Openbaarheid

In mijn vorige blog ‘Nieuwsanalyse’ [i] ging ik in op de analyse die het Nederlands Dagblad op 29 februari 2020 plaatste over het gedrag en beleid van de GKv-synode inzake de behandeling van de revisieverzoeken rond de vrouw in het ambt.

Het ND reageerde in deze nieuwsanalyse op een interview dat de krant op 28 februari 2020 had met Dick Slump en Pieter Pel als woordvoerders van de 8 kerken die tegenstanders zijn van vrouwelijke ambtsdragers. In haar analyse nam het ND de kritiek van Slump en Pel over, dat de synode ten onrechte in dit dossier ook in beslotenheid vergaderd had. Het ND was van mening dat beslotenheid in het kader van veiligheid van synodeleden acceptabel kan zijn, maar dat dit niet aan de orde is en dat nu openheid noodzakelijk is om gemeenteleden in het proces van de besluitvorming mee te kunnen krijgen.

In de spin-off van de discussie op Twitter over deze Nieuwsanalyse ontspon zich een draadje dat licht werpt op de regels, die voor de synode gelden om keuzes te maken om in openbaarheid danwel beslotenheid te vergaderen.[ii]


De volgende artikelen uit de Huishoudelijk Regeling voor de Generale Synode ingevolge artikel E62.3 KO zijn van toepassing:

-      Artikel 6.  Niet besluitvormende vergaderingen

1. De synode kan bijeenkomen in een overlegvergadering, die niet
op besluitvorming is gericht. Het moderamen kan dergelijke 
vergaderingen onder andere uitschrijven:
a. wanneer dat wenselijk is voor een goede voorbereiding van de 
behandeling van het desbetreffende onderwerp;
b. met het oog op de goede contactoefening met zusterkerken in 
binnen- of buitenland.
2. Het verslag van een overlegvergadering wordt zo gesteld, dat 
het kan dienen ter ondersteuning van de plenaire behandeling van het 
onderwerp

-     Artikel 7. Orde van de vergaderingen

3. De beoordeling van personen zal altijd in besloten zitting 
plaatsvinden. Over andere onderwerpen wordt niet in besloten 
zitting vergaderd, tenzij daar een dringende noodzaak voor aanwezig 
wordt geacht.
6. Het moderamen draagt zorg voor een adequate informatieverschaffing
over de besluiten die in een besloten zitting zijn genomen.

Blijkens het interview met Slump en Pel doen zij een beroep op art. 7, lid 3: ‘De synode is in principe openbaar. Ze mag achter gesloten deuren vergaderen als het over personen gaat, of als er een dringende reden voor is. Er waren twee besloten dagen over vrouwelijke ambtsdragers. Ik zie hier geen reden voor, en de synode heeft dat ook niet toegelicht. Integendeel, toen ik daarop wees zei de synode dat ze die reden niet openbaar hoeft te maken. Dat is een machtswoord. Het gaat over een onderwerp dat alle kerken beroert. Daar passen geen achterkamertjes bij.’ Bovendien past het niet bij de regels van de kerk, zegt hij. ‘Openbaarheid is gezond en goed voor de transparantie. Om diezelfde reden zijn de rechtspraak en Tweede Kamer openbaar.’

Als voorbereiding op de publieke behandeling van de revisieverzoeken m/v op donderdag 23 en vrijdag 24 januari 2020 is er één voorbereidende synodevergadering conform Art. 6, lid 1a geweest die niet openbaar was.

Van deze mogelijkheid is op eerdere synodes die zich over ‘m/v en ambt’ gebogen hebben, zoals die van 2014 en 2017, – zoals Slump die in 2014 deputaat was had kunnen weten – , ook gebruik gemaakt.

In het licht van Art. 6, lid 2 en Art. 7, lid 6 lijkt mij de bewering van het Nederlands Dagblad over de beslotenheid van een dergelijke voorbereidende vergadering: ‘Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan’, ten onrechte insinuerend en niet gepast.


[i] https://fpathuis.wordpress.com/2020/02/29/nieuwsanalyse/

[ii] Met dank aan Hans Bügel en Rob Vreugdenhil (Scriba I van de GS Meppel 2020) die de betreffende regelgeving naar voren brachten.

Nieuwsanalyse

Op vrijdag 28 februari 2020 stond er een interview van Eline Kuijper in het Nederlands Dagblad (ND) met Dick Slump en Pieter Pel, vertegenwoordigers van de 8 kerken in de GKv die inhoudelijke bezwaren hebben aangetekend tegen het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten. Zij wilde weten hoe tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers deze synode van de GKv ervaren.

De volgende dag stond er op basis van dat interview een nieuwsanalyse van haar hand in het ND. In haar analyse raakt zij aan vijf thema’s, die ze als in een kluwen aan elkaar verbindt en er tenslotte een oordeel over uitspreekt:

  • de vertegenwoordiging op de synode
  • de besluitvorming over de m/v-revisieverzoeken
  • de verwachtingen en ervaringen van de tegenstanders van het m/v-besluit
  • de vergaderingen rond de eenwording van GKv en NGK
  • de beslotenheid van vergaderingen

Haar criterium is duidelijk: ‘De synode staat ten dienste van de kerken en daarom moeten alle leden kunnen volgen wat daar gebeurt.’ Op basis daarvan trekt zij vier conclusies:

1. De synode mist interne tegenspraak, omdat er geen tegenstanders van het vrouwenbesluit in de synode vertegenwoordigd zijn. In haar woorden: ‘Dat een of twee stevige tegenstemmen al een wereld van verschil kunnen maken, liet de synode van drie jaar geleden zien. Destijds waakte de synode voor een jubelstemming toen het besluit voor vrouwelijke ambtsdragers werd genomen. Er waren in hun midden namelijk mannen die daar intens verdrietig over waren en dat op een indringende wijze duidelijk maakten. Nu zitten zulke mensen er niet.

2.  De positieve sfeer tijdens de synodevergaderingen bij de groep bezwaarde vrijgemaakten roept vervreemding op: ‘Op conferentiecentrum Mennorode wordt een feestje gevierd: de afgevaardigden zingen hand in hand, drinken ‘s avonds nog gezellig wat aan de bar, geven elkaar een hug als ze naar huis gaan.’

3. De beslotenheid van de synodevergaderingen vergroot de afstand met de tegenstanders van het m/v-besluit. Ze erkent dat beslotenheid kan bijdragen aan veiligheid tussen afgevaardigden onderling, maar die veiligheid is geen doel op zich. Nu er geen ingrijpende onderlinge verschillen zijn in het m/v-dossier, is beslotenheid niet aan de orde: ‘die beslotenheid moet een uitzondering blijven en goed onderbouwd zijn, al is het maar om de synode eraan te herinneren dat zij niet bestaat voor zichzelf.’ Dat de synode zelf in een nieuwsbrief verslag uitbrengt over wat er is besproken, is dan onvoldoende: ‘wij van wc-eend adviseren wc-eend, krijg je dan.

4.  De synode moet de tegenstanders van het m/v-besluit openheid geven over hun plek in de GKv: ‘Om hen [= tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers] binnenboord te houden, moet de synode laten zien wat ze doet. En bijvoorbeeld duidelijk aangeven hoe ze ruimte ziet voor een minderheid die er serieus anders over denkt. Zeker nu het tegengeluid niet van binnenuit klinkt.

Mijn grote moeite met deze ‘nieuwsanalyse’ betreft niet alleen de timing daarvan, maar ook de gronden daarvoor. Er wordt in de conclusies van alles gesuggereerd en verondersteld.

Ad 1. De suggestie gaat er vanuit, dat men geen oog heeft voor de tegenstanders van het m/v-besluit en dat er in tegenstelling tot drie jaar geleden een jubelstemming heerst over het m/v-besluit. Mijns inziens doet de synode wel degelijk moeite om de bezwaarden recht te doen en heeft ze al een keer met hen gesproken. Of de eisen die de bezwaarden aan een 2e gesprek stellen, terecht zijn kan ik en naar mijn idee ook het ND niet beoordelen, zolang we de visie van de synode in dezen niet weten. De stelling dat de synode interne tegenspraak mist, is ook niet volgens de werkelijkheid. Op de vergaderingen in januari was er wel degelijk ook kritische zin en tegenspraak te horen in opmerkingen als: ‘Veel mensen storen zich daaraan en vinden dat eng. Blijf bij dat soort redenaties weg’, en: ‘Dat is geen feit, maar een stellingname. Die moet je wel onderbouwen.’

Ad 2.  Die positieve sfeer heeft, zoals de bijgevoegde foto ook al aangeeft, m.n. betrekking op de gemeenschappelijke vergaderingen van de GKv-synode en die van de Landelijke Vergadering van de NGK. De suggestie die van het interview en nu van de nieuwsanalyse uitgaat, is dat er een feestje gevierd wordt, omdat nu de vrouw in het ambt mag.

Ad 3. In het interview stellen Slump en Pel, dat de synode een inhoudelijk gesprek ontwijkt. De nieuwsanalyse gaat met die visie mee en veronderstelt ook dat er op dit moment een inhoudelijk gesprek met de bezwaarden gevoerd zou moeten worden. Mijns inziens is er de afgelopen drie jaar inhoudelijk uitgebreid de tijd geweest om het pro en contra van het m/v-besluit te bespreken.

Wat nu aan de orde is, is dat de synode de revisieverzoeken moet beoordelen en daarover een inhoudelijk oordeel moet vellen. Dat betekent dat ze zich goed moeten oriënteren op de visie die in de revisieverzoeken geuit wordt. In dat kader hebben ze ook gesproken met de opstellers van de revisieverzoeken. Vervolgens moet de synode inhoudelijk een oordeel vellen over die verzoeken tot revisie. Daar heeft de synode een begin mee gemaakt op donderdag 23-01 en vrijdag 24-01, waarbij pers en publiek aanwezig waren.

Het uitgangspunt van de bespreking was een concept ‘Raamwerkdocument’, waarin een eerste richting geboden werd om de revisieverzoeken straks inhoudelijk te beoordelen. Omdat het nog een concept was en de synode niet wilde dat dit concept een eigen leven zou gaan leiden, werd het niet ter beschikking gesteld. Mijns inziens een kwestie van koudwatervrees. Ondanks dat waren de argumenten en de uiteindelijke conclusies in alle openbaarheid te vernemen. Ze kunnen nog steeds op diverse media na gelezen worden. Dat de bezwaarden niet gerust zijn op de uitkomst, heeft niet zozeer te maken met de beslotenheid van de synodevergadering, maar omdat de strekking daarvan – in tegenstelling tot hun visie – is dat de Bijbel geen belemmeringen opwerpt voor de vrouw in het ambt.

Ad 4. Dit is geen conclusie, maar een waardevolle aanbeveling op dit moment. Zolang er nog geen inhoudelijke besluiten over de revisieverzoeken genomen zijn, kan de synode zich ook nog niet uitspreken over de positie van de tegenstanders van het m/v-besluit. De synode zal in de motivering van haar besluit transparant en helder over de uitgangspunten moeten zijn en ook duidelijk moeten maken welke ruimte er is voor degenen is, die zich in dat revisiebesluit niet zullen kunnen vinden. Dat is niet iets nieuws.

Waar het ND mijns inziens in deze analyse nog wel een passage aan had mogen wijden, is de vraag hoe je omgaat met verandering van visie over een bepaald onderwerp in de kerk, verwoord in de mening van ds. Bart van Egmond: ‘Wat vroeger schriftuurlijk was, is nu een mening.’ Daaarmee zou de kern van de zaak getroffen zijn: ‘Hoe ga je in de kerk om met diversiteit en verschil van inzicht?’

Samenvattend: Ik betreur het dat deze nieuwsanalyse ernstig te kort schiet in objectiviteit, relevantie en inhoud. Een gemiste kans voor het ND om haar motto waar te maken. Laat de krant doen waar ze voor bedoeld is: volgen wat er echt op de synode gebeurt en niet op basis van veronderstellingen en suggesties zich laten verleiden tot onbehoorlijke stemmingmakerij over een GKv-synode, die nog tot besluitvorming moet komen.

Appèl

De kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ heeft op 14 december 2019 als appèl een ‘Open Brief‘ geschreven aan de Generale Synode van de GKv die afgelopen november in Goes gestart is.[i] Deze synode zal zich buigen over de verzoeken om het besluit van de GS Meppel 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, te herzien.

De ‘Open Brief‘ roept de GS Goes 2020 op om in haar bezinning op deze revisieverzoeken:

  1. bij de beoordeling daarvan de eenheid met de christelijke kerk weer uitdrukkelijk te zoeken;
  2. het Woord bij de overwegingen en beraadslagingen de beslissende stem te laten hebben;
  3. dat vervolgens ook te laten zien in (de onderbouwing van) de besluiten.

Voor een vergadering van gereformeerde kerken lijken mij dit vanzelfsprekende uitgangspunten en ik neem aan dat het ook de intentie van de synodeleden is om hun werk in overeenstemming met deze criteria te doen. Net zoals ook de leden van de vorige synode ongetwijfeld deze intentie hadden.

De reden voor de bezinningsgroep om de komende synode toch hiertoe aan te sporen, is dat men vindt dat de vorige synode het op deze punten in de praktijk heeft laten afweten. Het appèl is vooral een poging te beargumenteren, dat het besluit om de vrouw in het ambt toe te laten niet vanuit ‘het Woord’ onderbouwd is en daarmee strijdt met ‘het Woord’ en ook nog eens ‘de eenheid van de christelijke kerk’ verbreekt.  

Het lastige van deze ‘Open Brief ‘vind ik, dat men zich zo inhoudelijk verbonden heeft met de positie dat de vrouw het ambt niet mag bekleden, dat een andere uitkomst dan het honoreren van de revisieverzoeken niet acceptabel is. In hun optiek kan namelijk geen enkele onderbouwing vanuit ‘het Woord’ leiden tot de openstelling van het ambt voor de vrouw. Vrouwen en mannen gelijkwaardig laten dienen in het ambt betekent voor hen het accepteren van ‘de gelijkheidsideologie’ en ‘de culturele ontwikkelingen als leidraad nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’.

Behalve dat deze ‘Open Brief‘ geen ruimte biedt voor een andere uitkomst dan het afwijzen van de vrouw in het ambt, heb ik grote moeite met enerzijds de tendentieuze wijze waarop het besluit van de GS Meppel 2017 wordt weergegeven en weggezet, anderzijds de manier waarop de impact van dit besluit op de vrijgemaakte kerken boven proportionaliteit wordt opgeblazen.

Om met dat laatste te beginnen. De besluiten zouden ‘tot grote verdeeldheid in de kerken geleid hebben’ en hebben ‘bij veel leden van de GKv een sterk gevoel van vervreemding doen ontstaan’. Dat kan de beleving van de bezinningsgroep zijn, maar feitelijk gezien heeft nog geen 10% van de kerken een revisieverzoek bij de synode ingediend, terwijl 66% van de kerken de ambten voor vrouwen heeft opengesteld. De overige kerken hebben veelal besloten om de definitieve besluitvorming op de komende synode af te wachten.

Tendentieus is de bewering, dat de grond voor het besluit van de GS Meppel de visie is ‘op de verhouding van Oude en Nieuwe Testament, die inhoudt dat in toenemende mate de bevrijding van de vrouw uit de beklemming van mannelijke overheersing zichtbaar wordt, met uiteindelijk de totale verlossing door Jezus zelf’. In het synodebesluit komen de termen ‘bevrijding van de vrouw’ en ‘de beklemming van de mannelijke overheersing’ niet voor.

Even misleidend is de stelling dat er geen grondige confrontatie heeft plaatsgevonden met de onderbouwing van de traditionele opvatting dat alleen de man in het ambt mag dienen. Dat de leden van de bezinningsgroep en dat de zusterkerken in het buitenland daardoor niet overtuigd zijn, dat is mogelijk. Maar tot twee maal toe confronteert het besluit van de GS Meppel zich met de zwijgteksten als grond voor de traditionele opvatting en verklaart het dat deze ‘in zichzelf geen onbetwistbare grond kunnen zijn om in onze tijd en omstandigheden vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en het regeerambt’ en dat het voorschrift om te zwijgen ‘in ieder geval niet opgevat kan worden als een absoluut verbod tot (s)preken in de eredienst’.

De veronderstelling dat ‘de onderbouwde bezwaren en studies van onze zusterkerken in binnen- en buitenland in de afwegingen niet zichtbaar meegewogen zijn’ lijkt me ook vooringenomen en zeer onwaarschijnlijk, waar in het materiaal dat in de besluitvorming van de GS Meppel meegenomen is o.a. een brief omvat ‘van de Canadian Reformed Church (24-01-2017) waarin wordt ingegaan op het hoofdstuk 2 van het rapport Samen dienen’ en een ‘schriftelijke reactie van de VGKSA op vragen van de synodecommissie M/V en ambt (22-05-2017)’.

Tenslotte, ik stem van harte in met het uitgangspunt van de brief dat wij geroepen zijn tot ‘de gehoorzaamheid aan het Woord van Christus’. Dat deze gehoorzaamheid gekoppeld moet worden aan het uitsluiten van de vrouw in het ambt, wordt door de bezinningsgroep – ondanks alle aangewende retoriek in de verwijzing naar bijbelteksten – vooral verondersteld, maar hermeneutisch noch exegetisch beargumenteerd of aangetoond. Voor een laatste appèl lijkt me dat een gemiste kans.


[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/appel-op-de-generale-synode-van-de-gkv-goes-2020






Genesis 1-3 en de scheppingsorde (2)

In eerste deel van deze blog [i] heb ik de visie van ds. Rufus Pos op de zgn. ‘scheppingsorde’ weergegeven en ben ik ingegaan op zijn uitleg van Gen. 2. In dit tweede deel bespreek ik zijn beroep op Gen. 3.

 

     –   Pos’ visie op (on)gelijkheid in Gen. 3

Volgens Pos is in Gen. 3 dé zonde van de vrouw dat zij de door God aan Adam gegeven positie en diens gezag niet erkende. Als ze dat wel gedaan had, zou ze Adam eerst geraadpleegd hebben over de woorden van de slang en niet van de vrucht hebben gegeten, mits Adam natuurlijk zijn verantwoordelijkheid had genomen en haar was voorgegaan in het gehoorzaam blijven om niet van de boom van kennis van goed en kwaad te eten.

Bij het lezen van Gen. 3 zien we op verschillende momenten dat de ongehoorzaamheid aan het door God geven verbod de reden is, dat de mens en zijn vrouw door God geoordeeld worden. Nergens in de tekst wordt gezegd, dat de oorzaak van deze ongehoorzaamheid is dat de vrouw zich niet ondergeschikt aan de mens opgesteld heeft. Dat betekent dat het argument dat Pos aanvoert een veronderstelling van de categorie (c) is, die hij gebruikt om zijn exegese aannemelijk te maken. Een veronderstelling die geen aanknopingspunt in de tekst heeft en daarom moet worden afgewezen. Verder geldt ook hier dat een beroep op Paulus faalt, omdat ook Paulus niet uitgaat van een zgn. scheppingsorde. [ii]

Uit de opbouw van het verhaal in Gen. 2 en 3 blijkt dat de zonde van de vrouw is, dat zij op basis van het gesprek met de slang de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad neemt en die eet. Vervolgens is de zonde van haar man dat hij de vrucht van haar aanneemt en ook daarvan eet. In deze elementen van Gen. 3 verwijst de verteller terug naar de voorwaarden en mogelijkheden om te zondigen, zoals hij die in Gen. 2 : 8-9 en 15-17 in het verhaal verweven heeft.

Voor God is de kern van de zonde: ‘Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’, (3:11b) en ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden’, (3:17a), met als gevolg: ‘Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad’, (3:22). Dat betekent, dat de primaire focus van Gen. 2 en 3 primair de relatie tussen de mens en God is. Informatie over de overige relaties van de mens (mens-aarde, mens-dier en man-vrouw) zijn daarin secundair of ‘ondergeschikt’.

Terecht kan Pos erop wijzen, dat zowel de vrouw als de man geen recht doet aan de onderlinge relatie en de verantwoordelijkheid voor elkaar. Maar omdat het verhaal in Gen. 2 en 3 een tekstuele eenheid is, moet je die onderlinge relatie interpreteren vanuit Gen. 2 (en dus vanuit de gelijkwaardigheid, zie deel 1) en niet vanuit een in Gen. 3 ten onrechte veronderstelde ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

De argumenten die Pos daar toch voor aan meent te kunnen dragen zijn: (a) Adam wordt als eerste aangesproken, (b) Adam en Eva krijgen een verschillende straf, (c) alleen tegen Adam wordt gezegd dat hij zal sterven, en (d) de uitspraak, dat de man over de vrouw zal heersen (Gen. 3:16), is wel degelijk een straf voor de vrouw.

 

       Ad a.  Als eerste aangesproken

Opnieuw doet Pos een impliciet beroep op Paulus, omdat hij er vanuit gaat dat Paulus de man met de term ‘hoofd’ als de eerstverantwoordelijke in de ongelijke relatie tussen man en vrouw typeert. Allereerst is dat een uitleg van Paulus die niet standhoudt[iii] en dus ook niet als terechte aanname gehanteerd kan worden. Ten tweede is er in de tekst van Gen. 2 en 3 geen enkel element, dat een dergelijke interpretatie van het als eerste aangesproken worden rechtvaardigen kan.

Binnen de logica van de verhaallijn is het juist niet vreemd, dat de mens/man als eerste spreekt, wanneer God man en vrouw aanspreekt. Het past in een concentrische weergave van de gebeurtenissen en Gods reactie daarop. In Gen. 3:1-8 komen eerst de slang, de vrouw en de mens op het toneel, waarna als God verschijnt en begint te spreken in omgekeerde volgorde eerst een dialoog is met de mens en dan de vrouw is en vervolgens God het oordeel uitspreekt over de slang, de vrouw en ten slotte de mens. Tegelijk kan de verteller zo een directe verbinding leggen met het in Gen. 2:17 gegeven verbod, dat God tegenover de mens uit heeft gesproken, toen de vrouw nog niet geschapen was.

Het is duidelijk dat de man en de vrouw zowel zelfstandig handelen, als dat zij in het overtreden van het gebod en het omgaan met de gevolgen door de verteller als eenheid gezien worden. ‘Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan’, (3:6b). Daarna gaan hun ogen open: zij herkennen dat ze naakt zijn, maken schorten van vijgenbladeren en verbergen zich, wanneer God in de hof verschijnt en hen gezamenlijk ter verantwoording roept en tegelijk man en vrouw ieder op zijn eigen daden aanspreekt. Net als in hoofdstuk 2 speelt de dubbele betekenis van ‘adam’ als soortnaam en eigennaam een rol. In het verhaal van God en mens komt God na de overtreding met zijn roep: ‘God riep de mens en zei tot hem: “Waar ben je”’, (3:8), waarbij hij zowel oog heeft voor hun eenheid als vervolgens ook voor ieders afzonderlijk handelen.

 

      Ad b. en c.  Verschillend oordeel en aanzegging van de dood

Het oordeel dat God uitspreekt over de man en de vrouw heeft zowel gemeenschappelijke aspecten als specifieke.

Gemeenschappelijk is dat God allereerst vijandschap zet tussen de slang en de mens. Ook al noemt God in het oordeel over de slang expliciet de vrouw, het gaat in haar wel over de mens(heid) als geheel, collectief aangeduid met het woord ‘zaad’.

Daarnaast zal het leven van de mens, zowel van de man als van de vrouw, moeizaam worden. Voor beiden gebruikt God daarbij de term ‘smart’. Ieder zal het op zijn eigen specifieke wijze ervaren. Of dat nu betreft het bewerken van het land, het baren van kinderen, of het genieten en eten van de opbrengst. Tegenover het leven, genieten en eten in (en van de bomen in) het paradijs, plaatst God het toekomstig leven van de mens in smart op de aarde buiten het paradijs, dat uiteindelijk voor beiden uit zal lopen op de dood.

Dat alleen tegen de mens gezegd wordt, dat hij zal sterven, heeft opnieuw niet te maken dat Adam de eerstverantwoordelijke is, maar wordt verklaard door de manier waarop het verhaal verteld wordt. De verteller verwijst daarmee op concentrische wijze op de aankondiging daarvan, zoals die ook aan de mens gegeven is in 2:17, en naar zijn schepping uit de aardbodem in 2:7, waar de mens (m/v) weer naar zal terugkeren.

Veronderstellen dat het onderscheid in het oordeel van God daarmee te maken heeft dat de vrouw ten opzichte van de mens een ondergeschikte positie en verantwoordelijkheid heeft en dat hieruit een ‘scheppingsorde’ zou blijken, is inlegkunde die botst met de manier waarop de verteller zijn verhaal presenteert. Het zwoegen om in leven te blijven, omdat de aardbodem vervloekt is, en het sterven geldt gelijkelijk voor de vrouwelijke nakomelingen van de mens en voor de mannelijke.

 

      Ad d.  De man zal heersen als strafmaatregel, Gen. 3:16b

In het oordeel dat God over de vrouw uitspreekt, wordt duidelijk dat het overtreden van het gebod niet alleen consequenties heeft voor de relatie tussen de mens en God, maar ook voor de onderlinge relatie tussen de man en zijn vrouw: die is beschadigd en opgebroken. Ze bedekken hun naaktheid voor elkaar en wanneer God met hen in gesprek gaat schuiven de mens en de vrouw allebei de schuld op een ander af.

In Gods oordeel over de vrouw: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen’ legt Pos de term ‘begeren’ uit als het verlangen van de vrouw om de ‘leidende’ positie van de man in te nemen. Ook al zou zijn interpretatie juist zijn, – waar in de exegetische literatuur behoorlijk wat discussie over is  -, het willen heersen of domineren is zowel mogelijk in een hiërarchische als in een gelijkwaardige relatie. De context en de verhaallijn pleiten er echter voor om deze uitspraak in een gelijkwaardige relatie tussen man en vrouw te plaatsen in plaats van een hiërarchische relatie te veronderstellen, zoals Pos met zijn beroep op Paulus doet.

Pos legt het oordeel van God over de vrouw uit als dat ‘dit streven (begeren) niet het door haar gewenste resultaat zal hebben. Juist het omgekeerde: de man zal op dit ‘begeren’ van zijn legitieme plek door de vrouw reageren met een ‘over haar te heersen’. Zijn conclusie is daarom, dat waar mannen over vrouwen heersen, dat een straf van God is. Omdat dit ‘laat zien dat God door zijn straffen niet een einde maakt aan de zonde, maar dat Hij de zonde juist als straf kan gebruiken.’

Ik vind dat deze interpretatie ten sterkste afgewezen moet worden. Mijn inziens zegt Pos hiermee: ‘Eigen schuld, dikke bult, had je je maar als vrouw aan je man moeten onderschikken’. Ook al schreef hij in een eerdere brief over Gen. 3:16: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk’, toch legitimeert hij met zijn interpretatie van Gen. 3:16b nog steeds de onderdrukking van vrouwen, zoals dat eeuwenlang vaak met een beroep op deze ‘ordinantie Gods’ gebeurd is.

 

     –   Samenvatting en conclusie

In zijn serie brieven naar aanleiding van het besluit van de GKv Synode Meppel in 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, wil Pos laten zien dat deze uitspraak in strijd is met de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man. Hij beroept zich daarvoor op zijn uitleg van Gen. 1-3, waar zijns inziens God deze scheppingsorde ingesteld heeft.

Mijn conclusie over deze interpretatie kan kort zijn. Alle retoriek van Pos ten spijt dat elk detail van het scheppings- en zondevalverhaal van betekenis is en aandachtig gelezen moet worden, gaat hij zelf op zeer onzorgvuldig wijze met de gegevens in Gen. 1-3 om en leest hij op basis van allerlei onhoudbare veronderstellingen en zonder enige fundering in de tekst zelf zijn visie op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in zijn uitleg van deze verhalen in. Uitgaande van een onjuiste interpretatie van Paulus’ spreken over het ‘hoofd’-zijn van de man gaat hij er vanuit dat in Gen. 3 een hiërarchische relatie tussen man en vrouw verondersteld wordt, die hij vervolgens zonder ondersteuning in de tekst in zijn uitleg van Gen. 2 probeert te verdedigen.

Om het in Pos’ termen te zeggen: ‘Je bent niet heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn.’ Die ongelijkheid is met het man-  en vrouw-zijn gegeven. De vraag is echter, of deze ongelijkheid een zodanige ‘ongelijke positie en verantwoordelijkheid’ van man en vrouw impliceert, dat de vrouw aan de man ondergeschikt is. Dat heeft Pos in zijn brieven met zijn uitleg van Paulus en Gen. 1-3 niet kunnen aantonen. Op grond van de tekst van Gen. 2-3 moet je concluderen dat de mens en zijn vrouw door God in een gelijkwaardige positie aan elkaar gegeven zijn en zo als man respectievelijk vrouw voor Gods aangezicht in verantwoordelijkheid mogen leven. Gen. 1-3 geven geen richtlijnen of aanwijzingen, op basis waarvan aan het man- of vrouw-zijn specifieke sociale rollen, verantwoordelijkheden en domeinen als een door God gestelde scheppingsorde kunnen worden verbonden. Pos’ visie dat de vrouw binnen het huwelijk, in de samenleving en in de kerk een ondergeschikte positie ten opzichte van de man moet innemen moet daarom worden afgewezen.

 

 

[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/

[ii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

Priester (m/v)

In een artikel in Nader Bekeken gaat dr. Pieter Boonstra in op de in 2017 genomen besluiten van de GKV-synode over ‘M/V en ambt’[i]. Hij heeft twee argumenten om deze besluiten af te wijzen. Allereerst wordt er geen recht gedaan aan de zgn. zwijgteksten, waar Paulus zijns inziens duidelijk leert dat vrouwen geen ambtelijke taken in de gemeente mogen verrichten. Ten tweede wordt er geen recht gedaan aan wat hij noemt de ‘priesterlijke’ lijn. Dat is het patroon in de Bijbel dat begint bij mannelijke priesters, vervolgens loopt via mannelijke apostelen en ten slotte uitkomt bij mannelijke oudsten. Dit tweede argument stel ik in deze blog centraal. Over het eerste argument heb ik al vaker geschreven op deze site en heb ik laten zien, dat een beroep op de zwijgteksten als absoluut verbod om vrouwen uit het ambt te weren niet te rechtvaardigen is.

Over die ‘priesterlijke lijn’ schrijft Boonstra, dat:

alleen mannen voor die dienst in aanmerking kwamen. Op deze regel vind je in het Oude Testament géén uitzondering, nergens is er sprake van een priesteres. Dit is des te opvallender, omdat in de toenmalige wereld bij de omliggende volken priesteressen dienstdeden in de tempel. De reden dat de Here niet koos voor vrouwelijke priesters, kan dus niet gezocht worden in het feit dat daar in de toenmalige cultuur geen ruimte voor was. Die was er dus wel degelijk! Desondanks kiest de Here alleen voor mannelijke priesters.’

Zijn gedachte is vervolgens dat Jezus juist 12 mannen als apostel gekozen heeft, omdat hij bij deze priesterlijke lijn uit het Oude Testament aansluit. Een bevestiging van die gedachte ziet hij daarin, dat Paulus zijn apostolische prediking typeert als ‘bediening van de verzoening’, wat een priesterlijke taak is. Een taak die Paulus vervolgens overdraagt aan de oudsten en opzieners (Hand. 20:27v) en die hij uitsluitend aan mannen toevertrouwt, (1 Tim. 2:13v, 1 Tim. 3:2 en Titus 1:6). Dat is een bewuste keuze, omdat Paulus in 1 Tim. 3:11 wel toestaat dat een vrouw diaken mag worden.

Duidelijk mag zijn dat de door Boonstra gesignaleerde lijn een constructie is, die hij als lezer aanbrengt, waarbij het dan de vraag wordt of daar in de bijbel zelf wel voldoende gronden voor zijn.

Als we op de lijn letten die Boonstra construeert, valt op dat in het Nieuwe Testament niets gezegd wordt over Jezus’ motivering om juist twaalf mannen als apostel te kiezen, laat staan dat het duidelijk wordt dat het zou zijn om daarin een ‘priesterlijke’ lijn voort te zetten. Wel weten we dat er onder zijn leerlingen ook vrouwen waren. Ook lezen we in Lukas dat hij 72 leerlingen twee aan twee op stage uitzond met de opdracht zieken te genezen en de komst van het koninkrijk van God aan te kondigen. We weten niet of onder die 72 leerlingen ook vrouwen waren. Maar de kans dat bijvoorbeeld de Emmaus-gangers, twee leerlingen van Jezus, een echtpaar vormen, is veel groter dan dat het twee mannelijke leerlingen zijn.

Als de keuze voor aansluiting bij een ‘priesterlijke’ lijn voor Jezus het argument zou zijn voor de aanstelling van apostelen, dan vraag ik me verder af waarom Boonstra alleen focust op het man/vrouw-zijn als criterium. Er waren meer vereisten voor priesters: ze moesten afkomstig zijn uit de stam Levi en dan ook nog uit het geslacht van Aäron. Nadere vereisten waren verder dat ze geen gebrek aan het lichaam mochten hebben. Tenslotte mochten ze als ze onrein waren geen dienst doen in de tempel.

Dat laatste aspect lijkt mij overigens de meest aannemelijke verklaring, dat vrouwen in het Oude Testament geen priester zijn geworden. Door hun maandelijkse ongesteldheid en bloedverlies zijn er maar beperkte tijden, dat ze dienst kunnen doen. Mijn conclusie zou daarom ook eerder zijn, dat vrouwen geen priester konden worden, niet omdat zij vrouw zijn, maar omdat ze – doordat ze vrouw zijn – veel te vaak onrein zouden zijn om deze functie te kunnen vervullen. Een logische vraag die hier uit volgt is, of dit criterium onder het nieuwe verbond nog zijn geldigheid zou hebben. Deze vraag stellen is haar mijns inziens negatief beantwoorden. Het criterium rein/onrein heeft in Christus zijn voltooiing gevonden. De heiligheid en reinheid van gelovigen en hun representanten liggen door het offer dat Hij gebracht heeft in Hem verankerd. Vrouwen zouden daarom onder het nieuwe verbond wel priester kunnen zijn.

Als we verder kijken naar de argumentatie voor de lijn die Boonstra veronderstelt, is op te merken dat inderdaad het nederlandse woord ‘priester’ etymologisch afgeleid is van het griekse woord ‘presbuteros’, dat oudste betekent. Maar dat betekent niet dat dus de functie van oudste in het Nieuwe Testament ook afgeleid is van de functie van de priester in het Oude Testament.

Het argument dat Boonstra daar toch voor denkt te kunnen aanvoeren is die van de metafoor van ‘de bediening van de verzoening’, die hij in de NBG-vertaling van 1951 in 2 Kor. 5:18 bij Paulus vindt. Toch vind ik het vreemd om te suggereren, dat zoals de priester verzoening tot stand brengt tussen God en mens door middel van het offer, de verkondiger van het evangelie verzoening tot stand brengt tussen God en de hoorder. Uit de NBV-vertaling van 2004 van dit vers blijkt duidelijk, dat de verzoening met God door Christus tot stand gebracht is en dat de verkondiging dat de verzoening tot stand gebracht is toevertrouwd is aan Paulus en aan de andere medewerkers van God (6:1) als gezanten van God (5:20). Het griekse werkwoord dat Paulus gebruikt is ‘presbeuoo’, waarin de gemeenschappelijke stam van ‘presbuteros’ te herkennen is. Het waren vaak de ouderen (oudsten) die de gemeenschap of het volk representeerden en als gezanten optraden en als zodanig het woord voerden.

Vanuit strategische en (kerk-)politieke overwegingen begrijp ik wel dat Boonstra de vraag van m/v en ambt graag exclusief wil toespitsen op de vraag aan welke kwalificaties een priester moet voldoen om God te kunnen representeren. Het is duidelijk dat in het Oude Testament vrouwen God wel kunnen vertegenwoordigen als profetessen en richteressen. In het Nieuwe Testament wordt vrouwen toegestaan om te profeteren en in de verkondiging werkzaam te zijn. Het zou mooi zijn om dan te kunnen aantonen, dat het ambtelijke spreken in het Nieuwe Testament zijn kern vindt in het priesterlijke en niet in het profetische, zoals deputaten MV betogen, en dan een beroep te kunnen doen op een constante ‘priesterlijke’ mannelijke lijn vanuit het Oude Testament.

Ik wil aan deze korte opmerkingen bij Boonstra’s zgn. ‘priesterlijke’ lijn twee conclusies verbinden. Ten eerste dat een ‘priesterlijke’ lijn van het Oude naar het Nieuwe Testament niet vanuit de bijbel valt aan te tonen en daarom als onverantwoorde fictie en dus als een non-argument in het m/v-ambt gesprek moet worden afgewezen.

Ten tweede dat als het over de vrouw in het ambt gaat, het niet om de vraag gaat of vrouwen priester mogen worden, maar om de vraag aan welke kwalificaties vertegenwoordigers van God moeten voldoen om Hem te representeren.

Ook al is het zo, dat in het Nieuwe Testament voornamelijk mannen als ‘oudsten’  worden genoemd, mijn inziens valt het bijbels niet hard te maken om vrouwen vanwege hun vrouw-zijn categorisch van deze functie uit te sluiten. Man en vrouw zijn samen naar het beeld van God geschapen. Daarom kunnen ook vrouwen Hem vertegenwoordigen. Als het om priesters gaat kan Gods volk, zowel mannen als vrouwen, in het Nieuwe Testament (onder verwijzing naar het Oude Testament) gekarakteriseerd worden als ‘een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht’, (1 Petrus 2:9).

Vrouwen als priester? Onder het nieuwe verbond is dat wel degelijk mogelijk.

 

 

[i] Zie: Nader Bekeken, Jaargang 24, nr. 9, september 2017, p. 239-243.

Samenvatting

Een samenvatting van Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, (Uitgeverij Woord en Wereld, 2018) –  Fokke Pathuis [i]

 

  1. Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’, dat uiteindelijk in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn vrucht van zijn denken over deze vraag. Daarom gaat hij ook uitgebreid in op de exegese van de zgn. zwijgteksten en op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

 

  1. Status van gesprek over m/v in de kerk

Een eerste punt dat Niemeijer naar voren brengt, is dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de ware en volkomen leer van de verlossing of dat daarmee iets zou veranderen aan ons geloof in Christus:

De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Niet minder, ook niet meer’, (11).

Over zaken van kerkinrichting en kerkregering hebben we in de bijbel geen sluitend systeem aangereikt gekregen. In de vormgeving daarvan heeft de kerk zowel recht gedaan aan de Schrift en tegelijkertijd eigentijdse overwegingen een rol laten spelen. Onze indeling van het ambt in predikant, ouderling en diaken stamt ook pas uit de tijd van de Reformatie, (34).

Niemeijer kan zich voorstellen, dat gemeenteleden het gevoel krijgen, dat ze de controle kwijt zijn. In de loop van de 20e eeuw moest men steeds weer terugkomen op stelligheden, die gekoesterd werden. Van het afwijzen van de broekdragende vrouw, de aanvaarding van de werkende vrouw, de opheffing van afzonderlijke bijbelstudieverenigingen voor jongens en meisjes, het toestaan van het stemrecht van de vrouw in de kerk, tot het denken over de sociale wetgeving, de afschaffing van de apartheid en de samenwerking in de politiek met niet-gereformeerden. En nu sneuvelt het volgende bolwerk, (12).

Zijn we nu wij als kerken niet bezig het Woord van God kwijt te raken? Argumenten die door de synode aangevoerd zijn om het besluit om vrouwen in het ambt toe te laten, overtuigen niet iedereen, (12).

Toch zijn de vragen waar de eerste christelijke kerk voor stond van veel groter gewicht. Zij moesten beoordelen of mensen buiten Israël behouden konden worden, zonder de wet van Mozes te onderhouden. Had Jezus zelf niet gezegd, dat hij niet was gekomen om de wet te ontbinden? Als je het hebt over zekerheden die onderuit lijken te gaan, dan zijn onze vragen over m/v en ambt daar kinderspel bij, (34).

 

  1. De interpretatie van de zwijgteksten

Als het over zwijgteksten gaat is het duidelijk, dat niet elk spreken of optreden van vrouwen in de kerk en de kerkdiensten wordt verboden. Vrouwen mogen zingen, bidden, profeteren en met een woord van God tot opbouw komen. De vraag is, wat de zwijgteksten dan wel verbieden.

Traditioneel worden deze teksten gezien als in ieder geval een blokkade voor vrouwelijke predikanten en ouderlingen. Paulus zou met een beroep op de schepping en de zondeval het leren en het gezag oefenen over mannen in de samenkomsten verbieden, wat vertaald wordt als dat het leer- en regeerambt voor de vrouw verboden is.

Ook is er een sterke overtuiging, dat als de bijbel op andere plaatsen over de inzet van vrouwen in de kerk spreekt, dat nooit in strijd kan zijn met de inzichten die men aan de zwijgteksten heeft ontleend. De bijbel als Gods woord kan zichzelf niet tegenspreken. ‘In feite vormen de zwijgteksten zo een soort canon binnen de canon. Alle spreken in de Bijbel over de inzet van vrouwen wordt aan deze teksten afgemeten’, (14).

Bij zijn bezinning in 2014 rees bij Niemeijer de vraag, of deze uitleg van de zwijgteksten echt wel zo helder en eenduidig was. Want als je de bijbel echt heilshistorisch wilt lezen, mag je teksten niet als losse en tijdloze teksten gebruiken. Hij zag nu dat de zwijgteksten toch vaak zo gelezen zijn, zonder oog voor de situatie waarin ze geschreven werden en zonder de context van de teksten in rekening te brengen.

Zo kwam hij tot de conclusie, dat hij niet rechttoe rechtaan gelezen had wat er ‘gewoon staat’, maar dat hij ongemerkt heel wat keuzes maakte en knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest. Niemeijer geeft bij zijn lezing van 1 Timoteüs 2 zo’n 11 keuzemomenten, waarvan de belangrijkste zijn, dat het daar niet specifiek gaat over m/v en het ambt, maar over m/v en de samenleving, en dat het niet gaat over de positie van de vrouw ten opzichte van alle mannen, maar specifiek ten opzichte van de eigen man in het huwelijk. Zo werd hem duidelijk:

Ik kan de uitleg die ik aanhing, dus niet meer betitelen als: dit is het Woord van God. Het was mijn uitleg ervan’, (22).

Wanneer hij nadenkt hoe het komt, dat de klassieke exegese zo lang stand gehouden heeft, ziet hij dat dit vooral ‘samenhangt met de plaats die de vrouw in onze samenleving had. In heel de samenleving ja, en niet alleen in de kerk’, (22).

De klassieke exegese en het spreken over verschillende levenstaken van man en vrouw passen heel goed bij een samenleving, waarin de vrouw nauwelijks rechten had en waarbij vrouwen niet actief in de samenleving participeerden, met als gevolg dat deze exegese niet door de praktijk op houdbaarheid werd beproefd.

Daarnaast kwamen pleidooien voor de rechten van de vrouw vaak op uit een puur werelds denken dat geen rekening wilde houden met het christelijke verleden. ‘In deze context was emancipatie per definitie verdacht en werd de ‘onderdanigheid’ van de vrouw kenmerk van het onverkort vasthouden aan goede waarden’, (22).

 

  1. Nieuwe hermeneutiek?

Tegenstanders van de vrouw in het ambt wijzen een andere interpretatie van de zwijgteksten af, omdat die zou voortkomen uit het gebruik van een andere hermeneutiek.

Niemeijer houdt daartegenover staande, dat hij tot zijn inzichten gekomen is door dezelfde regels op de bijbel toe te passen als in de traditionele hermeneutiek gebruikelijk was. Wel heeft hij meer oog gekregen voor de kant van de ontvanger: ‘wat er aan onze kant van belang is om de boodschap goed op te vangen’, (26). Deze kant kreeg in het verleden veel minder methodische aandacht.

In de nieuwere hermeneutiek is veel meer oog voor alle obstakels en vertekeningen bij de lezer. Ons schepsel-zijn (dat beperkt is), ons zondaar-zijn en ons zelfbeeld kunnen het verstaan van de bijbel in de weg zitten:

Ben ik voor de vrouw in het ambt of ertegen, dat beïnvloedt al gauw wat ik in teksten lees. Ik heb zomaar de neiging om teksten uit te leggen naar wat ik erin wil (!) horen’, (27).

Behalve ons zelfbeeld is volgens Niemeijer ook ons wereldbeeld of onze cultuur van invloed op hoe wij teksten lezen:

Lees bijvoorbeeld 1 Korintiërs 11 over wat een vrouw om haar hoofd moet hebben eens in onze cultuur en in die waar de hoofddoek nu nog normaal is  en het afdoen ervan ondenkbaar [= b.v. in een moslimcultuur, FP). Welke boodschap heeft Paulus voor onze vrouwen en welke voor die vrouwen met hoofddoek?’, (28).

Tenslotte speelt ook de scherpte van de bril waarover we beschikken een rol. Wij hebben meer zicht gekregen op bepaalde punten. ‘Soms gaan ineens je ogen open voor dingen die je voorheen niet zag en soms ook niet kon zien. Want Gods Woord is volmaakt en helder, maar onze bril is dat niet en ons gehoorapparaat staat wel eens verkeerd afgesteld’, (29).

Zo zijn onze ogen geopend voor factoren die ons verstaan belemmeren en hebben we geleerd om kritisch te zijn op ons zelf: ‘Niet kritisch op de Bijbel, maar op je eigen verstaan’, (35).

 

  1. De zgn. zwijgteksten

Paulus verbiedt in 1 Timoteüs 2 ‘vrouwen een/de man (enkelvoud) te onderwijzen en (en niet: of!) gezag over hem te oefenen. Ze moeten zich gehoorzaam en bescheiden laten onderwijzen’, (36).

Dit is geen absoluut verbod aan vrouwen om onderwijs te geven, want in Kolossenzen 3 krijgen vrouwen immers juist ‘de opdracht te leren en terecht te wijzen’, terwijl Paulus in Romeinen 16 spreekt over kerkleden ‘die de gaven hebben te onderwijzen en die gave moeten gebruiken’, (36). In 1 Timoteüs 2 verbiedt Paulus wel ‘een leren dat in strijd is met de geëiste bescheidenheid en gehoorzaamheid’. Dat betekent: ‘Als een vrouw geroepen wordt om ‘ambtelijk’ te leren, is dat niet als zodanig onbescheiden of ongeordend’, (37). Want: ‘Een vrouw die vanuit het Woord van God leert: zou dat verboden zijn?!’, (37).

Zij mag het, – net zomin als een man -,  niet op een ‘verkeerde’ wijze doen, d.w.z. op een wijze die niet strookt met Efeziërs 5:21-33: ‘de mannen moeten zich richting hun vrouwen met liefde en dus ‘zonder wrok en onenigheid’ opstellen en de vrouwen moeten met respect voor hun mannen zich opstellen, overal’. Wanneer mannen en vrouwen elkaar aanspreken en Gods weg wijzen, moet dat hun houding zijn, zegt 1 Timoteüs 2:

Bescheidenheid en dienstbaarheid hoort dan de toon te zetten: zowel bij mannen (geen wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (geen bazig leren)’, (37).

Belangrijk is namelijk te weten, dat het ‘onderwijzen’ en ‘gezag oefenen’ een hendiadys vormen. D.w.z. een stijlfiguur die niet twee losse acties omvatten, maar een omschrijving zijn van één bepaald optreden, waarbij het ‘gezag oefenen’ [in het grieks ‘authentein’, FP] aangeeft hoe er onderwezen wordt. Gezien context en woordgebruik moet dit ‘authentein’ opgevat worden als ‘autoritair, betweterig, onbescheiden’: ‘het gaat om vrouwen die hun eigen man publiek ‘de les lezen’. Dat is het leren wat Paulus hier aan vrouwen verbiedt’, (38).

Dat het om zulk ‘hautain leren’ gaat blijkt uit de eerdere aanduiding van deze vrouwen in vers 9 en 11: ‘Het gaat om vrouwen die zich blijkens de tekst (!) in kleding en make-up opzichtig presenteren en die ‘onderwijzen’, terwijl ze zelf nog heel wat onderwijs nodig hebben’, (38).

Paulus waarschuwt vrouwen dat als ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren. Daarom verwijst hij ook naar Genesis 2 en 3:

Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man: ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Dat doe je thuis niet, dat doe je ook in de samenkomsten of in de kerk niet. Dat doe je zelfs daarbuiten niet. Je trekt in heel je leven, waar dan ook, als man en vrouw samen op’, (38-39).

Op de zelfde manier argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook in 1 Korintiërs niet aan de orde. Daar gaat het over het verloop van de erediensten, (39).

De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk honoreert, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is:

Een vrouw die los van haar man wil opereren, is haar hoofd kwijt: een kip zonder kop. Een man die denkt dat hij zijn ambtelijk werk kan doen volkomen los van zijn vrouw, vergeet wat hij in zijn vrouw aan unieke hulp van de Here ontvangen heeft’, (40).

Op deze manier kunnen ook vrouwen aan het maatschappelijke en het kerkelijk leven meedoen. In het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen, (40).

Niemeijers conclusie is, dat deze interpretatie van de zwijgteksten ‘recht doet aan het blijvende gezag van die teksten zonder dat het zusters van de ambten uitsluit’, (41).

 

  1. Scheppingsorde bij Paulus

Zijn visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden.

Niemeijer ging uit van de klassieke opvatting, dat God de mens geschapen heeft met een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw. De man is eerst geschapen, daarna de vrouw, waarbij de man het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Kortom:  ‘de man heeft de leiding, en daartoe beperkte ik de scheppingsorde ook’, (42). Maar is dit wel de visie van Paulus in Efeziërs 5, in 1 Timoteüs 2 en in 1 Korintiërs 11?

Als je denkt dat de kernboodschap van Efeziërs 5:22-33 een pleidooi voor een gezagsrelatie in onderdanigheid voor de vrouw is, dan is het begin van deze perikoop niet goed uit leggen: ‘wees elkaar onderdanig’:

Als je in ‘onderdanig’ een gezagsrelatie veronderstelt, hoe verhoudt zich dan het onderdanig zijn c.q. ontzag hebben van de vrouw jegens de man tot dat wederzijdse onderdanig zijn, ontzag hebben?’, (43).

Rekening houdend met de context waarbinnen Paulus schrijft en argumenteert, zul je echter moeten erkennen dat het geen situatie is, waarin het hoofd-zijn van de man omstreden was. In tegendeel: de samenleving was sterk hiërarchisch georganiseerd, waarbij mannen zich ‘verregaande vrijheden veroorloofden in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omgingen’. Paulus had niet te maken met een samenleving die genderneutraal wilde zijn.

Daarom is het veel aannemelijker, dat Paulus in die situatie van een ontaard huwelijksleven ‘de eenheid en verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk’ accentueert en hen oproept voor elkaar ontzag te hebben:

Jullie, mannen, moeten je vrouw niet domineren of als voetveeg gebruiken, maar liefhebben, en jullie vrouwen, moeten het gedrag van je man niet accepteren, maar jullie moeten ook je man niet verachten. Je moet ontzag voor je man aan de dag leggen, zijn positie zien en hem van daaruit aanspreken en trouw zijn’, (43-44).

Paulus wil niet het onderscheid van man en vrouw of de leidinggevende positie van de man benadrukken. Hij gaat uit van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man en roept op om zo elkaar te honoreren. ‘Dit is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één’, (44).

Paulus benadrukt dit ook in 1 Korintiërs 11: ‘De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Je bent onderscheiden en hoort zo bij elkaar. Vermeng man- en vrouw-zijn niet met elkaar, maak  je niet aan elkaar gelijk, want je bent geroepen om elkaar aan te vullen en zo een éénheid te vormen’, (45).

Kun je dan uit het ‘verschil in positie’ concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt? Dat is dezelfde vraag als: Kunnen kinderen geen ambt bekleden als hun ouders nog leven, of kunnen knechten of werknemers geen ouderling worden in een gemeente waar ook hun bazen of werkgevers lid zijn? Geldt hier niet veeleer wat Paulus in Galaten 3  zegt, dat man en vrouw, slaaf en vrije, barbaar en Scyth in Christus één zijn? Kwamen Debora en Priscilla echt in strijd met de scheppingsorde? (47).

Als Paulus spreekt over de verhouding man en vrouw zet hij dus niet zozeer in op het onderscheid of hun eigenstandige positie, maar juist op hun eenheid en verbondenheid. Om dat te benadrukken doet hij een beroep op Genesis 2:

Het is vooral gericht op het stimuleren van de eenheid en verbondenheid van man en vrouw over de hele linie van hun leven. Laten ze ervoor waken zich van elkaar te distantiëren of zich tegen elkaar te laten uitspelen’, (49).

 

  1. Patriarchaat is geen bijbelse norm

Niemeijer laat in hoofdstuk 5 zien, dat de bijbel veel minder vrouw-onvriendelijk is als wel wordt gedacht. Het gelijkheidsdenken van vandaag is wat hem betreft niet superieur aan de bijbelse moraal. De rivaliteit tussen de seksen is niet Gods oorspronkelijke opzet, maar het gevolg van de zondeval. God heeft man en vrouw geschapen ‘met één taak, in opperste kwetsbaarheid (naakt) en zonder een spiertje angst voor elkaar’, (50).

Belangrijk is om te beseffen dat de bijbel een boek is met een ontstaansgeschiedenis en geschreven is in èn voor een bepaalde tijd. Ook de door God gegeven leefregels zijn niet tijdloos. God ‘neemt concrete, toen levende mensen, aan de hand, in hun omstandigheden en hun culturele setting’, (51).

Tegelijk spreekt God ons in onze tijd aan:

Om naar deze God te luisteren hoeven we ons niet los te maken uit ons concrete bestaan en ons naar ijle hoogten te laten meevoeren, we mogen zijn Woord in onze eigen werkelijkheid aanhoren en toepassen. .. [Z]ijn Geest neemt de eigenheid van mensen en tijden niet weg, maar werkt juist vernieuwend in levensechte mensen en in concrete situaties’, (52).

Dat betekent dat de wet van Mozes toen werd gegeven aan mensen in de verworden patriarchale cultuur van toen, die God van binnenuit wilde vernieuwen en verlossen. Gods Woord legt ‘de hoorder geen onwerkelijk en niet te dragen juk aan idealen uit een ander cultuur en tijd op, maar neemt hem aan de hand om stap voor stap verder te komen op de weg van God. Zo werkt Gods pedagogie (Calvijn), (52).

Zo wordt in het Oude Testament in die patriarchale cultuur, ‘zonder dat de man de positie en verantwoordelijkheid die hij vanaf het paradijs heeft wordt afgenomen’ de vrouw gerespecteerd. In tegenstelling tot de omringende volken wordt de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. Ook laat het Oude Testament zien hoe mannen door vrouwen worden aangesproken en gecorrigeerd, (53-54).

In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven ‘mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten’, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is, (55).

De conclusie van Niemeijer is, dat de Here de mannencultuur van het oude Oosten serieus neemt en die niet revolutionair omkeert, maar er zich ook niet door laat gijzelen of ophouden en een duidelijke richting daarin wijst: ‘Je ziet hoe de Here patronen aan het doorbreken is en hoe Hij op een voor die tijd begrijpelijke manier uit is op iets anders dan een mannencultuur. Tegelijk handhaaft hij de hoge roeping van de man’, (55-56).

 

  1. Geen gelijkheidsdenken

Afstand nemen van patriarchale patronen betekent volgens Niemeijer niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken.

In het Oude Testament zijn vrouwen geen priesteressen, zoals in de omringende culturen wel. Terwijl daar ook allerlei vrouwvriendelijke bepalingen gelden, die niet in de wet van Mozes overgenomen zijn. Net zomin als de apostelen ook niet bepaalde vrouwenrechten en gewoontes, die wij als vrouwvriendelijk zien, overnemen.

Paulus schrijft in Rom. 12:2 dat christenen op hun hoede moeten zijn voor een werelds denken:

Zoals Christus in het vrouwonvriendelijke Israël juist heel positief met vrouwen omgaat, zien we de apostelen afstand nemen van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. De bijbel is nooit slaaf van een cultuur, maar spreekt er altijd kritisch en bevrijdend op in’, (58).

Die orde van God wordt zichtbaar in het huwelijk, waarin man en vrouw elkaars leven delen zonder dat dat ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie:

In hoeveel man en vrouw ook samen en gelijk op delen (Hand. 2:17-21; Gal. 3:28; 1 Petr. 3:7), in het huwelijk hebben en houden ze hun eigen plek waarbij mannen hun vrouw niet moeten domineren of volkomen vrijlaten maar liefhebben, en waarin vrouwen niet naar de eerste plaats moeten streven maar de van God ontvangen positie van hun man moeten erkennen (Ef. 5): samengaan zonder rivaliteit en overheersingsdrang en zonder onverbondenheid’, (59).

Volgens Niemeijer wordt die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over m/v en ambt wel eens vergeten: ‘Bijvoorbeeld wanneer vanuit het gelijkelijk delen in de Geest rechtstreeks wordt geconcludeerd tot het gelijkelijk delen in het ambt’, (59).[ii]

In het denken over man, vrouw en ambt moeten we recht blijven doen aan de geordende positie die man en vrouw in het huwelijk van God ontvangen hebben. Het hedendaagse gelijkheidsdenken, dat puur individualistisch is, heeft – ‘hoezeer het ons als kerk ook beschamen kan’ – te weinig oog voor het huwelijksverbond dat God gegeven heeft: ‘niet als twee dezelfde mensen, maar juist als twee verschillende mensen die niettemin één zijn’, (61).

 

  1. Vrouw en ambt

Wanneer zwijgteksten niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, wat kunnen wij dan positief over de inschakeling van vrouwen in de kerk zeggen?

Volgens Niemeijer is er vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je er alleen via een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKv-synode in 2017. Volgens hem geen dwingende, maar hij vraagt wel om te overwegen of die binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen past.

Hij vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de toenmalige schrift als het ging om de vraag, of en hoe heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten ‘letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt’. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg. Dat is ‘de regie van de Geest’: ‘Erken zijn beleid. Heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont’. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Zo mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen om in de kerk te dienen. Gaven die ‘in de bijbel positief getaxeerd en in praktijk gebracht moeten worden, en die als mannen erover beschikken, hen geschikt maken voor het ambt’. Gaven als onderwijzen en leiding geven.

Ook al waren begaafde en leidinggevende vrouwen eeuwenlang uitzondering, mag je als die gaven nu steeds meer bij vrouwen voorkomen, daar dan niet een gave van de Geest inzien?

Zo niet, wat zijn het dan: verleidingen, testen of wij het ambt wel gesloten houden voor vrouwen? Maar als het wel gaven van de Geest zijn, welke belemmering is er dan om het beleid van de Geest te volgen en zulke begaafde vrouwen in te zetten?’, (64).

Pinksteren betekent de vervulling van het verlangen van Mozes, dat heel het volk oudste en profeet zou kunnen zijn. Wanneer in Handelingen heel het volk deelt in de Geest, betekent dat niet automatisch dat iedereen oudste kan worden. Men moet er wel de gave voor hebben en voldoende bekwaam en betrouwbaar zijn. Maar als vrouwen die gaven hebbe, is het vrouw-zijn op zichzelf volgens Niemeijer geen redenen om vrouwen van het ambt uit te sluiten:

Er is, lijkt me, ruimte om te discussiëren over de gedachte dat de vrouw na en vanwege Pinksteren niet buiten het ambt gehouden hoeft te worden, zolang tenminste recht wordt gedaan aan de verbondenheid van de man en vrouw in het huwelijk’, (67).

En voegt hij er aan toe: ‘Ook wie deze gedachte niet overtuigend vindt, kan volgens mij niet ontkennen dat ze wel binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt’, (67).

 

  1. Tegenargumenten

Niemeijer bespreekt ook kort enkele tegenargumenten. O.a. dat het priesterschap een exclusief mannelijke zaak is. Dat is wel onder het oude verbond zo, maar in het Nieuwe Testament worden alle kerkleden priesters genoemd. Wij leven onder het nieuwe verbond, waar de verzoening wordt uitgedeeld via de verkondiging van het evangelie. Toch wil Paulus geen exclusieve positie voor de apostelen en ambtsdragers claimen, alsof zij over de uitdeling van het heil zouden beschikken.

Verwant hiermee is het beroep op het feit, dat Jezus twaalf mannen als leerlingen koos. Niemeijer noemt het ‘een vaak aangevoerd en sterk argument’. Toch is het de vraag, of ‘de handelwijze van Christus (en Paulus) aan de andere kant een verbod op vrouwelijke ambtsdragers’ is. Dat komt, omdat het ‘sowieso al lastig [is] om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’:

Niet alles wat God op enig moment doet, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag’, (72).

Als God aan David de vrouwen van Saul geeft, keurt hij dan polygamie goed? Als de Here slavernij laat bestaan, betekent dat hij zijn goedkeuring daaraan geeft? Je kunt uit Gods handelen in concrete situaties ook te veel willen afleiden:

Zie je in de Bijbel niet steeds dat God oog heeft voor de concrete praktijk op dat moment en in zijn leiding van zijn volk daarop niet onkritisch maar ook niet revolutionair ingaat?’, (72).

Daar komt bij, dat het nog geen Pinksteren was geweest. Kun je uit Christus’ optreden dus een verbod voor alle tijden afleiden?

Belangrijk is het om te zien, dat het bij de tegenargumenten vooral gaat om minder direct schriftgebruik en meer afgeleide redeneringen. Over de kracht daarvan kun je van mening verschillen: ‘Laten we dus uitkijken voor te grote woorden naar de ene of naar de andere kant. Zo simpel ligt het allemaal niet’, (72).

 

  1. Hoe ga je om met verschil in visie?

Niemeijer benadrukt dat m/v en ambt vooral een kerkordelijke zaak over de inrichting van de kerk is:

Niet het evangelie is in het geding, maar de ordening van het kerkelijk leven. Daarbij moet je wel rechtdoen aan Gods Woord, maar de Bijbel levert daarvoor geen blauwdruk of uniek model’, (73).

Daarom moeten we volgens hem ook ‘niet te snel roepen dat de ander in strijd komt met het woord van God. We hoeven de ander zelfs niet te overtuigen (Rom. 14:1)’, (75).

Belangrijk is dat wij ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag:

[A]ls er op die wijze een beleidsmatige knoop moet worden doorgehakt met het oog op een geordende kerkelijke praktijk, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten’, (77).

Daarom kun je binnen het kerkverband het ook dragen als een andere kerk een andere geordende praktijk heeft en de vrouw in het ambt invoert. Je bent als zusterkerk daar niet verantwoordelijk voor, zolang die kerkenraad de ambtelijke dienst binnen rechtsgeldige kaders heeft ingericht. Ook kun je blijven meewerken aan handelingen op een classis, ook al hebben die betrekking op de ambtelijke dienst van zusters.

Niemeijers voornaamste conclusie is dan ook: ‘Daarom moeten de aangevoerde en nog aan te voeren argumenten pro en contra de vrouw en het ambt vanuit de Schrift en met eerbiediging van haar goddelijk gezag worden afgewogen, waarbij we ons open en eerlijk en zonder dreiging van vertrek of manipulatie opstellen en bereid zijn zo nodig in te schikken hetzij naar de ene hetzij naar de andere kant’, (81).

Niemeijer eindigt met de opmerking, dat ‘zij die uiteindelijk geen ruimte zien voor de vrouw in het ambt, hoeven niet te volstaan met alles bij het oude te laten. En zij die vóór de vrouw in het ambt zijn, moeten niet doen alsof een onbeperkte opening van de ambten de enige mogelijkheid is’, (82). Ook mogelijk is alleen het diakenambt openstellen, een kleine raad van mannelijke oudsten, ambtsdragersechtparen, het laten spreken van een opbouwend woord, tot ook het ambt voor ouderling dan wel ook voor predikant voor vrouwen openstellen.

 

[i] Voor een bespreking van het boekje verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/02/een-andere-visie-op-m-v-en-ambt/

[ii] Met een verwijzing naar de bijdragen in de bundel Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, (ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016), waar zo geredeneerd zou worden.

 

Pieter Niemeijer over m/v en kerk

Pieter Niemeijer heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKv over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt. Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn verhaal.

Dat de bundel opstellen uitkomt bij een uitgeverij, waarvan de betrokkenen tot nu toe zeer afwijzend staan tegenover vrouwelijke ambtsdragers in de GKV [ii], beschouw ik als een teken van bereidheid om het inhoudelijke gesprek over m/v in de kerk aan te gaan.

In 2005 was Niemeijer voorzitter van de GKv-synode die de opdracht gaf voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’. De bezinning die toen op gang is gekomen heeft uiteindelijk in 2017 geresulteerd in het besluit om het ambt voor de vrouw in de GKv open te stellen.

Destijds waren er al verschillende geluiden hierover te horen. Enerzijds een huiver om het onderwerp op te pakken: ‘Laten we niet zwichten voor de druk van de publieke opinie. Hoe wij ertegen aan kijken stoelt op een eeuwenlange overtuiging.’ Anderen pleitten voor een ‘open mind’: ‘Laten we ervoor waken dat opvattingen die niet stroken met die we hadden niet op voorhand afgedaan worden met de kritiek: niet schriftgetrouw.

Bij de instelling van dat deputaatschap zei Niemeijer dat een bezinning op m/v en de kerk gerechtvaardigd was, mits die zich binnen schriftuurlijke kaders zou voltrekken: ‘Er wordt in kaart gebracht hoe het Woord van God en de praktijk zich tot elkaar verhouden. Dat is eerlijk en noodzakelijk. De tweede opdracht behelst dat we uit zijn op ‘een goed onderbouwd schriftuurlijk antwoord’. Schriftuurlijk: dat is de norm en het anker.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn resultaat van het overdenken van deze vraag. Daarom houdt hij in een uitgebreide bespreking de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten tegen het licht. Ook gaat hij in op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open en schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

In een uitgebreidere vervolgblog zal ik binnenkort op zijn bijdrage in het m/v-gesprek ingaan.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Uitgeverij Woord en Wereld geeft naast de serie ‘Cahiers tot versterking van het gereformeerde leven’ ook het maandblad Nader Bekeken uit. Een aantal leden van het Stichtingsbestuur van de uitgeverij is actief betrokken bij de website www.bezinningmvea.nl, een platform van verontruste GKV’ers over het besluit in 2017 om vrouwen tot het ambt toe te laten.