Gezagsrelatie m/v

Exegese is een vak apart. Henk de Waard wijdde er als onderzoeker Oude Testament (TU Apeldoorn) afgelopen week de Theologenblog aan, nadat hij het rapport over de revisieverzoeken ‘M/V en ambt’ op de synode van de GKv had gelezen. Dat het RD en ND er een verschillende titel aan hebben gegeven is een mooie illustratie hoe een krant zijn lezers voorsorteert om de geboden informatie tot zich te nemen.[1]

In zijn blog wijst De Waard de uitleg van Genesis 2 en 3 van de synodecommissie op twee punten af.

1e. Tegenover de exegese van de commissie dat in Gen. 2 de nadruk ligt op de verbondenheid en gezamenlijkheid van man en vrouw stelt De Waard dat Gen. 2 een asymmetrische relatie tussen man en vrouw laat zien.

2e. De commissie gaat er ten onrechte van uit, dat de onderdanigheid van de vrouw aan de man pas in Gen. 3 als gevolg van de zondeval aan de orde komt in het heersen van de man over de vrouw. In plaats daarvan stelt De Waard dat het juist ‘een diep geïntegreerd aspect van de zondeval’ is, dat de vrouw haar in het paradijs al gestelde ondergeschikte relatie aan de man miskent en omkeert door het voortouw te nemen in het luisteren naar de slang.

Op basis van deze twee argumenten verdedigt De Waard zijn visie dat er in het paradijs al sprake is van een normatieve gezagsrelatie respectievelijk een afhankelijkheid van de vrouw van de man en stelt hij dat de commissie er niet aan ontkomen is om een exegese te presenteren die bij haar eigen visie past.

Ik wil in deze blog nagaan hoe De Waard zijn visie exegetisch en hermeneutisch beargumenteert.


–    1. Afhankelijkheid van de vrouw en gezagsrelatie van de man in Gen. 2

Allereerst stelt De Waard dat ‘de mens’ die God maakt (2:7) de man blijkt te zijn. De vrouw wordt pas later door God gemaakt (2:22). Dat dit zo is blijkt uit het gegeven, dat het verhaal consequent blijft spreken over ‘de mens en zijn vrouw’. Vandaar zijn conclusie: 1e. de man is en blijft dus de ‘primaire’ mens, en 2e dat de vrouw uit de mens (= man) gemaakt wordt, wijst op afhankelijkheid.

Hier worden door De Waard een paar essentiële exegetische knopen doorgehakt, waarvan moet blijken of ze gerechtvaardigd zijn. ‘De mens’ [ha ʾadam] (2:7) die God maakt is namelijk niet de man. De ‘mens’ wordt pas gedefinieerd als ‘man’, wanneer hij tegenover de vrouw wordt gesteld (2:22). Zo wordt de vrouw gevormd uit ‘de mens’ [ha ʾadam]. De kern van Gen. 2 is dat ‘de mens’ [ha ʾadam] als categorie bestaat als mannelijk en vrouwelijk (vgl. Gen, 1:27). De Waard kan daarom zijn 1e conclusie niet hard maken, dat ‘de man de ‘primaire’ mens is en dat de vrouw uit de man gemaakt wordt.’ Dat impliceert dat zijn 2e conclusie, ‘dat de vrouw afhankelijk is van de man omdat zij uit ‘de mens (=man)’ genomen is’ ook in het luchtledige hangt.

Interessant detail in dit verband. Het is ‘de mens’ [ha ʾadam]die in zijn lied in 2:23 uitspreekt dat ‘de vrouw uit de man gebouwd is’, maar dan staat er in het Hebreeuws voor man [ʾish] en niet [´adam].

De ondersteunende stelling van De Waard dat uit het gegeven dat “het verhaal consequent blijft spreken over ‘de mens en zijn vrouw’” volgt dat “‘de mens’ de man blijkt te zijn”, is exegetisch ook niet evident. Genesis 2 en 3 hebben het karakter van oorsprongsverhalen en moeten in het licht van dat specifieke genre worden gelezen. Literair en verhaaltechnisch gezien gebruikt de verteller het hebreeuwse woord ‘adam eerst als soortnaam (de mens) en wanneer de vrouw geschapen is als eigennaam (Adam). Tegelijk is het juist een van de krachtige elementen van het verhaal, dat de verteller met dit dubbele gebruik van het hebreeuwse woord ‘adam speelt en het op zo’n manier retorisch inzet dat het verhaal een universele betekenis krijgt voor ons mensen (m/v).

Volgens De Waard is er vervolgens duidelijk van een gezagsrelatie sprake, ‘wanneer de mens (= man) de vrouw haar naam geeft (2:23), precies zoals hij eerder bij de dieren deed (2:20)’. Gelezen binnen een oud-Oosterse context is naamgeving namelijk een vorm van gezag uitoefenen.

Opnieuw maakt De Waard hier exegetisch betwistbare keuzes. Allereerst omdat ‘de mens’ niet als ‘man’ namen aan de dieren geeft, maar als ‘mens’. De verteller legt zo een link naar Gen. 1 waar aan ‘de mens (m/v)’ het gezag wordt gegeven over de schepping door o.a. te heersen over alle dieren die op aarde rondkruipen. Vervolgens stelt De Waard het namen geven van de dieren (2:20) op één lijn met het bezingen van zijn vrouw, wat duidelijk geen vorm van naamgeving is. ‘De mens’ constateert dat degene die hij nu als vrouw krijgt ‘been van zijn been, zijn eigen vlees’ is, waar hij vervolgens aan toevoegt dat zij vanwege die gemeenschappelijkheid nu ‘vrouw’ [ʾisha] zal heten, omdat zij uit de man [ʾish] gevormd is.

Het mag duidelijk zijn, dat de verteller van het paradijsverhaal dit lied (2:23) in ieder geval niet zoals De Waard beschouwt als het uitoefenen van een gezagsrelatie door ‘de mens (=man)’ over ‘de vrouw’, want hij verbindt aan dit lied meteen de conclusie (2:24) dat ‘een man [ʾish] zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw [ʾisha], met wie hij één van lichaam wordt’. De verbondenheid van man en vrouw staat in Gen. 2 centraal.

Volgens mij houdt de eindconclusie van De Waard, dat er ‘dus reeds in Genesis 2 ook sprake van een zekere rangorde en gezagsrelatie’ is, exegetisch niet stand. Er zijn geen tekstelementen, op basis waarvan je kunt concluderen dat er in het paradijs sprake is van een asymmetrische verhouding tussen man en vrouw.

De synodecommissie heeft in haar rapport in dit opzicht duidelijk meer recht van spreken, wanneer zij constateert dat Genesis 2 net als Genesis 1 alle nadruk legt op de gezamenlijkheid van man en vrouw en dan op basis van haar exegese van Gen. 2 concludeert: ‘Man en vrouw zijn, in hun diversiteit, over en weer op elkaar aangewezen. Tussen beiden bestaat een gelijkwaardige, complementaire relatie, geen gezagsrelatie. Niet rangorde of verschil, maar eenheid is het sleutelwoord.’[2]


–    2. De vrouw zet de ondergeschikte relatie met de man op zijn kop

Methodisch gezien komen wij bij de interpretatie van de zondeval en de exegese van Genesis 3 op een lastig punt. Want de resultaten van de exegese van Genesis 2 zullen doorwerken in die van Genesis 3.

Zijn interpretatie dat de vrouw ‘de ondergeschikte relatie met de man op zijn kop zet’, kan De Waard alleen als een ‘geïntegreerd aspect van de zondeval’ beschouwen, als de norm van een asymmetrische verhouding tussen man en vrouw al in het paradijs bestond. Ga je daar, zoals de synodecommissie, op grond van de exegese van Gen. 2 niet vanuit, dan gaat het in de zondeval mede om het verstoren van de complementaire, op samenwerking gerichte relatie tussen man en vrouw.

Dus wanneer De Waard als beschrijving van de zondeval weergeeft: ‘Wat de slang doet, en waar hij de mens (= man) en de vrouw in meeneemt, is (onder andere) het miskennen en omkeren van de juiste verhoudingen’, dan gaat het exegetisch om de vraag wat ‘de juiste verhoudingen’ zijn.

Dat ‘de juiste verhoudingen’ die van gezag en ondergeschiktheid zijn, blijkt volgens De Waard direct al aan het begin, ‘als de slang zich niet tot de mens (= man) richt, maar tot de vrouw.

De Waard vindt dat opmerkelijk, des te meer ‘omdat de vrouw nog helemaal niet bestond toen God verbood om van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ te eten (2:16-17)’ en omdat ‘de mens (= man) er ondertussen gewoon bij staat’ (3:6). Zijn conclusie: de man is passief en de vrouw neemt het voortouw en geeft de man de vrucht.

Maar exegetisch kun je op basis van deze tekstgegevens geen uitsluitsel bieden of ‘de juiste verhoudingen’ die van ondergeschiktheid is of die van samenwerking zijn. In beide gevallen kan de slang zich tot de vrouw richten om die ‘juiste verhoudingen’ te ondermijnen. In het eerste geval door de veronderstelde gezagsrelatie te ondermijnen, in het tweede geval door de samenwerkingsrelatie te ontregelen.

Exegetisch is vooral van betekenis, dat de slang als het over gezag gaat inhoudelijk niet het veronderstelde gezag van Adam uitdaagt, maar het gezag van God ter discussie stelt. Verder is het vanuit de verhaallogica binnen een samenwerkingsperspectief heel aannemelijk dat Adam en Eva bij elkaar zijn, wanneer de slang hen aanspreekt, (wat De Waard overigens ook betoogt). 

Net als bij de exegese Genesis 2 doet De Waard opnieuw een beroep op ‘de oud-Oosterse bril’, in dit geval op de mannelijk georiënteerde patriarchale cultuur, voor wie het onmiskenbaar zou zijn dat in deze elementen ‘de juiste verhoudingen op hun kop gaan’, te weten de ondergeschiktheid van de vrouw. 

De Waard ziet zijn lezing bevestigd in twee elementen van het verhaal: 1e. dat God die ‘uiteraard wist dat de vrouw het voortouw had genomen, richt Hij zich tot de mens (= man)’, de juiste verhoudingen wél respecteert, en: 2e. dat God ‘de mens (= man) er dan ook van beschuldigd te hebben geluisterd naar zijn vrouw (3:17)’, d.w.z. hij had zich nooit door haar moeten laten meenemen in ongehoorzaamheid.

Dat tweede element geeft exegetisch geen uitsluitsel over het karakter van ‘de juiste verhoudingen’, omdat in beide opties sprake kan zijn van het zich ‘laten meenemen in ongehoorzaamheid’. Het eerste element verklaren met de veronderstelling dat God wel ‘de juiste verhouding’ respecteert en ‘de man’ als gezag voerend over zijn vrouw hem als eerste aanspreekt, leek altijd logisch omdat men traditioneel bij het lezen van Gen. 1-3 al als vooronderstelling van de ondergeschiktheid van de vrouw uitging. Als je dat laatste beargumenteerd niet meer doet, dan is de vanzelfsprekendheid van de verklaring die De Waard biedt verdwenen.

Binnen de verhaallogica vanuit een samenwerkingsperspectief is het ook logisch, dat juist omdat ‘de mens (=man) er bij was’, hij even schuldig is als ‘de vrouw’ en dat het daarom niet vreemd is dat ‘de mens’ [ha ʾadam] door God als eerste wordt aangesproken, niet als ‘man’ maar categoriaal als ‘mens’. Want juist ‘de mens’, toen die man noch vrouw was, had het gebod gekregen om niet van de boom te eten (2:16-17). Daarnaast past het als eerste aangesproken worden uitstekend in de opbouw van het verhaal. Vanaf 3:1 wordt eerst de slang, dan de vrouw en tenslotte de man als personage ingevoerd, terwijl vervolgens in een concentrische constructie eerst de man, dan de vrouw en tenslotte de slang door God worden aangesproken op hun handelen, waarbij het verbindende element is dat zo de schuld van de een naar de ander kan worden doorgeschoven: de man naar de vrouw, de vrouw naar de slang.  

Samenvattend: dat in Genesis 3 de asymmetrische relatie tussen man en vrouw een belangrijke rol speelt, maakt De Waard op basis van de aangevoerde tekstelementen exegetisch niet hard.


–    3. Een tekst gelezen vanuit een patriarchale cultuur

De Waard verwijt de synodecommissie dat zij de ongemakkelijke elementen ‘van een zekere rangorde en gezagsrelatie’ in Genesis 2 en 3 weg-exegetiseert en zo de eigen visie dat er in Gen. 1-3 sprake zou zijn van gelijkwaardigheid, verbondenheid en gezamenlijkheid aan de tekst oplegt.

Ik heb geprobeerd de door De Waard genoemde, op de tekst gebaseerde exegetische argumenten op hun houdbaarheid te wegen en moest concluderen, dat die zijn bewering dat de synodecommissie op die punten de zaak naar haar hand zet, niet kunnen dragen.

Toch ligt uiteindelijk het verschil in visie tussen De Waard en de synodecommissie niet zozeer op exegetisch niveau. Zijn exegese wordt namelijk hermeneutisch gestuurd door zijn beroep op het gegeven, dat deze tekst ontstaan is binnen een patriarchale cultuur waarin de man gezag oefende over zijn vrouw en vanuit dat perspectief ook gelezen zal zijn. Daarmee doet hij een beroep op een receptie-theoretisch perspectief, dat hij normatief acht voor de bepaling van de betekenis van de tekst. Hetzelfde perspectief dat eeuwenlang ook in de gereformeerde traditie normatief is geacht om Genesis 2 en 3 te lezen.

De Waard raakt aan dit hermeneutisch verschil, wanneer hij opmerkt dat het niet vreemd is dat in patriarchale culturen ook ‘oorsprongsverhalen’ een mannelijk perspectief vertonen en vervolgens de vraag stelt welke betekenis dat perspectief voor ons vandaag nog heeft: ‘Behoort de in Genesis 2-3 uitgedrukt asymmetrie in de relatie tussen man en vrouw wezenlijk tot Gods boodschap voor vandaag? Of is het iets wat we als tijd- en cultuurgebonden kunnen beschouwen?’

Toch vind ik het onjuist, want te voorbarig om de vraagstelling bij de exegese van Genesis 2-3 zo te formuleren. Want daarmee maakt hij zijn interpretatie van Genesis 2-3 ten onrechte normatief. De oproep die hij aan de synodecommissie doet, geldt namelijk ook hemzelf: ‘Laten we de zaken rond m/v en ambt bespreken op basis van een exegese die lastige elementen in de Bijbeltekst niet downplayt, maar juist zichtbaar maakt.’ Zijn ‘die lastige elementen in de Bijbeltekst’ inderdaad dat de tekst over een gezagsrelatie en de onderschikking van de vrouw aan de man spreekt, zoals De Waard claimt? Kan het ook zijn dat juist de gelijkwaardigheid en verbondenheid van man en vrouw ‘de lastige elementen’ in Genesis 2 en 3 zijn, – als een kritisch tegenover -, die al eeuwenlang binnen de gereformeerde traditie gedownplayd zijn en nu zichtbaar gemaakt dienen te worden, zoals de synodecommissie van mening is?

De hermeneutische vraagstelling, waar wij als kerken voor staan is daarom de volgende: ‘Mogen wij het patriarchale perspectief op de verhouding van man en vrouw, zoals dat in de bijbel en in de traditie zichtbaar is geworden, beschouwen als Gods ordening voor de mensen? Of is dat een tijd- en cultuurgebonden perspectief, dat ons ten onrechte als bijbels normatief wordt voorgehouden?


[1] Verschenen in het Reformatorisch Dagblad d.d. 14 juli 2020 onder de titel ‘Zoek geen exegese die eigen visie staaft’ en op de website van het Nederlands Dagblad d.d. 17 juli 2020 onder de titel: ‘In het paradijs was er al een gezagsrelatie en afhankelijkheid tussen man en vrouw’.

[2] GS Goes 2020, Rapport synodecommissie revisieverzoeken M/V en ambt ‘Elkaar van harte dienen’, p. 14.

Openbaarheid

In mijn vorige blog ‘Nieuwsanalyse’ [i] ging ik in op de analyse die het Nederlands Dagblad op 29 februari 2020 plaatste over het gedrag en beleid van de GKv-synode inzake de behandeling van de revisieverzoeken rond de vrouw in het ambt.

Het ND reageerde in deze nieuwsanalyse op een interview dat de krant op 28 februari 2020 had met Dick Slump en Pieter Pel als woordvoerders van de 8 kerken die tegenstanders zijn van vrouwelijke ambtsdragers. In haar analyse nam het ND de kritiek van Slump en Pel over, dat de synode ten onrechte in dit dossier ook in beslotenheid vergaderd had. Het ND was van mening dat beslotenheid in het kader van veiligheid van synodeleden acceptabel kan zijn, maar dat dit niet aan de orde is en dat nu openheid noodzakelijk is om gemeenteleden in het proces van de besluitvorming mee te kunnen krijgen.

In de spin-off van de discussie op Twitter over deze Nieuwsanalyse ontspon zich een draadje dat licht werpt op de regels, die voor de synode gelden om keuzes te maken om in openbaarheid danwel beslotenheid te vergaderen.[ii]


De volgende artikelen uit de Huishoudelijk Regeling voor de Generale Synode ingevolge artikel E62.3 KO zijn van toepassing:

-      Artikel 6.  Niet besluitvormende vergaderingen

1. De synode kan bijeenkomen in een overlegvergadering, die niet
op besluitvorming is gericht. Het moderamen kan dergelijke 
vergaderingen onder andere uitschrijven:
a. wanneer dat wenselijk is voor een goede voorbereiding van de 
behandeling van het desbetreffende onderwerp;
b. met het oog op de goede contactoefening met zusterkerken in 
binnen- of buitenland.
2. Het verslag van een overlegvergadering wordt zo gesteld, dat 
het kan dienen ter ondersteuning van de plenaire behandeling van het 
onderwerp

-     Artikel 7. Orde van de vergaderingen

3. De beoordeling van personen zal altijd in besloten zitting 
plaatsvinden. Over andere onderwerpen wordt niet in besloten 
zitting vergaderd, tenzij daar een dringende noodzaak voor aanwezig 
wordt geacht.
6. Het moderamen draagt zorg voor een adequate informatieverschaffing
over de besluiten die in een besloten zitting zijn genomen.

Blijkens het interview met Slump en Pel doen zij een beroep op art. 7, lid 3: ‘De synode is in principe openbaar. Ze mag achter gesloten deuren vergaderen als het over personen gaat, of als er een dringende reden voor is. Er waren twee besloten dagen over vrouwelijke ambtsdragers. Ik zie hier geen reden voor, en de synode heeft dat ook niet toegelicht. Integendeel, toen ik daarop wees zei de synode dat ze die reden niet openbaar hoeft te maken. Dat is een machtswoord. Het gaat over een onderwerp dat alle kerken beroert. Daar passen geen achterkamertjes bij.’ Bovendien past het niet bij de regels van de kerk, zegt hij. ‘Openbaarheid is gezond en goed voor de transparantie. Om diezelfde reden zijn de rechtspraak en Tweede Kamer openbaar.’

Als voorbereiding op de publieke behandeling van de revisieverzoeken m/v op donderdag 23 en vrijdag 24 januari 2020 is er één voorbereidende synodevergadering conform Art. 6, lid 1a geweest die niet openbaar was.

Van deze mogelijkheid is op eerdere synodes die zich over ‘m/v en ambt’ gebogen hebben, zoals die van 2014 en 2017, – zoals Slump die in 2014 deputaat was had kunnen weten – , ook gebruik gemaakt.

In het licht van Art. 6, lid 2 en Art. 7, lid 6 lijkt mij de bewering van het Nederlands Dagblad over de beslotenheid van een dergelijke voorbereidende vergadering: ‘Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan’, ten onrechte insinuerend en niet gepast.


[i] https://fpathuis.wordpress.com/2020/02/29/nieuwsanalyse/

[ii] Met dank aan Hans Bügel en Rob Vreugdenhil (Scriba I van de GS Meppel 2020) die de betreffende regelgeving naar voren brachten.

Nieuwsanalyse

Op vrijdag 28 februari 2020 stond er een interview van Eline Kuijper in het Nederlands Dagblad (ND) met Dick Slump en Pieter Pel, vertegenwoordigers van de 8 kerken in de GKv die inhoudelijke bezwaren hebben aangetekend tegen het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten. Zij wilde weten hoe tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers deze synode van de GKv ervaren.

De volgende dag stond er op basis van dat interview een nieuwsanalyse van haar hand in het ND. In haar analyse raakt zij aan vijf thema’s, die ze als in een kluwen aan elkaar verbindt en er tenslotte een oordeel over uitspreekt:

  • de vertegenwoordiging op de synode
  • de besluitvorming over de m/v-revisieverzoeken
  • de verwachtingen en ervaringen van de tegenstanders van het m/v-besluit
  • de vergaderingen rond de eenwording van GKv en NGK
  • de beslotenheid van vergaderingen

Haar criterium is duidelijk: ‘De synode staat ten dienste van de kerken en daarom moeten alle leden kunnen volgen wat daar gebeurt.’ Op basis daarvan trekt zij vier conclusies:

1. De synode mist interne tegenspraak, omdat er geen tegenstanders van het vrouwenbesluit in de synode vertegenwoordigd zijn. In haar woorden: ‘Dat een of twee stevige tegenstemmen al een wereld van verschil kunnen maken, liet de synode van drie jaar geleden zien. Destijds waakte de synode voor een jubelstemming toen het besluit voor vrouwelijke ambtsdragers werd genomen. Er waren in hun midden namelijk mannen die daar intens verdrietig over waren en dat op een indringende wijze duidelijk maakten. Nu zitten zulke mensen er niet.

2.  De positieve sfeer tijdens de synodevergaderingen bij de groep bezwaarde vrijgemaakten roept vervreemding op: ‘Op conferentiecentrum Mennorode wordt een feestje gevierd: de afgevaardigden zingen hand in hand, drinken ‘s avonds nog gezellig wat aan de bar, geven elkaar een hug als ze naar huis gaan.’

3. De beslotenheid van de synodevergaderingen vergroot de afstand met de tegenstanders van het m/v-besluit. Ze erkent dat beslotenheid kan bijdragen aan veiligheid tussen afgevaardigden onderling, maar die veiligheid is geen doel op zich. Nu er geen ingrijpende onderlinge verschillen zijn in het m/v-dossier, is beslotenheid niet aan de orde: ‘die beslotenheid moet een uitzondering blijven en goed onderbouwd zijn, al is het maar om de synode eraan te herinneren dat zij niet bestaat voor zichzelf.’ Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: ‘wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan.

4.  De synode moet de tegenstanders van het m/v-besluit openheid geven over hun plek in de GKv: ‘Om hen [= tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers] binnenboord te houden, moet de synode laten zien wat ze doet. En bijvoorbeeld duidelijk aangeven hoe ze ruimte ziet voor een minderheid die er serieus anders over denkt. Zeker nu het tegengeluid niet van binnenuit klinkt.

Mijn grote moeite met deze ‘nieuwsanalyse’ betreft niet alleen de timing daarvan, maar ook de gronden daarvoor. Er wordt in de conclusies van alles gesuggereerd en verondersteld.

Ad 1. De suggestie gaat er vanuit, dat men geen oog heeft voor de tegenstanders van het m/v-besluit en dat er in tegenstelling tot drie jaar geleden een jubelstemming heerst over het m/v-besluit. Mijns inziens doet de synode wel degelijk moeite om de bezwaarden recht te doen en heeft ze al een keer met hen gesproken. Of de eisen die de bezwaarden aan een 2e gesprek stellen, terecht zijn kan ik en naar mijn idee ook het ND niet beoordelen, zolang we de visie van de synode in dezen niet weten. De stelling dat de synode interne tegenspraak mist, is ook niet volgens de werkelijkheid. Op de vergaderingen in januari was er wel degelijk ook kritische zin en tegenspraak te horen in opmerkingen als: ‘Veel mensen storen zich daaraan en vinden dat eng. Blijf bij dat soort redenaties weg’, en: ‘Dat is geen feit, maar een stellingname. Die moet je wel onderbouwen.’

Ad 2.  Die positieve sfeer heeft, zoals de bijgevoegde foto ook al aangeeft, m.n. betrekking op de gemeenschappelijke vergaderingen van de GKv-synode en die van de Landelijke Vergadering van de NGK. De suggestie die van het interview en nu van de nieuwsanalyse uitgaat, is dat er een feestje gevierd wordt, omdat nu de vrouw in het ambt mag.

Ad 3. In het interview stellen Slump en Pel, dat de synode een inhoudelijk gesprek ontwijkt. De nieuwsanalyse gaat met die visie mee en veronderstelt ook dat er op dit moment een inhoudelijk gesprek met de bezwaarden gevoerd zou moeten worden. Mijns inziens is er de afgelopen drie jaar inhoudelijk uitgebreid de tijd geweest om het pro en contra van het m/v-besluit te bespreken.

Wat nu aan de orde is, is dat de synode de revisieverzoeken moet beoordelen en daarover een inhoudelijk oordeel moet vellen. Dat betekent dat ze zich goed moeten oriënteren op de visie die in de revisieverzoeken geuit wordt. In dat kader hebben ze ook gesproken met de opstellers van de revisieverzoeken. Vervolgens moet de synode inhoudelijk een oordeel vellen over die verzoeken tot revisie. Daar heeft de synode een begin mee gemaakt op donderdag 23-01 en vrijdag 24-01, waarbij pers en publiek aanwezig waren.

Het uitgangspunt van de bespreking was een concept ‘Raamwerkdocument’, waarin een eerste richting geboden werd om de revisieverzoeken straks inhoudelijk te beoordelen. Omdat het nog een concept was en de synode niet wilde dat dit concept een eigen leven zou gaan leiden, werd het niet ter beschikking gesteld. Mijns inziens een kwestie van koudwatervrees. Ondanks dat waren de argumenten en de uiteindelijke conclusies in alle openbaarheid te vernemen. Ze kunnen nog steeds op diverse media na gelezen worden. Dat de bezwaarden niet gerust zijn op de uitkomst, heeft niet zozeer te maken met de beslotenheid van de synodevergadering, maar omdat de strekking daarvan – in tegenstelling tot hun visie – is dat de Bijbel geen belemmeringen opwerpt voor de vrouw in het ambt.

Ad 4. Dit is geen conclusie, maar een waardevolle aanbeveling op dit moment. Zolang er nog geen inhoudelijke besluiten over de revisieverzoeken genomen zijn, kan de synode zich ook nog niet uitspreken over de positie van de tegenstanders van het m/v-besluit. De synode zal in de motivering van haar besluit transparant en helder over de uitgangspunten moeten zijn en ook duidelijk moeten maken welke ruimte er is voor degenen is, die zich in dat revisiebesluit niet zullen kunnen vinden. Dat is niet iets nieuws.

Waar het ND mijns inziens in deze analyse nog wel een passage aan had mogen wijden, is de vraag hoe je omgaat met verandering van visie over een bepaald onderwerp in de kerk, verwoord in de mening van ds. Bart van Egmond: ‘Wat vroeger schriftuurlijk was, is nu een mening.’ Daaarmee zou de kern van de zaak getroffen zijn: ‘Hoe ga je in de kerk om met diversiteit en verschil van inzicht?’

Samenvattend: Ik betreur het dat deze nieuwsanalyse ernstig te kort schiet in objectiviteit, relevantie en inhoud. Een gemiste kans voor het ND om haar motto waar te maken. Laat de krant doen waar ze voor bedoeld is: volgen wat er echt op de synode gebeurt en niet op basis van veronderstellingen en suggesties zich laten verleiden tot onbehoorlijke stemmingmakerij over een GKv-synode, die nog tot besluitvorming moet komen.

Verbijsterend

Afgelopen week heb ik een kleine 2 dagen aan het scherm gekluisterd gezeten. Via de livestream kon ik de vergadering van de CGK synode volgen, die gisteren eindigde in een bevreemdende apotheose.[1]

Het onderwerp was kerkelijke eenheid. De aanleiding is de spanning die besluiten van CGK-kerken en samenwerkingsgemeenten CGK-NGK en/of CGK-GKv oproepen, wanneer die niet in lijn zijn met de bestaande afspraken en richtlijnen. Inhoudelijk gaat het over het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers en het toelaten van homoseksuele broers en zussen aan het avondmaal.

Het onderwerp was voorbereid door een synodecommissie. Omdat men niet tot een gezamenlijke conclusie kon komen was er een meerderheids- en een minderheidsrapport. Elk rapport sloot af met voorgestelde besluitteksten. Het meerderheidsrapport wil een signaal afgeven om afwijkingen een halt toe te roepen, zodat die zich niet als een olievlek zou gaan uitbreiden. De classis moet de band met de kerken die zich niet aan de afspraken houden opschorten en bij volharding daarvan de band met hen definitief verbreken. De minderheid voorziet als in die lijn besloten zou worden, dat er sprake zal zijn van een scheuring. Daarom pleit zij voor een taakgroep die uiterlijk voor de volgende synode van 2022 de huidige situatie goed in kaart moet brengen en zo snel mogelijk met een rapport moet komen.

Ik heb zowel woensdag als vrijdag vele afgevaardigden het woord zien voeren. Tijdens de eerste ronde woensdag werden de vragen en opmerkingen bij de rapporten geïnventariseerd. De opstellers van de rapporten kregen daarna de tijd om een zorgvuldige beantwoording voor te bereiden. Na de beantwoording vrijdag mochten de afgevaardigden in een tweede ronde reageren en eventuele schriftelijke voorstellen indienen. Die zullen tijdens een volgende vergaderweek besproken worden en in stemming komen.

De tegenstellingen waren groot. Is het ‘uw ja zij ja en uw nee zij nee’ (Jak. 5) òf mag en kun je afwijkingen tolereren en dragen? Een beroep op Jakobus 5:12 vond een deel van de synode geen voldoende grond om bij het afwijken van bestaande afspraken de zware artikelen art. 79 en 80 van de Kerkorde [= dominees, ouderlingen of diakenen die een openbare grove zonde bedrijven kunnen geschorst en uit hun ambt gezet worden] toe te passen. Eerst moet de vraag beantwoord worden of het Schriftgezag in het geding is – dan is optreden noodzakelijk – òf dat er sprake is van een verschillend Schriftverstaan, waarin je elkaar moet kunnen verdragen. Wat is het soortelijk gewicht van de thema’s, waarin afgeweken wordt? Behoren die tot de fundamenten van het christelijk geloof, of niet?

In de bespreking werd regelmatig teruggegrepen op de geschiedenis van de CGK-kerken. Wie zijn wij als CGK, waar staan wij voor en wat zijn onze manieren? Positief werd gewezen op het beginsel van de Afscheiding uit 1834, waar de inzet was de zuivere verkondiging. Door deze verkondiging heeft de Heer het kerkverband van de CGK in haar geschiedenis bewaard voor breuken. Negatief werd de afgevaardigden het Doleantie-denken van Abraham Kuyper en de Vereniging van 1892 voorgehouden: uiting van ‘ware kerk’-denken dat zichzelf verteert, gezien de breuken van 1926, 1944, 1967 en 2003. In plaats van kerkpolitiek bedrijven werd er opgeroepen tot verootmoediging voor de Heer: ‘De kerk is aan ons gegeven en wij zijn aan elkaar gegeven. Een zuivere kerk verwachten wij, maar die maken wij niet.’

De synode nam ruim de tijd om ieder aan het woord te laten. De geplande afronding om 15.00 u werd niet gehaald, maar tegen kwart voor vier had ieder zijn bijdrage kunnen inbrengen. Daarna kregen de hoogleraren als preadviseurs gelegenheid hun zienswijze en adviezen naar voren te brengen. Eerst de hoogleraren Kater, Huygen en Baars, tenslotte prof. Selderhuis.  

De visie van de hoogleraren Kater en Baars is helder. Kerken die afwijken van wat is afgesproken ‘misdragen zich op ongehoorde manier’ en ‘zondigen’ zodanig, dat ze broederlijk vermaand moeten worden. Als dat niet gebeurt, dan houden de CGK kerken op kerk te zijn. Huygen is van mening, dat het Schriftgezag niet in het geding is en dat het de CGK niet past om kerken buiten het verband te zetten.

Als laatste hoogleraar wordt Selderhuis door de voorzitter geïntroduceerd met de woorden: ‘Prof. Selderhuis had nog een advies van iets andere aard’. Zijn advies blijkt een voorstel om nu als afronding van de bespreking als synode een unaniem besluit te nemen en zo een appèl op de kerken te doen geen afwijkende besluiten te nemen of uit te voeren over die zaken, die op de synodetafel liggen. Hij heeft bij de synode de algemene verontwaardiging gemist dat kerken besluiten naast zich neer leggen en dat afwijkingen gedoogd worden. De CGK kerken staan in brand. Daarom moet er van de synode een appèl uitgaan niet nog meer olie op het vuur te gooien.

Het bijzondere van dit voorstel is dat het gepresenteerd wordt als een voorstel van orde – een tijdelijk moratorium om de synode rustig te laten nadenken -,  terwijl er inhoudelijk de aanname aan ten grondslag ligt waar uitgebreid de afgelopen dagen het voor en het tegen over naar voren is gebracht: afwijkingen van bestaande afspraken zijn niet te tolereren. Aannemen van dit voorstel van orde betekent daarom dat in die discussie een knoop wordt doorgehakt en inhoudelijk de toon gezet wordt voor het vervolg van de synode.

Vergader-technisch is het vervolgens vreemd, dat dit advies meteen door de voorzitter als voorstel in de vergadering wordt gebracht, waarbij hij suggereert dat er gezien de tijd niet inhoudelijk over doorgesproken kan worden, maar dat hij het in stemming brengt om te bezien of het unaniem aanvaard kan worden, omdat ‘alleen dan zo’n appèl zal werken.’ Op de vraag of dit appel niet alleen voor de kerken maar ook voor de classes moet gelden, antwoordt de voorzitter dat het alleen de kerken geldt, omdat hij van mening is dat ‘het erg ver gaat om als synode te treden in de overwegingen en de procesgang van een classis.’  

Als toeschouwer van de livestream vond ik dit een spannend moment. Wordt er op deze manier geen morele druk op de synodeleden uitgeoefend om een eventuele unanimiteit niet te doorbreken, ook al heb je niet de gelegenheid om het voorstel goed op je in te laten werken en de consequenties daarvan te overzien?  Het voorstel is toch juist gepresenteerd als signaal aan de kerken, dat wij als synode niet willen dat kerken uiteen gaan? Wie kan daar nu tegen zijn?

Bij stemming blijkt het voorstel unaniem aangenomen. Als toeschouwer blijf ik verbijsterd achter met de vraag, die prof. Selderhuis op retorische wijze al opwierp: ‘Is de Doleantiegeest te ver bij de CGK binnengedrongen?’


[1] De livestream is te bekijken via: https://bit.ly/2Sc3gtj.

Over ´gelijkheidsideologie´

De kerk positioneren als een bolwerk en veilige haven tegen de gelijkheidsideologie die in de wereld rondwaart. Dat is waar het Appèl van de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ de GS Goes 2020 toe oproept.[1]

In deze blog wil ik eerst de achtergrond van de term ‘gelijkheidsideologie’ schetsen, (§1). Vervolgens laat ik zien, dat in het Appèl een argumentatiestrategie ingezet wordt, die vaker toegepast is. Ontwikkelingen in de samenleving als ‘onbijbels’ duiden en dat vervolgens als principieel argument in het debat in te brengen, (§2). Daarna geef ik een voorbeeld uit de gereformeerde traditie waarin maatschappelijke ontwikkelingen als democratie en vrouwenkiesrecht, die eerst negatief en als niet-bijbels geduid en afgewezen werden, in latere instantie acceptabel werden en vandaag de dag als een positieve verworvenheid gezien worden, (§3). Tenslotte eindig ik met de conclusie over de kwestie van ´vrouw en ambt´, dat het daarin vooral gaat om de vraag naar de relatie tussen kerk en wereld en hoe wij bijbelse instellingen en normen in het tijdperk van de moderniteit zullen vormgeven, (§4).

  • §1.  ‘Gelijkheidsideologie’ versus ‘gelijkheidsbeginsel’

Het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ is in orthodox-gereformeerde kring met name in zwang geraakt in de jaren ‘80 van de 20e eeuw rond de invoering van de Algemene Wet Gelijke Behandeling, die als doel had het gelijkheidsbeginsel zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken,[2] Sindsdien bekritiseren woordvoerders uit orthodox-gereformeerde kring de door hen ongewenste visies op emancipatie, de economische zelfstandigheid van vrouwen, het homohuwelijk, adoptie voor lesbische en homostellen, de basisvorming in het onderwijs, de SGP en het vrouwenkiesrecht, bezwaarde trouwambtenaren, de ‘Nashville’-verklaring, etc, als voorbeelden van ‘gelijkheidsideologie’, vaak ook nog voorafgegaan met het adjectief ‘doorgeslagen’, ‘verabsoluteerde’, ‘seculiere’ of ‘anti-christelijke’. Het is een sjibbolet dat functioneert op de manier van een gekuist scheldwoord.

Met name in de reformatorische gezindte wordt er ook gewaarschuwd dat deze ´gelijkheidsideologie´ steeds verder wordt uitgerold over Nederland, waarbij men er op wijst dat er steeds minder begrip is voor christenen die op grond van hun uitleg van de bijbel anders denken over de positie van de vrouw en kwesties rond gender.

Met het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ stelt de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ dat het toelaten van de vrouw in het ambt voortkomt uit bijbels niet te verantwoorden motieven en de invloed is van ‘werelds’ denken. Deze stelling wordt ondersteund met de oproep om ‘culturele ontwikkelingen’ niet als leidraad bij de bezinning te nemen en deze te bekleden met bijbelse argumenten.  

  • §2.  ‘Individualisme’ en ‘emancipatiezucht’

Waar vandaag de term ‘gelijkheidsideologie’ wordt ingezet om een pleidooi voor de vrouw in het ambt van een negatief stempel te voorzien, waren in het verleden de begrippen ‘individualisme’ en ‘emancipatie’ de geijkte termen om de vrouw in de haar ondergeschikte positie aan de man te houden.

 In 1993 voelde de synode zich gedrongen, in een poging om dergelijke oordelen voor te zijn, haar besluit om vrouwen het stemrecht te geven o.a. te verdedigen met de uitspraak dat ‘het toekennen van stemrecht aan de zusters geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk is, en daarom niet beoordeeld moet worden als een knieval voor verkeerde emancipatiezucht.’

Ruim 60 jaar daarvoor, in 1927, wijst de meerderheid van deputaten het vrouwenkiesrecht juist af met een beroep op Paulus die ook de emancipatiezucht van de christelijke vrouwen uit zijn tijd afgekeurd zou hebben. Men acht de invoering van het vrouwenkiesrecht niet raadzaam, omdat ‘dit vrouwenstemrecht onder de tegenwoordige tijdsomstandigheden niet zonder gevaar zou wezen met het oog op de onchristelijke emancipatiebeweging, die zich tegen de ordinantie Gods keert.’[3]

Toch klonk toen op de synode ook de tegenstem van ds. C. Lindeboom die deze redenering ter discussie stelde:

‘Gaat het dus in ’t algemeen niet aan, aan de tijdsomstandigheden motief te ontlenen om aan de vrouw dit recht te onthouden, in het bijzonder moet worden afgewezen het verband, dat gelegd wordt tusschen „de onchristelijke emancipatie-beweging, die zich tegen de ordinantlën Gods keert” èn het pleiten voor de medewerking der vrouwelijke kerkleden aan de verkiezing van ambtsdragers.’[4]

Interessant voor de m/v-discussie vandaag is het argument dat hij aanvoert. Hij is van mening dat het motief voor het vrouwenkiesrecht ten onrechte verbonden wordt met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit recht van de vrouw juist voortkomt uit het deel hebben aan de zalving van Christus:

‘Niet alleen heeft de z.g, emancipatie-zucht slechts in schijn enige gelijkenis met de eis om de vrouwelijke kerkleden niet langer van die medewerking uit te sluiten, wijl die eis uit een gans ander beginsel opkomt en een gans ander doel heeft, maar ook wordt die eis juist gesteld op grond van de ordinantie Gods, gelijk die uitkomt in de roeping der vrouw tot het ambt aller gelovigen.‘[5]

  • §3.   Algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht

In november 1917 wordt het algemeen kiesrecht wettelijk in de Grondwet vastgelegd. Twee jaar later wordt bij wet aan vrouwen naast het passief kiesrecht ook het actief kiesrecht toegekend. In de bespreking van het wetsvoorstel in de 1e Kamer heeft de theoloog Herman Bavinck een opmerkelijke rede gehouden, die binnen en buiten de Kamer grote indruk maakte.[6]

Bavinck begint met te schetsen hoe het algemeen kiesrecht wortelt in het individualisme van de 18e eeuw. Daarom is zijn oordeel: ‘dat algemeen stemrecht, dat op die manier wortelt in het individualisme en als men het verder zoekt in het deïsme van de 18de eeuw, lijdt aan tal van gebreken, en er is bijna niets goeds van te zeggen, want het abstraheert van alles, wat er aan onderscheid in de maatschappij tot stand is gekomen.’

In dit oordeel horen we de visie van Groen van Prinsterer doorklinken, die ‘tegenover de revolutie het evangelie’ plaatste en de Grondwetsherziening van 1848 afwees, omdat daarin ‘de leer van de volkssouvereiniteit’ in praktijk werd gebracht. De constitutionele monarchie van 1813 was ingeruild tegen een ‘zeer slechte soort van democratische republiek’ en dat gepaard met een voortgaande sloping van het zelfstandig koningschap. De soevereiniteit is niet uit de mensen, maar uit God.

Toch kan Bavinck uiteindelijk wel instemmen met het algemeen kiesrecht. Zijn motivatie daarvoor is, dat het ‘een phase [is], die wij door moeten om tot betere toestanden te geraken.’ Of zoals hij zegt: ‘Ik ben er niet warm voor, maar heb wel vrijmoedigheid, om aan de herziening van art. 80 mijne stem te geven.’

Vervolgens gaat hij in op het vrouwenkiesrecht. In zijn beoordeling daarvan maakt hij een soortgelijke beweging als bij het algemene kiesrecht: ‘dat wanneer het vrouwenstemrecht nu nog werd begeerd als bij het opkomen van de vrouwenbeweging, ik geen ogenblik zou aarzelen om daartegen mijn stem te verheffen en het artikel in dit opzicht beslist te bestrijden.’ Omdat ‘de vrouwen, stemrecht op dezen grond begerende, uitgingen van een door en door niet alleen onschriftuurlijke, maar ook onwetenschappelijke theorie.’

Bavinck signaleert echter dat het feminisme van zijn tijd van visie veranderd is. Nu wordt niet meer voor algemeen stemrecht geijverd op grond van de leuze van de gelijkstelling van man en vrouw, maar juist omgekeerd op grond van de ongelijkheid en het verschil tussen mannen en vrouwen. Bavinck feliciteert de vrouwenbeweging met dit inzicht en verklaart daarom, dat ‘wanneer dit principe wordt aanvaard, er inderdaad voor vrouwenstemrecht het een en ander in het midden [valt] te brengen, dat ten gunste daarvan spreekt.’

Hoewel hij beseft dat niet al zijn christelijke partijgenoten met het vrouwenkiesrecht instemmen, is hij van mening ‘dat de Heilige Schrift zich er niet tegen verzet.’ Vervolgens noemt hij drie argumenten die voor hem van beslissende betekenis zijn om voor het vrouwenkiesrecht te pleiten: ‘In de eerste plaats de verandering in de positie der vrouw. In de tweede plaats de verandering in de ontwikkeling van de maatschappij, en in de derde plaats de verandering in de werkzaamheden van den Staat.’ Zo komt hij ‘met de Schrift in de hand’ tot de conclusie, dat de vrouw niet meer van het kiesrecht uitgesloten kan worden ‘enkel en alleen omdat zij vrouw is.’

Ik kan mij zo maar voorstellen dat de schrijvers van het Appèl van mening zijn, dat Herman Bavinck in zijn bezinning bezweken is voor de verleiding ‘om de culturele ontwikkelingen als leidraad te nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’. Toch ken ik geen vrijgemaakt-gereformeerde, ook niet uit de Bezinningsgroep ‘M/V en ambt’, die de democratie en het vrouwenkiesrecht als onbijbels afwijst. Vandaag de dag worden beide in de gereformeerde traditie als een positieve maatschappelijke verworvenheid gezien.[7]

  • §4. Als christen leven in de moderniteit

Ik vind dat de opstellers van het Appèl zich goedkoop afmaken van de vragen waar wij als christenen in een moderne samenleving voor zijn komen te staan. Op een willekeurige wijze verklaren ze de bijbelse normen, waarden en instellingen met betrekking tot de positie van de vrouw van toepassing voor de kerk, maar niet voor de samenleving.

Mijns inziens is een groot gevaar van deze positie dat het bijdraagt aan die vorm van secularisatie, die de ‘verkerkelijking’ van het geloof wordt genoemd, dit wil zeggen aan een scheiding tussen geloven op maandag en de zondag.

De vrouw mag in de samenleving volop meedraaien en gezag over mannen uitoefenen, maar op het terrein van de kerk wordt ze weer op haar bijbels geachte, aan de man onderdanige positie gezet. Waar de opstellers zich op kerkelijk terrein met een beroep op de bijbel verzetten tegen wat zij de invloed van de ‘gelijkheidsideologie’ noemen, accepteren ze con amore de invloed daarvan in de samenleving.

Historisch gezien leven we niet meer in een standenmaatschappij, waar het vanzelf sprak dat de vrouw aan de man onderdanig was. Wij hebben in het Westen een transformatie meegemaakt van de premoderne samenleving naar de moderniteit, wat betekent dat wij nu in een ‘een seculiere tijd’ leven en in deze context ons leven als christen moeten vormgeven.[8]

Interessant is te zien hoe christenen in de 19e eeuw geprobeerd hebben politiek recht te doen aan wat zij als de bijbelse positie van vrouw zagen, die ze ook voor de samenleving van toepassing achtten. Toen het over de invoering van het algemeen kiesrecht ging pleitte de voorman van de antirevolutionaire partij, Abraham Kuyper, voor het zogenaamde ‘huismanskiesrecht’, waarbij het kiesrecht alleen werd toegekend aan de gezinshoofden. Daarbij had hij er geen bezwaar tegen, dat onder het gezinshoofdenkiesrecht ook weduwen zouden vallen, omdat dit geen vorm van vrouwenkiesrecht was: de weduwe kreeg geen kiesrecht als vrouw, maar als hoofd van het gezin terwijl de zoon vervolgens het kiesrecht uitoefende. Toen Bavinck in de 1e Kamer pleitte voor het vrouwenkiesrecht, kwam dat hem dan ook op een weerwoord van Kuyper in De Standaard te staan.

In de 21e eeuw is het bijbels niet meer verantwoord om de vrouw van het kerkelijke ambt uit te sluiten, omdat zij vrouw is. Wij moeten niet op een biblicistische wijze proberen bijbelse instellingen en samenlevingsvormen in onze tijd in te passen, en zeker niet op willekeurige basis. Hermeneutisch en exegetisch gezien is het namelijk onjuist om de patriarchale samenleving voor ons vandaag normatief te verklaren. Op basis van de opdracht die God aan man en vrouw gegeven heeft om hem in deze wereld te vertegenwoordigen, kan ook de vrouw namens God met gezag in het bijzondere ambt dienen.[9]


[1] Zie mijn eerdere blog hierover: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/.

[2] De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) had als doel het gelijkheidsbeginsel, zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken. In dat artikel staat dat, ‘allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk [worden] behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’. Wanneer er sprake is van een gerechtvaardigd verschil is gelijke behandeling niet aan de orde. De AWBG is op 2 maart 1994 van kracht geworden. De AWBG geldt in het maatschappelijk verkeer, waarbij voor instellingen op godsdienstige, levensbeschouwelijke en politieke grondslag uitzonderingen vastgelegd zijn.

[3] RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 8

[4] ‘MEMORIE inzake het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de kerk, van Ds C. Lindeboom, aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, saam te komen te Groningen, in den jare 1927’, opgenomen in: RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 17.

[5] Idem, p. 17.

[6] Voor een korte weergave, zie: dr. R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 240-41. De rede is in extenso te vinden in de Handelingen van de 34e vergadering gehouden op 15 mei 1917.

[7] In dit verband is interessant de these van J.W. Sap in zijn aan de VU verdedigde dissertatie ‘Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat’ uit 1993, dat ‘de impliciete verbinding van volkssoevereiniteit met ongeloof, die anderhalve eeuw heeft gediend als paradigma van de antirevolutionaire staatkunde in Nederland, is gebaseerd op een historische vergissing.’

[8] Zie voor een schets van deze transformatie: Charles Taylor, Een seculiere tijd, Lemniscaat, 2009.

[9] Voor een nadere onderbouwing van het in deze paragraaf gestelde, zie mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/zwijgteksten-en-scheppingsorde/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

Appèl

De kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ heeft op 14 december 2019 als appèl een ‘Open Brief‘ geschreven aan de Generale Synode van de GKv die afgelopen november in Goes gestart is.[i] Deze synode zal zich buigen over de verzoeken om het besluit van de GS Meppel 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, te herzien.

De ‘Open Brief‘ roept de GS Goes 2020 op om in haar bezinning op deze revisieverzoeken:

  1. bij de beoordeling daarvan de eenheid met de christelijke kerk weer uitdrukkelijk te zoeken;
  2. het Woord bij de overwegingen en beraadslagingen de beslissende stem te laten hebben;
  3. dat vervolgens ook te laten zien in (de onderbouwing van) de besluiten.

Voor een vergadering van gereformeerde kerken lijken mij dit vanzelfsprekende uitgangspunten en ik neem aan dat het ook de intentie van de synodeleden is om hun werk in overeenstemming met deze criteria te doen. Net zoals ook de leden van de vorige synode ongetwijfeld deze intentie hadden.

De reden voor de bezinningsgroep om de komende synode toch hiertoe aan te sporen, is dat men vindt dat de vorige synode het op deze punten in de praktijk heeft laten afweten. Het appèl is vooral een poging te beargumenteren, dat het besluit om de vrouw in het ambt toe te laten niet vanuit ‘het Woord’ onderbouwd is en daarmee strijdt met ‘het Woord’ en ook nog eens ‘de eenheid van de christelijke kerk’ verbreekt.  

Het lastige van deze ‘Open Brief ‘vind ik, dat men zich zo inhoudelijk verbonden heeft met de positie dat de vrouw het ambt niet mag bekleden, dat een andere uitkomst dan het honoreren van de revisieverzoeken niet acceptabel is. In hun optiek kan namelijk geen enkele onderbouwing vanuit ‘het Woord’ leiden tot de openstelling van het ambt voor de vrouw. Vrouwen en mannen gelijkwaardig laten dienen in het ambt betekent voor hen het accepteren van ‘de gelijkheidsideologie’ en ‘de culturele ontwikkelingen als leidraad nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’.

Behalve dat deze ‘Open Brief‘ geen ruimte biedt voor een andere uitkomst dan het afwijzen van de vrouw in het ambt, heb ik grote moeite met enerzijds de tendentieuze wijze waarop het besluit van de GS Meppel 2017 wordt weergegeven en weggezet, anderzijds de manier waarop de impact van dit besluit op de vrijgemaakte kerken boven proportionaliteit wordt opgeblazen.

Om met dat laatste te beginnen. De besluiten zouden ‘tot grote verdeeldheid in de kerken geleid hebben’ en hebben ‘bij veel leden van de GKv een sterk gevoel van vervreemding doen ontstaan’. Dat kan de beleving van de bezinningsgroep zijn, maar feitelijk gezien heeft nog geen 10% van de kerken een revisieverzoek bij de synode ingediend, terwijl 66% van de kerken de ambten voor vrouwen heeft opengesteld. De overige kerken hebben veelal besloten om de definitieve besluitvorming op de komende synode af te wachten.

Tendentieus is de bewering, dat de grond voor het besluit van de GS Meppel de visie is ‘op de verhouding van Oude en Nieuwe Testament, die inhoudt dat in toenemende mate de bevrijding van de vrouw uit de beklemming van mannelijke overheersing zichtbaar wordt, met uiteindelijk de totale verlossing door Jezus zelf’. In het synodebesluit komen de termen ‘bevrijding van de vrouw’ en ‘de beklemming van de mannelijke overheersing’ niet voor.

Even misleidend is de stelling dat er geen grondige confrontatie heeft plaatsgevonden met de onderbouwing van de traditionele opvatting dat alleen de man in het ambt mag dienen. Dat de leden van de bezinningsgroep en dat de zusterkerken in het buitenland daardoor niet overtuigd zijn, dat is mogelijk. Maar tot twee maal toe confronteert het besluit van de GS Meppel zich met de zwijgteksten als grond voor de traditionele opvatting en verklaart het dat deze ‘in zichzelf geen onbetwistbare grond kunnen zijn om in onze tijd en omstandigheden vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en het regeerambt’ en dat het voorschrift om te zwijgen ‘in ieder geval niet opgevat kan worden als een absoluut verbod tot (s)preken in de eredienst’.

De veronderstelling dat ‘de onderbouwde bezwaren en studies van onze zusterkerken in binnen- en buitenland in de afwegingen niet zichtbaar meegewogen zijn’ lijkt me ook vooringenomen en zeer onwaarschijnlijk, waar in het materiaal dat in de besluitvorming van de GS Meppel meegenomen is o.a. een brief omvat ‘van de Canadian Reformed Church (24-01-2017) waarin wordt ingegaan op het hoofdstuk 2 van het rapport Samen dienen’ en een ‘schriftelijke reactie van de VGKSA op vragen van de synodecommissie M/V en ambt (22-05-2017)’.

Tenslotte, ik stem van harte in met het uitgangspunt van de brief dat wij geroepen zijn tot ‘de gehoorzaamheid aan het Woord van Christus’. Dat deze gehoorzaamheid gekoppeld moet worden aan het uitsluiten van de vrouw in het ambt, wordt door de bezinningsgroep – ondanks alle aangewende retoriek in de verwijzing naar bijbelteksten – vooral verondersteld, maar hermeneutisch noch exegetisch beargumenteerd of aangetoond. Voor een laatste appèl lijkt me dat een gemiste kans.


[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/appel-op-de-generale-synode-van-de-gkv-goes-2020






De GKv en de ‘Schriftkritiek’

We zijn ruim anderhalf jaar verder. In juni 2017 nam de GS Meppel 2017 het besluit om in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) het ambt voor de vrouw open te stellen. Sommige gemeenten hebben op grond van dit besluit vrouwen tot ouderling en diaken bevestigd, terwijl één classis recent een vrouw als predikant beroepbaar heeft gesteld. Andere gemeenten wachten liever de behandeling van de revisieverzoeken op de GS Goes 2020 af. In het buitenland schorten kerken de banden met de Gkv op. Intussen gaat het debat over het besluit verder.

Het mag duidelijk zijn dat het m/v-besluit de uitdrukking is van een veranderende omgang met de bijbel als Gods woord. Wat eerst op grond van de bijbel werd afgewezen, wordt nu bijbels verantwoord geacht. Terecht is dan de vraag, hoe deze verandering te duiden is. Tegelijk vind ik dat aan deze andere uitleg en toepassing van de bijbel door de tegenstanders van het besluit wel heel erg gemakkelijk het etiket ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ verbonden wordt.

Wie de recente geschiedenis van de GKv kent, weet dat het niet de eerste keer is dat het in de kerken botst over de manier waarop de bijbel gebruikt wordt.

In 2003 zijn de DGK – de Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) – ontstaan als afscheiding vanuit de GKv. Men kon zich niet vinden in de manier waarop in synodebesluiten de bijbel werd gebruikt in onderwerpen als de verhouding van man en vrouw, huwelijk en echtscheiding, actief stemrecht voor vrouwen in de kerk, liturgie, en sabbat en zondag.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de DGK zich door het besluit van de GS Meppel 2017 bevestigd ziet in hun oordeel over de GKv. Hadden de GKv zich in de loop van de jaren ’80 en ’90 al aan dwaalleer en deformatie overgegeven, nu is het in hun optiek wel heel duidelijk dat de GKv het gereformeerde spoor totaal zijn kwijtgeraakt. Volgens hen hebben de GKv de invloed van de Schriftkritiek en de ‘nieuwe hermeneutiek’ niet weerstaan en zo in de besluitvorming over ‘vrouw en ambt’ toegegeven aan de moderne tijd en wetenschap, aan feminisme, individualisme en het opkomen voor de leer van de gelijke rechten van ieder mens.[i]

Binnen de context van de GKv is het ‘logisch’ dat van de kant van de DGK het verwijt van Schriftkritiek klinkt. ‘Gehoorzaamheid aan de Schrift’ en ‘het toelaten van Schriftkritiek’ zijn voor de GKv decennialang de maatstaf geweest om andere kerken en visies aan af te meten en het gelijk van de eigen positie te verdedigen.

Typerend voorbeeld is de manier waarop de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) in de jaren ’70 en ’80 beoordeeld worden. In de brief van de GS Arnhem 1981 aan de CGK wordt het verwijt geuit dat de CGK de ‘Schriftkritische’ visies van de toenmalige hoogleraren dr. B.J. Oosterhoff en dr. J.P. Versteeg niet weerspreken. Ook worden ze gekapitteld dat zij in het kader van de internationale ‘Gereformeerde Oecumenische Synode’ (GOS) banden met de ‘Schriftkritische’ synodaal-gereformeerde kerken (GKN) onderhouden. Tenslotte wordt er bezwaar gemaakt, dat de CGK contacten onderhouden met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK), waar ‘opening aan de Schriftkritiek wordt gegeven.’[ii]

Dit voorbeeld laat tegelijk zien, dat het werken met de term ‘Schriftkritiek’ nog niet zo gemakkelijk is. Wat is ‘Schriftkritiek’ en hoe herken je dat? De CGK en de GKv verschilden duidelijk van mening, of deze karakterisering voor de CGK terecht was.

In de ’90-er jaren is de GKv genuanceerder gaan denken over wat ‘Schriftkritiek’ is of niet. Het zijn met name de Kamper docenten dr. Kees (C.) Trimp en dr. Ad de Bruijne die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld, wat o.a. in 2002 resulteerde in de publicatie van de bundel ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel[iii]. Ook in het onderzoek van de bijbelwetenschappers van de TU Kampen en TU Apeldoorn maakt men een onderscheid tussen een ‘Schriftkritische lezing die zich boven de Bijbel verheft en een kritische bestudering van de historische processen waarin en de menselijke wijze waarop de Heilige Schrift tot stand kwam[iv].

Een zelfde nuance in het denken over wat ‘Schriftkritiek’ is, werd ook duidelijk in de gesprekken die sinds 2008 tussen de GKv en de NGK gevoerd werden. Daarbij bleek in 2014, dat ook al had de NGK het ambt voor de vrouw opengesteld, dit geen belemmering was om te concluderen, dat zij ‘als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’ Op grond daarvan kon de GS Ede 2014 uitspreken, dat ‘de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen.[v]

Net als destijds in 2003 blijkt nu opnieuw een synodebesluit te werken als een katalysator om het etiket ‘Schriftkritiek’ weer te gaan gebruiken en concrete verschillen in de uitleg en toepassing van de bijbel theologisch en dogmatisch te benoemen in termen van gereformeerd of vrijzinnig.

De hamvraag is natuurlijk, welke criteria men hanteert om de term ‘Schriftkritiek’ van toepassing te achten. Louter het feit dat de synode tot een andere conclusie is gekomen dan lang als bijbels werd gezien, is onvoldoende grond daarvoor. Als men dat wel vindt, zal men zich moeten confronteren met de hermeneutische overeenstemming tussen de GKv en de NGK, die grond was voor de visie van de GS Ede 2014, dat de openstelling van de ambten voor vrouwen op zichzelf niet gezien kan worden als een aantasting van het gezag van de bijbel.

Daarnaast zal men zich ook moeten confronteren met de veranderende omgang met de bijbel als Gods woord, zoals die in de eerdere besluitvorming op de GKv-synoden van de afgelopen 30 jaar tot uitdrukking is gekomen. Dan denk ik met name aan de veranderde visie op de verhouding van man en vrouw die in de nieuwe huwelijksformulieren van de jaren ’90 tot uitdrukking is gekomen en in de veranderende opvatting in het denken over ‘huwelijk en echtscheiding’.

Tenslotte zal men zich moeten confronteren met de veranderende hermeneutische inzichten, die aan die veranderende omgang met Gods woord ten grondslag liggen. In dat opzicht vind ik dat de tegenstanders van het besluit wel erg kort door bocht en zonder voldoende argumentatie deze inzichten karakteriseren als een voorbeeld van ‘de nieuwe hermeneutiek’.[vi]

Gereformeerden staan voorgesorteerd om de ‘nieuwe hermeneutiek’ te verbinden met vrijzinnigheid. Met die term werd namelijk de vrijzinnige moderne theologie van de jaren ’60 gekarakteriseerd, die zich liet inspireren door het gedachtengoed van Rudolf Bultmann, Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling. Door de hermeneutische inzichten in de gereformeerde theologie van vandaag te verbinden met de term ‘nieuwe hermeneutiek’ lijken de tegenstanders van het m/v-besluit zich ontslagen te achten om zich inhoudelijk met de huidige gereformeerde hermeneutiek te confronteren, terwijl ze die tegelijkertijd wel in het vrijzinnige verdachtenbankje plaatsen. Ik vind dat een kwalijke zaak. Dat vertegenwoordigers van de DGK die mening zijn toegedaan, dat zij zo. Dat een door tegenstanders van het m/v-besluit ingevlogen hersteld hervormde predikant als dr. G.A. van den Brink zich niet kan vinden in de gereformeerde hermeneutiek vandaag kan ik me ook voorstellen.[vii] Van medegelovigen in de GKv verwacht ik echter een zorgvuldiger en fairer omgang in de beoordeling van het m/v-besluit.


[i] Zie de artikelen in het kerkblad van de DGK, De Bazuin, Jaargang 7, nummer 33 d.d. 25-09-2013: ‘Doorgaande deformatie’ en Jaargang 11, nummer 17 en 18, d.d. 06-09-2017 en 20-09-2017 onder de titel: ‘Hoe is het goud donker geworden!’

[ii] Acta GS Arnhem 1981, art. 169, Brief aan de Christelijke Gereformeerde Kerken.

[iii] C. Trimp (red.), ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel’, Kampen: Kok, 2002.

[iv] Zie het artikel van Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels: ‘Gereformeerde bijbelwetenschap en bijbelse hermeneutiek’, dat verscheen in: Nieuwe en oude dingen. Schatgraven in de Schrift, (red. Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2013, p. 243-255, citaat op p. 246. Deze gemeenschappelijke publicatie van de TU Kampen en de TU Apeldoorn verscheen tegelijkertijd in de TU Bezinningsreeks als nr. 13 en Apeldoornse Studies nr. 62.

[v] Acta GS Ede 2014, p. 141.

[vi] Ik denk hier met name aan diverse artikelen van dr. Pieter Boonstra in het blad Nader Bekeken, herplaatst op het site www.bezinningmvea.nl.

[vii] Een video van een door dr. Gert A. van den Brink gehouden lezing in de GKv Haren is te vinden op de site www.bezinningmvea.nl.

Man, vrouw en ambt

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente de Fontein (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde.

De avond stond in het kader van een bespreking van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen.  

De inleiding bestaat uit de volgende drie onderdelen:

1e.  Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

Hierin ga ik in op het verschil tussen de traditionele visie en de visie van de synode, dat ligt in het gegeven dat we nu uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw in tegenstelling tot de vroegere ondergeschikt van de vrouw aan de man.

2e.  Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Hierin besteed ik aandacht aan vier elementen, op grond waarvan wij de m/v-teksten vandaag anders lezen dan vroeger, te weten:

  •  De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd
  •  Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst
  •  Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen
  •  Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

3e.  Mag je de bijbel zo anders lezen?

Om deze vraag te beantwoorden benoem ik drie zaken, op grond waarvan dat geoorloofd is:

  • Gewoon gereformeerde hermeneutiek
  • De patriarchale samenleving is niet normatief.
  • Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

In vier excursen bespreek ik thema’s die in de bespreking van de inleiding naar voren kwamen:

  Excurs 1 – ‘Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk’

  Excurs 2 – Gen. 2 en 3 en de zgn. scheppingsorde

  Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

  Excurs 4 – Patriarchale samenleving en cultuur 

De uitwerking van de lezing is hier te vinden: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Pieter Niemeijer over m/v en kerk

Pieter Niemeijer heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKv over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt. Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn verhaal.

Dat de bundel opstellen uitkomt bij een uitgeverij, waarvan de betrokkenen tot nu toe zeer afwijzend staan tegenover vrouwelijke ambtsdragers in de GKV [ii], beschouw ik als een teken van bereidheid om het inhoudelijke gesprek over m/v in de kerk aan te gaan.

In 2005 was Niemeijer voorzitter van de GKv-synode die de opdracht gaf voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’. De bezinning die toen op gang is gekomen heeft uiteindelijk in 2017 geresulteerd in het besluit om het ambt voor de vrouw in de GKv open te stellen.

Destijds waren er al verschillende geluiden hierover te horen. Enerzijds een huiver om het onderwerp op te pakken: ‘Laten we niet zwichten voor de druk van de publieke opinie. Hoe wij ertegen aan kijken stoelt op een eeuwenlange overtuiging.’ Anderen pleitten voor een ‘open mind’: ‘Laten we ervoor waken dat opvattingen die niet stroken met die we hadden niet op voorhand afgedaan worden met de kritiek: niet schriftgetrouw.

Bij de instelling van dat deputaatschap zei Niemeijer dat een bezinning op m/v en de kerk gerechtvaardigd was, mits die zich binnen schriftuurlijke kaders zou voltrekken: ‘Er wordt in kaart gebracht hoe het Woord van God en de praktijk zich tot elkaar verhouden. Dat is eerlijk en noodzakelijk. De tweede opdracht behelst dat we uit zijn op ‘een goed onderbouwd schriftuurlijk antwoord’. Schriftuurlijk: dat is de norm en het anker.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn resultaat van het overdenken van deze vraag. Daarom houdt hij in een uitgebreide bespreking de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten tegen het licht. Ook gaat hij in op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open en schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

In een uitgebreidere vervolgblog zal ik binnenkort op zijn bijdrage in het m/v-gesprek ingaan.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Uitgeverij Woord en Wereld geeft naast de serie ‘Cahiers tot versterking van het gereformeerde leven’ ook het maandblad Nader Bekeken uit. Een aantal leden van het Stichtingsbestuur van de uitgeverij is actief betrokken bij de website www.bezinningmvea.nl, een platform van verontruste GKV’ers over het besluit in 2017 om vrouwen tot het ambt toe te laten.

Zondeval en scheppingsorde

     –  Belang

Telkens als ik de brieven van Rufus Pos[i] lees, moet ik onwillekeurig denken aan een passage uit de Johannespassion van Johann Sebastiaan Bach: https://www.youtube.com/watch?v=LOftb8jYCec. Diezelfde indringendheid, waarmee door de Joodse leiders tegenover Pilatus er op gehamerd wordt: ‘Wir haben ein Gesetz, und nach dem Gesetz soll er sterben; denn er hat sich selbst zu Gottes Sohn gemacht‘, voel ik als Pos er iedere keer weer op terugkomt: ‘Wij hebben een scheppingsorde, en volgens die scheppingsorde moet de vrouw aan de man onderdanig zijn.’ Als je die orde aan de kant schuift, dan schuif je Gods eigen woord aan de kant. Of zoals Pos het eufemistisch formuleert: ‘Dit komt op mij echt over dat wij dan wijzer willen zijn dan God.

Je kunt toch niet tegen Gods orde ingaan! Dat is het belang dat ik bij hem proef. Als God over de schepping zegt, dat het goed was, dan mogen wij niet zoals de vrouw aan de satan gehoor geven, die zei dat het niet goed was. God houdt ook na de zondeval vast aan zijn concept. Ook al krijgen Adam en Eva de opdracht om de schepping te ontwikkelen, zij moeten dat doen binnen de kaders die God daarvoor gegeven heeft. Wij dus ook.

Nu geloof ik niet dat voorstanders van de vrouw in het ambt binnen de GKV zich niet willen voegen in Gods plan voor zijn wereld. Zoals ik in een eerdere blog heb laten zien, ziet ook b.v. Ad de Bruijne de schepping niet als een verouderd concept of als een gepasseerd station, wanneer hij nadenkt over hoe wij vandaag het christelijke leven in Gods koninkrijk vorm dienen te geven. Het verschil van inzicht betreft vooral (a) de vraag hoe die orde in de schepping er uitziet en gekend kan worden[ii], en (b) hoe wij vervolgens die orde binnen onze context bijbels verantwoord vorm kunnen geven.[iii]

Ik deel het belang. Tegelijk is dat een extra reden om de bijbel zorgvuldig te lezen en te interpreteren. Je moet zeker weten, dat wat jij als waarheid naar voren schuift ook echt Gods woord is. We zouden niet de eersten zijn, die onze eigen ideeën en interpretaties met goddelijk gezag proberen te bekleden.[iv] Daarbij komt dat als je normatieve uitspraken doet over de positie van de vrouw in de man/vrouw-relatie het effect en de reikwijdte zeer groot is: het gaat over de helft van de mensheid.[v] Voor mij is dat alles een belangrijk motief om de argumentatie, op grond waarvan men over het onderwerp m/v en het ambt positie inneemt, op hun draagkracht en waarde te toetsen.

 

     –  Onderscheiden interpreteren

Voor het uitleggen van de bijbel kent de gereformeerde theologie een aantal basisregels, die in verscheidene handboeken vastgelegd zijn. Bekend is bijvoorbeeld de hermeneutiek van S. Greijdanus in zijn ‘Schriftbeginselen ter Schriftverklaring’.[vi] Ik wil daaruit twee regels naar voren halen. Bij de uitleg van een bepaald tekstgedeelte moet rekening gehouden worden met:

  • de onderscheiden tijden en bedelingen, waartoe de te exegetiseren delen van de openbaring behoren, (p. 127 e.v.);
  • het bijzondere en het algemene, d.w.z. of wat God zegt of doet, tijdelijk, voorbijgaand, individueel en ogenblikkelijk is, dan wel of het blijvend, duurzaam, en algemeen bedoeld is, (p. 132 e.v.).

Dit zijn belangrijke regels om biblicistisch bijbelgebruik te voorkomen. Je kunt niet zomaar willekeurig teksten uit de bijbel met elkaar verbinden en daar een theorie op bouwen, maar je moet rekening houden met de context en de reikwijdte van teksten. Dat betekent dat je de heilsgeschiedenis in rekening moet brengen in zijn onderscheiden fasen van schepping, zondeval, verlossing en voltooiing van de wereld. Ook zul je moeten onderscheiden tussen de situatie voor en na Christus’ komst in de wereld en tussen het leven onder het oude en onder het nieuwe verbond.

Dit is met name van belang als je over ‘de’ scheppingsorde en de betekenis daarvan voor vandaag wilt spreken. In zijn interpretatie van en het samenlezen van de verschillende teksten in de bijbel houdt Pos hier te weinig rekening mee.

 

     –  Herschepping en/of transformatie?

Een van de veronderstellingen van Pos is, dat Genesis 1-3 buitenspel wordt gezet in de discussie over m/v en het ambt: ‘je vraagt je wel af of Genesis 1-3 misschien ook van de agenda verdwenen is omdat Paulus juist in deze aan de kant gelegde zwijgteksten naar schepping en zondeval teruggrijpt.

Zoals ik in een eerdere blog schreef zet Pos zich af tegen het begrip ‘transformatie’ dat Ad de Bruijne gebruikt in zijn nadenken over ethiek: ‘God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn Koninkrijk.’ Daartegenover plaatst Pos het begrip ‘herschepping’: ‘want in de ‘nieuwe’ schepping zit niet een verborgen correctie van de ‘oude’ schepping.[vii]

Als hij pleit voor de term ‘herschepping’ erkent Pos wel, dat de herschepping, net als de ‘transformatie’, alles te maken heeft met de gevolgen van de zondeval. Toch is er wat hem betreft een belangrijk onderscheid, omdat De Bruijne in het kader van de ‘transformatie van de gevallen schepping’ ook positief spreekt over een ontwikkeling in de tijd wat betreft de relatie tussen man en vrouw. Een ontwikkeling die ik maar kort aanduid als van ‘onderschikking’ in de tijd van het Oude Testament, Paulus en Augustinus naar ‘gelijkheid’ in de moderne westerse samenleving, waarin vrouwen dezelfde posities innemen als mannen.

De Bruijne ziet die ontwikkeling naar gelijkheid als maatschappelijke vrucht van de christelijke traditie, hoewel hij ook wel beseft dat er in onze cultuur een drang is om het natuurlijk onderscheid tussen man en vrouw te willen doorbreken en los van Christus eigenmachtig een nieuwe orde te creëren. Toch past volgens hem die gelijkheid als het om publiek leiding geven op de weg naar het koninkrijk, waar we allemaal met Christus zullen regeren.[viii]

Hier kan Pos niet mee uit de voeten, omdat De Bruijne daarmee zou beweren, dat ‘het in zaken als ‘autoriteit en gezag’ slechts om een soort noodmaatregel gaat die God tijdelijk heeft ingesteld vanwege de zonde.’ En daar gelooft hij ‘helemaal niets van’.

Afgezien dat Pos hier een flagrante karikatuur maakt van De Bruijne’s visie, dat ‘wij allemaal met Christus zullen regeren’, lijkt het mij dat die gedachte van De Bruijne helemaal niet zo vreemd is. Sterker nog, dat ‘samen regeren als man en vrouw’ hoort volgens Jochem Douma, de voorganger van De Bruijne als hoogleraar ethiek aan de TU Kampen, juist bij de ‘goede’ scheppingsorde waar Pos zo graag weer naar terug wil.

In zijn ethische bezinning op de relatie tussen man en vrouw schrijft Douma, dat we eerlijk moeten omgaan met bijbelteksten en ze niet moet laten buikspreken, zodat wij het apostolische woord over de verschillende taken van man en vrouw binnen de gemeente van Christus krachteloos maken. Zijn samenvattende conclusie is dan:

‘Het voorgaande brengt ons niet tot de conclusie dat mannen regeren en vrouwen volgen. Reeds binnen het huwelijk is er een taakverdeling die man en vrouw beiden doet regeren. Het Vijfde Gebod luidt niet dat de vader geëerd moet worden, maar: “Eer uw vader en uw moeder.” Ik heb eerder al duidelijk willen maken met een verwijzing naar de scheppingsorde, dat mannen en vrouwen samen de wereld moeten regeren. In allerlei taken zullen ook vrouwen over mannen regeren, en dan niet bij gebrek aan beter.”[ix]

 

     –  Scheppingsorde

Pos ziet geen strikt onderscheid tussen de schepping en de tijd na de zondeval. Daarom stelt hij ook tegenover De Bruijne dat Genesis 1 en 2 veel meer de grondtoon vormt van alles wat volgt tot en met de voltooiing van het Koninkrijk. God gaat niet ongemerkt wijzigingen aanbrengen in zijn oorspronkelijk concept:

‘Ondanks de zondeval, maar ook door de zondeval heen gaat God zijn schepping zich laten ontwikkelen. De opdracht aan Adam en Eva om de aarde te bouwen en te bewaren veranderde niet door de zondeval. Mijns inziens is er dus veel meer continuïteit vanuit het paradijs dan ik meen waar te nemen bij bijvoorbeeld de Bruijne.’

 ‘Heel concreet: de lijnen die je in het scheppingsverhaal ziet mag je wel degelijk serieus nemen als je nadenkt over intermenselijke verhoudingen. Je kunt het letterlijke verhaal van de schepping niet negeren als een soort verouderd concept wat intussen door de zondeval voor ons niet helder meer is en wat door het werken van de Heilige Geest richting het Koninkrijk ook allang als verouderd en dus als een gepasseerd station beschouwd kan worden.’

Hij vindt daarom het spreken over een scheppingsorde legitiem, omdat de Bijbel niet begint met het evangelie van Matteüs, maar met het boek Genesis:

Het kruis (Matteüs) heeft niet met Genesis 1 en 2 te maken (schepping), maar met Genesis 3 (zondeval). Als je die lijn volgt, kun je de onbekommerde manier begrijpen waarop de Here Jezus, Paulus en Petrus teruggrijpen op instellingen van vóór de zondeval.

In een vorige blog heb ik al aangegeven, dat het dan wel zaak is om goed na te gaan naar welke elementen uit het verhaal van de schepping zij verwijzen en hoe Paulus, Jezus en Petrus die elementen in hun eigen betoog toepassen. Zoals ik heb laten zien, heeft Pos niet kunnen aantonen dat Paulus de onderschikking van de vrouw op de scheppingsorde fundeert.[x]

 

     –  Beroep op Genesis 1-2 of op Genesis 1-3?

Maar kun je dan op basis van het scheppingsverhaal zelf aantonen, dat de onderschikking van de vrouw onderdeel van de scheppingsorde is? Dat is wat Pos immers uiteindelijk met zijn brieven beoogt.

Gezien de geschiedenis van de exegese van m/v-teksten is het belangrijk om expliciet stil te staan bij de status van het verhaal van de zondeval in Gen. 3. Kun je je daarop ook beroepen als je uitspraken over ‘de’ scheppingsorde wilt doen en zo ja, hoe doe je dat dan?

Over die vraag heeft een groot aantal GKV synodes vanaf 1975 tot 2002 zich in het kader van de herziening van het huwelijksformulier gebogen. Uiteindelijk is in 1999 geconcludeerd en in 2002 naar aanleiding van diverse revisieverzoeken nog eens bevestigd, dat dat maar zeer beperkt mogelijk is.

Ik vat de resultaten daarvan met betrekking tot de onderlinge verhouding van man en vrouw kort samen:[xi]

(a)  Het ‘hoofd-zijn’ van de man ten opzichte van de vrouw heeft men bewust niet willen omschrijven als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met als ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’ Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

(b) Een beroep op Gen. 3:16 als ondersteuning dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn, is niet gerechtvaardigd. Een amendement van die strekking werd met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen.

Daarmee werd in 1999 definitief van de visie uit het oude huwelijksformulier afscheid genomen dat het ‘de ordinantie van God’ is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren. Een beroep op de straf van de vrouw na de zondeval om daarmee de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man als scheppingsorde te funderen is daarmee afgewezen.

Het inconsequente in de argumentatie van Pos vind ik, dat hij over Gen. 3:16 met twee woorden spreekt.

Aan de ene kant erkent hij: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk.’ Tegelijk gebruikt hij deze tekst wel om te beargumenteren, dat ‘de gevolgen die God verbindt aan de zonde van Adam en van Eva duidelijk spreken over een verschil in positie tussen onze eerste vader en moeder.

Als dragende grond voor de conclusie die Pos aan de gevolgen van de zonde van Eva verbindt is de veronderstelling dat God in Gen. 3:16 de vrouw in haar misbruik van de scheppingsorde treft. Zoals hij zegt:’ Ik neem aan dat de Here niet een willekeurige straf verzonnen heeft, maar dat de opgelegde straf te maken heeft met de overtreding die begaan is.’ De vrouw heeft zich niet geschikt onder haar man, dus zal zij juist in die normatieve relatie van onderschikking ervaren wat de gevolgen van de zonde is: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.

Vanuit zijn interpretatie van de straf voor de vrouw extrapoleert Pos hier naar een scheppingsorde, waarin de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Tegelijk is deze interpretatie van Gen. 3:16 voor hem een argument om die door hem veronderstelde scheppingsorde in het scheppingsverhaal van Gen. 2 in te lezen.

 

–  Conclusie

Vanouds werd als effect van de zondeval op de relatie tussen man en vrouw gezien, dat daardoor de gelijkwaardige relatie geperverteerd werd in een ongelijkwaardige relatie van overheersing en onderdanigheid. Gen. 3:16 werd niet zozeer gelezen als een ‘straf’, zoals Pos nu doet, maar als een beschrijving van het effect van de zonde voor de vrouw.

Mijn conclusie is dan ook, dat een oordeel over de houdbaarheid van Pos’ visie, dat de onderdanigheid van de vrouw in de scheppingsorde begrepen is, ligt in de geldigheid van zijn exegese van Gen. 1-2.

 

 

[i] Zie de website https://www.bezinningmvea.nl/entry/brieven-aan-mijn-kinderen-inleiding

[ii] Voor een goed overzicht van de vragen die hierbij een rol spelen verwijs ik naar hoofdstuk 4 van Oliver O’Donavan, Resurrection and Moral Order. An Outline for Evangelical Ethics, Apollos Leicester, England, 1996, 2e druk, (p. 76-99). In dit hoofdstuk staat centraal: ‘How is the order of the created universe available to our knowledge, seeing that we belong to it, and cannot rise above it like God? What kind of knowledge can this be that has the order of creation as its object?, (76). Onder verwijzing naar de beroemde discussie tussen Karl Barth en Emil Brunner pleit hij er voor de ontologische en epistemologische aspecten zorgvuldig te onderscheiden.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

[iv] Dr. J. Douma schrijft b.v. hierover: ‘Wie de geschiedenis overziet, moet toegeven dat de ‘christelijke moraal’ vaak bedenkelijke praktijken in stand heeft gehouden. Denk o.a. aan de slavenhandel, de uitroeiing van anderen in godsdienstoorlogen en het verdedigen van de apartheid in Zuid-Afrika’, (Dr. J. Douma, Grondslagen. Christelijke ethiek, Uitgeverij Kok, Kampen, 1999, p. 46). Oliver O’Donavan noemt dit ook: ‘Only the creature whose task it is to live by the truth of the whole can suffer the fate of living in an illusory universe constructed by his own mind. How, then, we must ask, if true knowledge of the whole is co-ordinated with obedience, can there be such a knowledge available to disobedient man?’, (a.w., p. 82).

[v] Dat besef proef ik totaal niet bij Pos. Vanuit zijn (mannelijk) perspectief zijn de vrouwen alleen maar goed af, wanneer zij zich naar zijn normatieve omschrijving van de scheppingsorde zouden gedragen: ‘de vrouw moet bereid zijn vrijwillig het hoofd-zijn (gezag) van haar man te erkennen. Dat zegt dus helemaal niets van haar gaven en kwaliteiten, maar uitsluitend zegt het iets over haar bereidheid ten opzichte van haar man de tweede plaats in te nemen. En die plaats geeft haar het “recht” om door haar man gevoed en verzorgd te worden.’ Eerder al schrijft hij daarover met een aantal retorische vragen: ‘Wat is er nu moeilijk aan om iemand die van de Here leiding ontvangt en die deze volgens de goddelijke norm van de liefde uitvoert, om zo iemand te volgen? Welke vrouw zou zich niet op handen gedragen voelen als haar man niets anders dan haar geluk en welzijn op het oog heeft?’

[vi] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Uitgeverij Kok, Kampen, 1946.

[vii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/

[viii] Zie: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/

[ix] ‘Dr. J. Douma, Seksualiteit en huwelijk, Uitgeverij Van den Berg, Kampen, 1993, p. 27 (= deel 6 van zijn serie Ethische Bezinning).

[x] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/22/paulus-en-de-scheppingsorde/.

[xi] Voor een samenvatting van de argumentatie van de diverse synoden zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/27/het-huwelijksformulier-in-de-20e-eeuw-1975-2005/.