Zwijgteksten en scheppingsorde

‘Over man, vrouw en ambt’  –  Fokke Pathuis

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde. Onderstaande tekst is de inleiding zoals uitgesproken. Op mijn weblog staat ook een versie met verantwoording en een aantal excursen over thema’s, die tijdens de bespreking ter sprake kwamen.[i]

Ik mag vanavond een toelichting geven bij het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor vrouwen open te stellen. Een verandering van visie op het thema ‘vrouw en ambt’, waar niet iedereen in onze kerken hetzelfde over denkt.

Daarbij wil ik eerst (1) het punt duidelijk maken wat er veranderd is in de visie op ‘vrouw en ambt’, vervolgens (2) sta ik stil bij hoe het kan dat de bijbel anders gelezen wordt, ten slotte (3) wil ik enkele afrondende opmerkingen maken of dat ook zo mag.


  1. Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

In mijn preek van afgelopen november 2018 heb ik vooral een historisch overzicht gegeven van hoe in de 20e eeuw in de vrijgemaakte kerken de ontwikkeling is geweest naar het openstellen van het ambt voor de vrouw. Die ontwikkeling kun je kort samenvatten in de volgende 2 dia’s, waarbij voor de traditionele visie als referentiekader gekozen is het besluit van de GKv Synode Arnhem 1930 om de vrouw geen kiesrecht toe te kennen en voor de huidige visie het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen:

  Traditionele visie  
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) De vrouw is ondergeschikt aan de man / mag geen gezag over de man voeren

► 1930: de vrouw mag niet stemmen + niet in het ambt dienen  
  Huidige visie
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) Man en vrouw zijn gelijkwaardig  

► 1993: de vrouw mag wel stemmen
► 2017: de vrouw mag ook in het ambt dienen  

Het grote verschil in deze twee visies is, dat wij anders zijn gaan denken over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Wij gaan nu uit van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

In de reacties op het synodebesluit zie je dat naar dit verschil alle aandacht uitgaat. Wat betekent het dat man en vrouw gelijkwaardig zijn? Mag de vrouw wel dezelfde rollen en posities vervullen als de man? Samengevat in twee dia’s zijn dit de argumenten die voor- en tegenstanders uitwisselen:

  Tegenstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – de vrouw heeft een ondergeschikte positie t.o.v. de man
(2) Alleen mannen zijn in de bijbel priester, leerling, apostel en oudste
(3) De NT-ische zwijgteksten verbieden het
(4) Eeuwenlang heeft men in de bijbel gelezen dat de vrouw geen ambt mag dragen
Voorstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – man en vrouw zijn gelijkwaardig
(2) a.  In het OT roept God soms ook vrouwen
(2) b.  In het NT hebben vrouwen belangrijke posities in de gemeente
(3) De NT-ische zwijgteksten moeten niet absoluut opgevat worden
(4) De traditie is niet normatief  

Zoals duidelijk mag zijn, spitst het verschil zich met name toe op een andere interpretatie van de scheppingsorde resp. de zwijgteksten. En dan wordt het spannend: één bijbel en een verschillende uitleg van die bijbel, en daardoor een ander uitkomst op het vraagstuk van ‘Man, vrouw en ambt’. Hoe kan dat?  En: mag dat?


  2. Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Er staan dus twee leeswijzen van de bijbel tegenover elkaar, de traditionele en de huidige. In dit deel van mijn inleiding noem ik vier aspecten, die bij de verandering in visie een rol hebben gespeeld.

a. De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd

We leefden eeuwenlang in een samenleving, waarin de vrouw in het publieke leven geen rol speelde en in het dagelijkse leven op de tweede plaats stond. Denk bijvoorbeeld maar aan de standenmaatschappij in een middeleeuwse samenleving. Daar had iedereen in de maatschappij een positie, waar eigenlijk niet aan getornd mocht worden. Alleen in een vrouwenklooster had de vrouw een eigen zelfstandigheid.   Men beschouwde de standenmaatschappij als de orde die door God gegeven was. Met deze orde verbond men als het over de vrouw ging moeiteloos de algemene idee, – ontleend aan de klassieke filosofen – , dat de vrouw een minderwaardige natuur heeft of dat ze eigenlijk een soort mislukte man is.

Maar dan komt vanaf de 20e eeuw de persoonlijke ontwikkeling van de vrouw goed op gang. Ze volgt onderwijs. Ook komt ze in andere sectoren te werken als alleen de verzorgende beroepen of de productie. Ze krijgt leidinggevende posities op het terrein van de politiek, het bestuur, de samenleving en de wetenschap. Dan komt de vraag op: is de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man nog wel (bijbels) te verantwoorden?

In de jaren ’90 komt er in de GKv een nieuw huwelijksformulier, waarin vooral de nadruk ligt op de gelijkwaardigheid van man en vrouw en op hun eenheid in het huwelijk. Ook wordt erkend dat de vrouw in de samenleving een rol kan vervullen door zich op de arbeidsmarkt te begeven en dat ze zo samen met de man voor het gezinsinkomen mag zorgen.

Daarnaast gaat de vrouw eind 20e eeuw ook taken in de kerk vervullen, die lang alleen door de man vervuld zijn. In het diaconaat was ze al actief als vrijwilliger, maar nu wordt ze ook actief op het gebied van pastoraat, onderwijs, leiding geven en bestuur. Kan dat wel, als de vrouw in de kerk moet zwijgen?

De synode van 2005 stelt voor het beantwoorden van die vraag een deputaatschap in, wat er toe leidt dat de synode in 2017 de uitspraak doet, dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent dat ook de vrouw op al die terreinen een taak of ambt mag bekleden.

b. Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst

Maar het staat toch duidelijk in 1 Tim 2:11-12, dat de vrouw moet zwijgen in de kerk? Dat klopt. Het staat er als je puur naar de betekenis op zinsniveau kijkt.

Maar de betekenis van een tekst wordt niet alleen bepaald door een taalkundige analyse van de zinnen zelf. De context bepaalt mede hoe de tekst opgevat moet worden.

Een klein voorbeeld. Wanneer ik tegen iemand zeg ‘Ik heb het koud’, dan kan ik afhankelijk van de context waarin ik deze zin uitspreek bedoelen: dat ik koorts heb, of dat ik vind dat de verwarming hoger moet, of dat ik aan die ander duidelijk maak of zelfs de opdracht geef, dat hij de deur die daar open staat, dicht moet doen.

Zo is het ook bij de 1e brief van Paulus aan Timoteüs. We weten nu meer over de maatschappelijke context, waarin Paulus deze brief schrijft. Daarnaast brengen wij sterker in rekening, dat de Paulus de brief schrijft om Timoteüs aan te sporen de dwaalleraars te bestrijden. Als je deze gegevens bij je exegese betrekt, kun je tot een andere conclusie komen over wat de bedoeling en strekking van deze zwijgtekst is. Binnen die context zegt Paulus dat vrouwen moeten zwijgen en zich rustig moeten laten onderwijzen, omdat ze zich hebben laten inpalmen door dwaalleer. Het is geen absoluut gebod, want zijn instructie is nauw verbonden met de context van dwaalleer in de gemeente te Efeze.

Hetzelfde geldt voor de exegese van Gen. 2 en 3. Traditioneel is met een beroep op de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 11 en 14, 1 Tim. 2 en Ef. 5 betoogd dat we in Gen. 2 en 3 een scheppingsorde kunnen ontdekken. Volgens die orde zou de vrouw ondergeschikt zijn aan de man en heeft de man als hoofd gezag over de vrouw.

Allereerst hebben we leren zien dat men in de traditionele visie, die ook terug te vinden is in het oude huwelijksformulier, onjuiste conclusies aan elementen uit het scheppings- en zondeval-verhaal verbond. Zo kun je het ‘hulp’-zijn van de vrouw niet interpreteren als ondergeschiktheid en is de straf voor de vrouw geen gebod voor de man is om over haar te heersen.

Daarnaast is het de vraag, op welke wijze je aan verhalende teksten normatieve uitspraken over de inrichting van de maatschappij kunt verbinden. Uit de historische gegevens dat Abraham, Jakob, David en Salomo veel meer vrouwen hebben, ontlenen wij ook niet dat polygamie de norm is. Je kunt dus niet zo maar, als dat er niet expliciet staat, aan de manier waarop het verhaal in Gen. 2 en 3 verteld wordt, normatieve conclusies verbinden over de onderlinge verhouding tussen man en vrouw.

c. Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen

Traditioneel werd de vraag of de vrouw in het ambt mag, beantwoord door een serie bijbelteksten te verzamelen en daar dan een lijn in aan te brengen, waarna een conclusie werd getrokken. De bijbel als een bron voor bewijsteksten.

Tegenwoordig is er meer aandacht voor, dat je je visie niet met een louter beroep op bijbelteksten kunt verantwoorden. Ook is er het besef dat je niet zomaar één op één allerlei normen die in de bijbel gelden, kunt overzetten naar vandaag. Dat doen we niet met het sabbatsgebod, met het verbod voor vrouwen om mannenkleren te dragen, met de sluier voor vrouwen uit 1 Kor. 11, met het opheffen van de handen of het elkaar groeten met de heilige kus. Dit geldt ook voor het vraagstuk van de vrouw en het ambt. De vraag is: op welke wijze trek je verantwoord de lijnen van de schepping via het Nieuwe Testament naar vandaag?

Een beroep op de zwijgteksten is dan niet alles beslissend. Al was het alleen maar om het feit, dat het in de zwijgteksten niet over het ambt gaat, maar dat die vooral betrekking hebben op situaties zoals die toen gangbaar waren in de eredienst, de liturgie of het huwelijk. En wanneer je dan toch die specifieke situaties algemeen wil maken naar het ambt, dan moet je dat zorgvuldig beargumenteren.

Ook is een beroep op een zgn. scheppingsorde niet overtuigend. Allereerst omdat in Gen. 2 en 3 de ondergeschiktheid van de vrouw niet als norm wordt gegeven. Verder niet, omdat men in dit beroep op de scheppingsorde niet consistent is. Men pleit voor verschillende rollen en verantwoordelijkheden voor man en vrouw, maar de reikwijdte daarvan beperkt men vandaag tot de kerk en het huwelijk, want het geldt niet voor de samenleving. Als argument daarvoor voert men aan:

 ‘dat God ons voor de relaties in het huwelijk en in de kerk expliciet voorschriften heeft gegeven; voor de man-vrouwrelatie verder in de samenleving niet.

Dit lijkt me een vorm van onvervalst biblicisme. Mijns inziens is het oordeel van ds. Pieter Niemeijer over zo’n argumentatie terecht:

‘Wie uit 1 Timoteüs een scheppingsorde afleidt waarin een vrouw geen gezag mag uitoefenen over de man, zal duidelijk moeten maken waarom deze orde voor de schepping (!) dan niet zou gelden voor de hele schepping, en dus ook voor de samenleving! Waarom aanvaarden we het in het bedrijfsleven, de politiek en de rechterlijke macht wel dat vrouwen met gezaghebbende verhalen en uitspraken komen?

  d. Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

Maar Paulus bedoelt toch met zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 zijn uitspraak over het zwijgen van vrouwen in de kerk normatief te funderen vanuit de onderdanigheid van de vrouw aan de man?

Als Paulus over de functie van het Oude Testament en het beroep daarop schrijft, blijkt dat hij daar heel genuanceerd naar kijkt. In 2 Tim. 3:16 schrijft hij dat elke schrifttekst gebruikt kan worden ‘om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven’.

Voor hem geldt verder dat niet alles wat in het Oude Testament geschreven is, ook nog normatief is. Met een beroep op het evangelie kan hij in zijn brief aan de Galaten zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant schuiven als niet meer van betekenis. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van die wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, n.l. die van Christus en van de Geest.

Dat is ook de manier waarop wij de bijbel hebben te lezen. Niet alles heeft hetzelfde normatieve soortelijk gewicht. Er is een ontwikkeling in de heilsgeschiedenis, waardoor zaken die onder het oude verbond normatief waren onder het nieuwe verbond die normativiteit kwijt zijn geraakt en voor ons niet meer van toepassing zijn. Kort geformuleerd: ‘Het gezag van de hele Schrift geldt voor alle eeuwen, maar niet elke tekst is bedoeld voor elke situatie of tijd.’

Wanneer Paulus in 1 Tim. 2 naar Adam en Eva verwijst gebruikt hij deze geschiedenis als een voorbeeld en analogie voor wat zich in Efeze afspeelt. Zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen.


3. Mag je de bijbel zo anders lezen?

Ik heb in het eerste deel van mijn inleiding het punt van verschil tussen de traditionele en de huidige visie op vrouw en ambt laten zien, namelijk de vraag wat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent. Daarna heb ik in het tweede deel aan de hand van vier aspecten laten zien, hoe dat verschil onderbouwd is. Nu als derde punt de vraag: mag dat? Doe je dan nog wel recht aan het gezag van de bijbel? Daar wil ik een drietal dingen over zeggen.

  a. Gewoon gereformeerde hermeneutiek

Sommigen zeggen: ‘dat we de bijbel anders lezen komt omdat wij ons laten leiden door de tijdgeest.’ De synode heeft een nieuwe manier van het lezen van de Schrift omarmd en heeft zich uitgeleverd aan de overheersende gelijkheidscultuur van onze tijd, die bepalend is voor de uitkomst van de nieuwe visie op vrouw en ambt. Met als gevolg dat het gezag van de bijbel wordt ondermijnd en ontkend.

Inderdaad is het zo, dat wij juist vanuit onze huidige cultuur herkennen hoezeer de uitleg van de bijbel in de voorgaande eeuwen mede bepaald is geweest door de toen heersende cultuur.

Eeuwenlang is de slavernij verdedigd met de bijbel in de hand en nog niet zo lang geleden de apartheid in Zuid-Afrika. Ook in onze eigen recente kerkgeschiedenis zijn allerlei waarheden gesneuveld: over de ware kerk, over de zondagsbesteding, en nu dus ook over de vrouw in het ambt. Ik besef dat dat een ongemakkelijk gevoel geeft. Maar ook al lezen we de bijbel anders, de norm blijft nog steeds de bijbel en de overtuiging dat God ons via de bijbel aanspreekt. Een andere leeswijze betekent niet automatisch een andere hermeneutiek. Deze leeswijze kan gewoon met de regels van de gereformeerde hermeneutiek verantwoord worden. 

Natuurlijk is er het gevaar, dat je uit de bijbel haalt, wat je graag wilt. Maar waar wij als gereformeerde kerk op aan te spreken zijn, is dat de tekst van de bijbel in zijn geheel gezaghebbend is en blijft.

De vraag is niet of Paulus’ voorschriften voor ons normatief zijn: dat zijn ze. De vraag is op welke wijze zijn voorschriften, gegeven in een bepaalde cultuur en binnen een bepaalde context, normatief zijn voor onze cultuur en voor onze manier van kerk-zijn vandaag. Daarmee kom ik op mijn tweede opmerking.

  b. De patriarchale samenleving is niet normatief.

In de bijbel vinden wij de openbaring van God, zoals Hij zich in aansluiting bij een bepaalde cultuur en in een bepaalde tijd bekend heeft gemaakt. De vraag is, of God door zich aan te sluiten bij een bestaande cultuur ook die cultuur zelf normatief heeft verklaard.

Het verschil van mening tussen de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt spitst zich toe op de vraag, of wij ons los mogen maken van de patriarchale cultuur die verondersteld is in allerlei gebruiken en geboden in de bijbel. In een patriarchale cultuur is de vrouw ondergeschikt aan de man en krijgen man en vrouw verschillende rollen en verantwoordelijkheden toebedeeld. Mag je daar aan tornen?

Ja, zegt de synode: de patriarchale verhoudingen zijn niet normatief, d.w.z. het biologische onderscheid tussen man en vrouw en de manier waarop daar in de bijbelse tijd een sociale en culturele betekenis werd toegekend, is niet bepalend voor de vraag of de vrouw in het ambt mag dienen. Nee, zeggen de tegenstanders met een beroep op de traditionele leeswijze, die juist gefundeerd is op de acceptatie van de patriarchale samenleving inclusief de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

In mijn preek in november 2018 ben ik daar uitgebreider op ingegaan. Mijns inziens staat Paulus in Gal. 3:28 niet toe, dat in de kerk Jood of heiden, heer of slaaf, man of vrouw, anders worden behandeld: in Christus is er geen onderscheid. Er zijn wel verschillen, maar die zijn bedoeld om elkaar op te bouwen en samen met de specifieke gaven die ieder heeft van betekenis voor elkaar te zijn en elkaar te dienen.

  c. Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

Tenslotte: vrouwen kunnen gezag hebben, – ook over mannen – , omdat het gezag niet in hun persoon-zijn ligt, maar in de boodschap die zij brengen en in God die hen zendt.

Wanneer zij gaven van God ontvangen hebben om leiding te geven, om voor te gaan of om in het ambt te dienen, dan mogen zij die inzetten. Dat is de visie van de synode om ook vrouwen tot het ambt in de gemeente toe te laten.

Binnen de patriarchale samenleving, zoals die in de bijbelse tijd functioneerde, heeft Paulus specifieke opdrachten voor de organisatie van het gemeenteleven gegeven. Wij mogen in onze situatie en binnen onze samenleving die opdrachten handen en voeten geven, niet door ze letterlijk toe te passen, maar door de strekking en de bedoeling daarvan tot uitdrukking te brengen.


[i] Zie: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Advertenties

Gen. 2-3 en de scheppingsorde

Excurs 2 – Gen. 2-3 en de zgn. scheppingsorde

Als belangrijk argument voor de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man wordt genoemd, dat God Adam als eerste ter verantwoording roept, hoewel Eva als eerste van de vrucht gegeten heeft. Vanuit dit detail in het verhaal pleit men er voor om er vanuit te gaan dat ook in Gen. 2 een verschil in positie en verantwoordelijkheid van man en vrouw verondersteld wordt, waarbij de volgende elementen uit het verhaal als argumenten worden aangevoerd:

  • de man is uit de aarde geschapen, de vrouw vanuit de man;
  • alleen Adam krijgt de opdracht om de dieren namen te geven;
  • Eva weet van het gebod van God, omdat Adam haar dat verteld moet hebben;
  • de vrouw wordt aan de man als hulp gegeven;
  • de straf voor de vrouw is dat de man over haar moet heersen.

Maar als je inzoomt op de context van de geschiedenis van Gen. 2-3 is het de vraag of deze leeswijze houdbaar is. Er zijn namelijk fundamentele vragen bij te stellen.

Een belangrijke is: in hoeverre kun je aan elementen uit verhalende teksten normatieve uitspraken ontlenen?

Daarnaast: doe je met deze leeswijze wel recht aan de strekking van Gen. 2-3?  Kort gezegd is de strekking van deze hoofdstukken om te laten zien hoe de zonde de wereld in is gekomen en hoe God herstel en redding belooft. Herstel dat plaats zal vinden via het volk Israël.

Zo heeft Gen. 2-3 een functie in het grotere geheel van Gen. 1-11 als voorgeschiedenis van de geschiedenis van het volk Israël, dat in Gen. 12 begint met de roeping van Abraham. Gen. 2 kan wel gebruikt worden om een visie op het huwelijk te ontwikkelen, maar het is een overvragen van de geschiedenis in Gen. 2-3 om daar een maatschappijvisie in de vorm van een scheppingsorde op te willen bouwen.

De genoemde elementen zijn op basis van een analyse van Gen. 2 en 3 logisch te verklaren uit de wijze waarop de verteller het verhaal literair opgebouwd heeft. Van uit deze analyse is het ook aantoonbaar dat men op basis van allerlei onhoudbare veronderstellingen en zonder enige fundering in de tekst zelf de visie op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in de uitleg van deze verhalen inleest. Een interpretatie die men verder probeert te onderbouwen met een onjuiste uitleg van Paulus’ spreken over het ‘hoofd’-zijn van de man.[i]

Verder: als het over normativiteit gaat is de enige norm die gesteld wordt, dat de mens niet van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad mag eten. Daarnaast krijgt de mens de opdracht om de tuin van Eden te bewerken en er over te waken. De zonde van Eva en Adam is dat ze tegen dit gebod van God ingaan. Ze hebben de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om als mens [=adam] Gods gebod te respecteren van hun kant niet waargemaakt. Hieraan kun je niet de conclusie verbinden dat Eva zich uit een ondergeschikte positie boven Adam verheven heeft. Wel dat ze door haar optreden een breuk geslagen heeft in hun onderlinge gelijkwaardige relatie.

Mijn conclusie is dat je aan de verhalende elementen in Gen. 2 en 3 niet zomaar, zoals de traditionele leeswijze dat voorstelt, rollen of verantwoordelijkheden kunt ontlenen die alleen voor de man of de vrouw gelden. Vooral niet omdat in die leeswijze ten onrechte het hulp-zijn van de vrouw uit Gen. 2 als ondergeschiktheid wordt uitgelegd en ook ten onrechte aan de straf voor de vrouw in Gen. 3:16 de norm ontleend wordt dat de man over de vrouw moet heersen.


[i] Voor een uitgebreidere analyse van de aangevoerde argumentatie om de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in Gen. 2 en 3 te lezen, verwijs ik naar mijn twee blogs over ‘Genesis 1-3 en de scheppingsorde’:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/12/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-2/.

Man, vrouw en ambt

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente de Fontein (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde.

De avond stond in het kader van een bespreking van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen.  

De inleiding bestaat uit de volgende drie onderdelen:

1e.  Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

Hierin ga ik in op het verschil tussen de traditionele visie en de visie van de synode, dat ligt in het gegeven dat we nu uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw in tegenstelling tot de vroegere ondergeschikt van de vrouw aan de man.

2e.  Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Hierin besteed ik aandacht aan vier elementen, op grond waarvan wij de m/v-teksten vandaag anders lezen dan vroeger, te weten:

  •  De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd
  •  Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst
  •  Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen
  •  Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

3e.  Mag je de bijbel zo anders lezen?

Om deze vraag te beantwoorden benoem ik drie zaken, op grond waarvan dat geoorloofd is:

  • Gewoon gereformeerde hermeneutiek
  • De patriarchale samenleving is niet normatief.
  • Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

In vier excursen bespreek ik thema’s die in de bespreking van de inleiding naar voren kwamen:

  Excurs 1 – ‘Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk’

  Excurs 2 – Gen. 2 en 3 en de zgn. scheppingsorde

  Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

  Excurs 4 – Patriarchale samenleving en cultuur 

De uitwerking van de lezing is hier te vinden: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf