Paradoxaal

Willie Roskam-Kroeze is politica voor de ChristenUnie geweest, raadslid en wethouder in de gemeente Hellendoorn. Ze was altijd vrijgemaakt, maar is sinds kort overgegaan naar de CGK. Ze heeft namelijk onoverkomelijke bezwaren tegen het besluit in de GKv om vrouwen toe te laten in het ambt van ouderling en predikant. In de Trouw van 23 januari jl.[1] onderbouwt ze haar bezwaren met een beroep op de bijbel als het gezaghebbend Woord van God:

God heeft in de Bijbel de ordening voor zijn kerk gegeven, het lichaam van Christus. Daarin heeft de man de koppositie. Aan hem is het regeerambt en het geestelijk leidinggeven, waar ook tucht bij hoort.

Ze vindt dat God aan vrouwen andere taken in de kerk heeft gegeven, aanvullend aan de man:

Je kunt zoveel mooie dingen doen als vrouw in de kerk. Bidden en bijbel lezen met broeders en zusters. Waarom moeten vrouwen zo nodig op de kansel? Dat is doorgeslagen emancipatie.”

Het merkwaardige is dat ze naar haar zeggen ‘totaal geen spanning’ ervaart tussen haar opvattingen over de vrouw in de kerk en de politiek. Het was voor haar namelijk geen enkel probleem om als vrouwelijke wethouder leiding te geven aan ambtenaren:

De kerk is een instelling van God, de politiek is door mensen georganiseerd. Dat is wezenlijk anders.

Je zou verwachten dat Roskam-Kroeze als christelijke politica beseft dat dit een behoorlijk betwist punt is. De SGP, die andere christelijke partij uit de reformatorische gezindte, was jarenlang principieel tegenstander van vrouwen in de politiek. De bijbelse richtlijnen voor de verhouding van man en vrouw waren ook in de politiek van toepassing. De vrouw werd uitgesloten van het politieke handwerk, zodat ze geen gezag zou uitoefenen over de man. Roskam-Kroeze’s bezwaar tegen vrouwen met een gezagvolle positie in de kerk, zou een SGP-er moeiteloos van toepassing achten op haar bijdrage aan de CU en de politiek: ‘Waarom moeten vrouwen zo nodig in de politiek? Dat is doorgeslagen emancipatie.

In een eerdere blog heb ik laten zien dat het argument van ‘doorgeslagen emancipatie’ in het verleden regelmatig rond ‘vrouwenzaken’ in stelling is gebracht.[2] Ik heb dat geduid in het kader van het spanningsveld tussen de bijbel en de moderniteit.

Er zit iets paradoxaals in de visie van Roskam-Kroeze. Ze gebruikt de bijbel als argument tegen wat zij ziet als uiting van de moderniteit, namelijk de gelijkheid van man en vrouw in de kerk. Tegelijk aanvaardt zij probleemloos de differentiering en privatisering, die met de moderne samenleving gegeven is. De bijbelse visie op de verhouding van man en vrouw geldt wel in de kerk (en ik vermoed in haar visie ook voor het huwelijk), maar niet in de politiek (en de rest van de samenleving (?)). In haar optiek is dat iets ‘wezenlijk anders’.

Voor mij blijft het een raadsel dat tegenstanders van de vrouw in het ambt de inconsistentie in hun bijbelgebruik en visie niet doorzien. Zowel een beroep doen op de scheppingsorde als algemeen principe om de ongelijkheid van man en vrouw te legitimeren en praktisch gezien zonder problemen die veronderstelde scheppingsorde in grote delen van de samenleving buiten spel zetten.

Kennelijk omdat er wel een bijbels voorschrift is dat de vrouw in de kerk moet zwijgen en er niet expliciet in de bijbel staat dat ze ook in de politiek geen gezag over de man mag voeren. Hoewel dat laatste in de toenmalige samenleving ook not done was.

Wie een betere verklaring voor deze inconsistentie heeft, mag het zeggen.


[1] In het artikel van Maaike van Houten: ‘Komt de derde vrouwengolf bij de orthodoxen eraan?’

[2] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.

De ‘Nashville-verklaring’ – een duiding

Ten behoeve van de Nieuwsbrief in onze gemeente, de GKv De Fontein in Zwolle-West, schreef ik deze week een achtergrondartikel om de betekenis en waarde van de Nashville-verklaring te duiden.

De Nashville-verklaring – een duiding

Afgelopen weekend ontstond grote commotie over de Nashville-verklaring. Dat is de vertaling van een Amerikaans document uit 2017, waarin evangelicale christenen stelling nemen tegenover een postmoderne westerse cultuur, die haaks staat op het bijbels spreken over huwelijk en seksualiteit.

Enkele predikanten en voorgangers uit de reformatorische gezindte, waaronder dr. Piet de Vries, docent aan de theologische opleiding van de Hersteld Hervormde Kerk aan de VU, hebben dit document in het Nederlands vertaald en aan hen bekende predikanten en SGP-politici uit de reformatorische kerken gevraagd deze te ondertekenen. M.n. door de ondertekening door het SGP 2e-kamerlid Kees van der Staaij is de verklaring landelijk in het nieuws gekomen en is deze verklaring door een groot deel van de Nederlandse samenleving en politiek als homo-vijandig document afgewezen.  

Dat het juist vertegenwoordigers van de reformatorische kerken zijn die met deze verklaring zijn gekomen, is niet zo verwonderlijk. Want de reformatorischen hebben zich het afgelopen jaar regelmatig moeten bezinnen op hun houding tegenover homoseksualiteit. Ook heeft de SGP en haar achterban zich de laatste tien jaar over haar visie op de plaats van de vrouw in maatschappij en politiek tegenover de Nederlandse samenleving moeten verantwoorden en hun visie daarop gedeeltelijk moeten aanpassen.

De aanleiding voor een bezinning op homoseksualiteit ligt in een flyer die in maart 2018 bij het  Reformatorisch Dagblad (RD) gevoegd was. Daarin was de landelijke reclamecampagne van een kledingbedrijf met de afbeelding van zoenende mannen van een groot rood kruis voorzien. De bedoeling van de flyer was om protest aan te tekenen tegen deze reclame-uiting. Homo’s, ook in de lezerskring van de krant, voelden zich door deze flyer gekwetst. Toen daarop aan het RD een advertentie aangeboden werd, die juist positief was ten opzichte van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, werd die advertentie door het RD geweigerd. Naast nieuwe ophef daarover in de samenleving, kwamen er ook reacties van christen-homo’s en -lesbiennes. Als vervolg op deze kwesties is er in het RD in mei 2018 een briefwisseling geweest tussen de hoofdredacteur en een christen-homo, John Lapré. Het effect van al deze acties was dat gedurende het grootste deel van 2018 homoseksualiteit nadrukkelijk als thema in het RD aan de orde is geweest.

Om de indruk te vermijden dat het RD een meer tolerante positie in zou nemen ten opzichte van homoseksualiteit dan in het verleden, is er op 14 november 2018 een gezamenlijk opinieartikel van de hoofdredactie en het bestuur van het RD in samenwerking met de al eerder genoemde dr. Piet de Vries gepubliceerd, waarin men helderheid wilde bieden over de visie van het RD tegenover homoseksualiteit. O.a. stelde men daarin:

Praktisch betekent dit dat wij niet willen meegaan in de tendens om te stellen dat er vanuit een eenheid des geloofs verschillende visies op homoseksualiteit mogelijk zijn. We willen waarschuwen voor de tendens om van een afwijzing de stap eerst naar pastorale oplossingen te zetten en ten slotte naar de volledige aanvaarding van homoseksuele relaties. We kunnen en willen dus ook niet meegaan in de gedachtegang dat er in het geloof niets mis mee kan zijn als twee mensen van hetzelfde geslacht, twee mannen, twee vrouwen, van elkaar houden.

Een tweede aanleiding om als reformatorische kerken met een visie op homoseksualiteit naar buiten te komen is, dat ze zich gedrongen voelen hun positie te bepalen ten opzichte van ontwikkelingen in de PKN en de drie kleine orthodoxe kerken GKv, de NGK en de CGK. Twee nieuwsfeiten waarin deze kerken een rol spelen, kunnen als een directe katalysator gezien worden voor de vertaling van het Nashville-document.

De eerste is het besluit van de PKN-synode op 15 november 2018 om weliswaar het onderscheid in de kerkorde tussen ‘huwelijk’ en andere ‘levensverbintenissen’ te handhaven, maar ook te verklaren dat de kerkorde ‘geen waardeoordeel geeft over de seksuele geaardheid van haar leden noch over hun persoonlijke keuzes als het gaat om het huwelijk of andere levensverbintenissen’. Voor een deel van de ‘Gereformeerde Bond’-kerken in de Nederlands Hervormde Kerk was het onderwerp van de (in)zegening van het homohuwelijk in 2004 een belangrijke obstakel om met de totstandkoming van de PKN mee te gaan. Een positiebepaling over de omgang met homoseksualiteit raakt daarom ook het bestaan van het kerkverband van de Hersteld Hervormde Kerk, dat toen ontstaan is. 

De tweede gebeurtenis is het congres dat op 16 november 2018 door de Theologische Universiteiten van Kampen (GKv) en Apeldoorn (CGK) georganiseerd is over het thema: ‘Homoseksualiteit en de kerk. Verschillende visies, één geloof’, waarin ook ervaringsverhalen gedeeld werden van homoseksuelen en lesbiennes in de kerk en hoe zij op verschillende en soms tegengestelde wijze hun seksualiteit met het geloof verbinden.

In reactie op deze beide nieuwsfeiten verscheen begin december 2018 de verklaring ‘Homoseksualiteit vraagt om hernieuwd belijden’. Deze verklaring was opgesteld door een 13-tal voorgangers uit reformatorische en bijbelgetrouwe evangelische kring. Men schrijft daarin dat de kerken in Nederland meer en meer buigen voor de gedachte dat homoseksualiteit ook binnen de kerken aanvaardbaar moet zijn. Daartegenover pleit men voor een duidelijke bijbelse positiekeuze.  

Twee van deze voorgangers, dr. Piet de Vries en Arjan Baan, hebben met een werkgroep vervolgens in december de Nashville-verklaring vertaald. Het doel van de vertaling en de verspreiding van dit document was om een tegenwicht te bieden tegen de acceptatie van homoseksualiteit en transgenders in christelijk Nederland.

De betekenis en waarde van deze verklaring is daarom meer dan alleen een pleidooi voor een bijbelse visie op het huwelijk. De verklaring is ook bedoeld om in reactie op ontwikkelingen in andere gereformeerd-orthodoxe kerken één bepaalde visie in de omgang met homoseksualiteit in de reformatorische kerken te promoten. Dat maakt het ingewikkeld om zonder voorbehoud met deze verklaring te kunnen instemmen.

De visie die in de Nashville-verklaring onder woorden wordt gebracht, is sterk verbonden met een strikte opvatting over wat een bijbelse visie op mannelijkheid en vrouwelijkheid zou inhouden. De verklaring is in de Verenigde Staten opgesteld door het CBMWThe Council on Biblical Manhood and Womanhood, die er vanuit gaat dat de bijbel aan mannen en vrouwen eigen rollen en verantwoordelijkheden voorschrijft. De man vervult de leidende posities in kerk en samenleving, terwijl de vrouw haar verantwoordelijkheid heeft in gezin en huwelijk, waarbij zij zich heeft te onderschikken aan de leiding van de man. Daarbij wordt op een biblicistische wijze een beroep gedaan op de scheppingsorde, zoals men die uit Genesis 1 en 2 en de uitspraken van Paulus over de positie van de vrouw in de gemeente afleidt. Wie van een dergelijke scheppingsorde van mannelijkheid en vrouwelijkheid uitgaat, zal per definitie homoseksualiteit als in strijd met de scheppingsorde moeten afwijzen.

Door deze visie op een scheppingsorde te omarmen maken de Nederlandse vertalers van het Nashville-document het zich ook moeilijk om op een pastorale wijze met homoseksualiteit te kunnen omgaan. De pastorale noties die zij aan het document toegevoegd hebben, zijn niet geïntegreerd in de visie op huwelijk en seksualiteit die in de verklaring zelf verdedigd wordt.

Het is daarom begrijpelijk dat predikanten en theologen in de GKv, de NGK en een deel van de CGK zich van de Nashville-verklaring gedistantieerd hebben, hoewel zij wel met het beoogde doel om het christelijke huwelijk hoog te houden kunnen instemmen. Zij missen echter in de verklaring een belangrijke pastorale gevoeligheid voor het omgaan met gelovige lesbiennes, homo’s, bisexuelen en transgenders (LHBT’ers). Ook vinden zij dat de Nashville-verklaring ogenschijnlijk een radicaal heldere bijbelse oplossing lijkt te bieden voor een complexe situatie, maar dat deze verklaring de theologische diepgang en nuance mist die nodig is om echt bijbels verantwoord te zijn. 

Ik betreur het dat het gesprek over geloof en leven door deze stellingname over huwelijk, (homo)seksualiteit en transgenders juist onder druk komt te staan in plaats van dat die bevorderd wordt. Als kerk geloven wij dat ieder welkom is bij God en door God geliefd wordt, wat je identiteit ook is, man of vrouw, Jood of heiden, homo, hetero of transgender.

Als kerken binnen het verband van de GKv hoeven wij op dit moment niet zoveel met deze verklaring te doen. Van de enkele ondertekenaar uit de GKv heeft een deel zijn handtekening al weer teruggetrokken. Ik beschouw het document vooral als een middel van de reformatorische kerken om in eigen kring helderheid te scheppen over de omgang met homoseksualiteit. Dat men daarvoor juist een beroep op dit Amerikaanse document gedaan heeft, vind ik een ongelukkige keus, die schade heeft gebracht aan het aanzien van de kerken en het christelijk geloof in Nederland. De belangrijkste les is wat mij betreft dat wij ons als kerk er voor inspannen om op zorgvuldige wijze en met respect voor de gevoelens en de eigen visie van de gelovige LHBT-ers over het onderwerp homoseksualiteit en geloof met hen te (blijven) spreken.

Zwolle, 10 januari 2019