Openbaarheid

In mijn vorige blog ‘Nieuwsanalyse’ [i] ging ik in op de analyse die het Nederlands Dagblad op 29 februari 2020 plaatste over het gedrag en beleid van de GKv-synode inzake de behandeling van de revisieverzoeken rond de vrouw in het ambt.

Het ND reageerde in deze nieuwsanalyse op een interview dat de krant op 28 februari 2020 had met Dick Slump en Pieter Pel als woordvoerders van de 8 kerken die tegenstanders zijn van vrouwelijke ambtsdragers. In haar analyse nam het ND de kritiek van Slump en Pel over, dat de synode ten onrechte in dit dossier ook in beslotenheid vergaderd had. Het ND was van mening dat beslotenheid in het kader van veiligheid van synodeleden acceptabel kan zijn, maar dat dit niet aan de orde is en dat nu openheid noodzakelijk is om gemeenteleden in het proces van de besluitvorming mee te kunnen krijgen.

In de spin-off van de discussie op Twitter over deze Nieuwsanalyse ontspon zich een draadje dat licht werpt op de regels, die voor de synode gelden om keuzes te maken om in openbaarheid danwel beslotenheid te vergaderen.[ii]


De volgende artikelen uit de Huishoudelijk Regeling voor de Generale Synode ingevolge artikel E62.3 KO zijn van toepassing:

-      Artikel 6.  Niet besluitvormende vergaderingen

1. De synode kan bijeenkomen in een overlegvergadering, die niet
op besluitvorming is gericht. Het moderamen kan dergelijke 
vergaderingen onder andere uitschrijven:
a. wanneer dat wenselijk is voor een goede voorbereiding van de 
behandeling van het desbetreffende onderwerp;
b. met het oog op de goede contactoefening met zusterkerken in 
binnen- of buitenland.
2. Het verslag van een overlegvergadering wordt zo gesteld, dat 
het kan dienen ter ondersteuning van de plenaire behandeling van het 
onderwerp

-     Artikel 7. Orde van de vergaderingen

3. De beoordeling van personen zal altijd in besloten zitting 
plaatsvinden. Over andere onderwerpen wordt niet in besloten 
zitting vergaderd, tenzij daar een dringende noodzaak voor aanwezig 
wordt geacht.
6. Het moderamen draagt zorg voor een adequate informatieverschaffing
over de besluiten die in een besloten zitting zijn genomen.

Blijkens het interview met Slump en Pel doen zij een beroep op art. 7, lid 3: ‘De synode is in principe openbaar. Ze mag achter gesloten deuren vergaderen als het over personen gaat, of als er een dringende reden voor is. Er waren twee besloten dagen over vrouwelijke ambtsdragers. Ik zie hier geen reden voor, en de synode heeft dat ook niet toegelicht. Integendeel, toen ik daarop wees zei de synode dat ze die reden niet openbaar hoeft te maken. Dat is een machtswoord. Het gaat over een onderwerp dat alle kerken beroert. Daar passen geen achterkamertjes bij.’ Bovendien past het niet bij de regels van de kerk, zegt hij. ‘Openbaarheid is gezond en goed voor de transparantie. Om diezelfde reden zijn de rechtspraak en Tweede Kamer openbaar.’

Als voorbereiding op de publieke behandeling van de revisieverzoeken m/v op donderdag 23 en vrijdag 24 januari 2020 is er één voorbereidende synodevergadering conform Art. 6, lid 1a geweest die niet openbaar was.

Van deze mogelijkheid is op eerdere synodes die zich over ‘m/v en ambt’ gebogen hebben, zoals die van 2014 en 2017, – zoals Slump die in 2014 deputaat was had kunnen weten – , ook gebruik gemaakt.

In het licht van Art. 6, lid 2 en Art. 7, lid 6 lijkt mij de bewering van het Nederlands Dagblad over de beslotenheid van een dergelijke voorbereidende vergadering: ‘Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan’, ten onrechte insinuerend en niet gepast.


[i] https://fpathuis.wordpress.com/2020/02/29/nieuwsanalyse/

[ii] Met dank aan Hans Bügel en Rob Vreugdenhil (Scriba I van de GS Meppel 2020) die de betreffende regelgeving naar voren brachten.

Nieuwsanalyse

Op vrijdag 28 februari 2020 stond er een interview van Eline Kuijper in het Nederlands Dagblad (ND) met Dick Slump en Pieter Pel, vertegenwoordigers van de 8 kerken in de GKv die inhoudelijke bezwaren hebben aangetekend tegen het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten. Zij wilde weten hoe tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers deze synode van de GKv ervaren.

De volgende dag stond er op basis van dat interview een nieuwsanalyse van haar hand in het ND. In haar analyse raakt zij aan vijf thema’s, die ze als in een kluwen aan elkaar verbindt en er tenslotte een oordeel over uitspreekt:

  • de vertegenwoordiging op de synode
  • de besluitvorming over de m/v-revisieverzoeken
  • de verwachtingen en ervaringen van de tegenstanders van het m/v-besluit
  • de vergaderingen rond de eenwording van GKv en NGK
  • de beslotenheid van vergaderingen

Haar criterium is duidelijk: ‘De synode staat ten dienste van de kerken en daarom moeten alle leden kunnen volgen wat daar gebeurt.’ Op basis daarvan trekt zij vier conclusies:

1. De synode mist interne tegenspraak, omdat er geen tegenstanders van het vrouwenbesluit in de synode vertegenwoordigd zijn. In haar woorden: ‘Dat een of twee stevige tegenstemmen al een wereld van verschil kunnen maken, liet de synode van drie jaar geleden zien. Destijds waakte de synode voor een jubelstemming toen het besluit voor vrouwelijke ambtsdragers werd genomen. Er waren in hun midden namelijk mannen die daar intens verdrietig over waren en dat op een indringende wijze duidelijk maakten. Nu zitten zulke mensen er niet.

2.  De positieve sfeer tijdens de synodevergaderingen bij de groep bezwaarde vrijgemaakten roept vervreemding op: ‘Op conferentiecentrum Mennorode wordt een feestje gevierd: de afgevaardigden zingen hand in hand, drinken ‘s avonds nog gezellig wat aan de bar, geven elkaar een hug als ze naar huis gaan.’

3. De beslotenheid van de synodevergaderingen vergroot de afstand met de tegenstanders van het m/v-besluit. Ze erkent dat beslotenheid kan bijdragen aan veiligheid tussen afgevaardigden onderling, maar die veiligheid is geen doel op zich. Nu er geen ingrijpende onderlinge verschillen zijn in het m/v-dossier, is beslotenheid niet aan de orde: ‘die beslotenheid moet een uitzondering blijven en goed onderbouwd zijn, al is het maar om de synode eraan te herinneren dat zij niet bestaat voor zichzelf.’ Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: ‘wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan.

4.  De synode moet de tegenstanders van het m/v-besluit openheid geven over hun plek in de GKv: ‘Om hen [= tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers] binnenboord te houden, moet de synode laten zien wat ze doet. En bijvoorbeeld duidelijk aangeven hoe ze ruimte ziet voor een minderheid die er serieus anders over denkt. Zeker nu het tegengeluid niet van binnenuit klinkt.

Mijn grote moeite met deze ‘nieuwsanalyse’ betreft niet alleen de timing daarvan, maar ook de gronden daarvoor. Er wordt in de conclusies van alles gesuggereerd en verondersteld.

Ad 1. De suggestie gaat er vanuit, dat men geen oog heeft voor de tegenstanders van het m/v-besluit en dat er in tegenstelling tot drie jaar geleden een jubelstemming heerst over het m/v-besluit. Mijns inziens doet de synode wel degelijk moeite om de bezwaarden recht te doen en heeft ze al een keer met hen gesproken. Of de eisen die de bezwaarden aan een 2e gesprek stellen, terecht zijn kan ik en naar mijn idee ook het ND niet beoordelen, zolang we de visie van de synode in dezen niet weten. De stelling dat de synode interne tegenspraak mist, is ook niet volgens de werkelijkheid. Op de vergaderingen in januari was er wel degelijk ook kritische zin en tegenspraak te horen in opmerkingen als: ‘Veel mensen storen zich daaraan en vinden dat eng. Blijf bij dat soort redenaties weg’, en: ‘Dat is geen feit, maar een stellingname. Die moet je wel onderbouwen.’

Ad 2.  Die positieve sfeer heeft, zoals de bijgevoegde foto ook al aangeeft, m.n. betrekking op de gemeenschappelijke vergaderingen van de GKv-synode en die van de Landelijke Vergadering van de NGK. De suggestie die van het interview en nu van de nieuwsanalyse uitgaat, is dat er een feestje gevierd wordt, omdat nu de vrouw in het ambt mag.

Ad 3. In het interview stellen Slump en Pel, dat de synode een inhoudelijk gesprek ontwijkt. De nieuwsanalyse gaat met die visie mee en veronderstelt ook dat er op dit moment een inhoudelijk gesprek met de bezwaarden gevoerd zou moeten worden. Mijns inziens is er de afgelopen drie jaar inhoudelijk uitgebreid de tijd geweest om het pro en contra van het m/v-besluit te bespreken.

Wat nu aan de orde is, is dat de synode de revisieverzoeken moet beoordelen en daarover een inhoudelijk oordeel moet vellen. Dat betekent dat ze zich goed moeten oriënteren op de visie die in de revisieverzoeken geuit wordt. In dat kader hebben ze ook gesproken met de opstellers van de revisieverzoeken. Vervolgens moet de synode inhoudelijk een oordeel vellen over die verzoeken tot revisie. Daar heeft de synode een begin mee gemaakt op donderdag 23-01 en vrijdag 24-01, waarbij pers en publiek aanwezig waren.

Het uitgangspunt van de bespreking was een concept ‘Raamwerkdocument’, waarin een eerste richting geboden werd om de revisieverzoeken straks inhoudelijk te beoordelen. Omdat het nog een concept was en de synode niet wilde dat dit concept een eigen leven zou gaan leiden, werd het niet ter beschikking gesteld. Mijns inziens een kwestie van koudwatervrees. Ondanks dat waren de argumenten en de uiteindelijke conclusies in alle openbaarheid te vernemen. Ze kunnen nog steeds op diverse media na gelezen worden. Dat de bezwaarden niet gerust zijn op de uitkomst, heeft niet zozeer te maken met de beslotenheid van de synodevergadering, maar omdat de strekking daarvan – in tegenstelling tot hun visie – is dat de Bijbel geen belemmeringen opwerpt voor de vrouw in het ambt.

Ad 4. Dit is geen conclusie, maar een waardevolle aanbeveling op dit moment. Zolang er nog geen inhoudelijke besluiten over de revisieverzoeken genomen zijn, kan de synode zich ook nog niet uitspreken over de positie van de tegenstanders van het m/v-besluit. De synode zal in de motivering van haar besluit transparant en helder over de uitgangspunten moeten zijn en ook duidelijk moeten maken welke ruimte er is voor degenen is, die zich in dat revisiebesluit niet zullen kunnen vinden. Dat is niet iets nieuws.

Waar het ND mijns inziens in deze analyse nog wel een passage aan had mogen wijden, is de vraag hoe je omgaat met verandering van visie over een bepaald onderwerp in de kerk, verwoord in de mening van ds. Bart van Egmond: ‘Wat vroeger schriftuurlijk was, is nu een mening.’ Daaarmee zou de kern van de zaak getroffen zijn: ‘Hoe ga je in de kerk om met diversiteit en verschil van inzicht?’

Samenvattend: Ik betreur het dat deze nieuwsanalyse ernstig te kort schiet in objectiviteit, relevantie en inhoud. Een gemiste kans voor het ND om haar motto waar te maken. Laat de krant doen waar ze voor bedoeld is: volgen wat er echt op de synode gebeurt en niet op basis van veronderstellingen en suggesties zich laten verleiden tot onbehoorlijke stemmingmakerij over een GKv-synode, die nog tot besluitvorming moet komen.

Verbijsterend

Afgelopen week heb ik een kleine 2 dagen aan het scherm gekluisterd gezeten. Via de livestream kon ik de vergadering van de CGK synode volgen, die gisteren eindigde in een bevreemdende apotheose.[1]

Het onderwerp was kerkelijke eenheid. De aanleiding is de spanning die besluiten van CGK-kerken en samenwerkingsgemeenten CGK-NGK en/of CGK-GKv oproepen, wanneer die niet in lijn zijn met de bestaande afspraken en richtlijnen. Inhoudelijk gaat het over het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers en het toelaten van homoseksuele broers en zussen aan het avondmaal.

Het onderwerp was voorbereid door een synodecommissie. Omdat men niet tot een gezamenlijke conclusie kon komen was er een meerderheids- en een minderheidsrapport. Elk rapport sloot af met voorgestelde besluitteksten. Het meerderheidsrapport wil een signaal afgeven om afwijkingen een halt toe te roepen, zodat die zich niet als een olievlek zou gaan uitbreiden. De classis moet de band met de kerken die zich niet aan de afspraken houden opschorten en bij volharding daarvan de band met hen definitief verbreken. De minderheid voorziet als in die lijn besloten zou worden, dat er sprake zal zijn van een scheuring. Daarom pleit zij voor een taakgroep die uiterlijk voor de volgende synode van 2022 de huidige situatie goed in kaart moet brengen en zo snel mogelijk met een rapport moet komen.

Ik heb zowel woensdag als vrijdag vele afgevaardigden het woord zien voeren. Tijdens de eerste ronde woensdag werden de vragen en opmerkingen bij de rapporten geïnventariseerd. De opstellers van de rapporten kregen daarna de tijd om een zorgvuldige beantwoording voor te bereiden. Na de beantwoording vrijdag mochten de afgevaardigden in een tweede ronde reageren en eventuele schriftelijke voorstellen indienen. Die zullen tijdens een volgende vergaderweek besproken worden en in stemming komen.

De tegenstellingen waren groot. Is het ‘uw ja zij ja en uw nee zij nee’ (Jak. 5) òf mag en kun je afwijkingen tolereren en dragen? Een beroep op Jakobus 5:12 vond een deel van de synode geen voldoende grond om bij het afwijken van bestaande afspraken de zware artikelen art. 79 en 80 van de Kerkorde [= dominees, ouderlingen of diakenen die een openbare grove zonde bedrijven kunnen geschorst en uit hun ambt gezet worden] toe te passen. Eerst moet de vraag beantwoord worden of het Schriftgezag in het geding is – dan is optreden noodzakelijk – òf dat er sprake is van een verschillend Schriftverstaan, waarin je elkaar moet kunnen verdragen. Wat is het soortelijk gewicht van de thema’s, waarin afgeweken wordt? Behoren die tot de fundamenten van het christelijk geloof, of niet?

In de bespreking werd regelmatig teruggegrepen op de geschiedenis van de CGK-kerken. Wie zijn wij als CGK, waar staan wij voor en wat zijn onze manieren? Positief werd gewezen op het beginsel van de Afscheiding uit 1834, waar de inzet was de zuivere verkondiging. Door deze verkondiging heeft de Heer het kerkverband van de CGK in haar geschiedenis bewaard voor breuken. Negatief werd de afgevaardigden het Doleantie-denken van Abraham Kuyper en de Vereniging van 1892 voorgehouden: uiting van ‘ware kerk’-denken dat zichzelf verteert, gezien de breuken van 1926, 1944, 1967 en 2003. In plaats van kerkpolitiek bedrijven werd er opgeroepen tot verootmoediging voor de Heer: ‘De kerk is aan ons gegeven en wij zijn aan elkaar gegeven. Een zuivere kerk verwachten wij, maar die maken wij niet.’

De synode nam ruim de tijd om ieder aan het woord te laten. De geplande afronding om 15.00 u werd niet gehaald, maar tegen kwart voor vier had ieder zijn bijdrage kunnen inbrengen. Daarna kregen de hoogleraren als preadviseurs gelegenheid hun zienswijze en adviezen naar voren te brengen. Eerst de hoogleraren Kater, Huygen en Baars, tenslotte prof. Selderhuis.  

De visie van de hoogleraren Kater en Baars is helder. Kerken die afwijken van wat is afgesproken ‘misdragen zich op ongehoorde manier’ en ‘zondigen’ zodanig, dat ze broederlijk vermaand moeten worden. Als dat niet gebeurt, dan houden de CGK kerken op kerk te zijn. Huygen is van mening, dat het Schriftgezag niet in het geding is en dat het de CGK niet past om kerken buiten het verband te zetten.

Als laatste hoogleraar wordt Selderhuis door de voorzitter geïntroduceerd met de woorden: ‘Prof. Selderhuis had nog een advies van iets andere aard’. Zijn advies blijkt een voorstel om nu als afronding van de bespreking als synode een unaniem besluit te nemen en zo een appèl op de kerken te doen geen afwijkende besluiten te nemen of uit te voeren over die zaken, die op de synodetafel liggen. Hij heeft bij de synode de algemene verontwaardiging gemist dat kerken besluiten naast zich neer leggen en dat afwijkingen gedoogd worden. De CGK kerken staan in brand. Daarom moet er van de synode een appèl uitgaan niet nog meer olie op het vuur te gooien.

Het bijzondere van dit voorstel is dat het gepresenteerd wordt als een voorstel van orde – een tijdelijk moratorium om de synode rustig te laten nadenken -,  terwijl er inhoudelijk de aanname aan ten grondslag ligt waar uitgebreid de afgelopen dagen het voor en het tegen over naar voren is gebracht: afwijkingen van bestaande afspraken zijn niet te tolereren. Aannemen van dit voorstel van orde betekent daarom dat in die discussie een knoop wordt doorgehakt en inhoudelijk de toon gezet wordt voor het vervolg van de synode.

Vergader-technisch is het vervolgens vreemd, dat dit advies meteen door de voorzitter als voorstel in de vergadering wordt gebracht, waarbij hij suggereert dat er gezien de tijd niet inhoudelijk over doorgesproken kan worden, maar dat hij het in stemming brengt om te bezien of het unaniem aanvaard kan worden, omdat ‘alleen dan zo’n appèl zal werken.’ Op de vraag of dit appel niet alleen voor de kerken maar ook voor de classes moet gelden, antwoordt de voorzitter dat het alleen de kerken geldt, omdat hij van mening is dat ‘het erg ver gaat om als synode te treden in de overwegingen en de procesgang van een classis.’  

Als toeschouwer van de livestream vond ik dit een spannend moment. Wordt er op deze manier geen morele druk op de synodeleden uitgeoefend om een eventuele unanimiteit niet te doorbreken, ook al heb je niet de gelegenheid om het voorstel goed op je in te laten werken en de consequenties daarvan te overzien?  Het voorstel is toch juist gepresenteerd als signaal aan de kerken, dat wij als synode niet willen dat kerken uiteen gaan? Wie kan daar nu tegen zijn?

Bij stemming blijkt het voorstel unaniem aangenomen. Als toeschouwer blijf ik verbijsterd achter met de vraag, die prof. Selderhuis op retorische wijze al opwierp: ‘Is de Doleantiegeest te ver bij de CGK binnengedrongen?’


[1] De livestream is te bekijken via: https://bit.ly/2Sc3gtj.

Over ´gelijkheidsideologie´

De kerk positioneren als een bolwerk en veilige haven tegen de gelijkheidsideologie die in de wereld rondwaart. Dat is waar het Appèl van de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ de GS Goes 2020 toe oproept.[1]

In deze blog wil ik eerst de achtergrond van de term ‘gelijkheidsideologie’ schetsen, (§1). Vervolgens laat ik zien, dat in het Appèl een argumentatiestrategie ingezet wordt, die vaker toegepast is. Ontwikkelingen in de samenleving als ‘onbijbels’ duiden en dat vervolgens als principieel argument in het debat in te brengen, (§2). Daarna geef ik een voorbeeld uit de gereformeerde traditie waarin maatschappelijke ontwikkelingen als democratie en vrouwenkiesrecht, die eerst negatief en als niet-bijbels geduid en afgewezen werden, in latere instantie acceptabel werden en vandaag de dag als een positieve verworvenheid gezien worden, (§3). Tenslotte eindig ik met de conclusie over de kwestie van ´vrouw en ambt´, dat het daarin vooral gaat om de vraag naar de relatie tussen kerk en wereld en hoe wij bijbelse instellingen en normen in het tijdperk van de moderniteit zullen vormgeven, (§4).

  • §1.  ‘Gelijkheidsideologie’ versus ‘gelijkheidsbeginsel’

Het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ is in orthodox-gereformeerde kring met name in zwang geraakt in de jaren ‘80 van de 20e eeuw rond de invoering van de Algemene Wet Gelijke Behandeling, die als doel had het gelijkheidsbeginsel zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken,[2] Sindsdien bekritiseren woordvoerders uit orthodox-gereformeerde kring de door hen ongewenste visies op emancipatie, de economische zelfstandigheid van vrouwen, het homohuwelijk, adoptie voor lesbische en homostellen, de basisvorming in het onderwijs, de SGP en het vrouwenkiesrecht, bezwaarde trouwambtenaren, de ‘Nashville’-verklaring, etc, als voorbeelden van ‘gelijkheidsideologie’, vaak ook nog voorafgegaan met het adjectief ‘doorgeslagen’, ‘verabsoluteerde’, ‘seculiere’ of ‘anti-christelijke’. Het is een sjibbolet dat functioneert op de manier van een gekuist scheldwoord.

Met name in de reformatorische gezindte wordt er ook gewaarschuwd dat deze ´gelijkheidsideologie´ steeds verder wordt uitgerold over Nederland, waarbij men er op wijst dat er steeds minder begrip is voor christenen die op grond van hun uitleg van de bijbel anders denken over de positie van de vrouw en kwesties rond gender.

Met het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ stelt de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ dat het toelaten van de vrouw in het ambt voortkomt uit bijbels niet te verantwoorden motieven en de invloed is van ‘werelds’ denken. Deze stelling wordt ondersteund met de oproep om ‘culturele ontwikkelingen’ niet als leidraad bij de bezinning te nemen en deze te bekleden met bijbelse argumenten.  

  • §2.  ‘Individualisme’ en ‘emancipatiezucht’

Waar vandaag de term ‘gelijkheidsideologie’ wordt ingezet om een pleidooi voor de vrouw in het ambt van een negatief stempel te voorzien, waren in het verleden de begrippen ‘individualisme’ en ‘emancipatie’ de geijkte termen om de vrouw in de haar ondergeschikte positie aan de man te houden.

 In 1993 voelde de synode zich gedrongen, in een poging om dergelijke oordelen voor te zijn, haar besluit om vrouwen het stemrecht te geven o.a. te verdedigen met de uitspraak dat ‘het toekennen van stemrecht aan de zusters geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk is, en daarom niet beoordeeld moet worden als een knieval voor verkeerde emancipatiezucht.’

Ruim 60 jaar daarvoor, in 1927, wijst de meerderheid van deputaten het vrouwenkiesrecht juist af met een beroep op Paulus die ook de emancipatiezucht van de christelijke vrouwen uit zijn tijd afgekeurd zou hebben. Men acht de invoering van het vrouwenkiesrecht niet raadzaam, omdat ‘dit vrouwenstemrecht onder de tegenwoordige tijdsomstandigheden niet zonder gevaar zou wezen met het oog op de onchristelijke emancipatiebeweging, die zich tegen de ordinantie Gods keert.’[3]

Toch klonk toen op de synode ook de tegenstem van ds. C. Lindeboom die deze redenering ter discussie stelde:

‘Gaat het dus in ’t algemeen niet aan, aan de tijdsomstandigheden motief te ontlenen om aan de vrouw dit recht te onthouden, in het bijzonder moet worden afgewezen het verband, dat gelegd wordt tusschen „de onchristelijke emancipatie-beweging, die zich tegen de ordinantlën Gods keert” èn het pleiten voor de medewerking der vrouwelijke kerkleden aan de verkiezing van ambtsdragers.’[4]

Interessant voor de m/v-discussie vandaag is het argument dat hij aanvoert. Hij is van mening dat het motief voor het vrouwenkiesrecht ten onrechte verbonden wordt met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit recht van de vrouw juist voortkomt uit het deel hebben aan de zalving van Christus:

‘Niet alleen heeft de z.g, emancipatie-zucht slechts in schijn enige gelijkenis met de eis om de vrouwelijke kerkleden niet langer van die medewerking uit te sluiten, wijl die eis uit een gans ander beginsel opkomt en een gans ander doel heeft, maar ook wordt die eis juist gesteld op grond van de ordinantie Gods, gelijk die uitkomt in de roeping der vrouw tot het ambt aller gelovigen.‘[5]

  • §3.   Algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht

In november 1917 wordt het algemeen kiesrecht wettelijk in de Grondwet vastgelegd. Twee jaar later wordt bij wet aan vrouwen naast het passief kiesrecht ook het actief kiesrecht toegekend. In de bespreking van het wetsvoorstel in de 1e Kamer heeft de theoloog Herman Bavinck een opmerkelijke rede gehouden, die binnen en buiten de Kamer grote indruk maakte.[6]

Bavinck begint met te schetsen hoe het algemeen kiesrecht wortelt in het individualisme van de 18e eeuw. Daarom is zijn oordeel: ‘dat algemeen stemrecht, dat op die manier wortelt in het individualisme en als men het verder zoekt in het deïsme van de 18de eeuw, lijdt aan tal van gebreken, en er is bijna niets goeds van te zeggen, want het abstraheert van alles, wat er aan onderscheid in de maatschappij tot stand is gekomen.’

In dit oordeel horen we de visie van Groen van Prinsterer doorklinken, die ‘tegenover de revolutie het evangelie’ plaatste en de Grondwetsherziening van 1848 afwees, omdat daarin ‘de leer van de volkssouvereiniteit’ in praktijk werd gebracht. De constitutionele monarchie van 1813 was ingeruild tegen een ‘zeer slechte soort van democratische republiek’ en dat gepaard met een voortgaande sloping van het zelfstandig koningschap. De soevereiniteit is niet uit de mensen, maar uit God.

Toch kan Bavinck uiteindelijk wel instemmen met het algemeen kiesrecht. Zijn motivatie daarvoor is, dat het ‘een phase [is], die wij door moeten om tot betere toestanden te geraken.’ Of zoals hij zegt: ‘Ik ben er niet warm voor, maar heb wel vrijmoedigheid, om aan de herziening van art. 80 mijne stem te geven.’

Vervolgens gaat hij in op het vrouwenkiesrecht. In zijn beoordeling daarvan maakt hij een soortgelijke beweging als bij het algemene kiesrecht: ‘dat wanneer het vrouwenstemrecht nu nog werd begeerd als bij het opkomen van de vrouwenbeweging, ik geen ogenblik zou aarzelen om daartegen mijn stem te verheffen en het artikel in dit opzicht beslist te bestrijden.’ Omdat ‘de vrouwen, stemrecht op dezen grond begerende, uitgingen van een door en door niet alleen onschriftuurlijke, maar ook onwetenschappelijke theorie.’

Bavinck signaleert echter dat het feminisme van zijn tijd van visie veranderd is. Nu wordt niet meer voor algemeen stemrecht geijverd op grond van de leuze van de gelijkstelling van man en vrouw, maar juist omgekeerd op grond van de ongelijkheid en het verschil tussen mannen en vrouwen. Bavinck feliciteert de vrouwenbeweging met dit inzicht en verklaart daarom, dat ‘wanneer dit principe wordt aanvaard, er inderdaad voor vrouwenstemrecht het een en ander in het midden [valt] te brengen, dat ten gunste daarvan spreekt.’

Hoewel hij beseft dat niet al zijn christelijke partijgenoten met het vrouwenkiesrecht instemmen, is hij van mening ‘dat de Heilige Schrift zich er niet tegen verzet.’ Vervolgens noemt hij drie argumenten die voor hem van beslissende betekenis zijn om voor het vrouwenkiesrecht te pleiten: ‘In de eerste plaats de verandering in de positie der vrouw. In de tweede plaats de verandering in de ontwikkeling van de maatschappij, en in de derde plaats de verandering in de werkzaamheden van den Staat.’ Zo komt hij ‘met de Schrift in de hand’ tot de conclusie, dat de vrouw niet meer van het kiesrecht uitgesloten kan worden ‘enkel en alleen omdat zij vrouw is.’

Ik kan mij zo maar voorstellen dat de schrijvers van het Appèl van mening zijn, dat Herman Bavinck in zijn bezinning bezweken is voor de verleiding ‘om de culturele ontwikkelingen als leidraad te nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’. Toch ken ik geen vrijgemaakt-gereformeerde, ook niet uit de Bezinningsgroep ‘M/V en ambt’, die de democratie en het vrouwenkiesrecht als onbijbels afwijst. Vandaag de dag worden beide in de gereformeerde traditie als een positieve maatschappelijke verworvenheid gezien.[7]

  • §4. Als christen leven in de moderniteit

Ik vind dat de opstellers van het Appèl zich goedkoop afmaken van de vragen waar wij als christenen in een moderne samenleving voor zijn komen te staan. Op een willekeurige wijze verklaren ze de bijbelse normen, waarden en instellingen met betrekking tot de positie van de vrouw van toepassing voor de kerk, maar niet voor de samenleving.

Mijns inziens is een groot gevaar van deze positie dat het bijdraagt aan die vorm van secularisatie, die de ‘verkerkelijking’ van het geloof wordt genoemd, dit wil zeggen aan een scheiding tussen geloven op maandag en de zondag.

De vrouw mag in de samenleving volop meedraaien en gezag over mannen uitoefenen, maar op het terrein van de kerk wordt ze weer op haar bijbels geachte, aan de man onderdanige positie gezet. Waar de opstellers zich op kerkelijk terrein met een beroep op de bijbel verzetten tegen wat zij de invloed van de ‘gelijkheidsideologie’ noemen, accepteren ze con amore de invloed daarvan in de samenleving.

Historisch gezien leven we niet meer in een standenmaatschappij, waar het vanzelf sprak dat de vrouw aan de man onderdanig was. Wij hebben in het Westen een transformatie meegemaakt van de premoderne samenleving naar de moderniteit, wat betekent dat wij nu in een ‘een seculiere tijd’ leven en in deze context ons leven als christen moeten vormgeven.[8]

Interessant is te zien hoe christenen in de 19e eeuw geprobeerd hebben politiek recht te doen aan wat zij als de bijbelse positie van vrouw zagen, die ze ook voor de samenleving van toepassing achtten. Toen het over de invoering van het algemeen kiesrecht ging pleitte de voorman van de antirevolutionaire partij, Abraham Kuyper, voor het zogenaamde ‘huismanskiesrecht’, waarbij het kiesrecht alleen werd toegekend aan de gezinshoofden. Daarbij had hij er geen bezwaar tegen, dat onder het gezinshoofdenkiesrecht ook weduwen zouden vallen, omdat dit geen vorm van vrouwenkiesrecht was: de weduwe kreeg geen kiesrecht als vrouw, maar als hoofd van het gezin terwijl de zoon vervolgens het kiesrecht uitoefende. Toen Bavinck in de 1e Kamer pleitte voor het vrouwenkiesrecht, kwam dat hem dan ook op een weerwoord van Kuyper in De Standaard te staan.

In de 21e eeuw is het bijbels niet meer verantwoord om de vrouw van het kerkelijke ambt uit te sluiten, omdat zij vrouw is. Wij moeten niet op een biblicistische wijze proberen bijbelse instellingen en samenlevingsvormen in onze tijd in te passen, en zeker niet op willekeurige basis. Hermeneutisch en exegetisch gezien is het namelijk onjuist om de patriarchale samenleving voor ons vandaag normatief te verklaren. Op basis van de opdracht die God aan man en vrouw gegeven heeft om hem in deze wereld te vertegenwoordigen, kan ook de vrouw namens God met gezag in het bijzondere ambt dienen.[9]


[1] Zie mijn eerdere blog hierover: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/.

[2] De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) had als doel het gelijkheidsbeginsel, zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken. In dat artikel staat dat, ‘allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk [worden] behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’. Wanneer er sprake is van een gerechtvaardigd verschil is gelijke behandeling niet aan de orde. De AWBG is op 2 maart 1994 van kracht geworden. De AWBG geldt in het maatschappelijk verkeer, waarbij voor instellingen op godsdienstige, levensbeschouwelijke en politieke grondslag uitzonderingen vastgelegd zijn.

[3] RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 8

[4] ‘MEMORIE inzake het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de kerk, van Ds C. Lindeboom, aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, saam te komen te Groningen, in den jare 1927’, opgenomen in: RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 17.

[5] Idem, p. 17.

[6] Voor een korte weergave, zie: dr. R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 240-41. De rede is in extenso te vinden in de Handelingen van de 34e vergadering gehouden op 15 mei 1917.

[7] In dit verband is interessant de these van J.W. Sap in zijn aan de VU verdedigde dissertatie ‘Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat’ uit 1993, dat ‘de impliciete verbinding van volkssoevereiniteit met ongeloof, die anderhalve eeuw heeft gediend als paradigma van de antirevolutionaire staatkunde in Nederland, is gebaseerd op een historische vergissing.’

[8] Zie voor een schets van deze transformatie: Charles Taylor, Een seculiere tijd, Lemniscaat, 2009.

[9] Voor een nadere onderbouwing van het in deze paragraaf gestelde, zie mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/zwijgteksten-en-scheppingsorde/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

Appèl

De kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ heeft op 14 december 2019 als appèl een ‘Open Brief‘ geschreven aan de Generale Synode van de GKv die afgelopen november in Goes gestart is.[i] Deze synode zal zich buigen over de verzoeken om het besluit van de GS Meppel 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, te herzien.

De ‘Open Brief‘ roept de GS Goes 2020 op om in haar bezinning op deze revisieverzoeken:

  1. bij de beoordeling daarvan de eenheid met de christelijke kerk weer uitdrukkelijk te zoeken;
  2. het Woord bij de overwegingen en beraadslagingen de beslissende stem te laten hebben;
  3. dat vervolgens ook te laten zien in (de onderbouwing van) de besluiten.

Voor een vergadering van gereformeerde kerken lijken mij dit vanzelfsprekende uitgangspunten en ik neem aan dat het ook de intentie van de synodeleden is om hun werk in overeenstemming met deze criteria te doen. Net zoals ook de leden van de vorige synode ongetwijfeld deze intentie hadden.

De reden voor de bezinningsgroep om de komende synode toch hiertoe aan te sporen, is dat men vindt dat de vorige synode het op deze punten in de praktijk heeft laten afweten. Het appèl is vooral een poging te beargumenteren, dat het besluit om de vrouw in het ambt toe te laten niet vanuit ‘het Woord’ onderbouwd is en daarmee strijdt met ‘het Woord’ en ook nog eens ‘de eenheid van de christelijke kerk’ verbreekt.  

Het lastige van deze ‘Open Brief ‘vind ik, dat men zich zo inhoudelijk verbonden heeft met de positie dat de vrouw het ambt niet mag bekleden, dat een andere uitkomst dan het honoreren van de revisieverzoeken niet acceptabel is. In hun optiek kan namelijk geen enkele onderbouwing vanuit ‘het Woord’ leiden tot de openstelling van het ambt voor de vrouw. Vrouwen en mannen gelijkwaardig laten dienen in het ambt betekent voor hen het accepteren van ‘de gelijkheidsideologie’ en ‘de culturele ontwikkelingen als leidraad nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’.

Behalve dat deze ‘Open Brief‘ geen ruimte biedt voor een andere uitkomst dan het afwijzen van de vrouw in het ambt, heb ik grote moeite met enerzijds de tendentieuze wijze waarop het besluit van de GS Meppel 2017 wordt weergegeven en weggezet, anderzijds de manier waarop de impact van dit besluit op de vrijgemaakte kerken boven proportionaliteit wordt opgeblazen.

Om met dat laatste te beginnen. De besluiten zouden ‘tot grote verdeeldheid in de kerken geleid hebben’ en hebben ‘bij veel leden van de GKv een sterk gevoel van vervreemding doen ontstaan’. Dat kan de beleving van de bezinningsgroep zijn, maar feitelijk gezien heeft nog geen 10% van de kerken een revisieverzoek bij de synode ingediend, terwijl 66% van de kerken de ambten voor vrouwen heeft opengesteld. De overige kerken hebben veelal besloten om de definitieve besluitvorming op de komende synode af te wachten.

Tendentieus is de bewering, dat de grond voor het besluit van de GS Meppel de visie is ‘op de verhouding van Oude en Nieuwe Testament, die inhoudt dat in toenemende mate de bevrijding van de vrouw uit de beklemming van mannelijke overheersing zichtbaar wordt, met uiteindelijk de totale verlossing door Jezus zelf’. In het synodebesluit komen de termen ‘bevrijding van de vrouw’ en ‘de beklemming van de mannelijke overheersing’ niet voor.

Even misleidend is de stelling dat er geen grondige confrontatie heeft plaatsgevonden met de onderbouwing van de traditionele opvatting dat alleen de man in het ambt mag dienen. Dat de leden van de bezinningsgroep en dat de zusterkerken in het buitenland daardoor niet overtuigd zijn, dat is mogelijk. Maar tot twee maal toe confronteert het besluit van de GS Meppel zich met de zwijgteksten als grond voor de traditionele opvatting en verklaart het dat deze ‘in zichzelf geen onbetwistbare grond kunnen zijn om in onze tijd en omstandigheden vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en het regeerambt’ en dat het voorschrift om te zwijgen ‘in ieder geval niet opgevat kan worden als een absoluut verbod tot (s)preken in de eredienst’.

De veronderstelling dat ‘de onderbouwde bezwaren en studies van onze zusterkerken in binnen- en buitenland in de afwegingen niet zichtbaar meegewogen zijn’ lijkt me ook vooringenomen en zeer onwaarschijnlijk, waar in het materiaal dat in de besluitvorming van de GS Meppel meegenomen is o.a. een brief omvat ‘van de Canadian Reformed Church (24-01-2017) waarin wordt ingegaan op het hoofdstuk 2 van het rapport Samen dienen’ en een ‘schriftelijke reactie van de VGKSA op vragen van de synodecommissie M/V en ambt (22-05-2017)’.

Tenslotte, ik stem van harte in met het uitgangspunt van de brief dat wij geroepen zijn tot ‘de gehoorzaamheid aan het Woord van Christus’. Dat deze gehoorzaamheid gekoppeld moet worden aan het uitsluiten van de vrouw in het ambt, wordt door de bezinningsgroep – ondanks alle aangewende retoriek in de verwijzing naar bijbelteksten – vooral verondersteld, maar hermeneutisch noch exegetisch beargumenteerd of aangetoond. Voor een laatste appèl lijkt me dat een gemiste kans.


[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/appel-op-de-generale-synode-van-de-gkv-goes-2020






De GKv en de ‘Schriftkritiek’

We zijn ruim anderhalf jaar verder. In juni 2017 nam de GS Meppel 2017 het besluit om in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) het ambt voor de vrouw open te stellen. Sommige gemeenten hebben op grond van dit besluit vrouwen tot ouderling en diaken bevestigd, terwijl één classis recent een vrouw als predikant beroepbaar heeft gesteld. Andere gemeenten wachten liever de behandeling van de revisieverzoeken op de GS Goes 2020 af. In het buitenland schorten kerken de banden met de Gkv op. Intussen gaat het debat over het besluit verder.

Het mag duidelijk zijn dat het m/v-besluit de uitdrukking is van een veranderende omgang met de bijbel als Gods woord. Wat eerst op grond van de bijbel werd afgewezen, wordt nu bijbels verantwoord geacht. Terecht is dan de vraag, hoe deze verandering te duiden is. Tegelijk vind ik dat aan deze andere uitleg en toepassing van de bijbel door de tegenstanders van het besluit wel heel erg gemakkelijk het etiket ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ verbonden wordt.

Wie de recente geschiedenis van de GKv kent, weet dat het niet de eerste keer is dat het in de kerken botst over de manier waarop de bijbel gebruikt wordt.

In 2003 zijn de DGK – de Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) – ontstaan als afscheiding vanuit de GKv. Men kon zich niet vinden in de manier waarop in synodebesluiten de bijbel werd gebruikt in onderwerpen als de verhouding van man en vrouw, huwelijk en echtscheiding, actief stemrecht voor vrouwen in de kerk, liturgie, en sabbat en zondag.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de DGK zich door het besluit van de GS Meppel 2017 bevestigd ziet in hun oordeel over de GKv. Hadden de GKv zich in de loop van de jaren ’80 en ’90 al aan dwaalleer en deformatie overgegeven, nu is het in hun optiek wel heel duidelijk dat de GKv het gereformeerde spoor totaal zijn kwijtgeraakt. Volgens hen hebben de GKv de invloed van de Schriftkritiek en de ‘nieuwe hermeneutiek’ niet weerstaan en zo in de besluitvorming over ‘vrouw en ambt’ toegegeven aan de moderne tijd en wetenschap, aan feminisme, individualisme en het opkomen voor de leer van de gelijke rechten van ieder mens.[i]

Binnen de context van de GKv is het ‘logisch’ dat van de kant van de DGK het verwijt van Schriftkritiek klinkt. ‘Gehoorzaamheid aan de Schrift’ en ‘het toelaten van Schriftkritiek’ zijn voor de GKv decennialang de maatstaf geweest om andere kerken en visies aan af te meten en het gelijk van de eigen positie te verdedigen.

Typerend voorbeeld is de manier waarop de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) in de jaren ’70 en ’80 beoordeeld worden. In de brief van de GS Arnhem 1981 aan de CGK wordt het verwijt geuit dat de CGK de ‘Schriftkritische’ visies van de toenmalige hoogleraren dr. B.J. Oosterhoff en dr. J.P. Versteeg niet weerspreken. Ook worden ze gekapitteld dat zij in het kader van de internationale ‘Gereformeerde Oecumenische Synode’ (GOS) banden met de ‘Schriftkritische’ synodaal-gereformeerde kerken (GKN) onderhouden. Tenslotte wordt er bezwaar gemaakt, dat de CGK contacten onderhouden met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK), waar ‘opening aan de Schriftkritiek wordt gegeven.’[ii]

Dit voorbeeld laat tegelijk zien, dat het werken met de term ‘Schriftkritiek’ nog niet zo gemakkelijk is. Wat is ‘Schriftkritiek’ en hoe herken je dat? De CGK en de GKv verschilden duidelijk van mening, of deze karakterisering voor de CGK terecht was.

In de ’90-er jaren is de GKv genuanceerder gaan denken over wat ‘Schriftkritiek’ is of niet. Het zijn met name de Kamper docenten dr. Kees (C.) Trimp en dr. Ad de Bruijne die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld, wat o.a. in 2002 resulteerde in de publicatie van de bundel ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel[iii]. Ook in het onderzoek van de bijbelwetenschappers van de TU Kampen en TU Apeldoorn maakt men een onderscheid tussen een ‘Schriftkritische lezing die zich boven de Bijbel verheft en een kritische bestudering van de historische processen waarin en de menselijke wijze waarop de Heilige Schrift tot stand kwam[iv].

Een zelfde nuance in het denken over wat ‘Schriftkritiek’ is, werd ook duidelijk in de gesprekken die sinds 2008 tussen de GKv en de NGK gevoerd werden. Daarbij bleek in 2014, dat ook al had de NGK het ambt voor de vrouw opengesteld, dit geen belemmering was om te concluderen, dat zij ‘als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’ Op grond daarvan kon de GS Ede 2014 uitspreken, dat ‘de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen.[v]

Net als destijds in 2003 blijkt nu opnieuw een synodebesluit te werken als een katalysator om het etiket ‘Schriftkritiek’ weer te gaan gebruiken en concrete verschillen in de uitleg en toepassing van de bijbel theologisch en dogmatisch te benoemen in termen van gereformeerd of vrijzinnig.

De hamvraag is natuurlijk, welke criteria men hanteert om de term ‘Schriftkritiek’ van toepassing te achten. Louter het feit dat de synode tot een andere conclusie is gekomen dan lang als bijbels werd gezien, is onvoldoende grond daarvoor. Als men dat wel vindt, zal men zich moeten confronteren met de hermeneutische overeenstemming tussen de GKv en de NGK, die grond was voor de visie van de GS Ede 2014, dat de openstelling van de ambten voor vrouwen op zichzelf niet gezien kan worden als een aantasting van het gezag van de bijbel.

Daarnaast zal men zich ook moeten confronteren met de veranderende omgang met de bijbel als Gods woord, zoals die in de eerdere besluitvorming op de GKv-synoden van de afgelopen 30 jaar tot uitdrukking is gekomen. Dan denk ik met name aan de veranderde visie op de verhouding van man en vrouw die in de nieuwe huwelijksformulieren van de jaren ’90 tot uitdrukking is gekomen en in de veranderende opvatting in het denken over ‘huwelijk en echtscheiding’.

Tenslotte zal men zich moeten confronteren met de veranderende hermeneutische inzichten, die aan die veranderende omgang met Gods woord ten grondslag liggen. In dat opzicht vind ik dat de tegenstanders van het besluit wel erg kort door bocht en zonder voldoende argumentatie deze inzichten karakteriseren als een voorbeeld van ‘de nieuwe hermeneutiek’.[vi]

Gereformeerden staan voorgesorteerd om de ‘nieuwe hermeneutiek’ te verbinden met vrijzinnigheid. Met die term werd namelijk de vrijzinnige moderne theologie van de jaren ’60 gekarakteriseerd, die zich liet inspireren door het gedachtengoed van Rudolf Bultmann, Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling. Door de hermeneutische inzichten in de gereformeerde theologie van vandaag te verbinden met de term ‘nieuwe hermeneutiek’ lijken de tegenstanders van het m/v-besluit zich ontslagen te achten om zich inhoudelijk met de huidige gereformeerde hermeneutiek te confronteren, terwijl ze die tegelijkertijd wel in het vrijzinnige verdachtenbankje plaatsen. Ik vind dat een kwalijke zaak. Dat vertegenwoordigers van de DGK die mening zijn toegedaan, dat zij zo. Dat een door tegenstanders van het m/v-besluit ingevlogen hersteld hervormde predikant als dr. G.A. van den Brink zich niet kan vinden in de gereformeerde hermeneutiek vandaag kan ik me ook voorstellen.[vii] Van medegelovigen in de GKv verwacht ik echter een zorgvuldiger en fairer omgang in de beoordeling van het m/v-besluit.


[i] Zie de artikelen in het kerkblad van de DGK, De Bazuin, Jaargang 7, nummer 33 d.d. 25-09-2013: ‘Doorgaande deformatie’ en Jaargang 11, nummer 17 en 18, d.d. 06-09-2017 en 20-09-2017 onder de titel: ‘Hoe is het goud donker geworden!’

[ii] Acta GS Arnhem 1981, art. 169, Brief aan de Christelijke Gereformeerde Kerken.

[iii] C. Trimp (red.), ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel’, Kampen: Kok, 2002.

[iv] Zie het artikel van Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels: ‘Gereformeerde bijbelwetenschap en bijbelse hermeneutiek’, dat verscheen in: Nieuwe en oude dingen. Schatgraven in de Schrift, (red. Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2013, p. 243-255, citaat op p. 246. Deze gemeenschappelijke publicatie van de TU Kampen en de TU Apeldoorn verscheen tegelijkertijd in de TU Bezinningsreeks als nr. 13 en Apeldoornse Studies nr. 62.

[v] Acta GS Ede 2014, p. 141.

[vi] Ik denk hier met name aan diverse artikelen van dr. Pieter Boonstra in het blad Nader Bekeken, herplaatst op het site www.bezinningmvea.nl.

[vii] Een video van een door dr. Gert A. van den Brink gehouden lezing in de GKv Haren is te vinden op de site www.bezinningmvea.nl.

Man, vrouw en ambt

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente de Fontein (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde.

De avond stond in het kader van een bespreking van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen.  

De inleiding bestaat uit de volgende drie onderdelen:

1e.  Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

Hierin ga ik in op het verschil tussen de traditionele visie en de visie van de synode, dat ligt in het gegeven dat we nu uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw in tegenstelling tot de vroegere ondergeschikt van de vrouw aan de man.

2e.  Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Hierin besteed ik aandacht aan vier elementen, op grond waarvan wij de m/v-teksten vandaag anders lezen dan vroeger, te weten:

  •  De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd
  •  Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst
  •  Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen
  •  Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

3e.  Mag je de bijbel zo anders lezen?

Om deze vraag te beantwoorden benoem ik drie zaken, op grond waarvan dat geoorloofd is:

  • Gewoon gereformeerde hermeneutiek
  • De patriarchale samenleving is niet normatief.
  • Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

In vier excursen bespreek ik thema’s die in de bespreking van de inleiding naar voren kwamen:

  Excurs 1 – ‘Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk’

  Excurs 2 – Gen. 2 en 3 en de zgn. scheppingsorde

  Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

  Excurs 4 – Patriarchale samenleving en cultuur 

De uitwerking van de lezing is hier te vinden: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf