Kritiek op ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’

De website ‘Bezinning Man, Vrouw en Ambt’ presenteert zich als een platform met studiemateriaal naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van het besluit van de GS Meppel 2017. Ze zeggen van zichzelf dat ze niet zonder meer ‘tegenstanders’ van de vrouw in alle ambten zijn, maar ze verwachten in een besluit om het ambt voor de vrouw in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) open te stellen ‘een weloverwogen, evenwichtige en bijbels gezonde argumentatie .., die de toets van de kritiek kan doorstaan.[i]

Je mag verwachten dat het materiaal dat ze zelf presenteren ook aan die eis zal voldoen. De keren dat ik materiaal van deze site geanalyseerd heb, viel het me op dat de argumentatie en het bijbels gehalte daarvan ver onder de maat was. Ik denk dan aan de 15 brieven van Rufus Pos aan zijn kinderen, een artikel van dr. Pieter Boonstra over ‘de priesterlijke lijn’ en meer in het algemeen de opmerking die regelmatig geuit wordt, dat het ‘m/v-besluit’ getuigt van Schriftkritiek.[ii]

In oktober 2018 werden op de site drie video’s van een avond in Haren met dr. Gert van den Brink geplaatst, met als aanbeveling: ‘In deze lezing gaat hij, in een verhelderend en goed te volgen betoog, in op de nieuwe hermeneutiek.[iii]

In deze video’s presenteert Van den Brink zijn kritische visie en beoordeling van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.[iv] Deze bundel verscheen in september 2017 om de manier te verantwoorden waarop aan de TU Kampen vandaag theologie wordt bedreven en het gezag van de bijbel in het onderwijs handen en voeten krijgt. De kern van Van den Brink’s kritiek is dat hij vindt dat in deze bundel in de ethiek afscheid wordt genomen van de normativiteit van Gods woord en dat er in de dogmatiek zoveel verschuift of zal verschuiven, dat hij de retorische vraag stelt of dit nog ‘gereformeerd’ is: ‘Kun je jezelf nog gereformeerd noemen, als je zo’n andere visie hebt op goed en kwaad?

Fundamentele kritiek dus, die de bezinningssite van harte aanbeveelt. Kennelijk vooral, omdat men een samenhang ziet tussen het hermeneutisch denken zoals dat in deze hermeneutiekbundel vanuit Kampen gepresenteerd wordt en de onderbouwing van het besluit in de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Fundamentele kritiek vereist echter een zorgvuldige onderbouwing. De aangevoerde argumenten en de daaruit afgeleide conclusies moeten wel verantwoord zijn. Daar schort het nogal aan bij dr. Van den Brink. Hoe helder en goed te volgen het betoog ook is, de citaten die hij aanhaalt zijn regelmatig uit het verband gehaald en in de conclusies die hij daar vervolgens aan verbindt, gaat hij behoorlijk met de citaten op de loop om er zijn eigen draai aan te geven.


Een typerend voorbeeld van deze onzorgvuldige manier van redeneren en concluderen is hoe dr. Van den Brink mij als vertegenwoordiger van de ‘nieuwe hermeneutiek’ presenteert.[v]

Laat ik eerst citeren, wat hij zegt:

Gelovigen nu zijn eigenlijk slechts, – volgens de nieuwe hermeneutiek -, alleen gebonden aan de vector, de grote doorgaande lijn, aan de grootste gemene deler, aan de richting waar het opgaat. Die is bepalend. Als je maar in de grote brede stroom van de pijl staat, zit je goed. Nou dat is de vraag, of je dat zo mag zien.

In de HC Zondag 7 staat dat het christelijk geloof alles gelooft wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Valt dat hier nog binnen? Pathuis – ook een voorstander van de nieuwe hermeneutiek – schrijft op zijn website: “Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.” Als je maar in de grote lijn zit.

Daarmee verschuift de betekenis van wat geloven is. Geloven wordt vooral een levenshouding. Dat ik mijn leven richt in de richting van de grote pijl. Bekering is een perspectiefwisseling. Je gaat anders naar de dingen kijken. Maar mag je bekering daartoe beperken? Niet allereerst de fides quae (inhoud), maar de fides qua: houding, habitus, manier van leven.

Inderdaad kun je van mijn website min of meer de zinsnede citeren: ‘Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.’ Maar die zinsnede staat wel in een alinea, die begint met: ‘Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving.[vi] Dus ik zeg, dat Paulus’ concrete aanwijzingen over de rol en posities van mannen en vrouwen in de kerk geen cultuur overstijgende normatieve betekenis hebben, omdat ze gerelateerd zijn aan de patriarchale samenleving. Ik beweer niet van Paulus’ aanwijzingen in het algemeen, dat ze ‘geen cultuur overstijgende betekenis’ hebben.

Vervolgens geef ik in die alinea ook een argument voor mijn visie over de wijze waarop de m/v-teksten van Paulus in onze tijd moeten gelden: ‘Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen.’ Dat is de reden, dat ik schrijf dat Paulus’ aanwijzingen over het zwijgen van vrouwen ‘geen cultuur overstijgende normatieve betekenis’ hebben en dat wij ‘de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting [mogen] brengen.

Voor mij hebben Paulus’ aanwijzingen over het gedrag van de vrouw in de gemeente namelijk wel degelijk normativiteit. De vraag is alleen hoe je deze normativiteit in onze huidige westerse cultuur bijbels verantwoord tot uitdrukking brengt. En dat is volgens mij niet, door ze rechtstreeks en ‘een-op-een’ van toepassing te verklaren voor onze situatie.

Ik herken mij dus ook niet in de conclusie, die Van den Brink aan het ‘citeren’ van deze zinsnede uit mijn blog verbindt. Alsof ik de visie heb dat geloven alleen maar een habitus is, zonder inhoudelijke normativiteit. M.i. kun je niet op basis van een uit zijn verband gerukt citaat beweren dat ik de inhoud van HC Zondag 7 niet meer voor mijn rekening zou willen nemen en niet meer alles voor ‘betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft.’

Deze passage over mijn website is maar een klein detail in een groter betoog, waarin alle kritiek gericht is op de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’. Maar tegelijk heeft deze onjuiste weergave van mijn visie wel een dragende grond in de algemene strekking van Van den Brink’s betoog. Hij zaait twijfel aan de integriteit en de confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.


Een ander typerend voorbeeld is hoe dr. Van den Brink de ethiek van dr. Ad de Bruijne schetst. Eerst stelt hij, dat hij daarin ‘een deugdethiek zonder een gebodsethiek’ aantreft. Daar merkt hij vervolgens over op:

Een deugdethiek gaat over de deugden als zelfbeheersing, geduld, etc. Dat is goed, maar dat kan niet zonder een gebodsethiek. Een gebodsethiek is: ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’. Deze gebodsethiek is zover op de achtergrond verdwenen, dat nagenoeg alleen de deugdethiek overgebleven is. Citaat van De Bruijne: “Hun centrale ethische vraag kun je weergeven als: hoe doe je met je leven en met je concrete keuzen recht aan het grote verhaal van Gods werken in Christus”, [geciteerd uit ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’, p. 184). Anders gezegd: hoe moet je als christen leven? Ik zou zeggen met de HC: ´hij leeft de geboden van God na´. Dat is niet wat De Bruijne zegt. Hij heeft het opnieuw over het grote verhaal van God en een christen probeert zo in het leven te staan, dat hij past in die pijl, die vector, die doorgaande lijn. Dan verwijst hij [= De Bruijne] naar Augustinus: ‘de interpretatie die de liefde dient, is altijd de juiste’. Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout. Ik ben niet nagegaan of Augustinus het ook zo zegt, maar ik vind er wel enkele vragen bij te stellen.”

In deze passage suggereert Van den Brink, dat je de ethiek van De Bruijne kunt samenvatten met de richtlijn: ‘Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout.’ Als je de verwijzing naar Augustinus in het hoofdstuk opzoekt, dan zie je dat De Bruijne dat citaat aanhaalt in een passage waarin hij schrijft over de noodzaak van ‘zelfkennis en zelfkritiek’ in je ethische hermeneutiek. Daaraan voegt De Bruijne toe:

Ook leren we met Augustinus dat de interpretatie die de liefde dient altijd de juiste is. Daarmee bedoelt hij [= Augustinus] niet ‘wat voor de ander fijn voelt’, maar wat de ander recht doet op diens plaats voor Gods aangezicht.[vii]

Duidelijk is dat De Bruijne hier een normatieve notie invoert voor het ethisch handelen, die hij via Augustinus terugvoert op de bijbel. De Bruijne keert zich juist tegen een interpretatie van de liefde als een subjectief gevoel die norm zou mogen zijn voor het handelen, wat Van den Brink De Bruijne vervolgens juist in de schoenen schuift door het citaat weer te geven als: ‘Als je het uit liefde doet, zit je nooit fout.’

Het is mij een raadsel hoe Van den Brink op verantwoorde wijze de conclusie kan trekken, dat bij De Bruijne bijna alleen sprake is van een deugdethiek. Alleen al het citaat dat hij aanhaalt van p. 184 laat zien, dat De Bruijne wel degelijk staat voor de normativiteit van Gods woord in het handelen van een christen. Je moet recht doen aan ‘het grote verhaal van Gods werken in Christus’. Dat is het kader, waarbinnen de apostelen hun ethische instructies geven.

De Bruijne laat vervolgens ook zien, hoe de apostelen dat kader dan verder normatief invullen vanuit Gods openbaring in het onderwijs van Jezus en van Mozes. ‘Jezus’ eigen aardse onderwijs vormt de kern’:

Zoals Mozes Gods Thora gaf aan het oude volk Israël .. zo geeft Jezus een vernieuwde Thora, voor een nieuw Israël uit alle volken ..’, (185).

Daarmee wordt de Thora van Mozes door De Bruijne niet afgeschreven, integendeel:

Wanneer de bergrede centraal staat, wordt daarmee tegelijk Mozes’ Thora een onmisbare bron van christelijk-ethische hermeneutiek’, (186).

Mijn inziens heeft dr. Van den Brink geen enkele grond om te beweren, dat De Bruijne de uitspraak van de Heidelbergse Catechismus niet zou onderschrijven, ‘dat een christen de geboden van God na moet leven.


Toch is dit de manier waarop Van den Brink stelselmatig argumenteert, concludeert en zijn beweringen onderbouwt. Onzorgvuldig lezen en citeren en op basis van halve waarheden en hele onwaarheden conclusies trekken, die suggereren dat de besproken auteurs van het boek ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ geen recht doen aan de bijbel als Gods woord en dat er getwijfeld moet worden aan hun gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid.

Tegelijk is deze manier van presenteren de reden, dat ik protest aanteken tegen het plaatsen van zulk materiaal op de website www.bezinningmvea.nl. Dit is geen waardevolle bijdrage aan het gesprek over het ‘m/v-besluit’ in de GKv, maar het lichtvaardig veroordelen en helpen veroordelen van de goede naam van de TU Kampen.



[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/nieuws

[ii] Over de brieven van Pos, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/, https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/12/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-2/. Over ‘de priesterlijk lijn’, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/14/priester-m-v/. Over de typering van het ‘m/v-besluit’ als Schriftkritiek, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/06/de-gkv-en-de-schriftkritiek/.

[iii] https://www.bezinningmvea.nl/entry/op-zoek-naar-betekenis

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[v] Ik presenteer mij niet als een vertegenwoordiger van ‘de nieuwe hermeneutiek’. Ik sta voor een gereformeerde hermeneutiek, waarin ook aandacht is voor de vraag hoe je op verantwoorde wijze de normativiteit van de bijbel vandaag tot gelding brengt. Voor deze vraagstelling is in de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ te weinig aandacht geweest. Dat vind ik het waardevolle van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.

[vi] https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/09/meedenken-met-loonstra-i/

[vii] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017, p. 191. Het citaat van Augustinus is ontleend aan een van zijn bekendste werken De doctrina Christiana, een boek waarin Augustinus ingaat op de vraag hoe je de bijbel moet lezen.

Advertenties

De GKv en de ‘Schriftkritiek’

We zijn ruim anderhalf jaar verder. In juni 2017 nam de GS Meppel 2017 het besluit om in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) het ambt voor de vrouw open te stellen. Sommige gemeenten hebben op grond van dit besluit vrouwen tot ouderling en diaken bevestigd, terwijl één classis recent een vrouw als predikant beroepbaar heeft gesteld. Andere gemeenten wachten liever de behandeling van de revisieverzoeken op de GS Goes 2020 af. In het buitenland schorten kerken de banden met de Gkv op. Intussen gaat het debat over het besluit verder.

Het mag duidelijk zijn dat het m/v-besluit de uitdrukking is van een veranderende omgang met de bijbel als Gods woord. Wat eerst op grond van de bijbel werd afgewezen, wordt nu bijbels verantwoord geacht. Terecht is dan de vraag, hoe deze verandering te duiden is. Tegelijk vind ik dat aan deze andere uitleg en toepassing van de bijbel door de tegenstanders van het besluit wel heel erg gemakkelijk het etiket ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ verbonden wordt.

Wie de recente geschiedenis van de GKv kent, weet dat het niet de eerste keer is dat het in de kerken botst over de manier waarop de bijbel gebruikt wordt.

In 2003 zijn de DGK – de Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) – ontstaan als afscheiding vanuit de GKv. Men kon zich niet vinden in de manier waarop in synodebesluiten de bijbel werd gebruikt in onderwerpen als de verhouding van man en vrouw, huwelijk en echtscheiding, actief stemrecht voor vrouwen in de kerk, liturgie, en sabbat en zondag.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de DGK zich door het besluit van de GS Meppel 2017 bevestigd ziet in hun oordeel over de GKv. Hadden de GKv zich in de loop van de jaren ’80 en ’90 al aan dwaalleer en deformatie overgegeven, nu is het in hun optiek wel heel duidelijk dat de GKv het gereformeerde spoor totaal zijn kwijtgeraakt. Volgens hen hebben de GKv de invloed van de Schriftkritiek en de ‘nieuwe hermeneutiek’ niet weerstaan en zo in de besluitvorming over ‘vrouw en ambt’ toegegeven aan de moderne tijd en wetenschap, aan feminisme, individualisme en het opkomen voor de leer van de gelijke rechten van ieder mens.[i]

Binnen de context van de GKv is het ‘logisch’ dat van de kant van de DGK het verwijt van Schriftkritiek klinkt. ‘Gehoorzaamheid aan de Schrift’ en ‘het toelaten van Schriftkritiek’ zijn voor de GKv decennialang de maatstaf geweest om andere kerken en visies aan af te meten en het gelijk van de eigen positie te verdedigen.

Typerend voorbeeld is de manier waarop de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) in de jaren ’70 en ’80 beoordeeld worden. In de brief van de GS Arnhem 1981 aan de CGK wordt het verwijt geuit dat de CGK de ‘Schriftkritische’ visies van de toenmalige hoogleraren dr. B.J. Oosterhoff en dr. J.P. Versteeg niet weerspreken. Ook worden ze gekapitteld dat zij in het kader van de internationale ‘Gereformeerde Oecumenische Synode’ (GOS) banden met de ‘Schriftkritische’ synodaal-gereformeerde kerken (GKN) onderhouden. Tenslotte wordt er bezwaar gemaakt, dat de CGK contacten onderhouden met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK), waar ‘opening aan de Schriftkritiek wordt gegeven.’[ii]

Dit voorbeeld laat tegelijk zien, dat het werken met de term ‘Schriftkritiek’ nog niet zo gemakkelijk is. Wat is ‘Schriftkritiek’ en hoe herken je dat? De CGK en de GKv verschilden duidelijk van mening, of deze karakterisering voor de CGK terecht was.

In de ’90-er jaren is de GKv genuanceerder gaan denken over wat ‘Schriftkritiek’ is of niet. Het zijn met name de Kamper docenten dr. Kees (C.) Trimp en dr. Ad de Bruijne die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld, wat o.a. in 2002 resulteerde in de publicatie van de bundel ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel[iii]. Ook in het onderzoek van de bijbelwetenschappers van de TU Kampen en TU Apeldoorn maakt men een onderscheid tussen een ‘Schriftkritische lezing die zich boven de Bijbel verheft en een kritische bestudering van de historische processen waarin en de menselijke wijze waarop de Heilige Schrift tot stand kwam[iv].

Een zelfde nuance in het denken over wat ‘Schriftkritiek’ is, werd ook duidelijk in de gesprekken die sinds 2008 tussen de GKv en de NGK gevoerd werden. Daarbij bleek in 2014, dat ook al had de NGK het ambt voor de vrouw opengesteld, dit geen belemmering was om te concluderen, dat zij ‘als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’ Op grond daarvan kon de GS Ede 2014 uitspreken, dat ‘de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen.[v]

Net als destijds in 2003 blijkt nu opnieuw een synodebesluit te werken als een katalysator om het etiket ‘Schriftkritiek’ weer te gaan gebruiken en concrete verschillen in de uitleg en toepassing van de bijbel theologisch en dogmatisch te benoemen in termen van gereformeerd of vrijzinnig.

De hamvraag is natuurlijk, welke criteria men hanteert om de term ‘Schriftkritiek’ van toepassing te achten. Louter het feit dat de synode tot een andere conclusie is gekomen dan lang als bijbels werd gezien, is onvoldoende grond daarvoor. Als men dat wel vindt, zal men zich moeten confronteren met de hermeneutische overeenstemming tussen de GKv en de NGK, die grond was voor de visie van de GS Ede 2014, dat de openstelling van de ambten voor vrouwen op zichzelf niet gezien kan worden als een aantasting van het gezag van de bijbel.

Daarnaast zal men zich ook moeten confronteren met de veranderende omgang met de bijbel als Gods woord, zoals die in de eerdere besluitvorming op de GKv-synoden van de afgelopen 30 jaar tot uitdrukking is gekomen. Dan denk ik met name aan de veranderde visie op de verhouding van man en vrouw die in de nieuwe huwelijksformulieren van de jaren ’90 tot uitdrukking is gekomen en in de veranderende opvatting in het denken over ‘huwelijk en echtscheiding’.

Tenslotte zal men zich moeten confronteren met de veranderende hermeneutische inzichten, die aan die veranderende omgang met Gods woord ten grondslag liggen. In dat opzicht vind ik dat de tegenstanders van het besluit wel erg kort door bocht en zonder voldoende argumentatie deze inzichten karakteriseren als een voorbeeld van ‘de nieuwe hermeneutiek’.[vi]

Gereformeerden staan voorgesorteerd om de ‘nieuwe hermeneutiek’ te verbinden met vrijzinnigheid. Met die term werd namelijk de vrijzinnige moderne theologie van de jaren ’60 gekarakteriseerd, die zich liet inspireren door het gedachtengoed van Rudolf Bultmann, Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling. Door de hermeneutische inzichten in de gereformeerde theologie van vandaag te verbinden met de term ‘nieuwe hermeneutiek’ lijken de tegenstanders van het m/v-besluit zich ontslagen te achten om zich inhoudelijk met de huidige gereformeerde hermeneutiek te confronteren, terwijl ze die tegelijkertijd wel in het vrijzinnige verdachtenbankje plaatsen. Ik vind dat een kwalijke zaak. Dat vertegenwoordigers van de DGK die mening zijn toegedaan, dat zij zo. Dat een door tegenstanders van het m/v-besluit ingevlogen hersteld hervormde predikant als dr. G.A. van den Brink zich niet kan vinden in de gereformeerde hermeneutiek vandaag kan ik me ook voorstellen.[vii] Van medegelovigen in de GKv verwacht ik echter een zorgvuldiger en fairer omgang in de beoordeling van het m/v-besluit.


[i] Zie de artikelen in het kerkblad van de DGK, De Bazuin, Jaargang 7, nummer 33 d.d. 25-09-2013: ‘Doorgaande deformatie’ en Jaargang 11, nummer 17 en 18, d.d. 06-09-2017 en 20-09-2017 onder de titel: ‘Hoe is het goud donker geworden!’

[ii] Acta GS Arnhem 1981, art. 169, Brief aan de Christelijke Gereformeerde Kerken.

[iii] C. Trimp (red.), ‘Woord op Schrift. Theologische reflecties over het gezag van de Bijbel’, Kampen: Kok, 2002.

[iv] Zie het artikel van Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels: ‘Gereformeerde bijbelwetenschap en bijbelse hermeneutiek’, dat verscheen in: Nieuwe en oude dingen. Schatgraven in de Schrift, (red. Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2013, p. 243-255, citaat op p. 246. Deze gemeenschappelijke publicatie van de TU Kampen en de TU Apeldoorn verscheen tegelijkertijd in de TU Bezinningsreeks als nr. 13 en Apeldoornse Studies nr. 62.

[v] Acta GS Ede 2014, p. 141.

[vi] Ik denk hier met name aan diverse artikelen van dr. Pieter Boonstra in het blad Nader Bekeken, herplaatst op het site www.bezinningmvea.nl.

[vii] Een video van een door dr. Gert A. van den Brink gehouden lezing in de GKv Haren is te vinden op de site www.bezinningmvea.nl.

‘Doorvretend virus’

In het burgerlijk verkeer kennen we de begrippen belediging, smaad en laster. Dit zijn vergrijpen die strafbaar zijn. Er is sprake van smaad als iemand opzettelijk ‘slechte’ dingen zegt over een ander, met als doel dat anderen dit ter ore komt en deze persoon in een slecht daglicht wordt gesteld. Iemand wordt echter niet voor smaad veroordeeld wanneer hij te goeder trouw had kunnen aannemen dat het te laste gelegde feit waar was én het in het algemeen belang was dat dit ten laste werd gelegd.

Hieraan moest ik denken, toen deze week opnieuw in het blad Nader Bekeken[i] de visie dat vrouwen in het ambt mogen dienen in verband werd gebracht met ‘nieuwe hermeneutiek‘ en ‘vrijzinnigheid‘ en met noties als dat ‘de bijbel niet meer als norm wordt erkend‘ of dat deze visie ‘in strijd is met art. 3 t/m 7 van de NGB’ en dat er metaforen worden gebruikt als ‘een regelrechte aanval op het geopenbaarde Woord van God’, ‘een aanval op het verlossingswerk van Christus‘ en ‘een (doorvretend) virus‘ dat ‘deze dagen om zich heen grijpt’.[ii]  Het K-woord gebruikt men nog net niet, maar de strekking is duidelijk: isoleren, wegsnijden en definitief verwijderen.

Nu gaat het in de genoemde artikelen van Nader Bekeken natuurlijk niet direct over personen, maar over een visie. Ook gaat het strikt genomen niet eens over de vrouw in het ambt, maar over een visie die men eerst gedefinieerd heeft als ‘de nieuwe hermeneutiek’, waarop men vervolgens alle mogelijke argumenten op los laat om te laten zien hoe verderfelijk die wel niet is. En tenslotte heeft men natuurlijk het algemene belang op het oog: het gaat om het gereformeerd zijn en blijven. Strafrechtelijk gezien is er dus van smaad geen sprake.

En toch vind ik het een zeer unfaire manier van positie bepalen in het gesprek over de uitleg van de bijbel rond de vraag of de vrouw in het ambt zou mogen dienen. Want de context van deze artikelen is natuurlijk wel het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen. Niet voor niets worden al deze artikelen uit Nader Bekeken meteen ook gepubliceerd op de bezinningssite www.bezinningmvea.nl, die ‘Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017’ wil bieden.

Door zo de positie van de andere kant in het gesprek negatief te karakteriseren, worden degenen die op de synode voor dit besluit gestemd hebben en ieder die een pleidooi voert voor de vrouw in het ambt, weggezet als dwaalleraren[iii] bij wie Gods Woord en dus ook de gelovigen niet veilig zijn, omdat zij zich hebben overgeleverd aan de Schriftkritiek. Een belastender kwalificatie is in de kerk bijna niet mogelijk, of het moet dat andere K-woord zijn: ketter.

Wanneer je de argumentatie in de verschillende artikelen analyseert, blijkt dat dit oordeel voornamelijk gebaseerd is op het uitgaan van het eigen gelijk.

De onderliggende veronderstelling is namelijk, dat alleen de klassieke visie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen gereformeerd is.[iv] Dat is het uiteindelijke criterium waar andere interpretaties aan gemeten worden. Wie bij het lezen van de bijbel tot een andere conclusie komt, heeft de teksten dus niet volgens de regels van de gereformeerde hermeneutiek geëxegetiseerd en is dus aanhanger van een ‘nieuwe hermeneutiek’, met alle negatieve en ‘ketterse’ kwalificaties die men daar vervolgens aan verbindt.

Ook al is er juridisch geen sprake van smaad, ethisch gezien vind ik de manier waarop in deze artikelen geargumenteerd wordt, geen voorbeeld dat in Nader Bekeken ‘de eer en de goede naam van de naaste zoveel als mogelijk verdedigd en bevorderd wordt’.[v] Je moet wel erg te goeder trouw zijn, wil je aannemen dat deze artikelen zo bedoeld zijn en dat effect zullen hebben.

Voor een open gesprek is het beter om zo zakelijk mogelijk te blijven argumenteren en niet op basis van ‘straw man’-argumenten[vi] en algemeenheden – die men vervolgens aan de voorstanders binnen de GKV van de vrouw in het ambt toeschrijft – de visie van een groot deel van de kerk te diskwalificeren en te stigmatiseren. Door op de manier van Nader Bekeken te blijven argumenteren wordt een werkelijk gesprek over de vrouw in het ambt belast, zo al niet belemmerd en maakt men dit gesprek misschien wel onmogelijk.


[i] Het nieuwe nummer van Nader Bekeken, Jaargang 25 nr. 12, december 2018, waar prominent op het voorblad staat ‘Doorvretend virus‘. Dit blad wordt in de GKV uitgegeven door de Stichting Woord en Wereld die zo informatie en voorlichting wil geven tot versterking van het gereformeerde leven onder het motto ‘dankbaar gereformeerd’, (zie website www.woordenwereld.nl).

[ii] Artikelen van Pieter Boonstra in Nader Bekeken, de nummers van December 2017, Februari 2018 en December 2018.

[iii] De titel van het artikel waar de term ‘Doorvretend virus’ aan ontleend is, luidt: ‘De les van een gerechtelijke dwaling’. Als je zo nodig over een gerechtelijke dwaling wilt spreken, is de vraag interessant bij wie die dwaling dan wel aanwezig is: bij de traditie of bij de synode.

[iv] De GS Synode Ede 2014-2015 heeft destijds nogmaals bevestigd, dat ‘de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt’, (Acta,p. 41).  

[v] Uitleg in HC Zondag 43 van het negende gebod.

[vi] ‘Een ‘stropop’-redenering (stroman/vogelverschrikker) is een type drogreden waarbij men niet het werkelijke standpunt van de tegenstander weerlegt maar een (karikaturale) variant daarvan. Men interpreteert het standpunt van de tegenstander zodanig dat dit standpunt gemakkelijk te weerleggen is en suggereert dan dat dat het werkelijke standpunt van de tegenstander is’, (omschrijving op Wikipedia).

De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/