De preek als getuigenis van Gods evangelie

[In een serie over de onderdelen van de liturgie schreef Anne-Maaike Pathuis in het Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 september 2020 een artikel over ‘De preek‘, dat ik hier als gastblog plaats.]


In de hedendaagse samenleving zijn er weinig plekken waar mensen met regelmaat met eenzelfde groep samenkomen en daarbij twintig tot veertig minuten naar het verhaal van één spreker luisteren. Toch is dat precies wat er zondag aan zondag gebeurt in protestantse kerken overal ter wereld. In deze kerken werd de preek een van de belangrijkste onderdelen van de liturgie.

In gereformeerde kerken sinds de Reformatie is de kerkdienst vooral een ‘dienst van het Woord’ geworden. Hierdoor ligt het accent in de liturgie op de preek, op de verkondiging van het evangelie door middel van het woord. Je zou de preek kunnen definiëren als ‘verkondiging van het evangelie’.

Dat de preek zo centraal kwam te staan in de liturgie was niet direct de bedoeling van Luther en Calvijn: hun streven was om Woord en sacrament dichtbij elkaar te houden.

Preken is natuurlijk maar één van de manieren waarop het evangelie verkondigd kan worden. Ook in boeken of in informele gesprekken kan het evangelie worden doorgegeven. Eveneens kan gedacht worden aan verschillende onderdelen van de liturgie waarin het evangelie verkondigd en ervaarbaar wordt: in schuldbelijdenis en genadeverkondiging en in de sacramenten van doop en avondmaal. In deze elementen wordt vrijspraak verkondigd en staan het sterven en de opstanding van Jezus centraal en vindt dus volop evangelieverkondiging plaats.

Evangelie = Jezus?

Als preken evangelieverkondiging is, dan is het goed om er over na te denken wat onder evangelie verstaan wordt. Eén van de vragen die in de homiletiek – in de ‘preekkunde’ – in dit kader vaak gesteld wordt, is of het in elke preek over Jezus moet gaan.

Sommige theologen stellen dat het in elke preek expliciet over Jezus moet gaan. Tim Keller schrijft bijvoorbeeld: “Elke keer als je een Bijbeltekst uitlegt, ben je pas klaar als je aantoont hoe hij ons laat zien dat we onszelf niet kunnen redden en dat alleen Jezus dat kan doen”. Keller vergelijkt dit belang van Jezus voor elke preek met het feit dat er in Engeland vanuit elke stad en elk gehucht een weg naar Londen loopt. Net zo loopt er vanuit elke bijbeltekst een weg naar het centrum van de Bijbel, namelijk Christus.

Evangelie = koninkrijk

Ik denk met Tim Keller dat we God en zijn verlossingsplan voor deze wereld bij uitstek leren kennen in Jezus. Tegelijk geloof ik dat het evangelie in sommige preken ook verkondigd kan worden zonder Jezus expliciet te noemen.

In preken wordt de gemeente als het goed is altijd gewezen op God en op zijn ‘trinitarisch-historische zelfopenbaring’ (C. Trimp). Dat betekent dat volgens het evangelie preken niet automatisch alleen over Jezus zal gaan, maar over de God die zich in de geschiedenis als Vader, Zoon en Geest heeft laten kennen. Deze God kwam in Jezus zelf naar de wereld om het evangelie te verkondigen. Dat evangelie is dat God koning is in deze wereld, dat zijn koninkrijk dichtbij is, en dat God ook heer over ons leven wil zijn.

De prediker

De preek is de plek in de liturgie waar de rol van de prediker het meest tot uiting komt. Er rust een zware verantwoordelijkheid op zijn of haar schouders. Dan gaat het er niet alleen om dat hij of zij aansprekend preekt, daarbij actuele voorbeelden en herkenbare taal gebruikt. De verantwoordelijkheid ligt er vooral in om het evangelie zó te verkondigen dat Gods stem in de preek tot klinken komt.

Tegelijk is die verantwoordelijkheid niet loodzwaar, omdat een prediker altijd mag beseffen dat het uiteindelijk Gods Geest is die het evangelie in de harten van mensen brengt. Die Geest brengt het ook in het hart van de prediker.

Kees de Ruijter gebruikt daar een mooi beeld voor: de prediker is een getuige, in wiens getuigenis de stem van de Meester doorklinkt. Als een getuige spreekt de prediker alleen over wat hij of zij zelf heeft gezien, “zelf moet hij eerst horen naar het Woord van God, maar dat brengt hem vervolgens tot sprekend getuigen”. Dat betekent dat een prediker alleen dan kan preken, als hij of zij zelf heeft ontdekt dat God in de Bijbel zijn evangelie bekendmaakt.

Rol van de gemeente

De gemeente lijkt een wat passieve rol te hebben rondom de preek. Dat is allerminst het geval: zij mag verwachten in de preek door Gods woord aangesproken te worden.

De gemeente mag – samen met de prediker – leren luisteren naar Gods stem en daar dan gelovig antwoord op leren geven. De preek nodigt de gemeente uit om God te aanbidden, in woorden en in daden. De preek is er zo uiteindelijk voor bedoeld dat niet alleen de prediker, maar alle gelovigen getuigen worden van Gods evangelie. Zo zal Gods koninkrijk, zijn heerschappij in ons leven, steeds meer zichtbaar worden.

Preken in coronatijd

Artikel van Anne-Maaike Pathuis in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 15 mei 2020

Door de coronacrisis moeten kerken hun zondagse erediensten anders invullen. De meeste kerken zorgen voor een online viering, en elke kerk kiest daar zijn eigen manier voor. Sommigen laten een aantal gemeenteleden liederen zingen, anderen gebruiken vooral liederen van Nederland Zingt. Sommige online diensten hebben een liturgie die nagenoeg hetzelfde is als voor de coronacrisis, andere diensten zijn sterk verkort – een paar liederen en een preek. Wat in elke online dienst een plek lijkt te krijgen is een preek of overdenking. Ik vroeg een aantal predikanten naar hun ervaringen met preken in coronatijd.

Het coronavirus bepaalde vooral de eerste paar weken van de ‘intelligente lockdown’ de thematiek van de preken. “Het coronavirus ‘kort aanstippen’ kan ik niet: de preek wordt geboren in de leefwereld van vandaag en ademt voortdurend de sfeer waarin wij leven,” schrijft ds Kees van Dusseldorp (GKv Schildwolde). Ds Gerbram Heek (GKv Buitenpost) sluit hierbij aan als hij schrijft dat hij zijn preekplan “wel steeds [heeft] toegespitst op de coronasituatie. Dat is wel meer dan dat het kort wordt aangestipt. Ik ben er verschillende keren nadrukkelijk op in gegaan.”

Dominees proberen in hun preken natuurlijk altijd aan te sluiten bij de leefwereld van de gemeenteleden, de hoorders, maar een tijd van crisis en grote maatschappelijke ontwikkelingen vraagt daar wel in het bijzonder om. Ds van Dusseldorp hield tijdens de eerste twee online diensten echte ‘tijdredes’ waarin hij vanuit het evangelie licht wierp op de vragen die opkomen door het coronavirus en de lockdown. Ook ds Jos Douma (GKv Zwolle-Centrum) merkte dat het crisisgevoel de eerste twee zondagen sterk bepalend was voor het thema van de preek.

Preekthema’s

Na de eerste online diensten zijn de predikanten wel anders gaan preken. Het crisisgevoel was eerst bepalend, “maar daar werden de online diensten wel wat ernstig van. Dat hebben we als kerkenraad geëvalueerd en gezegd: het mag ook wel weer wat sprankelender, positiever,” schrijft ds Douma. In Zwolle is daarom gekozen voor het thema #DASLIEFDE, in aansluiting bij de landelijke SIRE-campagne #DASLIEF en een plaatselijk initiatief van een kunstenaar #HEBLIEF. Ds Douma: “Ik heb gepreekt over onder meer zelfbeheersing en geduld als deugden, en elementen van de vrucht van de Geest, omdat dat precies de waarden zijn waar we ons als samenleving in moeten oefenen.”

In Schildwolde is ds van Dusseldorp begonnen met een prekenserie over de woestijntocht van het volk Israël. “De thema’s liggen voor het opscheppen: omgaan met beperkingen, volhouden in een taaie tijd, oefenen in vertrouwen, mopperen en/of bidden, wat kun je van God verwachten?” Ds Rutger Heij (GKv Heemse) hield vanwege zijn werk op de synode tot nu toe twee preken in coronatijd, maar koos bewust voor thema’s die met het coronavirus te maken hebben: over de vraag of het virus een teken van de eindtijd is, en over hoe we ondanks de fysieke afstand in Christus toch met elkaar verbonden zijn.

Relevantie

Ds Heij merkt dat juist de actualiteit van de preken ervoor zorgt dat de boodschap echt bij mensen binnenkomt. Ook in Zwolle is er “waardering voor het aanbrengen van een thematische rode lijn die als heel relevant wordt ervaren en toch ook alle ruimte biedt om het evangelie eigen stem te geven,” zo schrijft ds Douma. “Het valt mij op dat bijbelteksten en geloofswoorden in deze tijd een veel intensere klank hebben gekregen. Dat merk ik bij mezelf en ook bij gemeenteleden die ik spreek,” zo schrijft ds van Dusseldorp.

Het is mooi dat de kracht van het evangelie, en ook de kracht van preken, juist in deze tijd zo ervaren wordt. De preek is een van de manieren waarop gelovigen leren om hun leven in het licht van het evangelie te zien en te leven. Emeritus hoogleraar Kees de Ruijter schreef in het boek ‘Horen naar de stem van God’ onder andere over de bedoeling van de eredienst. Volgens hem is het een leerplek waar hoorders leren om hun levensverhaal te vertellen en te leven vanuit het perspectief van het evangelie. Dit leerproces wordt juist in de preek geconcentreerd. In de preek zoekt de predikant in het bijzonder naar de manieren waarop God, door de bijbeltekst heen, tot de gemeente in haar concrete leefwereld spreekt.

Interactie en reactie

Voor de predikanten is het contact met de hoorders, de gemeenteleden, tijdens de preek een stuk minder direct dan voor de coronacrisis. Daardoor is de beleving van het preken is heel anders. “De preek ademt normaal gesproken in de interactie en de sfeer van de kerkgangers. Zelfs als ze niets zeggen, ben je toch met ze in gesprek. Dat gesprek voelt nu nog meer virtueel geworden,” schrijft ds van Dusseldorp. Dit wordt versterkt doordat predikanten niet weten wie hun online diensten allemaal volgen.

De vier predikanten die ik sprak krijgen net zoveel of meer reacties na de dienst als eerder, en die gaan vaak niet alleen over de preek maar over de hele dienst. Ds Heek schrijft: “Je hoort aan de ene kant minder, omdat er na de kerkdienst geen mensen naar je toekomen. Aan de andere kant komen er meer complimenten omdat mensen vooral blij zijn dat de diensten online nog wel doorgaan.”

Ook in Zwolle, Heemse en Schildwolde zijn gemeenteleden blij dat er door de voortgang van de online diensten een stukje vertrouwdheid blijft bestaan. In de waardering voor het feit dat er online diensten zijn, wordt wellicht ook zichtbaar dat het evangelie niet alleen wordt gehoord in de preken, maar door de hele liturgie heen wordt ervaren.

Nabije toekomst

De verwachting is dat erediensten voorlopig nog online moeten plaatsvinden. De predikanten geven aan dat ze hun preken ook op deze manier zullen voortzetten. Voor de gemeenteleden in Zwolle betekent dat, dat ze de komende tijd bemoedigende, relevante en relatief korte preken zullen horen. “Wel wil ik meer inzetten op het helpen van gemeenteleden thuis om aansluitend aan de onlinedienst een geloofsgesprek te voeren aan de hand van een gesprekshandreiking,” zo geeft ds Douma aan. In Buitenpost werd dat al vanaf de eerste online dienst gedaan, en ds Heek hoopt dat er in deze tijd ook alternatieve vormen voor de preek worden uitgeprobeerd, zoals een soort talkshow naar aanleiding van een bijbeltekst of thema.

Het zal voorlopig nog wel een vreemde situatie blijven, zo zegt ds Heij: “Preken in een lege kerk, met de blik op de camera gericht, is een vervreemdende ervaring. Maar preken in een kerk met anderhalve meter opstelling lijkt me minstens zo vervreemdend, misschien nog wel meer.” Het belangrijkste is dat het evangelie verkondigd wordt, ook in een tijd van crisis. Daarom, zo schrijft van Dusseldorp, “probeer ik me open te stellen voor de leiding van de Heilige Geest. Ik stel mij in dienst van het evangelie van Jezus Christus dat echt een bron van vreugde, vrijheid en vrede is.”

De gereformeerde eredienst en liturgie

De theologie van de Reformatie is gegroeid rond de grote herontdekking van Luther, dat de ‘gerechtigheid van God ’ een relatie-term is. Wij mogen met God omgaan, omdat hij in Jezus Christus ons genadig opzoekt met zijn verlossing en redding. Nu mogen wij in vrijheid hem dienen en eren. De gereformeerde liturgie is een poging om dit inzicht te laten doorwerken in de vormgeving van de erediensten. Daarbij grijpen de reformatoren achter de middeleeuwse liturgie terug op het Nieuwe Testament en de gewoonte van de vroege kerk.

 

  • Joods godsdienstig leven

Wil je de vormgeving van de vroeg-christelijke erediensten begrijpen, dan moet je die zien tegen de achtergrond van het joodse godsdienstige leven in de tijd van het Nieuwe Testament. Die wordt bepaald door de tempel, de synagoge en het huis als de plaatsen waar het leven met en het eren van God vorm krijgt.

De tempel in Jeruzalem speelt als huis van God en als plek van zijn aanwezigheid in de wereld een centrale rol als de plaats van het offer, de verzoening, het gebed, de aanbidding, het onderwijs en het vieren van de drie grote feesten. De synagoge is de plek waar men samenkomt voor het lezen, de uitleg en het onderwijs van de Schriften. Daarnaast  vervult de synagoge ook de functie van een gebeds- en aanbiddingsruimte. De synagoge is in de tijd van de ballingschap in Babel ontstaan als middel om het godsdienstig leven vorm te geven, nadat de tempel van Jeruzalem door Nebukadnezar verwoest was.

Na de herbouw van de tempel in de tijd van Haggai en Zerubbabel heeft de synagoge zich als religieuze ontmoetingsplaats gehandhaafd en heeft die ook in het joodse land naast de tempel een plek gekregen. In de tijd van Jezus waren de Farizeeën meer verbonden met het leven in de synagoge en de Sadduceeën met de tempeldienst.

Het huis tenslotte is de ruimte waar de persoonlijke eredienst en de heiliging van het leven van elke dag zijn centrum vindt in het gebed en de zegening. Die wordt met name gevierd tijdens de maaltijd en de feesten. Ook vindt in de huizen religieus onderricht van de kinderen plaats.

 

  • Vroegchristelijke liturgie

Uit alles blijkt dat de eerste joodse christenen met hun samenkomsten niet de bedoeling hebben om de joodse vormen van eredienst te vervangen. In hun houding tegenover het joodse godsdienstige leven oriënteren ze zich op het onderwijs van Jezus, die wel kritisch stond tegenover de leiders van de tempel en ten opzichte van de Farizeeën, maar toch trouw de tempel en de synagoge bezocht. Dat betekent dat ook de eerste christenen de tempel en de synagoge nog bezoeken en daar met de rituelen en samenkomsten meedoen. Zo worden de christenen in eerste instantie ook beschouwd: als een van de richtingen binnen de joodse godsdienst, vergelijkbaar met die van de Farizeeën of Sadduceeën. Op deze plekken dienen zij God en zijn zij tegenover hun medebezoekers getuigen van Jezus.

In de samenkomsten in hun huizen gebruiken ze de maaltijd en vieren ze de onderlinge verbondenheid in het avondmaal en bouwen ze elkaar op in het geloof door onderwijs in het geloofsgesprek, door gebed en door het delen van profetie en andere gaven van de Geest. De discipelen zetten zo de manier van samenleven voort, die ze hadden toen ze samen met Jezus optrokken en waar ze ook in de huizen rondom de maaltijd het geloof met hem en andere gasten deelden. Het grote verschil is dat Jezus nu niet lichamelijk aanwezig is, maar in zijn Geest.

In de loop van de 1e eeuw valt echter het kunnen bezoeken van de tempel en de synagoge voor de christenen weg. Buiten Jeruzalem was sowieso een bezoek aan de tempel niet aan de orde en was men aangewezen op de synagoge, maar definitief wordt dat na de verwoesting van de tempel in 70 n. Chr.

Ook het bezoeken van de synagoge wordt op een gegeven moment onmogelijk, doordat het getuigenis van het Messias-zijn van Jezus een breekpunt in de relatie wordt. Dat zien we eerst al in het leven van Paulus en zijn gemeenten uit de heidenen, maar ook voor de joden-christenen komt er na 70 n. Christus een ‘parting of the ways’ met de overige joden die zich hergroeperen rondom het rabbijnse jodendom.

Aan het eind van de 1e eeuw zien we dat de functies die de tempel en de synagoge in het godsdienstig leven vervulden nu in de samenkomsten in de huizen geïntegreerd worden. Dat wordt nu de plaats waar het offer, de oriëntatie op de Schriften, het gebed en het onderwijs plaats vinden. Ook zien we dat in de loop van de 2e eeuw er een meer geordende liturgie in de samenkomsten ontstaat, waarin we een voorloper herkennen van wat later in een tweeledige structuur van een ‘Schrift en woord’-deel en een ‘sacrament’-deel van de liturgie zijn beslag krijgt.

Als je vanuit het schema van het joodse godsdienstige leven naar de liturgiegeschiedenis kijkt, dan zie je dat vanaf de 3e eeuw de tempel-functie van het offer steeds meer de nadruk krijgt in de liturgie, tot in de naamgeving toe: priesters die de eredienst vorm geven en een concentratie op het offer, dat in de eucharistie wordt gebracht. Deze tendens wordt versterkt doordat men sinds de 4e eeuw niet meer in de huizen samenkwam, maar in basilieken.

In de Reformatie bant men alles wat aan een offer doet denken uit de viering van de eucharistie en krijgt in de liturgie de synagoge-functie van het lezen van de Schriften en het onderwijs alle nadruk.

Tenslotte zie je de huis-functie vooral benadrukt in de kloosters en in vernieuwingsbewegingen als de Moderne Devotie (14e eeuw), dopersen (16e eeuw), het Pietisme en de bevinding (18e en 19e eeuw) en de meer evangelisch georiënteerde kerken en groepen (vanaf de 19e eeuw).

 

  • Eredienst in liturgie en dagelijks leven

Het is niet verwonderlijk, dat wanneer de tempel en de synagoge uit het godsdienstig leven van de christenen verdwijnt, men zich voor de ordening en vormgeving van de eredienst in hun samenkomsten blijft richten naar de structuur en de tijden van het joodse godsdienstig leven. Immers het Jezus-geloof en de verering van Jezus door de christenen is diep verankerd in de eeuwenoude verbondsrelatie tussen God en zijn volk. Aan het onderhouden van deze relatie wilde ook het godsdienstige leven in de tempel en synagoge uitdrukking geven. Dat is de grondslag van de ‘eredienst’ van de israëlitische gelovige, die ook al beoefend werd ver voordat er nog maar een tempel of synagoge sprake is.

De eredienst in tempel, synagoge of huis zijn dan wel de brandpunten van het joodse godsdienstige leven geweest, het dienen en eren van God gaat daar niet in op. Wanneer het godsdienstig leven zich daar toe beperkt, dan is er de profetische kritiek op het offer en het ritueel, zoals wij die in het de oude testament en bij Jezus tegenkomen. Dan horen we het verwijt namens God dat de uiterlijke eredienst geen oprechte uitdrukking van het innerlijk is, waardoor de eredienst ook geen handen en voeten krijgt in het leven van elke dag. Er moet namelijk een wisselwerking zijn tussen enerzijds het dienen van God op de heilige plaatsen en tijden en anderzijds het leven volgens Gods thora in de wereld. Echte eredienst wordt gekenmerkt door barmhartigheid en gerechtigheid.

De kern van het christelijk geloof is dat Jezus de perfecte belichaming is van de dienst aan God en dat hij door zijn offer aan het kruis de verzoening met God tot stand heeft gebracht, waardoor wij nu door zijn Geest in staat zijn om innerlijk oprecht God te dienen en als gelovige in de wereld te leven. Paulus noemt dat in Romeinen 12 de eredienst van het christelijk geloof. De samenkomsten van de gemeente zijn er op gericht om dit geloof en deze dienst aan God en in de wereld te beoefenen en te stimuleren.

Het is deze notie die ook een grote rol in de inzichten van Calvijn over eredienst en liturgie. Naast woord, gebed en sacrament speelt ook de onderlinge verbondenheid een rol. De eredienst voor God is nauw verbonden met de dienst aan de naaste. Die verbondenheid wordt allereerst zichtbaar in de diaconale collecte, terwijl Calvijn ook de ‘vredeskus’ noemt.

Het betekent een bewust zijn van de wederzijdse noden, zowel fysiek als geestelijk, in de gemeente, wat ook betekent het bekendmaken van de zieken en behoeftigen in de gemeente. Omdat dit een standaard onderdeel van de dagelijkse gebeden en de woensdags gebedsdienst was, was daar in Geneve op de zondag minder aandacht voor nodig.

Tenslotte legt Calvijn ook een nadruk op de dagelijkse eredienst. Het luisteren naar Gods woord was niet alleen een activiteit voor de zondag, maar ook een dagelijkse door de week, terwijl op vrijdag ook nog een reguliere bijbelstudie voor de geestelijken en gemeenteleden werd gehouden.

De gemeente werd geïnstrueerd om op gezette tijden stil te staan om te bidden. Gebedsteksten daarvoor werden gepubliceerd. Zo zijn in ons kerkboek ook gebeden voor diverse gelegenheden opgenomen, zoals een morgen- en avondgebed, een gebed voor en na het eten en gebeden bij ziekte. Ook getoonzette psalmen kunnen voor deze particuliere gebedsmomenten gebruikt worden.

Tenslotte verwachtte Calvijn dat in het dagelijks leven de verbondenheid en onderlinge gemeenschap zichtbaar werd in het omzien naar elkaar. Op die manier werden de gelovigen opgeroepen om het welzijn van de naaste te dienen en zo in de ander het beeld van God te eren. Wij zijn niet van onszelf, maar van God. Dat inzicht moet een leidraad voor het leven van de gelovigen zijn en zal de basis moeten zijn om in het dagelijks leven van elke dag te groeien in geloof en liefde.

 

 

De oorsprong en geschiedenis van de (2e) eredienst

  • De vroege kerk

In het Nieuwe Testament lezen we dat de eerste christenen op de 1e dag van de week ’s avonds in hun huizen bij elkaar komen. Dit gebeurt nadat het gewone werk gedaan is. De inhoud van deze bestaat in het lezen van de Schriften, verkondiging, zingen, het voeren van geloofsgesprekken, terwijl ook het avondmaal in aansluiting op de agape– of liefdemaaltijden wordt gevierd. De vormgeving van deze samenkomsten is deels geënt op die van de synagoge en deels op wat men gewoon was in het delen van het geloof binnen het dagelijks leven in huis.

In een brief van stadhouder Plinius uit het jaar 112 lezen we, dat christenen op de zondag de gewoonte hebben ´s morgens vroeg bij elkaar te komen om te zingen en aan het einde van de dag om een maaltijd te gebruiken.

Wanneer het christendom in de 4e eeuw staatskerk wordt, komt men niet meer in huizen bij elkaar maar in kerkgebouwen (basilieken). Ook wordt het tijdstip van de zondagse samenkomst verschoven van zonsopgang naar het ´derde´ uur, d.w.z. negen uur ´s morgens. Tenslotte wordt het vanaf die tijd ook gebruik om in de morgendienst het avondmaal te vieren. Naast deze morgendienst komt men ook aan het einde van de dag als afsluiting van de zondag voor een samenkomst bij elkaar. Men krijgt van overheidswege de tijd om eerst naar de kerk te gaan, voordat men aan zijn werk gaat. Pas vanaf de 6e eeuw is de zondag een volledige werkvrije of rustdag.

We zien dus dat niet alleen de structuur van de erediensten met de joodse manier van geloofsbeleving verbonden is, maar dat ook de tijden van de samenkomsten daarop zijn afgestemd. In de synagoge komt men voor het morgen- en het late-middag/avondgebed bij elkaar op die momenten dat in de tempel het offer wordt opgedragen. In later tijd ook nog eens na het vallen van de avond voor een avondgebed.

In de vroege kerk spelen deze gebedstijden niet alleen een rol op de zondag, maar ook door de week. Daar zien we zelfs een sterke uitbreiding van gebedsmomenten in navolging van de oude Joodse dagelijkse gebedsuren naar het derde, het zesde en het negende uur en het middernachtelijk gebed.

Zo worden vanaf de 4e eeuw in de bisschopssteden dagelijks morgendiensten en vespers gehouden, waarin lezingen uit de bijbel plaatsvinden, Psalmen gezongen en gebeden uitgesproken worden. Ook vinden in de vespers regelmatig de gemeenschappelijke liefdemaaltijden plaats, die door welgestelde leden aangericht worden voor de armen en de weduwen. Alle gemeenteleden  worden opgeroepen om deze dagelijkse gebedsdiensten te bezoeken. Daarnaast komt de clerus (de bisschop, de presbyters en de diakenen) ook op de overige gebedstijden overdag bij elkaar, waar de overige leden van de gemeente door werk niet bij aanwezig kon zijn.

Eenzelfde gebedspatroon zien we bij groepen christenen die rond de vierde eeuw buiten de steden gaan wonen om zich uit de wereld terug te trekken en zich aan een godsdienstig en ascetisch leven te wijden. Zij houden net als de clerus op de tijden van het joodse gebedsuur gezamenlijk godsdienstige oefeningen. Op het moment dat ook priesters in deze kloostergemeenschappen gingen wonen, kregen deze gebedsmomenten een kerkelijk en liturgisch karakter.

Wanneer later ook in de steden kloosters bij de belangrijke basilieken worden gebouwd, worden juist de monniken gezien als de dragers van de liturgie. Zij onderhouden alle zeven gebedstijden, terwijl de clerus zich dan beperkt tot de viering van de meer plechtige gebedsuren in de morgen en de avond.

Een neveneffect van deze ontwikkeling is, dat het onderhouden van regelmatige gebedstijden, wat eerst een integraal onderdeel van het geloofsleven van de gemeente was, uiteindelijk beschouwd wordt als een exclusieve taak van de geestelijke stand. De geestelijkheid (clerus en kloosterling) bidt als het ware plaatsvervangend voor de leken. Zo zeer zelfs, dat bij de gebedsdiensten ook met het gewone volk geen rekening wordt gehouden. De gebeden, de lezingen en de gezangen blijven in het Latijn plaatsvinden, ook daar waar het Latijn (al lang) niet (meer) de landstaal is. Pas tegen het einde van de middeleeuwen komen er getijdenboeken, waarin de gebeden en lezingen op een aan de leken aangepaste manier in de landstaal worden ‘vertaald’.

Van het dagelijkse morgen- en avondgebed van de gemeente zelf is dus in de middeleeuwen weinig meer overgebleven. In de moderne tijd zien we deze diensten wel weer terugkeren, maar uiteindelijk hebben deze alleen in de Anglicaanse traditie een min of meer vaste plek gekregen.

 

  • De middeleeuwen

In de middeleeuwen ligt in de zondagse morgendiensten de concentratie helemaal op de viering van de eucharistie, hoewel meer op de verering van het sacrament als dat de gelovige ook daadwerkelijk ter communie gaat. ’s Avonds worden er in de kloosters en kerken vesperdiensten gehouden. In het pastoraat en in het onderwijs wordt vooral een sterke nadruk gelegd op de zondag als een rustdag, waarop je niet mag werken en naar de kerk moet komen. Net als voor de sabbat bij de joden worden allerlei nauwkeurige voorschriften gegeven over wat toegestaan is of niet.

De kern van de middeleeuwse vroomheid is de verering van de hostie als het lichaam van Jezus. De mis wordt niet alleen op zondag, maar ook tijdens het morgengebed gevierd. Door de verering van de hostie en de wijding met het water hoopt men op wonderen als vergeving, een goede oogst, een voorspoedige geboorte, geluk in de liefde, bescherming tegen kwaad of rampen en op een zalige dood. Deze verering van het sacrament is gestimuleerd doordat er sinds de 13e eeuw een speciaal gebedsuur ingesteld is – ‘het Lof’ geheten – dat om 15.00 u op zon- en feestdagen plaatsvindt. Ook ontstaat er een speciale ‘sacramentsdag’, waarop in een grote processie de hostie door de stad wordt gedragen.

Naast deze gerichtheid op het lichaam en het leven van Jezus staan in de vroomheid ook Maria en de talloze heiligen centraal. Ook wordt aandacht gevraagd voor de biecht, de boetedoening en  het uitspreken van gebeden. Een voorbeeld van het laatste is dat sinds de 13e eeuw drie maal daags de klok geluid wordt, de Angelus-klok: in de avond, in de morgen en om 12 uur ‘s middags. Daardoor worden de gelovigen herinnerd het Ave Maria of het Onze Vader te bidden, gebeden die ook onderdeel zijn geworden van het rozenkransgebed. Op deze volksvroomheid speelt ook de Moderne Devotie in de late middeleeuwen in.

Niet alleen op de zondagen, maar ook op allerlei feestdagen wordt men in de kerk verwacht. Tegen het einde van de middeleeuwen telde men buiten de zondagen nog zo’n 43 feestdagen, welke ook in het burgerlijk leven door zondagsrust en het bezoeken van de erediensten gevierd dienden te worden.

De prediking is al sinds de 6e eeuw steeds meer uit de liturgie verdwenen, vaak omdat de meeste priesters niet in staat waren zelf een preek te maken. Als er al gepreekt wordt, is het vooral een moraalprediking, waarin allerlei ethische voorschriften worden gegeven en niet zozeer de bijbel wordt uitgelegd.

Vanaf de 12e eeuw komt er tegenbeweging op gang om het kerkvolk niet in bijgeloof en onwetendheid te laten afglijden. Priesters werden door synodes en theologen geïnstrueerd om de inhoud van de geloofsbelijdenis, het Onze Vader en de 10 geboden over te brengen. Deze uitleg vindt vanaf de preekstoel plaats en in de landstaal. Ook probeert men door spel en drama deze prediking te ondersteunen.

Zo ontstaat er in de late middeleeuwen op verschillende plekken een preekdienst in de volkstaal, die in de in het latijn uitgevoerde viering van de mis wordt ingeschoven. Omdat de misviering zo wel lang begon te duren, wordt dit nieuwe onderdeel soms ook wel uit de misdienst gelicht en afzonderlijk op een ander uur gehouden, ’s morgens of ’s middags in de kerk of in een naburige kloosterkerk van de Franciskanen of Dominicanen. Deze diensten die speciaal bedoeld zijn voor het godsdienstig onderwijs kun je zien als de voorlopers van de later ontstane Catechismus-diensten uit de tijd van de Reformatie.

Ook al is deze preekdienst nooit door de paus geautoriseerd, ze heeft in Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en ook in Engeland een grote verbreiding gekregen. In de liturgische handboeken staat die bekend als de ‘pronaus’. De liturgie zoals die in de 16e eeuw in de reformatorische kerken ontwikkeld is, heeft veel aan de opzet van deze preekdienst te danken.

 

  • De Reformatie

De intentie van de Reformatie is geweest om in de erediensten alle aandacht weer te richten op het woord van God en op de genade van God, die ons in dat woord beloofd wordt en in geloof ontvangen mag worden: sola scriptura, sola gratia en sola fide.

Eredienst betekent voor Luther niet dat God onze dienst nodig heeft en wij hem daarom moeten eren, of dat wij door die dienst onze zaligheid door ons offer in de eucharistie zouden moeten bewerken, maar betekent vooral dat God ons dienen wil door de verkondiging van het evangelie van de genade in Christus. In plaats van een concentratie in de eredienst op het sacrament en het ritueel komen de bijbel en de preek centraal te staan. Vervolgens krijgt de gemeente via het lied, het gebed, de belijdenis, het geven van gaven en het deelnemen aan het sacrament weer een zelfstandige rol in de eredienst in plaats dat de priester alle handelingen namens de gemeente verricht en als middelaar tussen God en gemeente functioneert. Tenslotte vindt heel de eredienst plaats in de landstaal, zodat iedereen mee kan doen, omdat men begrijpt wat er gebeurt.

Door Calvijn wordt het traditionele dagelijkse getijdengebed teruggebracht tot een Schriftdienst in de morgen en de avond. Daarbij vervangt hij de bediening van de mis door de bediening van het woord in de prediking. In Genève vinden deze diensten aanvankelijk plaats op dinsdagmorgen voor de uitleg van het Oude Testament en op maandag- en vrijdagavond voor die van het Nieuwe. In de loop van Calvijn’s leven is het aantal diensten uitgebreid tot dagelijkse diensten, met op woensdag een speciale morgendienst gewijd aan het gebed. In Straatsburg zijn er vanaf het begin van de reformatie al meteen elke dag drie getijdediensten: in de zomer om vier uur en acht uur in de morgen en vijf uur in de middag, in de winter om respectievelijk vijf, acht en drie uur.

De reformatoren schaffen de perikopen-ordening, waarbij korte gedeelten passend bij het kerkelijk jaar en de feestenkalender gelezen worden, af. Die bevatte meest een selectie uit het Nieuwe Testament en dan ook voornamelijk de evangeliën. Calvijn en Bucer kiezen voor een doorlopende lezing van de bijbel. Zo willen ze de hele bijbel in de harten van de gelovigen planten. Daarnaast willen ze door het zingen en bidden van de psalmen de gemeente weer bijbels leren bidden. Calvijn laat alle psalmen getoonzet op nieuwe melodieën in de Franse taal berijmen.

Wat de erediensten op zondag betreft zien we dat zowel ’s morgens als ’s middags als ’s avonds diensten worden gehouden.

In Straatsburg, de bakermat van de ontwikkeling van de gereformeerde liturgie, wordt in de jaren ‘30 van de 16e eeuw op de zondag eerst het dagelijkse morgengebed in de kathedraal gehouden. Daarna vindt de eredienst plaats waarin na de verkondiging ook doop en avondmaal gevierd kunnen worden. Onmiddellijk na het eten van twaalf uur wordt een tweede Woorddienst gehouden, waarna aansluitend een catechisatiedienst voor het onderricht van de kinderen is. Na deze twee diensten worden de avonddiensten of vespers gehouden in de wijkkerken. Deze bestaan uit het zingen van Psalmen, het uitspreken van gebeden en een collecte. Eventueel kan aan het eind van die dienst ook de doop worden bediend.

In Genève wordt in twee van de drie kerken op zondag bij het aanbreken van de dag gepreekt, waarna in alle drie kerken ’s morgens om negen uur een dienst is. Vervolgens wordt op zondagmorgen om twaalf uur gecatechiseerd voor de jeugd, terwijl er dan om drie uur in alle kerken weer een dienst wordt gehouden.

Voor gereformeerden in Nederland is de tweede dienst op de middag of avond nauw verbonden met de verkondiging uit de (Heidelbergse) Catechismus.

Dat is een traditie die al in de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen rond 1550 is ontstaan. Daar werden tijdens de 2e dienst op zondag twee preken gehouden: eerst één over een bijbeltekst,  daarna één over een catechismusgedeelte. Later is deze gewoonte ook in de Nederlanden door verschillende synoden eind 16e eeuw ingevoerd. Uiteindelijk werd in de kerkorde van Dordrecht (1619) in artikel 68 vastgelegd dat in de middagdienst de Heidelbergse Catechismus, onderverdeeld in 52 zondagen, als leidraad voor de prediking genomen diende te worden. Zo heeft de tweede dienst de afgelopen vier eeuwen als invulling en doel gehad om de gemeente vertrouwd te maken met de christelijke leer en het christelijke leven.

De tweede dienst zelf is dus geen eigen vinding van de Reformatie is. Een samenkomst van de gemeente in de zondagmiddag of -avond bestaat al sinds de vroege kerk. Het bijzondere in de 16e eeuw is, dat deze dienst in Duitsland en in de Nederlanden het specifieke karakter van een catechismusdienst krijgt.

Over het houden van de getijdendiensten heeft men zich in de Nederlanden op verschillende synoden eind 16e eeuw gebogen. In de roomse kerken werden de avondgebeden altijd als vesperdienst gevierd. Deze diensten bestonden destijds uit een korte bijbellezing met aansluitend een gebed. Wanneer in 1572 een aantal kerken van rooms gereformeerd waren geworden, kwam de vraag op of deze gehandhaafd moesten worden. Een deel van de gemeenteleden wilde dat graag en deed een verzoek om elke avond in de kerken een korte vesperdienst te houden.

In 1574 heeft de synode van Dordrecht daar een gedetailleerd besluit over genomen. Waar ze niet (meer) zijn, moet men ze niet weer opnieuw invoeren. Waar men in plaats van de roomse vesperdienst een avondgebed heeft ingesteld, moet men deze zo voorzichtig en stil mogelijk afschaffen. Duidelijk is dat men gemeenteleden niet voor het hoofd wil stoten of wil afstoten van de nu gereformeerde kerken. Als redenen voor dit besluit worden genoemd:

  • Dat men des te ijveriger de gewone zondagse woorddiensten zou bezoeken. Men mocht eens denken, dat elke avond een kwartiertje in de kerk voldoende was.
  • De huisgodsdienst moet onderhouden worden. Elke vader is verplicht om met zijn kinderen ’s avonds te bidden. Sommigen, die vroeger rooms waren, deden dat namelijk nooit.
  • Opdat de algemene gebeden op de vastendagen des te vuriger en plechtiger gehouden zouden worden. Die zouden door de vespers in de in de schaduw gesteld kunnen worden.

Kennelijk vervulden de dagelijkse vesperdiensten toch in een behoefte. Want op de bekende synode van Dordrecht in 1619 werd in art. 64 van de kerkorde opgenomen, dat elke kerk zelf mocht besluiten wat haar het meest stichtelijk leek. Wanneer men ze toch wilde afschaffen, mocht dat alleen gebeuren nadat het oordeel van de classis en van de overheid, mits die de gereformeerde religie toegedaan was, daarover was ingewonnen.

Toch zijn de dagelijkse vesperdiensten in de loop van de zeventiende eeuw langzamerhand geheel verdwenen. Het bleek praktisch onmogelijk de gehele gemeente elke avond bijeen te krijgen. Het  langst bleven ze nog op de zondagavond bestaan, zodat in sommige steden de zondagavonddienst nog lang het ‘zondagavondgebed’ genoemd is.

In ons land zijn in later tijd in de plaats van de avondgebeden bijbellezingen gekomen. In de 19e eeuw werden die in kringen van het Réveil ’s winters op een doordeweekse avond week gehouden om de bijbelkennis te vergroten. Men behandelde dan een bepaald bijbelboek of een aansluitend gedeelte daaruit. In evangelische kringen, b.v. bij de Vergadering der gelovigen, worden nog steeds bijbellezingen gehouden.