De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/

 

Advertenties

Een andere visie op m/v en ambt

Pieter Niemeijer, een predikant in de Gkv met een prominente staat van dienst, heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKV over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt.

Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn betoog.[ii]

 

–   Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk, dat in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het deputaatschap pleitte voor openstelling van het ambt voor de vrouw, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen vormen een positieve beantwoording van die vraag.

Voorafgaand aan zijn bespreking stelt Niemeijer vast, dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de leer van de verlossing of ons geloof in Christus. De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Omdat de bijbel ons geen blauwdruk voor de kerkinrichting biedt, zullen wij daar onder gebruikmaking van schriftuurlijke overwegingen en rekening houdend met onze eigen context besluiten over mogen nemen.

Hij is daarom ook van mening, dat bij verschil in visie op een kerkordelijke praktijk we niet te snel moeten roepen dat de ander in strijd komt met het Woord van God. Zolang we ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag. Als er dan een beleidsmatige knoop doorgehakt is, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten.

 

–   Zwijgteksten

Toen hij zich nogmaals over de exegese van de zwijgteksten boog, kwam Niemeijer tot de bevinding dat hij tot nu toe deze nooit rechttoe rechtaan gelezen had, maar dat hij ongemerkt heel wat knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest.

Om te kunnen lezen dat er ‘gewoon staat’ dat de vrouw niet in het leer- of regeerambt mag dienen, moest hij op zo’n 11 momenten een beslissende keuze maken. Om daarin de juiste keuzes te maken zul je echt oog moeten hebben voor de situatie waarin ze geschreven zijn en ook de literaire context in rekening moeten brengen.

Zo werd hem o.a. duidelijk dat het in 1 Timoteüs 2 niet gaat:

  • over m/v en het ambt, maar over m/v in de samenleving;
  • over vrouwen in het algemeen, maar over vrouwen die provoceren;
  • over gezag hebben, maar over de baas willen spelen;
  • over onderwijzen in het algemeen, maar over iemand publiek ‘de les lezen’;
  • over vrouwen met kwaliteiten, maar over vrouwen die eerst zelf nog het nodige onderwijs nodig hebben voor ze anderen kunnen onderwijzen;
  • over de positie van de vrouw ten opzichte van iedere man, maar over de relatie met haar eigen man in het huwelijk.

In deze situatie waarschuwt Paulus vrouwen dat wanneer ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren en zegt hij dat ze moeten ‘zwijgen’. Als ondersteuning daarvoor verwijst hij naar Genesis 2 en 3. Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man. Ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Thuis niet, in de samenkomsten in de kerk niet, en ook niet in de samenleving. Je trekt altijd als man en vrouw samen op.

Dat is de boodschap van de zgn. zwijgteksten. Want zo argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 het niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook daar niet aan de orde. Daar gaat het over de erediensten. De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk moet honoreren, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is.

Paulus past hier een inzicht toe, dat hij in Efeziërs 5:22-33 verder uitgewerkt heeft. De man moet zich richting zijn vrouw met liefde opstellen en de vrouw richting haar man met respect. Toegepast in 1 Timoteüs 2 betekent dit, dat bescheidenheid en dienstbaarheid de toon hoort te zetten, zowel bij mannen (zonder wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (niet bazig de les lezen, vers 12).

Zo is Niemeijer tot de conclusie gekomen, dat je de zwijgteksten niet kunt gebruiken om de vrouw in het ambt af te wijzen.

Volgens hem mag je al die andere plaatsen, waarin over de inzet van vrouwen in de kerk en in de samenleving gesproken wordt, niet weg-exegetiseren door daar een canon van de zgn. zwijgteksten overheen te leggen. Zoals in het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen en vrouwen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen. Dat er geen absoluut gebod voor vrouwen is om onderwijs te geven, blijkt al wel uit Kolossenzen 3 en Romeinen 12, waar ook vrouwen de gave en de opdracht kunnen krijgen te leren en terecht te wijzen.

Zijn eindoordeel is daarom, dat wanneer vrouwen zich met gepaste bescheidenheid en met respect voor hun man gedragen, zij geroepen kunnen worden om ‘ambtelijke’ taken in de gemeente te vervullen.

 

     –   Scheppingsorde

Niemeijers visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden. Hij ging uit van de klassieke opvatting, dat omdat de man het eerst geschapen is, hij het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Zo is er een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw.  Kort samengevat: de man heeft de leiding.

Hij heeft nu ontdekt dat hij met deze inkleuring geen recht doet aan m.n. Efeziërs 5:22-33, waar Paulus helemaal niet uit is om een gezagsrelatie tussen man en vrouw op de schepping te funderen. Want in het begrip ‘onderdanig’ is bij Paulus geen gezagsrelatie verondersteld.

In zijn betoog keert Paulus zich juist tegen een hiërarchische relatie tussen man en vrouw, waarbij de man zich verregaande vrijheden veroorloofde in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omging. Paulus benadrukt dus niet het onderscheid van man en vrouw òf de leidinggevende positie van de man, maar uitgaande van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man, roept hij hen samen op om elkaar te honoreren. Dat is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één.

Ook in 1 Korintiërs 11 benadrukt Paulus dit. De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Zij zijn onderscheiden en horen bij elkaar. Zo zijn ze geroepen om elkaar aan te vullen en een éénheid te vormen.

Uit dit ‘verschil in positie’ kun je volgens Niemeijer niet concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt. Net zoals in andere onderscheiden relaties als ‘ouders-kind’ of ‘werkgever-werknemer’ de ‘ondergeschikte’ ook gewoon tot het ambt geroepen kan worden en als ambtsdrager ten opzichte van de ander kan functioneren.

 

     –   Hermeneutiek

Niemeijer weet dat als je de zwijgteksten en de scheppingsorde anders gaat lezen dan in de traditie gebeurde, je verdacht wordt er een nieuwe hermeneutiek op na te houden. Vandaar dat hij zich uitgebreid voor zijn exegese verantwoordt.

De kern daarvan is, dat hij gewoon de normale regels uit de traditionele hermeneutiek toegepast heeft. Het verschil is, dat hij nadrukkelijker rekening heeft gehouden met de heilshistorische regel, dat je teksten niet als losse of tijdloze teksten mag behandelen.

Verder heeft hij meer oog gekregen voor obstakels en vertekeningen bij de exegeet. Daar was in het verleden veel minder methodische aandacht voor. Ons mensbeeld, ons zondaar zijn, ons wereldbeeld en de scherpte of onscherpte van de bril die wij op hebben, beïnvloeden de exegese en kunnen ons verstaan belemmeren.

Tenslotte brengt hij nadrukkelijk in rekening dat de bijbel een boek met een geschiedenis is en geschreven is ìn en vòòr een verworden patriarchale cultuur, waar God wel bij aansluit in zijn openbaring, maar die niet door Hem gesanctioneerd wordt. In tegenstelling tot de omringende volken wordt in het Oude Testament de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is.

We mogen daarom de patriarchale werkelijkheid van de bijbel niet als norm hanteren. Niet alles wat God op enig moment doet of voorschrijft, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag en houden we ook rekening met de heilshistorische voortgang. Dat vergt wat ik zou willen noemen een ‘kritisch hermeneutisch besef’.

Opmerkelijk is dat Niemeijer sterk benadrukt dat het afstand nemen van patriarchale patronen niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken is. Volgens hem nemen de apostelen afstand van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. In het huwelijk delen man en vrouw elkaars leven zonder dat dit ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie. Ook in het denken over m/v en ambt moeten we recht blijven doen aan deze geordende positie.

Dat de klassieke exegese toch zo lang stand heeft gehouden, is omdat die scheen te kloppen met de eeuwenlange ondergeschikte plek van de vrouw in onze samenleving, waardoor er geen reden was om die exegese diepgaand op zijn houdbaarheid te toetsen. Toen er gepleit werd voor een andere positie van de vrouw in de samenleving, werden die pleidooien voor de emancipatie van de vrouw in de kerk als verdacht afgewezen, omdat zij voornamelijk uit een puur werelds denken zouden voortkomen.

 

     –   De regie van de Geest

Nadat Niemeijer aangetoond heeft, dat de zwijgteksten en de scheppingsorde niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, doet hij ook een voorstel hoe wij positief tot de inschakeling van vrouwen in de kerk kunnen overgaan.

Volgens hem is daar vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je alleen op basis van een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een mogelijke redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKV-synode in 2017. Hij presenteert die niet als een dwingende redenering, maar vindt die wel passen binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen.

Niemeijer vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de geschriften van het oude verbond toen het ging om de vraag, of en hoe ook heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg: ‘de regie van de Geest’.  Dat is dus de manier: erken zijn beleid en heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat ook heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Op dezelfde manier mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen. Gaven als onderwijzen en leiding geven. In de bijbel worden die gaven positief getaxeerd en wordt door Paulus de gemeente opgeroepen om die ook in te zetten in de kerk. Als mannen daarover beschikken, maakt ze hen geschikt voor het ambt. Ook al waren leidinggevende vrouwen in Israël eeuwenlang uitzondering, na Pinksteren mag je in begaafde vrouwen onder het nieuwe verbond een gave van de Geest zien, die ze ook mogen inzetten om in het ambt te dienen.

Niemeijer concludeert op basis daarvan dat, mits er recht wordt gedaan aan de verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk, vrouwen vandaag niet buiten het ambt gehouden hoeven te worden. Volgens hem kun je niet ontkennen dat dit binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt.

 

     –   Beoordeling en vragen

1.   Ik vind het van eerlijkheid en moed getuigen, wanneer je in de lastige discussie over m/v en kerk openlijk getuigenis aflegt van een veranderende visie. Niemeijer legt zijn kaarten op tafel en laat zien, dat in tegenstelling tot wat hij altijd dacht een vrouwelijke ambtsdrager binnen de bandbreedte van de bijbel en de gereformeerde belijdenis past.

2.   Ik ben blij met de openheid die Niemeijer in het gesprek toont naar zowel voorstanders als tegenstanders van het genomen m/v-besluit in de Gkv. Hij blijft in zijn argumentatie en weergave grotendeels ter zake en nodigt uit tot beoordeling en reactie.

3.   Het werkt ontspannend, wanneer Niemeijer het belang van de discussie relativeert door de vrouw in het ambt als een kerkordelijke zaak aan te merken. Tegelijk laat hij zien, dat dit niet betekent dat het niet zoveel uitmaakt wat er besloten wordt. Want ook dan zullen schriftuurlijke overwegingen een belangrijke rol moeten spelen.

4.   Ik vind Niemeijer te laconiek, wanneer hij zich afvraagt waarom hij een absoluut standpunt over m/v en het ambt zou moeten hebben. Zijn motief begrijp ik: voor ons behoud is het niet noodzakelijk. Toch vind ik het thema van de vrouw in het ambt belangrijk. Ook al gaat het niet om mijn persoonlijk heil, het gaat voor mij wel om recht te doen aan de ander. Ik vind dat wij als kerken de verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig met de positie en gaven van vrouwen om te gaan. Ongerechtvaardigde discriminatie is ethisch laakbaar. Daarom vind ik zijn conclusie, dat het niet vol te  houden is dat ‘de kerk de zusters onrecht zou doen door hun het ambt te onthouden’ (81) te kort door de bocht en onvoldoende onderbouwd.[iii]

5.   Niemeijer laat overtuigend zien, dat hij te gemakkelijk in de zwijgteksten gelezen heeft dat vrouwen niet mogen dienen in het leer- of regeerambt. De argumenten daarvoor zijn valide. Het zelfde geldt voor wat hij over de scheppingsorde naar voren brengt. Terecht is zijn waarschuwing om op te passen voor generalisaties van losse teksten en zijn oproep om oog te hebben voor de context waarin Paulus zich op de schepping beroept.

6.   Niemeijer past gewoon de traditionele regels uit de gereformeerde hermeneutiek toe. Daarbij wijst hij er terecht op, dat er in de traditionele hermeneutiek minder methodische aandacht was voor de rol en de bepaaldheid van de exegeet op het interpretatieproces. Dat is iets waar de moderne hermeneutiek meer oog voor heeft gevraagd. Dit betekent niet, dat een andere exegese van de zwijgteksten of de scheppingsorde aan de moderne hermeneutiek toegeschreven kan worden. Niemeijer komt tot die andere exegese, omdat hij bewuster reflecteert op en rekening houdt met de (heilshistorische) bepaaldheid van de bijbeltekst.

7.   Ik ben blij, dat Niemeijer ronduit erkent dat het patriarchaat niet de norm mag zijn voor ons handelen in de kerk. Toch gebruikt hij af en toe nog argumenten voor zijn visie, waarin resten van het patriarchale denken doorsijpelen, (zie hieronder bij 13).

8.   Ik vind Niemeijers voorstel om de beweging naar de vrouw in het ambt te funderen op de regie van de Geest waardevol. Dat is een afscheid van het idee, dat je al je handelen zou moeten funderen op bijbelteksten. Het betekent wel dat je in het formuleren van je visie oog moet hebben voor de hermeneutische aspecten van je bijbelberoep. Het zou mooi zijn, als we daarbij gebruik zouden maken van het gemeenschappelijke referentiekader dat we daarin binnen de GKV hebben opgebouwd. Daarbij denk ik speciaal aan de hermeneutiek die ten grondslag ligt aan de besluiten over huwelijk en echtscheiding van de GKV synoden sinds 1999. Ook verwijs ik hiervoor naar het model, dat Ad de Bruijne geschetst heeft in zijn artikel ‘Ethiek en hermeneutiek’ in de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag.[iv]

9.   Niemeijers betoog zou sterker zijn geworden, wanneer hij een aparte notitie over het ambt had toegevoegd. Impliciet blijkt dat hij van mening is, dat het gezag van het ambt niet aan de persoon gekoppeld is, maar verbonden is aan de opdracht en roeping die aan de persoon gegeven is. De ambtsdrager geeft namens Christus leiding. Het gehoorzamen en onderwerpen aan een ambtsdrager is niet een onderwerpen aan de persoon die Christus daarvoor roept, maar aan Christus zelf, (zie zijn opmerkingen daarover op p. 59-60).

10.   Zijn analyse waarom de klassieke exegese van de zwijgteksten in de GKv het zolang uitgehouden heeft deel ik. De bestaande visie werd niet geconfronteerd met de praktijk. Een oppervlakkige lezing van de zwijgteksten legitimeerde de visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig hoorde te zijn. Tegelijk vind ik dat hij de geschiedenis van de vrouw te rooskleurig voorstelt, waar hij geen oog heeft voor al het werk dat eeuwenlang door vrouwen verricht werd, bijvoorbeeld zolang ze (nog) niet getrouwd waren, als dienstmeisjes en later fabrieksarbeidsters, en als ze tot de klasse van de kleine middenstand of het boerenbedrijf behorend daar met hun echtgenoten meewerkten.

11.   Interessant is de vraag, waarom op dit moment dat deel van de GKV-ers dat zich verzet tegen de vrouw in het ambt, aan de klassieke exegese van de zwijgteksten en aan de scheppingsorde vast blijft houden. Evenals de vraag, hoe het komt dat Niemeijer nu pas tot de overtuiging is gekomen, dat hij ten onrechte van de traditionele visie uitging. Soortgelijke argumenten die hij nu noemt, zijn al sinds de jaren ‘80 en ’90 in de GKV naar voren gebracht door b.v. Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom, Lies Schaeffer-de Wal en Maarten J. Verkerk.

12.   Ik vind dat Niemeijer te gemakkelijk concludeert, ‘dat de klassieke exegese van de zgn. zwijgteksten en de zogenaamde scheppingsorde bestaansrecht hebben binnen de kerk, maar niet het alleenrecht’, (p. 81). Betekent het feit dat wij nu een scherpere bril hebben niet, dat wij ook de verantwoordelijkheid hebben om die op te zetten? Mogen wij interpretaties die stoelen op een minder scherpe bril afwijzen als een ongerechtvaardigd argument binnen een pleidooi tegen de vrouw in het ambt? Terecht wijst Niemeijer er op dat er in de kerk vrijheid van exegese is. Toch kun je mijns inziens met de huidige kennis van zaken niet meer zeggen dat de klassieke exegese van de zwijgteksten een geldige manier van interpreteren is, maar moet je die als een vorm van inlegkunde afwijzen.

13.   Als het gaat om de interpretatie van Efeziërs 5:22-33 zie ik dat Niemeijer afstand neemt van een exegese, waarbij in het hoofd-zijn een gezagsrelatie wordt ingelezen.

Tegelijk zijn er verschillende momenten in zijn betoog, waarin hij toch die afgewezen veronderstelde gezagsrelatie tussen man en vrouw inzet om te ondersteunen, dat er geen gelijkwaardigheid is in de positie tussen man en vrouw. Dat wreekt zich met name in zijn exegese van Gen. 2:18 e.v. in combinatie met Efeziers 5, waardoor hij er toch niet aan ontkomt in de verhouding van man en vrouw een – weliswaar relatieve en gematigde – onderschikking te lezen: ‘Zoals een man niet zonder helper naast zich kan, kan de vrouw niet zonder hoofd’ en ‘vrouwen moeten niet streven naar de eerste plaats maar de van God ontvangen positie van hun man erkennen’, (zie p. 59). Vanuit deze exegese keert hij zich tegen een ‘hedendaags gelijkheidsdenken’ en suggereert hij dat ‘die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over man, vrouw en ambt wel eens wordt vergeten’. Daarbij verwijst hij naar het boek Zonen & dochters profeteren.[v] Graag had ik van Niemeijer nog een zorgvuldige exegese van Gen. 1 en 2 gezien om deze relatieve onderdanigheid van de vrouw aan de man te onderbouwen en die exegese dan te confronteren met de inzichten uit genoemd boek.

In dit verband wil ik Niemeijer een vraag stellen, naar aanleiding van zijn opmerking over Paulus’ formulering voor de vereisten voor het ambt: ‘dat Paulus van een man spreekt in aansluiting bij de bestaande praktijk, zoals je dat veel vaker in de Schrift ziet gebeuren’, (70). In hoeverre mag je zeggen, dat Paulus ook in de formulering van de zgn. huistafels zich aansluit bij een bestaande praktijk? Niemeijer laat zien, dat in Efeziërs 5 een behoorlijke kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken aanwezig is, maar zijn er desondanks bij Paulus zelf ook geen resten daarvan te bespeuren? Zijn stelling, dat het patriarchaat in het Nieuwtestamentische denken duidelijk voorbij is, is mij veel te stellig en mijns inziens niet houdbaar.

14.   Mij puzzelt het nog wat Niemeijer er van weerhoudt, wanneer hij afstand neemt van de klassieke exegese van zwijgteksten en scheppingsorde en concludeert dat die geen verhindering zijn om de vrouw in het ambt te laten dienen, om een pleidooi daarvoor voluit te ondersteunen. Ik kan me voorstellen dat hij daar gevoelsmatig nog niet aan toe is (8), maar voor zover ik de logica van zijn argumentatie begrijp, zou dat wel een gerechtvaardigde conclusie zijn.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Ik ga in deze blog in op de hoofdlijn van zijn betoog, zonder uitgebreide verwijzingen naar de tekst van Niemeijer zelf. Wie de details wil weten, verwijs ik naar de samenvatting die ik van deze bundel gemaakt heb, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/02/samenvatting/.

[iii] Hij voert als argument aan: ‘Uit het niet-roepen door Christus van vrouwen tot apostel blijkt dat niet te zeggen is dat te allen tijde vrouwen moeten kunnen dienen in het ambt’, (81). Deze uitspraak is waar, tegelijk geeft hij zelf aan, dat het ‘lastig is om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’, (72). De vraag die beantwoord moet worden is, of nu na Pinksteren het onrecht is om hen het ambt te onthouden.

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, ed. Ad de Bruijne en Hans Burger, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017. Zie ook de toepassing van dit model op m/v en het ambt, zoals De Bruijne die verwoord heeft bij de presentatie van deze bundel opstellen: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/.

[v] Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016.

Weefsels

Maarten van der Graaff heeft religiewetenschappen gestudeerd en heeft van schrijven zijn beroep gemaakt. Na 2 dichtbundels publiceerde hij de afgelopen zomer een roman met de titel Wormen en engelen[1]. Het is literatuur waarin hij verkent en vastlegt hoe wij vandaag in een geseculariseerde wereld leven en samenleven.

Wat ik in deze goed geschreven roman boeiend vind is dat hij niet alleen beschrijft en verbeeldt hoe wij dat doen. Hij reflecteert ook op die wisselwerking tussen het persoonlijke en het maatschappelijke. Daar waar het schuurt en botst, omdat er keuzes gemaakt moeten worden op welke manier jij als persoon je eigen leven zult leiden. Ieder mens wordt geboren binnen een bepaalde cultuur, traditie en taal, terwijl het de vraag is hoe je daar op aansluit en je daar mee verhoudt. Neem je die traditie over, pas je hem aan of zet je je er tegen af, in het besef dat wat je ook doet je je afkomst niet ongedaan zult kunnen maken?

De hoofdpersoon in de roman is Bram Korteweg, geboren op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee, opgegroeid in een gereformeerd gezin, die wanneer hij in Utrecht kunstgeschiedenis gaat studeren in een totaal andere milieu terecht komt. Hij raakt verzeild in de alternatieve wereld van kunstfestivals annex dance- en xtc-party’s. Tegen de tijd dat hij zijn bachelor-scriptie moet schrijven, trekt hij veel op met enkele vrienden uit de kunstscene, zoals Kim en Felix, en woont hij samen met Lena die Literatuurwetenschap studeert en gedichten schrijft en op literaire avonden voordraagt, terwijl ook hij zelf korte verhalen schrijft. Twee gescheiden werelden, die steeds meer uiteendrijven:

Aan de telefoon zei mijn moeder steeds vaker: ‘Maar dat vind jij vast dom’, of: ‘Dat begrijpen wij hier niet.’ Soms keek ik naar Kim, Lena en Felix en nam het hun kwalijk dat mijn moeder zulke dingen zei. Ik nam het de boeken kwalijk die als ongedierte de vloer van mijn kamer in bezit hadden genomen’, (60).

Ook al heeft Bram het gereformeerde geloof achter zich gelaten, het religieuze is wel met zijn bestaan verweven:

‘Bijna iedereen in het dorp was wit. De meesten waren christen, een enkeling ‘deed nergens aan’. Toen ik besloot een heiden te worden wist ik niet eens hoe dat moest. In Utrecht werd dat al snel genoeg duidelijk. Ik was ongelofelijk christelijk en ongelofelijk eenzaam. Een ervaring die zo vanzelfsprekend was dat ik er altijd overheen heb gekeken’, (128)

Dat het religieuze blijft intrigeren blijkt wanneer hij via Paul Bleeker, die hij bij het volgen van een van zijn bijvakken bij de Theologische Faculteit heeft leren kennen, lid wordt van het oecumenisch Theologisch Werkgezelschap ‘Uterque’. De helft van de leden is protestants en de andere helft rooms-katholiek of oudkatholiek. Een klein gezelschap van 13 leden, dat de  christelijke tradities bestudeert en ook beoefent door b.v. antifonen te leren zingen. Of zoals Bram op een gegeven moment tegen Lena zegt:

‘En hoe walgelijk vroom dit ook mag klinken, ik vind het fijn om met mensen in één ruimte te zijn die het woord God hardop durven uit te spreken’, (76).

Hoe verhouden deze verschillende werelden zich tot elkaar? Dat is waar Bram naar op zoek gaat. Letterlijk doordat hij een project op start, waarin hij Paul gaat interviewen, die door de Protestantse Kerk (PKN) via een mobiliteitspool in Middelharnis is gestationeerd. Wanneer hij zo naar zijn geboortegrond terugkeert, blijkt op allerlei manieren dat hij nog met die wereld verbonden is, al is het alleen maar via het Flakkeese dialect waarop hij moeiteloos over kan schakelen:

‘Het huis van mijn moeder maakt een motoriek en een manier van praten in me wakker die ik nergens anders bezit, het gaat om hoe de woorden proeven, welk gewicht ze hebben. Er is iets in de taal wat zich aan me opdringt’, (56)

Ook de religieuze taal blijkt zich in hem vastgeslagen te hebben:

Bij de brug over het Haringvliet pikt een radio in mijn hoofd automatisch de frequentie op en de woorden komen gewoon, een zombievocabulaire. Verootmoedigen wij ons voor god. Barmhartige god en vader, wij zijn voor uw aangezicht gekomen met al onze zonden. Mijn god is de god die zich op deze manier laat aanspreken’, (41).

De katalysator voor zijn project is de doop van zijn vader Johannes Korteweg in het Haringvliet, nog geen jaar geleden.  Zijn vader was er met een andere vrouw vandoor gegaan, toen Bram zes jaar oud was. Naar de kerk ging Johannes al nooit mee. Maar door een bijna-ongeluk met zijn auto, was hij stil gezet en had hij zich aangesloten bij een evangelische gemeente.

De roman heeft  vier delen. Hij opent met een korte proloog, waarin de doop van zijn vader beschreven wordt. Het 1e hoofddeel heet ‘Eiland’ en kent 28 korte en iets langere hoofdstukken. In dit deel ligt het hoofdaccent op Brams verbondenheid met Goeree-Overflakkee. Thematisch wordt het bijeengehouden door de autorit, die Bram maakt om het interview met Paul op locatie te houden.

Het 2e hoofddeel van de roman is getiteld ‘Overkant’ en bestaat uit 26 hoofdstukjes. Hierin staat Brams zoektocht naar een andere religieuze traditie en houding centraal. Die wordt belichaamd in Wilfried Reijmerink, zijn ‘vader’ op het werkgezelschap, rooms-katholiek, homo, 61 jaar oud en hoogleraar franciscaanse spiritualiteit, die in een kleine Minderbroeders-communiteit in Arnhem woont. In het kader van zijn project heeft Bram ook het plan opgevat om hem te interviewen. In dit deel komen ook de verschillende werelden van Bram samen, doordat zijn vriend Felix, wanneer hij een schrijversblok heeft, op retraite mag in de franciscaner communiteit en Bram, Paul, Lena en Kim hem daar samen opzoeken.

Verhaaltechnisch is dit een mooie vondst, omdat via deze tweede belangrijke hoofdpersoon het zicht op religieuze tradities verbreed wordt en de auteur in staat is ook het religieuze en sociale klimaat in het Nederland vanaf de jaren ‘50 op een ongedwongen manier op te roepen. Zo is hij in staat om Bram de doelstelling van zijn project te laten realiseren:

‘Ik wil de weefsels begrijpen waarin we zijn opgenomen. Ik wil iets groters begrijpen door het voor me te zien. Paul als dominee op Flakkee, Wilfried in een woongemeenschap, mijn vader tussen zijn nieuwe zusters en broeders, Lena en ik in een koffietent: welke donkere energieën wisselen we uit? In welk land wonen we eigenlijk? Ik wil iets openbaar maken’, (91).

In dit deel vindt ook de definitieve breuk plaats tussen Bram en Lena, die zich in het eerste deel al aankondigde. Lena is het derde belangrijke personage in de roman.  Zij vertegenwoordigt en geeft een belangrijke stem aan de niet-religieuze, seculiere wereld in de roman:

‘We hadden het niet vaak over geloof. Als het gebeurde luisterde ze, stelde ze heel goede vragen’, (67).

Zij heeft zijn horizon verbreed met aandacht voor feminisme en de betekenis van de eigentijdse kunst. Op een bepaalde manier is Lena een alter-ego van Bram en ook van de auteur. In een van de emails, waarin zij schrijft dat ze overweegt om een punt achter hun relatie te zetten, schrijft ze: ‘Ik heb een contract getekend. De titel wordt Dood werk’, (88).

Werkelijkheid en fictie komen hier samen. De tweede dichtbundel van Maarten van der Graaff is ook getiteld ‘Dood werk’. Bram omschrijft zijn project tegenover Paul ook op een gegeven moment als ‘literaire non-fictie’. Dit postmoderne spel tussen werkelijkheid en fictie is naast dat van de intertekstualiteit een van de aspecten van deze roman die het zo interessant en boeiend maakt om te lezen. Het nodigt ook uit je verder te verdiepen in andere literaire en historische werken, waar hij aan refereert. Via de literatuurlijst die als verantwoording achter in het boek is opgenomen, is dat goed mogelijk.

De roman sluit af met een kort derde deel van 10 zeer korte hoofdstukjes: ‘Strand’, waarin de ontknoping van de roman plaatsvindt. Centraal staat daarin het zingen van het Taizé-lied: ‘Ontsteek in onze duisternis een vuur, een vuur dat nooit meer dooft, een vuur dat nooit meer dooft’, waarbij Bram tot de conclusie komt dat het in het leven gaat om de organisatie van of het gestalte geven aan vage verlangens. Een verlangen, dat Wilfried eerder in verband brengt met het ervaren van het heilige, zoals hij dat in de franciscaanse traditie had gevonden.

Ik heb de roman met veel plezier en interesse gelezen. Knap is hoe Maarten van der Graaff in deze roman schijnbaar moeiteloos verschillende genres vermengt en toch alles leesbaar houdt. Email-wisselingen, beschouwingen over kunst, interpretaties van Simone Weil en Augustinus, historische informatie over het gereformeerde geloof, katholicisme en in het bijzonder Franciscus van Assisi. De fragmentarisch organisatie van de verschillende hoofdstukken vergt wel, dat wil je al de onderlinge verbanden verkennen, je het niet bij één keer ‘recht toe, recht aan’ lezen van het boek kunt laten. Net als poëzie zul je het werk dan zorgvuldiger moeten lezen en herlezen. Wat mij betreft was dat de moeite waard. Ik ben benieuwd naar wat hij nog meer gaat schrijven.

[1] Maarten van der Graaff, Wormen en engelen, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017

De bijbel als sacrament

Ik lees op het moment een prekenbundel van de hand van dr. Hans Boersma, die in 2016 uitgebracht werd onder de titel Sacramental Preaching.[i] De auteur, geboren in Nederland in een GKv predikantsgezin, is J.I. Packer Professor of Theology aan het Regent College in Vancouver (Canada).

Als opschrift in het boek heeft hij een citaat opgenomen van Cassiodorus, een Romeins staatsman geboren 480 na Christus, die na zijn werkzame leven zich in 540 in een kloostergemeenschap terugtrok en daar zijn leven wijdde aan de studie van de bijbel en aan de instructie van monniken voor het lezen van de bijbel. In de inleiding op zijn commentaar op de Psalmen schrijft Cassiodorus:

‘De heilige diepgang van de goddelijke Schrift is uitgedrukt in zulke gewone taal, dat iedereen die meteen tot zich kan nemen. Toch zijn de verborgen betekenissen van waarheid daarin zo opgeslagen, dat de betekenissen voor het leven daar op zeer zorgvuldige wijze in opgespoord moeten worden’, (iv).

Het is een belangrijke regel die iedere bijbellezer ter harte zou moeten nemen. Wij moeten de bijbel niet alleen historisch lezen, maar ook op een spiritueel niveau.

Boersma zoekt in zijn preken aansluiting bij de vroeg-christelijke tradite van de kerkvaders, die de bijbel op ‘sacramentele’ wijze interpreteerden als verwijzend naar Christus die op ‘sacramentele’ wijze in de tekst en de geschiedenis aanwezig is. Vandaar ook de ondertitel van de bundel: ‘Sermons on the hidden presence of Christ’. De preken bewegen zich van het oppervlakte-niveau van de tekst naar een dieper, contemplatief niveau als een sleutel voor het verstaan van de bijbel, (xxii).

De mogelijkheid voor een dergelijke lezing is de overtuiging, dat wij als lezers delen in een werkelijkheid, die in de pre-moderne christelijke wereldbeschouwing als ‘sacramenteel’ verstaan werd. Of zoals Boersma het omschrijft: ‘By this I mean that this-worldly, created realiteis participate in the heavenly, uncreated reality of the eternal Word of God. Created being is merely derivative, and it receives its value from the divine “real presence” that gives it existence’, (xx).

Boersma onderscheidt deze vorm van ‘zwakke’ sacramentaliteit zorgvuldig van de ‘sterke’ sacramentaliteit die we in Christus en in het sacrament van de kerk, doop en avondmaal, tegenkomen. Deze sterke vorm heeft een eigen heilskarakter. Maar het gaat hem erom dat de christelijke traditie terecht met een ‘sacramentele’ metafysica gewerkt heeft, ‘waarin verondersteld is dat de verschijnselen van de fysische werkelijkheid om ons heen niet alleen verwijzen naar grotere en betekenisvollere realiteiten dan de verschijnselen zelf, maar die grotere realiteiten ook present stellen’, (xx).

Het mooie van de bundel van Boersma is, dat zijn preken niet alleen voorbeelden zijn van deze exegetische praktijk van het sacramenteel lezen van de bijbel, maar dat hij in de preken zelf ook op de praktijk van de spirituele interpretatie reflecteert. Ook in de aantekeningen bij zijn preken geeft hij regelmatig hermeneutische aanwijzingen op welke wijze hij tot zijn exegese gekomen is. Een belangrijk onderscheid dat hij daarbij maakt is dat tussen de historische betekenis van de tekst en wat de tekst betekent. Zo schrijft hij dat onderzoek naar de historische realiteit achter de tekst ‘help us what the text meant, but they don’t tell us what the text means’, (91).

Dit onderscheid wordt met name duidelijk, wanneer Boersma preekt over teksten uit het Oude Testament. Dan laat hij zien, ‘dat het Oude en het Nieuwe Testament zich tot elkaar verhouden als sacrament (sacramentum) en werkelijkheid (res)’, (25). Het historisch verhaal van het Oude Testament moet gelezen worden als het uitwendige teken van de inwendige genade die er voor ons in Christus is. Daarmee verwerkt Boersma het andere opschrift in het boek, de bekende uitspraak van Augustinus: ‘Novum in vetere latet et in novo vetus patet’ – Het nieuwe is in het oude verhuld en het oude in het nieuwe onthuld.

In de interpretatie van het Oude Testament gaat het niet om het reconstrueren van de gebeurtenissen, waar deze teksten naar verwijzen. Ook is het niet primair een zaak van het achterhalen van wat de auteur of auteurs bedoelen. Exegese is eerst en vooral het zoeken van de werkelijkheid van Christus: ‘When we find the mystery of his presence in the pages of the Old Testament, we have begun to move from reading to understanding’, (25). Op de manier zoals de Ethiopische euneuch door het onderwijs van Filippus kwam van het lezen van de tekst uit Jesaja 53 tot het begrijpen van de werkelijkheid waar deze tekst over gaat, zoals Boersma in een preek over Handelingen 8 : 26-35 duidelijk maakt.

Zo kunnen wij de bijbel zien als een sacrament, dat verwijst naar de werkelijkheid van God in deze wereld, zoals wij die in Christus hebben ontmoet en ervaren. Bijbel lezen heeft als doel om via de tekst God te zien en in zijn liefde te worden opgenomen.

Boersma geeft in de epiloog een samenvatting van de drie thema’s, die hij in de 14 preken heeft willen belichten, (199-200):

1e.  de verborgen, sacramentele aanwezigheid van de werkelijkheden van het nieuwe verbond: Christus zelf, de kerk, en onze eschatologische toekomst – zoals die in de gebeurtenissen in het Oude Testament uitgebeeld worden.

2e.  het nu al opgenomen zijn van de gelovige in de hemel, gebaseerd op Gods genadig neerdalen in Christus, o.a. in een preek over Psalm 24 waarin hij laat zien, dat wij door onze verbondenheid in geloof met Christus Gods tempel in de hemel binnen mogen gaan.

3e. het gelukzalig zien (beatic vision) van God als ons ultieme doel: onthuld geluk (unveiled happiness), o.a. in een preek over 2 Kor. 3, waarin hij duidelijk maakt dat wij in Christus de glorie van God mogen aanschouwen.

De grote waarde van deze sacramentele visie voor het lezen van de bijbel is, dat wij uitgenodigd worden om ons verbonden te zien met de werkelijkheid waar de bijbel van getuigt. In het geloof maken wij deel uit van Gods wereld, waar de bijbel naar verwijst. Wij hoeven niet een historische kloof te overbruggen, omdat wij ons door Christus al met Gods werkelijkheid verbonden en daarin opgenomen mogen weten.

Eugene Peterson schrijft in het voorwoord bij deze bundel terecht: ‘the story that is the Holy Scripture invites us into a world of God’s creation and salvation and blessing, God in human form in action on the very ground on which we also live, an incarnational story, .. , a Jesus storyu in which we recognize the action of God in the everydayness of a local history in our stories, a sacramental story’, (viii).

Door de bijbel te lezen niet als louter een historische tekst, maar vooral als een spirituele tekst, ontvangen wij de bijbel als middel waardoor de Geest van Christus ons – in de woorden van Peterson – wil ‘vormen tot christelijke vrouwen en mannen, geschapen, gered en gezegend door God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest’, (xii).

 

[i] Hans Boersma, Sacramental Preaching. Sermons on the hidden presence of Christ, Baker Academic, Grand Rapids, 2016.

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (3) – 1975/78

Algemeen

De GKv synode van Groningen-Zuid 1978 besluit met 24 stemmen voor en 12 tegen om de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen. Zij bevestigt daarmee het besluit van de synode van 1930. Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de gemeente behoort bij de verkiezing betrokken te worden;
  • de gemeente wordt ingeschakeld door het indienen van namen bij vacatures, gebed, stemmen, de approbatie, voorbede bij de bevestiging en erkenning van de bevestigde;
  • het stemmen onderscheidt zich van de andere elementen dat deze voor de kerkenraad een bindend karakter heeft;
  • dat het niet in overeenstemming is met de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft (1 Kor. 14 : 34-36, 1 Tim. 2 : 11-15), haar in deze een eigen zelfstandige beslissende stem toe te kennen.

In 1972 had de kerk van Delft de synode gevraagd om de materie van het vrouwenkiesrecht vanuit de Schrift te laten bezien, omdat men van mening was dat de synode van 1930 aan het onderwijs van de Schrift geen recht had gedaan. Eerdere pogingen om het besluit van de synode van 1930 te laten herzien, waren in 1933, 1958 en 1964 niet gehonoreerd.

In 1975 lag op tafel een deputatenrapport, waarin verdedigd werd het besluit van 1930 te handhaven. De commissie die de bespreking van het rapport voorbereidde kon zich op verscheidene punten daarin niet vinden, terwijl ook in de discussie over het rapport een groot verschil van mening bleek. Daarom werd een nieuw  deputaatschap ingesteld, dat op de synode van 1978 een meerderheidsrapport (voor vrouwenkiesrecht) en een minderheidsnota (tegen)  – van de 2 deputaten die ook aan het rapport in 1975 meeschreven – presenteerde.

In deze blog concentreer ik mij vooral op de voorgestelde exegeses van de m/v-teksten, voor zover die betrekking heeft op:

  • de onderdanigheid van de vrouw;
  • de positie van de vrouw in de bijbel.

Ik zal speciaal stil staan in hoeverre er in de verschillende posities een verschil te zien is met de exegetische onderbouwing, zoals die in 1930 werd geformuleerd.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Opvallend is dat ook in het meerderheidsrapport in 1978 dat vóór het vrouwenkiesrecht pleit, alle nadruk op de onderdanigheid van de vrouw aan de man valt.

Deputaten schrijven dat de vrouw in het huwelijk haar plaats behoort te weten en die steeds van harte in moet nemen. Op die plek is zij veilig en kan zij zichzelf zijn, d.w.z. functioneren overeenkomstig het levensplan, dat God haar vanaf de schepping meegaf:

‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden. .. Ten aanzien van dit funktioneren valt te spreken van een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw. De ‘onderschikking’ heeft betrekking op déze zaak. De vrouw is uit de man en vanwege de man (1 Kor. 11: 8-9 met verwijzing naar Gen. 2: 22 vv.)’.

Inhoudelijk omschrijft men dit ‘onderschikken’ als een activiteit, waar men om Gods wil van harte toe bereid is, niet omdat men tegen de ander niet opgewassen is en ook niet als zou het een vorm zijn van ‘slaafse onderworpenheid of een zaak van dwangmatige nederigheid of schuwe teruggetrokkenheid’. Onderschikken betekent dat men de ander ‘vreest’ en wil ‘eren’: ‘men erkent de plaats en (ambtelijke) waardigheid van de ander’:

‘Men voegt zich in een orde, waarvan men door het geloof weet, dat God – de Schepper en Verlosser van het leven – haar stelde en bewaakt.

Het doel van deze onderschikking is dat men de kracht van het verloste leven demonstreert en zo Christus’ zaak op aarde bevordert. Men laat zien, dat men zich geeft ‘aan de taak die de Here aan ieder heeft geschonken’. Degene die zich onderschikt mag op het blijven ‘op eigen plaats’en ‘bij eigen werk’ liefde verwachten en verwachten ook zelf geëerd te worden. Concreet betekent dit, dat ‘men de vrouw niet eert door haar te roepen tot taken, die buiten haar kompetentie vallen en haar verplichten haar plaats te verlaten’.

Het ‘voorgaan’ van de man in het huwelijk is een ‘voorgaan in liefde, respekt en dienstbetoon’ en het ‘volgen’ is een ‘volgen in liefde, respekt en dienstbetoon’, zoals de Schrift leert in Ef. 5:22-33; 1 Petr. 3:7; Kol. 3:18- 19 en Tit. 2:4-5′.

Ook in de gemeente ‘moet de vrouw haar eigen plaats ten opzichte van de man kennen, d.w.z. ‘zichzelf onderschikken’’, anders zou zij ‘een geschift leven’ leiden. Daarom moet ‘de vrouw ook in de gemeente haar plaats kennen en op haar plaats blijven’. Deputaten verwijzen hier naar 1 Kor. 14:35 en 1 Tim. 2:12. De vrouw mag de man niet met een vermeend, zelfstandig gezag tegemoet treden, maar moet ‘luisteren en zich in de gemeente laten leren’. Anders zou ze de zonde van Eva herhalen, die haar plaats verliet en ging ‘leiden’ in plaats van ‘volgen’.

Om te bepalen of stemmen ook onder het ‘door de apostel afgewezen spreken’ valt, stellen deputaten de vraag, of stemmen het karakter heeft ‘van een ‘beslissend’ spreken, waarin ‘gezag’ wordt uitgeoefend’. Volgens hen niet. De gemeente oefent geen gezag uit, wanneer zij stemt. Zij helpt mee het gezaghebbend beleid van Christus via de stem van de gemeente aan het licht te brengen. Daarom is het niet de kracht van de stem van de zusters, maar ‘de door de kerkeraad gerespekteerde en door Christus verleende kracht van de gemeente, waardoor de stemming beslissend is voor de verdere besluitvorming’.

Hun conclusie is daarom:

‘Wanneer echter de kerkeraad de zusters roept om haar inzicht in het beleid van Hem, die ambtsdragers aan Zijn gemeente geeft, via haar stem bekend te maken, roept hij haar niet op tot het verlaten van haar plaats, maar tot een spreken op haar plaats, die zij als gemeentelid en naast haar man heeft. Ook zij vormt mede de ‘stem’ van de gemeente. Zij spreekt niet tot de gemeente, maar samen (met haar man en) met de gemeente’.

Zo richten deputaten zich in hun argumentatie voor het vrouwenkiesrecht vooral op het karakter van het kiezen, waarbij zij met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 3:7 er vanuit gaan dat zusters net zo goed als broeders competente en mondige kerkleden zijn, ‘die kunnen en mogen ‘omzien’ en inzicht hebben in de gaven en geschiktheden, die Christus in de gemeente geeft’. Daarom mogen ook zusters ‘een oordeel hebben over deze gaven van broeders en zij mogen dit oordeel ook bekend maken’.

Juist over de aard van de verkiezing verschillen deputaten onderling. In de minderheidsnota kiest men zijn uitgangspunt voor de beoordeling of vrouwen mee mogen stemmen in de onderdanigheid van de vrouw. God heeft het al bij de schepping behaagd de vrouw onder de man te plaatsen: ‘de Here heeft toen deze struktuur gesteld met betrekking tot de verhouding van man en vrouw: ‘hoofd van de vrouw is de man’ (1 Cor. 11: 3)’. Deze verhouding is al van vóór de zondeval. De struktuur van het begin blijft onder de nieuwe bedeling van kracht: ‘de ‘onderschikking’ blijft behoren tot de ‘tooi’, waarmee christenvrouwen, naar behoren, begeren zich te sieren (1 Petr. 3:5)’. Daarom is ‘het ‘spreekverbod’ in 1 Kor. 14:34 geen incident, maar vloeit voort uit de bij de schepping gegeven ‘status’ van de vrouw’.

Wel hechten deputaten er in hun minderheidsnota er sterk aan om te benadrukken, dat onderschikking ‘geen zaak van dwang’ is, maar ‘van eigen begeerte’:

Deze vrijwillige ‘onderschikking’ moet haar er toe leiden, dat zij zich rustig houdt en zich laat onderrichten en op grond van die ‘onderschikking’ kan haar niet worden toegestaan, dat zij onderricht geeft of gezag over de man heeft (1 Tim. 2:11-12); op grond van die ‘onderschikking’ is het haar niet vergund in de gemeenten te spreken (1 Cor. 14:34).

Zij tekenen er verder bij aan, dat het bijzondere van het spreekverbod in 1 Cor. 14:34 en in 1 Tim 2:11 is, dat daarin niet tot uitdrukking wordt gebracht ‘aan wie zij zich behoort te willen schikken’:

De vrijwillige ‘onderschikking’ van de vrouw in haar verhouding tot en optreden in de gemeente geldt heel algemeen: met deze term, zo zou men met recht kunnen stellen, wordt haar kerkelijke ‘status’ onder woorden gebracht.

Dit heeft volgens deputaten betekenis voor het optreden van de vrouw in de gemeente. In hun optiek is het stemmen van vrouwen niet verenigbaar met het zich gehoorzaam en vrijwillig willen onderschikken, ‘zoals ook de wet zegt’ (1 Cor. 14:34)’. De vrouw zal zich ‘bij voorbaat conformeren aan de meerderheidskeus van de mannenbroeders, gaarne en gewillig’.

Kennelijk overtuigd door deze visie, besluit de synode in 1978 dat ‘het niet in overeenstemming is met de positie van de onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft (1 Kor. 14:34-36, 1 Tim 2,11-15) haar in deze een eigen zelfstandige beslissende stem toe te kennen’. Daarom mag de vrouw niet aan de verkiezing van ambtsdragers meedoen.

 

De positie van de vrouw in de bijbel

Op één punt in de argumentatie uit het deputatenrapport uit 1978 wil ik nog de aandacht vestigen. Namelijk dat het Christus zelf is die via de verkiezing door de gemeente Christus ambtsdragers aan de ambtsdragers schenkt en zo zijn gemeente regeert en verzorgt. Men verzet zich hiermee tegen de visie van de synode van 1930 dat het kiezen ‘een daad van algemene regeermacht’ is, die uitgeoefend zou worden door de gelovigen in het kader van het ‘ambt van gelovige’. Het ‘ambt van gelovige’, zoals HC Zondag 12 daarover spreekt heeft hun inziens te maken met het leven als gelovige in deze wereld en ‘met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de duivel en de zonde strijden’ en heeft ‘werkelijk niets te maken met een ‘zeggenschap’ van de één over de ander in de gemeente’.

Dat betekent dat men het wel òf niet mogen stemmen als vrouw in de gemeente niet wil verbinden met de vraag of de vrouw ook deel heeft aan ‘de zalving van Christus’. Dat was namelijk het argument van de kerk van Delft om te pleiten voor het deelnemen van de vrouw aan de verkiezing. Zij schrijven in 1972 aan de synode:

Vanwege zijn christenambt en mondigheid in Christus neemt de man deel aan de verkiezing van broeders tot het ambt. Krachtens hetzelfde heeft ook de vrouw dit recht’.

Ter ondersteuning van deze stellingname doen ze een beroep op de manier waarop in het Nieuwe Testament ‘de vrouw – zonder tot het bijzonder ambt geroepen te zijn – vanuit haar christenambt en mondigheid in Christus aktief is in de gemeente en de verbreiding van het Evangelie’, met een verwijzing naar Rom. 16:1 (Phebe, dienares van de gemeente), Rom. 16:3 (Prisca genoemd voor Aquila, Rom. 16:12 (Tryphena en Tryphosa) en Filip. 4:2 (Euodia en Syntyche). Daarnaast verwijzen zij nog naar Hand. 6:5-6, waar vermeld wordt dat de gemeente onder leiding van de apostelen diakenen verkiest.

Inhoudelijk probeert de kerkenraad van Delft de inschakeling van de vrouw te beargumenteren vanuit 1 Joh. 2:27, waar de zalving genoemd wordt die de gemeente van Christus ontvangen heeft , en vanuit Gal. 3:26-28, waar Paulus schrijft dat in Christus geen sprake is ‘van mannelijk en vrouwelijk: gij zijt immers één in Christus Jezus’.

Al in 1975 had een deputaatschap dit argument van de kerk van Delft besproken. Het tegenargument van deputaten is, dat er geen schriftuurlijk bewijs is, dat:

‘aan het ambt van alle gelovigen als zodanig óók inhaerent is het recht, aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen. Heeft een mannelijk belijdend lid krachtens het ambt van gelovige ook het recht om aan de verkiezing deel te nemen? Of ontvangt hij dit voorrecht uit anderen hoofde?’

De tekst van 1 Joh. 2:27 kan hiervoor niet aangehaald worden, omdat Johannes het hier niet heeft over ‘het christenambt in het algemeen, als wel over het ontvangen van de ware kennis en over de vraag of men die ware kennis moet verkrijgen met behulp van (gnostische dwaal)leraren, dan wel door middel van het evangelie dat men van den beginne heeft gehoord’. In dit opzicht is er volgens Johannes geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Maar deze tekst geeft ‘geen recht voor het maken van de gevolgtrekking, dat er derhalve geen onderscheid tussen man en vrouw is voor wat betreft elks plaats in de kerk’.

Ook Gal. 3:28 kan niet als argument dienen. Hier gaat het namelijk om de verhouding van de gelovige ten opzichte van God. ’In de nieuwtestamentische gemeente zijn allen nu gesteld in de positie van vrije en mondige zonen en erfgenamen’. Ook al bestaan er tussen de gelovigen onderling allerlei, zelfs diepingrijpende, onderscheidingen als die tussen Jood en Griek en slaaf of vrije en tussen mannelijk en vrouwelijk, al deze onderscheidingen doen niet ter zake als het aankomt op die nieuwtestamentische verhouding tot God. Vanuit deze positie moet zowel man als vrouw ‘elk voor zich, uit wat de Schrift elders dienaangaande leert, door verlichting van de Heilige Geest, leren verstaan wat wel of niet door hen moet en mag worden gedaan’. Net zoals een slaaf ondergeschikt bleef aan zijn heer, zo is er tussen man en vrouw ‘het blijvende verschil, ook in gezagsverhoudingen’. Daarom is de conclusie van deputaten, dat deze tekst niet met zich meebrengt ‘dat elk van beiden dezelfde rechten en plichten heeft ontvangen in de gemeenschap met Hem’.

Wat betreft de taken die vrouwen in de nieuwtestamentische gemeente vervullen merken deputaten op, dat hun werk:

ten onrechte meer dan eens is ondergewaardeerd, soms om aldus deelname van de vrouwelijke belijdende leden aan de verkiezing van ambtsdragers in de kerk te helpen bestrijden. De hier bedoelde werkzaamheid van deze vrouwen moet ook niet worden beperkt tot bv. het uitsluitend verlenen van hulpdiensten aan de diakenen’.

Vrouwen waren inderdaad Paulus ‘medearbeiders en werkzaam in en behulpzaam bij de verbreiding van het evangelie. Zij hebben gestreden in de prediking van het evangelie en zich moeite getroost voor de kerk en haar opbouw. Maar wij mogen uit ‘déze, toch altijd maar betrekkelijk weinige gegevens’ niet de gevolgtrekking maken, dat de vrouwen dus ‘óók de bevoegdheid hadden deel te nemen aan de verkiezing in het bizondere ambt’.

Want ondanks deze waardering van Paulus voor het werk van vrouwen ‘zullen we toch niet mogen veronderstellen, dat hij zelf ter zake van dit alles de elders door hem doorgegeven instructies van Godswege over de positie van de vrouw in de gemeente eenvoudig heeft genegeerd’:

We moeten er wel van uitgaan dat al deze vrouwen zich hebben bewogen binnen het raam, dat de Heilige Geest in de paulinische correspondentie heeft uitgezet: zó alleen kan diezelfde Geest door de dienst van Paulus Phebe in haar werk aanbevelen’.

Kennelijk is deze weerlegging in 1975 van de visie van de kerk van Delft op het punt van de positie van de vrouw in het Nieuwe Testament zo overtuigend geweest, dat in de rapportage in 1978 noch 1 Joh. 2:27, noch Gal. 3:28, noch Rom. 16 of Fil. 4:2 besproken worden.

 

Conclusie en beoordeling 

In de exegese van de m/v-teksten is er in 1978 een consensus dat er in de bijbel een onderschikking van de vrouw aan de man wordt geleerd en dat dus de vrouw in de gemeente behoort te zwijgen. Verschil van visie is of in dit zwijgen ook begrepen is, dat de vrouw niet mag stemmen.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • Nog meer dan in 1930 wordt de omschrijving van de ‘scheppingsorde’ of de ’struktuur met betrekking tot de verhouding van man en vrouw bij de schepping’ uitsluitend beargumenteerd vanuit 1 Cor. 11, 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2.
  • De notie dat de mens als beeld van God is geschapen komt niet ter sprake. In plaats daarvan spreekt men over ‘het funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt’.
  • Ook de notie dat de vrouw als hulp tegenover de man geschapen is (Genesis 2) wordt niet genoemd. In plaats daarvan spreekt men onbekommerd over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven.
  • Alleen in het deputatenrapport van 1975 wordt expliciet de reikwijdte van de onderdanigheid van de man aan de vrouw beargumenteerd. Men leest zowel in 1 Cor. 11, als in 1 Cor. 14 en in 1 Tim. 2, dat de vrouw niet alleen onderdanig moet zijn aan haar eigen man, maar in het algemeen aan de man: ‘Het oefenen van gezag over een man, hoe dan ook, is haar niet toegestaan’.
  • Wordt in 1930 de onderschikking van de vrouw aan de man uitgelegd als ‘het gezag’ of ‘de autoriteit’ hebben of als het ‘heersen’ van de man over de vrouw, in 1978 wordt de onderschikking anders en meer verzachtend beschreven. Dan typeert men het positief met omschrijvingen als ‘een staan van de man boven de vrouw’, ‘de man treedt op de voorgrond, de vrouw blijft achter hem’, in een huwelijk als ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’ en in de gemeente als een ‘zwijgend luisteren en zich laten onderrichten’. Negatief geformuleerd gebruikt men een omschrijving als: ‘zij mag geen gezag over de man oefenen’.
  • Opvallend is de grote nadruk die men er op legt dat het zich onderschikken door de vrouw ‘vrijwillig en met vreugde’ dient te gebeuren.
  • In 1930 is men ervan overtuigd, dat de onderdanigheid van de vrouw niet alleen betrekking heeft op het huwelijk en de gemeente, maar ook op haar plek in de samenleving. In 1978 wordt wel genoemd, dat het ‘ondergeschikt zijn’ voor het hele christelijke leven geldt, maar is de betekenis daarvan voor de maatschappij niet in beeld, kennelijk omdat men zich uitdrukkelijk beperkt tot het vrouwenkiesrecht in de kerk.
  • De gelijkwaardigheid van man en vrouw en het door de Geest gezalfd zijn, zoals dat in Gal. 3:28 en 1 Joh. 2:27 verwoord worden, hebben geen betekenis voor de positie van de vrouw in de kerk, net zomin als het ‘ambt van de gelovige’ iets zegt over de taak van de vrouw in de kerk. Over de eventuele consequenties van het in een ‘volwassen, mondige’ positie ten opzicht van God mogen staan voor het optreden in de gemeente en in de samenleving, wordt niets anders gezegd dan dat wij in staat zijn om zelf een oordeel te vormen over hoe wij christelijk moeten en mogen handelen.
  • In 1978 komt 1 Cor. 11:2-16 in de rapportage door deputaten niet voor, terwijl de tekst 1 Cor. 14:34 uitsluitend behandeld wordt vanuit de vraag of ‘het ‘stemmen’ van de zusters der gemeente onder het haar door de Here opgelegde ‘spreekverbod’ uit 1 Cor. 14: 34’ valt.
  • In het deputatenrapport van 1975 wordt 1 Cor. 11:2-16 behandeld, waar gesproken wordt over vrouwen die in de gemeente profeteren en bidden. Toch wordt niet de vraag gesteld, of dit profeteren en bidden van vrouwen in de gemeente strijdig zou kunnen zijn met het zwijggebod uit 1 Tim. 2. Slechts wordt vanuit 1 Cor. 14:34 geconcludeerd, dat vrouwen het profeteren in de gemeente verboden is.
  • In tegenstelling tot in 1930 wordt nu de plaats die de vrouw in de nieuwtestamentische gemeente inneemt positief gewaardeerd als een handelen, waarin zij ‘vanuit haar christenambt en mondigheid in Christus aktief is in de gemeente en de verbreiding van het Evangelie’. Toch wordt dit niet als gezaghebbend optreden gezien, omdat dat in tegenspraak zou zijn met de visie dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen, want wij zouden niet mogen veronderstellen dat Paulus zich zelf tegenspreekt. Romeinen 16 wordt geïnterpreteerd vanuit de exegese van 1 Tim. 2.

 

Het Besluit

De onderbouwing van het m/v besluit van de synode van de GKv is verschenen. Uiteraard gaat de aandacht uit naar de vraag hoe de synode kan verantwoorden dat de vrouw nu wel in het ambt mag dienen, terwijl eeuwenlang de norm en de praktijk op grond van een door de bijbel gevoede en onderbouwde overtuiging anders is geweest.

Vanuit deze vraagstelling bied ik een samenvatting van èn enkele overwegingen bij dit in de GKv kerken gevoelig liggend besluit. Daarbij zal ik ook af en toe verwijzen naar de beantwoording van deputaten op vragen vanuit de synode over hun rapport ‘Samen dienen’. Een verslag daarvan verscheen tegelijk met de brief van het synodebestuur, waarin het m/v besluit naar de kerken gezonden is.[1]

 

  1. Uitgangspositie

Voor een goed verstaan van het besluit moet je helder hebben dat de vraagstelling in de bezinning èn het uitgangspunt voor het advies van het deputaatschap ‘M/v en ambt’ was: hoe kunnen wij in de christelijke kerk vandaag de gaven van de vrouwen op een bijbels verantwoorde wijze inzetten? Hoe is die inzet mogelijk, gezien wat de bijbel daarover zegt, gezien onze visie op het ambt en gezien de praktijk in binnenlandse en buitenlandse zusterkerken? Dat was de vraag, waar nu na zo’n 12 jaar onderzoek en bezinning op vijf verschillende synoden een besluit over genomen diende te worden.

Deze vraag werd des te meer urgent omdat in de loop van de tijd vrouwen steeds meer de ruimte kregen om taken te vervullen die in het verleden alleen door mannen in de kerk werden gedaan. Door de synode is dat benoemd als het spanningsveld tussen de ambtsleer (waarin vrouwen officieel geen gezaghebbende taken in de kerk mogen vervullen) en een toenemende praktijk waarin steeds meer vrouwen taken binnen het pastoraat, het leidinggeven en het onderwijs aan de gemeente vervullen.

De vragen waarover de synode een besluit moet nemen kun je zo formuleren:

(a) mogen vrouwen deze taken in de kerk vervullen?
(b) zo nee, hoe kunnen wij dan aan een bestaande praktijk een halt toeroepen?
(c)  zo ja, onder welke voorwaarden is dat mogelijk?

Over vraag (a) spreekt de synode uit, dat het een goede zaak is dat ook vrouwen hun gaven inzetten in het onderwijs, het pastoraat en het diaconaat in de niet-ambtelijke diensten binnen de gemeente. Wanneer vrouwen daarvoor een roeping voelen en de gaven daarvoor bezitten, mogen ze ook daartoe verkozen en daarin bevestigd worden.

Vandaar dat de synode eerst besluit om de kerken ertoe op te wekken op genoemde gebieden dankbaar gebruik te maken van de gaven die de Heer zowel aan mannen als vrouwen gegeven heeft en zorgvuldige regelingen te treffen om hen in deze niet-ambtelijke diensten aan te stellen, (Besluit 2).

 

  1. Zwijgteksten

De volgende vraag is wat dit besluit betekent voor de bestaande praktijk. Een halt toeroepen aan de inzet van vrouwen in de kerk (vraag b) is dus niet nodig, maar deze inzet kerkordelijk inbedden is wenselijk. Dan komt vraag (c) naar de verhouding tussen de inzet van de gaven van de vrouw en het ambt aan de orde.

Over die vraag spreekt de synode uit dat er ‘Schriftuurlijke gronden zijn om volop ruimte te bieden voor de inzet van gaven van vrouwen in taakvelden zoals verkondiging, onderwijs, pastoraat en diaconaat’, (Besluit 3).

Een belangrijke grond voor dit besluit is, dat er in de bijbel een ontwikkeling te zien is naar een steeds grotere inzet van vrouwen in Gods koninkrijk.

Onder het oude verbond vervulden voornamelijk mannen alle reguliere kerkelijke ambten van profeet, priester en koning, met hier en daar een uitzondering dat ook vrouwen die taak toebedeeld kregen. Tegelijk is er onder het oude verbond wel een verlangen kenbaar, dat heel het volk (mannen en vrouwen) daadwerkelijk een koninkrijk van priesters en profeten zou zijn. Dit verlangen is in het nieuwe verbond vervuld, doordat met de komst van de Geest heel het volk deel krijgt aan de roeping en zalving van Christus als profeet, priester en koning. Onder het nieuwe verbond is er een gelijkheid gekomen, waarin wat dit betreft geen onderscheid meer is tussen mannelijk en vrouwelijk, (Grond 3, Besluit 3).

Deputaten gaven in hun beantwoording al aan, dat ze geen enkele behoefte hebben om het westers gelijkheidsideaal in de bijbel in te lezen. Maar wel zien ze duidelijk, dat ‘de genade van Jezus’ optreden en evangelie een mannenwereld openbreekt en ruimte geeft voor de dienst van vrouwen’.

De vraag is natuurlijk of deze gelijkheid van mannen en vrouwen in de kerk nu ook geldt voor de inzet in alle taken, die er in de kerk te vervullen zijn. Er zijn toch taken, waarin de bijbel expliciet een voorbehoud maakt ten nadele van vrouwen en ten gunste van mannen? Onder het nieuwe verbond zijn er toch nog de zogenaamde ‘zwijgteksten’, waarin vrouwen opgeroepen worden om in de gemeente te zwijgen? Traditioneel zijn deze teksten altijd aangehaald om vrouwen niet tot het ambt te roepen.

Ten aanzien van deze ‘zwijgteksten’ heeft de synode de visie van deputaten overgenomen, dat een uitleg van deze teksten, waarin deze teksten normatief voor alle eeuwen wordt beschouwd, niet meer hard te maken is. In de woorden van het deputaatschap:

Aan de zwijgteksten wordt een veel te grote lading toegekend. Die teksten staan niet op zichzelf maar zijn gegeven in het geheel van 1 Korintiërs en 1 Timoteüs. In dat geheel moet je ze uitleggen en daarbij moet je betrekken hoe Paulus zich opstelde tegenover mannen en vrouwen, en vrouwen inschakelde in de dienst van het evangelie. De stellige wijze waarop de zwijgteksten in het verleden zijn uitgelegd, zijn een weerspiegeling van de cultuur van het verleden.

Door de synode is dat in het besluit zo geformuleerd, dat deze teksten ‘in zichzelf geen onbetwistbare grond kunnen zijn om in onze tijd en omstandigheden vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en regeerambt, omdat de exegese van deze teksten daarvoor te zeer omstreden is’, (Grond 5, Besluit 3).

Daarmee is door de synode een belangrijk principieel argument tegen de vrouw in het ambt, dat eeuwenlang gelding heeft gehad, vervallen verklaard. In het gesprek over dit besluit zal het dan vooral moeten gaan over de meer fundamentele vraag, wanneer je bepaalde voorschriften in de bijbel contextueel dan wel als algemeen geldig mag en moet verklaren. Een beroep op de zgn. zwijgteksten is namelijk niet voldoende om het besluit van de synode onschriftuurlijk te noemen.

 

  1. Het ambt

Nu moet nog wel de vraag beantwoord worden onder welke voorwaarden vrouwen dan ambtelijke taken mogen vervullen? De opties daarin zijn als volgt te omschrijven:

  1. alleen onder de (eind)verantwoordelijkheid van de mannen
  2. in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met de mannen

De synode heeft optie 1 wel overwogen. Bijvoorbeeld door het ambt van diaken voor vrouwen open te stellen en dat diakenambt dan breder op te vatten dan in onze huidige praktijk gebruikelijk is. Dit alles dan onder de verantwoordelijkheid van de ouderlingen, die dan (als mannen) de eindverantwoordelijkheid zouden dragen in de gemeente. Uiteindelijk heeft de synode optie 1 afgewezen, omdat zij tot de conclusie gekomen is dat mannen en vrouwen in gezamenlijke verantwoordelijkheid het ambt kunnen dragen, (optie 2).

Deze laatste conclusie is voorzover ik zie impliciet gebleven, omdat de vorige synode er voor gekozen heeft niet van deputaten te vragen de hele ambtsleer opnieuw te doordenken, maar hen slechts de opdracht te geven om over de ambtsleer na te denken ‘vanuit de vraag naar de participatie van gelovige zusters’.

In het m/v besluit worden geen uitspraken over het ambt an sich gedaan. Slechts wordt beargumenteerd dat vrouwen in de bijbel taken en functies mogen vervullen, die wij vandaag als ambtelijk zouden typeren, d.w.z. als behorend bij de verschillende ambten van diaken, ouderling en predikant. Zo wordt eerst in het algemeen het besluit genomen dat het Nieuwe Testament alle aanleiding geeft ‘om mannen en vrouwen gelijkwaardig te laten functioneren in al de profetische, priesterlijke en koninklijke taken in de kerk’ (Grond 5, Besluit 3), en vervolgens de specifieke besluiten om de verschillende ambten van diaken, ouderling en predikant voor vrouwen open te stellen, (resp. Besluit 4, 5 en 6).

Ook al hebben deputaten vanuit een specifieke vraagstelling over m/v en het ambt nagedacht, zij ontkwamen er niet aan om op basis van hun lezing van de bijbel wel bepaalde conclusies te trekken over wat het ambt is, hoe het ambt werkt en wat de relatie is tussen het bijzondere ambt en het algemene ambt van alle gelovigen. Deze conclusies en inzichten zijn als het ware voorondersteld in de door de synode genomen besluiten. Zonder hierin volledig te zijn denk ik dat de volgende inzichten beslissend zijn geweest voor de synode om de vrijmoedigheid te hebben het ambt ook voor vrouwen open te stellen.

Allereerst overwegen deputaten dat het onderscheid tussen het bijzondere ambt en het algemene ambt van de gelovigen vooral hierin ligt dat het bijzondere ambt ‘een geregelde en voortdurende dienst is die speciaal gericht op het functioneren in de gemeente op basis van de door Christus verleende volmacht tot dit dienstbetoon.‘ Tegelijk merken zij wel op, dat het onderscheid tussen het bijzondere ambt en andere taken in de kerk in de bijbel niet zo scherp onderscheiden is als wij het kerkordelijk geregeld hebben. Terwijl het ook niet mogelijk lijkt om de grens tussen algemeen en bijzonder ambt in taken in de praktijk zo strak te trekken.

Ten tweede benadrukken deputaten dat het bijzondere ambt aan de gemeente als geheel gegeven en dat dit ambt niet gebonden is aan de individuele persoon die het ambt draagt. Ten derde geldt dat het in dit ambt gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin ieder van de verschillende ambtsdragers (m/v) participeert, waarbij het niet zo is dat de ene ambtsdrager over de andere ambtsdrager mag heersen. Ten vierde is hier nauw mee verbonden dat alle bijzondere ambten (diaken, ouderling, predikant) gelijkwaardig zijn en dat deze gelijkwaardigheid en collectiviteit van de ambtelijke dienst ook het overheersen door enkelen voorkomt. Tenslotte spreken ze uit dat het gezag van het bijzondere ambt niet aan de persoon (m/v) gebonden is, maar zich daarin bewijst dat in het concrete handelen van de ambtsdrager Gods Woord doorklinkt.

Op basis van deze overwegingen kunnen deputaten verdedigen dat er geen belemmeringen zijn om vrouwen te laten participeren in de ambtelijke diensten. Wanneer vrouwen in het ambt dienen, oefenen zij niet per definitie ‘gezag over een man’ uit, want het gezag van het ambt is niet individueel bepaald, maar dat is een collectief gezag dat in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gedragen wordt.

 

  1. De vrouw en de ambten

Sinds de reformatietijd kennen wij in de protestantse kerken drie ambten: diaken, ouderling en predikant. In de besluiten van de synode is aan elk ambt een apart besluit gewijd. Daarbij is wel het besef, dat deze ambtsstructuur specifiek in de Reformatietijd ontstaan is en dat er ten aanzien van de bijbelse gronden geen een-op-een relatie met taken en functies in de bijbel zijn.

(a)   het diakenambt

Het boeiende is dat in de GKv al langzamerhand een consensus gegroeid was, dat vrouwen ook diaken zouden kunnen worden. Omdat de diakenen ook bij besluiten van de kerkenraad betrokken waren, leek dat niet te kunnen. Ze zouden dan ook leidinggevende taken vervullen, die onder het leer- en regeerambt vallen. In de nieuwe Kerkorde, die tijdens de vorige synode aangenomen is, werd dat bezwaar al geslecht door de diaconie naast de kerkenraad een aparte positie in het kerkelijk leven te geven. Daarom kon een besluit over het diakenambt bijna unaniem genomen worden.

Ten aanzien van de vraag of vrouwen ook mogen dienen in het ambt van diaken heeft de synode besloten, dat daar Schriftuurlijke gronden voor zijn. In het Nieuwe Testament deelden vrouwen in de apostolische tijd al in de dienst van de diakenen en werden ze ook diaken genoemd. Ook in de loop van de kerkgeschiedenis komt het ambt van diacones voor, (gronden voor Besluit 4).

(b)  het ouderlingambt

Als het om het ouderlingambt gaat, heeft de synode besloten dat ‘er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling’, (Besluit 5).

Gronden daarvoor zijn o.a. dat in het Oude Testament ook vrouwen samenwerken in bestuur en rechtspraak en dat in het Nieuwe Testament ook vrouwen worden opgeroepen om zielszorg te verlenen, (Tit. 2, 3-5). Verder dat in Romeinen 16 vrouwen als apostel worden aangeduid, andere als medewerkers, en dat daar ook de indruk wordt gewekt, dat ‘man en vrouw in een gelijkwaardige positie samen leiding gaven in Christus gemeente’, (gronden voor Besluit 5).

(c)  het ambt van predikant

Als het om het ambt van predikant gaat, heeft de synode uitgesproken dat ‘er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant’, (Besluit 6b).

Een belangrijke grond voor dit besluit is dat in zowel het Oude als het Nieuwe Testament  vrouwen mogen profeteren en als profetessen aangeduid worden. In het Nieuwe Testament is profeteren dat iemand opbouwende, troostende en bemoedigende woorden tot mensen spreekt. Dit profeteren is in de gereformeerde traditie opgevat als de uitleg van de Heilige Schrift en het in de prediking door de Geest geleid toepassen van de Schrift op het heden. Expliciet noemt het besluit nog dat 1 Kor. 14, 34 geen argument tegen het spreken van vrouwen in de gemeente is, omdat dit voorschrift, – hoe dit verder ook uitgelegd moet worden -, in ieder geval niet opgevat kan worden als een absoluut verbod tot (s)preken in de eredienst, (gronden voor Besluit 6).

 

  1. Implementatie

Wat betreft de implementatie van dit besluit heeft de synode allereerst uitgesproken ‘ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of, en zo ja, op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten wil handelen’, (Besluit 7). Belangrijke gronden daarvoor zijn dat iedere kerk een eigen bezinningsproces doorloopt en op basis daarvan mag bezien hoe de aan haar gemeenteleden gegeven gaven kunnen worden in gezet om de gemeente verder te brengen op weg naar Gods koninkrijk, (gronden voor Besluit 7).

Dit besluit ligt in lijn met de visie van de deputaten, die aan de ene kant constateerden dat in de kerken zich een praktijk ontwikkelde naar ruimte voor vrouwen in het ambt, maar dat men daar onvoldoende vanuit overtuiging in staat was over na te denken. Het gesprek daarover was spannend en de verschillen van inzicht zijn per gemeente groot. Dat betekende dat de urgentie groot was om een heldere inkadering voor de rol van vrouwen in de kerk te bieden en die niet zonder meer aan de plaatselijke gemeenten over te laten, maar dat het even noodzakelijk was dat elke gemeente zijn eigen tempo daarin zou kunnen ontwikkelen.

Vervolgens roept de synode de kerken op om zich nader te bezinnen op de vraag ‘hoe recht kan worden gedaan aan de verschillen tussen man en vrouw in de vervulling van de taken en ambten in de gemeente’, (Besluit 8). De grond voor dit besluit is dat de bijbel zowel over de gelijkwaardigheid van als over het onderscheid tussen man en vrouw spreekt en dat ze beiden daarin een eigen plaats hebben tegenover God, in het huwelijk en in de gemeenten. Juist in onze sterk op gelijkheid gerichte cultuur verdient dit aspect speciale aandacht. Daarnaast waarschuwt de bijbel er herhaaldelijk voor, dat man en vrouw niet in elkaars plaats treden of elkaar overheersen, (gronden voor Besluit 8).

Ik vind dit een opvallend besluit, omdat aan de ene kant duidelijk is dat mannen en vrouwen functies per definitie op eigen wijze vervullen, terwijl ook deputaten in hun rapport al aangaven dat zij zich ‘geen heldere voorstelling [kunnen] maken van het vrouw-eigene en verwachten dat dat onderscheid ook in het praktisch functioneren niet zichtbaar zal zijn’, (Samen dienen, p. 66, waar zij de optie bespreken dat de vrouw een eigen ambt zou krijgen).

Dit besluit is voor zover ik inschat toegevoegd om daarin nog eens extra aandacht te vragen voor wat de synode in Grond 6 van Besluit 3 (namelijk dat vrouwen met hun gaven in alle taakvelden mogen dienen) uitgesproken heeft: ‘Binnen deze diensten zal naast gelijkwaardigheid ook verscheidenheid tot uitdrukking komen en behoren mannen en vrouwen elkaar over en weer te aanvaarden op de plaats en in de wijze van functioneren, die met hun onderscheiden talenten gegeven is.

Tenslotte heeft de synode het besluit genomen om deputaten ‘M/v in de kerk’ te benoemen om de genomen besluiten toe te lichten in de plaatselijke kerken en classes en de kerken te begeleiden en advies te geven als er zich knelpunten met betrekking tot de genomen besluiten optreden, (Besluit 10).

 

  1. Slotopmerkingen

In het gesprek over het besluit zullen twee vragen de aandacht vragen. Allereerst: heeft de synode het openstellen van de ambten voor vrouwen voldoende bijbels onderbouwd? Ten tweede: had de synode, ook al kan ze het besluit goed onderbouwen, niet tot de volgende synode kunnen wachten om tot invoering van het besluit over te gaan?

Wat de eerste vraag betreft: het is duidelijk dat deputaten en ook de synode zowel de voor- als tegenargumenten uitgebreid besproken en gewogen hebben en dat ze in de concrete uitleg keuzes gemaakt hebben. Het grote verschil van inzicht betreft de taxatie van de betekenis van de zgn. zwijgteksten in het grotere geheel van de Schrift. Daar zal het gesprek zich ongetwijfeld op toespitsen. Daarnaast zal een belangrijk punt van gesprek worden in hoeverre de impliciete visie op de relatie tussen het bijzondere ambt en het ambt van alle gelovigen door iedereen gedeeld zal kunnen worden.

Wat de tweede vraag betreft: enkele kerken en het deputaatschap BBK hebben gevraagd om nu alleen een principebesluit te nemen en uit te spreken dat het verantwoord is om de ambten voor zusters open te stellen en pas op de volgende synode tot de daadwerkelijke openstelling van het ambt te besluiten. Ik denk dat een verschil van inzicht vooral te maken heeft met een inschatting van de urgentie om over de participatie van vrouwen in de kerk nu al een besluit te nemen.

 

 

 

 

 

[1] http://www.gkv.nl/moderamen-stuurt-kerken-brief-toelichting-op-besluiten-mv-en-ambt/

 

Brief

De motivering voor de besluiten om in de GKv de vrouw in het ambt toe te laten is dan nu verschenen tezamen met een begeleidende brief van het bestuur van de synode. [i] In deze brief wordt een toelichting, maar ook een opvallende interpretatie van de besluitvorming gegeven. Daarom eerst in deze blog een korte impressie van de brief, in een volgende blog hoop ik iets over de besluitvorming zelf te zeggen.

Allereerst vermeldt het bestuur dat de besluiten een voorgeschiedenis kennen, die al 12 jaar loopt. De GS Amersfoort-Centrum heeft in 2005 een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’ ingesteld. Dat betekent dat men niet over één nacht ijs is gegaan om tot deze besluiten te komen. Dit is de 4e synode op een rij, die zich over de positie van de vrouw in de kerk gebogen heeft.

Ten tweede benadrukt het synodebestuur, dat er een behoorlijke urgentie was om nu ook daadwerkelijk door besluitvorming tot een afronding van de bezinning te komen. Voor de synode lag die urgentie in twee zaken:

  1. het spanningsveld tussen de ambtsleer (waarin vrouwen officieel geen gezaghebbende taken in de kerk mogen vervullen) en een toenemende praktijk waarin steeds meer vrouwen taken binnen het pastoraat, het leidinggeven en het onderwijs aan de gemeente vervulden.
  2. de verschillen die er leven ten aanzien van de argumentatielijnen en de opvattingen over het wel of niet toelaten van vrouwen in het ambt, binnen de GKv kerken, en tussen de GKv en andere kerken in binnen- en buitenland. Duidelijkheid over een koers kan dan helderheid bieden in het gesprek met alle betrokkenen.

Ten derde geeft het bestuur dan in de brief aan, dat er ook verschillende alternatieve besluiten overwogen zijn, zoals bijvoorbeeld alleen het ambt van diaken open te stellen voor vrouwen en binnen dat ambt dan vrouwen de mogelijkheid te bieden om taken en functies in de gemeente te vervullen. Toch heeft de synode uiteindelijk de vrijheid gevonden om uit te spreken dat er ‘Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot het ambt van diaken, ouderling en predikant’.

Interessant en even merkwaardig is dat het synodebestuur vervolgens nadrukkelijk zegt dat ‘[d]e besluitteksten verwoorden dat náást de visie dat (bepaalde) ambten aan mannen zijn voorbehouden op grond van Schriftuurlijke argumentatie, er óók ruimte is voor de visie dat vrouwen tot deze ambten kunnen worden geroepen’. Het bestuur verwijst daarvoor naar Besluit 3, waar ik deze verwoording niet terug kan vinden.

Ik kan me voorstellen dat deze interpreterende passage in de brief zo opgenomen is om daarmee te verklaren, dat er op de synode een blijvend verschil van inzicht was over de vraag of vrouwen tot het ambt van ouderling of predikant geroepen mogen worden, (een kleine derde van de afgevaardigden stemde tegen). Mijns inziens zal deze interpretatie het gesprek over het besluit behoorlijk in de weg kunnen zitten.

Ook doet deze interpretatie denk ik geen recht aan Grond 3 en 4 onder Besluit 3, waarin in niet mis te verstane woorden uitgesproken is, dat in de voortgaande openbaring van het Oude naar het Nieuwe Testament een reden gelegen is tot voortdurende bezinning, ‘omdat het [Oude Verbond], juist ook in de inrichting van de oudtestamentische ambten, niet bleek te werken (Hebr. 8:8) en als verouderd is bestempeld (Hebr. 8:13), [en] vervangen [is] door het Nieuwe Verbond dat gekenmerkt wordt door gelijkheid’, (Grond 3, Besluit 3).

Daarom zal, – aldus de synode -, de christelijke kerk ‘in alle eeuwen tot Jezus’ komst kritisch naar zichzelf moeten blijven kijken, naar haar inrichting van het kerkelijk leven, de functies die daarin volgens de Schrift vervuld moeten worden en naar de rol die haar mannen en vrouw[en] en al haar leden, van de grootste tot de kleinste daarin vervullen. Ze wordt hierdoor blijvend aangespoord met het oog [op] de invulling van de ambten kritisch te kijken naar haar Schriftverstaan’, (Grond 4, Besluit 3).

Als vierde geeft het synodebestuur in haar begeleidende brief een toelichting op het besluit om aan de plaatselijke kerken ruimte te geven om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten wil handelen. Dan gaat het over zaken als draagvlak voor het openstellen van de ambten en of vrouwelijke gemeenteleden zich ook geroepen voelen tot het ambt. Om het proces van bezinning, gesprek en besluitvorming in de plaatselijke kerken te faciliteren heeft de synode een deputaatschap ‘m/v in de kerk’ ingesteld om kerken en classes daarin te ondersteunen en hierover op de volgende synode te rapporteren.

Tenslotte doet het bestuur een oproep om deze besluiten bij een geopende bijbel voor Gods aangezicht zorgvuldig te overwegen. Daarbij gaat ze er vanuit dat er van gemeente tot gemeente een verschillende praktijk in de vervulling van de ambten zal ontstaan. Daarom eindigt ze met een appèl om bij een verschil van mening op dit punt elkaar te blijven aanvaarden en de door de Geest aan ons in Christus gegeven eenheid te bewaren.

 

 

 

 

 

[i] http://www.gkv.nl/moderamen-stuurt-kerken-brief-toelichting-op-besluiten-mv-en-ambt/