Kerstavond 2019

Ik houd ervan om naar middeleeuwse bijbelse kunst te kijken. Vooral mooi vind ik dat de bijbelverhalen op een eigentijdse manier worden weergegeven. Ik heb twee voorbeelden van de aanbidding van de wijzen meegenomen.

Gebr. Van Limburg 1375 – 1416 – Aanbidding der wijzen –  Metropolitan Museum of Art, New York

De eerste is een miniatuur uit een manuscript in 1408 gepubliceerd. Alle bekende elementen uit de kerststal zijn aanwezig. De ezel en het rund in de stal, Maria, de oude Jozef, het kind, een herder met schapen, de ster die de stal beschijnt, op de achtergrond de stad Jeruzalem, en dan de drie wijzen met hun geschenken, die al voorgesteld worden als koningen, gezien de kronen die ze dragen.

Toegeschreven aan Master of Prado – Aanbidding der wijzen – tussen 1460 – 1470 – Museum Del Prado Madrid, naar Columba Altaar van Rogier van der Weyden (1455) in München, Alte Pinakothek.

En dan heb ik ook een schilderij uit 1460/70. Een opvallend verschil is dat de wijzen hier geen kronen hebben, maar een soort baretten dragen. Het meest opvallende verschil is, dat één van hen zwart is. Verder hebben ze verschillende leeftijden en afkomst gekregen: Caspar, de zwarte jongen van 20 komt uit Afrika, Melchior is een 40-er uit Europa en Balthasar een 60-er uit Azië. De drie wijzen zijn de vertegenwoordigers geworden van de drie toenmalige bekende werelddelen en van alle levensfasen: jeugd, volwassenheid en ouderdom.

Zo zie je dat er veranderingen in de verbeelding van het kerstverhaal ontstaan. En je zou kunnen zeggen, dat er ook allerlei elementen zijn die niet kloppen met de feitelijke gebeurtenissen rond kerst, zoals we die in de bijbel lezen. Toch denk ik dat dat ook niet de bedoeling van deze verbeelding is. De verbeelding wil vooral de theologische of godsdienstige betekenis van het kerstverhaal aan de toeschouwer duidelijk maken. En dat gebeurt op een symbolische verbeeldende manier.

Als je naar het schilderij kijkt, dan ziet het tafereel er vredig uit. Maar als je let op de manier waarop het opgebouwd is, kun je er ook tegenstellingen in opmerken. Deze tegenstellingen verwijzen symbolisch naar de spanningen die in het kerstverhaal in de bijbel zelf al aanwezig zijn. Het is namelijk de vraag of dit kind Jezus, dat geboren is in een familie die uiteindelijk van koninklijke afkomst is en waarvan de profeten lang geleden al aangekondigd hebben dat het ook van goddelijke afkomst zal zijn – of dit kind wel geaccepteerd en erkend zal worden.

De wijzen zijn gekomen om dit kind te eren als koningskind, als koning van de Joden. Het zijn magiers, waarschijnlijk uit Babel, die uit de stand van de sterrenhemel hebben opgemaakt, dat er iets heel bijzonders in het land van de Joden is gebeurd. Daarom zijn ze toen ze in Judea kwamen ook eerst naar de hoofdstad, naar Jeruzalem, gegaan.

Het vreemde is dat men daar nog van niets weet. De koning die daar troont, Herodes,  schrikt als hij het verhaal van de wijzen hoort. Hij ervaart de geboorte van dit koningskind als een directe bedreiging van zijn koningschap. En ook al suggereert hij dat hij het kind wil verwelkomen, uit de rest van het verhaal weten wij dat hij er op uit is dit kind te doden.

En dan zijn er in Jeruzalem de Joodse godsdienstige leiders. Ze weten precies te vertellen, waar dan een koningskind geboren zou moeten zijn: in Bethlehem, in het geboortedorp van de latere koning David, het dorp waar hij als herdersjongen is opgegroeid. Maar deze informatie is voor de leiders geen reden om dat kind te zoeken, te verwelkomen en te eren.

Zo wordt de betekenis van het Kerstverhaal hier vastgelegd in het beeld van de aanbidding van de wijzen. De wijzen staan voor de niet-joodse volken, de heidenen, die komen om in het kind Jezus God te aanbidden en te vereren met geschenken. Naast hen staat het joodse volk, waar Jezus uit geboren wordt: Jozef en Maria zijn daar de vertegenwoordiger van. Ook de os en de ezel verwijzen daar naar. De os als rein dier verwijst naar het Joodse volk en de ezel als onrein dier naar de heidense volken. Daarmee zegt dit schilderij dat de geboorte van het kind Jezus voor de hele wereld van betekenis is, zowel voor de Joden als heidenen.

Dat is ook wat de geestelijke leiders uit die profetie van Micha opdiepen: ‘Dit kind zal eens leider van zijn volk worden en het als een herder weiden, maar onder zijn leiding zal er ook in de hele wereld vrede heersen. Hij zal de tegenstand van een vijand als de Assyriers overwinnen.’  

De vraag die in het geboorteverhaal van Jezus besloten ligt is dus, wie hem als de door God gezonden leider zal erkennen? Welke houding neem je tegenover hem aan? Ga je hem eren, zoals de wijzen? Wijs je hem af, zoals de geestelijke leiders in Jeruzalem zullen doen? Of bind je zelfs in vijandschap de strijd tegen hem aan, zoals Herodes?

Op dit moment is die vrede wereldwijd nog toekomstmuziek. Maar wij zien er wel naar uit. Zoals het in het laatste bijbelboek Openbaring aangekondigd wordt: dat Jezus als het lam van God eens als koning over de hele aarde zal heersen en dat alle volken hem dan zullen eren en prijzen.

Vanavond worden wij in dit verhaal al uitgenodigd om in navolging van de wijzen Jezus te aanbidden en te eren. Om vandaag al dit pasgeboren kind als onze koning en Heer te ontvangen.[i]  


[i] Meditatie op Kerstavond 2019 in De Fontein (Gkv Zwolle-West). Lezingen: Micha 5, 1-5, Mattheüs 2, 1-12 en Openbaring 21, 1-2a en 22-26.

De appel

Jutta Richter is in Nederland vooral bekend als schrijfster van jeugd- en kinderboeken.

 In 2008 verscheen van haar Der Anfang vom allem, in 2009 in het Nederlands vertaald als De oorsprong van alles. Toevallig stuitte ik in onze bieb op deze novelle. Op de achterflap stond wel een mooie typering: ‘Jutta Richter laat haar lezer peinzend achter: hoe kan het dat de mens, die eindeloos verlangt naar liefde en leven toch altijd weer strandt op jaloezie, wrok, verdriet en vertwijfeling.’

Het gaat over de mens en wat hem drijft. Zoals een van de personages in het boekje (de poes) de mens typeert: ‘Zo zijn mensen immers? Naderhand zeggen ze altijd dat ze het niet wilden. Maar eerst doen ze precies wat ze niet willen.’

En de oorsprong van alles? Dat was toch die appel? Begon alle ellende daar niet mee?

Jutta Richter geeft met haar verbeeldingskracht een interpretatie van het oorsprongsverhaal uit de bijbel, die uitnodigt tot verder denken:

“‘Adam, ik was je vriend en ik dacht dat jij de mijne was. Ik geloofde dat onze vriendschap niet kapot kon. Ik geloofde soms dat ik mezelf terugzag in jouw ogen. Ik was zoals jij en jij was zoals ik. Ik heb me vergist, Adam. Ik heb me vergist in jou. In je ogen lees ik angst. Je bent bang voor mij. Maar Adam, voor je vrienden hoef je toch niet bang te zijn! Een mens is bang voor zijn vijanden! Je denkt nu dat ik je vijand ben, je denkt dat ik je zal verstoten omdat je vrouw die appel buiten mij om geplukt heeft. Daar ben je bang voor en daarom ben je bang voor mij. Je hebt zo weinig vertrouwen in mij! En het is bitter voor me, te zien hoe je je in allerlei bochten wringt om mij maar niet te hoeven aankijken. Te zien hoe je de liefde die ik voor je koesterde in het stof vertrapt heb.’

Hij keek Adam aan.

‘Nog vandaag zul je deze plaats verlaten. Niet vanwege die ene appel, dat zou kleinzielig en goedkoop zijn. Je vertrekt omdat je bang bent en omdat het nooit meer zo kan zijn als eerst, je vertrekt omdat je onze vriendschap verraden hebt!’

Na deze woorden draaide hij zich om en liep met moede schreden weg. En Adam keek hem na, op zijn beurt uit steen gehouwen. Zo stonden ze daar lange tijd, Eva gehuld in zijn mantel en Adam bleek en verstard. Ze konden het nog niet bevatten.”,

(Citaten uit Jutta Richter, De oorsprong van alles, Uitgeverij Brandaan, Barneveld, 2009, p. 41 en 51-53).

Eb

In de bibliotheek stond de roman opgesteld in de kast naast de uitleenbalie. Getriggerd door de auteursnaam nam ik hem mee. Bremmer? Familie van? Inderdaad blijkt ze een kleindochter van de vrijgemaakte theoloog Rolf H. Bremmer te zijn. Vooral is ze een kleindochter van Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom, die tijdens haar leven streed voor de rechtmatige emancipatie van de vrouw in kerk en samenleving. Zelf is Rebekka Bremmer niet meer kerkelijk. Zoals ze in een interview vertelde: ‘Misschien was dat anders geweest als er meer vrouwelijke predikanten zouden zijn. Ik ben blij dat die er steeds meer komen. Voor mij als jong meisje was het lastig om me te identificeren met de man die op de preekstoel stond, misschien ook omdat de verhalen niet vanuit vrouwelijk perspectief werden geduid.’ Deze zelfwaarneming verheldert een aantal van de boeiende aspecten van haar roman.

Rebekka Bremmer situeert de roman in een laat 19e / begin 20e eeuwse samenleving, waarin de vrouw nog een maatschappelijke rol vervult en het geloof vanzelfsprekend is. De vrouw is niet alleen echtgenote en moeder, maar ook volop betrokken in het arbeids- en productieproces. De beschrijving van de eilandgemeenschap, waar de geschiedenis zich afspeelt, is een treffende illustratie van wat Barbara Ehrenreich in haar boek For Her Own Good (vertaald als Voor haar eigen bestwil ) ‘de Oude Orde’ heeft genoemd: de gevestigde, agrarische leefwijze van voor de Industriële Revolutie. Een orde die gekenmerkt wordt door eenheid en patriarchaat, maar tegelijk ook gynocentrisch is. Dat wil zeggen: ‘de kundigheden en het werk van vrouwen zijn onontbeerlijk voor het bestaan’, zowel ter ondersteuning van het beroepsleven van haar man, als in het draaiende houden van het gezin: moestuin bijhouden, pluimvee fokken, melkvee verzorgen; room, boter en kaas bereiden; koken, wekken van groenten en fruit; spinnen van wol en in de kleren steken; zeep maken, geneesmiddelen vervaardigen, zieken verplegen en vroedvrouw zijn. Al deze facetten van het leven komen ook in deze kleine roman voorbij, waarbij een nadruk ligt op zwangerschap, geboorte en kinderloosheid; kindersterfte en sterven in het kraambed; huwelijk, het voortijdig overlijden door verdrinking op zee en weduwschap. Zijdelings komen de relatie tussen grootouders, ouders en kleinkinderen; de tegenstellingen tussen eilandbewoners en die van het vaste land, de onderlinge wrijving en verbondenheid tussen verschillende eilandbewoners en religieuze verschillen tussen roomsen en protestanten aan de orde.

Op een boeiende manier weet Rebekka Bremmer de verschillende facetten van een samenleving te verbinden met de handelingen van Geeske. Ook al speelt het verhaal zich af binnen de 24 uur van een dag, door middels van flashbacks en de reflectie van de personages weet de auteur in haar boek een hele wereld op natuurlijke wijze tot leven te brengen. Maar dan vooral vanuit het perspectief van de vrouw: haar verlangen,  verwondering, blijdschap, rouw en teleurstelling. Dit vrouwelijke perspectief strekt zich uit tot in de interpretatie en toepassing van de bijbelverhalen, die met het leven van Geeske, de hoofdpersoon van het boek, verweven zijn. Zij identificeert zich met de verhalen van Sara en Hagar en van de vrouw van Lot.

Centraal in de ontwikkeling van de geschiedenis in de roman is het wachten en hopen op de terugkeer van de echtgenoot van Geeske. Deze is drie dagen geleden niet teruggekomen van zee. De vraag is, wat er gebeurd is en of hij nog in leven is. Naast Geeske vervullen twee andere personages een belangrijke rol. Allereerst Johannes zelf, de echtgenoot. Geboren op het vaste land, zoon van een molenaar, is hij na de dood van zijn pasgeboren dochtertje en het overlijden van zijn echtgenote in dit kraambed de zee opgegaan en is visser geworden. Door zijn huwelijk met Geeske is hij op dit eiland voor de Westfriese kust terechtgekomen, maar uit de loop van het verhaal blijkt dat hij altijd een buitenstaander is gebleven. Daarnaast is een bijzondere rol weggelegd voor Gezientje, die plotseling op het eiland opduikt om Geeske een bezoek te brengen. Zij komt van de vaste wal en blijkt gekomen te zijn, omdat zij al drie week niets van Johannes vernomen heeft. Wie zij is en wat haar relatie met Johannes is, is een andere spanningsboog in deze roman. De beschrijving van de aanvankelijke afstand en de latere toenadering tussen Geeske en Gezientje is een van de dragende delen van deze roman.

Bremmer weet de verschillende lijnen in de geschiedenis op een mooie manier met elkaar te verbinden. Knap is de nauwkeurige en aandachtige wijze, waarop zij handelingen liefdevol en gedetailleerd weet te beschrijven. Daarnaast valt op dat zij ruim gebruik maakt van spiegelverhalen, zowel vanuit de bijbel als ook in de romantekst zelf. Door de tegenstellingen en overeenkomsten in deze verhalen krijgen de beschrijvingen van de gebeurtenissen een symbolische meerwaarde. Tenslotte brengt de ontknoping van de roman de geschiedenis niet tot stilstand. Na eb komt ongetwijfeld weer vloed. Op een bepaalde wijze is het een open einde, die mij noopte tot het opnieuw herlezen van eerdere gedeelten uit de roman. Mooi om te merken hoe het interpretatieproces zich vanwege de intertekstualiteit en de structurering van de roman opnieuw voltrekt.

Wat details betreft zou ik een andere keuze gemaakt hebben: de keuze voor het gebruik van de Statenvertaling 1637 werkt onnodig vervreemdend. Het gebruik van een 19e eeuwse versie zou realistischer zijn geweest. Daarnaast had de uitwerking van het pelgrimagemotief van Johannes de roman nog sterker kunnen maken.

Een kenmerk van goede literatuur is een goed geschreven en gestructureerde tekst, die meer is dan alleen de beschrijving van een geschiedenis. Doordat Eb ook uitnodigt om de eigen werkelijkheid van de lezer met nieuwe ogen te bezien, is het een zeer geslaagde roman. Wat verwacht je van het leven? Waar mag je op hopen? Op welke wijze word je gelukkig? Wat is de rol en de betekenis van het verleden voor hoe je in het leven staat?

Rebekka Bremmer heeft een fijnzinnig debuut geschreven.

N.a.v. Rebekka W.R. Bremmer, Eb, Querido Amsterdam, 2012.