Hermeneutiek en het ‘m/v-besluit’

De kern van het verschil in visie op ‘m/v en ambt’ in de GKv is het ontbreken van een gedeelde visie op de ‘hermeneutische vertolking’. Daarmee bedoel ik dat er geen consensus is hoe je wat betreft de vraag naar ‘vrouw en ambt’ een geldig beroep op de bijbel kunt doen en zo de gehoorzaamheid aan Gods woord vorm geeft. Deze stelling wil ik illustreren met verwijzing naar de visie van dr. Gert A. van den Brink op hermeneutiek, openbaring en bijbel lezen, die juist door verontruste GKv-ers vanwege de daarin tot uitdrukking komende Schriftbeschouwing zeer gewaardeerd en gepromoot wordt.  

Sinds 2017 heeft dr. Van den Brink in een tweetal lezingen zijn visie gegeven op het besluit van de Generale Synode van Meppel om in de GKv het ambt voor de vrouw open te stellen. In die lezingen werkt hij de kritiek uit op de bundel ´Gereformeerde hermeneutiek vandaag´ (GHV)[i], zoals hij die ook kort in het Reformatorisch Dagblad bij het verschijnen van de bundel geuit heeft.

Dat dr. Van den Brink kritisch is op het m/v-besluit is niet verwonderlijk. Hij is Hersteld Hervormd predikant in Rotterdam-Kralingse Veer. Dat is een kerk waarin de voorschriften van Paulus over m/v zo gelezen worden, dat vrouwen tijdens de eredienst hun hoofd bedekken. Instemmen met de vrouw in het ambt is dan zeker niet te verwachten.

Ik duid de kritiek van dr. Van den Brink zo, dat hij betwist dat de ‘hermeneutische vraagstelling’ in kerk en theologie een legitieme plek mag hebben. Daar ligt m.i. een andere visie ten grondslag op de rol van de bijbel in de wijze waarop God zich openbaart en ook vandaag zijn wil bekend maakt.

Ik schets eerst de visie van dr. Van den Brink (par. 1), vervolgens geef ik daar een beoordeling van (par. 2), en ten slotte maak ik enkele afsluitende opmerkingen over de kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv.


1.  De visie van dr. Van den Brink[ii]

1.1.  Verschil in hermeneutiek-opvatting

Dr. Van den Brink stelt de hermeneutiek van de ‘GHV’ tegenover de ‘gereformeerde hermeneutiek’. Hij vindt dat in de ‘GHV’ een ‘nieuwe’ hermeneutiek naar voren komt, die haaks staat op de gereformeerde hermeneutiek.

Traditioneel ligt in de gereformeerde hermeneutiek de focus op de uitleg en interpretatie van de bijbel zelf d.w.z. de methode om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’ of ´sense´) van de bijbel (een vers, perikoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. In de ‘GHV’ staat de vraag naar het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst (= relevantie of ‘significance’) centraal. Dat is de vraag naar de vertolking en de toepassing van de bijbel voor vandaag.

Het mag duidelijk zijn dat het doel van de twee vormen van hermeneutiek verschillend is. Zoals dr. Van den Brink aangeeft ligt achter die verschillende doelstellingen ‘ongeveer de oude indeling van uitleg en verklaring van de tekst en de toepassing, explicatio en applicatio.’

Dr. Van den Brinks bezwaar tegen de ‘GHV’ is, dat daarin de aandacht verlegd wordt ‘van ‘meaning’ naar ‘significance’, van de betekenis (‘meaning’) van de tekst naar de betekenis (‘significance’) voor de gelovige’. Volgens hem gaat de bundel: ‘niet zozeer (zoals de lezer zou verwachten) over het begrijpen van de inhoud van de Bijbel, maar over Godsverstaan, wereldverstaan, zelfverstaan, Schriftverstaan. De nadruk ligt daarmee niet op God als de eerste Auteur van de Schrift, maar op de gelovige hoorder.

Daarom pleit hij voor een terugkeer naar de doelstellingen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ alleen.

1.2.  Afwijzen van de ‘hermeneutische vraagstelling’?

Dr. Van den Brink lijkt met zijn kritiek op de ‘GHV’ de noodzaak en het recht van de ‘hermeneutische vraagstelling’ af te wijzen. Volgens hem vormt namelijk: ‘niet het begrijpen, maar het gehoorzamen van Gods Woord het wezenlijke probleem. Gods openbaring in Zijn Woord is immers helder en duidelijk voor ieder die het leest.

Met andere woorden: in zijn optiek is een vaststelling van de ‘meaning’ van de bijbeltekst voldoende en is bezinning op de ‘significance’ van de gevonden ‘meaning’ niet nodig. Het stellen van die vraag lijkt hij is als ongehoorzaamheid aan de duidelijke boodschap van de bijbel als Gods Woord te typeren. De ‘significance’ is met de ‘meaning’ van de bijbel gegeven:

Wij moeten de ‘meaning’ en ‘significance’ simpelweg bij elkaar houden. Als toen wat gezegd was, en we lezen dat en begrijpen de zin, heeft dat ‘significance’, heeft dat relevantie voor ons. Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’ Je kunt niet zeggen: o.k., ik snap de tekst, maar onze situatie is anders, dus wij kunnen het daar bij laten en het is voor ons niet meer relevant.

De zwijgteksten in combinatie met – zoals een mede-predikant uit de Hersteld Hervormde Kerk het verwoordt – ‘het Bijbelse onderscheid tussen man en vrouw en de verschillende roeping die zij hebben[iii] zijn voldoende duidelijk om de vrouw niet tot het ambt toe te laten.

1.3.  Visie op openbaring

Wanneer dr. Van den Brink zijn visie op openbaring geeft, lijkt het er op dat hij een pleidooi voert voor de gelijkstelling van ‘significance’ en ‘meaning’. Hij gaat voor wat hij noemt de ‘oude visie’ op openbaring, waarin gezegd wordt: ‘in de bijbel worden waarheden geopenbaard en met het afsluiten van de canon staan die waarheden vast. Er komt niets nieuws bij.

In zijn recensie van de ‘GHV’ ziet hij in die bundel een andere visie op openbaring: ‘De focus lijkt niet meer te liggen bij het spreken van God in Zijn Woord, waarmee Hij bepaalde waarheden onfeilbaar en adequaat heeft bekendgemaakt.

De bijbel is een uniek boek, dat een dubbel auteurschap kent. Naast de menselijke auteur is de Heilige Geest de eerste auteur. Ook al heeft Paulus misschien niet aan ons gedacht toen hij zijn brieven schreef, de Heilige Geest wel toen hij Paulus inspireerde:

Dus alles wat Paulus geschreven heeft als auteur van de bijbel, gaat verder dan die situatie alleen. Ook wij worden rechtstreeks in de bijbel geadresseerd. Het gaat niet alleen over de situatie van de mensen toen en daar, maar het gaat ook over onze situatie hier en nu. De bijbel is dus bij voorbaat toereikend.

Voor de exegese betekent dit, dat je ‘dat in de Schrift [moet] zien te vinden, wat de bedoeling van de Heilige Geest was’:

Dat dubbele auteurschap geeft een hele andere dynamiek en richting aan de manier waarop je bijbel leest. Veel minder als een tijdgebonden en een tijdbepaald boek, maar integendeel een boek dat ook voor onze situatie en levensomstandigheden zeer toepasselijk is.

In de bijbel is de ‘significance’ al opgenomen. Vandaar dat de exegese om de ‘meaning’ te vinden voldoende is om het doel van het lezen van de bijbel te bereiken: ‘Als ik de Bijbel lees, moet ik .. weten hoe ik  ..  de betekenis vind die God mij wil bekendmaken.’

Dr. Van den Brink verwijst dan naar bekende teksten als Rom. 15:4: ‘Alles wat vroeger geschreven is, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften, zouden blijven hopen.’ En 2 Tim. 3:16: ‘Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ Waar hij vanwege het ‘alles wat geschreven is’ en ‘elke schrifttekst’ de conclusie aan verbindt: ‘Dus elke tekst waar je de ‘meaning’ van begrijpt, heeft dus ‘significance’ en relevantie voor ons.

Met deze visie op openbaring correspondeert de ‘oude’ hermeneutiek, die volgens hem in onderscheid tot de ‘nieuwe’ hermeneutiek inzet op waarheid, een waarheid die geloofd en gedaan moet worden. Dr. Van den Brink verwijst bijvoorbeeld naar Jezus’ uitspraken over de wet:  

‘Matt. 5:18, waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, zolang de hemel en aarde bestaan, zal elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn”. Dus daar zien we iets van de morele structuur van de wet van God, want de wet van God geldt voor alle tijden en alle plaatsen, en die komt tot zijn vervulling, tot zijn bestemming, als wij ons daar naar richten.’

Toch is er niet alleen het ‘sola scriptura’, omdat Gods geboden niet alleen te vinden zijn in de bijbel, maar ook in de ‘structuur van de schepping’, waarmee hij kennelijk doelt op het onderscheid tussen man en vrouw in de scheppingsorde:

Waar ik bang voor ben, is dat er willekeur ontstaat, willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet. Dat er pragmatisme is: we doen datgene wat de optimale stap is in de goede richting. Dat er relativisme is: dat we niet meer de objectieve geboden en de objectieve morele structuur van Gods schepping accepteren. Op deze manier kun je, als je wilt, alle geboden kritiseren.’

1.4. Visie op bijbel lezen

Wat betekent deze visie op de openbaring met zijn nadruk op de ‘objectiviteit’ en de ‘waarheid’ van de bijbel voor de manier waarop je de bijbel leest?

In de praktijk laat dr. Van den Brink zien, dat hij de bewijsteksten-methode (‘loca probantia’) hanteert om bepaalde dogmatische uitspraken en stellingen te beargumenteren. Ter verdediging van zijn pleidooi voor alleen de ‘gereformeerde hermeneutiek’ onderbouwt hij zes stellingen met meer dan 60 teksten uit de bijbel, waarbij hij geen onderscheid maakt in genre (geschiedenis, wet, psalm, profetie of brief) en geen aandacht schenkt aan de historische en literaire context, waarbinnen de citaten staan en waarin ze hun betekenis krijgen.[iv]

Toch erkent dr. Van den Brink op een bepaalde manier dat je niet zo maar elke tekst kunt citeren en die als ‘significance’ voor vandaag kunt presenteren, want hij maakt een onderscheid tussen ‘naïef’ en ‘kritisch biblicisme’:  

Je hebt naïeve biblicisten, mensen die zeggen: verstand op nul, ik lees hier dit, zo moeten we het doen. Dat kan niet waar zijn. We lezen tijdbetrokken, we leven heden ten dage. Ik noem dat kritisch biblicisme. Maar ik wil mij onderwerpen aan wat de bijbel zegt. Als mensen dat biblicisme vinden, dan accepteer ik dat maar. Maar liever dat, dan dat wij het woord van God terzijde zouden werpen. Dus, wij moeten niet al te bang zijn voor dat woord ‘biblicisme’.

Ook erkent hij dat er in de bijbel tijdgebonden voorschriften staan. Zijns inziens geeft de bijbel echter zelf aan wat tijdgebonden is of niet. Volgens hem is het een zaak van exegese om dat vast te stellen. Zo gauw er hermeneutische overwegingen in het spel komen, wijst hij die af:

Als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van exegetische overwegingen, mogen en moeten we naar die argumenten luisteren. Als iemand zegt: ‘Ik lees 1 Tim. 2 of 1 Kor. 14 en ik denk dat dit gedeelte dat betekent’, luisteren, het gesprek aangaan, dat is exegese, dat is op zoek naar de bedoeling van dit gedeelte en dus op zoek naar de stem van God in dat gedeelte.  .. Maar als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van hermeneutische overwegingen, is er reden tot grote zorg.

Op welke wijze je in je exegese methodisch kunt onderscheiden tussen ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme, blijft bij dr. Van den Brink onduidelijk. Een bezinning daarop wijst hij als ‘hermeneutisch’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ van de hand.


2.  Beoordeling

2.1. Verschil in hermeneutiek-opvatting

Er is geen reden om de ‘gereformeerde hermeneutiek’ en de ‘GHV’, vanwege het feit dat ze een andere doelstelling hebben, tegen elkaar uit te spelen of tegen over elkaar te plaatsen, laat staan om één ervan daarom ‘ongereformeerd’ te noemen.[v]

M.i. brengt dr. Van den Brink in zijn kritiek op de bundel ‘GHV’ uit 2017 ten onrechte niet in rekening dat die bedoeld is als aanvulling op de eerdere publicatie ‘Gereformeerde theologie vandaag[vi] uit 2004. Beide bundels vormen een tweeluik.

In de ‘GHV’ is wat dr. Van den Brink noemt de ‘oude’ hermeneutiek voorondersteld. Als vervolg daarop richt de ‘GHV’ zich nu m.n. op de vraag wat de relevantie, geldigheid en toepasbaarheid van de bijbel voor vandaag (‘significance’) is, nadat je de inhoud of betekenis (‘meaning’) van de bijbel (volgens de principes van de traditionele gereformeerde hermeneutiek) begrepen hebt. De ‘GHV’ beoogt daarin aan te sluiten ‘bij de hermeneutische principes die in de gereformeerde tradities altijd normatief zijn geweest’.[vii]

De claim van de ‘GHV’ is niet, zoals dr. Van den Brink suggereert, dat ‘wie vandaag nog gereformeerd wil zijn van hermeneutiek moet veranderen’, zodat ‘[d]e hermeneutiek van het postmodernisme mag worden gebruikt om de Bijbel te interpreteren.’

Dr. Van den Brink vult het begrip ‘significance’ zelf op zo’n manier in, dat hij het vervolgens als postmodern en relativistisch kan afwijzen, terwijl hij suggereert dat de ‘GHV’ dit begrip op die manier gebruikt: ‘Dus daar wordt gezegd: betekenis wordt niet in de tekst ontdekt, maar aan de tekst verleend. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind dit een belangrijk gedeelte.’ ‘Dit spreekt mij aan, dit spreekt tot mij, zo ervaar ik dat.’ 

Als je nagaat hoe de ‘GHV’ het begrip ´significance´ hanteert, dan wordt allereerst duidelijk, dat ´significance´ op de ´meaning´ betrokken moet worden: ‘Wil die heilzame betekenis als ‘significance’ ons leven gaan bepalen, dan zullen we eerst de ‘sense’ van de wereld van de tekst zelf [= ‘meaning’] tot ons door moeten laten dringen’, (57).

Als tweede is het volgens de ‘GHV’ ook noodzakelijk – wil je de ‘significance’ kunnen vaststellen -, dat ‘kritisch gereflecteerd wordt op de wereld voor de tekst en op de interactie tussen de wereld van de tekst en onze eigen wereld’ (59). Met deze twee aanwijzingen wordt door de ‘GHV ’juist beoogd om postmodern relativisme de pas af te snijden.  

Het ‘Anliegen’ van de bundel ‘GHV’ is dat de hermeneutiek verbreed wordt, omdat in de gereformeerde theologie bezinning nodig is op de wijze waarop je de toepassing en de ‘significance’ van de bijbel als het normatieve Woord van God voor vandaag vaststelt. Dat is een hermeneutische taak die de gereformeerde hermeneutiek aan de systematische en praktische theologie toebedeeld heeft. De bundel uit 2017 is vrucht van een kwart eeuw bezinning aan de TU Kampen op die verbreding.[viii]

2.2.  ‘Hermeneutische vraagstelling’

Met zijn pleidooi voor een terugkeer naar alleen de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ lijkt het erop dat daarmee voor dr. Van den Brink het onderwerp ‘m/v en ambt’ beslist is. Wanneer exegetisch gezien de ‘meaning’ van de bijbel(tekst) vastgesteld is, is ook de ‘significance’ gegeven: ‘Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’.’ De vraag die echter open blijft staan voor beantwoording, is die naar de relatie tussen ‘meaning’ en ‘significance’.

Kun je een is-gelijk-teken plaatsen tussen deze twee begrippen? Is het voldoende om vast te stellen wat de betekenis (= ‘meaning’) van de zwijgteksten in de tijd van Paulus is geweest om dan te concluderen dat rechtdoen aan de bijbel als Gods woord betekent het één-op-één toepassen van de aanwijzingen van Paulus in onze situatie vandaag (= ‘significance’)? 

2.3.  Openbaring

Dr. Van den Brink beschouwt teksten uit de bijbel als ‘waarheden’, die God ‘onfeilbaar en adequaat’ heeft geopenbaard. Met behulp van deze ‘Goddelijke waarheden’ onderbouwt hij zijn betoog en visies, waarbij hij voor de betekenis en de reikwijdte van die ‘waarheden’ geen rekening houdt met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn.

Zo stelt hij bijvoorbeeld: ‘Wat God openbaart is bindend, omdat het duidelijk is’, met een verwijzing naar Deut. 29:29: ‘Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe, wat openbaar is komt ons toe.’ Is met deze tekstverwijzing voldoende onderbouwd, dat alles wat in de bijbel staat, omdat het als openbaring van God aan ons gegeven is, voor ons ook vandaag bindend is?

Een tweede voorbeeld. Natuurlijk is het zo, dat ‘gehoorzaamheid wezenlijk is voor een christen’ en dat ook geldt: ‘Een christen die navolger wil zijn van Jezus Christus, zal daarom gehoorzaam willen zijn aan het gebod dat God geeft.’ Dan is een verwijzing naar Matt. 7: 21 best passend: ‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Maar kun je op basis van deze tekst concluderen, dat je elk gebod dat in de bijbel gegeven is, moet opvolgen, omdat je anders ongehoorzaam bent aan Gods wil?

Dr. Van den Brink is gespecialiseerd in de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw en afkomstig uit het deel van de reformatorische gezindte, dat stevig in dat scholastieke denken geworteld is. Zijn visie op openbaring is door dit denken gestempeld. De gereformeerde theologie heeft echter sinds het einde van de 19e eeuw met het smeden van de term ‘organische inspiratie’ het begrip ‘openbaring’ op andere wijze omschreven.

Als voorbeeld geef ik de visie weer van dr. Herman Bavinck, eind 19e eeuw dogmaticus in Kampen en begin 20e eeuw in Amsterdam. Hij formuleerde zijn visie zowel in kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd. De auteurs van de ‘GHV’ beschouwen zichzelf nadrukkelijk als erfgenamen van dit neocalvinistische denken van Abraham Kuyper, Herman Bavinck en hun leerlingen (25-26).

Allereerst vraagt Bavinck met de term ‘organische inspiratie’ aandacht voor de ontwikkeling en het historische karakter van de openbaring d.w.z. dat wij Gods openbaring juist leren kennen via het werk van de menselijke auteurs van de bijbel, die God daarvoor in dienst heeft genomen. Voor de interpretatie van de bijbel betekent dit, dat: ‘alles zijn zin en zijn betekenis zeer zeker [heeft], maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het voorkomt. .. Organisch moet de inspiratie worden opgevat, zodat ook het geringste zijn plaats en betekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van het centrum dan andere delen.[ix] 

Vervolgens benadrukt hij dat niet de inspiratie op zichzelf een geschrift tot Gods woord maakt, maar dat de Schrift het Woord van God is, ‘omdat de Heilige Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij de ‘Logos ensarkos’ [= het vleesgeworden woord] tot stof en inhoud heeft’. Op dit centrum van de openbaring moet heel de bijbel betrokken worden.

Ten derde wijst hij op het specifieke doel van de Godsopenbaring, namelijk dat die een ‘door en door religieus-ethische bestemming’ heeft. Het gaat om ‘de zaligmakende kennis van God. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In die zin is zij volkomen genoegzaam en volmaakt.’

Als vierde merkt Bavinck, wanneer hij het gezag van de bijbel ter sprake brengt, op dat ‘de Schrift wel in alles waar is, maar deze waarheid is volstrekt niet in al haar bestanddelen van dezelfde aard.’ Hij heeft daarbij vooral het oog op de specifieke waarheidswaarde van de verschillende genres die we in de bijbel tegenkomen.[x] 

Het grote verschil tussen de visie van dr. Van den Brink en die van Herman Bavinck op het begrip ‘openbaring’ is, dat Bavinck aandacht vraagt voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling. Voor het beroep op de bijbel vandaag betekent dit dat het noodzakelijk is nadrukkelijk rekening te houden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis.

Tenslotte is in de visie van Bavinck besloten, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  – zonder rekening houden met de gelaagdheid en de context -, toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

Bavinck benadrukt namelijk sterk het instrumentele karakter van de bijbel. De bijbel is middel, geen doel. Daarmee wijst hij de eenzijdigheid van zowel het scholastieke denken als dat van de moderne theologie af. Bij de eerste ziet hij ‘verwaarlozing van de historie’ en ‘een vervallen in orthodox intellectualisme’, bij de ander ‘minachting van het woord’ en ‘het gevaar van anabaptistisch spiritualisme’.  Ook al bestaat voor de kerk van alle eeuwen de openbaring ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, de juiste beschouwing is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.[xi]

Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. De bijbel heeft een rol in de bedeling van de Geest. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. Door de Geest brengt God zelf via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.[xii]

2.4.  Bijbel lezen 

Dr. Van den Brink pleit voor een puur exegetische benadering om de ‘significance’ van de bijbel vast te stellen. Doordat hij de ‘meaning’ en ‘significance’ zo dicht mogelijk bij elkaar probeert te houden, veronderstelt hij dat hij zonder de ‘hermeneutische vertolking’ kan. Het problematische van deze visie is, dat hij in de praktijk daar wel degelijk mee werkt. Dat blijkt allereerst wanneer hij een onderscheid invoert tussen een ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme. Zo’n onderscheid kan hij alleen maken op basis van een hermeneutische theorie, die verder gaat dan een theorie van de exegese.

Daarnaast heeft hij een hermeneutisch kader nodig hebben om een verantwoording te kunnen bieden voor zijn keuze om bepaalde teksten al dan niet als tijdgebonden te karakteriseren. Op grond waarvan kan hij de aanwijzing van Paulus om met geheven handen te bidden (1 Tim. 2:8) voor tijdgebonden houden en diens aanwijzing dat iedere vrouw niet met onbedekt hoofd mag bidden (1 Kor. 11:5, 10) als niet-tijdgebonden? Door een verantwoorde hermeneutische vertolkingstheorie overbodig te verklaren, bevordert hij datgene waar hij zegt bang voor te zijn: ‘Willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet.

De manier waarop dr. Van den Brink praktisch met de bijbel omgaat is rechtstreeks te herleiden tot het ‘openbarings’-begrip waar hij vanuit gaat. Wanneer de bijbel bestaat uit een verzameling ‘Goddelijk’ gekwalificeerde ‘waarheden’ is het logisch dat je daar zonder rekening te houden met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn, je bijbels-theologische, dogmatische of ethische conclusies op kunt bouwen. Het gevaar is m.i. zeer groot, dat je de bijbel door deze context-loze manier van lezen laat buikspreken en dat je voor je bevindingen een goddelijk gezag claimt, die je niet waar kunt maken.

Tenslotte: heel dr. Van den Brinks beschrijving van de ‘oude’ gereformeerde hermeneutiek gaat uit van een visie op de bijbel, waarin openbaring en bijbel samenvallen. Dat is een keuze, die ook fundamenteel is voor zijn kritische beoordeling van de ‘GHV’, die uiteindelijk gebaseerd is op de neocalvinistische visie dat openbaring en bijbel niet samenvallen, maar in de interpretatie en toepassing naar vandaag toe wel op elkaar betrokken moeten worden.


3.  De kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv  

Tegenstanders van het besluit van de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen karakteriseren dit besluit als ‘Schriftkritiek’ en wijzen de hermeneutiek die aan dit besluit ten grondslag ligt als ‘Schriftkritisch’ af.

Mijn stelling is dat deze kwalificatie van (de hermeneutiek van) het ‘m/v-besluit’ alleen mogelijk is vanuit een visie op de Schrift, waarbij ‘openbaring’ en ‘bijbel’ samenvallen. Dit is echter een visie die kenmerkend is voor de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw, maar waar in de gereformeerde theologie aan het einde van de 19e eeuw door o.a. Herman Bavinck afscheid is genomen. Hij pleitte voor een visie, waarin openbaring en bijbel zowel van elkaar onderscheiden worden als op elkaar betrokken worden.

Ik vind het daarom veelzeggend, dat de tegenstanders van het ‘m/v-besluit’ om hun bezwaren te onderbouwen, juist een beroep doen op Hersteld Hervormde theologen als dr. Gert A. van den Brink, dr. Wim van Vlastuin en dr. Pieter de Vries, die in hun theologisch denken van een ander ‘openbaring’-begrip uitgaan dan waar wij in de GKv mee werken en die wij theologisch gezien bewust als biblicisme hebben afgewezen.

Zolang niet aangetoond is dat de uitgangspunten van de gereformeerde hermeneutische theologie zoals die aan de TU Kampen beoefend wordt onjuist zijn, lijkt het mij niet nodig om op het ‘m/v-besluit’ terug te komen. De visie op ‘openbaring’ zoals dr. Van den Brink die als maatstaf in zijn kritiek op die uitgangspunten aanlegt, lijkt mij daar onvoldoende reden voor.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] Ik verwijs in mijn weergave van de visie van dr. Van den Brink naar de lezingen, die hij op 18 september 2017 gehouden heeft in de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord (‘Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?) en op 14 september 2018 in de GKv Haren (‘Op zoek naar betekenis’). Ze zijn te vinden op de website www.geloofstoerusting.nl. Daarnaast verwijs ik naar de recensie van de bundel ‘GHV’ in het Reformatorisch Dagblad van 28-09-2017 (‘”Gereformeerde hermeneutiek vandaag” begint bij de mens’), alsmede naar de briefwisseling in het Reformatorisch Dagblad met een van de redacteuren van de bundel ‘GHV’, dr. Hans Burger, op 11-10-2017 (´Zonder de Geest gehoorzamen wij de Bijbel niet´) en op 17-10-2017 (´Hermeneutiek moet de veilige vaarroute blijven volgen’).

[iii] Dr. P. de Vries, ‘Bijbelse visie op plaats van de vrouw is tot ons welzijn’, in: Reformatorisch Dagblad d.d. 12-05-2018.

[iv] Op dezelfde wijze gaat hij ook om met citaten uit ‘GHV’ en ander materiaal waar hij naar verwijst. Zonder oog voor context geeft hij regelmatig zijn eigen interpretatie aan de citaten en schrijft op die manier beweringen aan opponenten toe, die zij niet verwoorden en ook niet herkennen als een weergave van wat zij bedoelen.

[v] In een eerdere blog heb ik betoogd, dat hij zonder enige grond de gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de ‘GHV’ in twijfel trekt, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004.

[vii]  De kritiek van dr. G.A. van den Brink is juist dat de ‘GHV’ niet bij de normatieve principes van de gereformeerde hermeneutiek aansluit.

[viii] Zie mijn korte schets van de gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw tot vandaag: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[ix] Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, p. 409.

[x] De overige citaten uit deze weergave van Bavinck’s ‘openbaringsbegrip’ komen uit: Herman Bavinck, a.w., par. 117, p. 413-420.

[xi] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 104, p. 352-354.

[xii] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 105, p. 354-357. Bij dit laatste aspect van de theopneustie als actuele eigenschap van de bijbel sluit dr. C. Trimp aan in zijn artikel ‘Heilige Geest en Heilige Schrift’ in:  J.Kamphuis, W. van ”t Spijker, C. Trimp, W.H. Velema, Hoe staan wij ervoor? Actualiteit van het gereformeerd belijden, Barneveld, 1992, p. 103-137.

Advertenties

Desiderata en het lijstje van Trimp

Het feest van St. Nicolaas is voorbij en de verlanglijstjes kunnen opgeborgen worden tot volgend jaar of tot de eerstkomende verjaardag. Zo gaat dat met deze verlanglijstjes. Het gaat meestal over zaken die je niet direct nodig hebt. Het zou mooi of fijn zijn, dat je ze kreeg, maar het is geen ramp wanneer de Sint niet alle verlangens heeft kunnen vervullen. Op een later tijdstip kunnen de lijstjes dan weer van pas komen.

Er zijn ook verlanglijstjes die hoger op de agenda zouden moeten staan. Verlanglijstjes die als ze niet vervuld worden, tot achterstand in een ontwikkeling leiden. Of als je er niet aan werkt, je op een gegeven moment moet constateren dat je niet verder kunt. Omdat je de noodzakelijke tools niet tot je beschikking hebt om een bepaald probleem aan te kunnen pakken, laat staan om ze op te kunnen lossen.

Dat is de situatie waarin de gereformeerde theologie zich vandaag bevindt. Die heeft geen instrumentarium tot zijn beschikking om met de hermeneutische vragen rond bijbel en schriftgezag om te gaan. Iedere keer als zich een vraagstuk op dat gebied voordoet is de verlegenheid met handen te tasten. Ik hoef de items niet uitgebreid te benoemen. De afgelopen jaren hebben ze voortdurend het gesprek en de polemiek bepaald: schepping en evolutie, de vrouw en het ambt, de omgang met homoseksualiteit, geloof en wetenschap.

Er wordt wel gezegd dat er in de GKV-kerken gewerkt wordt met een ‘nieuwe’ hermeneutiek, waarbij de ‘oude’ (gereformeerde) hermeneutiek geen gelding meer zou hebben. Ik geloof daar niet in. Wat ik zie is dat het instrumentarium van de oude gereformeerde hermeneutiek niet toereikend is om de hedendaagse problemen op te lossen. En dat komt, omdat die daar niet geschikt voor is.

Kort aangeduid: de traditionele gereformeerde hermeneutiek is met name geschikt om de (oorspronkelijke) betekenis van een tekst vast te stellen, maar ze biedt (te) weinig houvast om uitspraken te doen over de eigentijdse toepassing en het gebruik van de gevonden betekenis. Gereformeerde bijbelwetenschappers beschouwden de uitleg en de exegese als hun corebusiness en daar hebben ze in hun hermeneutiek de regels voor vastgelegd. Maar zo gauw de vraag gesteld werd naar de toepassing en het gebruik van teksten, dan verwezen ze naar de systematische en de praktische theologen: dat was niet hun pakkie-an.

Het nadenken over de toepassing van teksten is er natuurlijk altijd geweest. Een vakgebied waarin dat bij uitstek centraal staat is de rechtswetenschap. Maar ook in de theologie is er bezinning geweest en heeft men geprobeerd methoden te ontwikkelen om bijbelteksten te gebruiken.

In de dogmatiek heeft de methode van de loca probantia lange tijd opgeld gedaan. Daarbij werd de bijbel als een bron van bewijsteksten gezien, die je systematisch met elkaar kunt verbinden om tot een beslissing over een bepaalde kwestie te komen. Tegenwoordig wordt deze methode niet meer zo toegepast, omdat er meer oog is gekomen voor het grote gevaar daarin, dat je te weinig rekening houdt met de context in de bijbel zelf of de tijd waarin de tekst ontstaan is, en dan je eigen ‘bijbelse’ waarheid kunt creëren.

Ook binnen de homiletiek – het nadenken over het maken en houden van een preek – is de vraag naar de toepassing van oudsher een belangrijk onderdeel van het vak geweest: wat betekent de bijbeltekst voor vandaag? De discussie over heilshistorische en exemplarische prediking in de 20-er en 30-er jaren van de 20e eeuw is een voorbeeld van hoe men geprobeerd heeft hiervoor een verantwoorde theorie te ontwikkelen.

Een samenhangende theorie over de toepassing van de bijbel is er in de gereformeerde theologie helaas tot nu toe niet gekomen. Als belangrijke reden daarvoor zie ik, dat het methodisch nadenken over de toepassing van teksten in de 50-er, 60-er en 70-er jaren in een kwade reuk kwam te staan en weggezet werd als een vraagstelling van de ‘moderne hermeneutiek’, waar je niet mee in zee mag gaan: ze is ongereformeerd.

Deze negatieve houding tegenover de ‘moderne hermeneutiek’ heeft alles te maken met de invloed van de existentialistische filosoof Martin Heidegger op de moderne theologie in Duitsland. Met name de nieuwtestamentici Rudolf Bultmann en Ernst Fuchs hebben zich sterk door de hermeneutische filosofie van Heidegger laten inspireren, terwijl juist gereformeerde nieuwtestamentici als Herman Ridderbos en Jakob van Bruggen zeer fel in hun afwijzing van deze theologen en hun theologie zijn geweest.

Het gevolg is geweest, dat met de inhoudelijke afwijzing van een bepaalde hermeneutische theologie ook de hermeneutische vraagstelling als zodanig verdacht is gemaakt. Daar plukken wij nu de wrange vruchten van, omdat het systematisch nadenken hoe je die hermeneutische vraagstelling zou kunnen behandelen niet verder op gang is gekomen. Wij missen de methodische tools om de vraag naar de toepassing van de bijbel verantwoord te kunnen laten plaatsvinden. Dit is volgens mij ook de reden, dat juist rond vragen over schepping en evolutie, de vrouw en het ambt of homoseksualiteit, – die juist gaan over de toepassing van de bijbelteksten, – zo vaak mensen beschuldigd worden van het hanteren van een ‘nieuwe hermeneutiek’. Terwijl het niet zozeer een zaak is van ‘nieuwe hermeneutiek’ als wel van een ‘nieuwe hermeneutische vraagstelling’. Het is de uitdaging is om zo’n nieuwe vraagstelling zo verantwoord mogelijk te behandelen.

En daarmee kom ik terug bij dat verlanglijstje. De huidige hermeneutische impasse komt m.i. omdat men in de gereformeerde theologie te weinig heeft gedaan met wat ik kortweg aanduid als ‘het lijstje van Trimp’.

C. Trimp was aan de TU Kampen systematisch en praktisch theoloog. Meerdere malen heeft hij de roeping van de gereformeerde theologie benadrukt om ‘te volharden in haar arbeid aan de nadere ontvouwing van het geopenbaarde welbehagen des Heeren’ en de vragen rond Schriftgezag verder te behandelen. In zijn proefschrift in 1961 vult hij de desiderata-lijst van de oudtestamenticus B. Holwerda uit 1942 aan met een specifiek verlanglijstje op het gebied van a) hermeneutiek en canoniek, b) exegese en c) dogmatiek. Hij roept daarbij de gereformeerde theologie op om haar ‘tijd’ ten nutte te maken.

Later heeft hij dat lijstje een enkele keer herhaald, o.a. toen hij in 1963 sprak over ‘de historische roeping van Kampen’. Hij sluit zijn lijstje dan af met de profetische woorden: ‘Zou al deze arbeid niet worden aangevat, dan zal de wraak over deze nalatigheid zich eenmaal aan ons presenteren in een verlies aan aansluiting aan de concrete situatie’.

De hermeneutische vraagstelling niet serieus nemen betekent volgens Trimp uiteindelijk dat je de relevantie van de bijbel als Gods woord zult verliezen en dat de kerk het gevaar loopt tot een secte te vervallen.

Volgens mij is dat lijstje van Trimp nog meer dan actueel. Willen wij uit de huidige hermeneutische impasse komen, dan is er voor de gereformeerde theologie werk aan de winkel.

Lessen van Justin Lee

Het was begin jaren ’80. Ik maakte voor het eerst in de vrijgemaakte kerk van nabij mee, wat het betekent als je als homo ‘uit de kast’ komt: de verwarring, worsteling en strijd die daaraan vooraf ging, het ongeloof van de omstanders en de discussie en veroordeling die daarop volgde. Maar wat mij het meest raakte was de liefdevolle barmhartigheid en strijdbaarheid van de directe familie en vrienden: ‘wat er ook gebeurt, wij houden van je en gaan voor je door het vuur, we laten je niet vallen!’

Ik was begin 20 en totaal onwetend wat homo zijn inhield. In theorie wel, maar ik kende er geen. Terwijl toch in elke klas waar ik in gezeten had er statistisch gezien op zijn minst 1 jongen of meisje homo zou moeten zijn. En in elke kerk waar ik bij hoorde, toch zeker 5 tot 10. En anders zouden er op de studentenvereniging wel zo’n 3 tot 5 leden zijn. Pas later hoorde ik dat iemand homo of lesbisch was en van velen weet ik het waarschijnlijk nog steeds niet.

Ik ben nu in de 50 en het aantal homo’s of lesbiennes dat ik ken, is nog steeds niet erg groot. Ook zie ik nog steeds zich dezelfde patronen van ongemakkelijkheid voltrekken, wanneer iemand in mijn omgeving vertelt dat hij homo of lesbisch is: hoe stel ik mij op? Hoe reageren wij als omstanders? Hoe gaan wij als kerkgemeenschap er mee om?

Afgelopen jaar verscheen ‘Verscheurd’, de Nederlandse vertaling van een boek van Justin Lee[i]. Daarin vertelt hij over zijn ervaringen om als homo binnen een christelijke gemeenschap ‘uit de kast’ te komen. Alleen al vanwege het inzicht in de worstelingen en strijd om voor jezelf te erkennen dat je homo bent, is dit boek het waard om gelezen te worden. Toch was dit niet de voornaamste reden dat ik dit boek rond de jaarwisseling in één adem uit heb gelezen. Dat was met name omdat dit persoonlijke verhaal op een innemende wijze drager is van het gesprek over homoseksualiteit en christelijk geloof. Het boek van Justin Lee gaat vooral over de worsteling hoe je tegelijk homo en christen kunt zijn.

Binnen mijn kerkgemeenschap (de GKV) is het nog steeds niet normaal dat je als christen homo of lesbisch kunt zijn. In theorie wel, maar in de praktijk weten we ons vaak geen raad. Het gesprek over homoseksualiteit is daarom blijvend noodzakelijk. Daarom vooral is het belangrijk om te weten hoe je dat gesprek kunt voeren. Het boek van Justin Lee zie ik als een voorbeeld, hoe je dat op een christelijk genadevolle wijze kunt doen. Ik hoop dat velen het om die reden zullen lezen en daar inspiratie uit zullen putten om zijn voorbeeld na te volgen.

Het thema van de homoseksualiteit zal de komende jaren in onze kerken een hot item worden. Een indicatie daarvoor zie ik in een reactie op de Synode van Ede-Zuid 2014, waarin gesteld wordt dat de wijze waarop wij met het thema homoseksualiteit om zullen gaan, bepalend zal zijn voor het behoud van het gereformeerde karakter van onze kerken. Vanuit zo’n principiële insteek zal het extra noodzakelijk zijn om dit gesprek over homoseksualiteit op zorgvuldige wijze aan te gaan. De ervaring leert dat het staan voor de waarheid zo maar het liefhebben van de ander in de weg kan staan. Wat ik van harte wil, is dat de homo’s en lesbiennes in onze kerkgemeenschap niet opnieuw slachtoffers van een (hernieuwde) discussie over homoseksualiteit zullen worden.

Daarom geef ik hier enkele lessen door die ik vooral of soms opnieuw van Justin Lee geleerd heb.

–          Allereerst dat we niet weten waarom iemand homo of lesbienne is. Maar als je het bent, is het zeer waarschijnlijk dat de biologische aanleg een belangrijke rol speelt en dat je allerlei sociologisch bepaalde theorieën, die de oorzaak in de opvoeding of in (traumatische) levensomstandigheden zien, met een gerust hart aan de kant kunt leggen.

–          De tweede is dat je homo voor het leven bent, net zoals je ook hetero voor het leven bent. Een eventueel onderscheid tussen zijn en gedrag is daarin niet helpend. De mogelijkheid dat je van seksuele oriëntatie verandert is te verwaarlozen. Daarom moet je ook homo’s niet adviseren om zo’n verandering door therapie proberen te bereiken. Integendeel, de ex -homobedieningen hebben in de VS, ondanks hun goede bedoelingen, uitzonderlijke destructieve gevolgen gehad voor zowel de kerken als voor de homo’s zelf.

–          Een derde is dat celibaat voor christenen een reële optie zal moeten zijn. Mensen die daarvoor kiezen zullen zich binnen de kerk volkomen aanvaard en gesteund moeten weten. Dit vind ik een belangrijke les, vooral omdat Lee zelf in zijn zoektocht om zijn christen zijn met het homo zijn te verbinden tot de conclusie gekomen is, dat God niet van homo’s eist dat ze celibatair leven. Wie kiest voor het celibaat heeft een lange, moeilijke weg te gaan waar eenzaamheid en ontmoediging op de loer liggen. Daarom hebben homoseksuele christenen die geloven dat God hen hiertoe roept, de steun van hun kerkelijke gemeente hard nodig.

–          Een vierde – en m.i. belangrijkste les – is, dat wil er echt een zinnig gesprek ontstaan over homoseksualiteit en bijbel er de bereidheid moet zijn om werkelijk naar de ander te luisteren. Een bereidheid die zo groot moet zijn, dat je de homo en de lesbienne als medechristen blijft aanvaarden en behandelen, zelfs al strookt zijn of haar interpretatie van de bijbel niet met die van jou.

Door het levensverhaal van Justin Lee ben ik opnieuw doordrongen van de christelijke opdracht om de ander lief te hebben en ieder in zijn gevoelens en ervaringen te respecteren, maar ook hoe christenen hier op een ongelofelijke wijze, – zelfs als zij dat niet willen -, kunnen falen.

Voor de uitkomst van het gesprek over homoseksualiteit, bijbel en kerk zal veel afhangen of we inderdaad bereid zijn de liefdevolle houding, die Jezus in zijn leven op aarde liet zien, in ons eigen kerkelijk leven na te volgen. Ik ben nog steeds dankbaar, dat ik daar in mijn eerste homocasus in de jaren ’80 al inspirerende voorbeelden van heb mogen zien.

 

[i] Justin Lee, Verscheurd, Ark Media. Amsterdam, 2014

 

Vreemd

Vreemd eigenlijk dat er nu over de vrouw in het ambt zo’n ophef is.

De vraag hoe je recht doet aan Gods spreken in de bijbel is niet uniek. Die zou in heel het leven van een christen bepalend moeten zijn. Niet alleen in het kerkelijk leven als het gaat over de vraag wie in het bijzonder ambt mag dienen. Maar ook als het gaat over de vormgeving van het persoonlijk en maatschappelijk leven. Je stuit daar op dezelfde vraag: hoe verhoudt onze cultuur zich tot de cultuur van de bijbel?

De discussie over de vrouw in het ambt zou een afgeleide moeten zijn van de vraag hoe wij in onze cultuur vorm geven aan de normen en levensregels van God, die wij in de bijbel vinden.

Hoe passen wij normen die bepaald zijn door èn ingebed zijn in een andere cultuur, toe in onze westerse samenleving? Normen voor een cultuur, die op een ander waardesysteem gefundeerd is. Dat is het punt, waarop het botst. Paulus argumenteert vanuit een specifiek waardesysteem: dat van eer en schande (honor and shame). De manier waarop hij zijn regels formuleert en beargumenteert is daardoor bepaald, zelfs in zijn beroep op de scheppingsorde.

Vreemd eigenlijk dat deze vragen over de cultuurbepaaldheid van de bijbel nu pas een belangrijk item worden. Als het gaat over de vormgeving van het kerkelijk leven.

Kennelijk roept de vormgeving van ons persoonlijk en maatschappelijk leven als christen veel minder problemen op. Terwijl je daar diezelfde botsing van waarden kunt verwachten. Dat bijbelse normen en leefregels geformuleerd en beargumenteerd worden binnen een waardesysteem, waarin het individu zijn betekenis en plaats toegewezen krijgt vanuit het overkoepelende collectief. Kennelijk hebben wij minder scrupules als het daar botst.

Ik blijf het vreemd vinden. De vrouw in het ambt als trigger om de vraag naar de cultuurbepaaldheid van de bijbel op de agenda van een synode plaatsen.