Genesis 1-3 en de scheppingsorde (2)

In eerste deel van deze blog [i] heb ik de visie van ds. Rufus Pos op de zgn. ‘scheppingsorde’ weergegeven en ben ik ingegaan op zijn uitleg van Gen. 2. In dit tweede deel bespreek ik zijn beroep op Gen. 3.

 

     –   Pos’ visie op (on)gelijkheid in Gen. 3

Volgens Pos is in Gen. 3 dé zonde van de vrouw dat zij de door God aan Adam gegeven positie en diens gezag niet erkende. Als ze dat wel gedaan had, zou ze Adam eerst geraadpleegd hebben over de woorden van de slang en niet van de vrucht hebben gegeten, mits Adam natuurlijk zijn verantwoordelijkheid had genomen en haar was voorgegaan in het gehoorzaam blijven om niet van de boom van kennis van goed en kwaad te eten.

Bij het lezen van Gen. 3 zien we op verschillende momenten dat de ongehoorzaamheid aan het door God geven verbod de reden is, dat de mens en zijn vrouw door God geoordeeld worden. Nergens in de tekst wordt gezegd, dat de oorzaak van deze ongehoorzaamheid is dat de vrouw zich niet ondergeschikt aan de mens opgesteld heeft. Dat betekent dat het argument dat Pos aanvoert een veronderstelling van de categorie (c) is, die hij gebruikt om zijn exegese aannemelijk te maken. Een veronderstelling die geen aanknopingspunt in de tekst heeft en daarom moet worden afgewezen. Verder geldt ook hier dat een beroep op Paulus faalt, omdat ook Paulus niet uitgaat van een zgn. scheppingsorde. [ii]

Uit de opbouw van het verhaal in Gen. 2 en 3 blijkt dat de zonde van de vrouw is, dat zij op basis van het gesprek met de slang de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad neemt en die eet. Vervolgens is de zonde van haar man dat hij de vrucht van haar aanneemt en ook daarvan eet. In deze elementen van Gen. 3 verwijst de verteller terug naar de voorwaarden en mogelijkheden om te zondigen, zoals hij die in Gen. 2 : 8-9 en 15-17 in het verhaal verweven heeft.

Voor God is de kern van de zonde: ‘Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’, (3:11b) en ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden’, (3:17a), met als gevolg: ‘Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad’, (3:22). Dat betekent, dat de primaire focus van Gen. 2 en 3 primair de relatie tussen de mens en God is. Informatie over de overige relaties van de mens (mens-aarde, mens-dier en man-vrouw) zijn daarin secundair of ‘ondergeschikt’.

Terecht kan Pos erop wijzen, dat zowel de vrouw als de man geen recht doet aan de onderlinge relatie en de verantwoordelijkheid voor elkaar. Maar omdat het verhaal in Gen. 2 en 3 een tekstuele eenheid is, moet je die onderlinge relatie interpreteren vanuit Gen. 2 (en dus vanuit de gelijkwaardigheid, zie deel 1) en niet vanuit een in Gen. 3 ten onrechte veronderstelde ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

De argumenten die Pos daar toch voor aan meent te kunnen dragen zijn: (a) Adam wordt als eerste aangesproken, (b) Adam en Eva krijgen een verschillende straf, (c) alleen tegen Adam wordt gezegd dat hij zal sterven, en (d) de uitspraak, dat de man over de vrouw zal heersen (Gen. 3:16), is wel degelijk een straf voor de vrouw.

 

       Ad a.  Als eerste aangesproken

Opnieuw doet Pos een impliciet beroep op Paulus, omdat hij er vanuit gaat dat Paulus de man met de term ‘hoofd’ als de eerstverantwoordelijke in de ongelijke relatie tussen man en vrouw typeert. Allereerst is dat een uitleg van Paulus die niet standhoudt[iii] en dus ook niet als terechte aanname gehanteerd kan worden. Ten tweede is er in de tekst van Gen. 2 en 3 geen enkel element, dat een dergelijke interpretatie van het als eerste aangesproken worden rechtvaardigen kan.

Binnen de logica van de verhaallijn is het juist niet vreemd, dat de mens/man als eerste spreekt, wanneer God man en vrouw aanspreekt. Het past in een concentrische weergave van de gebeurtenissen en Gods reactie daarop. In Gen. 3:1-8 komen eerst de slang, de vrouw en de mens op het toneel, waarna als God verschijnt en begint te spreken in omgekeerde volgorde eerst een dialoog is met de mens en dan de vrouw is en vervolgens God het oordeel uitspreekt over de slang, de vrouw en ten slotte de mens. Tegelijk kan de verteller zo een directe verbinding leggen met het in Gen. 2:17 gegeven verbod, dat God tegenover de mens uit heeft gesproken, toen de vrouw nog niet geschapen was.

Het is duidelijk dat de man en de vrouw zowel zelfstandig handelen, als dat zij in het overtreden van het gebod en het omgaan met de gevolgen door de verteller als eenheid gezien worden. ‘Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan’, (3:6b). Daarna gaan hun ogen open: zij herkennen dat ze naakt zijn, maken schorten van vijgenbladeren en verbergen zich, wanneer God in de hof verschijnt en hen gezamenlijk ter verantwoording roept en tegelijk man en vrouw ieder op zijn eigen daden aanspreekt. Net als in hoofdstuk 2 speelt de dubbele betekenis van ‘adam’ als soortnaam en eigennaam een rol. In het verhaal van God en mens komt God na de overtreding met zijn roep: ‘God riep de mens en zei tot hem: “Waar ben je”’, (3:8), waarbij hij zowel oog heeft voor hun eenheid als vervolgens ook voor ieders afzonderlijk handelen.

 

      Ad b. en c.  Verschillend oordeel en aanzegging van de dood

Het oordeel dat God uitspreekt over de man en de vrouw heeft zowel gemeenschappelijke aspecten als specifieke.

Gemeenschappelijk is dat God allereerst vijandschap zet tussen de slang en de mens. Ook al noemt God in het oordeel over de slang expliciet de vrouw, het gaat in haar wel over de mens(heid) als geheel, collectief aangeduid met het woord ‘zaad’.

Daarnaast zal het leven van de mens, zowel van de man als van de vrouw, moeizaam worden. Voor beiden gebruikt God daarbij de term ‘smart’. Ieder zal het op zijn eigen specifieke wijze ervaren. Of dat nu betreft het bewerken van het land, het baren van kinderen, of het genieten en eten van de opbrengst. Tegenover het leven, genieten en eten in (en van de bomen in) het paradijs, plaatst God het toekomstig leven van de mens in smart op de aarde buiten het paradijs, dat uiteindelijk voor beiden uit zal lopen op de dood.

Dat alleen tegen de mens gezegd wordt, dat hij zal sterven, heeft opnieuw niet te maken dat Adam de eerstverantwoordelijke is, maar wordt verklaard door de manier waarop het verhaal verteld wordt. De verteller verwijst daarmee op concentrische wijze op de aankondiging daarvan, zoals die ook aan de mens gegeven is in 2:17, en naar zijn schepping uit de aardbodem in 2:7, waar de mens (m/v) weer naar zal terugkeren.

Veronderstellen dat het onderscheid in het oordeel van God daarmee te maken heeft dat de vrouw ten opzichte van de mens een ondergeschikte positie en verantwoordelijkheid heeft en dat hieruit een ‘scheppingsorde’ zou blijken, is inlegkunde die botst met de manier waarop de verteller zijn verhaal presenteert. Het zwoegen om in leven te blijven, omdat de aardbodem vervloekt is, en het sterven geldt gelijkelijk voor de vrouwelijke nakomelingen van de mens en voor de mannelijke.

 

      Ad d.  De man zal heersen als strafmaatregel, Gen. 3:16b

In het oordeel dat God over de vrouw uitspreekt, wordt duidelijk dat het overtreden van het gebod niet alleen consequenties heeft voor de relatie tussen de mens en God, maar ook voor de onderlinge relatie tussen de man en zijn vrouw: die is beschadigd en opgebroken. Ze bedekken hun naaktheid voor elkaar en wanneer God met hen in gesprek gaat schuiven de mens en de vrouw allebei de schuld op een ander af.

In Gods oordeel over de vrouw: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen’ legt Pos de term ‘begeren’ uit als het verlangen van de vrouw om de ‘leidende’ positie van de man in te nemen. Ook al zou zijn interpretatie juist zijn, – waar in de exegetische literatuur behoorlijk wat discussie over is  -, het willen heersen of domineren is zowel mogelijk in een hiërarchische als in een gelijkwaardige relatie. De context en de verhaallijn pleiten er echter voor om deze uitspraak in een gelijkwaardige relatie tussen man en vrouw te plaatsen in plaats van een hiërarchische relatie te veronderstellen, zoals Pos met zijn beroep op Paulus doet.

Pos legt het oordeel van God over de vrouw uit als dat ‘dit streven (begeren) niet het door haar gewenste resultaat zal hebben. Juist het omgekeerde: de man zal op dit ‘begeren’ van zijn legitieme plek door de vrouw reageren met een ‘over haar te heersen’. Zijn conclusie is daarom, dat waar mannen over vrouwen heersen, dat een straf van God is. Omdat dit ‘laat zien dat God door zijn straffen niet een einde maakt aan de zonde, maar dat Hij de zonde juist als straf kan gebruiken.’

Ik vind dat deze interpretatie ten sterkste afgewezen moet worden. Mijn inziens zegt Pos hiermee: ‘Eigen schuld, dikke bult, had je je maar als vrouw aan je man moeten onderschikken’. Ook al schreef hij in een eerdere brief over Gen. 3:16: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk’, toch legitimeert hij met zijn interpretatie van Gen. 3:16b nog steeds de onderdrukking van vrouwen, zoals dat eeuwenlang vaak met een beroep op deze ‘ordinantie Gods’ gebeurd is.

 

     –   Samenvatting en conclusie

In zijn serie brieven naar aanleiding van het besluit van de GKv Synode Meppel in 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, wil Pos laten zien dat deze uitspraak in strijd is met de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man. Hij beroept zich daarvoor op zijn uitleg van Gen. 1-3, waar zijns inziens God deze scheppingsorde ingesteld heeft.

Mijn conclusie over deze interpretatie kan kort zijn. Alle retoriek van Pos ten spijt dat elk detail van het scheppings- en zondevalverhaal van betekenis is en aandachtig gelezen moet worden, gaat hij zelf op zeer onzorgvuldig wijze met de gegevens in Gen. 1-3 om en leest hij op basis van allerlei onhoudbare veronderstellingen en zonder enige fundering in de tekst zelf zijn visie op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in zijn uitleg van deze verhalen in. Uitgaande van een onjuiste interpretatie van Paulus’ spreken over het ‘hoofd’-zijn van de man gaat hij er vanuit dat in Gen. 3 een hiërarchische relatie tussen man en vrouw verondersteld wordt, die hij vervolgens zonder ondersteuning in de tekst in zijn uitleg van Gen. 2 probeert te verdedigen.

Om het in Pos’ termen te zeggen: ‘Je bent niet heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn.’ Die ongelijkheid is met het man-  en vrouw-zijn gegeven. De vraag is echter, of deze ongelijkheid een zodanige ‘ongelijke positie en verantwoordelijkheid’ van man en vrouw impliceert, dat de vrouw aan de man ondergeschikt is. Dat heeft Pos in zijn brieven met zijn uitleg van Paulus en Gen. 1-3 niet kunnen aantonen. Op grond van de tekst van Gen. 2-3 moet je concluderen dat de mens en zijn vrouw door God in een gelijkwaardige positie aan elkaar gegeven zijn en zo als man respectievelijk vrouw voor Gods aangezicht in verantwoordelijkheid mogen leven. Gen. 1-3 geven geen richtlijnen of aanwijzingen, op basis waarvan aan het man- of vrouw-zijn specifieke sociale rollen, verantwoordelijkheden en domeinen als een door God gestelde scheppingsorde kunnen worden verbonden. Pos’ visie dat de vrouw binnen het huwelijk, in de samenleving en in de kerk een ondergeschikte positie ten opzichte van de man moet innemen moet daarom worden afgewezen.

 

 

[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/

[ii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

Advertenties

Priester (m/v)

In een artikel in Nader Bekeken gaat dr. Pieter Boonstra in op de in 2017 genomen besluiten van de GKV-synode over ‘M/V en ambt’[i]. Hij heeft twee argumenten om deze besluiten af te wijzen. Allereerst wordt er geen recht gedaan aan de zgn. zwijgteksten, waar Paulus zijns inziens duidelijk leert dat vrouwen geen ambtelijke taken in de gemeente mogen verrichten. Ten tweede wordt er geen recht gedaan aan wat hij noemt de ‘priesterlijke’ lijn. Dat is het patroon in de Bijbel dat begint bij mannelijke priesters, vervolgens loopt via mannelijke apostelen en ten slotte uitkomt bij mannelijke oudsten. Dit tweede argument stel ik in deze blog centraal. Over het eerste argument heb ik al vaker geschreven op deze site en heb ik laten zien, dat een beroep op de zwijgteksten als absoluut verbod om vrouwen uit het ambt te weren niet te rechtvaardigen is.

Over die ‘priesterlijke lijn’ schrijft Boonstra, dat:

alleen mannen voor die dienst in aanmerking kwamen. Op deze regel vind je in het Oude Testament géén uitzondering, nergens is er sprake van een priesteres. Dit is des te opvallender, omdat in de toenmalige wereld bij de omliggende volken priesteressen dienstdeden in de tempel. De reden dat de Here niet koos voor vrouwelijke priesters, kan dus niet gezocht worden in het feit dat daar in de toenmalige cultuur geen ruimte voor was. Die was er dus wel degelijk! Desondanks kiest de Here alleen voor mannelijke priesters.’

Zijn gedachte is vervolgens dat Jezus juist 12 mannen als apostel gekozen heeft, omdat hij bij deze priesterlijke lijn uit het Oude Testament aansluit. Een bevestiging van die gedachte ziet hij daarin, dat Paulus zijn apostolische prediking typeert als ‘bediening van de verzoening’, wat een priesterlijke taak is. Een taak die Paulus vervolgens overdraagt aan de oudsten en opzieners (Hand. 20:27v) en die hij uitsluitend aan mannen toevertrouwt, (1 Tim. 2:13v, 1 Tim. 3:2 en Titus 1:6). Dat is een bewuste keuze, omdat Paulus in 1 Tim. 3:11 wel toestaat dat een vrouw diaken mag worden.

Duidelijk mag zijn dat de door Boonstra gesignaleerde lijn een constructie is, die hij als lezer aanbrengt, waarbij het dan de vraag wordt of daar in de bijbel zelf wel voldoende gronden voor zijn.

Als we op de lijn letten die Boonstra construeert, valt op dat in het Nieuwe Testament niets gezegd wordt over Jezus’ motivering om juist twaalf mannen als apostel te kiezen, laat staan dat het duidelijk wordt dat het zou zijn om daarin een ‘priesterlijke’ lijn voort te zetten. Wel weten we dat er onder zijn leerlingen ook vrouwen waren. Ook lezen we in Lukas dat hij 72 leerlingen twee aan twee op stage uitzond met de opdracht zieken te genezen en de komst van het koninkrijk van God aan te kondigen. We weten niet of onder die 72 leerlingen ook vrouwen waren. Maar de kans dat bijvoorbeeld de Emmaus-gangers, twee leerlingen van Jezus, een echtpaar vormen, is veel groter dan dat het twee mannelijke leerlingen zijn.

Als de keuze voor aansluiting bij een ‘priesterlijke’ lijn voor Jezus het argument zou zijn voor de aanstelling van apostelen, dan vraag ik me verder af waarom Boonstra alleen focust op het man/vrouw-zijn als criterium. Er waren meer vereisten voor priesters: ze moesten afkomstig zijn uit de stam Levi en dan ook nog uit het geslacht van Aäron. Nadere vereisten waren verder dat ze geen gebrek aan het lichaam mochten hebben. Tenslotte mochten ze als ze onrein waren geen dienst doen in de tempel.

Dat laatste aspect lijkt mij overigens de meest aannemelijke verklaring, dat vrouwen in het Oude Testament geen priester zijn geworden. Door hun maandelijkse ongesteldheid en bloedverlies zijn er maar beperkte tijden, dat ze dienst kunnen doen. Mijn conclusie zou daarom ook eerder zijn, dat vrouwen geen priester konden worden, niet omdat zij vrouw zijn, maar omdat ze – doordat ze vrouw zijn – veel te vaak onrein zouden zijn om deze functie te kunnen vervullen. Een logische vraag die hier uit volgt is, of dit criterium onder het nieuwe verbond nog zijn geldigheid zou hebben. Deze vraag stellen is haar mijns inziens negatief beantwoorden. Het criterium rein/onrein heeft in Christus zijn voltooiing gevonden. De heiligheid en reinheid van gelovigen en hun representanten liggen door het offer dat Hij gebracht heeft in Hem verankerd. Vrouwen zouden daarom onder het nieuwe verbond wel priester kunnen zijn.

Als we verder kijken naar de argumentatie voor de lijn die Boonstra veronderstelt, is op te merken dat inderdaad het nederlandse woord ‘priester’ etymologisch afgeleid is van het griekse woord ‘presbuteros’, dat oudste betekent. Maar dat betekent niet dat dus de functie van oudste in het Nieuwe Testament ook afgeleid is van de functie van de priester in het Oude Testament.

Het argument dat Boonstra daar toch voor denkt te kunnen aanvoeren is die van de metafoor van ‘de bediening van de verzoening’, die hij in de NBG-vertaling van 1951 in 2 Kor. 5:18 bij Paulus vindt. Toch vind ik het vreemd om te suggereren, dat zoals de priester verzoening tot stand brengt tussen God en mens door middel van het offer, de verkondiger van het evangelie verzoening tot stand brengt tussen God en de hoorder. Uit de NBV-vertaling van 2004 van dit vers blijkt duidelijk, dat de verzoening met God door Christus tot stand gebracht is en dat de verkondiging dat de verzoening tot stand gebracht is toevertrouwd is aan Paulus en aan de andere medewerkers van God (6:1) als gezanten van God (5:20). Het griekse werkwoord dat Paulus gebruikt is ‘presbeuoo’, waarin de gemeenschappelijke stam van ‘presbuteros’ te herkennen is. Het waren vaak de ouderen (oudsten) die de gemeenschap of het volk representeerden en als gezanten optraden en als zodanig het woord voerden.

Vanuit strategische en (kerk-)politieke overwegingen begrijp ik wel dat Boonstra de vraag van m/v en ambt graag exclusief wil toespitsen op de vraag aan welke kwalificaties een priester moet voldoen om God te kunnen representeren. Het is duidelijk dat in het Oude Testament vrouwen God wel kunnen vertegenwoordigen als profetessen en richteressen. In het Nieuwe Testament wordt vrouwen toegestaan om te profeteren en in de verkondiging werkzaam te zijn. Het zou mooi zijn om dan te kunnen aantonen, dat het ambtelijke spreken in het Nieuwe Testament zijn kern vindt in het priesterlijke en niet in het profetische, zoals deputaten MV betogen, en dan een beroep te kunnen doen op een constante ‘priesterlijke’ mannelijke lijn vanuit het Oude Testament.

Ik wil aan deze korte opmerkingen bij Boonstra’s zgn. ‘priesterlijke’ lijn twee conclusies verbinden. Ten eerste dat een ‘priesterlijke’ lijn van het Oude naar het Nieuwe Testament niet vanuit de bijbel valt aan te tonen en daarom als onverantwoorde fictie en dus als een non-argument in het m/v-ambt gesprek moet worden afgewezen.

Ten tweede dat als het over de vrouw in het ambt gaat, het niet om de vraag gaat of vrouwen priester mogen worden, maar om de vraag aan welke kwalificaties vertegenwoordigers van God moeten voldoen om Hem te representeren.

Ook al is het zo, dat in het Nieuwe Testament voornamelijk mannen als ‘oudsten’  worden genoemd, mijn inziens valt het bijbels niet hard te maken om vrouwen vanwege hun vrouw-zijn categorisch van deze functie uit te sluiten. Man en vrouw zijn samen naar het beeld van God geschapen. Daarom kunnen ook vrouwen Hem vertegenwoordigen. Als het om priesters gaat kan Gods volk, zowel mannen als vrouwen, in het Nieuwe Testament (onder verwijzing naar het Oude Testament) gekarakteriseerd worden als ‘een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht’, (1 Petrus 2:9).

Vrouwen als priester? Onder het nieuwe verbond is dat wel degelijk mogelijk.

 

 

[i] Zie: Nader Bekeken, Jaargang 24, nr. 9, september 2017, p. 239-243.

Samenvatting

Een samenvatting van Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, (Uitgeverij Woord en Wereld, 2018) –  Fokke Pathuis [i]

 

  1. Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’, dat uiteindelijk in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn vrucht van zijn denken over deze vraag. Daarom gaat hij ook uitgebreid in op de exegese van de zgn. zwijgteksten en op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

 

  1. Status van gesprek over m/v in de kerk

Een eerste punt dat Niemeijer naar voren brengt, is dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de ware en volkomen leer van de verlossing of dat daarmee iets zou veranderen aan ons geloof in Christus:

De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Niet minder, ook niet meer’, (11).

Over zaken van kerkinrichting en kerkregering hebben we in de bijbel geen sluitend systeem aangereikt gekregen. In de vormgeving daarvan heeft de kerk zowel recht gedaan aan de Schrift en tegelijkertijd eigentijdse overwegingen een rol laten spelen. Onze indeling van het ambt in predikant, ouderling en diaken stamt ook pas uit de tijd van de Reformatie, (34).

Niemeijer kan zich voorstellen, dat gemeenteleden het gevoel krijgen, dat ze de controle kwijt zijn. In de loop van de 20e eeuw moest men steeds weer terugkomen op stelligheden, die gekoesterd werden. Van het afwijzen van de broekdragende vrouw, de aanvaarding van de werkende vrouw, de opheffing van afzonderlijke bijbelstudieverenigingen voor jongens en meisjes, het toestaan van het stemrecht van de vrouw in de kerk, tot het denken over de sociale wetgeving, de afschaffing van de apartheid en de samenwerking in de politiek met niet-gereformeerden. En nu sneuvelt het volgende bolwerk, (12).

Zijn we nu wij als kerken niet bezig het Woord van God kwijt te raken? Argumenten die door de synode aangevoerd zijn om het besluit om vrouwen in het ambt toe te laten, overtuigen niet iedereen, (12).

Toch zijn de vragen waar de eerste christelijke kerk voor stond van veel groter gewicht. Zij moesten beoordelen of mensen buiten Israël behouden konden worden, zonder de wet van Mozes te onderhouden. Had Jezus zelf niet gezegd, dat hij niet was gekomen om de wet te ontbinden? Als je het hebt over zekerheden die onderuit lijken te gaan, dan zijn onze vragen over m/v en ambt daar kinderspel bij, (34).

 

  1. De interpretatie van de zwijgteksten

Als het over zwijgteksten gaat is het duidelijk, dat niet elk spreken of optreden van vrouwen in de kerk en de kerkdiensten wordt verboden. Vrouwen mogen zingen, bidden, profeteren en met een woord van God tot opbouw komen. De vraag is, wat de zwijgteksten dan wel verbieden.

Traditioneel worden deze teksten gezien als in ieder geval een blokkade voor vrouwelijke predikanten en ouderlingen. Paulus zou met een beroep op de schepping en de zondeval het leren en het gezag oefenen over mannen in de samenkomsten verbieden, wat vertaald wordt als dat het leer- en regeerambt voor de vrouw verboden is.

Ook is er een sterke overtuiging, dat als de bijbel op andere plaatsen over de inzet van vrouwen in de kerk spreekt, dat nooit in strijd kan zijn met de inzichten die men aan de zwijgteksten heeft ontleend. De bijbel als Gods woord kan zichzelf niet tegenspreken. ‘In feite vormen de zwijgteksten zo een soort canon binnen de canon. Alle spreken in de Bijbel over de inzet van vrouwen wordt aan deze teksten afgemeten’, (14).

Bij zijn bezinning in 2014 rees bij Niemeijer de vraag, of deze uitleg van de zwijgteksten echt wel zo helder en eenduidig was. Want als je de bijbel echt heilshistorisch wilt lezen, mag je teksten niet als losse en tijdloze teksten gebruiken. Hij zag nu dat de zwijgteksten toch vaak zo gelezen zijn, zonder oog voor de situatie waarin ze geschreven werden en zonder de context van de teksten in rekening te brengen.

Zo kwam hij tot de conclusie, dat hij niet rechttoe rechtaan gelezen had wat er ‘gewoon staat’, maar dat hij ongemerkt heel wat keuzes maakte en knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest. Niemeijer geeft bij zijn lezing van 1 Timoteüs 2 zo’n 11 keuzemomenten, waarvan de belangrijkste zijn, dat het daar niet specifiek gaat over m/v en het ambt, maar over m/v en de samenleving, en dat het niet gaat over de positie van de vrouw ten opzichte van alle mannen, maar specifiek ten opzichte van de eigen man in het huwelijk. Zo werd hem duidelijk:

Ik kan de uitleg die ik aanhing, dus niet meer betitelen als: dit is het Woord van God. Het was mijn uitleg ervan’, (22).

Wanneer hij nadenkt hoe het komt, dat de klassieke exegese zo lang stand gehouden heeft, ziet hij dat dit vooral ‘samenhangt met de plaats die de vrouw in onze samenleving had. In heel de samenleving ja, en niet alleen in de kerk’, (22).

De klassieke exegese en het spreken over verschillende levenstaken van man en vrouw passen heel goed bij een samenleving, waarin de vrouw nauwelijks rechten had en waarbij vrouwen niet actief in de samenleving participeerden, met als gevolg dat deze exegese niet door de praktijk op houdbaarheid werd beproefd.

Daarnaast kwamen pleidooien voor de rechten van de vrouw vaak op uit een puur werelds denken dat geen rekening wilde houden met het christelijke verleden. ‘In deze context was emancipatie per definitie verdacht en werd de ‘onderdanigheid’ van de vrouw kenmerk van het onverkort vasthouden aan goede waarden’, (22).

 

  1. Nieuwe hermeneutiek?

Tegenstanders van de vrouw in het ambt wijzen een andere interpretatie van de zwijgteksten af, omdat die zou voortkomen uit het gebruik van een andere hermeneutiek.

Niemeijer houdt daartegenover staande, dat hij tot zijn inzichten gekomen is door dezelfde regels op de bijbel toe te passen als in de traditionele hermeneutiek gebruikelijk was. Wel heeft hij meer oog gekregen voor de kant van de ontvanger: ‘wat er aan onze kant van belang is om de boodschap goed op te vangen’, (26). Deze kant kreeg in het verleden veel minder methodische aandacht.

In de nieuwere hermeneutiek is veel meer oog voor alle obstakels en vertekeningen bij de lezer. Ons schepsel-zijn (dat beperkt is), ons zondaar-zijn en ons zelfbeeld kunnen het verstaan van de bijbel in de weg zitten:

Ben ik voor de vrouw in het ambt of ertegen, dat beïnvloedt al gauw wat ik in teksten lees. Ik heb zomaar de neiging om teksten uit te leggen naar wat ik erin wil (!) horen’, (27).

Behalve ons zelfbeeld is volgens Niemeijer ook ons wereldbeeld of onze cultuur van invloed op hoe wij teksten lezen:

Lees bijvoorbeeld 1 Korintiërs 11 over wat een vrouw om haar hoofd moet hebben eens in onze cultuur en in die waar de hoofddoek nu nog normaal is  en het afdoen ervan ondenkbaar [= b.v. in een moslimcultuur, FP). Welke boodschap heeft Paulus voor onze vrouwen en welke voor die vrouwen met hoofddoek?’, (28).

Tenslotte speelt ook de scherpte van de bril waarover we beschikken een rol. Wij hebben meer zicht gekregen op bepaalde punten. ‘Soms gaan ineens je ogen open voor dingen die je voorheen niet zag en soms ook niet kon zien. Want Gods Woord is volmaakt en helder, maar onze bril is dat niet en ons gehoorapparaat staat wel eens verkeerd afgesteld’, (29).

Zo zijn onze ogen geopend voor factoren die ons verstaan belemmeren en hebben we geleerd om kritisch te zijn op ons zelf: ‘Niet kritisch op de Bijbel, maar op je eigen verstaan’, (35).

 

  1. De zgn. zwijgteksten

Paulus verbiedt in 1 Timoteüs 2 ‘vrouwen een/de man (enkelvoud) te onderwijzen en (en niet: of!) gezag over hem te oefenen. Ze moeten zich gehoorzaam en bescheiden laten onderwijzen’, (36).

Dit is geen absoluut verbod aan vrouwen om onderwijs te geven, want in Kolossenzen 3 krijgen vrouwen immers juist ‘de opdracht te leren en terecht te wijzen’, terwijl Paulus in Romeinen 16 spreekt over kerkleden ‘die de gaven hebben te onderwijzen en die gave moeten gebruiken’, (36). In 1 Timoteüs 2 verbiedt Paulus wel ‘een leren dat in strijd is met de geëiste bescheidenheid en gehoorzaamheid’. Dat betekent: ‘Als een vrouw geroepen wordt om ‘ambtelijk’ te leren, is dat niet als zodanig onbescheiden of ongeordend’, (37). Want: ‘Een vrouw die vanuit het Woord van God leert: zou dat verboden zijn?!’, (37).

Zij mag het, – net zomin als een man -,  niet op een ‘verkeerde’ wijze doen, d.w.z. op een wijze die niet strookt met Efeziërs 5:21-33: ‘de mannen moeten zich richting hun vrouwen met liefde en dus ‘zonder wrok en onenigheid’ opstellen en de vrouwen moeten met respect voor hun mannen zich opstellen, overal’. Wanneer mannen en vrouwen elkaar aanspreken en Gods weg wijzen, moet dat hun houding zijn, zegt 1 Timoteüs 2:

Bescheidenheid en dienstbaarheid hoort dan de toon te zetten: zowel bij mannen (geen wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (geen bazig leren)’, (37).

Belangrijk is namelijk te weten, dat het ‘onderwijzen’ en ‘gezag oefenen’ een hendiadys vormen. D.w.z. een stijlfiguur die niet twee losse acties omvatten, maar een omschrijving zijn van één bepaald optreden, waarbij het ‘gezag oefenen’ [in het grieks ‘authentein’, FP] aangeeft hoe er onderwezen wordt. Gezien context en woordgebruik moet dit ‘authentein’ opgevat worden als ‘autoritair, betweterig, onbescheiden’: ‘het gaat om vrouwen die hun eigen man publiek ‘de les lezen’. Dat is het leren wat Paulus hier aan vrouwen verbiedt’, (38).

Dat het om zulk ‘hautain leren’ gaat blijkt uit de eerdere aanduiding van deze vrouwen in vers 9 en 11: ‘Het gaat om vrouwen die zich blijkens de tekst (!) in kleding en make-up opzichtig presenteren en die ‘onderwijzen’, terwijl ze zelf nog heel wat onderwijs nodig hebben’, (38).

Paulus waarschuwt vrouwen dat als ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren. Daarom verwijst hij ook naar Genesis 2 en 3:

Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man: ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Dat doe je thuis niet, dat doe je ook in de samenkomsten of in de kerk niet. Dat doe je zelfs daarbuiten niet. Je trekt in heel je leven, waar dan ook, als man en vrouw samen op’, (38-39).

Op de zelfde manier argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook in 1 Korintiërs niet aan de orde. Daar gaat het over het verloop van de erediensten, (39).

De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk honoreert, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is:

Een vrouw die los van haar man wil opereren, is haar hoofd kwijt: een kip zonder kop. Een man die denkt dat hij zijn ambtelijk werk kan doen volkomen los van zijn vrouw, vergeet wat hij in zijn vrouw aan unieke hulp van de Here ontvangen heeft’, (40).

Op deze manier kunnen ook vrouwen aan het maatschappelijke en het kerkelijk leven meedoen. In het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen, (40).

Niemeijers conclusie is, dat deze interpretatie van de zwijgteksten ‘recht doet aan het blijvende gezag van die teksten zonder dat het zusters van de ambten uitsluit’, (41).

 

  1. Scheppingsorde bij Paulus

Zijn visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden.

Niemeijer ging uit van de klassieke opvatting, dat God de mens geschapen heeft met een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw. De man is eerst geschapen, daarna de vrouw, waarbij de man het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Kortom:  ‘de man heeft de leiding, en daartoe beperkte ik de scheppingsorde ook’, (42). Maar is dit wel de visie van Paulus in Efeziërs 5, in 1 Timoteüs 2 en in 1 Korintiërs 11?

Als je denkt dat de kernboodschap van Efeziërs 5:22-33 een pleidooi voor een gezagsrelatie in onderdanigheid voor de vrouw is, dan is het begin van deze perikoop niet goed uit leggen: ‘wees elkaar onderdanig’:

Als je in ‘onderdanig’ een gezagsrelatie veronderstelt, hoe verhoudt zich dan het onderdanig zijn c.q. ontzag hebben van de vrouw jegens de man tot dat wederzijdse onderdanig zijn, ontzag hebben?’, (43).

Rekening houdend met de context waarbinnen Paulus schrijft en argumenteert, zul je echter moeten erkennen dat het geen situatie is, waarin het hoofd-zijn van de man omstreden was. In tegendeel: de samenleving was sterk hiërarchisch georganiseerd, waarbij mannen zich ‘verregaande vrijheden veroorloofden in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omgingen’. Paulus had niet te maken met een samenleving die genderneutraal wilde zijn.

Daarom is het veel aannemelijker, dat Paulus in die situatie van een ontaard huwelijksleven ‘de eenheid en verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk’ accentueert en hen oproept voor elkaar ontzag te hebben:

Jullie, mannen, moeten je vrouw niet domineren of als voetveeg gebruiken, maar liefhebben, en jullie vrouwen, moeten het gedrag van je man niet accepteren, maar jullie moeten ook je man niet verachten. Je moet ontzag voor je man aan de dag leggen, zijn positie zien en hem van daaruit aanspreken en trouw zijn’, (43-44).

Paulus wil niet het onderscheid van man en vrouw of de leidinggevende positie van de man benadrukken. Hij gaat uit van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man en roept op om zo elkaar te honoreren. ‘Dit is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één’, (44).

Paulus benadrukt dit ook in 1 Korintiërs 11: ‘De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Je bent onderscheiden en hoort zo bij elkaar. Vermeng man- en vrouw-zijn niet met elkaar, maak  je niet aan elkaar gelijk, want je bent geroepen om elkaar aan te vullen en zo een éénheid te vormen’, (45).

Kun je dan uit het ‘verschil in positie’ concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt? Dat is dezelfde vraag als: Kunnen kinderen geen ambt bekleden als hun ouders nog leven, of kunnen knechten of werknemers geen ouderling worden in een gemeente waar ook hun bazen of werkgevers lid zijn? Geldt hier niet veeleer wat Paulus in Galaten 3  zegt, dat man en vrouw, slaaf en vrije, barbaar en Scyth in Christus één zijn? Kwamen Debora en Priscilla echt in strijd met de scheppingsorde? (47).

Als Paulus spreekt over de verhouding man en vrouw zet hij dus niet zozeer in op het onderscheid of hun eigenstandige positie, maar juist op hun eenheid en verbondenheid. Om dat te benadrukken doet hij een beroep op Genesis 2:

Het is vooral gericht op het stimuleren van de eenheid en verbondenheid van man en vrouw over de hele linie van hun leven. Laten ze ervoor waken zich van elkaar te distantiëren of zich tegen elkaar te laten uitspelen’, (49).

 

  1. Patriarchaat is geen bijbelse norm

Niemeijer laat in hoofdstuk 5 zien, dat de bijbel veel minder vrouw-onvriendelijk is als wel wordt gedacht. Het gelijkheidsdenken van vandaag is wat hem betreft niet superieur aan de bijbelse moraal. De rivaliteit tussen de seksen is niet Gods oorspronkelijke opzet, maar het gevolg van de zondeval. God heeft man en vrouw geschapen ‘met één taak, in opperste kwetsbaarheid (naakt) en zonder een spiertje angst voor elkaar’, (50).

Belangrijk is om te beseffen dat de bijbel een boek is met een ontstaansgeschiedenis en geschreven is in èn voor een bepaalde tijd. Ook de door God gegeven leefregels zijn niet tijdloos. God ‘neemt concrete, toen levende mensen, aan de hand, in hun omstandigheden en hun culturele setting’, (51).

Tegelijk spreekt God ons in onze tijd aan:

Om naar deze God te luisteren hoeven we ons niet los te maken uit ons concrete bestaan en ons naar ijle hoogten te laten meevoeren, we mogen zijn Woord in onze eigen werkelijkheid aanhoren en toepassen. .. [Z]ijn Geest neemt de eigenheid van mensen en tijden niet weg, maar werkt juist vernieuwend in levensechte mensen en in concrete situaties’, (52).

Dat betekent dat de wet van Mozes toen werd gegeven aan mensen in de verworden patriarchale cultuur van toen, die God van binnenuit wilde vernieuwen en verlossen. Gods Woord legt ‘de hoorder geen onwerkelijk en niet te dragen juk aan idealen uit een ander cultuur en tijd op, maar neemt hem aan de hand om stap voor stap verder te komen op de weg van God. Zo werkt Gods pedagogie (Calvijn), (52).

Zo wordt in het Oude Testament in die patriarchale cultuur, ‘zonder dat de man de positie en verantwoordelijkheid die hij vanaf het paradijs heeft wordt afgenomen’ de vrouw gerespecteerd. In tegenstelling tot de omringende volken wordt de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. Ook laat het Oude Testament zien hoe mannen door vrouwen worden aangesproken en gecorrigeerd, (53-54).

In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven ‘mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten’, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is, (55).

De conclusie van Niemeijer is, dat de Here de mannencultuur van het oude Oosten serieus neemt en die niet revolutionair omkeert, maar er zich ook niet door laat gijzelen of ophouden en een duidelijke richting daarin wijst: ‘Je ziet hoe de Here patronen aan het doorbreken is en hoe Hij op een voor die tijd begrijpelijke manier uit is op iets anders dan een mannencultuur. Tegelijk handhaaft hij de hoge roeping van de man’, (55-56).

 

  1. Geen gelijkheidsdenken

Afstand nemen van patriarchale patronen betekent volgens Niemeijer niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken.

In het Oude Testament zijn vrouwen geen priesteressen, zoals in de omringende culturen wel. Terwijl daar ook allerlei vrouwvriendelijke bepalingen gelden, die niet in de wet van Mozes overgenomen zijn. Net zomin als de apostelen ook niet bepaalde vrouwenrechten en gewoontes, die wij als vrouwvriendelijk zien, overnemen.

Paulus schrijft in Rom. 12:2 dat christenen op hun hoede moeten zijn voor een werelds denken:

Zoals Christus in het vrouwonvriendelijke Israël juist heel positief met vrouwen omgaat, zien we de apostelen afstand nemen van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. De bijbel is nooit slaaf van een cultuur, maar spreekt er altijd kritisch en bevrijdend op in’, (58).

Die orde van God wordt zichtbaar in het huwelijk, waarin man en vrouw elkaars leven delen zonder dat dat ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie:

In hoeveel man en vrouw ook samen en gelijk op delen (Hand. 2:17-21; Gal. 3:28; 1 Petr. 3:7), in het huwelijk hebben en houden ze hun eigen plek waarbij mannen hun vrouw niet moeten domineren of volkomen vrijlaten maar liefhebben, en waarin vrouwen niet naar de eerste plaats moeten streven maar de van God ontvangen positie van hun man moeten erkennen (Ef. 5): samengaan zonder rivaliteit en overheersingsdrang en zonder onverbondenheid’, (59).

Volgens Niemeijer wordt die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over m/v en ambt wel eens vergeten: ‘Bijvoorbeeld wanneer vanuit het gelijkelijk delen in de Geest rechtstreeks wordt geconcludeerd tot het gelijkelijk delen in het ambt’, (59).[ii]

In het denken over man, vrouw en ambt moeten we recht blijven doen aan de geordende positie die man en vrouw in het huwelijk van God ontvangen hebben. Het hedendaagse gelijkheidsdenken, dat puur individualistisch is, heeft – ‘hoezeer het ons als kerk ook beschamen kan’ – te weinig oog voor het huwelijksverbond dat God gegeven heeft: ‘niet als twee dezelfde mensen, maar juist als twee verschillende mensen die niettemin één zijn’, (61).

 

  1. Vrouw en ambt

Wanneer zwijgteksten niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, wat kunnen wij dan positief over de inschakeling van vrouwen in de kerk zeggen?

Volgens Niemeijer is er vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je er alleen via een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKv-synode in 2017. Volgens hem geen dwingende, maar hij vraagt wel om te overwegen of die binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen past.

Hij vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de toenmalige schrift als het ging om de vraag, of en hoe heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten ‘letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt’. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg. Dat is ‘de regie van de Geest’: ‘Erken zijn beleid. Heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont’. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Zo mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen om in de kerk te dienen. Gaven die ‘in de bijbel positief getaxeerd en in praktijk gebracht moeten worden, en die als mannen erover beschikken, hen geschikt maken voor het ambt’. Gaven als onderwijzen en leiding geven.

Ook al waren begaafde en leidinggevende vrouwen eeuwenlang uitzondering, mag je als die gaven nu steeds meer bij vrouwen voorkomen, daar dan niet een gave van de Geest inzien?

Zo niet, wat zijn het dan: verleidingen, testen of wij het ambt wel gesloten houden voor vrouwen? Maar als het wel gaven van de Geest zijn, welke belemmering is er dan om het beleid van de Geest te volgen en zulke begaafde vrouwen in te zetten?’, (64).

Pinksteren betekent de vervulling van het verlangen van Mozes, dat heel het volk oudste en profeet zou kunnen zijn. Wanneer in Handelingen heel het volk deelt in de Geest, betekent dat niet automatisch dat iedereen oudste kan worden. Men moet er wel de gave voor hebben en voldoende bekwaam en betrouwbaar zijn. Maar als vrouwen die gaven hebbe, is het vrouw-zijn op zichzelf volgens Niemeijer geen redenen om vrouwen van het ambt uit te sluiten:

Er is, lijkt me, ruimte om te discussiëren over de gedachte dat de vrouw na en vanwege Pinksteren niet buiten het ambt gehouden hoeft te worden, zolang tenminste recht wordt gedaan aan de verbondenheid van de man en vrouw in het huwelijk’, (67).

En voegt hij er aan toe: ‘Ook wie deze gedachte niet overtuigend vindt, kan volgens mij niet ontkennen dat ze wel binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt’, (67).

 

  1. Tegenargumenten

Niemeijer bespreekt ook kort enkele tegenargumenten. O.a. dat het priesterschap een exclusief mannelijke zaak is. Dat is wel onder het oude verbond zo, maar in het Nieuwe Testament worden alle kerkleden priesters genoemd. Wij leven onder het nieuwe verbond, waar de verzoening wordt uitgedeeld via de verkondiging van het evangelie. Toch wil Paulus geen exclusieve positie voor de apostelen en ambtsdragers claimen, alsof zij over de uitdeling van het heil zouden beschikken.

Verwant hiermee is het beroep op het feit, dat Jezus twaalf mannen als leerlingen koos. Niemeijer noemt het ‘een vaak aangevoerd en sterk argument’. Toch is het de vraag, of ‘de handelwijze van Christus (en Paulus) aan de andere kant een verbod op vrouwelijke ambtsdragers’ is. Dat komt, omdat het ‘sowieso al lastig [is] om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’:

Niet alles wat God op enig moment doet, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag’, (72).

Als God aan David de vrouwen van Saul geeft, keurt hij dan polygamie goed? Als de Here slavernij laat bestaan, betekent dat hij zijn goedkeuring daaraan geeft? Je kunt uit Gods handelen in concrete situaties ook te veel willen afleiden:

Zie je in de Bijbel niet steeds dat God oog heeft voor de concrete praktijk op dat moment en in zijn leiding van zijn volk daarop niet onkritisch maar ook niet revolutionair ingaat?’, (72).

Daar komt bij, dat het nog geen Pinksteren was geweest. Kun je uit Christus’ optreden dus een verbod voor alle tijden afleiden?

Belangrijk is het om te zien, dat het bij de tegenargumenten vooral gaat om minder direct schriftgebruik en meer afgeleide redeneringen. Over de kracht daarvan kun je van mening verschillen: ‘Laten we dus uitkijken voor te grote woorden naar de ene of naar de andere kant. Zo simpel ligt het allemaal niet’, (72).

 

  1. Hoe ga je om met verschil in visie?

Niemeijer benadrukt dat m/v en ambt vooral een kerkordelijke zaak over de inrichting van de kerk is:

Niet het evangelie is in het geding, maar de ordening van het kerkelijk leven. Daarbij moet je wel rechtdoen aan Gods Woord, maar de Bijbel levert daarvoor geen blauwdruk of uniek model’, (73).

Daarom moeten we volgens hem ook ‘niet te snel roepen dat de ander in strijd komt met het woord van God. We hoeven de ander zelfs niet te overtuigen (Rom. 14:1)’, (75).

Belangrijk is dat wij ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag:

[A]ls er op die wijze een beleidsmatige knoop moet worden doorgehakt met het oog op een geordende kerkelijke praktijk, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten’, (77).

Daarom kun je binnen het kerkverband het ook dragen als een andere kerk een andere geordende praktijk heeft en de vrouw in het ambt invoert. Je bent als zusterkerk daar niet verantwoordelijk voor, zolang die kerkenraad de ambtelijke dienst binnen rechtsgeldige kaders heeft ingericht. Ook kun je blijven meewerken aan handelingen op een classis, ook al hebben die betrekking op de ambtelijke dienst van zusters.

Niemeijers voornaamste conclusie is dan ook: ‘Daarom moeten de aangevoerde en nog aan te voeren argumenten pro en contra de vrouw en het ambt vanuit de Schrift en met eerbiediging van haar goddelijk gezag worden afgewogen, waarbij we ons open en eerlijk en zonder dreiging van vertrek of manipulatie opstellen en bereid zijn zo nodig in te schikken hetzij naar de ene hetzij naar de andere kant’, (81).

Niemeijer eindigt met de opmerking, dat ‘zij die uiteindelijk geen ruimte zien voor de vrouw in het ambt, hoeven niet te volstaan met alles bij het oude te laten. En zij die vóór de vrouw in het ambt zijn, moeten niet doen alsof een onbeperkte opening van de ambten de enige mogelijkheid is’, (82). Ook mogelijk is alleen het diakenambt openstellen, een kleine raad van mannelijke oudsten, ambtsdragersechtparen, het laten spreken van een opbouwend woord, tot ook het ambt voor ouderling dan wel ook voor predikant voor vrouwen openstellen.

 

[i] Voor een bespreking van het boekje verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/02/een-andere-visie-op-m-v-en-ambt/

[ii] Met een verwijzing naar de bijdragen in de bundel Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, (ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016), waar zo geredeneerd zou worden.

 

Pieter Niemeijer over m/v en kerk

Pieter Niemeijer heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKv over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt. Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn verhaal.

Dat de bundel opstellen uitkomt bij een uitgeverij, waarvan de betrokkenen tot nu toe zeer afwijzend staan tegenover vrouwelijke ambtsdragers in de GKV [ii], beschouw ik als een teken van bereidheid om het inhoudelijke gesprek over m/v in de kerk aan te gaan.

In 2005 was Niemeijer voorzitter van de GKv-synode die de opdracht gaf voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’. De bezinning die toen op gang is gekomen heeft uiteindelijk in 2017 geresulteerd in het besluit om het ambt voor de vrouw in de GKv open te stellen.

Destijds waren er al verschillende geluiden hierover te horen. Enerzijds een huiver om het onderwerp op te pakken: ‘Laten we niet zwichten voor de druk van de publieke opinie. Hoe wij ertegen aan kijken stoelt op een eeuwenlange overtuiging.’ Anderen pleitten voor een ‘open mind’: ‘Laten we ervoor waken dat opvattingen die niet stroken met die we hadden niet op voorhand afgedaan worden met de kritiek: niet schriftgetrouw.

Bij de instelling van dat deputaatschap zei Niemeijer dat een bezinning op m/v en de kerk gerechtvaardigd was, mits die zich binnen schriftuurlijke kaders zou voltrekken: ‘Er wordt in kaart gebracht hoe het Woord van God en de praktijk zich tot elkaar verhouden. Dat is eerlijk en noodzakelijk. De tweede opdracht behelst dat we uit zijn op ‘een goed onderbouwd schriftuurlijk antwoord’. Schriftuurlijk: dat is de norm en het anker.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn resultaat van het overdenken van deze vraag. Daarom houdt hij in een uitgebreide bespreking de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten tegen het licht. Ook gaat hij in op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open en schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

In een uitgebreidere vervolgblog zal ik binnenkort op zijn bijdrage in het m/v-gesprek ingaan.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Uitgeverij Woord en Wereld geeft naast de serie ‘Cahiers tot versterking van het gereformeerde leven’ ook het maandblad Nader Bekeken uit. Een aantal leden van het Stichtingsbestuur van de uitgeverij is actief betrokken bij de website www.bezinningmvea.nl, een platform van verontruste GKV’ers over het besluit in 2017 om vrouwen tot het ambt toe te laten.

Zondeval en scheppingsorde

     –  Belang

Telkens als ik de brieven van Rufus Pos[i] lees, moet ik onwillekeurig denken aan een passage uit de Johannespassion van Johann Sebastiaan Bach: https://www.youtube.com/watch?v=LOftb8jYCec. Diezelfde indringendheid, waarmee door de Joodse leiders tegenover Pilatus er op gehamerd wordt: ‘Wir haben ein Gesetz, und nach dem Gesetz soll er sterben; denn er hat sich selbst zu Gottes Sohn gemacht‘, voel ik als Pos er iedere keer weer op terugkomt: ‘Wij hebben een scheppingsorde, en volgens die scheppingsorde moet de vrouw aan de man onderdanig zijn.’ Als je die orde aan de kant schuift, dan schuif je Gods eigen woord aan de kant. Of zoals Pos het eufemistisch formuleert: ‘Dit komt op mij echt over dat wij dan wijzer willen zijn dan God.

Je kunt toch niet tegen Gods orde ingaan! Dat is het belang dat ik bij hem proef. Als God over de schepping zegt, dat het goed was, dan mogen wij niet zoals de vrouw aan de satan gehoor geven, die zei dat het niet goed was. God houdt ook na de zondeval vast aan zijn concept. Ook al krijgen Adam en Eva de opdracht om de schepping te ontwikkelen, zij moeten dat doen binnen de kaders die God daarvoor gegeven heeft. Wij dus ook.

Nu geloof ik niet dat voorstanders van de vrouw in het ambt binnen de GKV zich niet willen voegen in Gods plan voor zijn wereld. Zoals ik in een eerdere blog heb laten zien, ziet ook b.v. Ad de Bruijne de schepping niet als een verouderd concept of als een gepasseerd station, wanneer hij nadenkt over hoe wij vandaag het christelijke leven in Gods koninkrijk vorm dienen te geven. Het verschil van inzicht betreft vooral (a) de vraag hoe die orde in de schepping er uitziet en gekend kan worden[ii], en (b) hoe wij vervolgens die orde binnen onze context bijbels verantwoord vorm kunnen geven.[iii]

Ik deel het belang. Tegelijk is dat een extra reden om de bijbel zorgvuldig te lezen en te interpreteren. Je moet zeker weten, dat wat jij als waarheid naar voren schuift ook echt Gods woord is. We zouden niet de eersten zijn, die onze eigen ideeën en interpretaties met goddelijk gezag proberen te bekleden.[iv] Daarbij komt dat als je normatieve uitspraken doet over de positie van de vrouw in de man/vrouw-relatie het effect en de reikwijdte zeer groot is: het gaat over de helft van de mensheid.[v] Voor mij is dat alles een belangrijk motief om de argumentatie, op grond waarvan men over het onderwerp m/v en het ambt positie inneemt, op hun draagkracht en waarde te toetsen.

 

     –  Onderscheiden interpreteren

Voor het uitleggen van de bijbel kent de gereformeerde theologie een aantal basisregels, die in verscheidene handboeken vastgelegd zijn. Bekend is bijvoorbeeld de hermeneutiek van S. Greijdanus in zijn ‘Schriftbeginselen ter Schriftverklaring’.[vi] Ik wil daaruit twee regels naar voren halen. Bij de uitleg van een bepaald tekstgedeelte moet rekening gehouden worden met:

  • de onderscheiden tijden en bedelingen, waartoe de te exegetiseren delen van de openbaring behoren, (p. 127 e.v.);
  • het bijzondere en het algemene, d.w.z. of wat God zegt of doet, tijdelijk, voorbijgaand, individueel en ogenblikkelijk is, dan wel of het blijvend, duurzaam, en algemeen bedoeld is, (p. 132 e.v.).

Dit zijn belangrijke regels om biblicistisch bijbelgebruik te voorkomen. Je kunt niet zomaar willekeurig teksten uit de bijbel met elkaar verbinden en daar een theorie op bouwen, maar je moet rekening houden met de context en de reikwijdte van teksten. Dat betekent dat je de heilsgeschiedenis in rekening moet brengen in zijn onderscheiden fasen van schepping, zondeval, verlossing en voltooiing van de wereld. Ook zul je moeten onderscheiden tussen de situatie voor en na Christus’ komst in de wereld en tussen het leven onder het oude en onder het nieuwe verbond.

Dit is met name van belang als je over ‘de’ scheppingsorde en de betekenis daarvan voor vandaag wilt spreken. In zijn interpretatie van en het samenlezen van de verschillende teksten in de bijbel houdt Pos hier te weinig rekening mee.

 

     –  Herschepping en/of transformatie?

Een van de veronderstellingen van Pos is, dat Genesis 1-3 buitenspel wordt gezet in de discussie over m/v en het ambt: ‘je vraagt je wel af of Genesis 1-3 misschien ook van de agenda verdwenen is omdat Paulus juist in deze aan de kant gelegde zwijgteksten naar schepping en zondeval teruggrijpt.

Zoals ik in een eerdere blog schreef zet Pos zich af tegen het begrip ‘transformatie’ dat Ad de Bruijne gebruikt in zijn nadenken over ethiek: ‘God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn Koninkrijk.’ Daartegenover plaatst Pos het begrip ‘herschepping’: ‘want in de ‘nieuwe’ schepping zit niet een verborgen correctie van de ‘oude’ schepping.[vii]

Als hij pleit voor de term ‘herschepping’ erkent Pos wel, dat de herschepping, net als de ‘transformatie’, alles te maken heeft met de gevolgen van de zondeval. Toch is er wat hem betreft een belangrijk onderscheid, omdat De Bruijne in het kader van de ‘transformatie van de gevallen schepping’ ook positief spreekt over een ontwikkeling in de tijd wat betreft de relatie tussen man en vrouw. Een ontwikkeling die ik maar kort aanduid als van ‘onderschikking’ in de tijd van het Oude Testament, Paulus en Augustinus naar ‘gelijkheid’ in de moderne westerse samenleving, waarin vrouwen dezelfde posities innemen als mannen.

De Bruijne ziet die ontwikkeling naar gelijkheid als maatschappelijke vrucht van de christelijke traditie, hoewel hij ook wel beseft dat er in onze cultuur een drang is om het natuurlijk onderscheid tussen man en vrouw te willen doorbreken en los van Christus eigenmachtig een nieuwe orde te creëren. Toch past volgens hem die gelijkheid als het om publiek leiding geven op de weg naar het koninkrijk, waar we allemaal met Christus zullen regeren.[viii]

Hier kan Pos niet mee uit de voeten, omdat De Bruijne daarmee zou beweren, dat ‘het in zaken als ‘autoriteit en gezag’ slechts om een soort noodmaatregel gaat die God tijdelijk heeft ingesteld vanwege de zonde.’ En daar gelooft hij ‘helemaal niets van’.

Afgezien dat Pos hier een flagrante karikatuur maakt van De Bruijne’s visie, dat ‘wij allemaal met Christus zullen regeren’, lijkt het mij dat die gedachte van De Bruijne helemaal niet zo vreemd is. Sterker nog, dat ‘samen regeren als man en vrouw’ hoort volgens Jochem Douma, de voorganger van De Bruijne als hoogleraar ethiek aan de TU Kampen, juist bij de ‘goede’ scheppingsorde waar Pos zo graag weer naar terug wil.

In zijn ethische bezinning op de relatie tussen man en vrouw schrijft Douma, dat we eerlijk moeten omgaan met bijbelteksten en ze niet moet laten buikspreken, zodat wij het apostolische woord over de verschillende taken van man en vrouw binnen de gemeente van Christus krachteloos maken. Zijn samenvattende conclusie is dan:

‘Het voorgaande brengt ons niet tot de conclusie dat mannen regeren en vrouwen volgen. Reeds binnen het huwelijk is er een taakverdeling die man en vrouw beiden doet regeren. Het Vijfde Gebod luidt niet dat de vader geëerd moet worden, maar: “Eer uw vader en uw moeder.” Ik heb eerder al duidelijk willen maken met een verwijzing naar de scheppingsorde, dat mannen en vrouwen samen de wereld moeten regeren. In allerlei taken zullen ook vrouwen over mannen regeren, en dan niet bij gebrek aan beter.”[ix]

 

     –  Scheppingsorde

Pos ziet geen strikt onderscheid tussen de schepping en de tijd na de zondeval. Daarom stelt hij ook tegenover De Bruijne dat Genesis 1 en 2 veel meer de grondtoon vormt van alles wat volgt tot en met de voltooiing van het Koninkrijk. God gaat niet ongemerkt wijzigingen aanbrengen in zijn oorspronkelijk concept:

‘Ondanks de zondeval, maar ook door de zondeval heen gaat God zijn schepping zich laten ontwikkelen. De opdracht aan Adam en Eva om de aarde te bouwen en te bewaren veranderde niet door de zondeval. Mijns inziens is er dus veel meer continuïteit vanuit het paradijs dan ik meen waar te nemen bij bijvoorbeeld de Bruijne.’

 ‘Heel concreet: de lijnen die je in het scheppingsverhaal ziet mag je wel degelijk serieus nemen als je nadenkt over intermenselijke verhoudingen. Je kunt het letterlijke verhaal van de schepping niet negeren als een soort verouderd concept wat intussen door de zondeval voor ons niet helder meer is en wat door het werken van de Heilige Geest richting het Koninkrijk ook allang als verouderd en dus als een gepasseerd station beschouwd kan worden.’

Hij vindt daarom het spreken over een scheppingsorde legitiem, omdat de Bijbel niet begint met het evangelie van Matteüs, maar met het boek Genesis:

Het kruis (Matteüs) heeft niet met Genesis 1 en 2 te maken (schepping), maar met Genesis 3 (zondeval). Als je die lijn volgt, kun je de onbekommerde manier begrijpen waarop de Here Jezus, Paulus en Petrus teruggrijpen op instellingen van vóór de zondeval.

In een vorige blog heb ik al aangegeven, dat het dan wel zaak is om goed na te gaan naar welke elementen uit het verhaal van de schepping zij verwijzen en hoe Paulus, Jezus en Petrus die elementen in hun eigen betoog toepassen. Zoals ik heb laten zien, heeft Pos niet kunnen aantonen dat Paulus de onderschikking van de vrouw op de scheppingsorde fundeert.[x]

 

     –  Beroep op Genesis 1-2 of op Genesis 1-3?

Maar kun je dan op basis van het scheppingsverhaal zelf aantonen, dat de onderschikking van de vrouw onderdeel van de scheppingsorde is? Dat is wat Pos immers uiteindelijk met zijn brieven beoogt.

Gezien de geschiedenis van de exegese van m/v-teksten is het belangrijk om expliciet stil te staan bij de status van het verhaal van de zondeval in Gen. 3. Kun je je daarop ook beroepen als je uitspraken over ‘de’ scheppingsorde wilt doen en zo ja, hoe doe je dat dan?

Over die vraag heeft een groot aantal GKV synodes vanaf 1975 tot 2002 zich in het kader van de herziening van het huwelijksformulier gebogen. Uiteindelijk is in 1999 geconcludeerd en in 2002 naar aanleiding van diverse revisieverzoeken nog eens bevestigd, dat dat maar zeer beperkt mogelijk is.

Ik vat de resultaten daarvan met betrekking tot de onderlinge verhouding van man en vrouw kort samen:[xi]

(a)  Het ‘hoofd-zijn’ van de man ten opzichte van de vrouw heeft men bewust niet willen omschrijven als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met als ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’ Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

(b) Een beroep op Gen. 3:16 als ondersteuning dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn, is niet gerechtvaardigd. Een amendement van die strekking werd met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen.

Daarmee werd in 1999 definitief van de visie uit het oude huwelijksformulier afscheid genomen dat het ‘de ordinantie van God’ is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren. Een beroep op de straf van de vrouw na de zondeval om daarmee de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man als scheppingsorde te funderen is daarmee afgewezen.

Het inconsequente in de argumentatie van Pos vind ik, dat hij over Gen. 3:16 met twee woorden spreekt.

Aan de ene kant erkent hij: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk.’ Tegelijk gebruikt hij deze tekst wel om te beargumenteren, dat ‘de gevolgen die God verbindt aan de zonde van Adam en van Eva duidelijk spreken over een verschil in positie tussen onze eerste vader en moeder.

Als dragende grond voor de conclusie die Pos aan de gevolgen van de zonde van Eva verbindt is de veronderstelling dat God in Gen. 3:16 de vrouw in haar misbruik van de scheppingsorde treft. Zoals hij zegt:’ Ik neem aan dat de Here niet een willekeurige straf verzonnen heeft, maar dat de opgelegde straf te maken heeft met de overtreding die begaan is.’ De vrouw heeft zich niet geschikt onder haar man, dus zal zij juist in die normatieve relatie van onderschikking ervaren wat de gevolgen van de zonde is: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.

Vanuit zijn interpretatie van de straf voor de vrouw extrapoleert Pos hier naar een scheppingsorde, waarin de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Tegelijk is deze interpretatie van Gen. 3:16 voor hem een argument om die door hem veronderstelde scheppingsorde in het scheppingsverhaal van Gen. 2 in te lezen.

 

–  Conclusie

Vanouds werd als effect van de zondeval op de relatie tussen man en vrouw gezien, dat daardoor de gelijkwaardige relatie geperverteerd werd in een ongelijkwaardige relatie van overheersing en onderdanigheid. Gen. 3:16 werd niet zozeer gelezen als een ‘straf’, zoals Pos nu doet, maar als een beschrijving van het effect van de zonde voor de vrouw.

Mijn conclusie is dan ook, dat een oordeel over de houdbaarheid van Pos’ visie, dat de onderdanigheid van de vrouw in de scheppingsorde begrepen is, ligt in de geldigheid van zijn exegese van Gen. 1-2.

 

 

[i] Zie de website https://www.bezinningmvea.nl/entry/brieven-aan-mijn-kinderen-inleiding

[ii] Voor een goed overzicht van de vragen die hierbij een rol spelen verwijs ik naar hoofdstuk 4 van Oliver O’Donavan, Resurrection and Moral Order. An Outline for Evangelical Ethics, Apollos Leicester, England, 1996, 2e druk, (p. 76-99). In dit hoofdstuk staat centraal: ‘How is the order of the created universe available to our knowledge, seeing that we belong to it, and cannot rise above it like God? What kind of knowledge can this be that has the order of creation as its object?, (76). Onder verwijzing naar de beroemde discussie tussen Karl Barth en Emil Brunner pleit hij er voor de ontologische en epistemologische aspecten zorgvuldig te onderscheiden.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

[iv] Dr. J. Douma schrijft b.v. hierover: ‘Wie de geschiedenis overziet, moet toegeven dat de ‘christelijke moraal’ vaak bedenkelijke praktijken in stand heeft gehouden. Denk o.a. aan de slavenhandel, de uitroeiing van anderen in godsdienstoorlogen en het verdedigen van de apartheid in Zuid-Afrika’, (Dr. J. Douma, Grondslagen. Christelijke ethiek, Uitgeverij Kok, Kampen, 1999, p. 46). Oliver O’Donavan noemt dit ook: ‘Only the creature whose task it is to live by the truth of the whole can suffer the fate of living in an illusory universe constructed by his own mind. How, then, we must ask, if true knowledge of the whole is co-ordinated with obedience, can there be such a knowledge available to disobedient man?’, (a.w., p. 82).

[v] Dat besef proef ik totaal niet bij Pos. Vanuit zijn (mannelijk) perspectief zijn de vrouwen alleen maar goed af, wanneer zij zich naar zijn normatieve omschrijving van de scheppingsorde zouden gedragen: ‘de vrouw moet bereid zijn vrijwillig het hoofd-zijn (gezag) van haar man te erkennen. Dat zegt dus helemaal niets van haar gaven en kwaliteiten, maar uitsluitend zegt het iets over haar bereidheid ten opzichte van haar man de tweede plaats in te nemen. En die plaats geeft haar het “recht” om door haar man gevoed en verzorgd te worden.’ Eerder al schrijft hij daarover met een aantal retorische vragen: ‘Wat is er nu moeilijk aan om iemand die van de Here leiding ontvangt en die deze volgens de goddelijke norm van de liefde uitvoert, om zo iemand te volgen? Welke vrouw zou zich niet op handen gedragen voelen als haar man niets anders dan haar geluk en welzijn op het oog heeft?’

[vi] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Uitgeverij Kok, Kampen, 1946.

[vii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/

[viii] Zie: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/

[ix] ‘Dr. J. Douma, Seksualiteit en huwelijk, Uitgeverij Van den Berg, Kampen, 1993, p. 27 (= deel 6 van zijn serie Ethische Bezinning).

[x] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/22/paulus-en-de-scheppingsorde/.

[xi] Voor een samenvatting van de argumentatie van de diverse synoden zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/27/het-huwelijksformulier-in-de-20e-eeuw-1975-2005/.

Scheppingsorde – of niet

Hoe vertel ik het mijn kinderen? Dat is wat bij mij boven komt, als ik de 15 brieven lees, die Rufus Pos – emeritus predikant in de GKv – aan zijn zonen en schoondochters schreef over het synodebesluit om vrouwen tot het ambt toe te laten. Hij plaatste die op de site van de over dit besluit verontruste GKv-ers www.bezinningmvea.nl, zodat wij allemaal mee kunnen lezen.

In deze serie geeft Pos zijn visie op de verhouding man-vrouw, waarbij hij zich vooral baseert op zijn eigen interpretatie van Genesis 1-3. Hij wil daarmee o.a. laten zien dat je niet ‘heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn’.

Wie de hele serie leest komt er al snel achter, dat Pos vooral zijn kritische pijlen richt op wat in zijn ogen de visie is van Ad de Bruijne, hoogleraar ethiek aan de TU Kampen. Ook al schrijft Pos, dat hij het vervelend zou vinden als hij De Bruijne woorden in de mond legt die niet kloppen, is hij m.i. daaraan niet ontkomen.[i]

Pos stelt dat De Bruijne van mening is dat wij ons niet meer mogen of kunnen beroepen op de scheppingsorde, omdat De Bruijne als totaalboodschap van de Bijbel formuleert: ‘God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn Koninkrijk’ en daaraan toevoegt dat hij thema’s als ‘man en vrouw en homoseksualiteit niet alleen vanuit de oorspronkelijke scheppingsorde benadert.

Tegenover het begrip ‘transformatie’ dat de aandacht richt op ontwikkeling en op de toekomst, plaatst Pos de term ‘herschepping’, omdat daarin de aandacht gericht wordt op hoe het oorspronkelijk was. Hij schrijft dat hij ‘naar dat werken van God aan zijn Koninkrijk niet wil kijken als alleen een transformatie van de gevallen schepping, maar ook als een herstel van de oorspronkelijke schepping.’  Dit betekent voor hem, dat hij naar het Koninkrijk van God wil kijken vanuit het geopenbaarde begin, ‘waarvan God meerdere keren zei dat het goed was.’ Want in de ‘nieuwe’ schepping zit niet een verborgen correctie van de ‘oude’ schepping.

Volgens Pos gaat De Bruijne er vanuit, dat ‘het in zaken als ‘autoriteit en gezag’ slechts om een soort noodmaatregel gaat die God tijdelijk heeft ingesteld vanwege de zonde.’ Ik heb deze gedachte niet als zodanig bij De Bruijne kunnen terugvinden. Misschien doelt Pos op de passage, waarin De Bruijne schrijft: ‘De orde van de gevallen schepping kent een nadrukkelijk onderscheid tussen man en vrouw, waarbij de man leiding geeft. In het komende koninkrijk staan allen gelijk onder Christus. Daar verliest dit aspect van het onderscheid tussen man en vrouw zijn functie.’ Een groot deel van Pos’ betoog in zijn brieven is vervolgens gewijd aan een weerlegging van deze aan De Bruijne toegeschreven idee.

De hamvraag in deze hele serie is natuurlijk, of Pos er terecht van uit mag gaan dat De Bruijne de schepping in zijn denken niet in rekening brengt.

Mij lijkt het duidelijk dat als De Bruijne schrijft dat hij zijn visie op man en vrouw ‘niet alleen vanuit de oorspronkelijke scheppingsorde benadert, dat hij wel degelijk de oorspronkelijke schepping in zijn denken wil betrekken. Een korte blik op De Bruijne’s artikel over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ (2017)[ii] kan dat ook bevestigen.

Uitgangspunt in dat hoofdstuk is dat het in de ethische hermeneutiek draait ‘om het verstaan van Gods openbaring waarvan de Bijbel het centrum vormt’. Dat betekent dus, dat De Bruijne naast zijn inzet bij de ethiek van de apostelen en het ethisch onderwijs van Jezus in de Bergrede ook expliciet aandacht vraagt voor de betekenis van de Thora van Mozes d.w.z. de eerste vijf boeken van het Oude Testament (Genesis t/m Deuteronomium). Drie citaten kunnen dat illustreren:

‘Wanneer de bergrede centraal staat, wordt daarmee tegelijk Mozes’ Thora een onmisbare bron van christelijk-ethische hermeneutiek’, (186).

Steeds moeten wij vragen op welke manier een passage uit Mozes’ Thora ons als christelijke pelgrims zou kunnen helpen om Gods wil concreet te maken in de nieuwe context van het koninkrijk. Daarbij gaat het om de hele Thora en niet alleen om de wetten daarin’, (186).

‘Dat Mozes’ Thora belangrijk blijft in de christelijke ethiek blijkt temeer uit de strekking van die Thora zelf’, (187).

Om die reden vind ik de stelling dat De Bruijne in tegenstelling tot Pos zelf met de scheppingsorde in zijn overwegingen over de man-vrouw verhouding geen rekening zou willen houden, van elke grond ontbloot is. Het verschil tussen Pos en De Bruijne is niet, dat de een wel en de ander niet bijbelgetrouw rekent met de scheppingsorde, maar:

  1. dat zij een verschillende interpretatie van de inhoud van scheppingsorde hebben;
  2. dat zij een verschillende betekenis aan de scheppingsorde in het geheel van de boodschap van de bijbel toekennen.

Wat het 1e punt betreft, vindt Pos dat je op basis van het scheppingsverhaal in Gen. 1-2 in combinatie met een heel specifieke interpretatie van het verhaal van de zondeval in Genesis 3 mag concluderen, dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’. De Bruijne is hierin terughoudender. Hij is van mening dat man en vrouw weliswaar verschillend geschapen zijn, maar dat het niet mogelijk is om voor alle tijden en culturen overtuigend aan te geven waar dit verschil in zit.

Wat het 2e punt betreft is bij Pos de door hem geconstrueerde ‘scheppingsorde’ de norm voor een bijbelse man-vrouw verhouding, die ook voor vandaag zou gelden. De Bruijne ziet dat wat in de schepping besloten ligt, in de loop van de geschiedenis op verschillende wijze vorm gegeven kan worden. Voor hem is ‘Israëls Thora een heilshistorisch paradigma, d.w.z. een model van het goede leven in de context van Gods werk in Israel’. Toch kunnen wij de ‘normatieve woorden van de Thora niet plompverloren promoveren tot christelijke plichten vandaag’, – zoals Pos dus doet – maar moeten wij die eerst ‘overzetten naar de nieuwe context van Jezus’ koninkrijk’.[iii]

Ik wil hier twee opmerkingen aan verbinden. Allereerst dat ik het wel zo fair zou vinden als Pos in zijn schrijven gewoon zakelijk zou argumenteren en zich zou onthouden van een suggestieve voorstelling van zaken als het gaat over visies die niet de zijne zijn.

Een tweede is dat de hermeneutiek van wezenlijk belang is, wil je iets zinnigs zeggen over m/v en het ambt en het gesprek daarover verder helpen. Dat besef mis ik bij Pos.

[i] Pos verwijst in zijn brieven o.a. naar de volgende 2 teksten van Ad de Bruijne. Allereerst een blog in het Nederlands Dagblad van 11 februari 2017, te vinden via https://www.nd.nl/nieuws/columns/nee-niet-weer-een-verhaal-over-de-vrouw-in-het.2499357.lynkx. Daarnaast naar de beschouwing die De Bruijne heeft gehouden bij de presentatie van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’, te vinden via: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/.

[ii] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, red. Ad de Bruijne en Hans Burger, De Vuurbaak, Barneveld, 2017. Een boek waarvan Pos zegt dat hij het gelezen heeft, maar om het niet te ingewikkeld te maken wil hij de hermeneutiek er voorlopig maar buiten laten: ‘We kunnen ons altijd later nog laten corrigeren als blijkt dat we in ons gesprek op een verkeerde manier met de Bijbel omgaan.’

[iii] Voor een verdere verantwoording van deze visie verwijs ik naar het genoemde hoofdstuk van De Bruijne over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in Gereformeerde hermeneutiek vandaag. De hier aangehaalde citaten zijn te vinden op p.188.

Het huwelijksformulier in de 20e eeuw – 1975/2005

Huwelijksformulier 1981

Op de GS Arnhem 1981 werd voor de GKv een nieuw huwelijksformulier vastgesteld. In de jaren ’70 hadden verschillende synodes zich gebogen over een herziening van het Gereformeerd Kerkboek en de formulieren. Toen was door de GS Kampen 1975 bij voorrang al een aangepast huwelijksformulier vastgesteld, dat tijdeljk het formulier uit 1933 moest vervangen. In het nieuwe formulier uit 1981 wordt ten opzichte van het formulier uit 1975 de gezagsrelatie tussen man en vrouw opnieuw aangescherpt.

Stond in de versie van 1975: ‘Zoals Christus het hoofd van de kerk is, is de man het hoofd van de vrouw.’ In de versie van 1981 formuleerde men: ‘Zoals Christus het Hoofd is van de kerk, en gezag over haar heeft, zo heeft de man als hoofd gezag over zijn vrouw.’ Ook werd bijvoorbeeld nog toegevoegd dat de vrouw zich ‘gehoorzaam’ toevertrouwt aan de man.

De achtergrond van deze wijzigingen was, dat men op die manier recht meende te doen aan Ef. 5:22, waar tegen de vrouw gezegd wordt: ‘Weest aan uw man onderdanig als aan de Here’ (NBG 1951).

Toen enkele afgevaardigden pleitten om de term ‘onderdanig’ ook als zodanig in het formulier op te nemen, kwam men na bespreking daarvan echter tot het oordeel: ‘het woord `onderdanig’ in het hedendaags Nederlands steeds meer de gevoelswaarde krijgt van `gedwee, kruiperig, serviel’. Het handhaven van dit woord zou de propagandisten van de emancipatie alleen maar wind in de zeilen geven.

 

Bezwaren 1996

In de loop van de jaren kwamen tegen de formuleringen in het formulier van 1981 steeds meer bezwaren. Toen de kerkenraad van GKv Groningen-Oost zich daarover in 1995 boog, kwam hij tot de conclusie dat deze gegrond waren. Daarom zond hij naar de GS Berkel en Rodenrijs 1996 een voorstel om het formulier op een vijftal punten aan te passen.

De belangrijkste betrof de exegese van Efeziers 5. De kerkenraad was van mening, dat het duidelijk is dat ‘gezag/leiding en volgen/gehoorzaamheid helemaal buiten Paulus’ betoog van Ef. 5 valt. Het is dus geen blijk van verkeerde emancipatie als met name zusters in de gemeente zich aan deze typeringen van de man/vrouw-relatie storen.’

Men stelde voor om deze passage zo aan te passen:

‘Zoals Christus er is voor zijn gemeente, zo is ook de man er voor zijn vrouw. Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zijn leven voor haar heeft gegeven, zo moet ook de man zijn vrouw liefhebben als zichzelf, voor haar zorgen en haar geborgenheid geven. Zoals de gemeente zich zonder reserve toevertrouwt aan Christus, zo moet ook de vrouw zich met liefde toevertrouwen aan haar man en hem helpen in alles wat naar Gods wil is. Door zo elkaar met liefdevol respect te aanvaarden, zullen man en vrouw hoe langer hoe meer de eenheid van Christus en zijn gemeente laten zien.’

Daarom stelde men ook voor om van man en vrouw dezelfde belofte te vragen, namelijk elkaar wederzijds ‘lief te hebben en te dienen.’

Een ander belangrijke wijziging betrof de taakverdeling in het huwelijk.

In het formulier in 1981 werd de man voorgehouden: ‘Wees trouw in de uitoefening van uw beroep, zodat u in staat bent uw gezin te onderhouden en andere mensen te helpen’. Terwijl tegen de vrouw werd gezegd: ‘wees uw man tot hulp, en zorg ook goed voor uw gezin. Leeft ingetogen en tooi u met het sieraad van goede werken, die God wil belonen in dit en het toekomstige leven’.

De kerkenraad vond dat deze tweedeling (de man buitenshuis z’n beroep, de vrouw binnenshuis haar gezinstaak) allang niet meer spoorde met de praktijk, terwijl het ook onjuist was ‘aan de feitelijke werkverdeling uit de bijbelse tijd een norm te ontlenen voor alle tijden.

Men stelde voor om niet een bepaalde taakverdeling als de enig ware op te nemen. Om deze zaak wel op het ‘juiste’ niveau te brengen, stelt men als formulering voor om beiden voor te houden: ‘Weest trouw in de uitoefening van de taken die God u geeft. Dan bent u samen in staat uw gezin te verzorgen en andere mensen te helpen.’

Naast de kerk van GKv Groningen-Oost kwam ook de kerk van GKv Zwolle-Centrum op de synode in 1996 met een voorstel voor een herzien huwelijksformulier. In de onderbouwing daarvoor wees men op soortgelijke bezwaren als de kerkenraad van Groningen-Oost aanvoerde.

De GS Berkel en Rodenrijs 1996 achtte de aangevoerde bezwaren zo reëel, dat deze haar inziens een herziening op deze punten wettigde. Ze besluit daarom meteen al een herzien formulier vrij te geven en deputaten op te dragen ‘verder te werken aan herziening van het huwelijksformulier met verwerking van reacties uit de kerken op het voorgelegde formulier en aan de volgende synode voorstellen dienaangaande te doen.’

 

Huwelijksformulier 1999

Zo komt het dat er op de synodetafel van de GS Leusden 1999 een voorstel ligt voor een nieuwe redactie van het huwelijksformulier. Als we de belangrijkste m/v-teksten bij langs gaan, dan zien we dat daarin de volgende exegeses verwerkt zijn:

     a.  Instelling

Gen 1:27 wordt zo uitgelegd, dat God de mens als man en vrouw schiep naar zijn beeld en hun samen de opdracht gaf de aarde te beheren en in cultuur te brengen. In Gen 2:18-23 blijkt dat God eerst de man geschapen heeft en vervolgens de vrouw maakt als ‘hulp die bij hem past’. Omdat de term ‘hulp’ misverstaan kan worden, wordt deze passage weergegeven als: ‘Hij miste iemand met wie hij het leven kon delen’. Wat dat concreet betekent wordt o.a. uitgewerkt in de paragraaf ‘Wederzijdse verplichtingen’ als: ‘Aanvaard haar liefdevolle steun als de hulp die Christus u geeft’. Zo verbindt God man en vrouw aan elkaar, ‘zodat zij een unieke levenseenheid vormen.’

     b.  Doel

Man en vrouw zullen elkaar in liefde toebehoren en uit zijn op het belang van de ander, zodat beiden tot bloei komen. Samen zullen zij hun leven wijden aan God en elkaar helpen op de weg naar het eeuwige leven.

Wanneer ze kinderen krijgen, zullen ze als vader en moeder het beeld van God vertonen in zorg en liefde voor hun kinderen. Ten slotte geeft God hen ook een plaats in de samenleving, waar ze zich zullen inzetten voor de leden van Christus’ gemeente en voor alle mensen die God op hun weg plaatst.

     c.  De onderlinge verhouding

Als het over de onderlinge verhouding gaat, komt allereerst de eenheid naar voren. Met een beroep op Gen. 1:27, Ef. 5:21 en Gal. 3:28 wordt gezegd, dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn ‘om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen.’ Dat vraagt ‘om wederzijds respect, waarbij liefdevolle trouw de toon aangeeft.’

Binnen deze eenheid hebben man en vrouw ieder een eigen plaats. Onder verwijzing naar Ef. 5:22-23 wordt gezegd, dat de man in navolging van Christus met liefde en zelfverloochening hoofd behoort te zijn van zijn vrouw: ‘Als eerstverantwoordelijke moet hij haar voorgaan in het leven met de Here. Hij zal zorg dragen voor haar welzijn en haar geborgenheid geven.’

De vrouw bewaart de eenheid door recht te doen aan de plaats van haar man: ‘Zoals de gemeente zich aan Christus toevertrouwt en zich door Hem laat leiden, zo moet de vrouw zich toevertrouwen aan haar man en hem volgen in het dienen van de Here. Zij zal hem helpen bij alle dingen die naar Gods wil zijn, en liefdevol het leven met hem delen.’

Uit de toelichting door deputaten blijkt, dat men het ‘hoofd-zijn’ bewust niet heeft willen omschrijven met de begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’  Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

Tegen (herinvoering van) het woord ‘gezag’ in het formulier pleit, dat Paulus dit woord niet gebruikt. Daarbij komt dat ‘gezag’ voor velen een negatieve lading heeft net zoals het woord ‘onderdanigheid’.

In het ‘hoofd-zijn’ ziet men twee gedachten tot uitdrukking gebracht: zowel verantwoordelijkheid als levenseenheid. Verantwoordelijkheid omdat Adam als eerste geschapen is en een levenseenheid omdat de vrouw een positie niet ondergeschikt aan, maar naast haar man heeft gekregen.

Het kernelement van Ef. 5:21 is het aan het elkaar onderdanig zijn, wat betekent ‘gericht zijn op de ander’: ‘de man moet niet de baas spelen over zijn vrouw, de vrouw moet niet proberen haar man naar haar hand te zetten.’ Voor de man betekent dat zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam, haar geborgenheid geven en haar steun aanvaarden als hulp. Voor de vrouw betekent dat die geborgenheid aanvaarden, maar ook als ‘hulp tegenover hem’ liefdevolle steun geven en de man aanspreken op zijn verantwoordelijkheid.

Van belang is dat bij de besluitvorming door de synode expliciet een amendement, waarin werd voorgesteld in dit onderdeel ook de tekst Gen. 3:16 in de marge te vermelden en de betekenis daarvan voor man en vrouw in het huwelijk te laten verwoorden, met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen werd. Dit betekent dat de aloude visie dat het de wil van God is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren, definitief niet meer in de GKv van kracht is.

     d.  De wederzijdse verplichtingen

In overeenstemming met de geschetste onderlinge verhouding wordt eerst als gemeenschappelijke verplichting de gehuwden voorgehouden ‘in liefde voor elkaar te zorgen.

Vervolgens wordt dat verschillend uitgewerkt: voor de man als hoofd om ‘haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn en voor haar te zorgen en haar geborgenheid te geven’ en voor de vrouw in het aanvaarden van de man als hoofd door ‘zijn liefdevolle zorg en geborgenheid te aanvaarden en hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die naar Gods wil zijn.’

Tenslotte zijn alle specifiek geachte mannen-  en/of vrouwenrollen en -taken uit het formulier geschrapt. Aan man èn vrouw wordt voorgehouden ‘samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin te dragen, trouw te zijn in de uitoefening van de taken die God hen geeft en zo tot een zegen te zijn in de gemeente en in de samenleving.

Deputaten geven aan bewust niet ‘een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij te willen geven.’ Belangrijk argument daarvoor is allereerst dat man en vrouw naar zijn beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast mogen wij ‘niet aan méér binden dan de Schrift doet.’ Wel zijn ze van mening, dat God alleen aan de vrouw het geschenk van het moederschap geeft. Dit eigene zien zij terug in Gen. 3:16 en 1 Tim. 2:15.  Vandaar dat zij in het gedeelte gericht op de vrouw haar taak in het gezin apart benoemen. Omdat de vaders ook een belangrijke taak in het gezin hebben, wordt vervolgens ook gesproken over ‘de gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin.

 

Revisieverzoeken 2002

Op de GS Zuidhorn 2002 ligt van zowel van enkele kerken als van particulieren verzoeken tot revisie van het besluit uit 1999 inzake het nieuwe huwelijksformulier. Ook vanuit het buitenland (Canada en Australië) komen via het deputaatschap Betrekkingen Buitenlandse Kerken op de synode vragen van zusterkerken over het nieuwe huwelijksformulier binnen. Wat de exegese van m/v-teksten betreft wordt o.a. gepleit voor de volgende elementen:

  1. bij de verhouding in het huwelijk moet de verscheidenheid voorop staan;
  2. er moet meer accent liggen op het hoofd-zijn van de man;
  3. het is een verdraaiing van Gen. 2:18 dat de gehuwden elkaar tot hulp moeten zijn.

Na bespreking worden deze bezwaren afgewezen met als grond:

  1. het is niet bewezen dat in het geheel van de Schrift de verscheidenheid van man en vrouw voorop staat;
  2. dat de man het hoofd is van de vrouw, komt in het formulier voldoende naar voren;
  3. het is niet in strijd met de Schrift te stellen, dat man en vrouw elkaar tot hulp dienen te zijn.

 

Terzijdestelling door de DGK(h) in 2005

In 2003 scheiden bezwaarde GKv’ers die zich geconcentreerd hadden rond het blad Reformanda van dr. P. van Gurp, zich af van de GKv en vormen een nieuw kerkverband: de herstelde Gereformeerde Kerken, aangeduid als de DGK(h).

Op hun eerste synode, de GS Mariënberg 2005, distantiëren ze zich van een groot aantal recente besluiten in de GKv. Zo wordt ook het nieuwe huwelijksformulier uit 1999 vervallen verklaard.

Belangrijke overwegingen zijn dat de termen ‘gezag‘, ‘leiden‘ en ‘gehoorzaam toevertrouwen‘ zijn verdwenen en dat met betrekking tot de positie van man en vrouw in het huwelijk veel nadruk wordt gelegd op het gelijk-zijn in Christus en op het recht doen aan elkaars positie als uitleg van ‘het hoofd zijn van de man zoals Christus hoofd is van zijn gemeente.’ Ook heeft men moeite met het besluit van de GS Zuidhorn 2002, dat de verscheidenheid van de man en de vrouw in het huwelijk voorop staat in het geheel van de Schriften.

Als gronden voort men daar o.a. voor aan:

  1. in het formulier van de GS Berkel en Rodenrijs 1996 wordt onvoldoende recht gedaan aan wat de bijbel leert over de door de Here al bij de Schepping ingestelde verhouding tussen man en vrouw met de daaruit voorvloeiende onderscheiden taken (Spreuken 31, 1 Kor. 11:7-10; 1 Kor. 14:34; Ef. 5:22-33; 1 Tim 2:13-15; Titus 2:4; 1 Petrus 3:1-7).
  2. Hoewel de tekst van het huwelijksformulier van GS Leusden 1999 op punten een verbetering is, wordt nog steeds op het belangrijke punt van de verhouding tussen man en vrouw, en hun onderscheiden taken, geen goed Bijbels onderwijs gegeven. In een samenleving waarin de gelijkheid tussen man en vrouw een onschriftuurlijk streven is, wordt op dit punt niet de wacht betrokken bij de secularisatie van de kerkleden.
  3. De GS Zuidhorn 2002 neemt nog duidelijker afstand van het onderwijs van de Schriften met betrekking tot de verscheidenheid tussen man en vrouw in het huwelijk.

In plaats van het nieuwe formulier uit 1999 wordt het huwelijksformulier zoals dat in 1981 vastgesteld werd en in 1984 in het Gereformeerd Kerkboek is opgenomen, opnieuw door de DGK(h) ingevoerd.