Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

Advertenties

Stille zaterdag

Overdenking Stille Zaterdag 2017

Stinskerk, Westenholte

Schriftlezing: Matteüs 27: 57-66

 

  1.  

Het is stille zaterdag.
De day-after.
De rust van de sabbat.

In het graf, waar het dode lichaam van Jezus ligt, is het donker en het is stil.
De toegang is zorgvuldig afgesloten met een steen, goed verzegeld en van bewaking voorzien.

In de hoofden van de leerlingen kan het maar niet stil worden.
Nu komt pas de echte klap.
Het besef en de impact van wat er zich gisteren heeft afgespeeld.
Dat drama van de kruisiging en de dood van Jezus uit Nazareth.

Zo zitten de leerlingen bij elkaar, verdwaasd, beschaamd en bang.
Ze hadden hem nog zo gewaarschuwd:
ga toch niet tijdens het feest van Pesach naar Jeruzalem!
Ze willen u doden!
Maar Jezus was vastbesloten.

Ze hebben zich laten meeslepen toen het volk met palmtakken begonnen te zwaaien: ‘Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.’

In één klap zijn al hun verwachtingen de grond ingeboord.
Hun meester is er niet meer.
De herder is gedood – de kudde uiteengeslagen.

Slechts enkele leerlingen, – voornamelijk vrouwen -,  hebben vanuit de verte bij het kruis gestaan. Ze waren er nog bij, toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus samen met Nicodemus van het kruis haalde en het na de zalving in een linnen doek wikkelde en in het graf legde.

Nu besluiten ze om als de sabbat voorbij is met de kruiden en olie die ze al klaar hebben gemaakt in de vroege ochtend naar het graf te gaan. Ze willen de lijkwade impregneren, zodat de rotte doodsgeur niet door het linnen naar buiten zal komen. Dat is de enige dienst, die zij Jezus nog zullen kunnen bewijzen. Bezegeling van drie intensieve jaren van volgen en van het dienen van Jezus, hun Heer.

 

     2.

Het is stille zaterdag.
De day-after.

Onweerstaanbaar dringt bij de leerlingen het besef door, dat hun toekomst weg is.
Met de dood van Jezus is alle hoop vervlogen.
Hun verwachting dat het koninkrijk van God is aangebroken, is de grond in geboord.
Opnieuw staan zij als Gods volk met lege handen.

Het leek er op, dat Jezus de vervulling zou zijn van die aloude beloften.
Bevrijding, verlossing, vrede.
Ze hebben zich vergist.

De vreugde over die blijde boodschap is in één dag verdampt.
Ze zijn hardhandig, als uit een droom ontwaakt.
Wat rest is teleurstelling, verdriet, schaamte en angst.

Ze zullen zonder de hulp en de bescherming van Jezus verder moeten leven.
Het voelt alsof ze door God zelf in de steek gelaten zijn.

 

     3.

Het is stille zaterdag.
De day-after.

Als leerlingen van Jezus zitten we hier bij elkaar.
Wij hebben ook zo onze hoop en onze verwachtingen voor de toekomst.
Ook wij zijn hardhandig uit onze droom gewekt.

Het geloof lijkt zo maar onder onze handen te verdampen.
De secularisatie en het verlichte wetenschappelijk wereldbeeld lijken het in onze westerse wereld te hebben gewonnen.
Als het aan de tegenstanders van God ligt,
zal het christelijk geloof als bijgeloof ontmaskerd worden en ontmaskerd blijven.

Hoe zal de toekomst van de christelijke kerk in ons land eruit zien?
Zullen wij, zullen onze kinderen, bij het geloof bewaard blijven?

Sommigen zijn teleurgesteld in de gemeente en in het kerkelijk leven,
anderen kunnen hun leven of het leven in deze wereld niet verbinden met God,
velen hebben in wanhoop, uit woede of in berusting en gelatenheid hem vaarwel gezegd.

Wij hebben verdriet over de kaalslag in het christelijke leven.
Het voelt als we door God zelf verlaten zijn.

Waarop kunnen wij en waarop mogen wij nu nog hopen?

 

    4.

Het is stille zaterdag.
De day-after.
Het is de rust van de sabbat.

Wat rest ons anders dan om onze bijbel te openen,
en de God van onze vaderen aan te roepen,
zoals zij eeuwenlang op de sabbat hebben gedaan,
om te bidden, te zingen, te klagen en te roepen?

Psalm 80.

God van de hemelse machten,
keer u tot ons,
kijk neer uit de hemel en zie.

Bekommer u om deze wijnstok,
de stek die uw hand heeft geplant,
de zoon die u zelf hebt grootgebracht.

Hij is verbrand en weggehakt,
verkwijnd onder uw duistere blik.

Leg uw hand op uw beschermeling,
het mensenkind dat u hebt grootgebracht.
Dan zullen wij niet van u wijken.

Laat ons leven, en wij roepen uw naam:
HEER, God van de hemelse machten,
keer ons lot ten goede,
toon uw lichtend gelaat,
dan zijn wij gered.

Amen

 

Eer bieden

(Fragmenten uit een preek over het 5e gebod, gehouden in de Veertigdagentijd 2015)

1.

Ik weet niet of u Hanna Schygulla kent. Ze was in de jaren ’70 een belangrijke favoriet van de duitse regisseur Rainer Werner Fassbinder. In een groot aantal films van hem speelt ze een belangrijke rol. Onder andere de hoofdrol in ‘Die Ehe der Maria Braun’ en in ‘Lily Marleen’. Ook werkte ze met een groot aantal andere beroemde duitse regisseurs.

Het meest opvallende aan haar filmcarrière is dat die een kleine 20 jaar zo goed als onderbroken is geweest. In 1987, ze was toen 44, trok ze zich bijna helemaal uit het openbare leven terug om eerst haar moeder, die getroffen was door verscheidene beroertes, en later haar vader naar de dood te begeleiden. Ze wist natuurlijk van te voren niet hoe lang haar ouders nog zouden leven en dat het bijna 18 jaar van haar carrière zou kosten. Toch is ze altijd voor hen blijven zorgen. Haar moeder stierf na 8 jaar in 1995, haar vader tien jaar later in 2005 op 96-jarige leeftijd. Het was voor haar volkomen vanzelfsprekend om als hun enige kind voor hen te zorgen. Ze heeft er geen seconde over getwijfeld. Een daad van liefde voor haar moeder, die aan het eind van de 2e wereldoorlog met haar als 2-jarig kind vanuit Polen naar Beieren was gevlucht. En voor haar vader die in 1948 gebroken uit de Russische krijgsgevangenschap was teruggekeerd, hoewel haar relatie met hem daardoor altijd afstandelijk was geweest.

Dit is de oorspronkelijke kern van dat 5e gebod: eer uw vader en moeder.

Hou ouderen in waarde, hou ze hoog, juist als ze hulpbehoevend zijn en ze in hun ouderdom economisch niet meer van waarde zijn en zelfs een grote financiële en emotionele last kunnen worden. Verzorg ze juist dan op passende wijze met voedsel, kleding en een woning, en blijf respectvol met ze omgaan ondanks afnemende levenskracht of afnemende verstandelijke vermogens, en geef ze uiteindelijk een eervolle begrafenis.

Als ik het kort op een noemer breng: in het 5e gebod gaat het niet primair over gezag en gezagsrelaties, maar vooral om de verbinding en de verantwoordelijkheid van de generaties voor elkaar.

2.

Degene die Psalm 71 bidt, is een voorbeeld van iemand die oud is en nu juist vanwege zijn ouderdom niet meer serieus genomen wordt, en daarom een gemakkelijk mikpunt geworden is van onderdrukking, uitstoting en smadelijke behandeling, kortom van oneer en schande.

Heel deze psalm is doortrokken door en wordt gedragen door die tegensteling tussen eer en schande. En dat is niet verwonderlijk. De bijbel is een boek afkomstig uit een oud-oosterse cultuur. Het joodse geloof en daarmee ook het christelijk geloof is geworteld in een cultuur, waarin eer en schande een van de dragende waarden in de samenleving zijn.

De dichter van Psalm 71 wendt zich tot God en smeekt hem om uitkomst, verlossing, redding. Hij vraagt of God hem weer in aanzien en eer wil herstellen: verhoog mij in aanzien, staat er in vers 21. En tegelijk vraagt hij of God zijn tegenstanders van schaamte wil laten bezwijken en met schande bedekt wil laten worden, vers 13.

Maar het gaat niet om de eer voor de psalmdichter op zichzelf. Dat is een ander belangrijk dragend element in deze psalm. In alles gaat het om de eer van God: dat hij geprezen wordt, dat hem de lof wordt gebracht, dat het herdenken van zijn daden het brandpunt en centrum van de dichter is en van de samenleving wordt. In het bijzonder in vers 17 en 18:

‘God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm.’

Het gaat er om dat Gods gerechtigheid zichtbaar wordt in de samenleving. Dat is Gods bedoeling geweest toen hij het volk Israel verloste uit Egypte en hen Kanaan als het beloofde land gaf. Daarvoor gaf hij hen de Decaloog, die 10 woorden. Ook dat 5e gebod om de ouderen te eren. Opdat het volk in dat land een goed leven zou hebben. Als zijn volk wonend in vrijheid, in welvaart, en zo gezegend door hun God. En degene, die daarvoor moest waken, – dat het recht in het land zou heersen -, dat was de koning. Daarvoor had God hen een koning gegeven. De koning, die in Psalm 72 uitgetekend wordt als de messiaanse d.w.z. de gezalfde koning.

Je kunt Psalm 72 binnen de structuur van het boek der Psalmen zien als een toespitsing en als antwoord op dat gebed van de dichter van Psalm 71: “Heer, brengt recht in mijn situatie, verlos mij.”

In Psalm 72 wordt gebeden of de koning dan ook daadwerkelijk het volk rechtvaardig zal besturen. Of God hem daarvoor zijn wetten en gerechtigheid wil schenken, vers 1 en 2. Want daarvoor is hij geroepen, vers 12 tot 14:

‘Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.’

Dat is de manier waarop God vrede en recht wil brengen. Via de koning als zijn vertegenwoordiger op aarde. Als hij zijn taak als ‘gezagsdrager’ op de juiste wijze zal uitvoeren, zal er vrede met de volken zijn, zal het land vruchtbaar zijn, de economie ieder ten goede komen en zal via hem Gods zegen over heel de wereld verspreid worden. Kortom, dan zal werkelijk de messiaanse tijd aanbreken.

3.

Toen kwam Jezus als koning – rijdend op een veulen werd hij Jeruzalem binnengehaald. Hij vervulde in zijn leven ook dit gebod. En als je naar hem kijkt, dan zie je dat hij de zaken heel sterk op God zelf focust als degene, op wie je al jouw eer en ontzag moet richten.

Hij was zijn ouders onderdanig, maar hoe jong hij ook was hij maakte wel duidelijk zijn oriëntatiepunt lag in de zaken die op zijn Vader in de hemel betrekking hadden.

Hij relativeerde de natuurlijke bloedband ten gunste van de geestelijke band tussen broers en zussen in het geloof. Zoals Lukas optekent in Lukas 14 : 26 – 27:

‘Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. Je kunt alleen mijn leerling zijn als je je kruis op je neemt en mij op mijn weg volgt.’

Daarmee schuift Jezus het 5e gebod niet aan de kant. Wel maakt hij duidelijk dat discipelschap gaat boven andere zaken waar je je aan kunt wijden, zoals je werk, je gezin, je geld. Dat het vooral gaat om het je richten op God en zijn rijk en op het volgen van Jezus zelf.

Net als Abraham en het volk Israel moet je vandaag je land, je bedrijf, je familie achterlaten om naar het beloofde land te trekken, je daar te settelen en je verantwoordelijkheid te nemen, ook ten aanzien van het 5e gebod. Ik geloof dat vandaag de geloofsgemeenschap een belangrijk plek is van waaruit je dat beloofde land en die messiaanse samenleving gestalte mag geven.

4.

Vanuit dit perspectief wil ik deze preek toespitsen door nog een enkele vraag en overweging mee te geven om verder over na te denken.

Als eerste: tegen mensonterende situaties. Je mag best in rekening brengen, dat wij vandaag veel meer geïndividualiseerd leven als in de collectieve samenleving van vroeger. Wij hebben het kerngezin van vader, moeder en kind, en kennen niet meer de grote familie waarin 3 of 4 generaties samenwonen. Dat betekent dat je niet hetzelfde hoeft te doen als Hanna Schygulla door de last van de zorg voor ouders op je te nemen als gezin alleen. Bejaardenhuizen en verzorgingshuizen zijn waardevolle instellingen. Toch is het juist de plicht van ons als geloofsgemeenschap om in het geweer te komen als daarin vanwege economische overwegingen pyamadagen en andere mensonterende situaties ontstaan. Volgens mij een belangrijk punt om als kerkgemeenschap er over door te denken, hoe je daarin iets kunt betekenen. Hoe lastig dat ook is, omdat je daarin je je kritisch moet opstellen tegenover ons sociaal en economisch systeem, dat door dat individualisme ook behoorlijk verworden is.

Als tweede: het zoeken van de verbinding tussen de generaties. Als geloofsgemeenschap staan jullie voor de opdracht deze verbondenheid vorm te geven. Daar zul je met elkaar over door moeten spreken. Hoe geef je als ouderen aan jongeren in de kerk de ruimte om daarin een eigen weg te gaan, die misschien anders is als de weg waarin jij gegaan bent? En hoe respecteer je als jongeren de weg en de traditie, waarin ouderen hun geloof en ontzag voor God vorm hebben gegeven? Ben je bereid om de geschiedenis van de ouderen respectvol te behandelen en die ook een plek te geven in jouw leven? Zijn jullie werkelijk bereid om samen de onderlinge verbondenheid vorm te geven door als jongeren èn ouderen in elkaar te investeren: door tijd, aandacht en geloof met elkaar te delen?

En als laatste: Jezus Christus heeft als dè messiaanse koning laten zien, dat gezag en verbondenheid vooral tot zijn recht komen in een houding van wederzijdse dienstbaarheid, van een elkaar vergeven, en een elkaar tot zegen zijn. Dat is de weg van het kruis die Jezus gegaan is. Dat is ook de manier waartoe wij opgeroepen worden om dit 5e gebod inhoud te geven: eer je vader en moeder, opdat het je goed zal gaan in het land dat God jullie geven zal. In mijn woorden: wees elkaar als generaties in onderlinge verbondenheid en in wederzijdse dienstbaarheid tot een zegen.

22 maart 2015, de 5e zondag van de Veertigdagentijd.

Kerstavond 2014

Bijbellezingen:

* BGT Psalm 94 : 1- 7
* BGT Jesaja 8 : 21 – 9 : 6
* BGT Lukas 2 : 1 – 14

Kerst vieren voelt onwennig dit jaar.
De sfeer van kerst past niet bij de toestand in de wereld.
Wij willen zingen van ‘Vrede op aarde’ en wat we om ons heen zien is strijd.
Het schuurt om ‘Er is een kindeke geboren op aard ’ te zingen,
als juist kinderen slachtoffers zijn in een gewelddadige oorlog.

En toch is het niets nieuws onder de zon.
We zijn hoogstens dat besef kwijtgeraakt.
Hoe misdadig onze wereld wel niet is.

In de tijd van de bijbel was het al niet anders.

De Assyrische legers waren wel het meest berucht om de wreedheid,
waarmee ze met hun soldatenlaarzen alles vertrapten en vernietigden.
Aan hun mantels kleefde het bloed van kleine kinderen en dat van de zwangere vrouwen die als wraak voor de geboden tegenstand opengereten werden.

Maar het zijn niet alleen je vijanden die zich zo meedogenloos kunnen gedragen.
Ook mensen van je eigen volk, uit je eigen omgeving, vergrijpen zich aan de macht.
Zij die in Psalm 94 getypeerd worden als mensen die zich aan gebod noch God storen,
die er geen been in zien om volksgenoten onrechtvaardig te behandelen,
om medeburgers te vertrappen en te onderdrukken,
om weduwen en vreemdelingen te doden en wezen om te brengen.

Geef iemand een geweer in de hand en het duurt niet lang of hij voelt zich zo machtig, dat hij zijn naaste zal beginnen te onderdrukken. Het vernis van onze beschaving blijkt iedere keer weer flinterdun. En maak je maar geen illusies: in ieder van ons is dat gif ons hart binnengedrongen. Macht corrumpeert.

Kun je je het dan voorstellen, dat er om wraak gezongen wordt,
aan God gevraagd wordt om vergelding voor aangedaan onrecht?

Kerst is God’s reactie op die roep om wraak.
Het geschreeuw en het verdriet van de slachtoffers is tot de hemel doorgedrongen.
De grootspraak van die wettelozen, dat Hij het niet zou zien, heeft Hij ook gehoord.
Het onrecht dat zij in deze wereld aanrichten, ziet Hij ècht wel.
En daarom komt Hij om orde op zaken te stellen.

In Bethlehem, het dorpje waar eens David geboren is, wordt opnieuw een kindje geboren.
Een toekomstige held, die zijn volk zal verlossen uit de heerschappij van het kwaad.
Een kroonprins, die straks vanaf de troon van zijn vader David recht zal spreken.

Dat is de boodschap van Kerst voor de herders in het veld:
prijs God, geef Hem de eer, want vandaag is jullie redder geboren, de Messias.
Jullie bevrijding is aanstaande.
Elk onrecht, elke misstand, zal vernietigd worden.
Vrede ligt in het verschiet.
God zelf is gekomen om orde op zaken stellen.

Daarom zijn we hier ook vanavond naar de Fontein gekomen.
Om God te eren en te prijzen, omdat Hij zèlf orde op zaken is komen stellen.
Omdat Hij het recht op deze aarde zal laten heersen.
Omdat Hij ons mensen in vrede op deze aarde wil laten wonen.

En toch voelt het ongemakkelijk om vanavond Kerst te vieren.
Want we zien het nog niet.

En ook dàt is niets nieuws.
De bijbel is daar heel eerlijk over.

Want als je het kerstverhaal verder leest, kom je een koning Herodes tegen.
Hij geeft opdracht om alle jonge kinderen in Bethlehem te vermoorden.
En Jezus moet als klein kindje als vluchteling in Egypte in ballingschap moet leven.

En Lukas en Mattheus, de schrijvers die dit verhaal van de geboorte van Jezus opgetekend hebben, weten ook van de verwoesting van Jeruzalem, zo’n 40 jaar na de dood van Jezus.
Ze vertellen dat de Romeinen de stad met de grond gelijkmaken
en dat ze alle inwoners, de kinderen inbegrepen, zullen ombrengen.

Het kwaad is in onze wereld diep verankerd.
Dat werk je niet zo maar 1, 2, 3 de wereld uit.

En toch hebben wij hoop.
Omdat God met Kerst is gekomen om het kwaad bij de wortel aan te pakken.

Onze reactie op onrecht en lijden is vaak een schreeuw om wraak,
zelfs al weten we dat het niet zal werken.
Want wraak roept alleen maar meer onrecht op,
en eindigt uiteindelijk in een spiraal van dood en geweld.

God heeft een ander antwoord op onrecht en kwaad: zijn liefde.
God stopt de spiraal van het geweld.
Hij neemt zelf het kwaad op zich, hij draagt het in eigen persoon en hij schenkt vergeving.
Daarom werd Jezus als kindje geboren.
Om straks aan een kruis en in zijn sterven de heerschappij van het kwaad te breken.
Zo wordt Gods liefde en zijn wonderlijke macht zichtbaar.

God pakt het kwaad bij de wortel aan.
Kerst is het begin van dat vredesoffensief van God.

Daarom hebben wij hoop en daarom hoeven we de moed niet te verliezen.
Daarom hoeven wij niet bang te zijn.
Daarom kunnen wij kerst vieren, zelfs in tijden van onrecht en geweld.
Want dit kind van Kerst is de hoop, die God schenkt aan een gehavende wereld.