Eer bieden

(Fragmenten uit een preek over het 5e gebod, gehouden in de Veertigdagentijd 2015)

1.

Ik weet niet of u Hanna Schygulla kent. Ze was in de jaren ’70 een belangrijke favoriet van de duitse regisseur Rainer Werner Fassbinder. In een groot aantal films van hem speelt ze een belangrijke rol. Onder andere de hoofdrol in ‘Die Ehe der Maria Braun’ en in ‘Lily Marleen’. Ook werkte ze met een groot aantal andere beroemde duitse regisseurs.

Het meest opvallende aan haar filmcarrière is dat die een kleine 20 jaar zo goed als onderbroken is geweest. In 1987, ze was toen 44, trok ze zich bijna helemaal uit het openbare leven terug om eerst haar moeder, die getroffen was door verscheidene beroertes, en later haar vader naar de dood te begeleiden. Ze wist natuurlijk van te voren niet hoe lang haar ouders nog zouden leven en dat het bijna 18 jaar van haar carrière zou kosten. Toch is ze altijd voor hen blijven zorgen. Haar moeder stierf na 8 jaar in 1995, haar vader tien jaar later in 2005 op 96-jarige leeftijd. Het was voor haar volkomen vanzelfsprekend om als hun enige kind voor hen te zorgen. Ze heeft er geen seconde over getwijfeld. Een daad van liefde voor haar moeder, die aan het eind van de 2e wereldoorlog met haar als 2-jarig kind vanuit Polen naar Beieren was gevlucht. En voor haar vader die in 1948 gebroken uit de Russische krijgsgevangenschap was teruggekeerd, hoewel haar relatie met hem daardoor altijd afstandelijk was geweest.

Dit is de oorspronkelijke kern van dat 5e gebod: eer uw vader en moeder.

Hou ouderen in waarde, hou ze hoog, juist als ze hulpbehoevend zijn en ze in hun ouderdom economisch niet meer van waarde zijn en zelfs een grote financiële en emotionele last kunnen worden. Verzorg ze juist dan op passende wijze met voedsel, kleding en een woning, en blijf respectvol met ze omgaan ondanks afnemende levenskracht of afnemende verstandelijke vermogens, en geef ze uiteindelijk een eervolle begrafenis.

Als ik het kort op een noemer breng: in het 5e gebod gaat het niet primair over gezag en gezagsrelaties, maar vooral om de verbinding en de verantwoordelijkheid van de generaties voor elkaar.

2.

Degene die Psalm 71 bidt, is een voorbeeld van iemand die oud is en nu juist vanwege zijn ouderdom niet meer serieus genomen wordt, en daarom een gemakkelijk mikpunt geworden is van onderdrukking, uitstoting en smadelijke behandeling, kortom van oneer en schande.

Heel deze psalm is doortrokken door en wordt gedragen door die tegensteling tussen eer en schande. En dat is niet verwonderlijk. De bijbel is een boek afkomstig uit een oud-oosterse cultuur. Het joodse geloof en daarmee ook het christelijk geloof is geworteld in een cultuur, waarin eer en schande een van de dragende waarden in de samenleving zijn.

De dichter van Psalm 71 wendt zich tot God en smeekt hem om uitkomst, verlossing, redding. Hij vraagt of God hem weer in aanzien en eer wil herstellen: verhoog mij in aanzien, staat er in vers 21. En tegelijk vraagt hij of God zijn tegenstanders van schaamte wil laten bezwijken en met schande bedekt wil laten worden, vers 13.

Maar het gaat niet om de eer voor de psalmdichter op zichzelf. Dat is een ander belangrijk dragend element in deze psalm. In alles gaat het om de eer van God: dat hij geprezen wordt, dat hem de lof wordt gebracht, dat het herdenken van zijn daden het brandpunt en centrum van de dichter is en van de samenleving wordt. In het bijzonder in vers 17 en 18:

‘God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm.’

Het gaat er om dat Gods gerechtigheid zichtbaar wordt in de samenleving. Dat is Gods bedoeling geweest toen hij het volk Israel verloste uit Egypte en hen Kanaan als het beloofde land gaf. Daarvoor gaf hij hen de Decaloog, die 10 woorden. Ook dat 5e gebod om de ouderen te eren. Opdat het volk in dat land een goed leven zou hebben. Als zijn volk wonend in vrijheid, in welvaart, en zo gezegend door hun God. En degene, die daarvoor moest waken, – dat het recht in het land zou heersen -, dat was de koning. Daarvoor had God hen een koning gegeven. De koning, die in Psalm 72 uitgetekend wordt als de messiaanse d.w.z. de gezalfde koning.

Je kunt Psalm 72 binnen de structuur van het boek der Psalmen zien als een toespitsing en als antwoord op dat gebed van de dichter van Psalm 71: “Heer, brengt recht in mijn situatie, verlos mij.”

In Psalm 72 wordt gebeden of de koning dan ook daadwerkelijk het volk rechtvaardig zal besturen. Of God hem daarvoor zijn wetten en gerechtigheid wil schenken, vers 1 en 2. Want daarvoor is hij geroepen, vers 12 tot 14:

‘Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.’

Dat is de manier waarop God vrede en recht wil brengen. Via de koning als zijn vertegenwoordiger op aarde. Als hij zijn taak als ‘gezagsdrager’ op de juiste wijze zal uitvoeren, zal er vrede met de volken zijn, zal het land vruchtbaar zijn, de economie ieder ten goede komen en zal via hem Gods zegen over heel de wereld verspreid worden. Kortom, dan zal werkelijk de messiaanse tijd aanbreken.

3.

Toen kwam Jezus als koning – rijdend op een veulen werd hij Jeruzalem binnengehaald. Hij vervulde in zijn leven ook dit gebod. En als je naar hem kijkt, dan zie je dat hij de zaken heel sterk op God zelf focust als degene, op wie je al jouw eer en ontzag moet richten.

Hij was zijn ouders onderdanig, maar hoe jong hij ook was hij maakte wel duidelijk zijn oriëntatiepunt lag in de zaken die op zijn Vader in de hemel betrekking hadden.

Hij relativeerde de natuurlijke bloedband ten gunste van de geestelijke band tussen broers en zussen in het geloof. Zoals Lukas optekent in Lukas 14 : 26 – 27:

‘Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. Je kunt alleen mijn leerling zijn als je je kruis op je neemt en mij op mijn weg volgt.’

Daarmee schuift Jezus het 5e gebod niet aan de kant. Wel maakt hij duidelijk dat discipelschap gaat boven andere zaken waar je je aan kunt wijden, zoals je werk, je gezin, je geld. Dat het vooral gaat om het je richten op God en zijn rijk en op het volgen van Jezus zelf.

Net als Abraham en het volk Israel moet je vandaag je land, je bedrijf, je familie achterlaten om naar het beloofde land te trekken, je daar te settelen en je verantwoordelijkheid te nemen, ook ten aanzien van het 5e gebod. Ik geloof dat vandaag de geloofsgemeenschap een belangrijk plek is van waaruit je dat beloofde land en die messiaanse samenleving gestalte mag geven.

4.

Vanuit dit perspectief wil ik deze preek toespitsen door nog een enkele vraag en overweging mee te geven om verder over na te denken.

Als eerste: tegen mensonterende situaties. Je mag best in rekening brengen, dat wij vandaag veel meer geïndividualiseerd leven als in de collectieve samenleving van vroeger. Wij hebben het kerngezin van vader, moeder en kind, en kennen niet meer de grote familie waarin 3 of 4 generaties samenwonen. Dat betekent dat je niet hetzelfde hoeft te doen als Hanna Schygulla door de last van de zorg voor ouders op je te nemen als gezin alleen. Bejaardenhuizen en verzorgingshuizen zijn waardevolle instellingen. Toch is het juist de plicht van ons als geloofsgemeenschap om in het geweer te komen als daarin vanwege economische overwegingen pyamadagen en andere mensonterende situaties ontstaan. Volgens mij een belangrijk punt om als kerkgemeenschap er over door te denken, hoe je daarin iets kunt betekenen. Hoe lastig dat ook is, omdat je daarin je je kritisch moet opstellen tegenover ons sociaal en economisch systeem, dat door dat individualisme ook behoorlijk verworden is.

Als tweede: het zoeken van de verbinding tussen de generaties. Als geloofsgemeenschap staan jullie voor de opdracht deze verbondenheid vorm te geven. Daar zul je met elkaar over door moeten spreken. Hoe geef je als ouderen aan jongeren in de kerk de ruimte om daarin een eigen weg te gaan, die misschien anders is als de weg waarin jij gegaan bent? En hoe respecteer je als jongeren de weg en de traditie, waarin ouderen hun geloof en ontzag voor God vorm hebben gegeven? Ben je bereid om de geschiedenis van de ouderen respectvol te behandelen en die ook een plek te geven in jouw leven? Zijn jullie werkelijk bereid om samen de onderlinge verbondenheid vorm te geven door als jongeren èn ouderen in elkaar te investeren: door tijd, aandacht en geloof met elkaar te delen?

En als laatste: Jezus Christus heeft als dè messiaanse koning laten zien, dat gezag en verbondenheid vooral tot zijn recht komen in een houding van wederzijdse dienstbaarheid, van een elkaar vergeven, en een elkaar tot zegen zijn. Dat is de weg van het kruis die Jezus gegaan is. Dat is ook de manier waartoe wij opgeroepen worden om dit 5e gebod inhoud te geven: eer je vader en moeder, opdat het je goed zal gaan in het land dat God jullie geven zal. In mijn woorden: wees elkaar als generaties in onderlinge verbondenheid en in wederzijdse dienstbaarheid tot een zegen.

22 maart 2015, de 5e zondag van de Veertigdagentijd.

Advertenties

Lessen van Justin Lee

Het was begin jaren ’80. Ik maakte voor het eerst in de vrijgemaakte kerk van nabij mee, wat het betekent als je als homo ‘uit de kast’ komt: de verwarring, worsteling en strijd die daaraan vooraf ging, het ongeloof van de omstanders en de discussie en veroordeling die daarop volgde. Maar wat mij het meest raakte was de liefdevolle barmhartigheid en strijdbaarheid van de directe familie en vrienden: ‘wat er ook gebeurt, wij houden van je en gaan voor je door het vuur, we laten je niet vallen!’

Ik was begin 20 en totaal onwetend wat homo zijn inhield. In theorie wel, maar ik kende er geen. Terwijl toch in elke klas waar ik in gezeten had er statistisch gezien op zijn minst 1 jongen of meisje homo zou moeten zijn. En in elke kerk waar ik bij hoorde, toch zeker 5 tot 10. En anders zouden er op de studentenvereniging wel zo’n 3 tot 5 leden zijn. Pas later hoorde ik dat iemand homo of lesbisch was en van velen weet ik het waarschijnlijk nog steeds niet.

Ik ben nu in de 50 en het aantal homo’s of lesbiennes dat ik ken, is nog steeds niet erg groot. Ook zie ik nog steeds zich dezelfde patronen van ongemakkelijkheid voltrekken, wanneer iemand in mijn omgeving vertelt dat hij homo of lesbisch is: hoe stel ik mij op? Hoe reageren wij als omstanders? Hoe gaan wij als kerkgemeenschap er mee om?

Afgelopen jaar verscheen ‘Verscheurd’, de Nederlandse vertaling van een boek van Justin Lee[i]. Daarin vertelt hij over zijn ervaringen om als homo binnen een christelijke gemeenschap ‘uit de kast’ te komen. Alleen al vanwege het inzicht in de worstelingen en strijd om voor jezelf te erkennen dat je homo bent, is dit boek het waard om gelezen te worden. Toch was dit niet de voornaamste reden dat ik dit boek rond de jaarwisseling in één adem uit heb gelezen. Dat was met name omdat dit persoonlijke verhaal op een innemende wijze drager is van het gesprek over homoseksualiteit en christelijk geloof. Het boek van Justin Lee gaat vooral over de worsteling hoe je tegelijk homo en christen kunt zijn.

Binnen mijn kerkgemeenschap (de GKV) is het nog steeds niet normaal dat je als christen homo of lesbisch kunt zijn. In theorie wel, maar in de praktijk weten we ons vaak geen raad. Het gesprek over homoseksualiteit is daarom blijvend noodzakelijk. Daarom vooral is het belangrijk om te weten hoe je dat gesprek kunt voeren. Het boek van Justin Lee zie ik als een voorbeeld, hoe je dat op een christelijk genadevolle wijze kunt doen. Ik hoop dat velen het om die reden zullen lezen en daar inspiratie uit zullen putten om zijn voorbeeld na te volgen.

Het thema van de homoseksualiteit zal de komende jaren in onze kerken een hot item worden. Een indicatie daarvoor zie ik in een reactie op de Synode van Ede-Zuid 2014, waarin gesteld wordt dat de wijze waarop wij met het thema homoseksualiteit om zullen gaan, bepalend zal zijn voor het behoud van het gereformeerde karakter van onze kerken. Vanuit zo’n principiële insteek zal het extra noodzakelijk zijn om dit gesprek over homoseksualiteit op zorgvuldige wijze aan te gaan. De ervaring leert dat het staan voor de waarheid zo maar het liefhebben van de ander in de weg kan staan. Wat ik van harte wil, is dat de homo’s en lesbiennes in onze kerkgemeenschap niet opnieuw slachtoffers van een (hernieuwde) discussie over homoseksualiteit zullen worden.

Daarom geef ik hier enkele lessen door die ik vooral of soms opnieuw van Justin Lee geleerd heb.

–          Allereerst dat we niet weten waarom iemand homo of lesbienne is. Maar als je het bent, is het zeer waarschijnlijk dat de biologische aanleg een belangrijke rol speelt en dat je allerlei sociologisch bepaalde theorieën, die de oorzaak in de opvoeding of in (traumatische) levensomstandigheden zien, met een gerust hart aan de kant kunt leggen.

–          De tweede is dat je homo voor het leven bent, net zoals je ook hetero voor het leven bent. Een eventueel onderscheid tussen zijn en gedrag is daarin niet helpend. De mogelijkheid dat je van seksuele oriëntatie verandert is te verwaarlozen. Daarom moet je ook homo’s niet adviseren om zo’n verandering door therapie proberen te bereiken. Integendeel, de ex -homobedieningen hebben in de VS, ondanks hun goede bedoelingen, uitzonderlijke destructieve gevolgen gehad voor zowel de kerken als voor de homo’s zelf.

–          Een derde is dat celibaat voor christenen een reële optie zal moeten zijn. Mensen die daarvoor kiezen zullen zich binnen de kerk volkomen aanvaard en gesteund moeten weten. Dit vind ik een belangrijke les, vooral omdat Lee zelf in zijn zoektocht om zijn christen zijn met het homo zijn te verbinden tot de conclusie gekomen is, dat God niet van homo’s eist dat ze celibatair leven. Wie kiest voor het celibaat heeft een lange, moeilijke weg te gaan waar eenzaamheid en ontmoediging op de loer liggen. Daarom hebben homoseksuele christenen die geloven dat God hen hiertoe roept, de steun van hun kerkelijke gemeente hard nodig.

–          Een vierde – en m.i. belangrijkste les – is, dat wil er echt een zinnig gesprek ontstaan over homoseksualiteit en bijbel er de bereidheid moet zijn om werkelijk naar de ander te luisteren. Een bereidheid die zo groot moet zijn, dat je de homo en de lesbienne als medechristen blijft aanvaarden en behandelen, zelfs al strookt zijn of haar interpretatie van de bijbel niet met die van jou.

Door het levensverhaal van Justin Lee ben ik opnieuw doordrongen van de christelijke opdracht om de ander lief te hebben en ieder in zijn gevoelens en ervaringen te respecteren, maar ook hoe christenen hier op een ongelofelijke wijze, – zelfs als zij dat niet willen -, kunnen falen.

Voor de uitkomst van het gesprek over homoseksualiteit, bijbel en kerk zal veel afhangen of we inderdaad bereid zijn de liefdevolle houding, die Jezus in zijn leven op aarde liet zien, in ons eigen kerkelijk leven na te volgen. Ik ben nog steeds dankbaar, dat ik daar in mijn eerste homocasus in de jaren ’80 al inspirerende voorbeelden van heb mogen zien.

 

[i] Justin Lee, Verscheurd, Ark Media. Amsterdam, 2014

 

Discipelschap als nieuw concept?

Gisteravond was ik in het leerhuis van de Zwolse Plantagekerk. Daar sprak dr. Sake Stoppels over discipelschap. Het was een inspirerende avond.

Eén bundel van uitspraken bleef bij mij hangen: ‘Jezus roept leerlingen, geen kerkleden.’ Kerklid zijn betekent nog niet dat je een discipel bent. Discipel zijn is een zaak van houding en gezindheid, niet van activiteit. Lidmaatschap is iets administratiefs en dat is in deze tijd passé. Daarom snapte hij de ratio achter de stelling van de PKN in juli 2013 niet, dat zij meer leden (2 miljoen) heeft dan de KNVB (1,2 miljoen).

Je zou het spreken over discipelschap een hype kunnen noemen. Zo wil ik het niet wegzetten. In onze kerkelijke gemeente – GKV De Fontein in Zwolle-Stadshagen – hebben we ook bewust in de nieuwe missie en visie gekozen voor het concept ‘leerling van Jezus Christus’. Voor mij is het grote pré van dit concept, dat je gedwongen wordt om het christen zijn niet als een vaststaand gegeven te beschouwen. In de zin van: je hebt belijdenis gedaan en nu is het goed. In de woorden van Sake Stoppels: ‘belijdenis doen is geen eindstation, eerder een beginpunt’.

Inderdaad staat het evangelie en het leven als leerling haaks op onze cultuur en op mijn eigen leefpatroon. Er is, – zoals Sake Stoppels uitlegde -, die Tegenstem in mijn leven, waardoor het in mijn bestaan schuurt. Een Tegenstem, die mij dwingt in de spiegel te kijken en die mij de vraag voorlegt: past dat gedrag van jou nu wel bij het volgen van Jezus?

Tegelijk kwam de vraag bij mij boven: wat is er nu anders aan dit concept in vergelijking met vroeger? Misschien wel bij de PKN. Daar is vanouds een brede rand en heeft men een grote kaartenbak met papieren leden. De nadruk op discipelschap kan dan inderdaad een ander accent zijn.

In de traditie waarin ik groot geworden ben, de vrijgemaakte, is er altijd een besef geweest dat ‘het leven één is’. Dat er geen scheiding zou mogen zijn tussen de zondag en de maandag. Dat is een van de redenen geweest om na de Vrijmaking diverse gereformeerde organisaties voor het maatschappelijke leven op te richten: het GPV, het GMV (Gereformeerd Maatschappelijk Verbond), het GSEV (het Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband) en het GWG (Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap). Lijkt mij toch een vorm van stimuleren van discipelschap.

Een verschil met vroeger zou kunnen zijn dat wij vandaag in het spreken over discipelschap meer de nadruk leggen op karaktervorming en op de individuele vormgeving van de navolging, op het je daadwerkelijk eigen maken van het geloof. Vroeger lag er denk ik meer de nadruk op het volgen van de voorgegeven kaders en was geloven vooral een zaak van regelgeleid gedrag. De traditie was sterk.

Het concept ‘leerling zijn’ doet meer een beroep op het daadwerkelijk iets nieuws leren en nieuwe wegen bewandelen: wegen die misschien niet bekend, maar wel verrassend kunnen zijn. Discipelschap zet meer in op groei en dynamiek.

En toch heb ik stiekem het idee, dat het concept niets anders is als het op een aansprekende wijze formuleren van die oude waarheid, dat het leven van de gelovige bestaat uit het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens.

Kerk als gemeenschap

(Fragmenten uit een preek over HC Zondag 21)

Dit is het plaatje dat Lukas van de eerste gemeente in Handelingen 2, 41-47 schetst. Een foto, waardoor wij ons vandaag kunnen laten inspireren. Richtlijnen voor kerk-zijn, die wij vandaag kunnen vormgeven.

Misschien kun je niet alles 1-op-1 overzetten naar vandaag. Wij leven niet meer in de 1e eeuw.

Dat hoeft ook niet: de vormgeving van kerk mag ook in de loop der tijd veranderen. Dat zie je meteen al in Handelingen 6: het kerkelijke leven wordt anders georganiseerd. Maar het doel blijft hetzelfde. Dat de gemeente echt als gemeenschap zal functioneren.

In alle veranderingen en variatie moet het gaan om het ene doel: dat wij open staan voor Gods werk, voor hoe de Geest ons tot een gemeenschap smeedt.

Het model, dat Lukas tekent is duidelijk: God en Jezus centraal, elkaar dienen en open zijn naar de omgeving. Dat is hoe de Heilige Geest van die eerste gemeente een echte gemeenschap maakt.

De vraag voor ons vandaag is waarschijnlijk veeleer: willen wij dat wel? Zijn wij bereid om alles gemeenschappelijk te hebben?

Want dat botst namelijk behoorlijk met hoe wij in het leven staan. Wij leven in een cultuur die door en door geïndividualiseerd is. Ben je dan bereid om vanuit de gemeenschap te denken? Dat is echt de focus in Handelingen 2. Men denkt niet vanuit het individu, maar vanuit de gemeenschap.

Wil je ook het uitgangspunt voor je bestaan in het Koninkrijk van God zoeken? Nadenken over wat de prioriteiten en missie van Gods volk zijn? En die bepalend laten zijn voor de invulling van je agenda door de week?

Op welke manier stem jij je leven af op de agenda van God in deze wereld? Wat betekent het Koninkrijk van God voor jou, voor mij persoonlijk? En wat betekent het Koninkrijk van God voor ons gemeenschappelijk leven in de kerk?

Het Koninkrijk van God bestaat niet uit een verzameling losse individuen. God wil met een volk samenleven: voor God is de gemeenschap de basis.

Ben je bereid elkaar vandaag de dag zo te dienen? Zelfs al heb je een andere visie op allerlei zaken? Wil je de ander in liefde tegemoet blijven treden en erkennen als broer en zus? En ben je bereid elkaar zo te ontmoeten aan de avondmaalstafel?

Omdat die ander ook zijn heil en redding in Christus zoekt. Hem aanvaarden als broer en zus, ondanks het feit dat hij/zij dat misschien op een andere wijze uitwerkt dan jij wenselijk of fijn vindt? En ondanks grote verschillen misschien wel over de uitleg van de bijbel en de toepassing van de bijbelse boodschap voor vandaag? Maar hen wel aanvaarden als mensen, van wie de zonden vergeven zijn en die net als jij van genade mogen leven.

Ben je bereid om als er verschil van inzicht is, niet je eigen visie, jouw exegese of die van de traditie leidend en normatief te laten zijn. Maar het gesprek vol te houden over wat wezenlijk is en wat de kern is: de verbinding met Jezus, het evangelie van de bevrijding van schuld en het koninkrijk van God.

Misschien moeten we vandaag vooral wel leren om onze onmacht hierin te delen. Dat we als kerk voortdurend in groepjes uiteenvallen. Dat we falen om ieder die het heil in Christus zoekt, vast te houden of aan ons te binden. Zowel ter linker- als ter rechterzijde. Schuld belijden over het verscheurd-zijn van Christus’ kerk.

En als het uiteindelijk toch niet met elkaar lukt, laten we elkaar niet verketteren, maar zegenen. Eventueel uit elkaar gaan, zoals Paulus en Barnabas op een gegeven moment apart verder gingen. En elkaar toevertrouwen aan de genade van de Heer.

In 1 Korintiërs 4 schrijft Paulus, dat de Korintiërs moesten ophouden met oordelen en met groepsvorming. Hij roept hen op om het oordeel van Christus af te wachten. Dan zal wel duidelijk worden wat van ons kerkelijk leven houdbaar is gebleken: of het hout, stro of steen was. God is daar niet van afhankelijk om ons door het vuur heen te behouden.

Het voornaamste is, dat wij in alles net als Paulus in verbondenheid met Christus leven, (1 Korintiërs 4, 16-17). En van daaruit weer leren, wat werkelijke gemeenschap der heiligen is.

Moge de Heer jullie zo zegenen in jullie leven als gemeente van Christus. In variatie op die woorden van Paulus in Romeinen 15:5: moge God jullie de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. Hij zal jullie daar de volharding voor geven, jullie troosten in elk verdriet. Zo zullen jullie eendrachtig en eenstemmig de eer kunnen brengen aan God, die de Vader is van onze Heer Jezus Christus.

Hermeneutiek, m/v en de eenheid tussen GKV en NGK

Interessante vraag: hoe verhouden de twee besluiten van de GKV synode over resp. ‘de vrouw en het ambt’ en ‘de overeenstemming in de hermeneutiek met de NGK’ zich tot elkaar? Heeft de NGK juist niet vanuit hun hermeneutiek de deur voor de vrouw in het ambt open gezet? Het antwoord hierop heb ik geprobeerd te vinden in het deputatenrapport van Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE).[i]

Er was in 2010/2011 al overeenstemming tussen de GKV en de NGK over het lezen van de bijbel. Die omvatte kort samengevat het volgende (9/10):

1. De Bijbel is het Woord van God: Wij belijden dat de Bijbel het Woord van God is, geïnspireerd door de Heilige Geest. Die belijdenis bepaalt onze leeshouding en onze uitleg.

2. De contextbetrokkenheid van Bijbelse voorschriften: God gaat verlossend om met concrete mensen in concrete situaties. Om Bijbelse voorschriften in hun betekenis voor ons te begrijpen, zullen we verschillen en overeenkomsten tussen de context van toen en van nu in rekening moeten brengen. Steeds leren we echter wel uit Gods omgang met onze contexten zijn bedoeling voor ons leven kennen.

3. Het beroep op de schepping: In de ethiek is van belang dat deze wereld Gods schepping is. Door de zonde en door het komende koninkrijk van God leren we Gods bedoeling met zijn schepping echter vooral kennen in wat God ons openbaart over zijn schepping in zijn Woord.

4. De verantwoordelijkheid van de mens: Mensen hebben een eigen oordeelsvermogen en een eigen verantwoordelijkheid. Omdat mensen door de zonde beschadigd zijn maar ook in Christus vernieuwd worden, is het wezenlijk deze verantwoordelijkheid steeds weer te laten vullen vanuit de verbondenheid met Christus, de leiding door de Geest, en het Woord van God.

5. Geloofwaardigheid en cultuur: Toepassing van Bijbelse voorschriften moet geloofwaardig zijn, niet zozeer tegenover het forum van wat huidige cultuur als acceptabel aanvaardt, maar wel geloofwaardig in de zin van integer, eerlijk en niet-selectief. Die toepassing kan dan zowel een kritische als een bij de cultuur aansluitende vorm krijgen.

6. Hermeneutiek en exegese: Onder hermeneutiek verstaan we niet een activiteit die volgt op de exegese, waarin de kloof tussen een oude tekst en een moderne lezer overbrugd moet worden. Hermeneutiek begrijpen wij als kritische bezinning op het hele verstaansproces, dat ook de exegese omvat. Dit verstaansproces is niet van een hermeneutiek afhankelijk, maar hermeneutiek kan wel het verstaansproces kritisch begeleiden en waar nodig verbeteren.

Op basis van deze overeenstemming hebben vertegenwoordigers van de GKV en NGK in de periode 2011-2014 gesprekken gevoerd over twee thema’s:

1. Eenheid en diversiteit in de bijbel
2. De houding tegenover en de omgang met de bijbel

Ad 1. Eenheid en diversiteit in de bijbel.

Daarover rapporteren Deputaten het volgende (10/11):

“De Heilige Schriften zijn geen massief geheel, maar een verzameling van 66 geschriften die in een periode van eeuwen ontstaan zijn. Dat maakt de Bijbel een veelkleurig geheel waarin een diversiteit aan stemmen klinkt. Wij geloven dat deze diversiteit echter geen pluraliteit vormt van een kakofonie aan stemmen. Wij geloven dat deze stemmen samen een harmonieuze samenklank laten horen, waarin de drie-enige God ons duidelijk de weg wijst naar Hemzelf, naar onze redding in Christus en door de Geest, en naar een nieuw leven tot zijn eer.

Tegelijk zien wij dat er in ons schriftverstaan verschillen zijn, ook binnen de NGK en de GKv zelf. Wij verstaan de schriften niet altijd op dezelfde manier, en ook slagen wij er niet altijd in om wat wij op verschillende plaatsen in de schrift lezen, met elkaar te combineren. Zo lopen we aan tegen spanningen in ons schriftverstaan. Deze spanningen zijn voor ons geen reden om de Bijbel dan maar naast ons neer te leggen als een innerlijk tegenstrijdig en daarom onbruikbaar boek. We erkennen onze kleinheid en ons onvermogen in ons schriftverstaan en in ons spreken met elkaar over de schrift. Maar we herkennen bij elkaar ook de intentie om de schrift steeds beter te verstaan en elkaar hierin op te scherpen. Samen willen we blijven proberen de eenheid van de canon te verstaan.”

Als het specifiek gaat om m/v concluderen Deputaten ten aanzien van de eenheid en diversiteit in de bijbel (11):

“In onze gesprekken hebben we elkaar dus gevonden in de overtuiging dat de canon een eenheid vormt die we als ons richtsnoer aanvaarden, maar ook in de erkenning dat in ons schriftverstaan het ons niet altijd duidelijk is hoe de verschillende aspecten in het Bijbelse spreken over man en vrouw zich tot elkaar verhouden en wat de doorslag moet geven in onze invulling van de rollen van man en vrouw.”

Ad 2. De houding tegenover en de omgang met de bijbel.

Daarover rapporteren Deputaten (11):

“De 66 boeken die we in de Bijbel vinden, zijn maar geen menselijke geschriften. Als leerlingen van onze Heer Jezus Christus aanvaarden we ze als canon en richtsnoer voor ons leven, als Woord van God. Samen willen we gehoorzamen aan dat woord en in trouw daaraan volgelingen van onze Heer Jezus Christus zijn. We herkennen in ons eigen hart en in onze eigen kerken, dat die gehoorzaamheid nooit vanzelf spreekt. We herkennen ook bij elkaar de zorg dat die gehoorzaamheid juist in onze tijd onder druk staat, zowel in de GKv als in de NGK. Maar we herkennen bij elkaar ook de diepe intentie om gehoorzaam te zijn aan onze God en onszelf op dit punt kritisch te (laten) bevragen.”

Hun conclusie is (12):

“We herkennen dus bij elkaar het verlangen om gehoorzaam te zijn aan Gods woord. In beide kerken staat die gehoorzaamheid onder druk, en is nooit vanzelfsprekend. Tegelijk is het vertrouwen gegroeid, dat we beiden willen buigen voor Gods woord en niet met een mooi klinkende hermeneutiek voor die gehoorzaamheid willen weglopen.”

De gesprekken die over deze 2 thema’s hebben plaatsgevonden hebben tot een wederzijdse overeenstemming tussen de vertegenwoordigers van de GKV en de NGK geleid. Ze zijn er van overtuigd geraakt, dat de GKV en NGK elkaar vertrouwen kunnen schenken als het gaat om de centrale uitgangspunten voor de omgang met de bijbel. Op basis hiervan lag er dus dat voorstel om de gesprekken nu voort te zetten met als doel om tot kerkelijke eenheid te komen. In de woorden van Deputaten zelf (13):

“Zoals uit de Tweede Overeenstemming blijkt, kunnen we als deputaatschap dankbaar constateren dat we als GKv en NGK het vertrouwen hebben dat de Heilige Schrift door beide kerken als Gods Woord wordt aanvaard en we die Schrift bij elkaar in veilige handen weten. Ook als we concreet op een bepaald punt niet tot dezelfde conclusie zouden komen (bij voorbeeld ten aanzien van de vraag of ook vrouwen ambtsdrager kunnen zijn) komt dat niet in mindering op dit vertrouwen. We leggen nu aan de synode deze uitkomst voor en stellen voor dat er een afronding komt aan de gesprekken over de confessie en de hermeneutiek en dat we een nieuw stadium in onze kerkelijke contacten betreden. In onze eigen terminologie: dat we van gesprekken overgaan tot samensprekingen met het oog op kerkelijke eenheid.”

Hoe verhouden de twee besluiten met betrekking tot ‘de vrouw en het ambt’ en ‘overeenstemming in de hermeneutiek met de NGK’ zich dus tot elkaar?

De kern is dat de besluiten verenigbaar zijn, omdat het mogelijk is om met gelijke hermeneutische intentie toch van mening te verschillen. Zoals Deputaten in hun rapport  ten aanzien van het gesprek over “de vrouw en het ambt” schrijven:

“Tegelijk erkennen DKE, dat het mogelijk is om met die intentie toch van mening te verschillen over de exegese van concrete Bijbelgedeelten en over wat God in die Bijbelgedeelten vandaag van ons vraagt. Bij de thematiek van vrouwelijke ouderlingen en predikanten zou dat ook het geval kunnen zijn, maar daarmee hebben we ons in onze gesprekken (nog) niet bezig gehouden.” (12).

Zolang er dus maar aan de randvoorwaarde voldaan is, die in het besluit over ‘de vrouw in het ambt’ opgenomen is: “de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.”

Wordt ongetwijfeld nog vervolgd.


[i]
 Rapport Deputaten Kerkelijke Eenheid 2014. Cijfers tussen haakjes verwijzen naar de paginanummering van dit rapport.

 

Geduld

Er kan in de kerk zomaar onenigheid komen over hoe je de bijbel leest. Als er bijvoorbeeld een verschil van mening is over zaken, die je niet zo rechtstreeks uit de bijbel af kunt lezen.

In het verleden ging het vaak over de sacramenten als doop en avondmaal of over de zondag. In de moderne tijd eerder over zaken als slavernij, apartheid, vrouw in het ambt en homoseksualiteit. Verschillen van mening kunnen dan gemakkelijk leiden tot het verbreken van de onderlinge verbondenheid. De een vermoedt dat hij  – het zijn helaas veelal mannen die hier het voortouw in nemen – meer de waarheid in pacht heeft als de ander. Een scheuring of vrijmaking ligt dan om de hoek.

Als zo’n situatie zich voordoet ligt er voor de kerk de uitdaging om geduld te betonen. Een mooie verwoording daarvan las ik recent bij Angus Paddison, die schreef:

‘Specifically , I will suggest that the virtue the church needs most when it is reading Scripture – and is disagreeing about its meaning – is patience.’

Als voorbeeld waar discussie over is, noemt hij het gesprek over homoseksualiteit. In de context van de kerken waar ik lid van ben (GKv) kun je daarvoor op dit moment ook het item van de vrouw in het ambt invullen:

‘One topic most recently conflicting the church is, of course, homosexuality. But rather than pose yet another argument about what Scripture does or does not say about homosexual behaviour (a debate which has occupied an inordinate amout of the church’s recent energies and attention), I want instead to aks the following: what kind of people must the church be to disagree about Scripture an yet remain in communion? And how does the virtue of patience sustain our vocation of reading Scripture?’

We kunnen geduld hebben, omdat we er op mogen vertrouwen dat God in Christus alles al gedaan heeft door hem uit de dood op te wekken. We hebben de tijd om het met elkaar oneens te zijn, omdat het strikt gesproken niet ‘onze’ tijd is: ons wordt de tijd en de ruimte gegeven om in liefde naar elkaar toe te groeien. Ook al kunnen wij nog niet tot overeenstemming komen, onze ziel en zaligheid hangt daar niet van af. In variatie op wat Paulus schrijft: als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden, Rom. 8 : 25.

Paddison wijst er op dat het niet iets nieuws is, dat er verschil van mening over de bijbeluitleg is:

‘Indeed, the church has always disagreed about the Scripture in some way. The issue we need to relearn is rather how the church is to endure one another patiently. That we have forgotten how to do this marks our neglect of Scripture’s ministry. Scripture is, as Augustine pointed out, given so that the church may grow closer to one another in communion. Fellow interpreters must not therefore vaunt their interpretation over that of other interpreters but instead seek to build up the community.’

Hij verwijst hiermee naar wat Augustinus in de Confessiones (Boek 12, hoofdstuk XXV) zegt over de verschillende interpretaties van het scheppingsverhaal in Genesis:

Hoe dwaas is het om bij een zo grote overvloed van volkomen juiste interpretaties die daaraan verbonden kunnen worden, vermetel te verzekeren dat een particuliere mening de juiste bedoeling van Mozes weergeeft en door verderfelijke twisten juist de liefde te kwetsen, ter wille waarvan die woorden juist geschreven zijn.

De bijbel is ons toch niet gegeven om verdeeldheid te bevorderen, maar om ons als kerk aan elkaar te verbinden als het lichaam van Christus?

Wanneer de kerk geduld en volharding betoont is ze in staat om het met elkaar uit te houden ook als men het niet met elkaar eens is. Ze laat dan een houding van ontvankelijkheid en kwetsbaarheid zien, die nodig is om het gesprek gaande te houden in vertrouwen op wat God zal laten zien: ‘The patient person is willing to be receptive to the action of God in unexpected places and people and as such is willing to yield control.

Christenen kunnen geduldig zijn, niet omdat het een deugd is die op natuurlijke wijze uit hun samenzijn voortvloeit, maar omdat volharding deel uitmaakt van het wezen van God en omdat God de kerk één maakt, (vgl. Joh. 17:20-23). De deugd van de volharding en geduld is vooral een beschrijving van wie God is en hoe hij handelt.

Geduld betonen als men het niet met elkaar eens is, betekent dat de kerk bereid is een open gesprek te voeren, zonder dat men voorafgaand aan de concrete ontmoeting de randvoorwaarden voor de uitkomst probeert vast te leggen. Dat men bereid is om alle relevante stemmen in het gesprek uit te laten spreken en dat men weerstand biedt aan elke tendens om iemand door de manier waarop het gesprek wordt vorm gegeven bij voorbaat uit te sluiten. Het betekent weerstand bieden aan elke vorm van verabsolutering van de eigen mening.

De eenheid van de kerk vereist dat er geen grenzen worden getrokken tussen waar wel of niet naar geluisterd zal worden. De eenheid wordt niet gevonden door overhaaste buitensluiting, maar in het gesprek waarin men kwetsbaar durft te zijn. Als mensen die bereid zijn om zichzelf als kwetsbare geduldige lezers van de bijbel te laten kennen aan anderen die de boodschap van de bijbel op andere wijze hebben verstaan.

Paddison schrijft dat de eenheid van de kerk niet het resultaat zal zijn van een gemakkelijke overeenkomst, maar ten diepste groeit door het verschil van mening uit te houden:

A church that thinks unity is based on agreement is likely to reach a crisis point when disagreements naturally occur and is liable to split. To be in unity is therefore to know how, in the light of the gospel, to disagree.’

Dit betekent niet dat ‘anything goes’ of dat verschillen van mening op zichzelf kunnen blijven staan. Er zijn grenzen aan verschil in inzicht. Het punt is echter, dat die grenzen niet bereikt zijn voordat christenen een eerlijk proces hebben doorgemaakt van oprechte aandacht voor hen met wie ze van mening verschillen.

(Weergave van en geciteerd uit: Angus Paddison, Scripture: A Very Theological ProposaI, T & T Clark International, London, 2009, p. 57-62).

Leiding geven aan de kerk

Leiding geven aan de kerk

Hoe geef je leiding aan een kerkgemeenschap in verdeeldheid?

Dat was vast een vraag die in 2002 door het hoofd van Rowan Williams speelde. Hij was net benoemd tot de104e Aartsbisschop van Canterbury. Tien jaar lang had hij al in Wales kunnen oefenen. Eerst als bisschop, sinds 2000 als aartsbisschop. Maar nu werd hij verantwoordelijk voor de eenheid van de anglicaanse gemeenschap wereldwijd.

De problematiek van de eenheid was groot. Een grote verscheidenheid in cultuur en theologie. Conflicten over de vrouw in het ambt en homosexualiteit. Het verwerken van het koloniale verleden van Groot-Brittannië. De anglicaanse gemeenschap was een gemeenschap van gelovigen wereldwijd, vanuit zeer verschillende culturen.

Daar komt bij, dat Rowan Williams zelf ook duidelijk een eigen visie op de hete hangijzers heeft, die hij nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Van huis uit theoloog is hij altijd betrokken geweest op de roeping van de kerk. Hij heeft zich uitgesproken over de openstelling van het ambt voor de vrouw. Ook ondersteunt hij de Lesbian and Gay Christian Movement. Door sommigen wordt hij daarom gezien als een liberaal theoloog. Wat hem echter drijft is, dat hij de actuele vragen van de cultuur wil betrekken op de Schrift en de traditie. Daarbij zoekt hij altijd naar ‘orthodoxe antwoorden’, terwijl hij open staat voor veranderingen in visie en praktijk.

Dr. Joris Vercammen, – aan wie ik deze gegevens ontleen -, zegt dat Rowan Williams vaak verweten is, dat hij te weinig leiding zou geven. De dreiging van het uiteenvallen van de anglicaanse gemeenschap leek steeds groter te worden. Het is de vraag, wat je dan onder leiding geven verstaat. Williams is er namelijk van overtuigd dat zowel de meer liberale als de conservatieve vleugel van de anglicaanse kerk onvoldoende openstaan voor het feit dat het geloof ons op de eerste plaats gegeven wordt:

“[H]et is duidelijk dat zijn interesse vooral ligt in het creëren van openheid, zowel naar elkaar als naar de uitdagingen van traditie en cultuur toe. Williams gelooft in de moeilijke weg van een eenheid die van onderop wordt opgebouwd en niet centralistisch opgelegd. Hij is ervan overtuigd dat een eenheid die ruimte geeft aan een bepaalde verscheidenheid, uiteindelijk ook sterker zal blijken te zijn dan een opgelegde uniformiteit en dat het eerste meer te maken heeft met de verzoening die ons in Jezus Christus gegeven is dan het laatste.”

(Gegevens en citaat uit de inleiding op: Rowan Williams, Teken van vertrouwen. Een inleiding in het christelijk geloof, Berne Media / Uitgeverij Abdij van Berne, Heeswijk, 2013).