Hermeneutiek en het ‘m/v-besluit’

De kern van het verschil in visie op ‘m/v en ambt’ in de GKv is het ontbreken van een gedeelde visie op de ‘hermeneutische vertolking’. Daarmee bedoel ik dat er geen consensus is hoe je wat betreft de vraag naar ‘vrouw en ambt’ een geldig beroep op de bijbel kunt doen en zo de gehoorzaamheid aan Gods woord vorm geeft. Deze stelling wil ik illustreren met verwijzing naar de visie van dr. Gert A. van den Brink op hermeneutiek, openbaring en bijbel lezen, die juist door verontruste GKv-ers vanwege de daarin tot uitdrukking komende Schriftbeschouwing zeer gewaardeerd en gepromoot wordt.  

Sinds 2017 heeft dr. Van den Brink in een tweetal lezingen zijn visie gegeven op het besluit van de Generale Synode van Meppel om in de GKv het ambt voor de vrouw open te stellen. In die lezingen werkt hij de kritiek uit op de bundel ´Gereformeerde hermeneutiek vandaag´ (GHV)[i], zoals hij die ook kort in het Reformatorisch Dagblad bij het verschijnen van de bundel geuit heeft.

Dat dr. Van den Brink kritisch is op het m/v-besluit is niet verwonderlijk. Hij is Hersteld Hervormd predikant in Rotterdam-Kralingse Veer. Dat is een kerk waarin de voorschriften van Paulus over m/v zo gelezen worden, dat vrouwen tijdens de eredienst hun hoofd bedekken. Instemmen met de vrouw in het ambt is dan zeker niet te verwachten.

Ik duid de kritiek van dr. Van den Brink zo, dat hij betwist dat de ‘hermeneutische vraagstelling’ in kerk en theologie een legitieme plek mag hebben. Daar ligt m.i. een andere visie ten grondslag op de rol van de bijbel in de wijze waarop God zich openbaart en ook vandaag zijn wil bekend maakt.

Ik schets eerst de visie van dr. Van den Brink (par. 1), vervolgens geef ik daar een beoordeling van (par. 2), en ten slotte maak ik enkele afsluitende opmerkingen over de kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv.


1.  De visie van dr. Van den Brink[ii]

1.1.  Verschil in hermeneutiek-opvatting

Dr. Van den Brink stelt de hermeneutiek van de ‘GHV’ tegenover de ‘gereformeerde hermeneutiek’. Hij vindt dat in de ‘GHV’ een ‘nieuwe’ hermeneutiek naar voren komt, die haaks staat op de gereformeerde hermeneutiek.

Traditioneel ligt in de gereformeerde hermeneutiek de focus op de uitleg en interpretatie van de bijbel zelf d.w.z. de methode om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’ of ´sense´) van de bijbel (een vers, perikoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. In de ‘GHV’ staat de vraag naar het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst (= relevantie of ‘significance’) centraal. Dat is de vraag naar de vertolking en de toepassing van de bijbel voor vandaag.

Het mag duidelijk zijn dat het doel van de twee vormen van hermeneutiek verschillend is. Zoals dr. Van den Brink aangeeft ligt achter die verschillende doelstellingen ‘ongeveer de oude indeling van uitleg en verklaring van de tekst en de toepassing, explicatio en applicatio.’

Dr. Van den Brinks bezwaar tegen de ‘GHV’ is, dat daarin de aandacht verlegd wordt ‘van ‘meaning’ naar ‘significance’, van de betekenis (‘meaning’) van de tekst naar de betekenis (‘significance’) voor de gelovige’. Volgens hem gaat de bundel: ‘niet zozeer (zoals de lezer zou verwachten) over het begrijpen van de inhoud van de Bijbel, maar over Godsverstaan, wereldverstaan, zelfverstaan, Schriftverstaan. De nadruk ligt daarmee niet op God als de eerste Auteur van de Schrift, maar op de gelovige hoorder.

Daarom pleit hij voor een terugkeer naar de doelstellingen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ alleen.

1.2.  Afwijzen van de ‘hermeneutische vraagstelling’?

Dr. Van den Brink lijkt met zijn kritiek op de ‘GHV’ de noodzaak en het recht van de ‘hermeneutische vraagstelling’ af te wijzen. Volgens hem vormt namelijk: ‘niet het begrijpen, maar het gehoorzamen van Gods Woord het wezenlijke probleem. Gods openbaring in Zijn Woord is immers helder en duidelijk voor ieder die het leest.

Met andere woorden: in zijn optiek is een vaststelling van de ‘meaning’ van de bijbeltekst voldoende en is bezinning op de ‘significance’ van de gevonden ‘meaning’ niet nodig. Het stellen van die vraag lijkt hij is als ongehoorzaamheid aan de duidelijke boodschap van de bijbel als Gods Woord te typeren. De ‘significance’ is met de ‘meaning’ van de bijbel gegeven:

Wij moeten de ‘meaning’ en ‘significance’ simpelweg bij elkaar houden. Als toen wat gezegd was, en we lezen dat en begrijpen de zin, heeft dat ‘significance’, heeft dat relevantie voor ons. Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’ Je kunt niet zeggen: o.k., ik snap de tekst, maar onze situatie is anders, dus wij kunnen het daar bij laten en het is voor ons niet meer relevant.

De zwijgteksten in combinatie met – zoals een mede-predikant uit de Hersteld Hervormde Kerk het verwoordt – ‘het Bijbelse onderscheid tussen man en vrouw en de verschillende roeping die zij hebben[iii] zijn voldoende duidelijk om de vrouw niet tot het ambt toe te laten.

1.3.  Visie op openbaring

Wanneer dr. Van den Brink zijn visie op openbaring geeft, lijkt het er op dat hij een pleidooi voert voor de gelijkstelling van ‘significance’ en ‘meaning’. Hij gaat voor wat hij noemt de ‘oude visie’ op openbaring, waarin gezegd wordt: ‘in de bijbel worden waarheden geopenbaard en met het afsluiten van de canon staan die waarheden vast. Er komt niets nieuws bij.

In zijn recensie van de ‘GHV’ ziet hij in die bundel een andere visie op openbaring: ‘De focus lijkt niet meer te liggen bij het spreken van God in Zijn Woord, waarmee Hij bepaalde waarheden onfeilbaar en adequaat heeft bekendgemaakt.

De bijbel is een uniek boek, dat een dubbel auteurschap kent. Naast de menselijke auteur is de Heilige Geest de eerste auteur. Ook al heeft Paulus misschien niet aan ons gedacht toen hij zijn brieven schreef, de Heilige Geest wel toen hij Paulus inspireerde:

Dus alles wat Paulus geschreven heeft als auteur van de bijbel, gaat verder dan die situatie alleen. Ook wij worden rechtstreeks in de bijbel geadresseerd. Het gaat niet alleen over de situatie van de mensen toen en daar, maar het gaat ook over onze situatie hier en nu. De bijbel is dus bij voorbaat toereikend.

Voor de exegese betekent dit, dat je ‘dat in de Schrift [moet] zien te vinden, wat de bedoeling van de Heilige Geest was’:

Dat dubbele auteurschap geeft een hele andere dynamiek en richting aan de manier waarop je bijbel leest. Veel minder als een tijdgebonden en een tijdbepaald boek, maar integendeel een boek dat ook voor onze situatie en levensomstandigheden zeer toepasselijk is.

In de bijbel is de ‘significance’ al opgenomen. Vandaar dat de exegese om de ‘meaning’ te vinden voldoende is om het doel van het lezen van de bijbel te bereiken: ‘Als ik de Bijbel lees, moet ik .. weten hoe ik  ..  de betekenis vind die God mij wil bekendmaken.’

Dr. Van den Brink verwijst dan naar bekende teksten als Rom. 15:4: ‘Alles wat vroeger geschreven is, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften, zouden blijven hopen.’ En 2 Tim. 3:16: ‘Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ Waar hij vanwege het ‘alles wat geschreven is’ en ‘elke schrifttekst’ de conclusie aan verbindt: ‘Dus elke tekst waar je de ‘meaning’ van begrijpt, heeft dus ‘significance’ en relevantie voor ons.

Met deze visie op openbaring correspondeert de ‘oude’ hermeneutiek, die volgens hem in onderscheid tot de ‘nieuwe’ hermeneutiek inzet op waarheid, een waarheid die geloofd en gedaan moet worden. Dr. Van den Brink verwijst bijvoorbeeld naar Jezus’ uitspraken over de wet:  

‘Matt. 5:18, waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, zolang de hemel en aarde bestaan, zal elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn”. Dus daar zien we iets van de morele structuur van de wet van God, want de wet van God geldt voor alle tijden en alle plaatsen, en die komt tot zijn vervulling, tot zijn bestemming, als wij ons daar naar richten.’

Toch is er niet alleen het ‘sola scriptura’, omdat Gods geboden niet alleen te vinden zijn in de bijbel, maar ook in de ‘structuur van de schepping’, waarmee hij kennelijk doelt op het onderscheid tussen man en vrouw in de scheppingsorde:

Waar ik bang voor ben, is dat er willekeur ontstaat, willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet. Dat er pragmatisme is: we doen datgene wat de optimale stap is in de goede richting. Dat er relativisme is: dat we niet meer de objectieve geboden en de objectieve morele structuur van Gods schepping accepteren. Op deze manier kun je, als je wilt, alle geboden kritiseren.’

1.4. Visie op bijbel lezen

Wat betekent deze visie op de openbaring met zijn nadruk op de ‘objectiviteit’ en de ‘waarheid’ van de bijbel voor de manier waarop je de bijbel leest?

In de praktijk laat dr. Van den Brink zien, dat hij de bewijsteksten-methode (‘loca probantia’) hanteert om bepaalde dogmatische uitspraken en stellingen te beargumenteren. Ter verdediging van zijn pleidooi voor alleen de ‘gereformeerde hermeneutiek’ onderbouwt hij zes stellingen met meer dan 60 teksten uit de bijbel, waarbij hij geen onderscheid maakt in genre (geschiedenis, wet, psalm, profetie of brief) en geen aandacht schenkt aan de historische en literaire context, waarbinnen de citaten staan en waarin ze hun betekenis krijgen.[iv]

Toch erkent dr. Van den Brink op een bepaalde manier dat je niet zo maar elke tekst kunt citeren en die als ‘significance’ voor vandaag kunt presenteren, want hij maakt een onderscheid tussen ‘naïef’ en ‘kritisch biblicisme’:  

Je hebt naïeve biblicisten, mensen die zeggen: verstand op nul, ik lees hier dit, zo moeten we het doen. Dat kan niet waar zijn. We lezen tijdbetrokken, we leven heden ten dage. Ik noem dat kritisch biblicisme. Maar ik wil mij onderwerpen aan wat de bijbel zegt. Als mensen dat biblicisme vinden, dan accepteer ik dat maar. Maar liever dat, dan dat wij het woord van God terzijde zouden werpen. Dus, wij moeten niet al te bang zijn voor dat woord ‘biblicisme’.

Ook erkent hij dat er in de bijbel tijdgebonden voorschriften staan. Zijns inziens geeft de bijbel echter zelf aan wat tijdgebonden is of niet. Volgens hem is het een zaak van exegese om dat vast te stellen. Zo gauw er hermeneutische overwegingen in het spel komen, wijst hij die af:

Als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van exegetische overwegingen, mogen en moeten we naar die argumenten luisteren. Als iemand zegt: ‘Ik lees 1 Tim. 2 of 1 Kor. 14 en ik denk dat dit gedeelte dat betekent’, luisteren, het gesprek aangaan, dat is exegese, dat is op zoek naar de bedoeling van dit gedeelte en dus op zoek naar de stem van God in dat gedeelte.  .. Maar als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van hermeneutische overwegingen, is er reden tot grote zorg.

Op welke wijze je in je exegese methodisch kunt onderscheiden tussen ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme, blijft bij dr. Van den Brink onduidelijk. Een bezinning daarop wijst hij als ‘hermeneutisch’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ van de hand.


2.  Beoordeling

2.1. Verschil in hermeneutiek-opvatting

Er is geen reden om de ‘gereformeerde hermeneutiek’ en de ‘GHV’, vanwege het feit dat ze een andere doelstelling hebben, tegen elkaar uit te spelen of tegen over elkaar te plaatsen, laat staan om één ervan daarom ‘ongereformeerd’ te noemen.[v]

M.i. brengt dr. Van den Brink in zijn kritiek op de bundel ‘GHV’ uit 2017 ten onrechte niet in rekening dat die bedoeld is als aanvulling op de eerdere publicatie ‘Gereformeerde theologie vandaag[vi] uit 2004. Beide bundels vormen een tweeluik.

In de ‘GHV’ is wat dr. Van den Brink noemt de ‘oude’ hermeneutiek voorondersteld. Als vervolg daarop richt de ‘GHV’ zich nu m.n. op de vraag wat de relevantie, geldigheid en toepasbaarheid van de bijbel voor vandaag (‘significance’) is, nadat je de inhoud of betekenis (‘meaning’) van de bijbel (volgens de principes van de traditionele gereformeerde hermeneutiek) begrepen hebt. De ‘GHV’ beoogt daarin aan te sluiten ‘bij de hermeneutische principes die in de gereformeerde tradities altijd normatief zijn geweest’.[vii]

De claim van de ‘GHV’ is niet, zoals dr. Van den Brink suggereert, dat ‘wie vandaag nog gereformeerd wil zijn van hermeneutiek moet veranderen’, zodat ‘[d]e hermeneutiek van het postmodernisme mag worden gebruikt om de Bijbel te interpreteren.’

Dr. Van den Brink vult het begrip ‘significance’ zelf op zo’n manier in, dat hij het vervolgens als postmodern en relativistisch kan afwijzen, terwijl hij suggereert dat de ‘GHV’ dit begrip op die manier gebruikt: ‘Dus daar wordt gezegd: betekenis wordt niet in de tekst ontdekt, maar aan de tekst verleend. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind dit een belangrijk gedeelte.’ ‘Dit spreekt mij aan, dit spreekt tot mij, zo ervaar ik dat.’ 

Als je nagaat hoe de ‘GHV’ het begrip ´significance´ hanteert, dan wordt allereerst duidelijk, dat ´significance´ op de ´meaning´ betrokken moet worden: ‘Wil die heilzame betekenis als ‘significance’ ons leven gaan bepalen, dan zullen we eerst de ‘sense’ van de wereld van de tekst zelf [= ‘meaning’] tot ons door moeten laten dringen’, (57).

Als tweede is het volgens de ‘GHV’ ook noodzakelijk – wil je de ‘significance’ kunnen vaststellen -, dat ‘kritisch gereflecteerd wordt op de wereld voor de tekst en op de interactie tussen de wereld van de tekst en onze eigen wereld’ (59). Met deze twee aanwijzingen wordt door de ‘GHV ’juist beoogd om postmodern relativisme de pas af te snijden.  

Het ‘Anliegen’ van de bundel ‘GHV’ is dat de hermeneutiek verbreed wordt, omdat in de gereformeerde theologie bezinning nodig is op de wijze waarop je de toepassing en de ‘significance’ van de bijbel als het normatieve Woord van God voor vandaag vaststelt. Dat is een hermeneutische taak die de gereformeerde hermeneutiek aan de systematische en praktische theologie toebedeeld heeft. De bundel uit 2017 is vrucht van een kwart eeuw bezinning aan de TU Kampen op die verbreding.[viii]

2.2.  ‘Hermeneutische vraagstelling’

Met zijn pleidooi voor een terugkeer naar alleen de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ lijkt het erop dat daarmee voor dr. Van den Brink het onderwerp ‘m/v en ambt’ beslist is. Wanneer exegetisch gezien de ‘meaning’ van de bijbel(tekst) vastgesteld is, is ook de ‘significance’ gegeven: ‘Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’.’ De vraag die echter open blijft staan voor beantwoording, is die naar de relatie tussen ‘meaning’ en ‘significance’.

Kun je een is-gelijk-teken plaatsen tussen deze twee begrippen? Is het voldoende om vast te stellen wat de betekenis (= ‘meaning’) van de zwijgteksten in de tijd van Paulus is geweest om dan te concluderen dat rechtdoen aan de bijbel als Gods woord betekent het één-op-één toepassen van de aanwijzingen van Paulus in onze situatie vandaag (= ‘significance’)? 

2.3.  Openbaring

Dr. Van den Brink beschouwt teksten uit de bijbel als ‘waarheden’, die God ‘onfeilbaar en adequaat’ heeft geopenbaard. Met behulp van deze ‘Goddelijke waarheden’ onderbouwt hij zijn betoog en visies, waarbij hij voor de betekenis en de reikwijdte van die ‘waarheden’ geen rekening houdt met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn.

Zo stelt hij bijvoorbeeld: ‘Wat God openbaart is bindend, omdat het duidelijk is’, met een verwijzing naar Deut. 29:29: ‘Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe, wat openbaar is komt ons toe.’ Is met deze tekstverwijzing voldoende onderbouwd, dat alles wat in de bijbel staat, omdat het als openbaring van God aan ons gegeven is, voor ons ook vandaag bindend is?

Een tweede voorbeeld. Natuurlijk is het zo, dat ‘gehoorzaamheid wezenlijk is voor een christen’ en dat ook geldt: ‘Een christen die navolger wil zijn van Jezus Christus, zal daarom gehoorzaam willen zijn aan het gebod dat God geeft.’ Dan is een verwijzing naar Matt. 7: 21 best passend: ‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Maar kun je op basis van deze tekst concluderen, dat je elk gebod dat in de bijbel gegeven is, moet opvolgen, omdat je anders ongehoorzaam bent aan Gods wil?

Dr. Van den Brink is gespecialiseerd in de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw en afkomstig uit het deel van de reformatorische gezindte, dat stevig in dat scholastieke denken geworteld is. Zijn visie op openbaring is door dit denken gestempeld. De gereformeerde theologie heeft echter sinds het einde van de 19e eeuw met het smeden van de term ‘organische inspiratie’ het begrip ‘openbaring’ op andere wijze omschreven.

Als voorbeeld geef ik de visie weer van dr. Herman Bavinck, eind 19e eeuw dogmaticus in Kampen en begin 20e eeuw in Amsterdam. Hij formuleerde zijn visie zowel in kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd. De auteurs van de ‘GHV’ beschouwen zichzelf nadrukkelijk als erfgenamen van dit neocalvinistische denken van Abraham Kuyper, Herman Bavinck en hun leerlingen (25-26).

Allereerst vraagt Bavinck met de term ‘organische inspiratie’ aandacht voor de ontwikkeling en het historische karakter van de openbaring d.w.z. dat wij Gods openbaring juist leren kennen via het werk van de menselijke auteurs van de bijbel, die God daarvoor in dienst heeft genomen. Voor de interpretatie van de bijbel betekent dit, dat: ‘alles zijn zin en zijn betekenis zeer zeker [heeft], maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het voorkomt. .. Organisch moet de inspiratie worden opgevat, zodat ook het geringste zijn plaats en betekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van het centrum dan andere delen.[ix] 

Vervolgens benadrukt hij dat niet de inspiratie op zichzelf een geschrift tot Gods woord maakt, maar dat de Schrift het Woord van God is, ‘omdat de Heilige Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij de ‘Logos ensarkos’ [= het vleesgeworden woord] tot stof en inhoud heeft’. Op dit centrum van de openbaring moet heel de bijbel betrokken worden.

Ten derde wijst hij op het specifieke doel van de Godsopenbaring, namelijk dat die een ‘door en door religieus-ethische bestemming’ heeft. Het gaat om ‘de zaligmakende kennis van God. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In die zin is zij volkomen genoegzaam en volmaakt.’

Als vierde merkt Bavinck, wanneer hij het gezag van de bijbel ter sprake brengt, op dat ‘de Schrift wel in alles waar is, maar deze waarheid is volstrekt niet in al haar bestanddelen van dezelfde aard.’ Hij heeft daarbij vooral het oog op de specifieke waarheidswaarde van de verschillende genres die we in de bijbel tegenkomen.[x] 

Het grote verschil tussen de visie van dr. Van den Brink en die van Herman Bavinck op het begrip ‘openbaring’ is, dat Bavinck aandacht vraagt voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling. Voor het beroep op de bijbel vandaag betekent dit dat het noodzakelijk is nadrukkelijk rekening te houden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis.

Tenslotte is in de visie van Bavinck besloten, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  – zonder rekening houden met de gelaagdheid en de context -, toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

Bavinck benadrukt namelijk sterk het instrumentele karakter van de bijbel. De bijbel is middel, geen doel. Daarmee wijst hij de eenzijdigheid van zowel het scholastieke denken als dat van de moderne theologie af. Bij de eerste ziet hij ‘verwaarlozing van de historie’ en ‘een vervallen in orthodox intellectualisme’, bij de ander ‘minachting van het woord’ en ‘het gevaar van anabaptistisch spiritualisme’.  Ook al bestaat voor de kerk van alle eeuwen de openbaring ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, de juiste beschouwing is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.[xi]

Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. De bijbel heeft een rol in de bedeling van de Geest. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. Door de Geest brengt God zelf via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.[xii]

2.4.  Bijbel lezen 

Dr. Van den Brink pleit voor een puur exegetische benadering om de ‘significance’ van de bijbel vast te stellen. Doordat hij de ‘meaning’ en ‘significance’ zo dicht mogelijk bij elkaar probeert te houden, veronderstelt hij dat hij zonder de ‘hermeneutische vertolking’ kan. Het problematische van deze visie is, dat hij in de praktijk daar wel degelijk mee werkt. Dat blijkt allereerst wanneer hij een onderscheid invoert tussen een ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme. Zo’n onderscheid kan hij alleen maken op basis van een hermeneutische theorie, die verder gaat dan een theorie van de exegese.

Daarnaast heeft hij een hermeneutisch kader nodig hebben om een verantwoording te kunnen bieden voor zijn keuze om bepaalde teksten al dan niet als tijdgebonden te karakteriseren. Op grond waarvan kan hij de aanwijzing van Paulus om met geheven handen te bidden (1 Tim. 2:8) voor tijdgebonden houden en diens aanwijzing dat iedere vrouw niet met onbedekt hoofd mag bidden (1 Kor. 11:5, 10) als niet-tijdgebonden? Door een verantwoorde hermeneutische vertolkingstheorie overbodig te verklaren, bevordert hij datgene waar hij zegt bang voor te zijn: ‘Willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet.

De manier waarop dr. Van den Brink praktisch met de bijbel omgaat is rechtstreeks te herleiden tot het ‘openbarings’-begrip waar hij vanuit gaat. Wanneer de bijbel bestaat uit een verzameling ‘Goddelijk’ gekwalificeerde ‘waarheden’ is het logisch dat je daar zonder rekening te houden met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn, je bijbels-theologische, dogmatische of ethische conclusies op kunt bouwen. Het gevaar is m.i. zeer groot, dat je de bijbel door deze context-loze manier van lezen laat buikspreken en dat je voor je bevindingen een goddelijk gezag claimt, die je niet waar kunt maken.

Tenslotte: heel dr. Van den Brinks beschrijving van de ‘oude’ gereformeerde hermeneutiek gaat uit van een visie op de bijbel, waarin openbaring en bijbel samenvallen. Dat is een keuze, die ook fundamenteel is voor zijn kritische beoordeling van de ‘GHV’, die uiteindelijk gebaseerd is op de neocalvinistische visie dat openbaring en bijbel niet samenvallen, maar in de interpretatie en toepassing naar vandaag toe wel op elkaar betrokken moeten worden.


3.  De kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv  

Tegenstanders van het besluit van de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen karakteriseren dit besluit als ‘Schriftkritiek’ en wijzen de hermeneutiek die aan dit besluit ten grondslag ligt als ‘Schriftkritisch’ af.

Mijn stelling is dat deze kwalificatie van (de hermeneutiek van) het ‘m/v-besluit’ alleen mogelijk is vanuit een visie op de Schrift, waarbij ‘openbaring’ en ‘bijbel’ samenvallen. Dit is echter een visie die kenmerkend is voor de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw, maar waar in de gereformeerde theologie aan het einde van de 19e eeuw door o.a. Herman Bavinck afscheid is genomen. Hij pleitte voor een visie, waarin openbaring en bijbel zowel van elkaar onderscheiden worden als op elkaar betrokken worden.

Ik vind het daarom veelzeggend, dat de tegenstanders van het ‘m/v-besluit’ om hun bezwaren te onderbouwen, juist een beroep doen op Hersteld Hervormde theologen als dr. Gert A. van den Brink, dr. Wim van Vlastuin en dr. Pieter de Vries, die in hun theologisch denken van een ander ‘openbaring’-begrip uitgaan dan waar wij in de GKv mee werken en die wij theologisch gezien bewust als biblicisme hebben afgewezen.

Zolang niet aangetoond is dat de uitgangspunten van de gereformeerde hermeneutische theologie zoals die aan de TU Kampen beoefend wordt onjuist zijn, lijkt het mij niet nodig om op het ‘m/v-besluit’ terug te komen. De visie op ‘openbaring’ zoals dr. Van den Brink die als maatstaf in zijn kritiek op die uitgangspunten aanlegt, lijkt mij daar onvoldoende reden voor.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] Ik verwijs in mijn weergave van de visie van dr. Van den Brink naar de lezingen, die hij op 18 september 2017 gehouden heeft in de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord (‘Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?) en op 14 september 2018 in de GKv Haren (‘Op zoek naar betekenis’). Ze zijn te vinden op de website www.geloofstoerusting.nl. Daarnaast verwijs ik naar de recensie van de bundel ‘GHV’ in het Reformatorisch Dagblad van 28-09-2017 (‘”Gereformeerde hermeneutiek vandaag” begint bij de mens’), alsmede naar de briefwisseling in het Reformatorisch Dagblad met een van de redacteuren van de bundel ‘GHV’, dr. Hans Burger, op 11-10-2017 (´Zonder de Geest gehoorzamen wij de Bijbel niet´) en op 17-10-2017 (´Hermeneutiek moet de veilige vaarroute blijven volgen’).

[iii] Dr. P. de Vries, ‘Bijbelse visie op plaats van de vrouw is tot ons welzijn’, in: Reformatorisch Dagblad d.d. 12-05-2018.

[iv] Op dezelfde wijze gaat hij ook om met citaten uit ‘GHV’ en ander materiaal waar hij naar verwijst. Zonder oog voor context geeft hij regelmatig zijn eigen interpretatie aan de citaten en schrijft op die manier beweringen aan opponenten toe, die zij niet verwoorden en ook niet herkennen als een weergave van wat zij bedoelen.

[v] In een eerdere blog heb ik betoogd, dat hij zonder enige grond de gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de ‘GHV’ in twijfel trekt, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004.

[vii]  De kritiek van dr. G.A. van den Brink is juist dat de ‘GHV’ niet bij de normatieve principes van de gereformeerde hermeneutiek aansluit.

[viii] Zie mijn korte schets van de gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw tot vandaag: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[ix] Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, p. 409.

[x] De overige citaten uit deze weergave van Bavinck’s ‘openbaringsbegrip’ komen uit: Herman Bavinck, a.w., par. 117, p. 413-420.

[xi] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 104, p. 352-354.

[xii] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 105, p. 354-357. Bij dit laatste aspect van de theopneustie als actuele eigenschap van de bijbel sluit dr. C. Trimp aan in zijn artikel ‘Heilige Geest en Heilige Schrift’ in:  J.Kamphuis, W. van ”t Spijker, C. Trimp, W.H. Velema, Hoe staan wij ervoor? Actualiteit van het gereformeerd belijden, Barneveld, 1992, p. 103-137.

Advertenties

De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/

 

Hermeneutiek [i]

Het was in het voorjaar van 1977. De verkiezingen voor de Tweede Kamer waren in aantocht. Stemmen mocht ik nog niet, maar met een vriend uit de 5e klas VWO ging ik naar de verkiezingsvergadering van D’66 om Jan Terlouw te zien en te horen. Samen discussieerden wij over christelijke politiek. Onze voorkeuren lagen ver uit elkaar: hij was meer voor de PvdA en de radicaal-christelijke PPR en ik voor het GPV. Ook bij andere thema’s werd duidelijk, dat wij erg bepaald waren door de tradities waarin wij geboren en opgegroeid waren: hij in de Nederlands Hervormde kerk en ik in de vrijgemaakt gereformeerde. Langzaam ontstond in die tijd bij mij een pijnlijk besef, dat een beroep op de bijbel niet automatisch tot consensus leidt. Om ergens het label ‘christelijk’, ‘bijbels’ of ‘gereformeerd’ aan te verbinden, is het citeren en verwijzen naar bijbelteksten niet voldoende. Elke uitleg wordt gedragen door hermeneutische vooronderstellingen. Mijn doel met dit essay is om een introductie te bieden in de verschillende hermeneutische aspecten die bij een verantwoord gebruik van de bijbel een rol spelen.

 

     –   Bezinning op verstaan

Hermeneutiek is afgeleid van een werkwoord dat in het Grieks uitleggen betekent. Een ‘hermeneut’ is een uitlegger of tolk van orakels en uitspraken van de goden, degene die de afstand tussen de wereld van de goden en die van de mensen overbrugt. Zo brengt de uitlegger de betekenis van een tekst over, zodat die door de lezer/hoorder begrepen kan worden. In de Griekse mythologie was Hermes de boodschapper van de goden. Hij zou ook de taal en het schrift ontdekt hebben, de middelen waarmee wij ons als mensen verstaanbaar maken en waarmee wij betekenis aan elkaar over kunnen dragen.

Je kunt hermeneutiek omschrijven als het vakgebied,  waarin nagedacht wordt over hoe mensen elkaar kunnen het begrijpen en verstaan (of elkaar niet-verstaan).

Eeuwenlang is de hermeneutiek niet meer geweest dan het beschrijven van de regels, die je gebruikt voor het uitleggen van teksten. Bij het lezen van teksten maken we gebruik van onze kennis van de taal, van de grammatica, van de betekenis van woorden (semantiek), van de manier waarop wij door middel van taal ons uitdrukken en handelingen verrichten (pragmatiek), van hoe teksten opgebouwd zijn (retorica) en van de soorten teksten die we onderscheiden (genres). Voor het lezen van teksten uit andere tijden of afkomstig uit landen of werelddelen die erg van de onze verschillen, zul je vaak ook nog specifieke historische en culturele kennis moeten hebben om ze goed te kunnen plaatsen of te begrijpen.

In de 19e eeuw, toen er een scheiding kwam tussen de natuurwetenschappen en de zgn. ‘geesteswetenschappen’ als letteren, geschiedenis en de sociale wetenschappen, is het terrein van de hermeneutiek door Wilhelm Dilthey verbreed naar de vraag wat begrijpen is en hoe het vaststellen van de betekenis wetenschappelijk verantwoord kan worden. Hij richt zich niet meer alleen op teksten, maar op alle menselijke uitingen en dingen die mensen maken (zoals ook kunst en andere objecten) waaraan betekenissen ontleend of toegekend kunnen worden.

Zo is de hermeneutiek van de 20e eeuw uiteindelijk de discipline geworden, waarin de voorwaarden en criteria voor een verantwoorde interpretatie van menselijke uitingen centraal staan. Een belangrijke mijlpaal is de filosofische hermeneutiek die Hans-Georg Gadamer in 1960 in zijn boek ‘Wahrheit und Methode’ beschreef.

 

     –   Bijbelse hermeneutiek

Meestal sta je als lezer niet stil bij de hermeneutische regels die je gebruikt. Dat gebeurt pas wanneer de inhoud van wat je leest niet klopt met je ervaring of je verwachtingen. Dan stel je de vraag of je de tekst wel begrepen hebt en je de tekst misschien anders moet lezen.

De vraag naar de hermeneutiek wordt des te belangrijker als het gaat om het lezen en interpreteren van gezaghebbende teksten als wetsteksten en religieuze teksten. Als je gelooft dat God in de bijbel tot ons spreekt, dan is het zaak om na te gaan hoe wij zijn boodschap voor ons leven kunnen verstaan.

Een wezenlijk uitgangspunt in de bijbelse hermeneutiek is het onderscheid tussen de betekenis van de afzonderlijke bijbeltekst (meaning) en de boodschap van de gehele bijbel (significance). Een voorbeeld kan dit onderscheid verduidelijken.

Gods leefregels voor het volk Israël in het land Kanaan zijn niet automatisch ook de leefregels, die wij vandaag in ons leven toepassen. Gods openbaring is historisch bemiddeld en kent een geschiedenis. De betekenis van Gods wet in de boeken van Mozes (meaning) speelt wel een rol voor onze manier van leven, maar wij betrekken daarin ook het latere onderwijs van Jezus en van de apostelen. Ook houden we bij de toepassing van die leefregels rekening met de cultuur en maatschappij waarin wij leven. Zo proberen wij op verantwoorde manier de betekenis van Gods woord (significance) voor ons leven vandaag vast te stellen.

De vraag is hoe je kunt waarborgen dat je in de interpretatie van de bijbel recht blijft doen aan het gezag van Godbibs spreken in zijn openbaring, zoals de bijbel daar getuigenis aan geeft. Hoe kun je zowel biblicisme als relativisme in het lezen van de bijbel vermijden? Ik denk door de betekenis van de bijbeltekst als uitgangspunt voor de vast te stellen boodschap van de bijbel te nemen, maar deze niet automatisch met de boodschap te identificeren. Elke bijbeltekst functioneert namelijk in het grotere geheel van Gods openbaring vanaf de  schepping tot aan de voltooiing van de wereld op een nieuwe hemel en aarde en krijgt vanuit dat geheel zijn specifieke betekenis.

Biblicisme is een vorm van bijbellezen, waarbij de boodschap van de bijbel samenvalt met de betekenis van de afzonderlijke bijbeltekst. Dat kan gebeuren als je een bijbeltekst presenteert als Gods woord voor vandaag, zonder dat je bij het lezen het geheel van Gods openbaring in rekening brengt. Deut. 22:5 betekent dan dat God vandaag verbiedt dat een man vrouwenkleding aantrekt of andersom.

Het is ook biblicisme als je geen rekening houdt met de specifieke omstandigheden van tijd en cultuur en door een eenvoudig beroep op bijbelteksten allerlei discussies op dogmatisch of ethisch terrein of met betrekking tot de organisatie van de kerk wilt beslechten. Tot in de 20e eeuw was het bijvoorbeeld gebruikelijk om in de dogmatiek of ethiek via een verzameling bewijsteksten bepaalde stellingen of posities als bijbels te onderbouwen. Aardig wat cultuurbepaalde inzichten en gewoonten zijn in de loop der eeuwen daarmee als Gods woord voor vandaag gelegitimeerd.

Een derde vorm van biblicisme is dat je zonder te rekenen met de verschillende tekstgenres met de regel ‘lezen wat er staat’ pleit voor het letterlijk nemen van de bijbel. Met een verwijzing naar profetische teksten als Ezechiël 40-48 en Zacharia 14 rekent men dan op met de historische komst van een aards vrederijk waarin een tempel in Jeruzalem een belangrijke rol zal spelen.

Relativisme is een vorm van bijbellezen, waarbij je de boodschap die je aan de bijbel ontleent niet meer ten opzichte van de betekenis van de afzonderlijke teksten binnen het geheel van Gods openbaring verantwoordt. Een voorbeeld is, dat je op grond van een moderne wereldvisie afscheid neemt van de opstanding van Jezus als historisch gebeuren en de verschijningen van Jezus aan zijn leerlingen als visioenen verklaart, die door psychische processen in hen zelf veroorzaakt zijn.

Biblicisme en relativisme kunnen ook samengaan. Bijvoorbeeld in de vraag: ‘Waar staat in de bijbel dat…?’, wanneer de achterliggende veronderstelling voor die vraag is dat als het niet expliciet in de bijbel staat, je er dus ook geen gezaghebbende uitspraken over kunt doen.

 

     –   Het tekort van de gereformeerde hermeneutiek

In de handboeken voor de gereformeerde exegese heeft men zich tot op het begin van de 21e eeuw vooral geconcentreerd op de betekenis (meaning) van de afzonderlijke bijbelteksten. Men pleit daarin voor een grammaticale, historische en literaire exegese van de tekst. Een belangrijke regel is verder om bij het vaststellen van de betekenis van een tekst rekening te houden met de verschillende contexten waar de tekst onderdeel van is, zoals de passage waarin die staat, het hoofdstuk, het boek of de bundel en tenslotte de hele canon. Een andere regel is wat genoemd wordt ‘het Schrift met Schrift vergelijken’: onduidelijke passages kunnen verhelderd worden door het licht van duidelijker passages in andere delen van de bijbel daar op te laten schijnen.

Het doel van de exegese is het begrijpen van de tekst als tekst. Omdat de bijbel een boek van goddelijke openbaring is, is het uiteindelijke doel van de exegese om vast te stellen wat God in deze specifieke tekst tegen zijn volk wil zeggen (meaning) en welke functie deze tekst vervolgens in het geheel van Gods openbaring (signifcance) vervult.

Voor de vraag hoe de boodschap van de tekst voor vandaag (significance) vastgesteld kan worden, hebben de exegetische handboeken in hun hermeneutische overwegingen helaas meestal weinig aandacht gehad.

Als belangrijkste reden voerde men daarvoor aan, dat de bezinning op de boodschap van de tekst (signifcance) niet onder de reikwijdte van de exegese valt, omdat het een vorm van toegepaste exegese zou zijn. Men verwijst vooral naar de homiletiek (preekkunde) als het meest aangewezen vakgebied om regels te geven voor het vaststellen van de boodschap van de tekst voor vandaag. Als richtlijn noemt men wel, is dat je er voor moet waken om aan een tekst vanuit een eigentijdse vraagstelling een toepassing te ontlenen die er eigenlijk niet in zit. Verder wijst men op meditatie over de tekst en gebed als middelen om tot een toepassing te komen.

 

     –   De boodschap van de bijbel

Het belangrijkste inzicht van de 20e-eeuwse hermeneutiek is dat de interpretatie en de toepassing van de tekst met elkaar verweven zijn. Dat komt omdat je een tekst niet onbevooroordeeld kunt lezen. Dat is geen handicap voor de interpretatie, maar schept juist de voorwaarde voor het verstaan: door je vooroordelen te confronteren met de tekst leer je de tekst te begrijpen. Objectiviteit op zichzelf bestaat niet en komt zeker niet tot stand doordat je alle vooroordelen in het interpretatieproces uitschakelt. Juist doordat je in het interpretatieproces je bewust wordt van je onjuiste vooroordelen, kun je recht doen aan de tekst (het object) die je uitlegt. Interpreteren wordt daarom ook wel voorgesteld als het je begeven in de hermeneutische cirkel. In het begrijpen en het je eigen maken van de betekenis van de tekst wordt de werking van de te interpreteren tekst als toepassing zichtbaar. De ‘zaak’ (die Sache) waar de tekst naar verwijst en uitdrukking van is, wordt begrepen.

Voor het lezen van de bijbel betekent dit dat je je door Gods openbaring aan laat spreken en je openstelt voor de aanspraak op waarheid en geloof, die God daarin op jou als hoorder/lezer laat gelden. Dat doe je door in gesprek met de tekst te gaan, waarbij je je door de betekenis (meaning) van de tekst laat leiden en in een vraag- en antwoordspel de waarheid (significance) daarvan eigen maakt. Belangrijk daarbij is te beseffen dat het God in zijn openbaring niet gaat om het bekendmaken van bepaalde onfeilbare geformuleerde feiten of standen van zaken die voor waar aangenomen moeten worden, maar dat Hij zichzelf via de bijbel aan ons bekend maakt en aanspreekt.

Het centrum van de bijbel is Gods zelfopenbaring in Jezus Christus om mensen te redden en in zijn koninkrijk te laten delen. Door middel van de door de Geest geademde teksten spreekt God ons persoonlijk aan en nodigt hij ons uit om Hem als Heer te vertrouwen en te erkennen en zo Gods koninkrijk binnen te gaan. Zo wil hij via de bijbel en door zijn Geest vandaag wonen bij de mensen. De bijbel is onfeilbaar, omdat hij alles leert wat wij moeten weten en geloven om behouden te worden. Die onfeilbaarheid wil dus niet zeggen, dat de in de bijbel vermelde feiten en gebeurtenissen gelezen moeten worden alsof ze volgens onze hedendaagse wetenschappelijke normen zijn beschreven. Daarom is bijvoorbeeld een andere lezing van het scheppingsverhaal dan de traditionele als een historisch verslag van 7 letterlijke dagen zeer goed te verdedigen.

De boodschap (significance) van de bijbel toepassen in ons leven betekent dat je gaat leven in Gods nieuwe werkelijkheid. Het is op zo’n manier leven, dat je recht doet aan het grote verhaal van Gods werken, zoals dat zijn centrum en hoogtepunt heeft gevonden in het leven, het sterven en de opstanding van Christus Jezus.

 

     –   Spirituele hermeneutiek

Leven in Gods koninkrijk is een kunde en een vaardigheid, die je niet alleen door het toepassen van regels op methodische wijze kunt beslissen. Het is een way of life, die ons uiteindelijk door de Geest van God geschonken wordt. Het lezen en begrijpen van de bijbel  zal zichtbaar worden in de praktijk van een christelijk leven.

Voor het vaststellen van Gods boodschap voor ons leven vandaag zullen we naast het beroep op de bijbel, ook mogen verwijzen naar algemene inzichten die wij opdoen in het bestuderen van de schepping en de cultuur. De openbaring van God is breder dan wat mensen daarover in de bijbel vanuit hun perspectief als getuigenis hebben kunnen vastleggen.

Zo Gods stem verstaan in en door de bijbel is alleen mogelijk, wanneer wij door de Geest deel hebben gekregen aan de werkelijkheid van Gods koninkrijk. Zoals Gadamer formuleerde is participatie aan ‘die Sache’ waar de tekst uitdrukking van is, een belangrijke voorwaarde voor het begrijpen van de tekst. Vandaar dat het ook om een door de Geest gewerkte wijsheid en fijngevoeligheid vraagt om de betekenis (meaning) van bijbelteksten zo toe te passen, dat het goede leven zoals God dat bedoeld  heeft (significance) zo optimaal mogelijk gerealiseerd wordt.

Voor het ontwikkelen van die fijngevoeligheid – in de filosofische hermeneutiek aangeduid met de term ‘phronesis’ – is o.a. inzicht in de geschiedenis en fases in de Godsopenbaring nodig, maar ook een besef van de culturele en historische context waarbinnen je dat leven in geloof vorm geeft. De historiciteit van de taal, cultuur en eigen tijd maakt het namelijk onontkoombaar dat we niet alleen de bijbel, maar ook onze eigen historische context moeten duiden, willen wij de significance van de bijbel vaststellen. Trouw zijn aan de boodschap van de bijbel kan dan soms ook betekenen dat de vormgeving van het christelijke leven in de loop van de geschiedenis verandert om de waarheid van Gods openbaring tot zijn recht te laten komen. Een belangrijk criterium daarvoor heeft Augustinus gegeven, waar hij stelt dat elk begrijpen en kennen van de bijbel gericht moet zijn op het groeien in geloof, hoop en liefde.

Het lezen van de bijbel vraagt daarom ook om een spirituele hermeneutiek, waarin wij door het oefenen in en afstemmen op het leven met God in gebed en meditatie, persoonlijk en als geloofsgemeenschap, leren Gods stem voor vandaag te verstaan.

 

[i] Essay geschreven op verzoek van de redactie van de weblog nietsnieuwsblog.nl.

 

 

 

Zondeval en scheppingsorde

     –  Belang

Telkens als ik de brieven van Rufus Pos[i] lees, moet ik onwillekeurig denken aan een passage uit de Johannespassion van Johann Sebastiaan Bach: https://www.youtube.com/watch?v=LOftb8jYCec. Diezelfde indringendheid, waarmee door de Joodse leiders tegenover Pilatus er op gehamerd wordt: ‘Wir haben ein Gesetz, und nach dem Gesetz soll er sterben; denn er hat sich selbst zu Gottes Sohn gemacht‘, voel ik als Pos er iedere keer weer op terugkomt: ‘Wij hebben een scheppingsorde, en volgens die scheppingsorde moet de vrouw aan de man onderdanig zijn.’ Als je die orde aan de kant schuift, dan schuif je Gods eigen woord aan de kant. Of zoals Pos het eufemistisch formuleert: ‘Dit komt op mij echt over dat wij dan wijzer willen zijn dan God.

Je kunt toch niet tegen Gods orde ingaan! Dat is het belang dat ik bij hem proef. Als God over de schepping zegt, dat het goed was, dan mogen wij niet zoals de vrouw aan de satan gehoor geven, die zei dat het niet goed was. God houdt ook na de zondeval vast aan zijn concept. Ook al krijgen Adam en Eva de opdracht om de schepping te ontwikkelen, zij moeten dat doen binnen de kaders die God daarvoor gegeven heeft. Wij dus ook.

Nu geloof ik niet dat voorstanders van de vrouw in het ambt binnen de GKV zich niet willen voegen in Gods plan voor zijn wereld. Zoals ik in een eerdere blog heb laten zien, ziet ook b.v. Ad de Bruijne de schepping niet als een verouderd concept of als een gepasseerd station, wanneer hij nadenkt over hoe wij vandaag het christelijke leven in Gods koninkrijk vorm dienen te geven. Het verschil van inzicht betreft vooral (a) de vraag hoe die orde in de schepping er uitziet en gekend kan worden[ii], en (b) hoe wij vervolgens die orde binnen onze context bijbels verantwoord vorm kunnen geven.[iii]

Ik deel het belang. Tegelijk is dat een extra reden om de bijbel zorgvuldig te lezen en te interpreteren. Je moet zeker weten, dat wat jij als waarheid naar voren schuift ook echt Gods woord is. We zouden niet de eersten zijn, die onze eigen ideeën en interpretaties met goddelijk gezag proberen te bekleden.[iv] Daarbij komt dat als je normatieve uitspraken doet over de positie van de vrouw in de man/vrouw-relatie het effect en de reikwijdte zeer groot is: het gaat over de helft van de mensheid.[v] Voor mij is dat alles een belangrijk motief om de argumentatie, op grond waarvan men over het onderwerp m/v en het ambt positie inneemt, op hun draagkracht en waarde te toetsen.

 

     –  Onderscheiden interpreteren

Voor het uitleggen van de bijbel kent de gereformeerde theologie een aantal basisregels, die in verscheidene handboeken vastgelegd zijn. Bekend is bijvoorbeeld de hermeneutiek van S. Greijdanus in zijn ‘Schriftbeginselen ter Schriftverklaring’.[vi] Ik wil daaruit twee regels naar voren halen. Bij de uitleg van een bepaald tekstgedeelte moet rekening gehouden worden met:

  • de onderscheiden tijden en bedelingen, waartoe de te exegetiseren delen van de openbaring behoren, (p. 127 e.v.);
  • het bijzondere en het algemene, d.w.z. of wat God zegt of doet, tijdelijk, voorbijgaand, individueel en ogenblikkelijk is, dan wel of het blijvend, duurzaam, en algemeen bedoeld is, (p. 132 e.v.).

Dit zijn belangrijke regels om biblicistisch bijbelgebruik te voorkomen. Je kunt niet zomaar willekeurig teksten uit de bijbel met elkaar verbinden en daar een theorie op bouwen, maar je moet rekening houden met de context en de reikwijdte van teksten. Dat betekent dat je de heilsgeschiedenis in rekening moet brengen in zijn onderscheiden fasen van schepping, zondeval, verlossing en voltooiing van de wereld. Ook zul je moeten onderscheiden tussen de situatie voor en na Christus’ komst in de wereld en tussen het leven onder het oude en onder het nieuwe verbond.

Dit is met name van belang als je over ‘de’ scheppingsorde en de betekenis daarvan voor vandaag wilt spreken. In zijn interpretatie van en het samenlezen van de verschillende teksten in de bijbel houdt Pos hier te weinig rekening mee.

 

     –  Herschepping en/of transformatie?

Een van de veronderstellingen van Pos is, dat Genesis 1-3 buitenspel wordt gezet in de discussie over m/v en het ambt: ‘je vraagt je wel af of Genesis 1-3 misschien ook van de agenda verdwenen is omdat Paulus juist in deze aan de kant gelegde zwijgteksten naar schepping en zondeval teruggrijpt.

Zoals ik in een eerdere blog schreef zet Pos zich af tegen het begrip ‘transformatie’ dat Ad de Bruijne gebruikt in zijn nadenken over ethiek: ‘God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn Koninkrijk.’ Daartegenover plaatst Pos het begrip ‘herschepping’: ‘want in de ‘nieuwe’ schepping zit niet een verborgen correctie van de ‘oude’ schepping.[vii]

Als hij pleit voor de term ‘herschepping’ erkent Pos wel, dat de herschepping, net als de ‘transformatie’, alles te maken heeft met de gevolgen van de zondeval. Toch is er wat hem betreft een belangrijk onderscheid, omdat De Bruijne in het kader van de ‘transformatie van de gevallen schepping’ ook positief spreekt over een ontwikkeling in de tijd wat betreft de relatie tussen man en vrouw. Een ontwikkeling die ik maar kort aanduid als van ‘onderschikking’ in de tijd van het Oude Testament, Paulus en Augustinus naar ‘gelijkheid’ in de moderne westerse samenleving, waarin vrouwen dezelfde posities innemen als mannen.

De Bruijne ziet die ontwikkeling naar gelijkheid als maatschappelijke vrucht van de christelijke traditie, hoewel hij ook wel beseft dat er in onze cultuur een drang is om het natuurlijk onderscheid tussen man en vrouw te willen doorbreken en los van Christus eigenmachtig een nieuwe orde te creëren. Toch past volgens hem die gelijkheid als het om publiek leiding geven op de weg naar het koninkrijk, waar we allemaal met Christus zullen regeren.[viii]

Hier kan Pos niet mee uit de voeten, omdat De Bruijne daarmee zou beweren, dat ‘het in zaken als ‘autoriteit en gezag’ slechts om een soort noodmaatregel gaat die God tijdelijk heeft ingesteld vanwege de zonde.’ En daar gelooft hij ‘helemaal niets van’.

Afgezien dat Pos hier een flagrante karikatuur maakt van De Bruijne’s visie, dat ‘wij allemaal met Christus zullen regeren’, lijkt het mij dat die gedachte van De Bruijne helemaal niet zo vreemd is. Sterker nog, dat ‘samen regeren als man en vrouw’ hoort volgens Jochem Douma, de voorganger van De Bruijne als hoogleraar ethiek aan de TU Kampen, juist bij de ‘goede’ scheppingsorde waar Pos zo graag weer naar terug wil.

In zijn ethische bezinning op de relatie tussen man en vrouw schrijft Douma, dat we eerlijk moeten omgaan met bijbelteksten en ze niet moet laten buikspreken, zodat wij het apostolische woord over de verschillende taken van man en vrouw binnen de gemeente van Christus krachteloos maken. Zijn samenvattende conclusie is dan:

‘Het voorgaande brengt ons niet tot de conclusie dat mannen regeren en vrouwen volgen. Reeds binnen het huwelijk is er een taakverdeling die man en vrouw beiden doet regeren. Het Vijfde Gebod luidt niet dat de vader geëerd moet worden, maar: “Eer uw vader en uw moeder.” Ik heb eerder al duidelijk willen maken met een verwijzing naar de scheppingsorde, dat mannen en vrouwen samen de wereld moeten regeren. In allerlei taken zullen ook vrouwen over mannen regeren, en dan niet bij gebrek aan beter.”[ix]

 

     –  Scheppingsorde

Pos ziet geen strikt onderscheid tussen de schepping en de tijd na de zondeval. Daarom stelt hij ook tegenover De Bruijne dat Genesis 1 en 2 veel meer de grondtoon vormt van alles wat volgt tot en met de voltooiing van het Koninkrijk. God gaat niet ongemerkt wijzigingen aanbrengen in zijn oorspronkelijk concept:

‘Ondanks de zondeval, maar ook door de zondeval heen gaat God zijn schepping zich laten ontwikkelen. De opdracht aan Adam en Eva om de aarde te bouwen en te bewaren veranderde niet door de zondeval. Mijns inziens is er dus veel meer continuïteit vanuit het paradijs dan ik meen waar te nemen bij bijvoorbeeld de Bruijne.’

 ‘Heel concreet: de lijnen die je in het scheppingsverhaal ziet mag je wel degelijk serieus nemen als je nadenkt over intermenselijke verhoudingen. Je kunt het letterlijke verhaal van de schepping niet negeren als een soort verouderd concept wat intussen door de zondeval voor ons niet helder meer is en wat door het werken van de Heilige Geest richting het Koninkrijk ook allang als verouderd en dus als een gepasseerd station beschouwd kan worden.’

Hij vindt daarom het spreken over een scheppingsorde legitiem, omdat de Bijbel niet begint met het evangelie van Matteüs, maar met het boek Genesis:

Het kruis (Matteüs) heeft niet met Genesis 1 en 2 te maken (schepping), maar met Genesis 3 (zondeval). Als je die lijn volgt, kun je de onbekommerde manier begrijpen waarop de Here Jezus, Paulus en Petrus teruggrijpen op instellingen van vóór de zondeval.

In een vorige blog heb ik al aangegeven, dat het dan wel zaak is om goed na te gaan naar welke elementen uit het verhaal van de schepping zij verwijzen en hoe Paulus, Jezus en Petrus die elementen in hun eigen betoog toepassen. Zoals ik heb laten zien, heeft Pos niet kunnen aantonen dat Paulus de onderschikking van de vrouw op de scheppingsorde fundeert.[x]

 

     –  Beroep op Genesis 1-2 of op Genesis 1-3?

Maar kun je dan op basis van het scheppingsverhaal zelf aantonen, dat de onderschikking van de vrouw onderdeel van de scheppingsorde is? Dat is wat Pos immers uiteindelijk met zijn brieven beoogt.

Gezien de geschiedenis van de exegese van m/v-teksten is het belangrijk om expliciet stil te staan bij de status van het verhaal van de zondeval in Gen. 3. Kun je je daarop ook beroepen als je uitspraken over ‘de’ scheppingsorde wilt doen en zo ja, hoe doe je dat dan?

Over die vraag heeft een groot aantal GKV synodes vanaf 1975 tot 2002 zich in het kader van de herziening van het huwelijksformulier gebogen. Uiteindelijk is in 1999 geconcludeerd en in 2002 naar aanleiding van diverse revisieverzoeken nog eens bevestigd, dat dat maar zeer beperkt mogelijk is.

Ik vat de resultaten daarvan met betrekking tot de onderlinge verhouding van man en vrouw kort samen:[xi]

(a)  Het ‘hoofd-zijn’ van de man ten opzichte van de vrouw heeft men bewust niet willen omschrijven als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met als ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’ Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

(b) Een beroep op Gen. 3:16 als ondersteuning dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn, is niet gerechtvaardigd. Een amendement van die strekking werd met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen.

Daarmee werd in 1999 definitief van de visie uit het oude huwelijksformulier afscheid genomen dat het ‘de ordinantie van God’ is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren. Een beroep op de straf van de vrouw na de zondeval om daarmee de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man als scheppingsorde te funderen is daarmee afgewezen.

Het inconsequente in de argumentatie van Pos vind ik, dat hij over Gen. 3:16 met twee woorden spreekt.

Aan de ene kant erkent hij: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk.’ Tegelijk gebruikt hij deze tekst wel om te beargumenteren, dat ‘de gevolgen die God verbindt aan de zonde van Adam en van Eva duidelijk spreken over een verschil in positie tussen onze eerste vader en moeder.

Als dragende grond voor de conclusie die Pos aan de gevolgen van de zonde van Eva verbindt is de veronderstelling dat God in Gen. 3:16 de vrouw in haar misbruik van de scheppingsorde treft. Zoals hij zegt:’ Ik neem aan dat de Here niet een willekeurige straf verzonnen heeft, maar dat de opgelegde straf te maken heeft met de overtreding die begaan is.’ De vrouw heeft zich niet geschikt onder haar man, dus zal zij juist in die normatieve relatie van onderschikking ervaren wat de gevolgen van de zonde is: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.

Vanuit zijn interpretatie van de straf voor de vrouw extrapoleert Pos hier naar een scheppingsorde, waarin de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Tegelijk is deze interpretatie van Gen. 3:16 voor hem een argument om die door hem veronderstelde scheppingsorde in het scheppingsverhaal van Gen. 2 in te lezen.

 

–  Conclusie

Vanouds werd als effect van de zondeval op de relatie tussen man en vrouw gezien, dat daardoor de gelijkwaardige relatie geperverteerd werd in een ongelijkwaardige relatie van overheersing en onderdanigheid. Gen. 3:16 werd niet zozeer gelezen als een ‘straf’, zoals Pos nu doet, maar als een beschrijving van het effect van de zonde voor de vrouw.

Mijn conclusie is dan ook, dat een oordeel over de houdbaarheid van Pos’ visie, dat de onderdanigheid van de vrouw in de scheppingsorde begrepen is, ligt in de geldigheid van zijn exegese van Gen. 1-2.

 

 

[i] Zie de website https://www.bezinningmvea.nl/entry/brieven-aan-mijn-kinderen-inleiding

[ii] Voor een goed overzicht van de vragen die hierbij een rol spelen verwijs ik naar hoofdstuk 4 van Oliver O’Donavan, Resurrection and Moral Order. An Outline for Evangelical Ethics, Apollos Leicester, England, 1996, 2e druk, (p. 76-99). In dit hoofdstuk staat centraal: ‘How is the order of the created universe available to our knowledge, seeing that we belong to it, and cannot rise above it like God? What kind of knowledge can this be that has the order of creation as its object?, (76). Onder verwijzing naar de beroemde discussie tussen Karl Barth en Emil Brunner pleit hij er voor de ontologische en epistemologische aspecten zorgvuldig te onderscheiden.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

[iv] Dr. J. Douma schrijft b.v. hierover: ‘Wie de geschiedenis overziet, moet toegeven dat de ‘christelijke moraal’ vaak bedenkelijke praktijken in stand heeft gehouden. Denk o.a. aan de slavenhandel, de uitroeiing van anderen in godsdienstoorlogen en het verdedigen van de apartheid in Zuid-Afrika’, (Dr. J. Douma, Grondslagen. Christelijke ethiek, Uitgeverij Kok, Kampen, 1999, p. 46). Oliver O’Donavan noemt dit ook: ‘Only the creature whose task it is to live by the truth of the whole can suffer the fate of living in an illusory universe constructed by his own mind. How, then, we must ask, if true knowledge of the whole is co-ordinated with obedience, can there be such a knowledge available to disobedient man?’, (a.w., p. 82).

[v] Dat besef proef ik totaal niet bij Pos. Vanuit zijn (mannelijk) perspectief zijn de vrouwen alleen maar goed af, wanneer zij zich naar zijn normatieve omschrijving van de scheppingsorde zouden gedragen: ‘de vrouw moet bereid zijn vrijwillig het hoofd-zijn (gezag) van haar man te erkennen. Dat zegt dus helemaal niets van haar gaven en kwaliteiten, maar uitsluitend zegt het iets over haar bereidheid ten opzichte van haar man de tweede plaats in te nemen. En die plaats geeft haar het “recht” om door haar man gevoed en verzorgd te worden.’ Eerder al schrijft hij daarover met een aantal retorische vragen: ‘Wat is er nu moeilijk aan om iemand die van de Here leiding ontvangt en die deze volgens de goddelijke norm van de liefde uitvoert, om zo iemand te volgen? Welke vrouw zou zich niet op handen gedragen voelen als haar man niets anders dan haar geluk en welzijn op het oog heeft?’

[vi] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Uitgeverij Kok, Kampen, 1946.

[vii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/

[viii] Zie: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/

[ix] ‘Dr. J. Douma, Seksualiteit en huwelijk, Uitgeverij Van den Berg, Kampen, 1993, p. 27 (= deel 6 van zijn serie Ethische Bezinning).

[x] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/22/paulus-en-de-scheppingsorde/.

[xi] Voor een samenvatting van de argumentatie van de diverse synoden zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/02/27/het-huwelijksformulier-in-de-20e-eeuw-1975-2005/.

Scheppingsorde – of niet

Hoe vertel ik het mijn kinderen? Dat is wat bij mij boven komt, als ik de 15 brieven lees, die Rufus Pos – emeritus predikant in de GKv – aan zijn zonen en schoondochters schreef over het synodebesluit om vrouwen tot het ambt toe te laten. Hij plaatste die op de site van de over dit besluit verontruste GKv-ers www.bezinningmvea.nl, zodat wij allemaal mee kunnen lezen.

In deze serie geeft Pos zijn visie op de verhouding man-vrouw, waarbij hij zich vooral baseert op zijn eigen interpretatie van Genesis 1-3. Hij wil daarmee o.a. laten zien dat je niet ‘heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn’.

Wie de hele serie leest komt er al snel achter, dat Pos vooral zijn kritische pijlen richt op wat in zijn ogen de visie is van Ad de Bruijne, hoogleraar ethiek aan de TU Kampen. Ook al schrijft Pos, dat hij het vervelend zou vinden als hij De Bruijne woorden in de mond legt die niet kloppen, is hij m.i. daaraan niet ontkomen.[i]

Pos stelt dat De Bruijne van mening is dat wij ons niet meer mogen of kunnen beroepen op de scheppingsorde, omdat De Bruijne als totaalboodschap van de Bijbel formuleert: ‘God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn Koninkrijk’ en daaraan toevoegt dat hij thema’s als ‘man en vrouw en homoseksualiteit niet alleen vanuit de oorspronkelijke scheppingsorde benadert.

Tegenover het begrip ‘transformatie’ dat de aandacht richt op ontwikkeling en op de toekomst, plaatst Pos de term ‘herschepping’, omdat daarin de aandacht gericht wordt op hoe het oorspronkelijk was. Hij schrijft dat hij ‘naar dat werken van God aan zijn Koninkrijk niet wil kijken als alleen een transformatie van de gevallen schepping, maar ook als een herstel van de oorspronkelijke schepping.’  Dit betekent voor hem, dat hij naar het Koninkrijk van God wil kijken vanuit het geopenbaarde begin, ‘waarvan God meerdere keren zei dat het goed was.’ Want in de ‘nieuwe’ schepping zit niet een verborgen correctie van de ‘oude’ schepping.

Volgens Pos gaat De Bruijne er vanuit, dat ‘het in zaken als ‘autoriteit en gezag’ slechts om een soort noodmaatregel gaat die God tijdelijk heeft ingesteld vanwege de zonde.’ Ik heb deze gedachte niet als zodanig bij De Bruijne kunnen terugvinden. Misschien doelt Pos op de passage, waarin De Bruijne schrijft: ‘De orde van de gevallen schepping kent een nadrukkelijk onderscheid tussen man en vrouw, waarbij de man leiding geeft. In het komende koninkrijk staan allen gelijk onder Christus. Daar verliest dit aspect van het onderscheid tussen man en vrouw zijn functie.’ Een groot deel van Pos’ betoog in zijn brieven is vervolgens gewijd aan een weerlegging van deze aan De Bruijne toegeschreven idee.

De hamvraag in deze hele serie is natuurlijk, of Pos er terecht van uit mag gaan dat De Bruijne de schepping in zijn denken niet in rekening brengt.

Mij lijkt het duidelijk dat als De Bruijne schrijft dat hij zijn visie op man en vrouw ‘niet alleen vanuit de oorspronkelijke scheppingsorde benadert, dat hij wel degelijk de oorspronkelijke schepping in zijn denken wil betrekken. Een korte blik op De Bruijne’s artikel over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ (2017)[ii] kan dat ook bevestigen.

Uitgangspunt in dat hoofdstuk is dat het in de ethische hermeneutiek draait ‘om het verstaan van Gods openbaring waarvan de Bijbel het centrum vormt’. Dat betekent dus, dat De Bruijne naast zijn inzet bij de ethiek van de apostelen en het ethisch onderwijs van Jezus in de Bergrede ook expliciet aandacht vraagt voor de betekenis van de Thora van Mozes d.w.z. de eerste vijf boeken van het Oude Testament (Genesis t/m Deuteronomium). Drie citaten kunnen dat illustreren:

‘Wanneer de bergrede centraal staat, wordt daarmee tegelijk Mozes’ Thora een onmisbare bron van christelijk-ethische hermeneutiek’, (186).

Steeds moeten wij vragen op welke manier een passage uit Mozes’ Thora ons als christelijke pelgrims zou kunnen helpen om Gods wil concreet te maken in de nieuwe context van het koninkrijk. Daarbij gaat het om de hele Thora en niet alleen om de wetten daarin’, (186).

‘Dat Mozes’ Thora belangrijk blijft in de christelijke ethiek blijkt temeer uit de strekking van die Thora zelf’, (187).

Om die reden vind ik de stelling dat De Bruijne in tegenstelling tot Pos zelf met de scheppingsorde in zijn overwegingen over de man-vrouw verhouding geen rekening zou willen houden, van elke grond ontbloot is. Het verschil tussen Pos en De Bruijne is niet, dat de een wel en de ander niet bijbelgetrouw rekent met de scheppingsorde, maar:

  1. dat zij een verschillende interpretatie van de inhoud van scheppingsorde hebben;
  2. dat zij een verschillende betekenis aan de scheppingsorde in het geheel van de boodschap van de bijbel toekennen.

Wat het 1e punt betreft, vindt Pos dat je op basis van het scheppingsverhaal in Gen. 1-2 in combinatie met een heel specifieke interpretatie van het verhaal van de zondeval in Genesis 3 mag concluderen, dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’. De Bruijne is hierin terughoudender. Hij is van mening dat man en vrouw weliswaar verschillend geschapen zijn, maar dat het niet mogelijk is om voor alle tijden en culturen overtuigend aan te geven waar dit verschil in zit.

Wat het 2e punt betreft is bij Pos de door hem geconstrueerde ‘scheppingsorde’ de norm voor een bijbelse man-vrouw verhouding, die ook voor vandaag zou gelden. De Bruijne ziet dat wat in de schepping besloten ligt, in de loop van de geschiedenis op verschillende wijze vorm gegeven kan worden. Voor hem is ‘Israëls Thora een heilshistorisch paradigma, d.w.z. een model van het goede leven in de context van Gods werk in Israel’. Toch kunnen wij de ‘normatieve woorden van de Thora niet plompverloren promoveren tot christelijke plichten vandaag’, – zoals Pos dus doet – maar moeten wij die eerst ‘overzetten naar de nieuwe context van Jezus’ koninkrijk’.[iii]

Ik wil hier twee opmerkingen aan verbinden. Allereerst dat ik het wel zo fair zou vinden als Pos in zijn schrijven gewoon zakelijk zou argumenteren en zich zou onthouden van een suggestieve voorstelling van zaken als het gaat over visies die niet de zijne zijn.

Een tweede is dat de hermeneutiek van wezenlijk belang is, wil je iets zinnigs zeggen over m/v en het ambt en het gesprek daarover verder helpen. Dat besef mis ik bij Pos.

[i] Pos verwijst in zijn brieven o.a. naar de volgende 2 teksten van Ad de Bruijne. Allereerst een blog in het Nederlands Dagblad van 11 februari 2017, te vinden via https://www.nd.nl/nieuws/columns/nee-niet-weer-een-verhaal-over-de-vrouw-in-het.2499357.lynkx. Daarnaast naar de beschouwing die De Bruijne heeft gehouden bij de presentatie van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’, te vinden via: https://www.pepredikanten.nl/2017/10/10/mv-ambt-en-homoseksualiteit-worstelen-gereformeerde-hermeneutiek/.

[ii] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, red. Ad de Bruijne en Hans Burger, De Vuurbaak, Barneveld, 2017. Een boek waarvan Pos zegt dat hij het gelezen heeft, maar om het niet te ingewikkeld te maken wil hij de hermeneutiek er voorlopig maar buiten laten: ‘We kunnen ons altijd later nog laten corrigeren als blijkt dat we in ons gesprek op een verkeerde manier met de Bijbel omgaan.’

[iii] Voor een verdere verantwoording van deze visie verwijs ik naar het genoemde hoofdstuk van De Bruijne over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in Gereformeerde hermeneutiek vandaag. De hier aangehaalde citaten zijn te vinden op p.188.

Alan Johnson over cultuur en bijbellezen

In 1976 verscheen er bij Moody Press in Chicago een bundel opstellen over verschillende aspecten die bij de uitleg van de bijbel een rol spelen. Eén daarvan is van de hand van de nieuwtestamenticus Alan Johnson[1], onder de titel: ‘History and Culture in New Testament Interpretation’.

Zijn bijdrage concentreert zich op de rol van historiciteit en de cultuur bij de exegese van het Nieuwe Testament. Waar hij onder meer aandacht voor vraagt, is het gevaar dat wij ons er te weinig bewust van kunnen zijn dat wij de bijbel altijd vanuit onze eigen context interpreteren. Hij pleit daarom in de exegese voor een cultuur-sensitieve benadering van de bijbel om zo aan de boodschap van de bijbel recht te doen.

Hieronder bied ik een vertaling van een deel uit dit essay, waarin hij o.a. zijn visie illustreert met enkele specifieke m/v-voorbeelden.

 

Een interculturele benadering van exegese [2]

Het woord van God in het Nieuwe Testament komt tot ons via de specifieke cultureel-historische taal van de eerste eeuw. Daarom hebben we een interculturele benadering van de bijbel nodig. In deze benadering probeert de exegeet om de onmiddellijke historische context van de schrijver te zien, zoals die gedeeltelijk in de literaire context en completer vanuit de bredere context van zijn wereld en tijd oplicht. Terwijl de exegeet zoekt naar de volledige context van de schrijver houdt hij voortdurend rekening met de mogelijkheid dat hij zijn eigen cultuur in de tekst inleest door de bijbelse uitspraken te harmoniseren met zijn eigen overtuigingen en tradities.

Ook al wordt de boodschap van Gods woord gebracht in culturele vormen, toch zijn de specifieke culturele kenmerken in zichzelf niet de boodschap. Johannes vertelt bijvoorbeeld in zijn evangelie (9:6) dat Jezus op de grond spuugt en van het speeksel modder maakt en dat papje op het oog van de blinde uitstrijkt. Tot welke boodschap wij na een zorgvuldige analyse van Johannes’ bedoeling om dit incident te vertellen ook komen, Gods woord zal niet zijn dat wij het spugen van Jezus als een voorbeeld in onze cultuur moeten navolgen. Wat in een oosterse cultuur een belangrijke en persoonlijke kwaliteit kan hebben (spuug), is in die van ons een smerig iets. Hetzelfde punt kunnen wij maken voor de manieren van preken door reizende evangelisten in het boek Handelingen, het dragen van lang haar of een sluier door vrouwen (1 Kor. 11), of zelfs de speciale positie van vrouwen in de kerk (1 Kor. 14,34-35). Het simpele punt is dat de boodschap van Gods woord voor ons vandaag niet in zichzelf bestaat uit het overzetten van deze culturele patronen uit de 1e eeuw.

Het falen om dit onderscheid te erkennen is vandaag speciaal aan te wijzen bij sommige groepen Jesus People. Zij proberen de boodschap en de cultuur van de wereld van het Nieuwe Testament in hun levensstijl te kopiëren. Zo wijzen sommigen het gebruik van muziek en zang om het evangelie te verspreiden af, omdat “zang in de vroege kerk of door de apostelen nooit gebruikt is om het evangelie te verspreiden.”

Wat verwarring geeft, is dat in de praktijk iedereen wel een bepaald onderscheid maakt. We erkennen allemaal dat Paulus’ opdracht om geen vlees te eten, wanneer ik daarmee een medegelovige aanstoot geef (1 Korintiërs 8), niet specifiek van toepassing is op onze westerse cultuur, waar vlees nooit gebruikt wordt als voedsel om te offeren. Dit is duidelijk een voorbeeld van een cultureel verschil. Iedereen zoekt meteen naar het geestelijke principe of de onderliggende boodschap van deze aansporing om die in onze situatie van vandaag te kunnen toepassen. Dat is goed. Maar juist op dit punt kunnen wij ook op een subtiele manier op het verkeerde been gezet worden. Door namelijk te veronderstellen, dat wanneer er geen enkele cultureel verschil zichtbaar is en de lezing van de tekst zo duidelijk voor ons is, we er automatisch van uit mogen gaan dat we met onze interpretatie goed zitten. Daardoor kunnen we er blind voor zijn dat wij in zulke gevallen onbewust onze eigen culturele equivalenten van de gebruikte bijbelse termen op de tekst projecteren en daarin inlezen.

Zo is het voor sommigen evident dat Paulus uitspreekt dat vrouwen in de kerk een hoofdbedekking moeten dragen en dat mannen hun haar kort moeten houden, (1 Kor. 11: 6, 14). Omdat vrouwen vandaag nog steeds hoeden dragen, moeten zij die in de kerk dragen, en wanneer mannen duidelijk korte en nette bakkebaarden hebben, is het logisch dat kort haar voor mannen ook meer schriftuurlijk is. Toch voelen sommigen zich er ongemakkelijk bij dat Paulus zo eenvoudig begrepen zou moeten worden. Of men negeert dit onderwijs over hoeden of men volgt gewoon de meerderheid in het niet dragen van een bedekking in de kerk. Hoevelen stellen de vraag: wat was de betekenis van het bedekken van het hoofd in het Korinthe van de 1e eeuw?  Of wie vraagt hoe lang ‘lang haar’ was voor mannen in die cultuur en welke betekenis daaraan verbonden was?

Mijn punt is dat wij de principes voor de uitleg die wij min of meer automatisch toepassen in zaken waarin de bijbelse cultuur aanzienlijk verschilt van die van ons, altijd zullen moeten toepassen, zelfs als de zaken voor ons ogenschijnlijk evident zijn. Alleen zo kunnen wij vermijden dat wij onze eigen culturele betekenissen in de tekst inlezen. Dit geldt ook voor bijbelse uitdrukkingen zoals ‘wedergeboren’, die onbewust een eigentijds religieuse en culturele kleur aan kan nemen, (d.w.z. van onze eigen groep). Ons verstaan kan iets anders impliceren dan Jezus’ onderwijs in Johannes 3, maar in ons denken gaan we ervanuit dat het gelijkwaardig is aan het bijbelse begrip. Zo zal het misschien nooit bij ons opkomen, dat Paulus die toch het grootste deel van het Nieuwe Testament schreef, nooit deze term gebruikte om te verwijzen naar iemand die christen wordt. De grote waarde die wij aan deze term hechten en de manier waarop wij de term ‘wedergeboren’ gebruiken, komt veel eerder van onze groep dan uit het Nieuwe Testament.

Recent werd mij in India verteld, hoe bepaalde ‘Hmar christenen in de deelstaat Nagaland beboet waren om een varken te betalen omdat zij christen waren geworden. Het was voor mij gemakkelijk om te veronderstellen dat een varken voor mij hetzelfde was als een varken voor hen. Dat was toch niet het geval. Bij de ‘Hmars word een varken gebruikt als een wettelijke boete voor misdaden als overspel, stelen of het in brand steken van je eigen of andermans  huis. Wat de waarde betreft is een varken vergelijkbaar met die van een auto bij ons. Varkens hebben in Nagaland een sociale betekenis in huwelijksrituelen en bij bepaalde initiatieriten voor jongemannen. Religieus kunnen zij gebruikt worden voor offers aan hun goden en kunnen ze op speciale momenten gedood worden. Het varken is praktisch gezien met elk aspect van het ‘Hmar leven verweven. Het opgeven van een varken als boete voor iemand die christen wordt, betekent veel meer dan het verlies van de prijs die hij voor het dier zou kunnen krijgen, zoals de waarde bij ons bepaald wordt. Ik ervoer een intercultureel probleem in de communicatie. Ook al werd het zelfde Engelse woord gebruikt, de culturele betekenis was totaal anders.

Deze interculturele benadering is ook van toepassing als het gaat om metaforische begrippen zoals ‘hoofd’. Wanneer Paulus over Christus als het ‘hoofd’ van de kerk spreekt (Kol. 1:18), denken wij natuurlijk aan een ‘baas’, ‘directeur’ of ‘president’ van een onderneming of vereniging. Hoewel deze voorstelling niet geheel in het denken van het Nieuwe Testament ontbreekt, is het dichter bij het gedachtengoed van de 1e eeuw om het ‘hoofd’ te zien als dat wat de rest van het lichaam voedt en in stand houdt en tot zijn bestemming brengt, (vgl. Ef. 4:13). In de oudheid zag men het hoofd niet als de zetel van de intellectuele vermogens, of van het verstand, zoals wij dat in onze cultuur doen. Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen.

 

 

 

[1] Alan F. Johnson (Th.D., Dallas Theological Seminary) is Emeritus Professor of New Testament and Christian Ethics van Wheaton College and Graduate School. Hij is de auteur van verscheidene commentaren, waaronder over 1 Korintiers (The IVP New Testament Commentary Series), Openbaring (Expositor’s Bible Commentary), en Romeinen (Everyman’s Bible Commentary).

[2] ‘A bicultural approach to interpretation.’ De oorspronkelijke paragraaf is te vinden op p. 134-136 van Alan Johnson, ‘History and Culture in New Testament Interpretation’, in: Interpreting the Word of God.Festschrift in honour of Steven Barabas, ed. Samuel J. Schultz and Morris A. Inch, Moody Press, Chicago, 1976, p. 128-161.

Bijbelgetrouw?

Laten we wel zijn. Als het over m/v en het ambt gaat, kun je er niet bij voorbaat vanuit gaan dat een exegese ten gunste van de vrouw in het ambt tegen het gezag van de bijbel ingaat en een exegese daartegen in overeenstemming is met het gezag van de bijbel. Net zomin als andersom natuurlijk. Dat betekent dat als je voor bijbelgetrouw gaat, je te allen tijde wat uit te leggen hebt.

Het is duidelijk dat een exegese pro niet strookt met een eeuwenoude traditie waarin op basis van bijbelteksten, mede gelezen door de bril van een hiërarchisch denken, geconcludeerd is dat vrouwen geen ambt in de kerk kunnen vervullen. Maar let wel op: er is ook een eeuwenoude traditie om uitgaande van een soortgelijk hiërarchisch denken op basis van de bijbel te concluderen dat de paus de primus inter pares van de bisschoppen en dus hoofd van de kerk is. Deze laatste traditie en visie op het ambt is in de reformatietijd ter discussie gesteld en uiteindelijk afgewezen.

De vraag is welke criteria je hebt om te bepalen of met een verandering van exegese ook het gezag van de bijbel aangetast wordt.

Gereformeerden hebben in dit verband altijd gestaan voor de vrijheid van de exegese. In de woorden van de christelijk gereformeerde oudtestamenticus B.J. Oosterhoff:

‘Men kan zelfs zeggen, dat de reformatie uit de vrijheid van de exegese geboren is. Ware de exegese gebonden gebleven binnen de traditionele leer van de Roomse Kerk, dan was het nimmer tot reformatie gekomen. Maar de vrije bijbel is door de banden van de traditionele leer der Kerk heengebroken in een vrije exegese.’[1]

Dit beroep op de vrijheid van de exegese is in 2014 ook de grond geweest voor de GKv synode om de mogelijkheid te blijven bieden na te denken over m/v en het ambt:

‘de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.’[2]

Een exegese komt tot stand op basis van allerlei – vaak veel meer impliciete, onuitgesproken dan expliciet gethematiseerde – vooronderstellingen over de tekst, over de context en over het thema of onderwerp dat in de tekst centraal staat.

Als het gaat om de concrete casus waar in de kerken discussie over is, – zoals nu in de GKv over m/v en het ambt[3] -, worden vervolgens om een bijbels verantwoorde visie te bieden ook nog allerlei teksten samen gelezen en met elkaar verbonden. Wanneer daarbij verschillende posities in de bijbelteksten of zelfs tegenstrijdigheden naar voren komen, wordt er aan sommige teksten of serie teksten een groter gewicht toegekend dan aan andere. Of er worden verklarende theorieën gezocht om bepaalde teksten als uitzonderingsposities te kunnen kwalificeren, waardoor ze niet in het opstellen van een algemene lijn of regel meegenomen hoeven te worden.

Het is niet verwonderlijk dat men zo, afhankelijk van de keuzes die men in het interpretatieproces maakt, tot verschillende beoordelingen van de casus komt. Ook binnen de drie zogenaamde kleinere gereformeerde kerken (de GKv, de CGK en de NGK) zijn er in de loop van de 20e eeuw rond het thema m/v en ambt minderheidsposities opgekomen die voor de vrouw in het ambt pleiten.

Hoe taxeer je nu het gegeven dat minderheidsposities een meerderheid krijgen?

De conclusie dat dan de bijbel niet meer veilig is of dat het gezag van de bijbel wordt aangetast, is mij net iets te snel. Juist verschillen in interpretatie zijn een reden om door te vragen naar de gehanteerde (impliciete) vooronderstellingen voor een bepaalde exegese of interpretatielijn. In vind het onjuist om daarbij de eigen interpretatie immuun te maken door te suggereren danwel te claimen dat een daarvan afwijkende interpretatie het gezag van de bijbel aantast.

Interessant blijft wel de vraag naar de grond(en) waarop de GKv synode nu tot een besluit voor de openstelling van de ambten voor vrouwen is gekomen. Dat kan alleen maar doordat zij een ander besluit van haar voorganger ter zijde heeft geschoven. Het besluit:

‘niet in te stemmen met de onderbouwing van de conclusie van de deputaten M/V in de kerk dat het past binnen de bandbreedte van wat als Schriftuurlijk en gereformeerd kan worden bestempeld wanneer naast mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen.’[4]

De grond onder dat besluit luidde:

‘Het doorlopend spreken van de Schrift laat twee lijnen zien. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven; deze beide lijnen dienen verdisconteerd te worden.’[5]

Voorlopig ga ik ervan uit dat het verschil tussen voor-  en tegenstanders van de vrouw in het ambt in de GKv eerder vast zit op de toepassing van deze uit de bijbel afgeleide notie dan dat het gezag van de bijbel zelf in het geding is.

 

[1] B.J. Oosterhoff, De vrijheid der exegese, Kampen, 1976, 7

[2] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Besluit 2b, (p. 41).

[3] Andere hot items zijn b.v. schepping versus evolutietheorie, homoseksualiteit, de gaven van de Heilige geest, de (geloofs- vs kinder)doop, denken over hemel en hel, etc.

[4] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Besluit 2a, (p. 41).

[5] Acta GS Ede 2014-15, art. 18, Grond besluit 2, (p. 41).