Leiding geven aan de kerk

Leiding geven aan de kerk

Hoe geef je leiding aan een kerkgemeenschap in verdeeldheid?

Dat was vast een vraag die in 2002 door het hoofd van Rowan Williams speelde. Hij was net benoemd tot de104e Aartsbisschop van Canterbury. Tien jaar lang had hij al in Wales kunnen oefenen. Eerst als bisschop, sinds 2000 als aartsbisschop. Maar nu werd hij verantwoordelijk voor de eenheid van de anglicaanse gemeenschap wereldwijd.

De problematiek van de eenheid was groot. Een grote verscheidenheid in cultuur en theologie. Conflicten over de vrouw in het ambt en homosexualiteit. Het verwerken van het koloniale verleden van Groot-Brittannië. De anglicaanse gemeenschap was een gemeenschap van gelovigen wereldwijd, vanuit zeer verschillende culturen.

Daar komt bij, dat Rowan Williams zelf ook duidelijk een eigen visie op de hete hangijzers heeft, die hij nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Van huis uit theoloog is hij altijd betrokken geweest op de roeping van de kerk. Hij heeft zich uitgesproken over de openstelling van het ambt voor de vrouw. Ook ondersteunt hij de Lesbian and Gay Christian Movement. Door sommigen wordt hij daarom gezien als een liberaal theoloog. Wat hem echter drijft is, dat hij de actuele vragen van de cultuur wil betrekken op de Schrift en de traditie. Daarbij zoekt hij altijd naar ‘orthodoxe antwoorden’, terwijl hij open staat voor veranderingen in visie en praktijk.

Dr. Joris Vercammen, – aan wie ik deze gegevens ontleen -, zegt dat Rowan Williams vaak verweten is, dat hij te weinig leiding zou geven. De dreiging van het uiteenvallen van de anglicaanse gemeenschap leek steeds groter te worden. Het is de vraag, wat je dan onder leiding geven verstaat. Williams is er namelijk van overtuigd dat zowel de meer liberale als de conservatieve vleugel van de anglicaanse kerk onvoldoende openstaan voor het feit dat het geloof ons op de eerste plaats gegeven wordt:

“[H]et is duidelijk dat zijn interesse vooral ligt in het creëren van openheid, zowel naar elkaar als naar de uitdagingen van traditie en cultuur toe. Williams gelooft in de moeilijke weg van een eenheid die van onderop wordt opgebouwd en niet centralistisch opgelegd. Hij is ervan overtuigd dat een eenheid die ruimte geeft aan een bepaalde verscheidenheid, uiteindelijk ook sterker zal blijken te zijn dan een opgelegde uniformiteit en dat het eerste meer te maken heeft met de verzoening die ons in Jezus Christus gegeven is dan het laatste.”

(Gegevens en citaat uit de inleiding op: Rowan Williams, Teken van vertrouwen. Een inleiding in het christelijk geloof, Berne Media / Uitgeverij Abdij van Berne, Heeswijk, 2013).

Advertenties

De hermeneutiek van het troosten

Troosten is een teer onderwerp. Anne van der Meiden heeft er een bemoedigend boekje over geschreven. Herkenbaar, praktisch, en zoals je van hem kunt verwachten vanuit de invalshoek van de communicatie in en tussen mensen. Hij is ten slotte niet voor niets theoloog èn communicatiewetenschapper.

Troost bieden is alleen mogelijk wanneer je bereid bent het verdriet en de pijn van de ander te delen en bereid bent om de ander daarin te ontmoeten. Anders wordt de geboden troost gauw goedkoop en schraal. ‘Hoe oprechter de motivatie tot ontmoeting is, des te betrouwbaarder is de gecommuniceerde troost.’  Troost hoort bij het rijtje familiewoorden als ‘vertrouwen, trust en trouw’.

Spannend wordt het wanneer Van der Meiden gaat spreken over de bron van troost en de vraag stelt of God de bron van troost is:

Als je een aanhanger bent van de orthodox-christelijke geloofsleer, zul je inderdaad in dit soort termen kunnen spreken over een goddelijk ingrijpen in de nood van mensen. Dicht je God dit troostende vermogen toe, dan spreek je uiteraard geloofstaal. In woorden gestolde, vrome ervaringen.’

Toch kan troost ook heel andere vormen aannemen: een bloeiende tuin, de wijdheid van de zee, een treffend lied, een gedicht, een spelend kind. Van der Meiden vraag zich daarom af:

‘Kun je een onderscheid maken tussen een door een afzender bedoelde troost en een door de ontvanger geduide troost? Uiteraard kun je iemand zonder dat je het weet of bedoelt troosten, met een woord, een gebaar, een verhaal, een simpel geschenk of een bos bloemen. De ontvanger vult autonoom in wat hem troost’.

Op de achtergrond speelt tenslotte de vraag: ‘Is er iets in je leven de enige, ware troost?’  Dat is ook de openingsvraag van de Heidelbergse Catechismus, een van die 16e eeuwse belijdenissen van de protestantse kerken. En het bekende antwoord is dan in de woorden van Van der Meiden: ‘dat ik eigendom (in alle opzichten) van Jezus Christus ben, die mij gered heeft, en dat ik mag geloven dat mijn leven tot in details in de hand van God is, dat ik zeker mag zijn van het eeuwige leven.

Volgens Van der Meiden kan een modern denkend mens niet zo veel met zo’n soort ‘allesomvattende, finale en fundamentele troost’: ‘Deze troost stamt uit de denkwereld van de onwrikbare zekerheden, die waar zijn en geldig blijven, ook buiten mij om. Alsof alle troost onder het beslag staat van die ene en enige troost.’ En hij suggereert dat je met zo’n antwoord velen de mogelijkheid ontzegt om troost te ontvangen en te ervaren: ‘Arme moslim, arme hindoe, arme agnost. Waar moeten zij de troost vandaan halen? En als ze dan elkaar troosten, geldt dat dan wel?’

Interessant is de theologische beschouwing die hij vervolgens aan deze overweging vastknoopt:

‘Of mag ik toch nog even een greep doen in de rijke verzameling van theologische overwegingen die in de dogmatiek de naam kreeg van ‘algemene genade’? God laat het toch niet exclusief over goede mensen regenen? En bij een epidemie worden vrome mensen toch niet gespaard? Zo is het troosten en getroost worden toch ook niet een exclusief voor christengelovigen geoormerkt voorrecht? Troosten hoort bij de praktijk van de ultieme, algemene menselijkheid. Daarom moeten we de potentie om te troosten toekennen aan alle mensen, zonder te letten op ras, geloof of herkomst. De bron waaruit troost geput moet worden is onvoorwaardelijk de medemenselijkheid die voor allen geldt. In principe mogen alle mensen in staat en bekwaam geacht worden om de medemens te troosten, maar er blijven aanzienlijke verschillen in de praktische realisatie daarvan. Als we maar vasthouden aan het oergegeven dat geen enkele groep of geen enkel geloof het alleenrecht heeft op het bieden van troost, laat staan op het ijken van troost op exclusieve herkomst en betrouwbaarheid. En dat doet niets af aan de vrijheid die ieder getroost mens heeft om wat hij of zij aan troost ontving toe te wijzen aan een vertrouwde bron.’

Tegenover de belijdenis van de Heidelbergse Catechismus lijkt Van der Meiden een eigen belijdenis te plaatsen: de bron van troost is onvoorwaardelijk gelegen in de medemenselijkheid, die voor allen geldt.

Waardevol vind ik dat Van der Meiden met een beroep op de ‘algemene genade’ aandacht vraagt voor het gegeven, dat troost bieden een mogelijkheid is die God aan ieder mens heeft gegeven en dat God daadwerkelijk aan velen op deze menselijke wijze troost wil schenken. (Overigens zijn er volgens mij niet veel christenen of kerken die denken dat zij het alleenrecht op de bron van troost zouden hebben.)

Troost is een geschenk, dat wij niet in pacht hebben, maar dat wij soms de ander kunnen schenken. Een geschenk dat God mogelijk heeft gemaakt, omdat wij als mens en medemens zijn beeld mogen vertonen. Dat is ook één van die theologische inzichten uit de oude doos: wij mensen zijn het beeld-van-God-zijn niet kwijtgeraakt. Het is zwaar beschadigd, maar niet vernietigd. Inderdaad is troost ook een vorm van algemene genade.

Wie een beroep wil doen op de ‘algemene genade’ kan echter de ‘bijzondere genade’ niet buiten beeld laten: dat verlangen van God dat ieder mens weer in optima forma Gods beeld zal vertonen. En dat God dat zelf door de komst van Jezus Christus in deze wereld mogelijk heeft willen maken. Voor degenen die Hem vertrouwen, is juist die ‘bijzondere genade’ een rijke bron van troost.

Ik vermoed dat hier de werkelijke reden ligt, dat Van der Meiden zo weinig kan met wat hij noemt een ‘allesomvattende, finale en fundamentele troost’. Ik moest denken aan wat hij verderop in zijn boekje duidelijk maakt: wanneer er geen vertrouwen is, zal iemand zich niet willen laten troosten. Wil Van der Meiden Jezus Christus niet als de bron van troost aanwijzen, omdat hij geen vertrouwen heeft in de God van Jezus Christus, over wie de Heidelberger zo troostvol kan spreken?

N.a.v. Anne van der Meiden, Morgen verder. De kunst van het troosten¸ Uitgeverij Protestantse Pers, Heerenveen, 2013.