Dietrich Bonhoeffer

(Fragmenten uit een dooppreek gehouden in de Veertigdagentijd.)

Wanneer Jezus op Palmpasen Jeruzalem binnen is gegaan, in het besef dat nu het lijden op hem afkomt, roept hij in Johannes 12 zijn leerlingen op hem daarin te volgen.  

Wij moeten bereid zijn om net als hij ons leven op te geven, door als een graankorrel in de aarde te vallen en te sterven en zò vrucht voort te brengen. Wanneer wij er niet op gericht zijn ons leven te behouden, zullen wij het eeuwige leven ontvangen.

Dietrich Bonhoeffer is een theoloog die veel heeft nagedacht over dat volgen van Jezus. Vandaag is het 75 jaar geleden, dat hij op 39-jarige leeftijd in het concentratiekamp Flossenburg door de nazi’s vanwege hoogverraad werd opgehangen. Daaraan voorafgaand bracht hij 2 jaar in een Berlijnse gevangenis door.  

In zijn gevangenistijd schreef hij in veel brieven over wat het betekent christen te zijn in een wereld waarin het kwaad oppermachtig is, zoals toen in Duitsland onder de regime van Hitler.

Wanneer in 1933 Hitler aan de macht komt, dreigen ook de kerken door het nationaal-socialisme te worden ingekapseld. Bonhoeffer is een van de leiders van de ‘Bekennende Kirche’, die grotendeels ondergronds de strijd aanbindt.

In 1935 wordt hij rector van een seminarie, waar jonge theologen een opleiding krijgen en gevormd worden om tegenwicht te bieden tegen de invloed van het nationaal-socialisme. Ook al weten ze dat ze risico lopen geen aanstelling in de kerk te zullen krijgen. In deze periode schrijft Bonhoeffer één van zijn beroemdste boeken ‘Navolging’ en werkt hij aan een ethiek.

Vanaf 1940 draagt hij onder het mom van contra-spionage bij aan het verzet en bereidt hij samen met anderen uiteindelijk een aanslag voor op het leven van Hitler. In maart 1943 wordt hij gevangen genomen en op 9 april 1945 op bevel van Hitler zelf ter dood veroordeeld.

Jezus volgen betekende voor Bonhoeffer geen compromissen sluiten met het nationaal-socialisme. Het betekende in verzet gaan, met de kans om zijn leven daardoor te verliezen. Daarin was hij een voorbeeld en inspiratiebron voor anderen.

Vlak voordat hij de galg opstapt, knielt hij neer en zijn stil gebed is zo aangrijpend, dat iedereen die dat zag, zelfs zijn beulen, ervan onder de indruk waren. Zijn laatste woorden zijn: ‘Dat is het einde – voor mij het begin van het leven’.

De oorlogstijd waarin Bonhoeffer leefde is een andere als vandaag en toch zijn er veel overeenkomsten.

Bonhoeffer peilde als geen ander hoe sterk de secularisatie en het leven zonder God de samenleving beïnvloedde. Hij zag hoe mensen, – tot zelfs in de kerk toe -, betoverd en ingepakt werden door de filosofie van het nationaal-socialisme.

Hij merkte dat het onderscheidingsvermogen om te bepalen wat goed en wat kwaad is, in grote mate aangetast werd. Dat mensen een willoos instrument waren, in staat tot alle kwaad, zonder dat zij het zelfs ook maar als kwaad onderkenden.

In mei 1944, wanneer hij al een jaar in de gevangenis zit, schrijft hij een doopbrief, gedachten bij de doop van het zoontje van zijn beste vriend en zijn oudste nichtje, van wie hij de peter is geworden en die naar hem vernoemd is. Daarin typeert hij het leven van de christen in onze tijd als het leven in ballingschap, een leven onder het oordeel van God.

Hij erkent dat de kerk in Duitsland onder het nationaal-socialisme de basiswoorden van het christelijk geloof, zoals verzoening, verlossing, wedergeboorte en Heilige Geest, de liefde voor de vijand, kruis en opstanding, het leven in Christus en de navolging van Christus niet geloofwaardig heeft weten uit te leggen. Dat de kerk niet in staat is geweest het verlossende woord aan de wereld en aan de mensen te brengen. Dat die woorden hun kracht verloren hebben en langzaam verstomd zijn.

Wat nu voor de christenen overblijft zijn twee dingen: bidden en onder de mensen het goede doen. Wil je vandaag die kernwoorden van het christelijk geloof opnieuw stem geven, dan zal het moeten gaan vanuit een houding van gebed en van rechtvaardigheid betrachten.

Je kunt van de schets van onze tijd moedeloos worden, – onze samenleving leeft inderdaad zonder God -, als je Bonhoeffers woorden echter diep tot je door laat dringen, ontdek je daarin toch ook hoop en vertrouwen voor de toekomst. Niet omdat wij christenen zelf zo overtuigend zullen zijn, maar omdat hij vertrouwt op de beloften van God.  

Bonhoeffer baseert zijn hoop op de woorden van Jeremia, die het volk in ballingschap oproept om God te bidden om vrede voor de stad Babel en het goede voor die stad te zoeken. Door de dood in ballingschap heen, zal God zijn volk nieuw leven schenken. Hij zal  een keer brengen in het lot van zijn volk. En dan zullen de volken rondom beseffen dat het God is, die zegen op het leven zal schenken.

Navolging van Christus is meer dan geloof in hem alleen! Het vergt een blijvende vorming van je geloof. Het spreekt niet vanzelf dat je onderscheiden kunt tussen goed en kwaad. Dat je weet welke keuzes je in het leven moet maken. Dat moet je leren. Bonhoeffer verwijst naar Psalm 111: ‘Ontzag voor de HEER is het begin van de wijsheid, leven naar zijn onderricht getuigt van goed inzicht’.

Dat is de weg ook voor ons vandaag. Elkaar helpen om in die sfeer van ontzag voor God te leven. God wil met zijn Geest in ons wonen en ons leiden en dat doet hij doordat wij ons zijn woord eigen maken.Via zijn woord, dat wij in de bijbel opgetekend vinden, gaat hij met ons mee.

Als wij de bijbel dichtlaten en het ons niet meer lukt om ons die woorden ons eigen te maken, dan hoef je niet vreemd op te kijken, wanneer het ook niet meer lukt om de kernwoorden van het christelijk geloof in ons leven tot klinken te brengen. Dat is het begin van de secularisatie in ons eigen leven.

Datzelfde geldt ook voor het gebed. Voor ons als christenen is het blijvende contact met God in het gebed levensnoodzakelijk om het geloof te voeden. Maar bidden en stil zijn voor God, dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt tijd, oefening en voorbeelden van inspiratie. 

Zo geloven betekent je leven uit handen geven. Niet voor jezelf iets bijzonders nastreven, maar de Geest in je leven laten werken, zodat in jouw leven de gestalte van Christus zichtbaar wordt. Dat je de houding van Christus, de manier waarop hij in het leven stond, je eigen maakt en zo er op gericht bent om in je daden en in je spreken de ander recht te doen.

Op Johannes 12 volgt Johannes 13, de geschiedenis van de voetwassing, waar Jezus zegt: ‘Ik heb een voorbeeld gegeven: wat ik voor jullie gedaan heb, moeten jullie ook doen.’

Jezus werd mens, zodat wij weer echt mens zouden worden. Wij moeten die nieuwe mens aantrekken, aan ons eigen ego afsterven, en net als Christus hier op aarde ons leven leiden: onder een open hemel, in het vertrouwen dat God zelf ons door Zijn Geest tot onze bestemming laat komen: als zijn kind voor Hem te leven en te spelen.

Door zo ons geloof te laten vormen, als uitwerking en verdieping van onze doop, zullen we in staat zijn om de basiswoorden van het geloof opnieuw te laten klinken.

Uit het verlies van ons leven, zal de winst van het leven met God geboren worden.

Kerstavond 2019

Ik houd ervan om naar middeleeuwse bijbelse kunst te kijken. Vooral mooi vind ik dat de bijbelverhalen op een eigentijdse manier worden weergegeven. Ik heb twee voorbeelden van de aanbidding van de wijzen meegenomen.

Gebr. Van Limburg 1375 – 1416 – Aanbidding der wijzen –  Metropolitan Museum of Art, New York

De eerste is een miniatuur uit een manuscript in 1408 gepubliceerd. Alle bekende elementen uit de kerststal zijn aanwezig. De ezel en het rund in de stal, Maria, de oude Jozef, het kind, een herder met schapen, de ster die de stal beschijnt, op de achtergrond de stad Jeruzalem, en dan de drie wijzen met hun geschenken, die al voorgesteld worden als koningen, gezien de kronen die ze dragen.

Toegeschreven aan Master of Prado – Aanbidding der wijzen – tussen 1460 – 1470 – Museum Del Prado Madrid, naar Columba Altaar van Rogier van der Weyden (1455) in München, Alte Pinakothek.

En dan heb ik ook een schilderij uit 1460/70. Een opvallend verschil is dat de wijzen hier geen kronen hebben, maar een soort baretten dragen. Het meest opvallende verschil is, dat één van hen zwart is. Verder hebben ze verschillende leeftijden en afkomst gekregen: Caspar, de zwarte jongen van 20 komt uit Afrika, Melchior is een 40-er uit Europa en Balthasar een 60-er uit Azië. De drie wijzen zijn de vertegenwoordigers geworden van de drie toenmalige bekende werelddelen en van alle levensfasen: jeugd, volwassenheid en ouderdom.

Zo zie je dat er veranderingen in de verbeelding van het kerstverhaal ontstaan. En je zou kunnen zeggen, dat er ook allerlei elementen zijn die niet kloppen met de feitelijke gebeurtenissen rond kerst, zoals we die in de bijbel lezen. Toch denk ik dat dat ook niet de bedoeling van deze verbeelding is. De verbeelding wil vooral de theologische of godsdienstige betekenis van het kerstverhaal aan de toeschouwer duidelijk maken. En dat gebeurt op een symbolische verbeeldende manier.

Als je naar het schilderij kijkt, dan ziet het tafereel er vredig uit. Maar als je let op de manier waarop het opgebouwd is, kun je er ook tegenstellingen in opmerken. Deze tegenstellingen verwijzen symbolisch naar de spanningen die in het kerstverhaal in de bijbel zelf al aanwezig zijn. Het is namelijk de vraag of dit kind Jezus, dat geboren is in een familie die uiteindelijk van koninklijke afkomst is en waarvan de profeten lang geleden al aangekondigd hebben dat het ook van goddelijke afkomst zal zijn – of dit kind wel geaccepteerd en erkend zal worden.

De wijzen zijn gekomen om dit kind te eren als koningskind, als koning van de Joden. Het zijn magiers, waarschijnlijk uit Babel, die uit de stand van de sterrenhemel hebben opgemaakt, dat er iets heel bijzonders in het land van de Joden is gebeurd. Daarom zijn ze toen ze in Judea kwamen ook eerst naar de hoofdstad, naar Jeruzalem, gegaan.

Het vreemde is dat men daar nog van niets weet. De koning die daar troont, Herodes,  schrikt als hij het verhaal van de wijzen hoort. Hij ervaart de geboorte van dit koningskind als een directe bedreiging van zijn koningschap. En ook al suggereert hij dat hij het kind wil verwelkomen, uit de rest van het verhaal weten wij dat hij er op uit is dit kind te doden.

En dan zijn er in Jeruzalem de Joodse godsdienstige leiders. Ze weten precies te vertellen, waar dan een koningskind geboren zou moeten zijn: in Bethlehem, in het geboortedorp van de latere koning David, het dorp waar hij als herdersjongen is opgegroeid. Maar deze informatie is voor de leiders geen reden om dat kind te zoeken, te verwelkomen en te eren.

Zo wordt de betekenis van het Kerstverhaal hier vastgelegd in het beeld van de aanbidding van de wijzen. De wijzen staan voor de niet-joodse volken, de heidenen, die komen om in het kind Jezus God te aanbidden en te vereren met geschenken. Naast hen staat het joodse volk, waar Jezus uit geboren wordt: Jozef en Maria zijn daar de vertegenwoordiger van. Ook de os en de ezel verwijzen daar naar. De os als rein dier verwijst naar het Joodse volk en de ezel als onrein dier naar de heidense volken. Daarmee zegt dit schilderij dat de geboorte van het kind Jezus voor de hele wereld van betekenis is, zowel voor de Joden als heidenen.

Dat is ook wat de geestelijke leiders uit die profetie van Micha opdiepen: ‘Dit kind zal eens leider van zijn volk worden en het als een herder weiden, maar onder zijn leiding zal er ook in de hele wereld vrede heersen. Hij zal de tegenstand van een vijand als de Assyriers overwinnen.’  

De vraag die in het geboorteverhaal van Jezus besloten ligt is dus, wie hem als de door God gezonden leider zal erkennen? Welke houding neem je tegenover hem aan? Ga je hem eren, zoals de wijzen? Wijs je hem af, zoals de geestelijke leiders in Jeruzalem zullen doen? Of bind je zelfs in vijandschap de strijd tegen hem aan, zoals Herodes?

Op dit moment is die vrede wereldwijd nog toekomstmuziek. Maar wij zien er wel naar uit. Zoals het in het laatste bijbelboek Openbaring aangekondigd wordt: dat Jezus als het lam van God eens als koning over de hele aarde zal heersen en dat alle volken hem dan zullen eren en prijzen.

Vanavond worden wij in dit verhaal al uitgenodigd om in navolging van de wijzen Jezus te aanbidden en te eren. Om vandaag al dit pasgeboren kind als onze koning en Heer te ontvangen.[i]  


[i] Meditatie op Kerstavond 2019 in De Fontein (Gkv Zwolle-West). Lezingen: Micha 5, 1-5, Mattheüs 2, 1-12 en Openbaring 21, 1-2a en 22-26.

Schriftgezag

(Preek over art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met als thema: ‘Aanvaard de bijbel als Gods Woord’


  1. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?              

Waarom zou je de bijbel gaan lezen en luisteren naar wat daar in staat? Dat is de vraag, waar het vanmorgen/vanmiddag over gaat. Waarom hechten wij als christenen zo veel waarde aan de bijbel? Waarom zijn ze canoniek, d.w.z. waarom zijn ze normatief voor ons als christenen en hebben ze gezag?

Ik denk dat de meeste mensen hier in de kerk zullen zeggen: omdat de bijbel Gods woord is. Daarom is het belangrijk om je te verdiepen in de bijbel. Zo leer je God kennen. Zo kom je te weten wat hij wil, en welke plannen hij met ons en met deze wereld heeft.

Dat antwoord klopt. Inderdaad: door de bijbel leer je God kennen. Tegelijk ligt daar voor velen vandaag nog wel een probleem. Want hoe weet je nu dat de bijbel ook echt Gods woord is? Dat kun je als christen wel beweren, maar is het niet gewoon een menselijk boek? En als de bijbel een menselijk boek is, dan kan het zo maar zo zijn, dat er onwaarheden staan.

Mensen zijn feilbaar, maken fouten en vergissen zich. En dat niet alleen: mensen kunnen ook de boel verzieken, bewust verkeerde informatie geven,  er op uit zien om anderen te misleiden, fake-news de wereld in brengen. Hoe weet je dat dat bij de bijbel niet het geval is?

Dus: als de bijbel een menselijk boek is, dan is het maar de vraag, of je de informatie die daar gegeven wordt, wel kunt vertrouwen. En hoe kun je dat controleren, zeker bij zo’n boek dat meer dan 2000 jaar geschreven is? En ook nog door allerlei verschillende auteurs geschreven is. En die elkaar soms ook schijnen tegen te spreken. Waarom zou je aan die verhalen waarde hechten?

Ik weet niet of u deze vragen herkent. Of daar wel eens bij stil hebt gestaan. Ik hoop in ieder geval wel, dat u zich deze vragen voor kunt stellen.

Want dit is zoals er vandaag tegen de bijbel wordt aangekeken. Buiten de kerk vaak heel stellig. De bijbel: die hoef je niet serieus te nemen, of in ieder geval niet in alles, het is maar een menselijk boek, inspirerende verhalen misschien, wijsheid waar je soms wat aan hebt, maar verder ook niet. De bijbel als Gods woord, dat is hoogstens wensdenken, maar geen realiteit. 

Maar het is vooral belangrijk om zulke vragen te herkennen, omdat het ook vragen zijn, die binnen de kerk gesteld worden. Met name jongeren, die zich afvragen of ze wel geloven, zoeken antwoorden op zulke vragen. Maar het zijn niet alleen jongeren, die vragen over de bijbel hebben. Ik kom ook anderen tegen, ze hebben belijdenis gedaan en worstelen ook met deze vragen. En die zie ik, wanneer ze geen overtuigende antwoorden krijgen of als deze vragen worden weggewuifd, afhaken van het geloof.

Vandaar dat het goed is om bij deze vraag stil te staan. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?


  • 2. Vanwege het getuigenis van de Heilige Geest 

Wat zou het eerste antwoord zijn, als jou die vraag aan gesteld wordt: Waarom is de bijbel Gods Woord?

Ik denk dat de meesten zullen zeggen: door de inspiratie. Omdat de bijbel geïnspireerd is door de Heilige Geest. Dat is het ‘bewijs” dat de bijbelboeken, die door mensen zijn geschreven voor ons nu Gods Woord zijn.

Nu is het opvallende, dat als de Geloofsbelijdenis een antwoord geeft op die vraag, dat ze niet naar het ontstaan van de bijbel verwijst – door middel van inspiratie – maar naar de inhoud van de bijbel zelf.

De geloofsbelijdenis zegt: lees de bijbel maar, dan zul je ontdekken dat wat daarin geleerd wordt van God komt. De bijbel is Gods woord, omdat daarin de geschiedenis van de openbaring van God in vastgelegd is. Dat is wat de Geloofsbelijdenis in art. 3 ook al naar voren bracht. Die hebben we niet gelezen, maar daar wordt 2 dingen over Gods Woord gezegd.

Allereerst, dat het Woord van God, waaruit wij God kennen, niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt. De profeten in de tijd van het Oude Testament hebben namens God gesproken, ze spraken niet namens zichzelf. Mozes, David, Salomo, Jesaja en al die andere profeten. Ze spraken namens God. En voor de tijd van het Nieuwe Testament geldt het zelfde. Allereerst natuurlijk Jezus, die namens God sprak: hij was het Woord van God in levende persoon. En het geldt ook voor de apostelen: ze spraken namens en in opdracht van God. Gedreven door de Heilige Geest.

Daarna, als tweede heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en voor ons behoud geboden om die namens Hem gesproken woorden ook op schrift te stellen. En dan krijgen we in het Oude Testament de vijf boeken van Mozes, de Vroege Profeten (Richteren, Ruth, Samuel, Koningen) en de Late profeten, Jesaja, Jeremia, Ezechiel, Daniel en de twaalf kleine profeten, en als derde categorie de Geschriften. zoals de Psalmen, Job, Hooglied enz. En in het Nieuwe Testament de evangeliën en Handelingen, de brieven van de apostelen als Paulus, Jakobus, Petrus en Johannes en tenslotte Openbaring van Johannes.

Deze boeken worden ‘heilige en goddelijke Schriften’ genoemd. Niet omdat ze onder inspiratie zijn geschreven, maar vanwege de inhoud: omdat ze de woorden van de profeten en apostelen bevatten, die namens God Zijn boodschap en Zijn woorden aan de mensen overgebracht hebben.

Daar gaat het om: vanwege die inhoud zijn deze boeken waardevol en hebben ze gezag. Dat is wat art. 5 dan ook opnieuw zegt. Deze boeken ontvangen wij als ‘heilige en canoniek’, d.w.z. als normatief, ‘omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn’. En het bewijs daarvoor is niet zo zeer de inspiratie, maar dat ligt in de boeken zelf! In hun inhoud.

Lees de bijbel maar, dan zie je dat de boodschap van de bijbel van God komt. Al lezende zal de Heilige Geest je er van overtuigen dat deze boeken van God komen. Die boodschap van verlossing en van behoud, dat verzinnen mensen zelf niet, – dat God mens werd in Jezus en dat in zijn dood aan het kruis redding is – maar die komt uiteindelijk bij God zelf vandaan.


  • 3. Zo werkt God in deze wereld

Zijn Geest doet het werk. Die zorgt er voor, dat wanneer mensen de bijbel lezen ze oog krijgen voor de Goddelijke oorsprong van de boodschap van de bijbel.

Dat is ook wat Paulus schrijft in zijn brief aan de Thessalonicenzen. Hij is in Thessalonika gekomen. Gezonden door Christus zelf heeft hij ze het evangelie gebracht, met gevaar voor zijn eigen leven. Ze hebben zijn verkondiging gehoord en ze hebben die aanvaard. Niet als mensenwoord, maar als Woord van God voor hen. Niet omdat hij zo’n geweldige spreker was of vanwege zijn optreden, maar omdat de kracht van de Heilige Geest hen zelf overtuigde. 

En God gebruikt niet alleen Paulus’ verkondiging, maar ook zijn hele persoon, in wie hij is. Paulus brengt een boodschap van verzoening en liefde van God voor hen. God heeft hen uitgekozen en hen lief. Maar Paulus verpersoonlijkt die boodschap ook. Hij is toegewijd, oprecht en zuiver ten opzichte van de Thessalonicenzen. Paulus heeft hen lief en spoort hen aan als een vader zijn kinderen. Hij is niet autoritair, claimt geen gezag, maar door zijn woorden en door zijn gedrag krijgt hij erkenning als de apostel en gezondene door Christus zelf.

En ook al moest Paulus overhaast vertrekken vanwege de dreiging van de Joden, toch stuurt hij na enige tijd Timoteüs naar hen. Omdat hij wil weten hoe het ze vergaat, nu ze tot geloof zijn gekomen. Namens Paulus moet Timoteüs doen, wat Paulus zelf graag had willen doen: hen bemoedigen en hun geloof versterken.

Dat is de manier hoe God werkt in deze wereld. God schakelt mensen in om zijn boodschap van redding in deze wereld te communiceren en te belichamen. Het meest duidelijk werd dat in de woorden en het daden van Jezus, toen hij hier op aarde was. Hij was het Woord van God. Zo kwam God heel persoonlijk dichtbij. In de kracht van Gods Geest.

En wanneer Jezus weer naar zijn Vader teruggaat, dan zendt hij zijn leerlingen als apostelen de wereld in. Nu moeten zij die boodschap van redding verkondigen en belichamen als zijn navolgers. Zij moeten namens hem het evangelie dat hen toevertrouwd is. bewaren door in geloof en in liefde te leven, maar ook dat evangelie verkondigen aan ieder die er naar wil luisteren.

De apostelen vervolgens op hun beurt vertrouwen dat evangelie toe aan hun leerlingen en medewerkers. Zoals Paulus b.v. aan het einde van zijn loopbaan Timoteüs de opdracht geeft om als zijn navolger het pand dat hem is toevertrouwd zorgvuldig te bewaren en daarvan uit te delen en door te geven.

Zo werkt God via mensen, maar ook via de geschriften, waarin die openbaring van God, zijn grote verlossingsdaden en zijn woorden vastgelegd zijn. Het Oude Testament als verslag van de geschiedenis van God met zijn volk Israël, het Nieuwe Testament als het verslag van de geschiedenis van Jezus en van het ontstaan van de eerste christelijke gemeenten in deze wereld.

Mensen die spreken namens God èn bijbelboeken die getuigen van Gods werken en daden: dat zijn de middelen die de Geest gebruikt om zijn boodschap te blijven communiceren en om Gods plannen met deze wereld te verwezenlijken, de eeuwen door, tot op vandaag.

Zo werkt God en zo spreekt God in deze wereld, door de kracht van Zijn Geest.


  • 4. Gebruik daarom de bijbel als ondersteuning van je geloof    

Zo kom ik terug bij die vraag waar ik mee begon: waarom is de bijbel canoniek, normatief en waardevol voor ons als christenen? Het antwoord dat we gevonden hebben is: de bijbel is waardevol en heeft gezag, omdat daarin de boodschap van onze redding en van heil verkondigd wordt. God gebruikt deze boeken om zijn liefde en zijn beloften voor ons te communiceren. En om die boodschap ook echt in ons hart en leven te laten landen. En dat doet hij doordat hij zelf met zijn Geest in het lezen van de bijbel meekomt en zo in onze gedachten en in ons leven werkt, omdat Hij zo ons leven wil transformeren tot navolgers van Hem en van Christus.

De bijbel bestaat gewoon uit menselijke geschriften, geschreven in een bepaalde tijd en binnen een bepaalde cultuur, in de wereld van Egyptenaren, Filistijnen, Kanaänieten, Babyloniërs, Grieken en Romeinen van 2 tot 3 duizend jaar geleden. Een tijd en cultuur waar wij ons ook in moeten verdiepen, willen we de betekenis van deze boeken en teksten ten volle begrijpen.

En dan kan het af en toe ook wel botsen. Het bijbels wereldbeeld is een andere dan het wetenschappelijke wereldbeeld waarin wij leven. De mentaliteit en zeden in die cultuur is een andere dan die van ons vandaag. De samenleving anders opgebouwd dan bij ons. Daar een patriarchale samenleving, waarin de man over de vrouw heerst, terwijl wij in een samenleving leven waarin man en vrouw veel meer gelijkwaardig zijn. Daar moeten we wat mee. We kunnen niet zeggen: omdat het in de bijbel zo beschreven staat, is het ook Gods Woord en Gods wil voor vandaag dat mannen over vrouwen heersen.

Zo hebben we in de loop van de tijd geleerd de bijbel anders te lezen. Wij hebben geleerd dat polygamie niet normaal is, ook al was het in de tijd van het Oude Testament gebruikelijk. Wij zijn anders over slavernij gaan denken. Wij zijn ervan doordrongen geraakt dat God man en vrouw gelijkwaardig geschapen heeft. Wij hebben leren zien, dat het verhaal van de schepping zoals Genesis dat vertelt niet bedoeld is om een wetenschappelijke uitleg daarvan te geven. Schepping als Gods werk en processen van evolutie kunnen naast elkaar bestaan.

Dat kan: omdat de bijbel geen handboek voor wetenschap is of een geschiedenisboek zoals wij geschiedenis beschrijven. De bijbel spreekt op een ander niveau en met andere middelen. Het is een boek, waarin wij zicht krijgen op God, op Zijn wereld, op Zijn plannen met onze wereld. Het is een boek, dat zich concentreert in Zijn openbaring in Jezus Christus tot ons behoud. Dat is het centrum van de Godsopenbaring, waar het Oude Testament al naar toewerkt en naar uitkijkt en waar het Nieuwe Testament verslag van doet.

Zo is de bijbel bedoeld als een boek, dat vertrouwen en geloof in God en in Jezus wil wekken en dat ons geloof wil ondersteunen en doen groeien. Dat is dan ook de blikrichting van waaruit wij de bijbel moeten lezen. Stem in de bijbel af op het hart van Jezus. Want de bijbel is een boek, waarin beloften van God voor ons klinken en waarin God zijn relatie van liefde met ons en de wereld wil verhelderen en waarin hij die relatie via Jezus wil vormgeven. Daarin is de bijbel normatief en daarom heeft hij gezag. Zo is de bijbel Gods Woord voor ons. Zo wordt ook deze gezaghebbende leer van de bijbel verder in het vervolg van de Geloofsbelijdenis samengevat en uitgelegdt, beginnend met de wie de drie-enige God is in art. 8 tot aan de wederkomst van Christus in art. 37.

In de woorden van de Geloofsbelijdenis zelf: de bijbel is geschreven tot ons behoud. De Geest die door de profeten, door Jezus en door de apostelen gesproken heeft, wil via het getuigenis van deze canonieke bijbelse geschriften ook vandaag, door de kracht die Hij daarin legt en meegeeft, ons overtuigen en in onze harten doordringen om die boodschap van liefde te laten landen. Zo wil hij ons leven via de bijbel transformeren. Daarin ligt het gezag van de Schrift. Zo worden we in de geloofsbelijdenis aangespoord om deze boeken van de bijbel als Gods Woord in geloof te ontvangen en te aanvaarden.


Liturgie d.d. 06-10-2019 – GKv Baflo (morgendienst)  // Gkv Ommen (midddagdienst)

  • Votum en zegengroet
  • Zingen: GKB Psalm 33 : 1 en 2
  • Lezen:  1 Thes. 1: 1-5a, 2: 1-4 en 9-13 en 2 Tim. 1: 13-14 en 3: 14-17
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 305 : 1 en 2 (Waar God de Heer zijn schreden zet)
  • Lezen: NGB Art. 4 t/m 6
  • Preek
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 314 : 1 en 2 (Gij die gelooft, verheugt u samen)
  • Wet: 1 Thes. 4 : 1-12 // Zingen: NPB Psalm 119 : 32 (Richt mij op U)
  • Gebed
  • Apostolische Geloofsbelijdenis / LvK (1973) Gezang 314 : 3 en 4 (Nabij of ver)
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 326 : 1 en 2 (Een rijke schat van wijsheid)
  • Zegen

Het lichaam van Christus onderscheiden

(Preek over 1 Kor. 11, 17-34 bij de viering van het Avondmaal)

Wat doe je wanneer je als gemeente het Avondmaal viert? Waar gaat het om bij het Avondmaal? Wat is de kern en het centrum? Bij deze vragen wil ik vanmorgen als voorbereiding op de viering speciaal stil staan.


Dat zijn ook de vragen, die Paulus aan de Korintiërs stelt. Weten jullie wel wat jullie aan het doen zijn, wanneer jullie bij elkaar komen om te eten? Is dat nu een maaltijd van de Heer?

Wat is er aan de hand in Korinte? In Korinte is een kerk ontstaan door de verkondiging van Paulus. Samen met Silas en Timoteüs heeft hij er een anderhalf jaar gewerkt. Zo zijn er nu verschillende huisgemeenten, die samen de gemeenschap van christenen in Korinte vormen. 

Een gemeenschap met leden van verschillende achtergrond en afkomst, Joden en heidenen, Grieken, Romeinen, en met verschillende sociale en maatschappelijke posities: enkele rijken, maar voor het grootste deel hadden ze weinig of geen middelen van bestaan, en waren het slaven, arbeiders, soldaten, ambachtslieden (m/v).

Paulus is ondertussen al weer een jaar of drie weg, maar hij staat nog wel in nauw contact met de gemeente en hij hoort dus ook over het wel en wee daar. Dat is de aanleiding om zijn brief te schrijven. Er is namelijk verdeeldheid en er zijn misstanden. Eén daarvan is de manier waarop ze avondmaal vieren. Ze vieren die op een manier, waaruit blijkt dat ze de betekenis daarvan niet vatten. De viering bouwt de gemeenschap niet op, maar doet juist afbreuk aan de onderlinge verbondenheid.

Het was gebruikelijk om op de zondagmorgen vroeg bij zonsopgang bij elkaar te komen en aan het eind van de middag opnieuw. Dan werd er eerst gezamenlijk de hoofdmaaltijd van de dag gebruikt, waarna er een soort gebeds- en eredienst was. Zo’n bijeenkomst bestond op zijn hoogst uit zo’n 30 tot 40 mannen en vrouwen.

In die tijd was het normaal als men met elkaar at, dat er een hiërarchie was. De belangrijkste personen zaten op banken dicht bij de gastheer- of vrouw en kregen het beste eten als teken van speciaal eerbetoon. En als er niet genoeg plek was, dan moesten de minder belangrijke personen maar staan, of wat achteraf tegen de muur zitten of daarnaast in de open ruimte midden in het huis, met bord op schoot. Voor de slaven waren de restjes van de maaltijd.

Ook was het niet vreemd om herinneringsmaaltijden voor bekende personen te houden of maaltijden ter ere van een godheid, waarbij flink gegeten en gedronken werd.  

Kennelijk was de macht van deze oude gewoonten in Korinte nog te sterk. Als men bij elkaar kwam zetten status en positie toch nog de toon. Want als men in het huis van een rijke samenkwam, die daar de ruimte voor had, waren die ook de gastheer- en vrouw en bepaalden zij de regels van hoe de maaltijden gehouden zouden worden.

De een kreeg meer, de ander kreeg minder, en sommigen werden dronken, terwijl degenen die niets of weinig hadden moesten wachten tot de anderen uitgegeten waren. En zelfs ontbraken nog enkelen, omdat zij eerst als slaaf het werk van de dag voor hun meesters moesten afmaken.

Tijdens zo’n maaltijd dan ook nog het sterven en de opstanding van Jezus herdenken door het brood te breken en de zegening over de beker van de dankzegging uit te spreken? Dat kan niet. Dat is een totale miskenning van waar het in Jezus bij de instelling van het Avondmaal om gaat. Het is een onwaardige en een beschamende vertoning. Jullie beseffen niet dat het om het lichaam van Christus gaat, schrijft Paulus.

Paulus bedoelt met deze uitdrukking vooral te zeggen, dat dit gedrag haaks staat op wat Jezus beoogde. Jezus gaf zichzelf in de dood ten behoeve van zijn leerlingen en zijn toekomstige gemeente, juist om hen op te nemen in het Nieuwe Verbond. En dat houdt in – zo schrijft Paulus straks in het volgende hoofdstuk -, dat ‘wij allen in één Geest gedoopt zijn en één lichaam zijn geworden. Wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn.’ We delen allen gelijkelijk in het voorrecht om kinderen van God te worden en te zijn, en om ook zo behandeld te worden.

Van de bijzondere maaltijd om dat feit te gedenken maken deze Korintiërs een karikatuur. Ze gaan lijnrecht tegen Gods bedoeling in. Waar alle leden van de gemeente met eer en respect behandeld moeten worden, omdat zij allemaal deel zijn van Christus’ lichaam, vernederen zij hen die een lagere status hebben en geven zij elkaar als mensen van stand en invloed de eer van gelijken. Daarmee hebben zij het oordeel van God over zich afgeroepen.

Er is maar één remedie tegen dat Godsoordeel.

Paulus roept de welgestelde Korintiërs op om de scheidslijnen in status op te geven en de armere leden als gelijkwaardige deelgenoten aan de maaltijd te ontvangen, zodat ook zij hun honger kunnen stillen en zodat zij dan samen, in die houding van gelijkwaardigheid, op een waardige wijze het brood kunnen breken en uit de beker kunnen drinken als herinnering aan wat Jezus voor hen allen gerealiseerd heeft.


Daarmee ben ik terug bij die vraag, die ik aan het begin stelde: wat is de kern van de viering van het sacrament van het avondmaal. Centraal is dat wij in het brood Christus ontvangen, omdat Christus als gastheer ons ontvangt en ons in het brood zichzelf aan ons geeft. Wij gedenken in de viering dat Christus met zijn dood aan het kruis een nieuwe verbond tot stand gebracht heeft en dat wij daarin opgenomen zijn en nu bij God mogen horen. Avondmaal vieren is zo een bevestiging en een dikke streep onder je doop. Je bent werkelijk met Christus verbonden, je bent van Hem.

Maar de keerzijde daarvan is dat je tegelijk door de doop ook opgenomen bent in het lichaam van Christus. Je ben ingeschreven als burger van Gods koninkrijk en maakt deel uit van Gods volk. Het ontvangen van Christus in het brood kun je daarom niet los maken van het feit dat je deel bent van Christus’ lichaam. In het ontvangen van het brood ontvang je tegelijk je naaste als je broer en je zus in Christus. Christus onderstreept dat doordat wij allen van hetzelfde brood eten en doordat wij uit de beker dezelfde wijn drinken.

Het avondmaal beeldt uit en maakt zo zichtbaar dat wij door het brood zowel verbonden zijn met Christus als met elkaar. Beseffen dat het in het avondmaal om het lichaam van Christus gaat betekent dan ook, dat we deze twee dingen niet van elkaar los mogen maken. In het avondmaal gaat het zowel om de verbondenheid met Christus als die met elkaar.

Christus plaatst ons in de viering naast elkaar, ieder in onze eigenheid, met onze persoonlijkheid en onze individualiteit. Zo vormen we straks een rij en ontvangen wij Christus en daarin elkaar als het lichaam van Christus.

Dus als jullie straks die rij vormen, besef dan dat het gaat om het lichaam van Christus. Kijk maar om je heen om te zien wie die broer is en wie die zus is die naast je staat. En denk als je straks weer thuis bent er over na, wat het betekent, dat je opnieuw met hen in het avondmaal verbonden bent geraakt.

Welke verantwoordelijkheid geeft Christus aan jou, als je vandaag hier in de Fontein samen het avondmaal viert? En hoe maak je die verantwoordelijkheid het komende seizoen waar? Hoe ga jij die gastvrijheid voor elkaar en die verbondenheid met elkaar vorm geven? De gaven die jij gekregen hebt – financieel, materieel, of je tijd, je energie, je aandacht -, inzetten voor het lichaam van Christus?

Paulus windt er geen doekjes om. Je kunt niet het brood en de wijn ontvangen en vervolgens je broer of zus links laten liggen. Want dan maak je van het avondmaal een aanfluiting en zul je, ook al neem je deel aan de viering, Christus niet ontvangen.

Dit is dus het doel van de viering van vandaag: dat je in het ontvangen van Christus bij zult dragen aan de opbouw van zijn lichaam hier in Zwolle-West. Moge God jullie daarin zegenen.

Amen.


Liturgie GKv Zwolle-West d.d. 10 september 2019, de morgendiensten:

  • Votum en zegengroet
  • Zingen: GKB Psalm 63 : 1 en 2 (O God, mijn God, ik zoek uw hand)
  • Gebed
  • Lezen: NBV 1 Kor. 11 : 17 – 34
  • Zingen:  ELB Lied 422 (Als je geen liefde hebt voor elkaar)
  • Verkondiging
  • Zingen: ‘Breng ons samen’ van Sela (= U roept ons samen als kerk van de Heer)
  • Viering:
    • Instellingswoorden
    • Tijdens lopende viering zingen: Opw Lied 706 (Zie hoe Jezus lijdt voor mij)
    • Dankzegging en voorbeden
    • Zingen: LB Lied 654 : 1 en 6 (Zing nu de Heer, stem allen in)
  • Collecte
  • Zingen: GKB (2006) Gezang 161 :  2 en 4 (‘k Geloof in U, Heer Jezus, geboren uit de maagd)
  • Zegen

Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

Stille zaterdag

Overdenking Stille Zaterdag 2017

Stinskerk, Westenholte

Schriftlezing: Matteüs 27: 57-66

 

  1.  

Het is stille zaterdag.
De day-after.
De rust van de sabbat.

In het graf, waar het dode lichaam van Jezus ligt, is het donker en het is stil.
De toegang is zorgvuldig afgesloten met een steen, goed verzegeld en van bewaking voorzien.

In de hoofden van de leerlingen kan het maar niet stil worden.
Nu komt pas de echte klap.
Het besef en de impact van wat er zich gisteren heeft afgespeeld.
Dat drama van de kruisiging en de dood van Jezus uit Nazareth.

Zo zitten de leerlingen bij elkaar, verdwaasd, beschaamd en bang.
Ze hadden hem nog zo gewaarschuwd:
ga toch niet tijdens het feest van Pesach naar Jeruzalem!
Ze willen u doden!
Maar Jezus was vastbesloten.

Ze hebben zich laten meeslepen toen het volk met palmtakken begonnen te zwaaien: ‘Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.’

In één klap zijn al hun verwachtingen de grond ingeboord.
Hun meester is er niet meer.
De herder is gedood – de kudde uiteengeslagen.

Slechts enkele leerlingen, – voornamelijk vrouwen -,  hebben vanuit de verte bij het kruis gestaan. Ze waren er nog bij, toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus samen met Nicodemus van het kruis haalde en het na de zalving in een linnen doek wikkelde en in het graf legde.

Nu besluiten ze om als de sabbat voorbij is met de kruiden en olie die ze al klaar hebben gemaakt in de vroege ochtend naar het graf te gaan. Ze willen de lijkwade impregneren, zodat de rotte doodsgeur niet door het linnen naar buiten zal komen. Dat is de enige dienst, die zij Jezus nog zullen kunnen bewijzen. Bezegeling van drie intensieve jaren van volgen en van het dienen van Jezus, hun Heer.

 

     2.

Het is stille zaterdag.
De day-after.

Onweerstaanbaar dringt bij de leerlingen het besef door, dat hun toekomst weg is.
Met de dood van Jezus is alle hoop vervlogen.
Hun verwachting dat het koninkrijk van God is aangebroken, is de grond in geboord.
Opnieuw staan zij als Gods volk met lege handen.

Het leek er op, dat Jezus de vervulling zou zijn van die aloude beloften.
Bevrijding, verlossing, vrede.
Ze hebben zich vergist.

De vreugde over die blijde boodschap is in één dag verdampt.
Ze zijn hardhandig, als uit een droom ontwaakt.
Wat rest is teleurstelling, verdriet, schaamte en angst.

Ze zullen zonder de hulp en de bescherming van Jezus verder moeten leven.
Het voelt alsof ze door God zelf in de steek gelaten zijn.

 

     3.

Het is stille zaterdag.
De day-after.

Als leerlingen van Jezus zitten we hier bij elkaar.
Wij hebben ook zo onze hoop en onze verwachtingen voor de toekomst.
Ook wij zijn hardhandig uit onze droom gewekt.

Het geloof lijkt zo maar onder onze handen te verdampen.
De secularisatie en het verlichte wetenschappelijk wereldbeeld lijken het in onze westerse wereld te hebben gewonnen.
Als het aan de tegenstanders van God ligt,
zal het christelijk geloof als bijgeloof ontmaskerd worden en ontmaskerd blijven.

Hoe zal de toekomst van de christelijke kerk in ons land eruit zien?
Zullen wij, zullen onze kinderen, bij het geloof bewaard blijven?

Sommigen zijn teleurgesteld in de gemeente en in het kerkelijk leven,
anderen kunnen hun leven of het leven in deze wereld niet verbinden met God,
velen hebben in wanhoop, uit woede of in berusting en gelatenheid hem vaarwel gezegd.

Wij hebben verdriet over de kaalslag in het christelijke leven.
Het voelt als we door God zelf verlaten zijn.

Waarop kunnen wij en waarop mogen wij nu nog hopen?

 

    4.

Het is stille zaterdag.
De day-after.
Het is de rust van de sabbat.

Wat rest ons anders dan om onze bijbel te openen,
en de God van onze vaderen aan te roepen,
zoals zij eeuwenlang op de sabbat hebben gedaan,
om te bidden, te zingen, te klagen en te roepen?

Psalm 80.

God van de hemelse machten,
keer u tot ons,
kijk neer uit de hemel en zie.

Bekommer u om deze wijnstok,
de stek die uw hand heeft geplant,
de zoon die u zelf hebt grootgebracht.

Hij is verbrand en weggehakt,
verkwijnd onder uw duistere blik.

Leg uw hand op uw beschermeling,
het mensenkind dat u hebt grootgebracht.
Dan zullen wij niet van u wijken.

Laat ons leven, en wij roepen uw naam:
HEER, God van de hemelse machten,
keer ons lot ten goede,
toon uw lichtend gelaat,
dan zijn wij gered.

Amen

 

Eer bieden

(Fragmenten uit een preek over het 5e gebod, gehouden in de Veertigdagentijd 2015)

1.

Ik weet niet of u Hanna Schygulla kent. Ze was in de jaren ’70 een belangrijke favoriet van de duitse regisseur Rainer Werner Fassbinder. In een groot aantal films van hem speelt ze een belangrijke rol. Onder andere de hoofdrol in ‘Die Ehe der Maria Braun’ en in ‘Lily Marleen’. Ook werkte ze met een groot aantal andere beroemde duitse regisseurs.

Het meest opvallende aan haar filmcarrière is dat die een kleine 20 jaar zo goed als onderbroken is geweest. In 1987, ze was toen 44, trok ze zich bijna helemaal uit het openbare leven terug om eerst haar moeder, die getroffen was door verscheidene beroertes, en later haar vader naar de dood te begeleiden. Ze wist natuurlijk van te voren niet hoe lang haar ouders nog zouden leven en dat het bijna 18 jaar van haar carrière zou kosten. Toch is ze altijd voor hen blijven zorgen. Haar moeder stierf na 8 jaar in 1995, haar vader tien jaar later in 2005 op 96-jarige leeftijd. Het was voor haar volkomen vanzelfsprekend om als hun enige kind voor hen te zorgen. Ze heeft er geen seconde over getwijfeld. Een daad van liefde voor haar moeder, die aan het eind van de 2e wereldoorlog met haar als 2-jarig kind vanuit Polen naar Beieren was gevlucht. En voor haar vader die in 1948 gebroken uit de Russische krijgsgevangenschap was teruggekeerd, hoewel haar relatie met hem daardoor altijd afstandelijk was geweest.

Dit is de oorspronkelijke kern van dat 5e gebod: eer uw vader en moeder.

Hou ouderen in waarde, hou ze hoog, juist als ze hulpbehoevend zijn en ze in hun ouderdom economisch niet meer van waarde zijn en zelfs een grote financiële en emotionele last kunnen worden. Verzorg ze juist dan op passende wijze met voedsel, kleding en een woning, en blijf respectvol met ze omgaan ondanks afnemende levenskracht of afnemende verstandelijke vermogens, en geef ze uiteindelijk een eervolle begrafenis.

Als ik het kort op een noemer breng: in het 5e gebod gaat het niet primair over gezag en gezagsrelaties, maar vooral om de verbinding en de verantwoordelijkheid van de generaties voor elkaar.

2.

Degene die Psalm 71 bidt, is een voorbeeld van iemand die oud is en nu juist vanwege zijn ouderdom niet meer serieus genomen wordt, en daarom een gemakkelijk mikpunt geworden is van onderdrukking, uitstoting en smadelijke behandeling, kortom van oneer en schande.

Heel deze psalm is doortrokken door en wordt gedragen door die tegensteling tussen eer en schande. En dat is niet verwonderlijk. De bijbel is een boek afkomstig uit een oud-oosterse cultuur. Het joodse geloof en daarmee ook het christelijk geloof is geworteld in een cultuur, waarin eer en schande een van de dragende waarden in de samenleving zijn.

De dichter van Psalm 71 wendt zich tot God en smeekt hem om uitkomst, verlossing, redding. Hij vraagt of God hem weer in aanzien en eer wil herstellen: verhoog mij in aanzien, staat er in vers 21. En tegelijk vraagt hij of God zijn tegenstanders van schaamte wil laten bezwijken en met schande bedekt wil laten worden, vers 13.

Maar het gaat niet om de eer voor de psalmdichter op zichzelf. Dat is een ander belangrijk dragend element in deze psalm. In alles gaat het om de eer van God: dat hij geprezen wordt, dat hem de lof wordt gebracht, dat het herdenken van zijn daden het brandpunt en centrum van de dichter is en van de samenleving wordt. In het bijzonder in vers 17 en 18:

‘God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm.’

Het gaat er om dat Gods gerechtigheid zichtbaar wordt in de samenleving. Dat is Gods bedoeling geweest toen hij het volk Israel verloste uit Egypte en hen Kanaan als het beloofde land gaf. Daarvoor gaf hij hen de Decaloog, die 10 woorden. Ook dat 5e gebod om de ouderen te eren. Opdat het volk in dat land een goed leven zou hebben. Als zijn volk wonend in vrijheid, in welvaart, en zo gezegend door hun God. En degene, die daarvoor moest waken, – dat het recht in het land zou heersen -, dat was de koning. Daarvoor had God hen een koning gegeven. De koning, die in Psalm 72 uitgetekend wordt als de messiaanse d.w.z. de gezalfde koning.

Je kunt Psalm 72 binnen de structuur van het boek der Psalmen zien als een toespitsing en als antwoord op dat gebed van de dichter van Psalm 71: “Heer, brengt recht in mijn situatie, verlos mij.”

In Psalm 72 wordt gebeden of de koning dan ook daadwerkelijk het volk rechtvaardig zal besturen. Of God hem daarvoor zijn wetten en gerechtigheid wil schenken, vers 1 en 2. Want daarvoor is hij geroepen, vers 12 tot 14:

‘Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.’

Dat is de manier waarop God vrede en recht wil brengen. Via de koning als zijn vertegenwoordiger op aarde. Als hij zijn taak als ‘gezagsdrager’ op de juiste wijze zal uitvoeren, zal er vrede met de volken zijn, zal het land vruchtbaar zijn, de economie ieder ten goede komen en zal via hem Gods zegen over heel de wereld verspreid worden. Kortom, dan zal werkelijk de messiaanse tijd aanbreken.

3.

Toen kwam Jezus als koning – rijdend op een veulen werd hij Jeruzalem binnengehaald. Hij vervulde in zijn leven ook dit gebod. En als je naar hem kijkt, dan zie je dat hij de zaken heel sterk op God zelf focust als degene, op wie je al jouw eer en ontzag moet richten.

Hij was zijn ouders onderdanig, maar hoe jong hij ook was hij maakte wel duidelijk zijn oriëntatiepunt lag in de zaken die op zijn Vader in de hemel betrekking hadden.

Hij relativeerde de natuurlijke bloedband ten gunste van de geestelijke band tussen broers en zussen in het geloof. Zoals Lukas optekent in Lukas 14 : 26 – 27:

‘Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. Je kunt alleen mijn leerling zijn als je je kruis op je neemt en mij op mijn weg volgt.’

Daarmee schuift Jezus het 5e gebod niet aan de kant. Wel maakt hij duidelijk dat discipelschap gaat boven andere zaken waar je je aan kunt wijden, zoals je werk, je gezin, je geld. Dat het vooral gaat om het je richten op God en zijn rijk en op het volgen van Jezus zelf.

Net als Abraham en het volk Israel moet je vandaag je land, je bedrijf, je familie achterlaten om naar het beloofde land te trekken, je daar te settelen en je verantwoordelijkheid te nemen, ook ten aanzien van het 5e gebod. Ik geloof dat vandaag de geloofsgemeenschap een belangrijk plek is van waaruit je dat beloofde land en die messiaanse samenleving gestalte mag geven.

4.

Vanuit dit perspectief wil ik deze preek toespitsen door nog een enkele vraag en overweging mee te geven om verder over na te denken.

Als eerste: tegen mensonterende situaties. Je mag best in rekening brengen, dat wij vandaag veel meer geïndividualiseerd leven als in de collectieve samenleving van vroeger. Wij hebben het kerngezin van vader, moeder en kind, en kennen niet meer de grote familie waarin 3 of 4 generaties samenwonen. Dat betekent dat je niet hetzelfde hoeft te doen als Hanna Schygulla door de last van de zorg voor ouders op je te nemen als gezin alleen. Bejaardenhuizen en verzorgingshuizen zijn waardevolle instellingen. Toch is het juist de plicht van ons als geloofsgemeenschap om in het geweer te komen als daarin vanwege economische overwegingen pyamadagen en andere mensonterende situaties ontstaan. Volgens mij een belangrijk punt om als kerkgemeenschap er over door te denken, hoe je daarin iets kunt betekenen. Hoe lastig dat ook is, omdat je daarin je je kritisch moet opstellen tegenover ons sociaal en economisch systeem, dat door dat individualisme ook behoorlijk verworden is.

Als tweede: het zoeken van de verbinding tussen de generaties. Als geloofsgemeenschap staan jullie voor de opdracht deze verbondenheid vorm te geven. Daar zul je met elkaar over door moeten spreken. Hoe geef je als ouderen aan jongeren in de kerk de ruimte om daarin een eigen weg te gaan, die misschien anders is als de weg waarin jij gegaan bent? En hoe respecteer je als jongeren de weg en de traditie, waarin ouderen hun geloof en ontzag voor God vorm hebben gegeven? Ben je bereid om de geschiedenis van de ouderen respectvol te behandelen en die ook een plek te geven in jouw leven? Zijn jullie werkelijk bereid om samen de onderlinge verbondenheid vorm te geven door als jongeren èn ouderen in elkaar te investeren: door tijd, aandacht en geloof met elkaar te delen?

En als laatste: Jezus Christus heeft als dè messiaanse koning laten zien, dat gezag en verbondenheid vooral tot zijn recht komen in een houding van wederzijdse dienstbaarheid, van een elkaar vergeven, en een elkaar tot zegen zijn. Dat is de weg van het kruis die Jezus gegaan is. Dat is ook de manier waartoe wij opgeroepen worden om dit 5e gebod inhoud te geven: eer je vader en moeder, opdat het je goed zal gaan in het land dat God jullie geven zal. In mijn woorden: wees elkaar als generaties in onderlinge verbondenheid en in wederzijdse dienstbaarheid tot een zegen.

22 maart 2015, de 5e zondag van de Veertigdagentijd.