Paradoxaal

Willie Roskam-Kroeze is politica voor de ChristenUnie geweest, raadslid en wethouder in de gemeente Hellendoorn. Ze was altijd vrijgemaakt, maar is sinds kort overgegaan naar de CGK. Ze heeft namelijk onoverkomelijke bezwaren tegen het besluit in de GKv om vrouwen toe te laten in het ambt van ouderling en predikant. In de Trouw van 23 januari jl.[1] onderbouwt ze haar bezwaren met een beroep op de bijbel als het gezaghebbend Woord van God:

God heeft in de Bijbel de ordening voor zijn kerk gegeven, het lichaam van Christus. Daarin heeft de man de koppositie. Aan hem is het regeerambt en het geestelijk leidinggeven, waar ook tucht bij hoort.

Ze vindt dat God aan vrouwen andere taken in de kerk heeft gegeven, aanvullend aan de man:

Je kunt zoveel mooie dingen doen als vrouw in de kerk. Bidden en bijbel lezen met broeders en zusters. Waarom moeten vrouwen zo nodig op de kansel? Dat is doorgeslagen emancipatie.”

Het merkwaardige is dat ze naar haar zeggen ‘totaal geen spanning’ ervaart tussen haar opvattingen over de vrouw in de kerk en de politiek. Het was voor haar namelijk geen enkel probleem om als vrouwelijke wethouder leiding te geven aan ambtenaren:

De kerk is een instelling van God, de politiek is door mensen georganiseerd. Dat is wezenlijk anders.

Je zou verwachten dat Roskam-Kroeze als christelijke politica beseft dat dit een behoorlijk betwist punt is. De SGP, die andere christelijke partij uit de reformatorische gezindte, was jarenlang principieel tegenstander van vrouwen in de politiek. De bijbelse richtlijnen voor de verhouding van man en vrouw waren ook in de politiek van toepassing. De vrouw werd uitgesloten van het politieke handwerk, zodat ze geen gezag zou uitoefenen over de man. Roskam-Kroeze’s bezwaar tegen vrouwen met een gezagvolle positie in de kerk, zou een SGP-er moeiteloos van toepassing achten op haar bijdrage aan de CU en de politiek: ‘Waarom moeten vrouwen zo nodig in de politiek? Dat is doorgeslagen emancipatie.

In een eerdere blog heb ik laten zien dat het argument van ‘doorgeslagen emancipatie’ in het verleden regelmatig rond ‘vrouwenzaken’ in stelling is gebracht.[2] Ik heb dat geduid in het kader van het spanningsveld tussen de bijbel en de moderniteit.

Er zit iets paradoxaals in de visie van Roskam-Kroeze. Ze gebruikt de bijbel als argument tegen wat zij ziet als uiting van de moderniteit, namelijk de gelijkheid van man en vrouw in de kerk. Tegelijk aanvaardt zij probleemloos de differentiering en privatisering, die met de moderne samenleving gegeven is. De bijbelse visie op de verhouding van man en vrouw geldt wel in de kerk (en ik vermoed in haar visie ook voor het huwelijk), maar niet in de politiek (en de rest van de samenleving (?)). In haar optiek is dat iets ‘wezenlijk anders’.

Voor mij blijft het een raadsel dat tegenstanders van de vrouw in het ambt de inconsistentie in hun bijbelgebruik en visie niet doorzien. Zowel een beroep doen op de scheppingsorde als algemeen principe om de ongelijkheid van man en vrouw te legitimeren en praktisch gezien zonder problemen die veronderstelde scheppingsorde in grote delen van de samenleving buiten spel zetten.

Kennelijk omdat er wel een bijbels voorschrift is dat de vrouw in de kerk moet zwijgen en er niet expliciet in de bijbel staat dat ze ook in de politiek geen gezag over de man mag voeren. Hoewel dat laatste in de toenmalige samenleving ook not done was.

Wie een betere verklaring voor deze inconsistentie heeft, mag het zeggen.


[1] In het artikel van Maaike van Houten: ‘Komt de derde vrouwengolf bij de orthodoxen eraan?’

[2] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.

Schriftbeschouwing en hermeneutiek in de GKv

Mijn onderzoekspaper over de ontwikkeling van de Schriftbeschouwing en de hermeneutiek in de Gkv (1944-2017), waarbij ik ook inga op de bredere kerkhistorische context: Schriftbeschouwing en hermeneutiek in de GKv (1944-2017).

Als inleiding schets ik de uitgangspositie van de Schriftbeschouwing in de GKv. Eerst ga ik in het op het belang, dat in de Vrijmaking gehecht wordt aan het honoreren van de bijbel als Gods Woord (§2). Vervolgens laat ik zien dat de gereformeerd-vrijgemaakten zich daarin nadrukkelijk erfgenaam voelen van de strijd van de Afscheiding en Doleantie tegen de Schriftkritiek (§3). In aansluiting daarop geef ik in vogelvlucht een theologisch-historisch overzicht van de GKv op het punt van Schriftbeschouwing en hermeneutiek (§4). Dit overzicht plaats ik vervolgens in een breder kerkhistorisch kader als achtergrond voor de ontwikkelingen in de GKv (§5)..

Bijbelgetrouw

Er staat veel op het spel op de GKv synode die nu vergadert. Het gaat niet alleen over hoe je concrete bijbelteksten over de verhouding van de man en vrouw uitlegt, maar ook over de vraag wat je daar vervolgens mee doet. Hoe pas je de gevonden bijbelse inzichten anno 2020 toe?[1]

De vraag waar de synode zich over moet buigen is, of wij met betrekking tot de positie van de vrouw in de kerk op bijbels verantwoorde wijze tot andere keuzes mogen/kunnen komen dan die ons in de traditie zijn overgeleverd. Is er ruimte om van mening te verschillen zonder dat de rode kaart van ontrouw aan Gods woord wordt getrokken? Dat oordeel over het ‘m/v-besluit’ uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten hangt als een zwaard van Damocles boven de synode. Het is de achtergrond van verschillende verzoeken om revisie van dat besluit.[2] Het is ook het oordeel van enkele buitenlandse kerken, die de afgelopen week om die reden de banden met de GKv als zusterkerken verbroken hebben.[3]

In deze blog ga ik in op de historische context van de vraagstelling waar de synode voor staat. Die wordt namelijk bepaald door de worsteling in het spanningsveld tussen bijbel en cultuur, waar de gereformeerde kerken sinds 1900 steeds meer mee te maken hebben gekregen. In het dossier ‘vrouw en kerk’ klinken de hele 20e eeuw door de waarschuwingen tegen de invloed van de tijdgeest, die zich zou uiten in individualisme, emancipatiezucht en gelijkheidsdenken.[4] Hoe verhoud je je als christen tot de moderne samenleving? Is aanvaarden van elementen daaruit in strijd met Gods woord, wanneer in de bijbel de samenleving duidelijk op een andere wijze geordend is dan vandaag? Hoe bepaal en verantwoord je dat?

In het eerste deel geef ik de visie van Herman Bavinck op de verhouding tussen geloof en samenleving weer. In het tweede deel beantwoord ik de vraag hoe je in het dossier ‘vrouw en kerk’ recht doet aan de normativiteit van de bijbel. In het derde deel laat ik zien op welke wijze men in de argumentatie pro en contra het ‘m/v-besluit’ omgaat met de normativiteit van de bijbel, waarna ik eindig met een korte samenvattende conclusie.


  • Herman Bavinck

Dat de vragen rond geloof en samenleving op de gereformeerde agenda zijn komen te staan is grotendeels te danken aan het werk van de 19e– en vroeg 20e-eeuwse gereformeerde theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck. Het doel van Abraham Kuyper was om kerk en theologie in rapport met de tijd te brengen, terwijl de spits van het werk van Herman Bavinck lag in de bezinning op de verhouding tussen ‘het oude geloof en de moderne cultuur, de orthodoxie en de moderniteit.’[5] Ik noem twee publicaties, waarin hij op deze verhouding ingaat.

Allereerst is er zijn rectorale rede van 18 december 1888: ‘De Katholiciteit van Christendom en Kerk.’ Zijn uitgangspunt daarbij is dat ‘het Evangelie een blijde boodschap is, niet slechts voor de enkele mens, maar ook voor de mensheid, voor het gezin en de maatschappij en de staat, voor kunst en voor wetenschap, voor de ganse kosmos, voor heel het zuchtend creatuur.’ Daarom is het geloof algemeen of katholiek: ‘aan geen tijd of plaats, aan geen land of volk gebonden; het kan ingaan in alle toestanden, zich aansluiten aan alle vormen van het natuurlijke leven, het is geschikt voor alle tijden, is tot alle dingen nut, komt te pas onder alle omstandigheden; vrij is het en onafhankelijk, want het bestrijdt niets dan de zonde alleen, en reiniging is er voor alle zonde in het bloed van het kruis.’ Bavinck waarschuwt daarom tegen een piëtistische en ascetische beschouwing van de wereld en haar cultuur en pleit voor ‘een methodisch, organische hervorming van het geheel, van de kosmos, van volk en van land’ en voor ‘een hervorming van het openbare leven naar de eis van Gods Woord.’ In dit alles prijst hij als ideaal ‘het geloof van hem die, het koninkrijk der hemelen als een schat bewarend, het tegelijk indraagt in de wereld, verzekerd dat Hij die voor ons is, meer is dan die tegen ons is, en machtig om ook te midden der wereld ons te bewaren voor het kwaad.’

In 1911 sprak Bavinck een rede uit, waarin hij expliciet de gevoelde tegenstelling tussen ‘Modernisme en orthodoxie’ thematiseert. Nadat hij uitvoerig de ontwikkeling van cultuur en wetenschap in de 19e eeuw beschreven heeft, verbindt hij daar de verwachting aan dat men nog maar aan het begin van een nieuwe ontwikkeling staat: ‘God is bezig, grote dingen in deze tijden te doen.’ Juist op grond van de voorzienigheid van God roept Bavinck zijn toehoorders op om ‘dankbaar en hoopvol de wereld die Hij door de wetenschap ons kennen doet en in wier midden Hij ons een plaats gegeven heeft’ te aanvaarden. Daarom hecht Bavinck ook aan de naam ‘gereformeerd’. Daarin ligt ‘enerzijds opgesloten aansluiting aan het verleden, historische continuïteit, handhaving van de Christelijke belijdenis, zoals ze in de Reformatie overeenkomstig de Heilige Schrift van Roomse dwalingen gezuiverd werd; en anderzijds de eis en de plicht, om naar deze Schriftuurlijke en historische beginselen leer en leven van eigen persoon en gezin, en voorts van onze ganse omgeving voortdurend te herzien. Reformati quia reformandi en omgekeerd.’

Als grond voor deze aanvaarding van de moderne cultuur verwijst Bavinck net als in zijn rede over ‘De katholiciteit van Christendom en Kerk’ naar ‘de eenheid van God, dat is de eenheid van de God van de natuur en van de God van de genade’:  ‘De Schepper van hemel en aarde, in wie alle schepselen leven en zich bewegen en zijn, die onvergelijkelijk, onbegrijpelijk, oneindig en eeuwig is, Hij is tevens de Vader van onzen Heere Jezus Christus en in Hem de Vader van al zijn kinderen.’ Daarom kan er geen scheiding zijn tussen wereld en kerk, wetenschap en geloof, of geloof en leven.

Voor de christen betekent de aanvaarding van de moderne cultuur de roeping om ‘tegenover de ontzaglijke problemen waar de wetenschap en het leven ons voor plaatsen’, de katholiciteit van het christendom te bewijzen door te laten zien dat het evangelie ‘een woord is voor alle volken, tijden en toestanden.’ Met al de hulpmiddelen, die de wetenschap en de cultuur ons ten dienste stellen, hebben wij de waarheid van God in zijn algemene openbaring in geschiedenis en natuur en bijzondere openbaring in de Heilige Schrift te leren verstaan en tot ons geestelijk eigendom te maken.

Deze visie op de verhouding van geloof en het moderne leven is voor Bavinck zelf een belangrijke motivatie geweest om in zijn latere theologische leven zich uitgebreid te verdiepen in de eigentijdse filosofie, psychologie en pedagogie, om zich actief in te zetten in de politiek en voor het onderwijs, alsmede in de bezinning op de ontwikkelingen in de samenleving. Zo bracht Bavinck ‘steeds dat oude gereformeerde geloof ter sprake, omdat hij ervan overtuigd was dat binnen deze kaders ook in de moderne wereld de weg moest en kon worden gevonden.’[6]


  • Normativiteit  

De vraag die ons vandaag bezighoudt is, hoe je de ontwikkelingen in de moderne samenleving dient te taxeren. De bezinning op die vraag bracht Abraham Kuyper en Herman Bavinck in hun tijd tot een opnieuw doordenken van de Schrift- en openbaringsleer. In zowel kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd formuleerde Bavinck de leer van de ‘organische inspiratie’.[7] Met dit begrip vraagt Bavinck aandacht voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.

Voor het Schriftberoep betekent dit dat rekening moet worden gehouden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis. Ook dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

De bijbel is het middel waardoor God vandaag tot ons spreekt, maar niet het einddoel van zijn openbaring. Ook al bestaat de openbaring voor ons ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, Bavinck’s visie is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.’ Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. In de bedeling van de Geest brengt God zelf door middel van zijn Geest via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.

Met betrekking tot de vraag naar de positie van de vrouw in de bijbel is het daarom belangrijk het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel in rekening te brengen. Bavinck laat zien, dat er onderscheid is tussen het woord van God in formele en in materiële zin, zonder dat deze gescheiden kunnen worden. Rekening houdend met het organisch en historisch geheel van de openbaring zullen het dogma en de levensregels op de Schrift gegrond en daaruit afgeleid moeten worden. De bijbel is geen wetboek. Niet alles wat in de bijbel gezegd, beschreven en voorgeschreven is, heeft het stempel ‘Gods Woord’ als was het onderdeel van een wetboek vol artikelen. De openbaring is gegeven in de vorm van de geschiedenis. Daarom zijn de context, het historische verband en de fase in de heilsgeschiedenis belangrijke parameters om het soortelijk gewicht van de bijbeltekst vast te stellen. Er is een onderscheid tussen historisch en normatief gezag.


  • Pro en contra het ‘m/v-besluit’

In de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ is het zeer verwarrend, dat men met dit onderscheid tussen het historisch en het normatief gezag van de bijbel nauwelijks of geen rekening lijkt te houden.

Dit manco is het meest duidelijk in het oordeel van Anthony Curto, de afgevaardigde van de Orthodox Presbyterian Church uit Amerika, afgelopen week op de synode: ‘In jullie uitspraken lijkt het alsof de Bijbel tegengestelde dingen kan zeggen. Of dat hij voor een bepaalde tijd is geschreven, waarmee je ondermijnt dat de Bijbel waar is voor altijd.’ Maar dit verwijt van onzorgvuldig argumenteren treft ook categorische uitspraken als: ‘De bijbel zegt duidelijk dat God aan man en vrouw een verschillende rol heeft toebedeeld’[8] en ‘Uit het bijbels onderwijs blijkt dat er een onderscheid is tussen mannen en vrouwen, ook als het gaat om de roeping tot het bijzonder ambt.’[9]

Al deze uitspraken hebben alleen geldingskracht, wanneer de voorvraag gesteld en beantwoord is, of datgene wat de bijbel op dit punt historisch gezien leert of uitspreekt ook normatief als Gods woord geduid en zo ons vandaag voorgehouden moet worden. Hoewel de formele en materiële betekenis van de uitdrukking ‘de bijbel is Gods woord’ nauw met elkaar verbonden zijn, moet je in de toepassing van de bijbel je rekenschap geven van de wijze waarop deze beide betekenissen zich tot elkaar verhouden.

Het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, is mede gebaseerd op de rapporten ‘Pijnpunten rond vrouw en ambt’ en ‘Samen dienen’ van deputaten ‘M/V en ambt’. Wat je verder ook van de inhoud van deze rapporten vindt, deputaten hebben zich uitgebreid rekenschap gegeven van de wijze, waarop zij in dit dossier de bijbel gebruiken. Principieel gezien hebben zij het volste recht om reliëf en gelaagdheid aan te brengen in de gegevens, die ze in de bijbel over de positie van de vrouw bijeen hebben gelezen. Dat doen ze bijvoorbeeld in alinea’s als de volgende twee:

In het voorgaande schemerde al even door dat de houding jegens vrouwen wel eens zeer cultuurbepaald geweest zou kunnen zijn. In het Oude Nabije Oosten heerste sowieso een sterk patriarchale cultuur, waarin de vruchtbaarheid (van de vrouw) een centrale kwaliteit vormde. Het is dan ook niet verwonderlijk als de Israëlitische cultuur daar herkenbare trekken van mee krijgt. In dat kader is de vraag van belang of en in hoeverre de geboden van en de omgang met God heilzaam genezend inwerkten op dit aspect van de cultuur.[10]

Wie reflecteert op het beeld dat de Bijbel van vrouwen tekent, komt vroeg of laat onder de indruk van de complexiteit. Dat hangt vooral samen met de dynamiek in Gods openbaring. Het evangelie is een in zichzelf consistent verhaal. Maar het groeit wel procesmatig de wereld in. Het is dus zaak die stapsgewijze voortgang te honoreren; dat wordt in de gereformeerde traditie wel aangeduid als Gods pedagogische progressie. Daarbij is ook nog eens sprake van een zeer wisselende context. Door heel de Bijbel heen is die context herkenbaar, met als gevolg dat het verhaal van de Bijbel van A tot Z cultureel gekleurd is. Dat complex levert in de duiding van de Schriftgegevens ook problemen en uiteraard missers op.[11]

Deputaten laten hier op het punt van de positie van de vrouw in de bijbel zien, wat Bavinck bedoelde met zijn inzicht dat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.[12] Mede op basis daarvan kunnen zij verantwoord de conclusie trekken dat er ‘Schriftuurlijke gronden zijn om vrouwen van de gemeente te roepen tot de dienst van predikant, ouderling en diaken.’


  • Samenvattende conclusie

Het is in de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ gemakkelijk om het predikaat ‘bijbelgetrouw’ te claimen. Wanneer men echter in dat oordeel geen rekening houdt met het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel, leidt dat veeleer tot biblicisme dan tot werkelijke trouw aan de bijbel als Gods woord.


[1] In de hermeneutiek is het onderscheid tussen uitleg en toepassing van wezenlijk belang. Wanneer je aan dit onderscheid voorbij gaat, dan verval je tot biblicisme. Zie voor dit onderscheid en voorbeelden van wat biblicisme is, mijn blog over hermeneutiek: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[2] Voor een analyse en beoordeling van de ingebrachte bezwaren tegen de openstelling van het ambt voor de vrouw zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

[3] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/11/stokkend-gesprek/. Dit oordeel komt m.i. niet alleen voort uit een ander verstaan van de bijbel, zoals dr. Dean Anderson namens de Free Reformed Churches of Australia op de synode naar voren bracht: ‘Als je de Bijbel anders gaat verstaan, heb je opeens een ander geloof en een ander fundament’, maar dit anders verstaan zelf komt voort uit een andere visie op de relatie tussen de bijbel en de openbaring van God. Er is een wisselwerking in de visie op de bijbel en het verstaan van de bijbel. Deze relatie heb ik onderzocht in mijn blog over een beoordeling van het ‘m/v-besluit’ vanuit de Hersteld Hervormde Kerk: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/. Zie ook hierna in deze blog de bespreking van de ‘organische inspiratieleer’, zoals Herman Bavinck deze ontwikkeld heeft.

[4] Van september 2017 t/m maart 2018 heb ik in een groot aantal blogs de exegetische en hermeneutische argumentatie in het dossier ‘vrouw en kerk in de 20e eeuw’ geanalyseerd. Voor een samenvattende conclusie en nabeschouwing, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[5] Zie George Harinck, ‘De gereformeerde spiritualiteit van Herman Bavinck (1854-1921)’, in: H.J. Selderhuis, R. Kuiper, W.J. Ouweneel, G. Harinck, H. Medema, Wandelen met God. Spiritualiteit in de negentiende eeuw, Vaassen: Uitgeverij Medema, 2001, p. 75-94. Citaat op p. 77.

[6] George Harinck, a.w., p. 90. Voor de wijze waarop Herman Bavinck in 1917 de 1e Kamer een pleidooi voerde voor het kiesrecht van de vrouw, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/. Zijn rede heeft hij in 1918 uitgewerkt tot het boek ‘De vrouw in de hedendaagsche maatschappij’, waarin hij zich op het punt van de emancipatie van de vrouw sterk progressief betoonde. Het meest opmerkelijke is dat hij daarin een voor zijn tijd ongekende en ruimhartige verdediging biedt van het vrouwenkiesrecht in de kerk. Voor het boek en de reacties daarop, zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 260-262.

[7] Voor een schets van de organische inspiratieleer van Herman Bavinck met verwijzing naar zijn Dogmatiek, zie mijn al genoemde blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/, onder par. 2.3. ‘Openbaring’, waar ik hier deels uit put.

[8] Ds. J.J. Schreuder op de synode van 2005 bij de instelling van het deputaatschap dat onderzoek moet gaan doen naar de positie van de vrouw in de kerk.

[9] ‘Appèl’ op de GS Goes 2020 van de Kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ in ‘Open brief’ d.d. 14 december 2019. Zie over dit ‘Appèl’ mijn blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/ en https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.  

[10] Deputaten ‘M/V en ambt’, Samen dienen. Rapport aan de GS Meppel 2017, p. 10.

[11] Idem, a.w., p. 11.

[12] In eerdere blogs heb ik ook aandacht geschonken aan de bijbelse patriarchale cultuur en op soortgelijke wijze als deputaten beargumenteerd, dat wanneer God zich in zijn openbaring aansluit bij de patriarchale cultuur, dit niet impliceert dat die cultuur zelf ook door God normatief verklaard is, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/patriarchale-cultuur/, alsmede https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/06/gods-gebod-en-de-cultuur/.

Over ´gelijkheidsideologie´

De kerk positioneren als een bolwerk en veilige haven tegen de gelijkheidsideologie die in de wereld rondwaart. Dat is waar het Appèl van de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ de GS Goes 2020 toe oproept.[1]

In deze blog wil ik eerst de achtergrond van de term ‘gelijkheidsideologie’ schetsen, (§1). Vervolgens laat ik zien, dat in het Appèl een argumentatiestrategie ingezet wordt, die vaker toegepast is. Ontwikkelingen in de samenleving als ‘onbijbels’ duiden en dat vervolgens als principieel argument in het debat in te brengen, (§2). Daarna geef ik een voorbeeld uit de gereformeerde traditie waarin maatschappelijke ontwikkelingen als democratie en vrouwenkiesrecht, die eerst negatief en als niet-bijbels geduid en afgewezen werden, in latere instantie acceptabel werden en vandaag de dag als een positieve verworvenheid gezien worden, (§3). Tenslotte eindig ik met de conclusie over de kwestie van ´vrouw en ambt´, dat het daarin vooral gaat om de vraag naar de relatie tussen kerk en wereld en hoe wij bijbelse instellingen en normen in het tijdperk van de moderniteit zullen vormgeven, (§4).

  • §1.  ‘Gelijkheidsideologie’ versus ‘gelijkheidsbeginsel’

Het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ is in orthodox-gereformeerde kring met name in zwang geraakt in de jaren ‘80 van de 20e eeuw rond de invoering van de Algemene Wet Gelijke Behandeling, die als doel had het gelijkheidsbeginsel zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken,[2] Sindsdien bekritiseren woordvoerders uit orthodox-gereformeerde kring de door hen ongewenste visies op emancipatie, de economische zelfstandigheid van vrouwen, het homohuwelijk, adoptie voor lesbische en homostellen, de basisvorming in het onderwijs, de SGP en het vrouwenkiesrecht, bezwaarde trouwambtenaren, de ‘Nashville’-verklaring, etc, als voorbeelden van ‘gelijkheidsideologie’, vaak ook nog voorafgegaan met het adjectief ‘doorgeslagen’, ‘verabsoluteerde’, ‘seculiere’ of ‘anti-christelijke’. Het is een sjibbolet dat functioneert op de manier van een gekuist scheldwoord.

Met name in de reformatorische gezindte wordt er ook gewaarschuwd dat deze ´gelijkheidsideologie´ steeds verder wordt uitgerold over Nederland, waarbij men er op wijst dat er steeds minder begrip is voor christenen die op grond van hun uitleg van de bijbel anders denken over de positie van de vrouw en kwesties rond gender.

Met het gebruik van de term ‘gelijkheidsideologie’ stelt de bezinningsgroep ‘M/V en ambt’ dat het toelaten van de vrouw in het ambt voortkomt uit bijbels niet te verantwoorden motieven en de invloed is van ‘werelds’ denken. Deze stelling wordt ondersteund met de oproep om ‘culturele ontwikkelingen’ niet als leidraad bij de bezinning te nemen en deze te bekleden met bijbelse argumenten.  

  • §2.  ‘Individualisme’ en ‘emancipatiezucht’

Waar vandaag de term ‘gelijkheidsideologie’ wordt ingezet om een pleidooi voor de vrouw in het ambt van een negatief stempel te voorzien, waren in het verleden de begrippen ‘individualisme’ en ‘emancipatie’ de geijkte termen om de vrouw in de haar ondergeschikte positie aan de man te houden.

 In 1993 voelde de synode zich gedrongen, in een poging om dergelijke oordelen voor te zijn, haar besluit om vrouwen het stemrecht te geven o.a. te verdedigen met de uitspraak dat ‘het toekennen van stemrecht aan de zusters geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk is, en daarom niet beoordeeld moet worden als een knieval voor verkeerde emancipatiezucht.’

Ruim 60 jaar daarvoor, in 1927, wijst de meerderheid van deputaten het vrouwenkiesrecht juist af met een beroep op Paulus die ook de emancipatiezucht van de christelijke vrouwen uit zijn tijd afgekeurd zou hebben. Men acht de invoering van het vrouwenkiesrecht niet raadzaam, omdat ‘dit vrouwenstemrecht onder de tegenwoordige tijdsomstandigheden niet zonder gevaar zou wezen met het oog op de onchristelijke emancipatiebeweging, die zich tegen de ordinantie Gods keert.’[3]

Toch klonk toen op de synode ook de tegenstem van ds. C. Lindeboom die deze redenering ter discussie stelde:

‘Gaat het dus in ’t algemeen niet aan, aan de tijdsomstandigheden motief te ontlenen om aan de vrouw dit recht te onthouden, in het bijzonder moet worden afgewezen het verband, dat gelegd wordt tusschen „de onchristelijke emancipatie-beweging, die zich tegen de ordinantlën Gods keert” èn het pleiten voor de medewerking der vrouwelijke kerkleden aan de verkiezing van ambtsdragers.’[4]

Interessant voor de m/v-discussie vandaag is het argument dat hij aanvoert. Hij is van mening dat het motief voor het vrouwenkiesrecht ten onrechte verbonden wordt met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit recht van de vrouw juist voortkomt uit het deel hebben aan de zalving van Christus:

‘Niet alleen heeft de z.g, emancipatie-zucht slechts in schijn enige gelijkenis met de eis om de vrouwelijke kerkleden niet langer van die medewerking uit te sluiten, wijl die eis uit een gans ander beginsel opkomt en een gans ander doel heeft, maar ook wordt die eis juist gesteld op grond van de ordinantie Gods, gelijk die uitkomt in de roeping der vrouw tot het ambt aller gelovigen.‘[5]

  • §3.   Algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht

In november 1917 wordt het algemeen kiesrecht wettelijk in de Grondwet vastgelegd. Twee jaar later wordt bij wet aan vrouwen naast het passief kiesrecht ook het actief kiesrecht toegekend. In de bespreking van het wetsvoorstel in de 1e Kamer heeft de theoloog Herman Bavinck een opmerkelijke rede gehouden, die binnen en buiten de Kamer grote indruk maakte.[6]

Bavinck begint met te schetsen hoe het algemeen kiesrecht wortelt in het individualisme van de 18e eeuw. Daarom is zijn oordeel: ‘dat algemeen stemrecht, dat op die manier wortelt in het individualisme en als men het verder zoekt in het deïsme van de 18de eeuw, lijdt aan tal van gebreken, en er is bijna niets goeds van te zeggen, want het abstraheert van alles, wat er aan onderscheid in de maatschappij tot stand is gekomen.’

In dit oordeel horen we de visie van Groen van Prinsterer doorklinken, die ‘tegenover de revolutie het evangelie’ plaatste en de Grondwetsherziening van 1848 afwees, omdat daarin ‘de leer van de volkssouvereiniteit’ in praktijk werd gebracht. De constitutionele monarchie van 1813 was ingeruild tegen een ‘zeer slechte soort van democratische republiek’ en dat gepaard met een voortgaande sloping van het zelfstandig koningschap. De soevereiniteit is niet uit de mensen, maar uit God.

Toch kan Bavinck uiteindelijk wel instemmen met het algemeen kiesrecht. Zijn motivatie daarvoor is, dat het ‘een phase [is], die wij door moeten om tot betere toestanden te geraken.’ Of zoals hij zegt: ‘Ik ben er niet warm voor, maar heb wel vrijmoedigheid, om aan de herziening van art. 80 mijne stem te geven.’

Vervolgens gaat hij in op het vrouwenkiesrecht. In zijn beoordeling daarvan maakt hij een soortgelijke beweging als bij het algemene kiesrecht: ‘dat wanneer het vrouwenstemrecht nu nog werd begeerd als bij het opkomen van de vrouwenbeweging, ik geen ogenblik zou aarzelen om daartegen mijn stem te verheffen en het artikel in dit opzicht beslist te bestrijden.’ Omdat ‘de vrouwen, stemrecht op dezen grond begerende, uitgingen van een door en door niet alleen onschriftuurlijke, maar ook onwetenschappelijke theorie.’

Bavinck signaleert echter dat het feminisme van zijn tijd van visie veranderd is. Nu wordt niet meer voor algemeen stemrecht geijverd op grond van de leuze van de gelijkstelling van man en vrouw, maar juist omgekeerd op grond van de ongelijkheid en het verschil tussen mannen en vrouwen. Bavinck feliciteert de vrouwenbeweging met dit inzicht en verklaart daarom, dat ‘wanneer dit principe wordt aanvaard, er inderdaad voor vrouwenstemrecht het een en ander in het midden [valt] te brengen, dat ten gunste daarvan spreekt.’

Hoewel hij beseft dat niet al zijn christelijke partijgenoten met het vrouwenkiesrecht instemmen, is hij van mening ‘dat de Heilige Schrift zich er niet tegen verzet.’ Vervolgens noemt hij drie argumenten die voor hem van beslissende betekenis zijn om voor het vrouwenkiesrecht te pleiten: ‘In de eerste plaats de verandering in de positie der vrouw. In de tweede plaats de verandering in de ontwikkeling van de maatschappij, en in de derde plaats de verandering in de werkzaamheden van den Staat.’ Zo komt hij ‘met de Schrift in de hand’ tot de conclusie, dat de vrouw niet meer van het kiesrecht uitgesloten kan worden ‘enkel en alleen omdat zij vrouw is.’

Ik kan mij zo maar voorstellen dat de schrijvers van het Appèl van mening zijn, dat Herman Bavinck in zijn bezinning bezweken is voor de verleiding ‘om de culturele ontwikkelingen als leidraad te nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’. Toch ken ik geen vrijgemaakt-gereformeerde, ook niet uit de Bezinningsgroep ‘M/V en ambt’, die de democratie en het vrouwenkiesrecht als onbijbels afwijst. Vandaag de dag worden beide in de gereformeerde traditie als een positieve maatschappelijke verworvenheid gezien.[7]

  • §4. Als christen leven in de moderniteit

Ik vind dat de opstellers van het Appèl zich goedkoop afmaken van de vragen waar wij als christenen in een moderne samenleving voor zijn komen te staan. Op een willekeurige wijze verklaren ze de bijbelse normen, waarden en instellingen met betrekking tot de positie van de vrouw van toepassing voor de kerk, maar niet voor de samenleving.

Mijns inziens is een groot gevaar van deze positie dat het bijdraagt aan die vorm van secularisatie, die de ‘verkerkelijking’ van het geloof wordt genoemd, dit wil zeggen aan een scheiding tussen geloven op maandag en de zondag.

De vrouw mag in de samenleving volop meedraaien en gezag over mannen uitoefenen, maar op het terrein van de kerk wordt ze weer op haar bijbels geachte, aan de man onderdanige positie gezet. Waar de opstellers zich op kerkelijk terrein met een beroep op de bijbel verzetten tegen wat zij de invloed van de ‘gelijkheidsideologie’ noemen, accepteren ze con amore de invloed daarvan in de samenleving.

Historisch gezien leven we niet meer in een standenmaatschappij, waar het vanzelf sprak dat de vrouw aan de man onderdanig was. Wij hebben in het Westen een transformatie meegemaakt van de premoderne samenleving naar de moderniteit, wat betekent dat wij nu in een ‘een seculiere tijd’ leven en in deze context ons leven als christen moeten vormgeven.[8]

Interessant is te zien hoe christenen in de 19e eeuw geprobeerd hebben politiek recht te doen aan wat zij als de bijbelse positie van vrouw zagen, die ze ook voor de samenleving van toepassing achtten. Toen het over de invoering van het algemeen kiesrecht ging pleitte de voorman van de antirevolutionaire partij, Abraham Kuyper, voor het zogenaamde ‘huismanskiesrecht’, waarbij het kiesrecht alleen werd toegekend aan de gezinshoofden. Daarbij had hij er geen bezwaar tegen, dat onder het gezinshoofdenkiesrecht ook weduwen zouden vallen, omdat dit geen vorm van vrouwenkiesrecht was: de weduwe kreeg geen kiesrecht als vrouw, maar als hoofd van het gezin terwijl de zoon vervolgens het kiesrecht uitoefende. Toen Bavinck in de 1e Kamer pleitte voor het vrouwenkiesrecht, kwam dat hem dan ook op een weerwoord van Kuyper in De Standaard te staan.

In de 21e eeuw is het bijbels niet meer verantwoord om de vrouw van het kerkelijke ambt uit te sluiten, omdat zij vrouw is. Wij moeten niet op een biblicistische wijze proberen bijbelse instellingen en samenlevingsvormen in onze tijd in te passen, en zeker niet op willekeurige basis. Hermeneutisch en exegetisch gezien is het namelijk onjuist om de patriarchale samenleving voor ons vandaag normatief te verklaren. Op basis van de opdracht die God aan man en vrouw gegeven heeft om hem in deze wereld te vertegenwoordigen, kan ook de vrouw namens God met gezag in het bijzondere ambt dienen.[9]


[1] Zie mijn eerdere blog hierover: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/.

[2] De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) had als doel het gelijkheidsbeginsel, zoals dat in 1983 in de wijziging van de Grondwet in art. 1 geformuleerd was, verder uit te werken. In dat artikel staat dat, ‘allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk [worden] behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’. Wanneer er sprake is van een gerechtvaardigd verschil is gelijke behandeling niet aan de orde. De AWBG is op 2 maart 1994 van kracht geworden. De AWBG geldt in het maatschappelijk verkeer, waarbij voor instellingen op godsdienstige, levensbeschouwelijke en politieke grondslag uitzonderingen vastgelegd zijn.

[3] RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 8

[4] ‘MEMORIE inzake het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de kerk, van Ds C. Lindeboom, aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, saam te komen te Groningen, in den jare 1927’, opgenomen in: RAPPORT inzake het VROUWENKIESRECHT aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Groningen in den jare 1927, p. 17.

[5] Idem, p. 17.

[6] Voor een korte weergave, zie: dr. R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 240-41. De rede is in extenso te vinden in de Handelingen van de 34e vergadering gehouden op 15 mei 1917.

[7] In dit verband is interessant de these van J.W. Sap in zijn aan de VU verdedigde dissertatie ‘Wegbereiders der revolutie. Calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat’ uit 1993, dat ‘de impliciete verbinding van volkssoevereiniteit met ongeloof, die anderhalve eeuw heeft gediend als paradigma van de antirevolutionaire staatkunde in Nederland, is gebaseerd op een historische vergissing.’

[8] Zie voor een schets van deze transformatie: Charles Taylor, Een seculiere tijd, Lemniscaat, 2009.

[9] Voor een nadere onderbouwing van het in deze paragraaf gestelde, zie mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/zwijgteksten-en-scheppingsorde/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

‘Bijbelse’ bezwaren tegen de vrouw in het ambt

In de vragen rond ‘vrouw en ambt’ in de GKv gaat het uiteindelijk om het Schriftberoep. Welke criteria heb je om vast te stellen of je in de uitleg en de toepassing van de verschillende m/v-teksten de bijbel als Gods woord recht doet of niet? Uitgedaagd om daar op een gemeentevergadering nader licht op te laten schijnen heb ik mij de afgelopen weken opnieuw verdiept in de ‘bijbelse’ bezwaren tegen de vrouw in het ambt. In deze blog zal ik de belangrijkste bezwaren in kaart brengen en becommentariëren.[i]


(1) Twee bijbelse lijnen

Een van de belangrijkste argumenten van tegenstanders in de GKv om de vrouw in het ambt toe te laten is, is de uitspraak van de GS Ede 2014 dat er in het doorlopend spreken van de Schrift twee lijnen kenbaar zijn. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven. Men vindt dat wanneer aan de tweede lijn getornd of als deze gerelativeerd wordt ten opzichte van de eerste, dat het gezag van de bijbel wordt aangetast.  

In dit deel van deze blog wil ik bij de status en achtergrond van deze lijnen drie kanttekeningen plaatsen. Later zal ik er inhoudelijk op terugkomen.

Als eerste dat er in 2014 ook een voorstel op tafel lag, waarin als twee lijnen werd uitgesproken: man en vrouw zijn gelijkwaardig in Christus èn daarbij heeft de man de primaire verantwoordelijkheid. In het definitieve besluit is de tweede lijn geformuleerd als: ‘verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven’.

Ten tweede blijkt uit de discussie op de synode van 2014, dat de betekenis en de implicaties van deze twee lijnen allerminst duidelijk zijn. Een bijbelse onderbouwing van deze twee lijnen werd niet gegeven, terwijl door deputaten al werd aangegeven dat deze twee lijnen op zichzelf niet duidelijk maken dat het ambt alleen aan de man toekomt.

Ten derde werd juist uitgesproken dat de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen vrij bespreekbaar moet zijn, omdat de discussie over gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid nog niet uitgekristalliseerd was. Er was onvoldoende grond om ten gunste van de klassieke visie uit te spreken dat het niet geoorloofd was om vrouwen tot het ambt toe te laten. De synode kwam in 2014 niet verder dan de constatering, dat er verschil van inzicht is over de manier waarop wij voor ons leven hier en nu conclusies trekken uit wat de bijbelschrijvers in eerste instantie voor hun lezers van toen opschreven. Daarom was er volgens de synode juist bijzondere aandacht voor schriftgetrouw en gehoorzaam bijbel lezen nodig.

Mij lijkt dat het dan ook onterecht is dat je je op deze uitspraak van de synode in 2014 over de twee lijnen kunt beroepen om afwijkingen van de klassieke visie als aantasting van het Schriftgezag te beschouwen. Dat is gezien de context van de besluitvorming niet te verdedigen.


(2) Tweeërlei hermeneutiek?

Door verscheidene tegenstanders van het synode-besluit wordt gesuggereerd dat er in de GKv bij voorstanders van de vrouw in het ambt sprake is van andere hermeneutiek, die verantwoordelijk zou zijn voor een andere uitkomst dan de klassieke visie dat alleen de man het ambt toekomt. In deze ‘moderne’ filosofische hermeneutiek zou de eigentijdse context bepalend zijn voor de betekenis van de bijbeltekst in plaats van dat de ‘bijbelse’ betekenis daarvan methodologisch gerespecteerd zou worden.

Persoonlijk stoor ik mij behoorlijk aan dergelijke verdachtmakingen. Wie enigszins vertrouwd is met de hermeneutische filosofie weet dat één van de belangrijkste stellingen van de voornaamste vertegenwoordiger daarvan – de filosoof Hans-Georg Gadamer – is dat de ‘moderne’ hermeneutiek geen eigen methode voor de interpretatie van teksten heeft of voorschrijft. In zijn visie gaat hij er vanuit, dat bij het lezen van teksten van de regels en de methoden van de traditionele hermeneutiek gebruik gemaakt wordt. Met zijn filosofische hermeneutiek beoogt hij slechts het verstaansproces te verhelderen.[ii]

Gadamer laat in zijn hermeneutiek zien dat een tekst lezen en begrijpen alleen maar mogelijk is vanuit bepaalde vooroordelen. Die vooroordelen worden je aangereikt door de traditie, door je omgeving of heb je door eigen denken ontwikkeld. Zowel de aanhanger van de klassieke visie op het ambt als degene die tot de conclusie komt dat het bijbels verantwoord is dat vrouw in het ambt mag dienen, leest de bijbel vanuit zijn eigen context en vooroordelen. Het is Gadamers stelling dat je niet vooraf op grond van een methodologie kunt weten of bepaalde vooroordelen van de lezer het begrijpen van de tekst zullen verhinderen of tot misverstanden zullen leiden. Alleen in het leesproces zelf zul je kunnen bepalen, welke vooroordelen helpend zijn om de tekst echt te begrijpen en welke het zicht op de betekenis en de boodschap van de tekst verminderen.[iii]

Bijbelgetrouwheid wordt daarom niet zo zeer bepaald door het juist methodisch toepassen van de hermeneutische regels en het vaststellen van de toenmalige betekenis (meaning), maar vooral door de manier waarop je op basis van je theologische vooroordelen in de toepassing van die betekenis tot de boodschap  van de bijbel voor vandaag (significance) komt.[iv]

Om die reden is het waardevol dat de gereformeerde theologie in Kampen hierin verheldering en ondersteuning biedt door de traditionele gereformeerde (methodologische) hermeneutiek te verfijnen en uit te bouwen tot een relevante hermeneutiek voor vandaag.[v] Het veroordelen en wegzetten van deze ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ als een vorm van ´moderne hermeneutiek´ en Schriftkritiek is mijns inziens ethisch onverantwoord en goedkoop scoren voor de bühne van het verontruste gereformeerde kerkvolk.[vi] Ik schaam mij er voor dat gereformeerde theologen die beter kunnen weten, zich daarvoor blijven lenen en zich tot in de beoordeling van het m/v-besluit en de onderbouwing van hun revisieverzoeken tegen dit besluit bij zo’n taxatie en framing van Schriftkritiek aansluiten.


(3)  Van bijbelse betekenis naar hedendaagse visie

Tegenstanders van het m/v-besluit wekken bij voorkeur de indruk dat de voorstanders van de vrouw in het ambt ten prooi zijn gevallen aan de tijdgeest en voorrang geven aan de eigen cultuur en beleving boven die van de bijbel. Voor zover ik kan zien heeft juist de eigen tijd het oog gescherpt voor aannames in de exegetische verantwoording van de klassieke visie op vrouw en ambt en stelt zij die ter discussie. Uit de aangevoerde ‘bijbelse’ bezwaren blijkt dat er eerder sprake is van verschil in theologische waardering en gebruik van de m/v-teksten dan dat het argument van de tijdgeest hard gemaakt wordt.

  • Feit of norm?

Een belangrijke argumentatiestrategie bij de tegenstanders van het m/v-besluit is dat men op basis van de feitelijke positie van de vrouw in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament concludeert tot de normatieve visie, dat het bijbels verantwoord is om de vrouw het ambt niet toe te kennen. Waar de feitelijke situatie anders lijkt, betwist men dat het om een ambt gaat of beschouwt men dat als een uitzondering op de veronderstelde regel. Vanuit dit zelfde motief hecht men er sterk aan om de door de synode van 2014 geformuleerde lijnen van gelijkwaardigheid en verschil in verantwoordelijkheid een normatieve betekenis te verlenen. Hermeneutisch gezien kunnen er echter vraagtekens geplaatst worden bij de gronden die worden aangevoerd om deze normativiteit voor de feitelijke bijbelse man/vrouw-verhoudingen te claimen. Want men geeft zich nauwelijks rekenschap van de zgn. ‘hermeneutische vraagstelling’: hoe kom je van de betekenis van de bijbeltekst (meaning) tot de boodschap van de bijbel voor vandaag (significance)?[vii]

Hierboven merkte ik met betrekking tot de twee lijnen al op dat de betekenis en de implicaties daarvan allerminst door de synode duidelijk gemaakt zijn. Daarnaast is het de vraag of deze termen als typering voor de verhouding tussen man en vrouw in de Bijbel bruikbaar zijn. Ze komen als begrippen in de bijbel niet voor, terwijl uit een filosofische analyse van de begrippen ‘gelijkwaardigheid’ en ‘verschil’ blijkt dat ze geen eenduidige betekenis hebben, maar ondanks deze manco’s wel als een hermeneutische bril worden gebruikt in de selectie en exegese van teksten.[viii]

  • Scheppingsorde?

De normativiteit van het verschil in taken, verantwoordelijkheid en positie van man en vrouw probeert men als bijbels verantwoord te beargumenteren met een verwijzing naar het begrip ‘scheppingsorde’. Daarbij steunt men vooral op de traditionele exegese van de argumentatie die Paulus in de zgn. zwijgteksten lijkt te ontwikkelen met zijn verwijzingen naar ‘de wet’ en ‘de schepping’.[ix]

De evidentie van het bestaan van een ‘scheppingsorde’ waarin de vrouw onderdanig aan de man behoort te zijn, is echter in de loop van de 20e eeuw praktisch en principieel gezien behoorlijk verdwenen. Zo’n conclusie is op basis van een verantwoorde exegese van Gen. 1-3 niet meer hard te maken.[x] Verder vat men in de gereformeerde ethiek vandaag de verwijzingen van Paulus naar ‘de wet’ en ‘de schepping’ niet meer op als een fundering van een onaantastbare scheppingsorde. Dat wat in de schepping besloten ligt, kan in de loop van de (heils)geschiedenis op verschillende wijze vorm gegeven worden, waarbij de wet (Israëls Thora) als ‘een heilshistorisch paradigma’ functioneert, d.w.z. als ‘een model van het goede leven in de context van Gods werk in Israel’. Dit betekent dat wij de ‘normatieve woorden van de Thora niet plompverloren [kunnen] promoveren tot christelijke plichten vandaag’, maar die eerst moeten ‘overzetten naar de nieuwe context van Jezus’ koninkrijk’. Op eenzelfde manier mogen wij, wanneer onze omstandigheden verschillen van die van de christenen destijds, ook ‘de ethische instructies van het Nieuwe Testament’ op andere wijze vormgeven.[xi]

  • Status van Paulus’ voorschriften

In tegenstelling tot de huidige visie op de n.t.-ische ethiek in de GKv trachten de tegenstanders van de vrouw in het ambt de normativiteit van de instructies van Paulus voor vandaag te claimen met een beroep op zijn gezag als apostel. Daarbij verwijst men ook naar de NGB, waar wij in art. 2 t/m 7 belijden dat wij de bijbel als het Woord van God ontvangen die daarin nog altijd tot ons spreekt. Hier wil ik twee kanttekeningen bij maken.[xii]

Allereerst, wanneer je het gezag van de bijbel op deze wijze formuleert lijkt het erop dat men theologisch gezien de openbaring van God laat samenvallen met de bijbel, en dat men de betekenis van de bijbeltekst (meaning) identificeert met de boodschap van de bijbel (significance). Daar tegenover zou ik dan een lans willen breken voor het inzicht van Herman Bavinck, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het zonder meer toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.[xiii]  

Een tweede opmerking is dat de onuitgesproken aanname in het gebruik van het gezagsargument van Paulus als apostel is, dat wanneer wij de instructies van Paulus vandaag op andere wijze toepassen, je tornt aan de waarheid en het gezag van Gods woord. Mijns inziens is dat geen logische aanname. Beter is het om hier met Herman Bavinck te onderscheiden tussen principe en toepassing.

In zijn analyse van Bavinck’s ethiek vat John Bolt diens visie zo samen: ‘By stressing the specific social circumstances of the early church as key constitutive element in the formulation of the New Testament ethic, Bavinck opts for a certain relativization of that ethic. … The relativization of the specific and concrete ethic of the New Testament, however, does not mean a relativization of the authority of the New Testament itself.’ Specifiek als het gaat om de bergrede schrijft hij: ‘The Christian does not have the freedom to accept or reject the teaching of the Sermon on the Mount, but does have the freedom to apply the moral virtues and principles which the sermon illustratively concretizes in different ways depending upon the circumstances.’[xiv]


(4)  Samenvattende conclusie en afsluiting

Samenvattend ben ik van mening, dat de tegenstanders van het m/v-besluit op basis van de door hen aangevoerde ´bijbelse´ bezwaren ten onrechte suggereren dat het onderwerp ´vrouw en ambt´ het karakter heeft van status confessionis inzake de trouw aan de Schrift.[xv] Aan het verschil in de beoordeling van het m/v-besluit liggen theologische verschillen op het terrein van hermeneutiek, openbaring, bijbel en ambt ten grondslag. Helaas uit zich dit in het ontbreken in de GKv van een consensus over de ‘hermeneutische vertolking’, d.w.z. hoe je van de betekenis van de m/v-teksten in de bijbel komt tot de boodschap voor vandaag.

In de 20e eeuw hebben in de Gereformeerde kerken tot drie maal toe verschillen in theologische visies geleid tot scheuringen met desastreuze uitkomsten. Ik hoop dat de tegenstanders van het m/v-besluit beseffen dat ze niet zonder gevolgen de kaart van de Schriftkritiek kunnen trekken. Breuken zijn sneller geslagen dan geheeld.


[i] Deze beperking betekent dat ik niet expliciet inga op het bezwaar, dat in het m/v-besluit geen strikt onderscheid gemaakt wordt tussen het gezagskarakter van het ambt van alle gelovigen en dat van het bijzonder ambt. Exegetisch en historisch gezien zijn er bij de fundering van de klassieke visie op het ambt, zoals men dat met name op grond van de gegevens uit het Nieuwe Testament beargumenteert, veel vragen te stellen. In vergelijking met de andere aspecten die ik in deze blog behandel, is dit bezwaar van minder belang.

[ii] Zie: Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, Nijmegen: Uitgeverij Van Tilt, 2014, 11: ‘Als wij het verstaan tot voorwerp van bezinning maken, stellen we ons niet ten doel een kunstleer van het begrijpen te ontwikkelen, zoals de traditionele filologische en theologische hermeneutiek wil’. Of zoals Gadamer het in het voorwoord bij de 2e druk schrijft: ‘Sie fragt, um es kantisch auszudrücken: Wie ist Verstehen möglich? Das ist eine Frage, die allem verstehenden Verhalten der Subjektivität, auch dem methodischen der verstehenden Wissenschaften, ihren Normen und Regeln, schon vorausliegt‘, Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode. Ergänzungen. Register, (Gesammelte Werke, Band 2), Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), 1986, p. 439-440.

[iii] Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode, p. 282-83.

[iv] Voor het onderscheid tussen betekenis van de tekst (meaning) en boodschap van de bijbel voor vandaag (significance) verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[v] Ad de Bruijne en Hans Burger(red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (TU-Bezinningsreeks 18), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017. Zie verder mijn blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[vi] Voor een onderbouwing en nadere verantwoording van deze stelling verwijs ik naar mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/.

[vii] Voor de hermeneutische vraagstelling, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[viii] Zie de analyse van de m/v-besluiten van de GS Ede 2014 en GS Meppel 2017 in: Maarten Verkerk, Nienke Verkerk-Vegter, Fokke Pathuis en Christien Westerik, ‘‘Gelijkwaardigheid’ en ‘verschil’ in kerkelijke discussies over man, vrouw en ambt. Over macht en de betekenis van woorden’, in: Radix 45 (2019) 3, p. 193-204.

[ix] Voor een voorbeeld van een andere exegese van de zwijgteksten, naast de vele andere die er te geven zijn, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/. B.J. Oropeza komt hier tot de conclusie dat noch 1 Kor. 14:34-35 noch 1 Tim. 2:9-15 de intentie lijken te hebben voor alle eeuwen te claimen dat vrouwen niet in de kerk mogen spreken, profeteren of onderwijs aan mannen geven.

[x] Zie daarvoor mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/gen-2-3-en-de-scheppingsorde/.

[xi] Voor een verdere verantwoording van deze visie verwijs ik naar het hoofdstuk van Ad de Bruijne over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 181-198. De hier aangehaalde citaten zijn te vinden op p. 188.

[xii] Voor de omschrijving van het Schriftgezag in relatie met NGB art. 2 t/m 7 verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/10/07/schriftgezag/.

[xiii] De argumentatie in dezen is vergelijkbaar met die van dr. Gert van den Brink in zijn bespreking van het m/v-besluit en zijn beoordeling van de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Voor een analyse van diens visie, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/.

[xiv] John Bolt, A Theological Analysis of Herman Bavinck’s Two Essays on the Imitatio Christi. Between Pietism and Modernism, Lewiston, Queenston, Lampeter: The Edwin Mellen Press, 2013, p. 305 en 304.

[xv]  ‘Wij belijden en geloven niet dat de vrouw zich aan de man moet onderschikken, opdat hij in deze wereld de verantwoordelijkheid zou uitoefenen, maar dat Christus zich vernederd heeft om ons te redden en door God verhoogd is om zijn gezag te vestigen en uit te oefenen.’

Hermeneutiek en het ‘m/v-besluit’

De kern van het verschil in visie op ‘m/v en ambt’ in de GKv is het ontbreken van een gedeelde visie op de ‘hermeneutische vertolking’. Daarmee bedoel ik dat er geen consensus is hoe je wat betreft de vraag naar ‘vrouw en ambt’ een geldig beroep op de bijbel kunt doen en zo de gehoorzaamheid aan Gods woord vorm geeft. Deze stelling wil ik illustreren met verwijzing naar de visie van dr. Gert A. van den Brink op hermeneutiek, openbaring en bijbel lezen, die juist door verontruste GKv-ers vanwege de daarin tot uitdrukking komende Schriftbeschouwing zeer gewaardeerd en gepromoot wordt.  

Sinds 2017 heeft dr. Van den Brink in een tweetal lezingen zijn visie gegeven op het besluit van de Generale Synode van Meppel om in de GKv het ambt voor de vrouw open te stellen. In die lezingen werkt hij de kritiek uit op de bundel ´Gereformeerde hermeneutiek vandaag´ (GHV)[i], zoals hij die ook kort in het Reformatorisch Dagblad bij het verschijnen van de bundel geuit heeft.

Dat dr. Van den Brink kritisch is op het m/v-besluit is niet verwonderlijk. Hij is Hersteld Hervormd predikant in Rotterdam-Kralingse Veer. Dat is een kerk waarin de voorschriften van Paulus over m/v zo gelezen worden, dat vrouwen tijdens de eredienst hun hoofd bedekken. Instemmen met de vrouw in het ambt is dan zeker niet te verwachten.

Ik duid de kritiek van dr. Van den Brink zo, dat hij betwist dat de ‘hermeneutische vraagstelling’ in kerk en theologie een legitieme plek mag hebben. Daar ligt m.i. een andere visie ten grondslag op de rol van de bijbel in de wijze waarop God zich openbaart en ook vandaag zijn wil bekend maakt.

Ik schets eerst de visie van dr. Van den Brink (par. 1), vervolgens geef ik daar een beoordeling van (par. 2), en ten slotte maak ik enkele afsluitende opmerkingen over de kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv.


1.  De visie van dr. Van den Brink[ii]

1.1.  Verschil in hermeneutiek-opvatting

Dr. Van den Brink stelt de hermeneutiek van de ‘GHV’ tegenover de ‘gereformeerde hermeneutiek’. Hij vindt dat in de ‘GHV’ een ‘nieuwe’ hermeneutiek naar voren komt, die haaks staat op de gereformeerde hermeneutiek.

Traditioneel ligt in de gereformeerde hermeneutiek de focus op de uitleg en interpretatie van de bijbel zelf d.w.z. de methode om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’ of ´sense´) van de bijbel (een vers, perikoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. In de ‘GHV’ staat de vraag naar het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst (= relevantie of ‘significance’) centraal. Dat is de vraag naar de vertolking en de toepassing van de bijbel voor vandaag.

Het mag duidelijk zijn dat het doel van de twee vormen van hermeneutiek verschillend is. Zoals dr. Van den Brink aangeeft ligt achter die verschillende doelstellingen ‘ongeveer de oude indeling van uitleg en verklaring van de tekst en de toepassing, explicatio en applicatio.’

Dr. Van den Brinks bezwaar tegen de ‘GHV’ is, dat daarin de aandacht verlegd wordt ‘van ‘meaning’ naar ‘significance’, van de betekenis (‘meaning’) van de tekst naar de betekenis (‘significance’) voor de gelovige’. Volgens hem gaat de bundel: ‘niet zozeer (zoals de lezer zou verwachten) over het begrijpen van de inhoud van de Bijbel, maar over Godsverstaan, wereldverstaan, zelfverstaan, Schriftverstaan. De nadruk ligt daarmee niet op God als de eerste Auteur van de Schrift, maar op de gelovige hoorder.

Daarom pleit hij voor een terugkeer naar de doelstellingen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ alleen.

1.2.  Afwijzen van de ‘hermeneutische vraagstelling’?

Dr. Van den Brink lijkt met zijn kritiek op de ‘GHV’ de noodzaak en het recht van de ‘hermeneutische vraagstelling’ af te wijzen. Volgens hem vormt namelijk: ‘niet het begrijpen, maar het gehoorzamen van Gods Woord het wezenlijke probleem. Gods openbaring in Zijn Woord is immers helder en duidelijk voor ieder die het leest.

Met andere woorden: in zijn optiek is een vaststelling van de ‘meaning’ van de bijbeltekst voldoende en is bezinning op de ‘significance’ van de gevonden ‘meaning’ niet nodig. Het stellen van die vraag lijkt hij is als ongehoorzaamheid aan de duidelijke boodschap van de bijbel als Gods Woord te typeren. De ‘significance’ is met de ‘meaning’ van de bijbel gegeven:

Wij moeten de ‘meaning’ en ‘significance’ simpelweg bij elkaar houden. Als toen wat gezegd was, en we lezen dat en begrijpen de zin, heeft dat ‘significance’, heeft dat relevantie voor ons. Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’ Je kunt niet zeggen: o.k., ik snap de tekst, maar onze situatie is anders, dus wij kunnen het daar bij laten en het is voor ons niet meer relevant.

De zwijgteksten in combinatie met – zoals een mede-predikant uit de Hersteld Hervormde Kerk het verwoordt – ‘het Bijbelse onderscheid tussen man en vrouw en de verschillende roeping die zij hebben[iii] zijn voldoende duidelijk om de vrouw niet tot het ambt toe te laten.

1.3.  Visie op openbaring

Wanneer dr. Van den Brink zijn visie op openbaring geeft, lijkt het er op dat hij een pleidooi voert voor de gelijkstelling van ‘significance’ en ‘meaning’. Hij gaat voor wat hij noemt de ‘oude visie’ op openbaring, waarin gezegd wordt: ‘in de bijbel worden waarheden geopenbaard en met het afsluiten van de canon staan die waarheden vast. Er komt niets nieuws bij.

In zijn recensie van de ‘GHV’ ziet hij in die bundel een andere visie op openbaring: ‘De focus lijkt niet meer te liggen bij het spreken van God in Zijn Woord, waarmee Hij bepaalde waarheden onfeilbaar en adequaat heeft bekendgemaakt.

De bijbel is een uniek boek, dat een dubbel auteurschap kent. Naast de menselijke auteur is de Heilige Geest de eerste auteur. Ook al heeft Paulus misschien niet aan ons gedacht toen hij zijn brieven schreef, de Heilige Geest wel toen hij Paulus inspireerde:

Dus alles wat Paulus geschreven heeft als auteur van de bijbel, gaat verder dan die situatie alleen. Ook wij worden rechtstreeks in de bijbel geadresseerd. Het gaat niet alleen over de situatie van de mensen toen en daar, maar het gaat ook over onze situatie hier en nu. De bijbel is dus bij voorbaat toereikend.

Voor de exegese betekent dit, dat je ‘dat in de Schrift [moet] zien te vinden, wat de bedoeling van de Heilige Geest was’:

Dat dubbele auteurschap geeft een hele andere dynamiek en richting aan de manier waarop je bijbel leest. Veel minder als een tijdgebonden en een tijdbepaald boek, maar integendeel een boek dat ook voor onze situatie en levensomstandigheden zeer toepasselijk is.

In de bijbel is de ‘significance’ al opgenomen. Vandaar dat de exegese om de ‘meaning’ te vinden voldoende is om het doel van het lezen van de bijbel te bereiken: ‘Als ik de Bijbel lees, moet ik .. weten hoe ik  ..  de betekenis vind die God mij wil bekendmaken.’

Dr. Van den Brink verwijst dan naar bekende teksten als Rom. 15:4: ‘Alles wat vroeger geschreven is, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften, zouden blijven hopen.’ En 2 Tim. 3:16: ‘Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ Waar hij vanwege het ‘alles wat geschreven is’ en ‘elke schrifttekst’ de conclusie aan verbindt: ‘Dus elke tekst waar je de ‘meaning’ van begrijpt, heeft dus ‘significance’ en relevantie voor ons.

Met deze visie op openbaring correspondeert de ‘oude’ hermeneutiek, die volgens hem in onderscheid tot de ‘nieuwe’ hermeneutiek inzet op waarheid, een waarheid die geloofd en gedaan moet worden. Dr. Van den Brink verwijst bijvoorbeeld naar Jezus’ uitspraken over de wet:  

‘Matt. 5:18, waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, zolang de hemel en aarde bestaan, zal elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn”. Dus daar zien we iets van de morele structuur van de wet van God, want de wet van God geldt voor alle tijden en alle plaatsen, en die komt tot zijn vervulling, tot zijn bestemming, als wij ons daar naar richten.’

Toch is er niet alleen het ‘sola scriptura’, omdat Gods geboden niet alleen te vinden zijn in de bijbel, maar ook in de ‘structuur van de schepping’, waarmee hij kennelijk doelt op het onderscheid tussen man en vrouw in de scheppingsorde:

Waar ik bang voor ben, is dat er willekeur ontstaat, willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet. Dat er pragmatisme is: we doen datgene wat de optimale stap is in de goede richting. Dat er relativisme is: dat we niet meer de objectieve geboden en de objectieve morele structuur van Gods schepping accepteren. Op deze manier kun je, als je wilt, alle geboden kritiseren.’

1.4. Visie op bijbel lezen

Wat betekent deze visie op de openbaring met zijn nadruk op de ‘objectiviteit’ en de ‘waarheid’ van de bijbel voor de manier waarop je de bijbel leest?

In de praktijk laat dr. Van den Brink zien, dat hij de bewijsteksten-methode (‘loca probantia’) hanteert om bepaalde dogmatische uitspraken en stellingen te beargumenteren. Ter verdediging van zijn pleidooi voor alleen de ‘gereformeerde hermeneutiek’ onderbouwt hij zes stellingen met meer dan 60 teksten uit de bijbel, waarbij hij geen onderscheid maakt in genre (geschiedenis, wet, psalm, profetie of brief) en geen aandacht schenkt aan de historische en literaire context, waarbinnen de citaten staan en waarin ze hun betekenis krijgen.[iv]

Toch erkent dr. Van den Brink op een bepaalde manier dat je niet zo maar elke tekst kunt citeren en die als ‘significance’ voor vandaag kunt presenteren, want hij maakt een onderscheid tussen ‘naïef’ en ‘kritisch biblicisme’:  

Je hebt naïeve biblicisten, mensen die zeggen: verstand op nul, ik lees hier dit, zo moeten we het doen. Dat kan niet waar zijn. We lezen tijdbetrokken, we leven heden ten dage. Ik noem dat kritisch biblicisme. Maar ik wil mij onderwerpen aan wat de bijbel zegt. Als mensen dat biblicisme vinden, dan accepteer ik dat maar. Maar liever dat, dan dat wij het woord van God terzijde zouden werpen. Dus, wij moeten niet al te bang zijn voor dat woord ‘biblicisme’.

Ook erkent hij dat er in de bijbel tijdgebonden voorschriften staan. Zijns inziens geeft de bijbel echter zelf aan wat tijdgebonden is of niet. Volgens hem is het een zaak van exegese om dat vast te stellen. Zo gauw er hermeneutische overwegingen in het spel komen, wijst hij die af:

Als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van exegetische overwegingen, mogen en moeten we naar die argumenten luisteren. Als iemand zegt: ‘Ik lees 1 Tim. 2 of 1 Kor. 14 en ik denk dat dit gedeelte dat betekent’, luisteren, het gesprek aangaan, dat is exegese, dat is op zoek naar de bedoeling van dit gedeelte en dus op zoek naar de stem van God in dat gedeelte.  .. Maar als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van hermeneutische overwegingen, is er reden tot grote zorg.

Op welke wijze je in je exegese methodisch kunt onderscheiden tussen ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme, blijft bij dr. Van den Brink onduidelijk. Een bezinning daarop wijst hij als ‘hermeneutisch’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ van de hand.


2.  Beoordeling

2.1. Verschil in hermeneutiek-opvatting

Er is geen reden om de ‘gereformeerde hermeneutiek’ en de ‘GHV’, vanwege het feit dat ze een andere doelstelling hebben, tegen elkaar uit te spelen of tegen over elkaar te plaatsen, laat staan om één ervan daarom ‘ongereformeerd’ te noemen.[v]

M.i. brengt dr. Van den Brink in zijn kritiek op de bundel ‘GHV’ uit 2017 ten onrechte niet in rekening dat die bedoeld is als aanvulling op de eerdere publicatie ‘Gereformeerde theologie vandaag[vi] uit 2004. Beide bundels vormen een tweeluik.

In de ‘GHV’ is wat dr. Van den Brink noemt de ‘oude’ hermeneutiek voorondersteld. Als vervolg daarop richt de ‘GHV’ zich nu m.n. op de vraag wat de relevantie, geldigheid en toepasbaarheid van de bijbel voor vandaag (‘significance’) is, nadat je de inhoud of betekenis (‘meaning’) van de bijbel (volgens de principes van de traditionele gereformeerde hermeneutiek) begrepen hebt. De ‘GHV’ beoogt daarin aan te sluiten ‘bij de hermeneutische principes die in de gereformeerde tradities altijd normatief zijn geweest’.[vii]

De claim van de ‘GHV’ is niet, zoals dr. Van den Brink suggereert, dat ‘wie vandaag nog gereformeerd wil zijn van hermeneutiek moet veranderen’, zodat ‘[d]e hermeneutiek van het postmodernisme mag worden gebruikt om de Bijbel te interpreteren.’

Dr. Van den Brink vult het begrip ‘significance’ zelf op zo’n manier in, dat hij het vervolgens als postmodern en relativistisch kan afwijzen, terwijl hij suggereert dat de ‘GHV’ dit begrip op die manier gebruikt: ‘Dus daar wordt gezegd: betekenis wordt niet in de tekst ontdekt, maar aan de tekst verleend. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind dit een belangrijk gedeelte.’ ‘Dit spreekt mij aan, dit spreekt tot mij, zo ervaar ik dat.’ 

Als je nagaat hoe de ‘GHV’ het begrip ´significance´ hanteert, dan wordt allereerst duidelijk, dat ´significance´ op de ´meaning´ betrokken moet worden: ‘Wil die heilzame betekenis als ‘significance’ ons leven gaan bepalen, dan zullen we eerst de ‘sense’ van de wereld van de tekst zelf [= ‘meaning’] tot ons door moeten laten dringen’, (57).

Als tweede is het volgens de ‘GHV’ ook noodzakelijk – wil je de ‘significance’ kunnen vaststellen -, dat ‘kritisch gereflecteerd wordt op de wereld voor de tekst en op de interactie tussen de wereld van de tekst en onze eigen wereld’ (59). Met deze twee aanwijzingen wordt door de ‘GHV ’juist beoogd om postmodern relativisme de pas af te snijden.  

Het ‘Anliegen’ van de bundel ‘GHV’ is dat de hermeneutiek verbreed wordt, omdat in de gereformeerde theologie bezinning nodig is op de wijze waarop je de toepassing en de ‘significance’ van de bijbel als het normatieve Woord van God voor vandaag vaststelt. Dat is een hermeneutische taak die de gereformeerde hermeneutiek aan de systematische en praktische theologie toebedeeld heeft. De bundel uit 2017 is vrucht van een kwart eeuw bezinning aan de TU Kampen op die verbreding.[viii]

2.2.  ‘Hermeneutische vraagstelling’

Met zijn pleidooi voor een terugkeer naar alleen de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ lijkt het erop dat daarmee voor dr. Van den Brink het onderwerp ‘m/v en ambt’ beslist is. Wanneer exegetisch gezien de ‘meaning’ van de bijbel(tekst) vastgesteld is, is ook de ‘significance’ gegeven: ‘Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’.’ De vraag die echter open blijft staan voor beantwoording, is die naar de relatie tussen ‘meaning’ en ‘significance’.

Kun je een is-gelijk-teken plaatsen tussen deze twee begrippen? Is het voldoende om vast te stellen wat de betekenis (= ‘meaning’) van de zwijgteksten in de tijd van Paulus is geweest om dan te concluderen dat rechtdoen aan de bijbel als Gods woord betekent het één-op-één toepassen van de aanwijzingen van Paulus in onze situatie vandaag (= ‘significance’)? 

2.3.  Openbaring

Dr. Van den Brink beschouwt teksten uit de bijbel als ‘waarheden’, die God ‘onfeilbaar en adequaat’ heeft geopenbaard. Met behulp van deze ‘Goddelijke waarheden’ onderbouwt hij zijn betoog en visies, waarbij hij voor de betekenis en de reikwijdte van die ‘waarheden’ geen rekening houdt met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn.

Zo stelt hij bijvoorbeeld: ‘Wat God openbaart is bindend, omdat het duidelijk is’, met een verwijzing naar Deut. 29:29: ‘Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe, wat openbaar is komt ons toe.’ Is met deze tekstverwijzing voldoende onderbouwd, dat alles wat in de bijbel staat, omdat het als openbaring van God aan ons gegeven is, voor ons ook vandaag bindend is?

Een tweede voorbeeld. Natuurlijk is het zo, dat ‘gehoorzaamheid wezenlijk is voor een christen’ en dat ook geldt: ‘Een christen die navolger wil zijn van Jezus Christus, zal daarom gehoorzaam willen zijn aan het gebod dat God geeft.’ Dan is een verwijzing naar Matt. 7: 21 best passend: ‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Maar kun je op basis van deze tekst concluderen, dat je elk gebod dat in de bijbel gegeven is, moet opvolgen, omdat je anders ongehoorzaam bent aan Gods wil?

Dr. Van den Brink is gespecialiseerd in de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw en afkomstig uit het deel van de reformatorische gezindte, dat stevig in dat scholastieke denken geworteld is. Zijn visie op openbaring is door dit denken gestempeld. De gereformeerde theologie heeft echter sinds het einde van de 19e eeuw met het smeden van de term ‘organische inspiratie’ het begrip ‘openbaring’ op andere wijze omschreven.

Als voorbeeld geef ik de visie weer van dr. Herman Bavinck, eind 19e eeuw dogmaticus in Kampen en begin 20e eeuw in Amsterdam. Hij formuleerde zijn visie zowel in kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd. De auteurs van de ‘GHV’ beschouwen zichzelf nadrukkelijk als erfgenamen van dit neocalvinistische denken van Abraham Kuyper, Herman Bavinck en hun leerlingen (25-26).

Allereerst vraagt Bavinck met de term ‘organische inspiratie’ aandacht voor de ontwikkeling en het historische karakter van de openbaring d.w.z. dat wij Gods openbaring juist leren kennen via het werk van de menselijke auteurs van de bijbel, die God daarvoor in dienst heeft genomen. Voor de interpretatie van de bijbel betekent dit, dat: ‘alles zijn zin en zijn betekenis zeer zeker [heeft], maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het voorkomt. .. Organisch moet de inspiratie worden opgevat, zodat ook het geringste zijn plaats en betekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van het centrum dan andere delen.[ix] 

Vervolgens benadrukt hij dat niet de inspiratie op zichzelf een geschrift tot Gods woord maakt, maar dat de Schrift het Woord van God is, ‘omdat de Heilige Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij de ‘Logos ensarkos’ [= het vleesgeworden woord] tot stof en inhoud heeft’. Op dit centrum van de openbaring moet heel de bijbel betrokken worden.

Ten derde wijst hij op het specifieke doel van de Godsopenbaring, namelijk dat die een ‘door en door religieus-ethische bestemming’ heeft. Het gaat om ‘de zaligmakende kennis van God. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In die zin is zij volkomen genoegzaam en volmaakt.’

Als vierde merkt Bavinck, wanneer hij het gezag van de bijbel ter sprake brengt, op dat ‘de Schrift wel in alles waar is, maar deze waarheid is volstrekt niet in al haar bestanddelen van dezelfde aard.’ Hij heeft daarbij vooral het oog op de specifieke waarheidswaarde van de verschillende genres die we in de bijbel tegenkomen.[x] 

Het grote verschil tussen de visie van dr. Van den Brink en die van Herman Bavinck op het begrip ‘openbaring’ is, dat Bavinck aandacht vraagt voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling. Voor het beroep op de bijbel vandaag betekent dit dat het noodzakelijk is nadrukkelijk rekening te houden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis.

Tenslotte is in de visie van Bavinck besloten, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  – zonder rekening houden met de gelaagdheid en de context -, toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

Bavinck benadrukt namelijk sterk het instrumentele karakter van de bijbel. De bijbel is middel, geen doel. Daarmee wijst hij de eenzijdigheid van zowel het scholastieke denken als dat van de moderne theologie af. Bij de eerste ziet hij ‘verwaarlozing van de historie’ en ‘een vervallen in orthodox intellectualisme’, bij de ander ‘minachting van het woord’ en ‘het gevaar van anabaptistisch spiritualisme’.  Ook al bestaat voor de kerk van alle eeuwen de openbaring ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, de juiste beschouwing is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.[xi]

Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. De bijbel heeft een rol in de bedeling van de Geest. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. Door de Geest brengt God zelf via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.[xii]

2.4.  Bijbel lezen 

Dr. Van den Brink pleit voor een puur exegetische benadering om de ‘significance’ van de bijbel vast te stellen. Doordat hij de ‘meaning’ en ‘significance’ zo dicht mogelijk bij elkaar probeert te houden, veronderstelt hij dat hij zonder de ‘hermeneutische vertolking’ kan. Het problematische van deze visie is, dat hij in de praktijk daar wel degelijk mee werkt. Dat blijkt allereerst wanneer hij een onderscheid invoert tussen een ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme. Zo’n onderscheid kan hij alleen maken op basis van een hermeneutische theorie, die verder gaat dan een theorie van de exegese.

Daarnaast heeft hij een hermeneutisch kader nodig hebben om een verantwoording te kunnen bieden voor zijn keuze om bepaalde teksten al dan niet als tijdgebonden te karakteriseren. Op grond waarvan kan hij de aanwijzing van Paulus om met geheven handen te bidden (1 Tim. 2:8) voor tijdgebonden houden en diens aanwijzing dat iedere vrouw niet met onbedekt hoofd mag bidden (1 Kor. 11:5, 10) als niet-tijdgebonden? Door een verantwoorde hermeneutische vertolkingstheorie overbodig te verklaren, bevordert hij datgene waar hij zegt bang voor te zijn: ‘Willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet.

De manier waarop dr. Van den Brink praktisch met de bijbel omgaat is rechtstreeks te herleiden tot het ‘openbarings’-begrip waar hij vanuit gaat. Wanneer de bijbel bestaat uit een verzameling ‘Goddelijk’ gekwalificeerde ‘waarheden’ is het logisch dat je daar zonder rekening te houden met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn, je bijbels-theologische, dogmatische of ethische conclusies op kunt bouwen. Het gevaar is m.i. zeer groot, dat je de bijbel door deze context-loze manier van lezen laat buikspreken en dat je voor je bevindingen een goddelijk gezag claimt, die je niet waar kunt maken.

Tenslotte: heel dr. Van den Brinks beschrijving van de ‘oude’ gereformeerde hermeneutiek gaat uit van een visie op de bijbel, waarin openbaring en bijbel samenvallen. Dat is een keuze, die ook fundamenteel is voor zijn kritische beoordeling van de ‘GHV’, die uiteindelijk gebaseerd is op de neocalvinistische visie dat openbaring en bijbel niet samenvallen, maar in de interpretatie en toepassing naar vandaag toe wel op elkaar betrokken moeten worden.


3.  De kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv  

Tegenstanders van het besluit van de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen karakteriseren dit besluit als ‘Schriftkritiek’ en wijzen de hermeneutiek die aan dit besluit ten grondslag ligt als ‘Schriftkritisch’ af.

Mijn stelling is dat deze kwalificatie van (de hermeneutiek van) het ‘m/v-besluit’ alleen mogelijk is vanuit een visie op de Schrift, waarbij ‘openbaring’ en ‘bijbel’ samenvallen. Dit is echter een visie die kenmerkend is voor de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw, maar waar in de gereformeerde theologie aan het einde van de 19e eeuw door o.a. Herman Bavinck afscheid is genomen. Hij pleitte voor een visie, waarin openbaring en bijbel zowel van elkaar onderscheiden worden als op elkaar betrokken worden.

Ik vind het daarom veelzeggend, dat de tegenstanders van het ‘m/v-besluit’ om hun bezwaren te onderbouwen, juist een beroep doen op Hersteld Hervormde theologen als dr. Gert A. van den Brink, dr. Wim van Vlastuin en dr. Pieter de Vries, die in hun theologisch denken van een ander ‘openbaring’-begrip uitgaan dan waar wij in de GKv mee werken en die wij theologisch gezien bewust als biblicisme hebben afgewezen.

Zolang niet aangetoond is dat de uitgangspunten van de gereformeerde hermeneutische theologie zoals die aan de TU Kampen beoefend wordt onjuist zijn, lijkt het mij niet nodig om op het ‘m/v-besluit’ terug te komen. De visie op ‘openbaring’ zoals dr. Van den Brink die als maatstaf in zijn kritiek op die uitgangspunten aanlegt, lijkt mij daar onvoldoende reden voor.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] Ik verwijs in mijn weergave van de visie van dr. Van den Brink naar de lezingen, die hij op 18 september 2017 gehouden heeft in de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord (‘Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?) en op 14 september 2018 in de GKv Haren (‘Op zoek naar betekenis’). Ze zijn te vinden op de website www.geloofstoerusting.nl. Daarnaast verwijs ik naar de recensie van de bundel ‘GHV’ in het Reformatorisch Dagblad van 28-09-2017 (‘”Gereformeerde hermeneutiek vandaag” begint bij de mens’), alsmede naar de briefwisseling in het Reformatorisch Dagblad met een van de redacteuren van de bundel ‘GHV’, dr. Hans Burger, op 11-10-2017 (´Zonder de Geest gehoorzamen wij de Bijbel niet´) en op 17-10-2017 (´Hermeneutiek moet de veilige vaarroute blijven volgen’).

[iii] Dr. P. de Vries, ‘Bijbelse visie op plaats van de vrouw is tot ons welzijn’, in: Reformatorisch Dagblad d.d. 12-05-2018.

[iv] Op dezelfde wijze gaat hij ook om met citaten uit ‘GHV’ en ander materiaal waar hij naar verwijst. Zonder oog voor context geeft hij regelmatig zijn eigen interpretatie aan de citaten en schrijft op die manier beweringen aan opponenten toe, die zij niet verwoorden en ook niet herkennen als een weergave van wat zij bedoelen.

[v] In een eerdere blog heb ik betoogd, dat hij zonder enige grond de gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de ‘GHV’ in twijfel trekt, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004.

[vii]  De kritiek van dr. G.A. van den Brink is juist dat de ‘GHV’ niet bij de normatieve principes van de gereformeerde hermeneutiek aansluit.

[viii] Zie mijn korte schets van de gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw tot vandaag: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[ix] Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, p. 409.

[x] De overige citaten uit deze weergave van Bavinck’s ‘openbaringsbegrip’ komen uit: Herman Bavinck, a.w., par. 117, p. 413-420.

[xi] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 104, p. 352-354.

[xii] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 105, p. 354-357. Bij dit laatste aspect van de theopneustie als actuele eigenschap van de bijbel sluit dr. C. Trimp aan in zijn artikel ‘Heilige Geest en Heilige Schrift’ in:  J.Kamphuis, W. van ”t Spijker, C. Trimp, W.H. Velema, Hoe staan wij ervoor? Actualiteit van het gereformeerd belijden, Barneveld, 1992, p. 103-137.

De gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw naar vandaag

De visie op de hermeneutiek aan de TU Kampen en in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld en een verbreding ondergaan. Eén van de redenen voor het verschijnen in 2017 van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ is om die te beschrijven en daar verantwoording voor af te leggen.[i]

De traditionele gereformeerde hermeneutiek (vertegenwoordigd door F.W. Grosheide, J. Ridderbos, S. Greijdanus en J. van Bruggen) had als doel: bezinning op de methoden om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’) van de bijbel (een vers, pericoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. Het is vooral een theorie van de exegese. Daarmee is de bezinning op de toepassing en het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst voor vandaag (= relevantie of ‘significance’) nog niet taboe verklaard.

De bijbelwetenschappers zijn er duidelijk over, dat de vraag naar de relevantie geen taak is voor de exegese en dus ook niet voor de hermeneutiek als theorie van de exegese. Vandaar dat Van Bruggen uitspreekt, dat ‘de hele problematiek hoe wij het woord van gisteren moeten vertalen naar de mens van morgen .. voor de gereformeerde bijbelwetenschap een oneigenlijke problematiek [is].[ii]

Toch kom je ook regelmatig de opmerking tegen, dat de exegese niet op zichzelf staat. De exegese heeft een dienende functie voor b.v. de prediking, de dogmatiek, de ethiek en de persoonlijke geloofsopbouw. Van Bruggen brengt in zijn hermeneutiek b.v. onder het kopje ‘Van tekst naar preek’ deze ‘toegepaste exegese’ ter sprake. Daar laat hij zien welke wissels er zijn van de exegetische parafrase naar preek. Eén daarvan is de formulering van de (homiletische) boodschap van de tekst voor de gemeente in deze tijd, wat hij ziet als de doelstelling van de preek.[iii]

De bijbelwetenschappers verwezen voor bezinning op deze ‘significance’ van de tekst door naar hun collega’s die de vakgebieden van de systematische en de praktische theologie onder hun hoede hadden. Dat betekent dat de zgn. ‘hermeneutische vraagstelling’ naar de vertolking van de bijbel wel erkend werd, maar dat die volgens hen binnen het eigen vakgebied als uitleg van de ‘meaning’ van de bijbeltekst niet thuishoorde.

Als je de (oudere) handboeken van de gereformeerde dogmatiek, ethiek en homiletiek er op na slaat, zie je dat daar inderdaad de ‘hermeneutische vraagstelling’ ter sprake wordt gebracht en er summier nagedacht wordt op de wijze waarop de bijbel in het eigen vakgebied gebruikt wordt. Ook al wordt de aandacht daarvoor niet altijd als ‘hermeneutiek’ benoemd, aandacht voor de vertolking of toepassing van de bijbel(tekst) is er zeker.[iv] In 1976 gebruikt dr. J. Douma daar expliciet de term ‘hermeneutiek’ voor:

De hermeneutiek voor het onderdeel ethiek binnen de theologie houdt zich bezig met de vraag hoe wij ter beantwoording van ethische kwesties de Schrift hanteren.[v]

Een van de invloeden voor een gerichte verbreding van de gereformeerde hermeneutiek is de hermeneutische filosofie van de 20e eeuw, waarin aandacht wordt gevraagd voor de vraag, hoe verstaan van teksten überhaupt mogelijk is. De oudtestamenticus dr. Gert Kwakkel wijst daarop in de bundel ‘Gereformeerde theologie vandaag’ uit 2004. Hij schrijft daarover: ‘De oudtestamentische wetenschap kan er niet omheen de systematische bezinning op dergelijke vragen een plaats te geven in haar onderzoek.’ Om die reden sluit hij de paragraaf over de hermeneutiek van het Oude Testament af met de woorden:

Het Oude Testament is een deel van het Woord waarmee God nog steeds het hart van mensen zoekt. Maar niet alles wat erin staat, heeft vandaag nog directe geldigheid (denk bijvoorbeeld aan de offervoorschriften). Bezinning op geldigheid en toepasbaarheid van de teksten in de situatie van vandaag is daarom een noodzakelijk onderdeel van een gereformeerd-theologisch bezig zijn met het Oude Testament. Die bezinning verdient een belangrijke plaats in de Hermeneutiek.’[vi]  

Daarmee verwoordt hij specifiek voor het vak ‘Oude Testament’ wat voor alle theologische vakken geldt, namelijk dat ‘[b]innen onze Kamper gereformeerde theologie ‘aan de Broederweg’ de gevoeligheid voor de zogenaamde ‘hermeneutische vragen’ in vrijwel alle vakken sterk toegenomen [is]’.[vii]

In de introductie van de bundel ‘Gereformeerde theologie vandaag’ geeft dr. De Bruijne de volgende opsomming van die vragen :

Op welke manier spelen de context van de Schrift, de context van de kerk met haar geschiedenis en de context van ons eigen leven en onze eigen tijd een rol in ons lezen en verwerken van de Schrift? En hoe kom je vanuit de Schrift op allerlei terreinen – variërend van leer en levensstijl tot liturgie en kerkstructuren – tot conclusies voor vandaag?[viii]

Het is in het bijzonder dr. C. Trimp geweest die vanaf de jaren ’60 binnen de Gkv regelmatig gepleit heeft om aan deze bredere hermeneutische vraagstelling aandacht te schenken. In 1963 schreef hij zelfs: ‘Zou al deze arbeid niet worden aangevat, dan zal de wraak over deze nalatigheid zich eenmaal aan ons presenteren in een verlies aan aansluiting aan de concrete situatie’.[ix] In lijn daarmee heeft hij rond de eeuwwisseling, toen hij al ruim met emeritaat was, het initiatief genomen voor de publicatie van de bundel ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de bijbel’.[x]

In dit licht bezien is het ook logisch dat de afgelopen 30 jaar juist de ethicus dr. Ad de Bruijne en de praktisch theoloog dr. Kees de Ruijter, de opvolger van dr. C. Trimp, in de bezinning op deze bredere hermeneutische vraagstelling in de GKv de voortrekkers zijn geworden. Het is hun core-business om in de praktijk van vandaag de betekenis van de bijbel te verwerken.[xi] 

Uit dit overzicht kun je de conclusie trekken, dat de ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ geen nieuwe hermeneutiek is in de zin, dat die afscheid zou nemen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ of daar zelfs mee in strijd zou zijn. De focus en doelstelling is verschillend. De gereformeerde hermeneutiek vandaag bouwt voort op en sluit aan bij de hermeneutiek, zoals die in de 20e eeuw in de gereformeerde theologie voorgestaan is. Aandacht vragen voor de ‘hermeneutische vraagstelling’ (‘significance’) naast die voor de ‘meaning’ van de bijbeltekst is niet ongereformeerd en kun je daarom niet afdoen als een ‘Schriftkritische’ of vrijzinnige activiteit, waarvoor in de gereformeerde theologie geen plaats zou mogen zijn.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] J. van Bruggen, ‘Het Nieuwe Testament’, in: Orientatie in de theologie. Studiegids samengesteld door de hooglerearen aan de Theologische Hogeschool van De Gereformeerde Kerken in Nederland in Kampen, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1974, p. 63-87, citaat op p. 85.

[iii] J. van Bruggen, Het lezen van de bijbel,  Kampen, 1981, p. 103.

[iv] Zie b.v. Herman Bavinck, die in zijn Gereformeerde Dogmatiek benadrukt dat de theopneustie van de Heilige Schrift een blijvende eigenschap is. De bijbel heeft een plek in de bedeling van de Geest, waarbij de objectieve openbaring overgaat in de subjectieve toeëigening, zie: Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, par. 105, p. 354-357. Voor de ethiek, zie: W. Geesink, Gereformeerde Ethiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1931, p. 180: ‘Het komt er dan ook op aan om aansluitende aan het uitwendig wetsgebod als norma agendorum, af te leiden de beginselen voor gezindheid en handelen.’ Voor de homiletiek (preekkunde) zie: K. Dijk, De dienst der prediking, Kampen: Kok, 1955, Hoofdstuk 5, ‘De prediking in onderscheiden verbanden’, p. 105-154. Typerend citaat hieruit: ‘We hebben ook in deze tijd en voor deze tijd te preken, en rekening te houden met de noden, die er nu zijn, en de beroeringen, die thans de wereld schudden. We moeten de taal van deze tijd spreken, en geen enkele preek mag tijdloos zijn, zo, dat ze eeuwen tevoren had gehouden kunnen worden, zonder dat ze de mensen van vandaag, tot diep in het leven raakt’, (p. 143).

[v] Dr. J. Douma,  Inleiding in de christelijke ethiek, Kampen, 1976, 13-14. Zie voor een latere uitwerking dr. J. Douma, Grondslagen. Christelijke ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1999, hoofdstuk 4, ‘De Heilige Schrift als bron voor ethiek’, p. 88-121.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2004. De citaten van dr. G. Kwakkel komen uit het hoofdstuk 2, ‘Oude Testament’, p. 39.

[vii] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004, p. 8.

[viii] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004, p. 8.

[ix] Voor meer details over de noodzaak van de bredere hermeneutische vraagstelling als vertolking in de gereformeerde theologie, zie mijn blog uit december 2015: https://fpathuis.wordpress.com/2015/12/07/desiderata-en-het-lijstje-van-trimp/.

[x] C. Trimp (red.), ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel’, Kampen: Kok, 2002.

[xi] Zie o.a. voor dr. De Bruijne zijn bijdragen aan de bezinning op de omgang met het onderwerp ‘huwelijk en echtscheiding’ vanaf de jaren 1999 als deputaat waarin hij aanzetten biedt voor een ‘ethiek van het Koninkrijk van God’, verder zijn bijdrage aan de bundel ‘Woord op Schrift’, en aan de bundels ‘Gereformeerde theologie vandaag’ en ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’. Voor inzichten van dr. De Ruijter verwijs ik naar: Kees de Ruijter, Meewerken met God. Ontwerp van een gereformeerde praktische theologie, Kampen: Uitgeverij Kok, 2005, en: Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2013, m.n. hoofdstuk 5: ‘Heilig Script’, p. 99-118.