Uitgezaaid licht

Overdenking

‘Licht is uitgezaaid voor de rechtvaardige’, (Psalm 97:11a)

Het mooie van poëzie is dat je er bij stil kunt staan. Een goed gedicht laat niet meteen zijn geheimen los. Door het aandachtig opnieuw te lezen en te beluisteren kom je betekenissen op het spoor, die je in eerste instantie niet waarnam.

Pastorale

De avond vloeide het dal in.

Hoog om mij heen blauwden de bergen.
Op de toppen leek het welvende azuur
te rusten als op de ronding
van een enorme bekerrand.

En op de bodem van de beker
stond ik,
klein en vol ontzag.

Even was ik weer het kind
dat zong van Gods aanwezigheid
op bergen en in dalen.

Ik lachte om mijn verwondering
en ging verder.

Maar het lied bleef mij bij
en opeens liep ik het te fluiten.

Hoog klonk het tere geluid
het donkerende dal door
en zacht tilde de wind het op
de bergen over
het licht achterna.

Uit: Anne Schipper, Kamers en suite,
Merweboek-Sliedrecht, 1990, p. 16.

Het is niet mijn bedoeling om het gedicht uitgebreid te analyseren. Ik heb het gekozen omdat het past bij de vakantietijd. Het is een herkenbare ervaring: jij als klein mensje, die onder de indruk komt van de indrukwekkende natuur om je heen. Velen zullen het in de komende weken zo ervaren: de tegenstelling tussen de grootsheid van de natuur en de kleinheid van de mens.

Hoe reageer je daar op? Bij de ik-figuur in het gedicht komt een lied naar boven. ‘Op bergen en in dalen, ja overal is God’. Een lied van vertrouwen in God, die altijd, in alles, voor ons en voor heel de schepping zorgt.

Toch is zo’n reactie niet vanzelfsprekend. Mensen die God niet hebben leren kennen, zullen die associatie niet hebben. Je hebt er oog voor gekregen doordat je de verhalen die uit de bijbel verteld zijn aanvaard hebt. Doordat je de liederen die je geleerd hebt, je eigen hebt gemaakt en daar mee leeft. Zo heb je woorden gekregen om de wereld om je heen en de ervaringen die je meemaakt te benoemen. Ze onder woorden te brengen en een stem te geven. Zo komt de werkelijkheid waar wij in leven tot zijn bestemming.

Maar zelfs dan nog, ook al krijg je die associatie: je kunt er ook aan voorbijgaan, er even bij stil staan, misschien lachen over je eigen verwondering en dan weer achteloos verder gaan.

Dan is er die tweede tegenstelling in het gedicht, die tussen het donker van de avond en het licht dat verdwijnt. Twee tegenstellingen die verbonden worden door dat lied van vertrouwen op God.

Ik vind dat een mooi beeld: het tere geluid, dat het licht achterna klinkt. Het licht dat staat voor God, voor Zijn wereld. Zoals de psalmdichter zegt: ‘Licht is uitgezaaid voor de rechtvaardige.’

Wij mensen worden uitgenodigd om te beantwoorden aan onze bestemming. Welk antwoord geven wij in ons leven aan de Schepper?

Misschien is er geen beter antwoord dan Hem te eren door hem te prijzen en Hem te verhogen. Zoals de psalmdichter ons oproept: ‘Verheug u, rechtvaardigen, in de HEER, en breng hulde aan zijn heilige naam’, (Psalm 97:12).

Ons menselijk leven als een echo op het spreken van de eeuwige God.

 

Advertenties

Ida Gerhardt

‘Stralende aanhef, wat houdt ge geborgen?
(‘Aanhef’, in: Kosmos, 1940)

Ter ere van de 50e verjaardag van Koningin Beatrix maakt Cherry Duyns in 1988 een documentaire over het artistieke scheppingsproces. Een van vijf kunstenaars die daarin figureert is Ida G.M. Gerhardt, als representant van de dichtkunst. Het is een documentaire die mij vooral bij is gebleven, omdat het de eerste keer was dat ik haar zag en hoorde spreken: een gedistingeerde vrouw van bijna 83, die behoorlijk gehandicapt was door een beperkt gezichtsvermogen.

Haar poëzie ken ik vanuit de Verzamelde Gedichten die ik in 1980 op mijn verjaardag kreeg. Die uitgave verscheen ter gelegenheid van haar 75e verjaardag. Een jaar daarvoor had zij twee belangrijk prijzen toegekend gekregen: de ‘Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde’ en de ‘P.C. Hooftprijs’, beide voor haar hele oeuvre. Voor haar gevoel een zeer late erkenning van haar roeping als dichter.

Sinds de jaren ’30 van de 20e eeuw bouwt Ida gestaag aan een indrukwekkend en markant oeuvre. Haar eerste bundel ‘Kosmos’ verschijnt in mei 1940, haar 17e ‘Adelaarsvaren’ zal in november 1988 verschijnen. Een van de hoogtepunten in haar werk is de bundel ‘Het levend monogram’ (herfst 1955).

Haar optreden in de koninklijke documentaire is een van haar laatste publieke optredens geweest. In april 1988 zal ze in haar geboortestad Gorcum aan de kade van de Merwede nog een literair monument onthullen, terwijl ze in november van dat jaar haar laatste bundel ‘Adelaarsvaren’ signeert. Nadat haar levensgezellin Marie H. van der Zeyde in maart 1990 overlijdt gaat het met Ida’s gezondheid snel bergafwaarts. Ze krijgt steeds meer last van wanen, aanvallen van paranoia, ze is bijna helemaal blind en raakt uiteindelijk nog verlamd. Haar geest heeft haar lichaam al veel eerder verlaten, wanneer ze op 15 augustus 1997 zal overlijden. Tragisch om dat opgetekend te zien en tegelijk mooi om te lezen, dat er dan vrienden en betrokkenen zijn die haar in dit lijden proberen bij te staan.

Al deze details staan sober beschreven in de vorig najaar uitgekomen biografie van Marieke Koenen [1], een uitnemend overzicht en introductie tot het leven en het werk van Ida Gerhardt.

Koenen stond voorgesorteerd om deze biografie te schrijven. Zij promoveerde net als Gerhardt als classicus op Lucretius. Al vrij snel na het overlijden van Gerhardt werd zij vanwege haar expertise gevraagd mee te helpen bij de ontsluiting van de literaire nalatenschap. Dit resulteerde o.a. in 2002 in een boek over de invloed van de oudheid op het literaire werk van Gerhardt. In 2006 kreeg zij een beurs van de Stichting Fonds voor de Letteren om deze biografie te schrijven.

In de loop der jaren heeft Koenen een paar duizend brieven van Ida Gerhardt verzameld. Daarnaast heeft zij vele interviews gehouden met familie, vrienden, buren, collega’s en oud-leerlingen van Gerhardt. Ook heeft zij onderzoek gedaan op alle plaatsen waar Gerhardt gewoond en gewerkt heeft en met vakantie geweest is. Zo traceerde zij nog brieven van Ida in een Ierse bungalow, ‘goed opgeborgen in een kledingkast en een koektrommel’.

Uitgangspunt van de biografie zijn de twee boeken die Marie van der Zeyde over het leven en het werk van Ida Gerhardt heeft laten verschijnen. Door haar eigen onderzoek is Koenen in staat om regelmatig nieuw licht op het werk van Gerhardt te werpen. Ook biedt ze overtuigende herinterpretaties van de door Van der Zeyde geboden gegevens en visies. Hoewel het duidelijk is dat Koenen de poezie van Gerhardt zeer waardeert, geeft ze blijk van een terechte kritische distantie. Regelmatig geeft ze expliciet commentaar op bepaalde opvattingen van Gerhardt, terwijl ze ook de minder aangename kanten in de houding en het gedrag van Gerhardt niet verbloemt.

Gezien haar specialiteit belicht Koenen vooral de klassieke kant in het werk van Ida Gerhardt goed. De invloed van het christelijk geloof en de religieuze kant in het leven en werk van Gerhardt komt minder aan de orde. Ook situeert Koenen Gerhardt niet echt in een breder literair-historisch perspectief. Het blijft bij het aanwijzen van de invloed van de dichter Leopold op haar werk (van 1920-23 op het gymnasium haar docent klassieke talen) en het benoemen van de aversie die Gerhardt ten toon spreidt ten opzichte van de Vijftigers.

Op 11 mei 2015 mogen wij de 110e geboortedag van Ida Gerhardt gedenken, een dag eerder dat haar eerste dichtbundel 75 jaar geleden verscheen.

Het boeiende is, dat nu ik deze biografie gelezen heb en terugkijk op het leven van Gerhardt en haar eerste bundel herlees, ik zie dat ze zich daar al als persoon en dichter uitgetekend heeft met typeringen als: aandachtig luisterend, in het verborgen arbeidend, de soberheid tot bondgenoot kiezend, verlangend om als een kind deel te zijn van het bloeiend leven, haar eigen aard onvervreemdbaar herkennend, de bittere jaren, vreugde-en-leed, en het verlangen naar het opgaan van de ster als lichtend teken in de Kerstnacht.

[1] Mieke Koenen, Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt, Atheanaum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2014.

Impasse

Soms zit je als christen klem tussen toekomst en traditie. Hoe doorbreek je dan de impasse?

Begin jaren ’30 van de twintigste eeuw schreef Martinus Nijhoff een gedicht waar hij de titel Impasse boven plaatste. Het verscheen in 1935 in de verzamelbundel Kristal. Letterkundige Productie, samen met werk van 58 andere auteurs:

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Ik weet het niet.’ Geen perspectief en geen uitweg.

Hoe verrassend is het te weten, dat er niet lang daarna een variant van dit gedicht opduikt. In 1936 verschijnt in het literair tijdschrift De Gids een bundel met 8 sonnetten, geschreven door Nijhoff en opgedragen aan de historicus Johan Huizinga. Het laatste gedicht heeft grote overeenkomsten met Impasse uit 1935. De eerste 2 kwatrijnen zijn nagenoeg gelijk. Het verschil zit met name in de laatste twee terzinen. Die luiden nu:

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in ander land te zijn.

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup’lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

Er gloort hoop. De ik-persoon heeft richting gekregen: een nieuw bruiloftslied.

Wat is er veranderd?

In 1935 verscheen er een cultuurhistorische studie van de hand van Johan Huizinga onder de titel ‘In de schaduwen van morgen’. Daarin analyseert deze historicus de culturele en maatschappelijke situatie van zijn tijd. Martinus Nijhoff is met name gegrepen door de titel. Na lezing van het boek concludeert hij, dat Huizinga weliswaar de wereld langzaam in een woestijn ziet veranderen, maar bij deze ondergang vertrouwen blijft houden in de toekomst.

Hoe zal de toekomst zijn? Wat moet men doen? Niemand weet het, omdat men leeft in het donker ‘voor dag en dauw’. Als reactie op deze cultuuranalyse heeft Nijhoff, zoals hij toelicht, ‘acht menselijke omtrekken geprobeerd te schetsen, zoals zij zich in de morgenschemering gedragen.’ Het laatste sonnet is een schets van een echtpaar op leeftijd, die op andere basis een nieuwe start maakt.

Wat is er veranderd?

Door zijn verbeeldingskracht te gebruiken lukte het Martinus Nijhoff om uit de impasse te komen. Hij heeft de boodschap van het evangelie gelegd naast de analyse van de cultuur. Hij heeft zich laten inspireren door Jesaja: ‘Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de HEER’, (Jesaja 51:3). En zo heeft hij de toekomst geopend met een nieuw bruilofslied.

Dit is de weg uit de impasse, zo breekt de toekomst open: verbindt de boodschap en de betekenis van de bijbel op innovatieve wijze met de werkelijkheid van vandaag. Dat is het boeiende perspectief, dat ik ook tegenkwam in de recent verschenen homiletiek van Kees de Ruijter.

De tendens van Gods handelen, zoals wie die in de bijbel uitgetekend zien, mag richtingsgevend zijn voor ons handelen als christen in heden en toekomst. Al improviserend op de tendens van dit gezaghebbende verhaal van God mogen wij in de eigen context onze weg naar de toekomst zoeken.

Het is de ontspanning van het spel, die de weg naar de toekomst baant. Niemand hoeft van de wijs te raken, ‘maar alle christenen en kerken zijn in Christus vrij om de op hun eigen setting geënte variaties te improviseren.

(Zie Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer, 2013, p. 111, 116 en 117).

Metafoor en menselijke projectie

Vreemde gewaarwording. Vanmorgen werd ik wakker en dacht na over de droom waaruit ik ontwaakte: stel eens dat de natuur niet alleen object was, maar voor ons ook een subject. De gedachte kreeg ik natuurlijk geïnspireerd door mijn Facebookbericht over de poëzie van Rutger Kopland. Citaat uit Trouw van afgelopen zaterdag:

 ‘Koplands werk is doortrokken van het besef dat natuur slechts aan de buitenkant te begrijpen is; dat bomen, de rivier en het gras geen bewustzijn of ziel hebben en dat dát hun wezen uitmaakt: de wereld is onverschillig, de mens spiegelt zijn eigen bewustzijn aan wat hem omringt, wat even ontluisterend als troostrijk kan zijn’, Trouw d.d. 06-04-2013.

Later las ik over de poëzie van M. Vasalis, waar mijn dochter een opdracht over moet maken:

‘Wat zij voelt, vreest en verlangt, projecteert zij op de bomen, en vice versa – ‘een grote twijfel hangt tussen de bomen’ … Als mensen kunnen bomen dansen en zingen – Denise Jannah heeft dat voortreffelijk tot uitdrukking gebracht in haar vertolking van het gedicht ‘Appelboompjes’ – maar bomen, hoewel gemeenschapswezens, kunnen zich ook distantiëren en in de verte uit de keel van een vogel een lied van verlangen laten klinken.’, (Leon Hanssen, Een misverstand om in te geloven. De poezie van M. Vasalis, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2006, p. 247).

Toch is de gedachte niet zo vreemd. ‘Mij spreekt de blomme een tale / mij is het kruid beleefd / mij groet het altemale / dat God geschapen heeft’, dichtte Guido Gezelle al. Ongetwijfeld geïnspireerd op de beelden uit de het Oude Testament, die de rivieren in de handen laten klappen en de bergen laat jubelen (Psalm 98:8) en waar bergen en heuvels juichend groeten en bomen in de handen klappen (Jesaja 55:12). Beelden die voortkomen uit het bijbelse besef, dat de natuur inderdaad kan spreken:

‘De hemel verhaalt van Gods majesteit / het uitspansel roemt het werk van zijn handen / de dag zegt het voort aan de dag die komt / de nacht vertelt het door aan de volgende nacht. / Toch wordt er niets gezegd, geen woord / gehoord, het is een spraak zonder klank. / Over heel de aarde gaat hun stem / tot aan het einde van de wereld hun taal’, (Psalm 19:2-5).

Alleen maar projectie, menselijke verbeelding en een spreken in metaforen? Ik vermoed van niet, hoewel je wel voor de taal open moet staan. Want er is een verband tussen openbaring en ontvankelijkheid. Maar je komt vaker het inzicht tegen dat er aan de dingen die wij gewoon zien en meemaken een andere dimensie is, die wij niet zo 1, 2, 3 vast kunnen pakken. Dan spreekt men over een geest die vaardig kan worden over een bepaalde cultuur, tijd of groep mensen. Dit gaat nog niet zozeer over de natuur. Maar als evolutionisten spreken over het zich aanpassen van de natuur aan zijn omstandigheden, dan is dat taal waarin het object in de natuur een subjectfunctie toebedeeld krijgt. Een besef, dat er meer is dan menselijke projectie?