Paulus en de scheppingsorde

     –  Verhouding m/v in Gen. 1 en 2

Het afgelopen half jaar heb ik een serie van 6 blogs geschreven over verschuivingen in de 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten in de GKV.

Een van mijn conclusies was dat er in de 90-er jaren van de 20e eeuw een consensus ontstaan is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw.

Op basis van de besluitvorming van de GKV Synode Ommen 1993 over het toekennen van het actief kiesrecht aan vrouwen in onze kerken formuleerde ik deze consensus zo:[i]

‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.’

 

      – Beroep op Paulus bij Rufus Pos

Nu we 25 jaar verder zijn, doet zich het interessante verschijnsel voor dat deze consensus aangevochten wordt door degenen die zich niet kunnen verenigen met het besluit van de GKV Synode Meppel 2017 om nu ook de ambten in de kerk voor vrouwen open te stellen.

Rufus Pos voert in een serie brieven geplaatst op de website van de over dit besluit verontruste GKV-ers  www.bezinningmvea.nl een pleidooi voor een interpretatie van Genesis 1-3, waaruit zou blijken dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’.

Exegetisch gezien is de in de jaren ’90 ontstane consensus gebaseerd op de overweging dat een absoluut opgevatte uitleg van de zgn. zwijgteksten niet – zoals men dat eeuwenlang gewoon was – als interpretatiekader voor de exegese van Genesis 1-3 gebruikt mag worden. Wil men aan deze hoofdstukken recht doen, dan moeten ze allereerst in hun eigenheid uitgelegd dienen te worden.

Gezien wat Pos wil betogen is het niet verwonderlijk, dat hij ter ondersteuning van zijn exegese weer een beroep wil doen op die oude manier van het inlezen van de onderdanigheid van man en vrouw in het scheppingsverhaal. Toch zou hij het gesprek over m/v verder helpen, wanneer hij niet alleen die verouderde exegeses van stal haalt, maar ook zou toelichten hoe hij die ten opzichte van de thans gangbare exegeses verantwoordt. Anders blijft het gewoon een ‘welles-nietes’ debat.

 

     – ‘Hoofd’ in Efeziers 5 : 22 – 33

Veel van de argumenten voor de door Pos voorgestane exegeses van de teksten van Paulus hebben het niveau van: ‘het staat er toch!’, en dan denk ik: ‘hoezo staat dat daar?’

Typerend voorbeeld is zijn exegese van Ef. 5:22-33. Wie de commentaren er op na slaat weet, dat één van de belangrijkste exegetische vragen is: wat betekent het begrip ‘hoofd’ hier?

Wat die vraag betreft schrijft Pos: “De man is het hoofd van zijn vrouw. Daar hoor je iets in van verantwoordelijkheid. En als je nu wil weten wat dat precies inhoudt dan moet je letten op de vergelijking die Paulus maakt. De man is het hoofd van zijn vrouw zoals Christus het Hoofd is van zijn gemeente. Zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen.”

Vervolgens verwijst hij kort naar de uitleg van deze tekst in synoderapporten en -besluiten terzake van het vrouwenkiesrecht en het huwelijksformulier, waarin het ‘hoofd-zijn’ omschreven wordt als ‘dienend gezag of liefdevolle leiding’. Op zichzelf kan hij daarmee instemmen. Het ook wel in dit verband gehanteerde beeld van een ‘koppositie’ -hebben vindt hij maar niets, omdat dat te vrijblijvend is en daarin elke normatieve betekenis ontbreekt. Waaraan hij toevoegt: ‘Paulus roept de vrouw op het gezag van haar man te erkennen, omdat de man het hoofd is van zijn vrouw. Kan het duidelijker!?

In zijn hele betoog stelt Pos zich niet de vraag, wat het begrip ‘hoofd’ betekent. Hij gaat er gewoon vanuit dat het ‘hoofd-zijn’ van de man betekent dat de man gezag over de vrouw heeft, maar hij doet geen enkele poging om dat te beargumenteren.[ii]

 

     –  De term ‘gezag’ bij Paulus

Bijzonder in dit verband vind ik de suggestie die Pos op een gegeven moment doet: ‘Waarom niet de termen gebruiken die we in de Bijbel tegenkomen? Het gaat immers gewoon over gezag!’

Als hij zijn eigen advies opgevolgd zou hebben, zou hij ontdekt hebben dat je er niet vanzelfsprekend vanuit kunt gaan, dat overal waar in de nederlandse vertaling ‘gezag’ staat, griekse woorden of termen gebruikt worden die staan voor ‘zeggenschap hebben over een persoon in een onderdanige positie.’

Zo is de enige keer waarin het meest gebruikelijke griekse woord voor gezag (exousia) in het Nieuwe Testament in relatie tot de verhouding man/vrouw gebruikt wordt 1 Kor. 7:4: ‘Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over zijn lichaam, maar zijn vrouw.’ Ik ben wel benieuwd hoe Pos deze tekst verbindt met zijn visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig moet zijn.

Ook als Pos de zgn. zwijgteksten aanhaalt, gaat hij niet na welke termen of omschrijvingen Paulus precies voor ‘gezag’ gebruikt en hoe die bij hem functioneren. Het enige dat hij doet is ze te citeren:

  • 1 Korinte 11 spreekt Paulus over het ‘hoofd-zijn’ van de man en verwijst dan naar de volgorde waarin man en vrouw geschapen zijn.”
  • Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt (submissive) blijven” (1 Kor. 14)
  • Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen etc.” (1 Tim. 2:12vv).

Het belangrijkste voor Pos is niet de exegese van deze teksten, – die is voor hem kennelijk evident – , maar de conclusie die hij daaraan wil verbinden: “[Paulus] grijpt onbekommerd en uit volle overtuiging telkens terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis.

Als we dan de griekse woorden nagaan die in de NBV in relatie met de verhouding m/v met ‘gezag’ vertaald worden, zijn dat de werkwoorden ‘authentein’ en hupotassein’.

Over ‘authentein’ kan ik kort zijn. Dat is een woord dat alleen in 1 Tim. 2:12 voorkomt. Het heeft niet de normale betekenis van ‘gezag hebben’, maar de klankkleur van ‘domineren, willen overheersen, de macht grijpen’. Dat is wat Paulus de vrouwen verbiedt. Maar met dit verbod is niet gezegd dat vrouwen niet met gezag zouden mogen spreken.

Hupotassein’ betekent 1. aktief: ‘iemand onderwerpen’, 2. passief: ‘onderworpen worden’ en 3. mediaal: ‘zich onderwerpen aan’ / ‘zich schikken naar’ / ‘zich voegen onder’. Vanuit de context zal duidelijk moeten worden op grond waarvan én de wijze waarop men zich dient te ‘onderschikken’. Je kunt er niet automatisch vanuit gaan, dat overal waar Paulus deze term gebruikt hij naar een veronderstelde scheppingsorde verwijst als reden waarom de vrouw zich dient te ‘onderwerpen’.

 

     –  Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal

Aan de vraag hoe de elementen die Paulus aan het scheppingsverhaal ontleent, binnen de context van Paulus’ betoog verstaan dienen te worden, besteedt Pos geen aandacht. Hij denkt kennelijk te weten, dat het over gezag en onderdanigheid gaat, en op basis daarvan voelt hij zich gerechtigd om die veronderstelde ‘gezag- en onderdanigheidsrelatie’ in het verhaal in Genesis 1-3 in te lezen.

Als ik echter lees op welk moment Paulus in Efeziërs 5 een beroep doet op het scheppingsverhaal, dan is dat in het gedeelte dat aan de man gericht is om de mannen er op te wijzen, dat zij hun vrouw moeten liefhebben als hun eigen lichaam. Paulus haalt juist die nauwe eenheid en verbondenheid van man en vrouw uit het scheppingsverhaal naar voren met zijn beroep op Gen. 2:24: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die zullen tot één lichaam zijn’. En Paulus zijn conclusie is dan: ‘Daarom geldt voor elk van u [= mannen] dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man’.

Paulus beargumenteert dus met dit beroep op de schepping helemaal niet de onderdanigheid van de vrouw aan de man, maar hij fundeert daarmee de totale eenheid en liefdevolle verbondenheid van man en vrouw aan elkaar. Als Paulus hier het Griekse woord gebruikt dat in de NBV vertaald wordt met ‘ontzag’ (phobos), dan heeft dat de betekenis van ‘respect’ en ‘eren’ in zich en totaal niet de connotatie van ‘onderdanigheid’, zoals Pos het daar iedere keer over heeft. Paulus neemt hier het woord op, dat hij ook in 5:21 gebruikt: ‘Aanvaard elkaars gezag uit eerbied [phobos] voor Christus’, (NBV).

 

     –  ‘Onderdanig’-zijn bij Paulus

Om op dit punt het verhaal rond te maken nog een enkele opmerking over de manier waarop Paulus het werkwoord ‘hupotassein’ fundeert en gebruikt. Want Paulus heeft het natuurlijk wel over het ‘onderdanig’ zijn van de vrouw aan de man. Het punt is echter dat hij die onderdanigheid niet fundeert op de scheppingsorde, zoals Pos dat veronderstelt.

Ook al kun je je niet beroepen op de scheppingsorde zoals Pos doet, daarmee is niet ontkend, dat er in het christelijke leven en in de kerk – en ook op een vernieuwde aarde – wel van gezag sprake is. Ook is daarmee niet gesteld, dat ‘dat ‘gezag’ en ‘autoriteit’ niet uitsluitend bestaan vanwege de zonde’, zoals Pos uitentreure over visies beweert, waar hij het niet mee eens is. De vraag is wel, waar dat gezag op gebaseerd is, aan wie het verleend wordt en hoe dat ‘gezag oefenen’ dan functioneert. Wat dit betreft vind ik dat Pos tegen windmolens ten strijde trekt en karikaturen bestrijdt, die hij eerst zelf opgeroepen heeft.[iii]

Als het om het functioneren van het werkwoord ‘hupotassein’ bij Paulus gaat zijn er twee parameters te herkennen, die de betekenis bij hem bepalen.

Allereerst is er de context van een samenleving die gebouwd is op een honor/shame-cultuur en een patronagesysteem van ‘patron’ en ‘client’, waarbij de client zich schikt naar de ‘patron’ en die eer betoont, terwijl de ‘patron’ als ‘benefactor’ (weldoener) gunsten en zorg aan de ‘client’ besteedt.

Als tweede wordt dit werkwoord echter inhoudelijk bepaald en ingevuld door het voorbeeld van Christus, zoals Paulus dat in Ef. 5:1-2 aan de kerk in Efeze ten voorbeeld stelt: ‘Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God’. Vandaar dat Paulus de zgn. huistafels over de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, en tussen heren en slaven, ook begint met de algemene aansporing: ‘Onderwerp u aan elkaar uit eerbied voor Christus’, (GNB 1996 Ef. 5:21).

Pos meent deze uitleg te kunnen bestrijden met het argument, dat:

‘als je het woord ‘elkaar’ in deze tekst [Ef. 5:21] op bovenstaande manier uitlegt, loopt het begrip ‘gezag’ helemaal leeg. Wat blijft er van ‘gezag’ over als ik jouw gezag moet aanvaarden en jij mijn gezag? Deze tekst kan m.i. daarom echt niet anders betekenen dan dat je, hoewel allemaal kind van God en dus voor Hem gelijk, toch het door God aan sommigen gegeven gezag zult moeten aanvaarden. Gelijkwaardigheid ontslaat je niet van de plicht om legitiem gezag te erkennen.’

Eerlijk gezegd begrijp ik niet, wat Pos bedoelt met het ‘leeglopen’ van het begrip ‘gezag’. ‘Hupotassein’ gaat niet over het begrip gezag of over het schikken naar een scheppingsorde. Dat is m.i. pure inlegkunde van Pos vanuit een voorbije christelijke cultuur waarin orde en gezag op een patriarchale wijze ingevuld werden. De standaard voor gezag is niet de ‘patron’ tegenover zijn ‘client’, maar de standaard is Christus die zijn leerlingen heeft voorgedaan wat het betekent om in liefde elkaar te dienen. Elk vorm van gezag en van gezaghebbend spreken in de christelijke gemeente is op hem gefundeerd en van hem afgeleid.

 

     –  Conclusie

Samenvattend is mijn conclusie, dat Rufus Pos in zijn brieven er ongefundeerd en onterecht vanuit gaat dat hij Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal kan gebruiken om in Gen. 1-3 te lezen, dat de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Paulus gaat niet uit van de door Pos veronderstelde scheppingsorde met betrekking tot man en vrouw.

 

[i] Zie de betreffende blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[ii] Zie in dit verband de waarschuwing van Alan Johnson: ‘Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen’, mijn vertaling in de blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/23/alan-johnson-over-cultuur-en-bijbellezen/.

[iii] Zie mijn eerdere blog over de wijze waarop Pos de inzichten van Ad de Bruijne weergeeft: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

 

 

Het huwelijksformulier in de 20e eeuw – 1975/2005

Huwelijksformulier 1981

Op de GS Arnhem 1981 werd voor de GKv een nieuw huwelijksformulier vastgesteld. In de jaren ’70 hadden verschillende synodes zich gebogen over een herziening van het Gereformeerd Kerkboek en de formulieren. Toen was door de GS Kampen 1975 bij voorrang al een aangepast huwelijksformulier vastgesteld, dat tijdeljk het formulier uit 1933 moest vervangen. In het nieuwe formulier uit 1981 wordt ten opzichte van het formulier uit 1975 de gezagsrelatie tussen man en vrouw opnieuw aangescherpt.

Stond in de versie van 1975: ‘Zoals Christus het hoofd van de kerk is, is de man het hoofd van de vrouw.’ In de versie van 1981 formuleerde men: ‘Zoals Christus het Hoofd is van de kerk, en gezag over haar heeft, zo heeft de man als hoofd gezag over zijn vrouw.’ Ook werd bijvoorbeeld nog toegevoegd dat de vrouw zich ‘gehoorzaam’ toevertrouwt aan de man.

De achtergrond van deze wijzigingen was, dat men op die manier recht meende te doen aan Ef. 5:22, waar tegen de vrouw gezegd wordt: ‘Weest aan uw man onderdanig als aan de Here’ (NBG 1951).

Toen enkele afgevaardigden pleitten om de term ‘onderdanig’ ook als zodanig in het formulier op te nemen, kwam men na bespreking daarvan echter tot het oordeel: ‘het woord `onderdanig’ in het hedendaags Nederlands steeds meer de gevoelswaarde krijgt van `gedwee, kruiperig, serviel’. Het handhaven van dit woord zou de propagandisten van de emancipatie alleen maar wind in de zeilen geven.

 

Bezwaren 1996

In de loop van de jaren kwamen tegen de formuleringen in het formulier van 1981 steeds meer bezwaren. Toen de kerkenraad van GKv Groningen-Oost zich daarover in 1995 boog, kwam hij tot de conclusie dat deze gegrond waren. Daarom zond hij naar de GS Berkel en Rodenrijs 1996 een voorstel om het formulier op een vijftal punten aan te passen.

De belangrijkste betrof de exegese van Efeziers 5. De kerkenraad was van mening, dat het duidelijk is dat ‘gezag/leiding en volgen/gehoorzaamheid helemaal buiten Paulus’ betoog van Ef. 5 valt. Het is dus geen blijk van verkeerde emancipatie als met name zusters in de gemeente zich aan deze typeringen van de man/vrouw-relatie storen.’

Men stelde voor om deze passage zo aan te passen:

‘Zoals Christus er is voor zijn gemeente, zo is ook de man er voor zijn vrouw. Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zijn leven voor haar heeft gegeven, zo moet ook de man zijn vrouw liefhebben als zichzelf, voor haar zorgen en haar geborgenheid geven. Zoals de gemeente zich zonder reserve toevertrouwt aan Christus, zo moet ook de vrouw zich met liefde toevertrouwen aan haar man en hem helpen in alles wat naar Gods wil is. Door zo elkaar met liefdevol respect te aanvaarden, zullen man en vrouw hoe langer hoe meer de eenheid van Christus en zijn gemeente laten zien.’

Daarom stelde men ook voor om van man en vrouw dezelfde belofte te vragen, namelijk elkaar wederzijds ‘lief te hebben en te dienen.’

Een ander belangrijke wijziging betrof de taakverdeling in het huwelijk.

In het formulier in 1981 werd de man voorgehouden: ‘Wees trouw in de uitoefening van uw beroep, zodat u in staat bent uw gezin te onderhouden en andere mensen te helpen’. Terwijl tegen de vrouw werd gezegd: ‘wees uw man tot hulp, en zorg ook goed voor uw gezin. Leeft ingetogen en tooi u met het sieraad van goede werken, die God wil belonen in dit en het toekomstige leven’.

De kerkenraad vond dat deze tweedeling (de man buitenshuis z’n beroep, de vrouw binnenshuis haar gezinstaak) allang niet meer spoorde met de praktijk, terwijl het ook onjuist was ‘aan de feitelijke werkverdeling uit de bijbelse tijd een norm te ontlenen voor alle tijden.

Men stelde voor om niet een bepaalde taakverdeling als de enig ware op te nemen. Om deze zaak wel op het ‘juiste’ niveau te brengen, stelt men als formulering voor om beiden voor te houden: ‘Weest trouw in de uitoefening van de taken die God u geeft. Dan bent u samen in staat uw gezin te verzorgen en andere mensen te helpen.’

Naast de kerk van GKv Groningen-Oost kwam ook de kerk van GKv Zwolle-Centrum op de synode in 1996 met een voorstel voor een herzien huwelijksformulier. In de onderbouwing daarvoor wees men op soortgelijke bezwaren als de kerkenraad van Groningen-Oost aanvoerde.

De GS Berkel en Rodenrijs 1996 achtte de aangevoerde bezwaren zo reëel, dat deze haar inziens een herziening op deze punten wettigde. Ze besluit daarom meteen al een herzien formulier vrij te geven en deputaten op te dragen ‘verder te werken aan herziening van het huwelijksformulier met verwerking van reacties uit de kerken op het voorgelegde formulier en aan de volgende synode voorstellen dienaangaande te doen.’

 

Huwelijksformulier 1999

Zo komt het dat er op de synodetafel van de GS Leusden 1999 een voorstel ligt voor een nieuwe redactie van het huwelijksformulier. Als we de belangrijkste m/v-teksten bij langs gaan, dan zien we dat daarin de volgende exegeses verwerkt zijn:

     a.  Instelling

Gen 1:27 wordt zo uitgelegd, dat God de mens als man en vrouw schiep naar zijn beeld en hun samen de opdracht gaf de aarde te beheren en in cultuur te brengen. In Gen 2:18-23 blijkt dat God eerst de man geschapen heeft en vervolgens de vrouw maakt als ‘hulp die bij hem past’. Omdat de term ‘hulp’ misverstaan kan worden, wordt deze passage weergegeven als: ‘Hij miste iemand met wie hij het leven kon delen’. Wat dat concreet betekent wordt o.a. uitgewerkt in de paragraaf ‘Wederzijdse verplichtingen’ als: ‘Aanvaard haar liefdevolle steun als de hulp die Christus u geeft’. Zo verbindt God man en vrouw aan elkaar, ‘zodat zij een unieke levenseenheid vormen.’

     b.  Doel

Man en vrouw zullen elkaar in liefde toebehoren en uit zijn op het belang van de ander, zodat beiden tot bloei komen. Samen zullen zij hun leven wijden aan God en elkaar helpen op de weg naar het eeuwige leven.

Wanneer ze kinderen krijgen, zullen ze als vader en moeder het beeld van God vertonen in zorg en liefde voor hun kinderen. Ten slotte geeft God hen ook een plaats in de samenleving, waar ze zich zullen inzetten voor de leden van Christus’ gemeente en voor alle mensen die God op hun weg plaatst.

     c.  De onderlinge verhouding

Als het over de onderlinge verhouding gaat, komt allereerst de eenheid naar voren. Met een beroep op Gen. 1:27, Ef. 5:21 en Gal. 3:28 wordt gezegd, dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn ‘om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen.’ Dat vraagt ‘om wederzijds respect, waarbij liefdevolle trouw de toon aangeeft.’

Binnen deze eenheid hebben man en vrouw ieder een eigen plaats. Onder verwijzing naar Ef. 5:22-23 wordt gezegd, dat de man in navolging van Christus met liefde en zelfverloochening hoofd behoort te zijn van zijn vrouw: ‘Als eerstverantwoordelijke moet hij haar voorgaan in het leven met de Here. Hij zal zorg dragen voor haar welzijn en haar geborgenheid geven.’

De vrouw bewaart de eenheid door recht te doen aan de plaats van haar man: ‘Zoals de gemeente zich aan Christus toevertrouwt en zich door Hem laat leiden, zo moet de vrouw zich toevertrouwen aan haar man en hem volgen in het dienen van de Here. Zij zal hem helpen bij alle dingen die naar Gods wil zijn, en liefdevol het leven met hem delen.’

Uit de toelichting door deputaten blijkt, dat men het ‘hoofd-zijn’ bewust niet heeft willen omschrijven met de begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’  Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

Tegen (herinvoering van) het woord ‘gezag’ in het formulier pleit, dat Paulus dit woord niet gebruikt. Daarbij komt dat ‘gezag’ voor velen een negatieve lading heeft net zoals het woord ‘onderdanigheid’.

In het ‘hoofd-zijn’ ziet men twee gedachten tot uitdrukking gebracht: zowel verantwoordelijkheid als levenseenheid. Verantwoordelijkheid omdat Adam als eerste geschapen is en een levenseenheid omdat de vrouw een positie niet ondergeschikt aan, maar naast haar man heeft gekregen.

Het kernelement van Ef. 5:21 is het aan het elkaar onderdanig zijn, wat betekent ‘gericht zijn op de ander’: ‘de man moet niet de baas spelen over zijn vrouw, de vrouw moet niet proberen haar man naar haar hand te zetten.’ Voor de man betekent dat zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam, haar geborgenheid geven en haar steun aanvaarden als hulp. Voor de vrouw betekent dat die geborgenheid aanvaarden, maar ook als ‘hulp tegenover hem’ liefdevolle steun geven en de man aanspreken op zijn verantwoordelijkheid.

Van belang is dat bij de besluitvorming door de synode expliciet een amendement, waarin werd voorgesteld in dit onderdeel ook de tekst Gen. 3:16 in de marge te vermelden en de betekenis daarvan voor man en vrouw in het huwelijk te laten verwoorden, met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen werd. Dit betekent dat de aloude visie dat het de wil van God is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren, definitief niet meer in de GKv van kracht is.

     d.  De wederzijdse verplichtingen

In overeenstemming met de geschetste onderlinge verhouding wordt eerst als gemeenschappelijke verplichting de gehuwden voorgehouden ‘in liefde voor elkaar te zorgen.

Vervolgens wordt dat verschillend uitgewerkt: voor de man als hoofd om ‘haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn en voor haar te zorgen en haar geborgenheid te geven’ en voor de vrouw in het aanvaarden van de man als hoofd door ‘zijn liefdevolle zorg en geborgenheid te aanvaarden en hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die naar Gods wil zijn.’

Tenslotte zijn alle specifiek geachte mannen-  en/of vrouwenrollen en -taken uit het formulier geschrapt. Aan man èn vrouw wordt voorgehouden ‘samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin te dragen, trouw te zijn in de uitoefening van de taken die God hen geeft en zo tot een zegen te zijn in de gemeente en in de samenleving.

Deputaten geven aan bewust niet ‘een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij te willen geven.’ Belangrijk argument daarvoor is allereerst dat man en vrouw naar zijn beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast mogen wij ‘niet aan méér binden dan de Schrift doet.’ Wel zijn ze van mening, dat God alleen aan de vrouw het geschenk van het moederschap geeft. Dit eigene zien zij terug in Gen. 3:16 en 1 Tim. 2:15.  Vandaar dat zij in het gedeelte gericht op de vrouw haar taak in het gezin apart benoemen. Omdat de vaders ook een belangrijke taak in het gezin hebben, wordt vervolgens ook gesproken over ‘de gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin.

 

Revisieverzoeken 2002

Op de GS Zuidhorn 2002 ligt van zowel van enkele kerken als van particulieren verzoeken tot revisie van het besluit uit 1999 inzake het nieuwe huwelijksformulier. Ook vanuit het buitenland (Canada en Australië) komen via het deputaatschap Betrekkingen Buitenlandse Kerken op de synode vragen van zusterkerken over het nieuwe huwelijksformulier binnen. Wat de exegese van m/v-teksten betreft wordt o.a. gepleit voor de volgende elementen:

  1. bij de verhouding in het huwelijk moet de verscheidenheid voorop staan;
  2. er moet meer accent liggen op het hoofd-zijn van de man;
  3. het is een verdraaiing van Gen. 2:18 dat de gehuwden elkaar tot hulp moeten zijn.

Na bespreking worden deze bezwaren afgewezen met als grond:

  1. het is niet bewezen dat in het geheel van de Schrift de verscheidenheid van man en vrouw voorop staat;
  2. dat de man het hoofd is van de vrouw, komt in het formulier voldoende naar voren;
  3. het is niet in strijd met de Schrift te stellen, dat man en vrouw elkaar tot hulp dienen te zijn.

 

Terzijdestelling door de DGK(h) in 2005

In 2003 scheiden bezwaarde GKv’ers die zich geconcentreerd hadden rond het blad Reformanda van dr. P. van Gurp, zich af van de GKv en vormen een nieuw kerkverband: de herstelde Gereformeerde Kerken, aangeduid als de DGK(h).

Op hun eerste synode, de GS Mariënberg 2005, distantiëren ze zich van een groot aantal recente besluiten in de GKv. Zo wordt ook het nieuwe huwelijksformulier uit 1999 vervallen verklaard.

Belangrijke overwegingen zijn dat de termen ‘gezag‘, ‘leiden‘ en ‘gehoorzaam toevertrouwen‘ zijn verdwenen en dat met betrekking tot de positie van man en vrouw in het huwelijk veel nadruk wordt gelegd op het gelijk-zijn in Christus en op het recht doen aan elkaars positie als uitleg van ‘het hoofd zijn van de man zoals Christus hoofd is van zijn gemeente.’ Ook heeft men moeite met het besluit van de GS Zuidhorn 2002, dat de verscheidenheid van de man en de vrouw in het huwelijk voorop staat in het geheel van de Schriften.

Als gronden voort men daar o.a. voor aan:

  1. in het formulier van de GS Berkel en Rodenrijs 1996 wordt onvoldoende recht gedaan aan wat de bijbel leert over de door de Here al bij de Schepping ingestelde verhouding tussen man en vrouw met de daaruit voorvloeiende onderscheiden taken (Spreuken 31, 1 Kor. 11:7-10; 1 Kor. 14:34; Ef. 5:22-33; 1 Tim 2:13-15; Titus 2:4; 1 Petrus 3:1-7).
  2. Hoewel de tekst van het huwelijksformulier van GS Leusden 1999 op punten een verbetering is, wordt nog steeds op het belangrijke punt van de verhouding tussen man en vrouw, en hun onderscheiden taken, geen goed Bijbels onderwijs gegeven. In een samenleving waarin de gelijkheid tussen man en vrouw een onschriftuurlijk streven is, wordt op dit punt niet de wacht betrokken bij de secularisatie van de kerkleden.
  3. De GS Zuidhorn 2002 neemt nog duidelijker afstand van het onderwijs van de Schriften met betrekking tot de verscheidenheid tussen man en vrouw in het huwelijk.

In plaats van het nieuwe formulier uit 1999 wordt het huwelijksformulier zoals dat in 1981 vastgesteld werd en in 1984 in het Gereformeerd Kerkboek is opgenomen, opnieuw door de DGK(h) ingevoerd.