en kind, en kennen niet meer de grote familie waarin 3 of 4 generaties samenwonen. Dat betekent dat je niet hetzelfde hoeft te doen als Hanna Schygulla door de last van de zorg voor ouders op je te nemen als gezin alleen. Bejaardenhuizen en verzorgingshuizen zijn waardevolle instellingen. Toch is het juist de plicht van ons als geloofsgemeenschap om in het geweer te komen als daarin vanwege economische overwegingen pyamadagen en andere mensonterende situaties ontstaan. Volgens mij een belangrijk punt om als kerkgemeenschap er over door te denken, hoe je daarin iets kunt betekenen. Hoe lastig dat ook is, omdat je daarin je je kritisch moet opstellen tegenover ons sociaal en economisch systeem, dat door dat individualisme ook behoorlijk verworden is.

Als tweede: het zoeken van de verbinding tussen de generaties. Als geloofsgemeenschap staan jullie voor de opdracht deze verbondenheid vorm te geven. Daar zul je met elkaar over door moeten spreken. Hoe geef je als ouderen aan jongeren in de kerk de ruimte om daarin een eigen weg te gaan, die misschien anders is als de weg waarin jij gegaan bent? En hoe respecteer je als jongeren de weg en de traditie, waarin ouderen hun geloof en ontzag voor God vorm hebben gegeven? Ben je bereid om de geschiedenis van de ouderen respectvol te behandelen en die ook een plek te geven in jouw leven? Zijn jullie werkelijk bereid om samen de onderlinge verbondenheid vorm te geven door als jongeren èn ouderen in elkaar te investeren: door tijd, aandacht en geloof met elkaar te delen?

En als laatste: Jezus Christus heeft als dè messiaanse koning laten zien, dat gezag en verbondenheid vooral tot zijn recht komen in een houding van wederzijdse dienstbaarheid, van een elkaar vergeven, en een elkaar tot zegen zijn. Dat is de weg van het kruis die Jezus gegaan is. Dat is ook de manier waartoe wij opgeroepen worden om dit 5e gebod inhoud te geven: eer je vader en moeder, opdat het je goed zal gaan in het land dat God jullie geven zal. In mijn woorden: wees elkaar als generaties in onderlinge verbondenheid en in wederzijdse dienstbaarheid tot een zegen.

22 maart 2015, de 5e zondag van de Veertigdagentijd.

Lessen van Justin Lee

Het was begin jaren ’80. Ik maakte voor het eerst in de vrijgemaakte kerk van nabij mee, wat het betekent als je als homo ‘uit de kast’ komt: de verwarring, worsteling en strijd die daaraan vooraf ging, het ongeloof van de omstanders en de discussie en veroordeling die daarop volgde. Maar wat mij het meest raakte was de liefdevolle barmhartigheid en strijdbaarheid van de directe familie en vrienden: ‘wat er ook gebeurt, wij houden van je en gaan voor je door het vuur, we laten je niet vallen!’

Ik was begin 20 en totaal onwetend wat homo zijn inhield. In theorie wel, maar ik kende er geen. Terwijl toch in elke klas waar ik in gezeten had er statistisch gezien op zijn minst 1 jongen of meisje homo zou moeten zijn. En in elke kerk waar ik bij hoorde, toch zeker 5 tot 10. En anders zouden er op de studentenvereniging wel zo’n 3 tot 5 leden zijn. Pas later hoorde ik dat iemand homo of lesbisch was en van velen weet ik het waarschijnlijk nog steeds niet.

Ik ben nu in de 50 en het aantal homo’s of lesbiennes dat ik ken, is nog steeds niet erg groot. Ook zie ik nog steeds zich dezelfde patronen van ongemakkelijkheid voltrekken, wanneer iemand in mijn omgeving vertelt dat hij homo of lesbisch is: hoe stel ik mij op? Hoe reageren wij als omstanders? Hoe gaan wij als kerkgemeenschap er mee om?

Afgelopen jaar verscheen ‘Verscheurd’, de Nederlandse vertaling van een boek van Justin Lee[i]. Daarin vertelt hij over zijn ervaringen om als homo binnen een christelijke gemeenschap ‘uit de kast’ te komen. Alleen al vanwege het inzicht in de worstelingen en strijd om voor jezelf te erkennen dat je homo bent, is dit boek het waard om gelezen te worden. Toch was dit niet de voornaamste reden dat ik dit boek rond de jaarwisseling in één adem uit heb gelezen. Dat was met name omdat dit persoonlijke verhaal op een innemende wijze drager is van het gesprek over homoseksualiteit en christelijk geloof. Het boek van Justin Lee gaat vooral over de worsteling hoe je tegelijk homo en christen kunt zijn.

Binnen mijn kerkgemeenschap (de GKV) is het nog steeds niet normaal dat je als christen homo of lesbisch kunt zijn. In theorie wel, maar in de praktijk weten we ons vaak geen raad. Het gesprek over homoseksualiteit is daarom blijvend noodzakelijk. Daarom vooral is het belangrijk om te weten hoe je dat gesprek kunt voeren. Het boek van Justin Lee zie ik als een voorbeeld, hoe je dat op een christelijk genadevolle wijze kunt doen. Ik hoop dat velen het om die reden zullen lezen en daar inspiratie uit zullen putten om zijn voorbeeld na te volgen.

Het thema van de homoseksualiteit zal de komende jaren in onze kerken een hot item worden. Een indicatie daarvoor zie ik in een reactie op de Synode van Ede-Zuid 2014, waarin gesteld wordt dat de wijze waarop wij met het thema homoseksualiteit om zullen gaan, bepalend zal zijn voor het behoud van het gereformeerde karakter van onze kerken. Vanuit zo’n principiële insteek zal het extra noodzakelijk zijn om dit gesprek over homoseksualiteit op zorgvuldige wijze aan te gaan. De ervaring leert dat het staan voor de waarheid zo maar het liefhebben van de ander in de weg kan staan. Wat ik van harte wil, is dat de homo’s en lesbiennes in onze kerkgemeenschap niet opnieuw slachtoffers van een (hernieuwde) discussie over homoseksualiteit zullen worden.

Daarom geef ik hier enkele lessen door die ik vooral of soms opnieuw van Justin Lee geleerd heb.

–          Allereerst dat we niet weten waarom iemand homo of lesbienne is. Maar als je het bent, is het zeer waarschijnlijk dat de biologische aanleg een belangrijke rol speelt en dat je allerlei sociologisch bepaalde theorieën, die de oorzaak in de opvoeding of in (traumatische) levensomstandigheden zien, met een gerust hart aan de kant kunt leggen.

–          De tweede is dat je homo voor het leven bent, net zoals je ook hetero voor het leven bent. Een eventueel onderscheid tussen zijn en gedrag is daarin niet helpend. De mogelijkheid dat je van seksuele oriëntatie verandert is te verwaarlozen. Daarom moet je ook homo’s niet adviseren om zo’n verandering door therapie proberen te bereiken. Integendeel, de ex -homobedieningen hebben in de VS, ondanks hun goede bedoelingen, uitzonderlijke destructieve gevolgen gehad voor zowel de kerken als voor de homo’s zelf.

–          Een derde is dat celibaat voor christenen een reële optie zal moeten zijn. Mensen die daarvoor kiezen zullen zich binnen de kerk volkomen aanvaard en gesteund moeten weten. Dit vind ik een belangrijke les, vooral omdat Lee zelf in zijn zoektocht om zijn christen zijn met het homo zijn te verbinden tot de conclusie gekomen is, dat God niet van homo’s eist dat ze celibatair leven. Wie kiest voor het celibaat heeft een lange, moeilijke weg te gaan waar eenzaamheid en ontmoediging op de loer liggen. Daarom hebben homoseksuele christenen die geloven dat God hen hiertoe roept, de steun van hun kerkelijke gemeente hard nodig.

–          Een vierde – en m.i. belangrijkste les – is, dat wil er echt een zinnig gesprek ontstaan over homoseksualiteit en bijbel er de bereidheid moet zijn om werkelijk naar de ander te luisteren. Een bereidheid die zo groot moet zijn, dat je de homo en de lesbienne als medechristen blijft aanvaarden en behandelen, zelfs al strookt zijn of haar interpretatie van de bijbel niet met die van jou.

Door het levensverhaal van Justin Lee ben ik opnieuw doordrongen van de christelijke opdracht om de ander lief te hebben en ieder in zijn gevoelens en ervaringen te respecteren, maar ook hoe christenen hier op een ongelofelijke wijze, – zelfs als zij dat niet willen -, kunnen falen.

Voor de uitkomst van het gesprek over homoseksualiteit, bijbel en kerk zal veel afhangen of we inderdaad bereid zijn de liefdevolle houding, die Jezus in zijn leven op aarde liet zien, in ons eigen kerkelijk leven na te volgen. Ik ben nog steeds dankbaar, dat ik daar in mijn eerste homocasus in de jaren ’80 al inspirerende voorbeelden van heb mogen zien.

 

[i] Justin Lee, Verscheurd, Ark Media. Amsterdam, 2014

 

Discipelschap als nieuw concept?

Gisteravond was ik in het leerhuis van de Zwolse Plantagekerk. Daar sprak dr. Sake Stoppels over discipelschap. Het was een inspirerende avond.

Eén bundel van uitspraken bleef bij mij hangen: ‘Jezus roept leerlingen, geen kerkleden.’ Kerklid zijn betekent nog niet dat je een discipel bent. Discipel zijn is een zaak van houding en gezindheid, niet van activiteit. Lidmaatschap is iets administratiefs en dat is in deze tijd passé. Daarom snapte hij de ratio achter de stelling van de PKN in juli 2013 niet, dat zij meer leden (2 miljoen) heeft dan de KNVB (1,2 miljoen).

Je zou het spreken over discipelschap een hype kunnen noemen. Zo wil ik het niet wegzetten. In onze kerkelijke gemeente – GKV De Fontein in Zwolle-Stadshagen – hebben we ook bewust in de nieuwe missie en visie gekozen voor het concept ‘leerling van Jezus Christus’. Voor mij is het grote pré van dit concept, dat je gedwongen wordt om het christen zijn niet als een vaststaand gegeven te beschouwen. In de zin van: je hebt belijdenis gedaan en nu is het goed. In de woorden van Sake Stoppels: ‘belijdenis doen is geen eindstation, eerder een beginpunt’.

Inderdaad staat het evangelie en het leven als leerling haaks op onze cultuur en op mijn eigen leefpatroon. Er is, – zoals Sake Stoppels uitlegde -, die Tegenstem in mijn leven, waardoor het in mijn bestaan schuurt. Een Tegenstem, die mij dwingt in de spiegel te kijken en die mij de vraag voorlegt: past dat gedrag van jou nu wel bij het volgen van Jezus?

Tegelijk kwam de vraag bij mij boven: wat is er nu anders aan dit concept in vergelijking met vroeger? Misschien wel bij de PKN. Daar is vanouds een brede rand en heeft men een grote kaartenbak met papieren leden. De nadruk op discipelschap kan dan inderdaad een ander accent zijn.

In de traditie waarin ik groot geworden ben, de vrijgemaakte, is er altijd een besef geweest dat ‘het leven één is’. Dat er geen scheiding zou mogen zijn tussen de zondag en de maandag. Dat is een van de redenen geweest om na de Vrijmaking diverse gereformeerde organisaties voor het maatschappelijke leven op te richten: het GPV, het GMV (Gereformeerd Maatschappelijk Verbond), het GSEV (het Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband) en het GWG (Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap). Lijkt mij toch een vorm van stimuleren van discipelschap.

Een verschil met vroeger zou kunnen zijn dat wij vandaag in het spreken over discipelschap meer de nadruk leggen op karaktervorming en op de individuele vormgeving van de navolging, op het je daadwerkelijk eigen maken van het geloof. Vroeger lag er denk ik meer de nadruk op het volgen van de voorgegeven kaders en was geloven vooral een zaak van regelgeleid gedrag. De traditie was sterk.

Het concept ‘leerling zijn’ doet meer een beroep op het daadwerkelijk iets nieuws leren en nieuwe wegen bewandelen: wegen die misschien niet bekend, maar wel verrassend kunnen zijn. Discipelschap zet meer in op groei en dynamiek.

En toch heb ik stiekem het idee, dat het concept niets anders is als het op een aansprekende wijze formuleren van die oude waarheid, dat het leven van de gelovige bestaat uit het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens.

Kerk als gemeenschap

(Fragmenten uit een preek over HC Zondag 21)

Dit is het plaatje dat Lukas van de eerste gemeente in Handelingen 2, 41-47 schetst. Een foto, waardoor wij ons vandaag kunnen laten inspireren. Richtlijnen voor kerk-zijn, die wij vandaag kunnen vormgeven.

Misschien kun je niet alles 1-op-1 overzetten naar vandaag. Wij leven niet meer in de 1e eeuw.

Dat hoeft ook niet: de vormgeving van kerk mag ook in de loop der tijd veranderen. Dat zie je meteen al in Handelingen 6: het kerkelijke leven wordt anders georganiseerd. Maar het doel blijft hetzelfde. Dat de gemeente echt als gemeenschap zal functioneren.

In alle veranderingen en variatie moet het gaan om het ene doel: dat wij open staan voor Gods werk, voor hoe de Geest ons tot een gemeenschap smeedt.

Het model, dat Lukas tekent is duidelijk: God en Jezus centraal, elkaar dienen en open zijn naar de omgeving. Dat is hoe de Heilige Geest van die eerste gemeente een echte gemeenschap maakt.

De vraag voor ons vandaag is waarschijnlijk veeleer: willen wij dat wel? Zijn wij bereid om alles gemeenschappelijk te hebben?

Want dat botst namelijk behoorlijk met hoe wij in het leven staan. Wij leven in een cultuur die door en door geïndividualiseerd is. Ben je dan bereid om vanuit de gemeenschap te denken? Dat is echt de focus in Handelingen 2. Men denkt niet vanuit het individu, maar vanuit de gemeenschap.

Wil je ook het uitgangspunt voor je bestaan in het Koninkrijk van God zoeken? Nadenken over wat de prioriteiten en missie van Gods volk zijn? En die bepalend laten zijn voor de invulling van je agenda door de week?

Op welke manier stem jij je leven af op de agenda van God in deze wereld? Wat betekent het Koninkrijk van God voor jou, voor mij persoonlijk? En wat betekent het Koninkrijk van God voor ons gemeenschappelijk leven in de kerk?

Het Koninkrijk van God bestaat niet uit een verzameling losse individuen. God wil met een volk samenleven: voor God is de gemeenschap de basis.

Ben je bereid elkaar vandaag de dag zo te dienen? Zelfs al heb je een andere visie op allerlei zaken? Wil je de ander in liefde tegemoet blijven treden en erkennen als broer en zus? En ben je bereid elkaar zo te ontmoeten aan de avondmaalstafel?

Omdat die ander ook zijn heil en redding in Christus zoekt. Hem aanvaarden als broer en zus, ondanks het feit dat hij/zij dat misschien op een andere wijze uitwerkt dan jij wenselijk of fijn vindt? En ondanks grote verschillen misschien wel over de uitleg van de bijbel en de toepassing van de bijbelse boodschap voor vandaag? Maar hen wel aanvaarden als mensen, van wie de zonden vergeven zijn en die net als jij van genade mogen leven.

Ben je bereid om als er verschil van inzicht is, niet je eigen visie, jouw exegese of die van de traditie leidend en normatief te laten zijn. Maar het gesprek vol te houden over wat wezenlijk is en wat de kern is: de verbinding met Jezus, het evangelie van de bevrijding van schuld en het koninkrijk van God.

Misschien moeten we vandaag vooral wel leren om onze onmacht hierin te delen. Dat we als kerk voortdurend in groepjes uiteenvallen. Dat we falen om ieder die het heil in Christus zoekt, vast te houden of aan ons te binden. Zowel ter linker- als ter rechterzijde. Schuld belijden over het verscheurd-zijn van Christus’ kerk.

En als het uiteindelijk toch niet met elkaar lukt, laten we elkaar niet verketteren, maar zegenen. Eventueel uit elkaar gaan, zoals Paulus en Barnabas op een gegeven moment apart verder gingen. En elkaar toevertrouwen aan de genade van de Heer.

In 1 Korintiërs 4 schrijft Paulus, dat de Korintiërs moesten ophouden met oordelen en met groepsvorming. Hij roept hen op om het oordeel van Christus af te wachten. Dan zal wel duidelijk worden wat van ons kerkelijk leven houdbaar is gebleken: of het hout, stro of steen was. God is daar niet van afhankelijk om ons door het vuur heen te behouden.

Het voornaamste is, dat wij in alles net als Paulus in verbondenheid met Christus leven, (1 Korintiërs 4, 16-17). En van daaruit weer leren, wat werkelijke gemeenschap der heiligen is.

Moge de Heer jullie zo zegenen in jullie leven als gemeente van Christus. In variatie op die woorden van Paulus in Romeinen 15:5: moge God jullie de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. Hij zal jullie daar de volharding voor geven, jullie troosten in elk verdriet. Zo zullen jullie eendrachtig en eenstemmig de eer kunnen brengen aan God, die de Vader is van onze Heer Jezus Christus.