De GKv en de ‘Schriftkritiek’

We zijn ruim anderhalf jaar verder. In juni 2017 nam de GS Meppel 2017 het besluit om in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) het ambt voor de vrouw open te stellen. Sommige gemeenten hebben op grond van dit besluit vrouwen tot ouderling en diaken bevestigd, terwijl één classis recent een vrouw als predikant beroepbaar heeft gesteld. Andere gemeenten wachten liever de behandeling van de revisieverzoeken op de GS Goes 2020 af. In het buitenland schorten kerken de banden met de Gkv op. Intussen gaat het debat over het besluit verder.

Het mag duidelijk zijn dat het m/v-besluit de uitdrukking is van een veranderende omgang met de bijbel als Gods woord. Wat eerst op grond van de bijbel werd afgewezen, wordt nu bijbels verantwoord geacht. Terecht is dan de vraag, hoe deze verandering te duiden is. Tegelijk vind ik dat aan deze andere uitleg en toepassing van de bijbel door de tegenstanders van het besluit wel heel erg gemakkelijk het etiket ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ verbonden wordt.

Wie de recente geschiedenis van de GKv kent, weet dat het niet de eerste keer is dat het in de kerken botst over de manier waarop de bijbel gebruikt wordt.

In 2003 zijn de DGK – de Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) – ontstaan als afscheiding vanuit de GKv. Men kon zich niet vinden in de manier waarop in synodebesluiten de bijbel werd gebruikt in onderwerpen als de verhouding van man en vrouw, huwelijk en echtscheiding, actief stemrecht voor vrouwen in de kerk, liturgie, en sabbat en zondag.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de DGK zich door het besluit van de GS Meppel 2017 bevestigd ziet in hun oordeel over de GKv. Hadden de GKv zich in de loop van de jaren ’80 en ’90 al aan dwaalleer en deformatie overgegeven, nu is het in hun optiek wel heel duidelijk dat de GKv het gereformeerde spoor totaal zijn kwijtgeraakt. Volgens hen hebben de GKv de invloed van de Schriftkritiek en de ‘nieuwe hermeneutiek’ niet weerstaan en zo in de besluitvorming over ‘vrouw en ambt’ toegegeven aan de moderne tijd en wetenschap, aan feminisme, individualisme en het opkomen voor de leer van de gelijke rechten van ieder mens.[i]

Binnen de context van de GKv is het ‘logisch’ dat van de kant van de DGK het verwijt van Schriftkritiek klinkt. ‘Gehoorzaamheid aan de Schrift’ en ‘het toelaten van Schriftkritiek’ zijn voor de GKv decennialang de maatstaf geweest om andere kerken en visies aan af te meten en het gelijk van de eigen positie te verdedigen.

Typerend voorbeeld is de manier waarop de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) in de jaren ’70 en ’80 beoordeeld worden. In de brief van de GS Arnhem 1981 aan de CGK wordt het verwijt geuit dat de CGK de ‘Schriftkritische’ visies van de toenmalige hoogleraren dr. B.J. Oosterhoff en dr. J.P. Versteeg niet weerspreken. Ook worden ze gekapitteld dat zij in het kader van de internationale ‘Gereformeerde Oecumenische Synode’ (GOS) banden met de ‘Schriftkritische’ synodaal-gereformeerde kerken (GKN) onderhouden. Tenslotte wordt er bezwaar gemaakt, dat de CGK contacten onderhouden met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK), waar ‘opening aan de Schriftkritiek wordt gegeven.’[ii]

Dit voorbeeld laat tegelijk zien, dat het werken met de term ‘Schriftkritiek’ nog niet zo gemakkelijk is. Wat is ‘Schriftkritiek’ en hoe herken je dat? De CGK en de GKv verschilden duidelijk van mening, of deze karakterisering voor de CGK terecht was.

In de ’90-er jaren is de GKv genuanceerder gaan denken over wat ‘Schriftkritiek’ is of niet. Het zijn met name de Kamper docenten dr. Kees (C.) Trimp en dr. Ad de Bruijne die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld, wat o.a. in 2002 resulteerde in de publicatie van de bundel ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel[iii]. Ook in het onderzoek van de bijbelwetenschappers van de TU Kampen en TU Apeldoorn maakt men een onderscheid tussen een ‘Schriftkritische lezing die zich boven de Bijbel verheft en een kritische bestudering van de historische processen waarin en de menselijke wijze waarop de Heilige Schrift tot stand kwam[iv].

Een zelfde nuance in het denken over wat ‘Schriftkritiek’ is, werd ook duidelijk in de gesprekken die sinds 2008 tussen de GKv en de NGK gevoerd werden. Daarbij bleek in 2014, dat ook al had de NGK het ambt voor de vrouw opengesteld, dit geen belemmering was om te concluderen, dat zij ‘als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’ Op grond daarvan kon de GS Ede 2014 uitspreken, dat ‘de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen.[v]

Net als destijds in 2003 blijkt nu opnieuw een synodebesluit te werken als een katalysator om het etiket ‘Schriftkritiek’ weer te gaan gebruiken en concrete verschillen in de uitleg en toepassing van de bijbel theologisch en dogmatisch te benoemen in termen van gereformeerd of vrijzinnig.

De hamvraag is natuurlijk, welke criteria men hanteert om de term ‘Schriftkritiek’ van toepassing te achten. Louter het feit dat de synode tot een andere conclusie is gekomen dan lang als bijbels werd gezien, is onvoldoende grond daarvoor. Als men dat wel vindt, zal men zich moeten confronteren met de hermeneutische overeenstemming tussen de GKv en de NGK, die grond was voor de visie van de GS Ede 2014, dat de openstelling van de ambten voor vrouwen op zichzelf niet gezien kan worden als een aantasting van het gezag van de bijbel.

Daarnaast zal men zich ook moeten confronteren met de veranderende omgang met de bijbel als Gods woord, zoals die in de eerdere besluitvorming op de GKv-synoden van de afgelopen 30 jaar tot uitdrukking is gekomen. Dan denk ik met name aan de veranderde visie op de verhouding van man en vrouw die in de nieuwe huwelijksformulieren van de jaren ’90 tot uitdrukking is gekomen en in de veranderende opvatting in het denken over ‘huwelijk en echtscheiding’.

Tenslotte zal men zich moeten confronteren met de veranderende hermeneutische inzichten, die aan die veranderende omgang met Gods woord ten grondslag liggen. In dat opzicht vind ik dat de tegenstanders van het besluit wel erg kort door bocht en zonder voldoende argumentatie deze inzichten karakteriseren als een voorbeeld van ‘de nieuwe hermeneutiek’.[vi]

Gereformeerden staan voorgesorteerd om de ‘nieuwe hermeneutiek’ te verbinden met vrijzinnigheid. Met die term werd namelijk de vrijzinnige moderne theologie van de jaren ’60 gekarakteriseerd, die zich liet inspireren door het gedachtengoed van Rudolf Bultmann, Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling. Door de hermeneutische inzichten in de gereformeerde theologie van vandaag te verbinden met de term ‘nieuwe hermeneutiek’ lijken de tegenstanders van het m/v-besluit zich ontslagen te achten om zich inhoudelijk met de huidige gereformeerde hermeneutiek te confronteren, terwijl ze die tegelijkertijd wel in het vrijzinnige verdachtenbankje plaatsen. Ik vind dat een kwalijke zaak. Dat vertegenwoordigers van de DGK die mening zijn toegedaan, dat zij zo. Dat een door tegenstanders van het m/v-besluit ingevlogen hersteld hervormde predikant als dr. G.A. van den Brink zich niet kan vinden in de gereformeerde hermeneutiek vandaag kan ik me ook voorstellen.[vii] Van medegelovigen in de GKv verwacht ik echter een zorgvuldiger en fairer omgang in de beoordeling van het m/v-besluit.


[i] Zie de artikelen in het kerkblad van de DGK, De Bazuin, Jaargang 7, nummer 33 d.d. 25-09-2013: ‘Doorgaande deformatie’ en Jaargang 11, nummer 17 en 18, d.d. 06-09-2017 en 20-09-2017 onder de titel: ‘Hoe is het goud donker geworden!’

[ii] Acta GS Arnhem 1981, art. 169, Brief aan de Christelijke Gereformeerde Kerken.

[iii] C. Trimp (red.), ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel’, Kampen: Kok, 2002.

[iv] Zie het artikel van Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels: ‘Gereformeerde bijbelwetenschap en bijbelse hermeneutiek’, dat verscheen in: Nieuwe en oude dingen. Schatgraven in de Schrift, (red. Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2013, p. 243-255, citaat op p. 246. Deze gemeenschappelijke publicatie van de TU Kampen en de TU Apeldoorn verscheen tegelijkertijd in de TU Bezinningsreeks als nr. 13 en Apeldoornse Studies nr. 62.

[v] Acta GS Ede 2014, p. 141.

[vi] Ik denk hier met name aan diverse artikelen van dr. Pieter Boonstra in het blad Nader Bekeken, herplaatst op het site www.bezinningmvea.nl.

[vii] Een video van een door dr. Gert A. van den Brink gehouden lezing in de GKv Haren is te vinden op de site www.bezinningmvea.nl.

Advertenties

M/V en de ‘nieuwe hermeneutiek’ in de GKv

Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

Met de term ‘nieuwe hermeneutiek’ of ‘moderne hermeneutiek’ wordt binnen de filosofie verwezen naar de moderne 20e eeuwse hermeneutische filosofie van Martin Heidegger, Hans Georg Gadamer en Paul Ricoeur. Binnen de theologie als wetenschap wordt deze term gebruikt om de modern-liberale en hermeneutische theologie van Rudolf Bultmann, Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling te karakteriseren.

Het gebruik van de term ‘nieuwe hermeneutiek’ heeft met name sinds de jaren ’90 van de 20e eeuw een sjibbolet-functie gekregen binnen de kringen van verontruste vriigemaakten rond het blad Reformanda en later De Bazuin. De term is vooral gebruikt om daarmee andere visies en opvattingen binnen de GKv over huwelijk, echtscheiding, schepping, liturgie, man/vrouw, het 4e gebod en de zondagsbesteding, etc. te karakteriseren en als vrijzinnig of Schrift-kritisch te veroordelen en zo de eigen visie als bijbelgetrouw te presenteren. Met name enkele theologen aan de TU Kampen en verscheidene GKv-synodes waren het doelwit van deze beschuldigingen. Met deze term legitimeerde men vervolgens in 2003 en latere jaren de afscheiding van de GKv en de oprichting van het kerkverband de DGK.

Via de publicaties in Reformanda en De Bazuin is deze term ook in zwang geraakt bij vertegenwoordigers van de buitenlandse kerken in b.v. Canada en Australië om hun verontrusting over ontwikkelingen in de GKv onder woorden te brengen. Tenslotte is het met name de laatste paar jaar ook de voorkeursterm geworden in het blad Nader Bekeken om de veranderende visie op ‘vrouw en ambt’ te verklaren en wordt deze term nu ook als sjibbolet gebruikt om het besluit van de synode om het ambt voor de vrouw open te stellen als Schriftkritisch af te wijzen.[i]

Mijn moeite met het gebruik van deze term in het gesprek over ‘m/v en ambt’ is, dat men op deze wijze degene die pleit voor de vrouw in het ambt zonder grond stigmatiseert en verdacht maakt. Niemand die een pleidooi voert voor de vrouw in het ambt verwijst namelijk naar of verdedigt zijn exegese of visie met een beroep op (de vertegenwoordigers van) de ‘nieuwe’ of ‘moderne’ hermeneutiek.

De term ‘nieuwe hermeneutiek’ wordt gebruikt om met de traditionele visie als norm andere interpretaties van de m/v-teksten af te wijzen. Wanneer echter de ene uitleg tegenover de andere uitleg staat, moet je m.i. de argumentaties van beide interpretaties ten opzichte van elkaar afwegen en niet de ene, jou niet welgevallige interpretatie bij voorbaat buiten de orde plaatsen. Ik vind het kwalijk wanneer je zo de eigen interpretatie buiten de discussie houdt door daar het etiket ‘Schriftgetrouw’ voor te claimen en op interpretaties die daarvan verschillen het etiket ‘Schriftkritiek’ te plakken.

Er is in de GKv geen sprake van een ‘nieuwe hermeneutiek’, maar een verschil van visie op de toepassing van èn de betekenis van de regels van de gereformeerde hermeneutiek. Laat daar inhoudelijk het gesprek over gaan zonder dat je de ander als Schriftkritisch of vrijzinnig wegzet.

Historisch gezien is het ook vreemd om deze term te verbinden aan argumenten die al een eeuw lang in de gereformeerde kerken gebruikt worden om een alternatieve uitleg van de m/v-teksten te bieden. Want dezelfde argumenten werden al in het begin van de 20e eeuw – toen er van ‘nieuwe hermeneutiek’ nog lang geen sprake was – aangevoerd om een pleidooi te voeren voor het vrouwenstemrecht op de synode van 1927 en 1930 en door J.C. Sikkel in zijn in 1920 postuum uitgegeven lezing ‘De groote toekomst en de vrouw’ (1920) om te betogen dat het geoorloofd is dat ook vrouwen geroepen zouden mogen worden tot het ambt van predikant, ouderling en diaken.


[i] Ik denk aan dr. Cornelis van Dam in zijn artikel ‘Onze zusterkerken openen alle kerkelijke ambten voor de vrouw’ op www.eeninwaarheid.info d.d. 04-07-17: ‘De synode heeft de nieuwe manier van de Schrift lezen omhelsd; een manier die hen in slavernij brengt, in dit geval de slavernij van de huidige, heersende gelijkheidscultuur’. Verder denk ik aan de artikelen van Pieter Boonstra, waarin hij in het blad Nader Bekeken geregeld betoogt, dat in het synodebesluit de hedendaagse context het uitgangspunt is geweest en zo bepalend en normatief is geworden voor de uitleg van de bijbel. Hij vindt dat de synode zo een nieuwe hermeneutiek heeft ingevoerd, aan Schriftkritiek doet en zich niet onderwerpt aan het gezag van de bijbel als Gods Woord. Volgens hem zijn de kerken besmet geraakt door een virus dat tot vrijzinnigheid leidt. Voor de precieze verwoordingen verwijs ik b.v. naar zijn artikelen ‘Oude of nieuwe hermeneutiek’, Nader Bekeken, jrg. 24, nr. 12, december 2017, p. 341-345 en ‘Nieuwe hermeneutiek en nieuwe vrijzinnigheid’, Nader Bekeken, jrg. 25, nr. 2, februari 2018, p. 41-45.

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (5) – 1996/2005

Revisie-verzoeken van het besluit inzake het vrouwenstemrecht

Niet iedereen kon zich vinden in het besluit van de GKv Synode van Ommen 1993, ‘dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’. Op de Synode van Berkel en Rodenrijs 1996 kwamen een 35-tal brieven binnen, voornamelijk van particulieren, waarin bezwaar tegen dit besluit werd gemaakt.

Sommige van de brieven maakten bezwaar tegen het feit dat men in 1993 de zaak van het vrouwenstemrecht sowieso in behandeling had genomen. De meeste met een verzoek om het besluit te herroepen, omdat men zich niet kon vinden in de gronden onder de besluitvorming.

De bezwaren die het sterkst naar voren komen zijn:

  1. de stemming heeft wel een beslissend karakter in het geheel van de verkiezing en moet als een vorm van regeren beschouwd worden.
  2. de synode doet de Schriftgegevens over de gelijkwaardigheid van de vrouw ten koste gaan van die over de onderdanigheid van de vrouw, omdat de scheppingsorde waarbij de man tot hoofd van de vrouw is bestemd genegeerd wordt.
  3. het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten ook het deelnemen van zusters aan de stemming (als een vorm van beoordelend en gezaghebbend spreken) uitgesloten wordt.
  4. het spreken van de vrouw in andere uit het Nieuwe Testament aangevoerde teksten, zoals Hand. 2:17-18, is niet van betekenis omdat het daar niet gaat over het ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de aangevoerde teksten tonen niet aan dat het een goddelijke eis is om vrouwen het stemrecht toe te kennen.
  6. ook al hebben vrouwen de gave van de Geest ontvangen wil dat nog niet zeggen, dat zij ook bevoegd zijn om mee te stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers. Uit Handelingen 1:23-24 en 6:2-3 blijkt dat dit voor de mannen is weggelegd.
  7. uitspreken dat ‘het toekennen van het vrouwenkiesrecht geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk en dus niet als een vorm van emancipatiezucht gezien moet worden’, is geen argument voor het vrouwenkiesrecht, maar hoogstens een verdediging van het vrouwenstemrecht. Daarnaast worden de schriftgegevens die nu aangevoerd voor het vrouwenstemrecht, elders gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Met betrekking tot de vraag, of de synode in 1993 de revisieverzoeken wel in behandeling had mogen nemen, spreekt de synode in 1996 uit dat ze dat terecht gedaan heeft gedaan. De zaak van het vrouwenstemrecht is naar artikel 30 KO in de kerkelijke weg, met goede voorbereiding en kennelijk breed gedragen door de kerken aan de synode voorgelegd.

Vervolgens wijst ze ook de inhoudelijke bezwaren tegen het genomen besluit gemotiveerd af:

Ad 1. omdat de kerkenraad in het geheel van de verkiezing de leiding heeft en het dus onjuist is om te stellen, dat de stemming en dus de inbreng van de zusters zo’n zware lading krijgen als gesteld wordt.

Ad 2, 4, 5. en 6, omdat de synode terecht heeft uit gesproken dat de Schrift, – die geen enkele vorm van verkiezing voorschrijft als verplicht voor alle tijden -, geen rechtstreeks antwoord geeft op de vraag of ook de zusters mogen stemmen. Vervolgens heeft de synode Schriftgegevens naar voren gebracht waarin de gelijkwaardigheid van de vrouw ten opzichte van de man wordt onderstreept. Ook noemt zij Schriftgegevens waarin gesproken wordt over de inwoning van de Heilige Geest in de hele gemeente en gegevens waarin de bevoegdheid en de roeping tot meewerken aan de opbouw van de gemeente aan de hele gemeente wordt voorgehouden. De conclusie is daarom dat door appellanten vanuit de Schrift niet voldoende is aangetoond dat, ondanks al deze Schriftgegevens over gaven en roeping van de zusters in de gemeente, toch het stemrecht niet voor de zusters bestemd zou zijn.

Ad 3. omdat uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2  geen verbod voor zusters af te leiden valt om haar stem uit te brengen bij de verkiezing. De synode heeft meerdere schriftgegevens genoemd, die het onmogelijk maken om daarin een algemeen zwijggebod te lezen. In ieder geval is duidelijk dat wat hier aan de zusters ontzegd wordt, op een heel ander niveau ligt dan een stemming met beperkt gewicht. Wel moet het bezwaar worden toegestemd, dat de synode in 1993 een exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 vastgelegd heeft door in de gronden uit te spreken dat deze teksten zich beperken tot de eredienst resp. dat ze vrouwen het leer- en regeerambt ontzeggen.

Ad 7. spreekt de synode uit, dat genoemde uitspraak inderdaad meer een verdediging van het besluit is dan een argumentatie voor het besluit, maar dat de genoemde elementen wel voor de beoordeling van het besluit van belang zijn. Toch heeft de synode haar besluiten duidelijk afgeschermd tegen de gedachte dat de drempel naar het leer- en regeerambt van de zusters hierdoor lager zou zijn geworden, terwijl ze ook Schriftgegevens heeft genoemd die niet gebruikt kunnen worden als argumenten tegen het vrouwenstemrecht, maar naar haar oordeel wel het leer- en regeerambt aan de zusters ontzeggen.

Wel voegt ze er aan toe, dat dit laatste overigens niet betekent dat de synode een besluit ten aanzien van het leer- en regeerambt heeft genomen. Wanneer men meent, dat die zaak aan de orde moet komen, moet men via de kerkelijke weg dat op de agenda van de synode brengen. Een gang die de PS Gelderland in 2005 zal maken met een voorstel ‘om te komen tot de instelling van een deputaatschap “Vrouwen in de kerk”’.

 

Terzijdestelling van het vrouwenstemrecht in de DGK

In hetzelfde jaar dat de GKv een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’ instelt, buigt de eerste generale synode van de herstelde Gereformeerde Kerken (DGK), – het kerkverband dat ontstaan is na een afscheiding in 2003 van de GKv rond het blad Reformanda – zich over de vraag welke GKv synodebesluiten zij uit het verleden wel en niet voor haar rekening wil nemen.

Het eerste besluit dat door de GS Mariënberg 2005 terzijde wordt geschoven en waar men zich niet meer aan gebonden acht, is dat van het vrouwenstemrecht. In plaats daarvan handhaaft men het besluit van de GS Groningen 1978 om vrouwen niet het stemrecht toe te kennen.

Niet verwonderlijk is, dat de argumentatie van de DGK synode het spiegelbeeld vormt van de GKv-besluiten om de revisieverzoeken in 1996 af te wijzen. T.L. Bruinius, toentertijd een van de indieners van een revisieverzoek, is nu 1e scriba van de GS Marienberg 2005 en samenroeper van het Deputaatschap Onderzoek Synodebesluiten.

Op basis van het voorstel van deze deputaten voert de DKG synode de volgende overwegingen aan voor terzijdestelling van het vrouwenkiesrecht:

  1. de stemming draagt in het geheel van de verkiezing een beslissend karakter
  2. de synode doet geen recht aan de verschillende positie van man en vrouw in de kerk en aan de verschillen in roeping voor broeders en zusters, de scheppingsorde wordt genegeerd en aan de eenheid en de verhoudingen binnen het christelijk huwelijk zoals de Bijbel die leert wordt geen recht gedaan.
  3. de GS Groningen-Zuid 1978 beschouwde op grond van de Schriftgegevens over de onderdanigheid van de vrouw (1 Kor. 11:3; 1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:11,12,14,15; 1 Petr. 3:5) terecht het stemmen als een vorm van regeren.
  4. het spreken van de vrouw in de aangevoerde teksten (Hand. 2:17,18 etc.) is iets anders dan het meebeslissende ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de synode had moeten aantonen dat er een goddelijke eis is om de zusters het stemrecht te geven. Uit de aangevoerde teksten kan geen conclusie getrokken worden voor het meedoen van de vrouw aan de verkiezing van ambtsdragers.
  6. teksten die spreken over het wonen van de Geest in de gemeente, verbinden daaraan niet het verkiezingsrecht van de zusters. In Handelingen 1:23, 24 en 6:2, 3 worden juist de broeders in de gemeente aangesproken.
  7. de genomen besluiten zijn onvoldoende afgeschermd tegen de invloed van een tijdgeest die zich kenmerkt door een sterke hang naar individualisme en een onbijbels emancipatiedenken. De drempel naar de vrouw in het ambt kan lager worden door deze besluiten. Schriftgegevens die nu gehanteerd worden voor het vrouwenstemrecht zijn elders ook gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Men besluit dan ook dat de afwijzing van de revisieverzoeken door de GS Berkel en Rodenrijs 1996 gezien deze argumenten onterecht is geweest. Op de keper beschouwd behelsen de door de DGK aangevoerde argumenten dus niet anders dan de inhoud van de revisieverzoeken zelf. Een mooi voorbeeld van een cirkelredenering, waarbij al aangenomen wordt wat bewezen moet worden.