Bijbelgetrouw

Er staat veel op het spel op de GKv synode die nu vergadert. Het gaat niet alleen over hoe je concrete bijbelteksten over de verhouding van de man en vrouw uitlegt, maar ook over de vraag wat je daar vervolgens mee doet. Hoe pas je de gevonden bijbelse inzichten anno 2020 toe?[1]

De vraag waar de synode zich over moet buigen is, of wij met betrekking tot de positie van de vrouw in de kerk op bijbels verantwoorde wijze tot andere keuzes mogen/kunnen komen dan die ons in de traditie zijn overgeleverd. Is er ruimte om van mening te verschillen zonder dat de rode kaart van ontrouw aan Gods woord wordt getrokken? Dat oordeel over het ‘m/v-besluit’ uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten hangt als een zwaard van Damocles boven de synode. Het is de achtergrond van verschillende verzoeken om revisie van dat besluit.[2] Het is ook het oordeel van enkele buitenlandse kerken, die de afgelopen week om die reden de banden met de GKv als zusterkerken verbroken hebben.[3]

In deze blog ga ik in op de historische context van de vraagstelling waar de synode voor staat. Die wordt namelijk bepaald door de worsteling in het spanningsveld tussen bijbel en cultuur, waar de gereformeerde kerken sinds 1900 steeds meer mee te maken hebben gekregen. In het dossier ‘vrouw en kerk’ klinken de hele 20e eeuw door de waarschuwingen tegen de invloed van de tijdgeest, die zich zou uiten in individualisme, emancipatiezucht en gelijkheidsdenken.[4] Hoe verhoud je je als christen tot de moderne samenleving? Is aanvaarden van elementen daaruit in strijd met Gods woord, wanneer in de bijbel de samenleving duidelijk op een andere wijze geordend is dan vandaag? Hoe bepaal en verantwoord je dat?

In het eerste deel geef ik de visie van Herman Bavinck op de verhouding tussen geloof en samenleving weer. In het tweede deel beantwoord ik de vraag hoe je in het dossier ‘vrouw en kerk’ recht doet aan de normativiteit van de bijbel. In het derde deel laat ik zien op welke wijze men in de argumentatie pro en contra het ‘m/v-besluit’ omgaat met de normativiteit van de bijbel, waarna ik eindig met een korte samenvattende conclusie.


  • Herman Bavinck

Dat de vragen rond geloof en samenleving op de gereformeerde agenda zijn komen te staan is grotendeels te danken aan het werk van de 19e– en vroeg 20e-eeuwse gereformeerde theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck. Het doel van Abraham Kuyper was om kerk en theologie in rapport met de tijd te brengen, terwijl de spits van het werk van Herman Bavinck lag in de bezinning op de verhouding tussen ‘het oude geloof en de moderne cultuur, de orthodoxie en de moderniteit.’[5] Ik noem twee publicaties, waarin hij op deze verhouding ingaat.

Allereerst is er zijn rectorale rede van 18 december 1888: ‘De Katholiciteit van Christendom en Kerk.’ Zijn uitgangspunt daarbij is dat ‘het Evangelie een blijde boodschap is, niet slechts voor de enkele mens, maar ook voor de mensheid, voor het gezin en de maatschappij en de staat, voor kunst en voor wetenschap, voor de ganse kosmos, voor heel het zuchtend creatuur.’ Daarom is het geloof algemeen of katholiek: ‘aan geen tijd of plaats, aan geen land of volk gebonden; het kan ingaan in alle toestanden, zich aansluiten aan alle vormen van het natuurlijke leven, het is geschikt voor alle tijden, is tot alle dingen nut, komt te pas onder alle omstandigheden; vrij is het en onafhankelijk, want het bestrijdt niets dan de zonde alleen, en reiniging is er voor alle zonde in het bloed van het kruis.’ Bavinck waarschuwt daarom tegen een piëtistische en ascetische beschouwing van de wereld en haar cultuur en pleit voor ‘een methodisch, organische hervorming van het geheel, van de kosmos, van volk en van land’ en voor ‘een hervorming van het openbare leven naar de eis van Gods Woord.’ In dit alles prijst hij als ideaal ‘het geloof van hem die, het koninkrijk der hemelen als een schat bewarend, het tegelijk indraagt in de wereld, verzekerd dat Hij die voor ons is, meer is dan die tegen ons is, en machtig om ook te midden der wereld ons te bewaren voor het kwaad.’

In 1911 sprak Bavinck een rede uit, waarin hij expliciet de gevoelde tegenstelling tussen ‘Modernisme en orthodoxie’ thematiseert. Nadat hij uitvoerig de ontwikkeling van cultuur en wetenschap in de 19e eeuw beschreven heeft, verbindt hij daar de verwachting aan dat men nog maar aan het begin van een nieuwe ontwikkeling staat: ‘God is bezig, grote dingen in deze tijden te doen.’ Juist op grond van de voorzienigheid van God roept Bavinck zijn toehoorders op om ‘dankbaar en hoopvol de wereld die Hij door de wetenschap ons kennen doet en in wier midden Hij ons een plaats gegeven heeft’ te aanvaarden. Daarom hecht Bavinck ook aan de naam ‘gereformeerd’. Daarin ligt ‘enerzijds opgesloten aansluiting aan het verleden, historische continuïteit, handhaving van de Christelijke belijdenis, zoals ze in de Reformatie overeenkomstig de Heilige Schrift van Roomse dwalingen gezuiverd werd; en anderzijds de eis en de plicht, om naar deze Schriftuurlijke en historische beginselen leer en leven van eigen persoon en gezin, en voorts van onze ganse omgeving voortdurend te herzien. Reformati quia reformandi en omgekeerd.’

Als grond voor deze aanvaarding van de moderne cultuur verwijst Bavinck net als in zijn rede over ‘De katholiciteit van Christendom en Kerk’ naar ‘de eenheid van God, dat is de eenheid van de God van de natuur en van de God van de genade’:  ‘De Schepper van hemel en aarde, in wie alle schepselen leven en zich bewegen en zijn, die onvergelijkelijk, onbegrijpelijk, oneindig en eeuwig is, Hij is tevens de Vader van onzen Heere Jezus Christus en in Hem de Vader van al zijn kinderen.’ Daarom kan er geen scheiding zijn tussen wereld en kerk, wetenschap en geloof, of geloof en leven.

Voor de christen betekent de aanvaarding van de moderne cultuur de roeping om ‘tegenover de ontzaglijke problemen waar de wetenschap en het leven ons voor plaatsen’, de katholiciteit van het christendom te bewijzen door te laten zien dat het evangelie ‘een woord is voor alle volken, tijden en toestanden.’ Met al de hulpmiddelen, die de wetenschap en de cultuur ons ten dienste stellen, hebben wij de waarheid van God in zijn algemene openbaring in geschiedenis en natuur en bijzondere openbaring in de Heilige Schrift te leren verstaan en tot ons geestelijk eigendom te maken.

Deze visie op de verhouding van geloof en het moderne leven is voor Bavinck zelf een belangrijke motivatie geweest om in zijn latere theologische leven zich uitgebreid te verdiepen in de eigentijdse filosofie, psychologie en pedagogie, om zich actief in te zetten in de politiek en voor het onderwijs, alsmede in de bezinning op de ontwikkelingen in de samenleving. Zo bracht Bavinck ‘steeds dat oude gereformeerde geloof ter sprake, omdat hij ervan overtuigd was dat binnen deze kaders ook in de moderne wereld de weg moest en kon worden gevonden.’[6]


  • Normativiteit  

De vraag die ons vandaag bezighoudt is, hoe je de ontwikkelingen in de moderne samenleving dient te taxeren. De bezinning op die vraag bracht Abraham Kuyper en Herman Bavinck in hun tijd tot een opnieuw doordenken van de Schrift- en openbaringsleer. In zowel kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd formuleerde Bavinck de leer van de ‘organische inspiratie’.[7] Met dit begrip vraagt Bavinck aandacht voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.

Voor het Schriftberoep betekent dit dat rekening moet worden gehouden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis. Ook dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

De bijbel is het middel waardoor God vandaag tot ons spreekt, maar niet het einddoel van zijn openbaring. Ook al bestaat de openbaring voor ons ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, Bavinck’s visie is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.’ Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. In de bedeling van de Geest brengt God zelf door middel van zijn Geest via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.

Met betrekking tot de vraag naar de positie van de vrouw in de bijbel is het daarom belangrijk het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel in rekening te brengen. Bavinck laat zien, dat er onderscheid is tussen het woord van God in formele en in materiële zin, zonder dat deze gescheiden kunnen worden. Rekening houdend met het organisch en historisch geheel van de openbaring zullen het dogma en de levensregels op de Schrift gegrond en daaruit afgeleid moeten worden. De bijbel is geen wetboek. Niet alles wat in de bijbel gezegd, beschreven en voorgeschreven is, heeft het stempel ‘Gods Woord’ als was het onderdeel van een wetboek vol artikelen. De openbaring is gegeven in de vorm van de geschiedenis. Daarom zijn de context, het historische verband en de fase in de heilsgeschiedenis belangrijke parameters om het soortelijk gewicht van de bijbeltekst vast te stellen. Er is een onderscheid tussen historisch en normatief gezag.


  • Pro en contra het ‘m/v-besluit’

In de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ is het zeer verwarrend, dat men met dit onderscheid tussen het historisch en het normatief gezag van de bijbel nauwelijks of geen rekening lijkt te houden.

Dit manco is het meest duidelijk in het oordeel van Anthony Curto, de afgevaardigde van de Orthodox Presbyterian Church uit Amerika, afgelopen week op de synode: ‘In jullie uitspraken lijkt het alsof de Bijbel tegengestelde dingen kan zeggen. Of dat hij voor een bepaalde tijd is geschreven, waarmee je ondermijnt dat de Bijbel waar is voor altijd.’ Maar dit verwijt van onzorgvuldig argumenteren treft ook categorische uitspraken als: ‘De bijbel zegt duidelijk dat God aan man en vrouw een verschillende rol heeft toebedeeld’[8] en ‘Uit het bijbels onderwijs blijkt dat er een onderscheid is tussen mannen en vrouwen, ook als het gaat om de roeping tot het bijzonder ambt.’[9]

Al deze uitspraken hebben alleen geldingskracht, wanneer de voorvraag gesteld en beantwoord is, of datgene wat de bijbel op dit punt historisch gezien leert of uitspreekt ook normatief als Gods woord geduid en zo ons vandaag voorgehouden moet worden. Hoewel de formele en materiële betekenis van de uitdrukking ‘de bijbel is Gods woord’ nauw met elkaar verbonden zijn, moet je in de toepassing van de bijbel je rekenschap geven van de wijze waarop deze beide betekenissen zich tot elkaar verhouden.

Het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, is mede gebaseerd op de rapporten ‘Pijnpunten rond vrouw en ambt’ en ‘Samen dienen’ van deputaten ‘M/V en ambt’. Wat je verder ook van de inhoud van deze rapporten vindt, deputaten hebben zich uitgebreid rekenschap gegeven van de wijze, waarop zij in dit dossier de bijbel gebruiken. Principieel gezien hebben zij het volste recht om reliëf en gelaagdheid aan te brengen in de gegevens, die ze in de bijbel over de positie van de vrouw bijeen hebben gelezen. Dat doen ze bijvoorbeeld in alinea’s als de volgende twee:

In het voorgaande schemerde al even door dat de houding jegens vrouwen wel eens zeer cultuurbepaald geweest zou kunnen zijn. In het Oude Nabije Oosten heerste sowieso een sterk patriarchale cultuur, waarin de vruchtbaarheid (van de vrouw) een centrale kwaliteit vormde. Het is dan ook niet verwonderlijk als de Israëlitische cultuur daar herkenbare trekken van mee krijgt. In dat kader is de vraag van belang of en in hoeverre de geboden van en de omgang met God heilzaam genezend inwerkten op dit aspect van de cultuur.[10]

Wie reflecteert op het beeld dat de Bijbel van vrouwen tekent, komt vroeg of laat onder de indruk van de complexiteit. Dat hangt vooral samen met de dynamiek in Gods openbaring. Het evangelie is een in zichzelf consistent verhaal. Maar het groeit wel procesmatig de wereld in. Het is dus zaak die stapsgewijze voortgang te honoreren; dat wordt in de gereformeerde traditie wel aangeduid als Gods pedagogische progressie. Daarbij is ook nog eens sprake van een zeer wisselende context. Door heel de Bijbel heen is die context herkenbaar, met als gevolg dat het verhaal van de Bijbel van A tot Z cultureel gekleurd is. Dat complex levert in de duiding van de Schriftgegevens ook problemen en uiteraard missers op.[11]

Deputaten laten hier op het punt van de positie van de vrouw in de bijbel zien, wat Bavinck bedoelde met zijn inzicht dat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.[12] Mede op basis daarvan kunnen zij verantwoord de conclusie trekken dat er ‘Schriftuurlijke gronden zijn om vrouwen van de gemeente te roepen tot de dienst van predikant, ouderling en diaken.’


  • Samenvattende conclusie

Het is in de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ gemakkelijk om het predikaat ‘bijbelgetrouw’ te claimen. Wanneer men echter in dat oordeel geen rekening houdt met het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel, leidt dat veeleer tot biblicisme dan tot werkelijke trouw aan de bijbel als Gods woord.


[1] In de hermeneutiek is het onderscheid tussen uitleg en toepassing van wezenlijk belang. Wanneer je aan dit onderscheid voorbij gaat, dan verval je tot biblicisme. Zie voor dit onderscheid en voorbeelden van wat biblicisme is, mijn blog over hermeneutiek: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[2] Voor een analyse en beoordeling van de ingebrachte bezwaren tegen de openstelling van het ambt voor de vrouw zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

[3] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/11/stokkend-gesprek/. Dit oordeel komt m.i. niet alleen voort uit een ander verstaan van de bijbel, zoals dr. Dean Anderson namens de Free Reformed Churches of Australia op de synode naar voren bracht: ‘Als je de Bijbel anders gaat verstaan, heb je opeens een ander geloof en een ander fundament’, maar dit anders verstaan zelf komt voort uit een andere visie op de relatie tussen de bijbel en de openbaring van God. Er is een wisselwerking in de visie op de bijbel en het verstaan van de bijbel. Deze relatie heb ik onderzocht in mijn blog over een beoordeling van het ‘m/v-besluit’ vanuit de Hersteld Hervormde Kerk: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/. Zie ook hierna in deze blog de bespreking van de ‘organische inspiratieleer’, zoals Herman Bavinck deze ontwikkeld heeft.

[4] Van september 2017 t/m maart 2018 heb ik in een groot aantal blogs de exegetische en hermeneutische argumentatie in het dossier ‘vrouw en kerk in de 20e eeuw’ geanalyseerd. Voor een samenvattende conclusie en nabeschouwing, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[5] Zie George Harinck, ‘De gereformeerde spiritualiteit van Herman Bavinck (1854-1921)’, in: H.J. Selderhuis, R. Kuiper, W.J. Ouweneel, G. Harinck, H. Medema, Wandelen met God. Spiritualiteit in de negentiende eeuw, Vaassen: Uitgeverij Medema, 2001, p. 75-94. Citaat op p. 77.

[6] George Harinck, a.w., p. 90. Voor de wijze waarop Herman Bavinck in 1917 de 1e Kamer een pleidooi voerde voor het kiesrecht van de vrouw, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/. Zijn rede heeft hij in 1918 uitgewerkt tot het boek ‘De vrouw in de hedendaagsche maatschappij’, waarin hij zich op het punt van de emancipatie van de vrouw sterk progressief betoonde. Het meest opmerkelijke is dat hij daarin een voor zijn tijd ongekende en ruimhartige verdediging biedt van het vrouwenkiesrecht in de kerk. Voor het boek en de reacties daarop, zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 260-262.

[7] Voor een schets van de organische inspiratieleer van Herman Bavinck met verwijzing naar zijn Dogmatiek, zie mijn al genoemde blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/, onder par. 2.3. ‘Openbaring’, waar ik hier deels uit put.

[8] Ds. J.J. Schreuder op de synode van 2005 bij de instelling van het deputaatschap dat onderzoek moet gaan doen naar de positie van de vrouw in de kerk.

[9] ‘Appèl’ op de GS Goes 2020 van de Kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ in ‘Open brief’ d.d. 14 december 2019. Zie over dit ‘Appèl’ mijn blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/ en https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.  

[10] Deputaten ‘M/V en ambt’, Samen dienen. Rapport aan de GS Meppel 2017, p. 10.

[11] Idem, a.w., p. 11.

[12] In eerdere blogs heb ik ook aandacht geschonken aan de bijbelse patriarchale cultuur en op soortgelijke wijze als deputaten beargumenteerd, dat wanneer God zich in zijn openbaring aansluit bij de patriarchale cultuur, dit niet impliceert dat die cultuur zelf ook door God normatief verklaard is, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/patriarchale-cultuur/, alsmede https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/06/gods-gebod-en-de-cultuur/.

Appèl

De kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ heeft op 14 december 2019 als appèl een ‘Open Brief‘ geschreven aan de Generale Synode van de GKv die afgelopen november in Goes gestart is.[i] Deze synode zal zich buigen over de verzoeken om het besluit van de GS Meppel 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, te herzien.

De ‘Open Brief‘ roept de GS Goes 2020 op om in haar bezinning op deze revisieverzoeken:

  1. bij de beoordeling daarvan de eenheid met de christelijke kerk weer uitdrukkelijk te zoeken;
  2. het Woord bij de overwegingen en beraadslagingen de beslissende stem te laten hebben;
  3. dat vervolgens ook te laten zien in (de onderbouwing van) de besluiten.

Voor een vergadering van gereformeerde kerken lijken mij dit vanzelfsprekende uitgangspunten en ik neem aan dat het ook de intentie van de synodeleden is om hun werk in overeenstemming met deze criteria te doen. Net zoals ook de leden van de vorige synode ongetwijfeld deze intentie hadden.

De reden voor de bezinningsgroep om de komende synode toch hiertoe aan te sporen, is dat men vindt dat de vorige synode het op deze punten in de praktijk heeft laten afweten. Het appèl is vooral een poging te beargumenteren, dat het besluit om de vrouw in het ambt toe te laten niet vanuit ‘het Woord’ onderbouwd is en daarmee strijdt met ‘het Woord’ en ook nog eens ‘de eenheid van de christelijke kerk’ verbreekt.  

Het lastige van deze ‘Open Brief ‘vind ik, dat men zich zo inhoudelijk verbonden heeft met de positie dat de vrouw het ambt niet mag bekleden, dat een andere uitkomst dan het honoreren van de revisieverzoeken niet acceptabel is. In hun optiek kan namelijk geen enkele onderbouwing vanuit ‘het Woord’ leiden tot de openstelling van het ambt voor de vrouw. Vrouwen en mannen gelijkwaardig laten dienen in het ambt betekent voor hen het accepteren van ‘de gelijkheidsideologie’ en ‘de culturele ontwikkelingen als leidraad nemen en die vervolgens te ‘vullen’ met bijbelse gegevens’.

Behalve dat deze ‘Open Brief‘ geen ruimte biedt voor een andere uitkomst dan het afwijzen van de vrouw in het ambt, heb ik grote moeite met enerzijds de tendentieuze wijze waarop het besluit van de GS Meppel 2017 wordt weergegeven en weggezet, anderzijds de manier waarop de impact van dit besluit op de vrijgemaakte kerken boven proportionaliteit wordt opgeblazen.

Om met dat laatste te beginnen. De besluiten zouden ‘tot grote verdeeldheid in de kerken geleid hebben’ en hebben ‘bij veel leden van de GKv een sterk gevoel van vervreemding doen ontstaan’. Dat kan de beleving van de bezinningsgroep zijn, maar feitelijk gezien heeft nog geen 10% van de kerken een revisieverzoek bij de synode ingediend, terwijl 66% van de kerken de ambten voor vrouwen heeft opengesteld. De overige kerken hebben veelal besloten om de definitieve besluitvorming op de komende synode af te wachten.

Tendentieus is de bewering, dat de grond voor het besluit van de GS Meppel de visie is ‘op de verhouding van Oude en Nieuwe Testament, die inhoudt dat in toenemende mate de bevrijding van de vrouw uit de beklemming van mannelijke overheersing zichtbaar wordt, met uiteindelijk de totale verlossing door Jezus zelf’. In het synodebesluit komen de termen ‘bevrijding van de vrouw’ en ‘de beklemming van de mannelijke overheersing’ niet voor.

Even misleidend is de stelling dat er geen grondige confrontatie heeft plaatsgevonden met de onderbouwing van de traditionele opvatting dat alleen de man in het ambt mag dienen. Dat de leden van de bezinningsgroep en dat de zusterkerken in het buitenland daardoor niet overtuigd zijn, dat is mogelijk. Maar tot twee maal toe confronteert het besluit van de GS Meppel zich met de zwijgteksten als grond voor de traditionele opvatting en verklaart het dat deze ‘in zichzelf geen onbetwistbare grond kunnen zijn om in onze tijd en omstandigheden vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en het regeerambt’ en dat het voorschrift om te zwijgen ‘in ieder geval niet opgevat kan worden als een absoluut verbod tot (s)preken in de eredienst’.

De veronderstelling dat ‘de onderbouwde bezwaren en studies van onze zusterkerken in binnen- en buitenland in de afwegingen niet zichtbaar meegewogen zijn’ lijkt me ook vooringenomen en zeer onwaarschijnlijk, waar in het materiaal dat in de besluitvorming van de GS Meppel meegenomen is o.a. een brief omvat ‘van de Canadian Reformed Church (24-01-2017) waarin wordt ingegaan op het hoofdstuk 2 van het rapport Samen dienen’ en een ‘schriftelijke reactie van de VGKSA op vragen van de synodecommissie M/V en ambt (22-05-2017)’.

Tenslotte, ik stem van harte in met het uitgangspunt van de brief dat wij geroepen zijn tot ‘de gehoorzaamheid aan het Woord van Christus’. Dat deze gehoorzaamheid gekoppeld moet worden aan het uitsluiten van de vrouw in het ambt, wordt door de bezinningsgroep – ondanks alle aangewende retoriek in de verwijzing naar bijbelteksten – vooral verondersteld, maar hermeneutisch noch exegetisch beargumenteerd of aangetoond. Voor een laatste appèl lijkt me dat een gemiste kans.


[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/appel-op-de-generale-synode-van-de-gkv-goes-2020






‘Bijbelse’ bezwaren tegen de vrouw in het ambt

In de vragen rond ‘vrouw en ambt’ in de GKv gaat het uiteindelijk om het Schriftberoep. Welke criteria heb je om vast te stellen of je in de uitleg en de toepassing van de verschillende m/v-teksten de bijbel als Gods woord recht doet of niet? Uitgedaagd om daar op een gemeentevergadering nader licht op te laten schijnen heb ik mij de afgelopen weken opnieuw verdiept in de ‘bijbelse’ bezwaren tegen de vrouw in het ambt. In deze blog zal ik de belangrijkste bezwaren in kaart brengen en becommentariëren.[i]


(1) Twee bijbelse lijnen

Een van de belangrijkste argumenten van tegenstanders in de GKv om de vrouw in het ambt toe te laten is, is de uitspraak van de GS Ede 2014 dat er in het doorlopend spreken van de Schrift twee lijnen kenbaar zijn. De ene lijn is die van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven. Men vindt dat wanneer aan de tweede lijn getornd of als deze gerelativeerd wordt ten opzichte van de eerste, dat het gezag van de bijbel wordt aangetast.  

In dit deel van deze blog wil ik bij de status en achtergrond van deze lijnen drie kanttekeningen plaatsen. Later zal ik er inhoudelijk op terugkomen.

Als eerste dat er in 2014 ook een voorstel op tafel lag, waarin als twee lijnen werd uitgesproken: man en vrouw zijn gelijkwaardig in Christus èn daarbij heeft de man de primaire verantwoordelijkheid. In het definitieve besluit is de tweede lijn geformuleerd als: ‘verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven’.

Ten tweede blijkt uit de discussie op de synode van 2014, dat de betekenis en de implicaties van deze twee lijnen allerminst duidelijk zijn. Een bijbelse onderbouwing van deze twee lijnen werd niet gegeven, terwijl door deputaten al werd aangegeven dat deze twee lijnen op zichzelf niet duidelijk maken dat het ambt alleen aan de man toekomt.

Ten derde werd juist uitgesproken dat de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen vrij bespreekbaar moet zijn, omdat de discussie over gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid nog niet uitgekristalliseerd was. Er was onvoldoende grond om ten gunste van de klassieke visie uit te spreken dat het niet geoorloofd was om vrouwen tot het ambt toe te laten. De synode kwam in 2014 niet verder dan de constatering, dat er verschil van inzicht is over de manier waarop wij voor ons leven hier en nu conclusies trekken uit wat de bijbelschrijvers in eerste instantie voor hun lezers van toen opschreven. Daarom was er volgens de synode juist bijzondere aandacht voor schriftgetrouw en gehoorzaam bijbel lezen nodig.

Mij lijkt dat het dan ook onterecht is dat je je op deze uitspraak van de synode in 2014 over de twee lijnen kunt beroepen om afwijkingen van de klassieke visie als aantasting van het Schriftgezag te beschouwen. Dat is gezien de context van de besluitvorming niet te verdedigen.


(2) Tweeërlei hermeneutiek?

Door verscheidene tegenstanders van het synode-besluit wordt gesuggereerd dat er in de GKv bij voorstanders van de vrouw in het ambt sprake is van andere hermeneutiek, die verantwoordelijk zou zijn voor een andere uitkomst dan de klassieke visie dat alleen de man het ambt toekomt. In deze ‘moderne’ filosofische hermeneutiek zou de eigentijdse context bepalend zijn voor de betekenis van de bijbeltekst in plaats van dat de ‘bijbelse’ betekenis daarvan methodologisch gerespecteerd zou worden.

Persoonlijk stoor ik mij behoorlijk aan dergelijke verdachtmakingen. Wie enigszins vertrouwd is met de hermeneutische filosofie weet dat één van de belangrijkste stellingen van de voornaamste vertegenwoordiger daarvan – de filosoof Hans-Georg Gadamer – is dat de ‘moderne’ hermeneutiek geen eigen methode voor de interpretatie van teksten heeft of voorschrijft. In zijn visie gaat hij er vanuit, dat bij het lezen van teksten van de regels en de methoden van de traditionele hermeneutiek gebruik gemaakt wordt. Met zijn filosofische hermeneutiek beoogt hij slechts het verstaansproces te verhelderen.[ii]

Gadamer laat in zijn hermeneutiek zien dat een tekst lezen en begrijpen alleen maar mogelijk is vanuit bepaalde vooroordelen. Die vooroordelen worden je aangereikt door de traditie, door je omgeving of heb je door eigen denken ontwikkeld. Zowel de aanhanger van de klassieke visie op het ambt als degene die tot de conclusie komt dat het bijbels verantwoord is dat vrouw in het ambt mag dienen, leest de bijbel vanuit zijn eigen context en vooroordelen. Het is Gadamers stelling dat je niet vooraf op grond van een methodologie kunt weten of bepaalde vooroordelen van de lezer het begrijpen van de tekst zullen verhinderen of tot misverstanden zullen leiden. Alleen in het leesproces zelf zul je kunnen bepalen, welke vooroordelen helpend zijn om de tekst echt te begrijpen en welke het zicht op de betekenis en de boodschap van de tekst verminderen.[iii]

Bijbelgetrouwheid wordt daarom niet zo zeer bepaald door het juist methodisch toepassen van de hermeneutische regels en het vaststellen van de toenmalige betekenis (meaning), maar vooral door de manier waarop je op basis van je theologische vooroordelen in de toepassing van die betekenis tot de boodschap  van de bijbel voor vandaag (significance) komt.[iv]

Om die reden is het waardevol dat de gereformeerde theologie in Kampen hierin verheldering en ondersteuning biedt door de traditionele gereformeerde (methodologische) hermeneutiek te verfijnen en uit te bouwen tot een relevante hermeneutiek voor vandaag.[v] Het veroordelen en wegzetten van deze ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ als een vorm van ´moderne hermeneutiek´ en Schriftkritiek is mijns inziens ethisch onverantwoord en goedkoop scoren voor de bühne van het verontruste gereformeerde kerkvolk.[vi] Ik schaam mij er voor dat gereformeerde theologen die beter kunnen weten, zich daarvoor blijven lenen en zich tot in de beoordeling van het m/v-besluit en de onderbouwing van hun revisieverzoeken tegen dit besluit bij zo’n taxatie en framing van Schriftkritiek aansluiten.


(3)  Van bijbelse betekenis naar hedendaagse visie

Tegenstanders van het m/v-besluit wekken bij voorkeur de indruk dat de voorstanders van de vrouw in het ambt ten prooi zijn gevallen aan de tijdgeest en voorrang geven aan de eigen cultuur en beleving boven die van de bijbel. Voor zover ik kan zien heeft juist de eigen tijd het oog gescherpt voor aannames in de exegetische verantwoording van de klassieke visie op vrouw en ambt en stelt zij die ter discussie. Uit de aangevoerde ‘bijbelse’ bezwaren blijkt dat er eerder sprake is van verschil in theologische waardering en gebruik van de m/v-teksten dan dat het argument van de tijdgeest hard gemaakt wordt.

  • Feit of norm?

Een belangrijke argumentatiestrategie bij de tegenstanders van het m/v-besluit is dat men op basis van de feitelijke positie van de vrouw in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament concludeert tot de normatieve visie, dat het bijbels verantwoord is om de vrouw het ambt niet toe te kennen. Waar de feitelijke situatie anders lijkt, betwist men dat het om een ambt gaat of beschouwt men dat als een uitzondering op de veronderstelde regel. Vanuit dit zelfde motief hecht men er sterk aan om de door de synode van 2014 geformuleerde lijnen van gelijkwaardigheid en verschil in verantwoordelijkheid een normatieve betekenis te verlenen. Hermeneutisch gezien kunnen er echter vraagtekens geplaatst worden bij de gronden die worden aangevoerd om deze normativiteit voor de feitelijke bijbelse man/vrouw-verhoudingen te claimen. Want men geeft zich nauwelijks rekenschap van de zgn. ‘hermeneutische vraagstelling’: hoe kom je van de betekenis van de bijbeltekst (meaning) tot de boodschap van de bijbel voor vandaag (significance)?[vii]

Hierboven merkte ik met betrekking tot de twee lijnen al op dat de betekenis en de implicaties daarvan allerminst door de synode duidelijk gemaakt zijn. Daarnaast is het de vraag of deze termen als typering voor de verhouding tussen man en vrouw in de Bijbel bruikbaar zijn. Ze komen als begrippen in de bijbel niet voor, terwijl uit een filosofische analyse van de begrippen ‘gelijkwaardigheid’ en ‘verschil’ blijkt dat ze geen eenduidige betekenis hebben, maar ondanks deze manco’s wel als een hermeneutische bril worden gebruikt in de selectie en exegese van teksten.[viii]

  • Scheppingsorde?

De normativiteit van het verschil in taken, verantwoordelijkheid en positie van man en vrouw probeert men als bijbels verantwoord te beargumenteren met een verwijzing naar het begrip ‘scheppingsorde’. Daarbij steunt men vooral op de traditionele exegese van de argumentatie die Paulus in de zgn. zwijgteksten lijkt te ontwikkelen met zijn verwijzingen naar ‘de wet’ en ‘de schepping’.[ix]

De evidentie van het bestaan van een ‘scheppingsorde’ waarin de vrouw onderdanig aan de man behoort te zijn, is echter in de loop van de 20e eeuw praktisch en principieel gezien behoorlijk verdwenen. Zo’n conclusie is op basis van een verantwoorde exegese van Gen. 1-3 niet meer hard te maken.[x] Verder vat men in de gereformeerde ethiek vandaag de verwijzingen van Paulus naar ‘de wet’ en ‘de schepping’ niet meer op als een fundering van een onaantastbare scheppingsorde. Dat wat in de schepping besloten ligt, kan in de loop van de (heils)geschiedenis op verschillende wijze vorm gegeven worden, waarbij de wet (Israëls Thora) als ‘een heilshistorisch paradigma’ functioneert, d.w.z. als ‘een model van het goede leven in de context van Gods werk in Israel’. Dit betekent dat wij de ‘normatieve woorden van de Thora niet plompverloren [kunnen] promoveren tot christelijke plichten vandaag’, maar die eerst moeten ‘overzetten naar de nieuwe context van Jezus’ koninkrijk’. Op eenzelfde manier mogen wij, wanneer onze omstandigheden verschillen van die van de christenen destijds, ook ‘de ethische instructies van het Nieuwe Testament’ op andere wijze vormgeven.[xi]

  • Status van Paulus’ voorschriften

In tegenstelling tot de huidige visie op de n.t.-ische ethiek in de GKv trachten de tegenstanders van de vrouw in het ambt de normativiteit van de instructies van Paulus voor vandaag te claimen met een beroep op zijn gezag als apostel. Daarbij verwijst men ook naar de NGB, waar wij in art. 2 t/m 7 belijden dat wij de bijbel als het Woord van God ontvangen die daarin nog altijd tot ons spreekt. Hier wil ik twee kanttekeningen bij maken.[xii]

Allereerst, wanneer je het gezag van de bijbel op deze wijze formuleert lijkt het erop dat men theologisch gezien de openbaring van God laat samenvallen met de bijbel, en dat men de betekenis van de bijbeltekst (meaning) identificeert met de boodschap van de bijbel (significance). Daar tegenover zou ik dan een lans willen breken voor het inzicht van Herman Bavinck, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het zonder meer toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.[xiii]  

Een tweede opmerking is dat de onuitgesproken aanname in het gebruik van het gezagsargument van Paulus als apostel is, dat wanneer wij de instructies van Paulus vandaag op andere wijze toepassen, je tornt aan de waarheid en het gezag van Gods woord. Mijns inziens is dat geen logische aanname. Beter is het om hier met Herman Bavinck te onderscheiden tussen principe en toepassing.

In zijn analyse van Bavinck’s ethiek vat John Bolt diens visie zo samen: ‘By stressing the specific social circumstances of the early church as key constitutive element in the formulation of the New Testament ethic, Bavinck opts for a certain relativization of that ethic. … The relativization of the specific and concrete ethic of the New Testament, however, does not mean a relativization of the authority of the New Testament itself.’ Specifiek als het gaat om de bergrede schrijft hij: ‘The Christian does not have the freedom to accept or reject the teaching of the Sermon on the Mount, but does have the freedom to apply the moral virtues and principles which the sermon illustratively concretizes in different ways depending upon the circumstances.’[xiv]


(4)  Samenvattende conclusie en afsluiting

Samenvattend ben ik van mening, dat de tegenstanders van het m/v-besluit op basis van de door hen aangevoerde ´bijbelse´ bezwaren ten onrechte suggereren dat het onderwerp ´vrouw en ambt´ het karakter heeft van status confessionis inzake de trouw aan de Schrift.[xv] Aan het verschil in de beoordeling van het m/v-besluit liggen theologische verschillen op het terrein van hermeneutiek, openbaring, bijbel en ambt ten grondslag. Helaas uit zich dit in het ontbreken in de GKv van een consensus over de ‘hermeneutische vertolking’, d.w.z. hoe je van de betekenis van de m/v-teksten in de bijbel komt tot de boodschap voor vandaag.

In de 20e eeuw hebben in de Gereformeerde kerken tot drie maal toe verschillen in theologische visies geleid tot scheuringen met desastreuze uitkomsten. Ik hoop dat de tegenstanders van het m/v-besluit beseffen dat ze niet zonder gevolgen de kaart van de Schriftkritiek kunnen trekken. Breuken zijn sneller geslagen dan geheeld.


[i] Deze beperking betekent dat ik niet expliciet inga op het bezwaar, dat in het m/v-besluit geen strikt onderscheid gemaakt wordt tussen het gezagskarakter van het ambt van alle gelovigen en dat van het bijzonder ambt. Exegetisch en historisch gezien zijn er bij de fundering van de klassieke visie op het ambt, zoals men dat met name op grond van de gegevens uit het Nieuwe Testament beargumenteert, veel vragen te stellen. In vergelijking met de andere aspecten die ik in deze blog behandel, is dit bezwaar van minder belang.

[ii] Zie: Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, Nijmegen: Uitgeverij Van Tilt, 2014, 11: ‘Als wij het verstaan tot voorwerp van bezinning maken, stellen we ons niet ten doel een kunstleer van het begrijpen te ontwikkelen, zoals de traditionele filologische en theologische hermeneutiek wil’. Of zoals Gadamer het in het voorwoord bij de 2e druk schrijft: ‘Sie fragt, um es kantisch auszudrücken: Wie ist Verstehen möglich? Das ist eine Frage, die allem verstehenden Verhalten der Subjektivität, auch dem methodischen der verstehenden Wissenschaften, ihren Normen und Regeln, schon vorausliegt‘, Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode. Ergänzungen. Register, (Gesammelte Werke, Band 2), Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), 1986, p. 439-440.

[iii] Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode, p. 282-83.

[iv] Voor het onderscheid tussen betekenis van de tekst (meaning) en boodschap van de bijbel voor vandaag (significance) verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[v] Ad de Bruijne en Hans Burger(red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (TU-Bezinningsreeks 18), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017. Zie verder mijn blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[vi] Voor een onderbouwing en nadere verantwoording van deze stelling verwijs ik naar mijn eerdere blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/.

[vii] Voor de hermeneutische vraagstelling, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[viii] Zie de analyse van de m/v-besluiten van de GS Ede 2014 en GS Meppel 2017 in: Maarten Verkerk, Nienke Verkerk-Vegter, Fokke Pathuis en Christien Westerik, ‘‘Gelijkwaardigheid’ en ‘verschil’ in kerkelijke discussies over man, vrouw en ambt. Over macht en de betekenis van woorden’, in: Radix 45 (2019) 3, p. 193-204.

[ix] Voor een voorbeeld van een andere exegese van de zwijgteksten, naast de vele andere die er te geven zijn, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/. B.J. Oropeza komt hier tot de conclusie dat noch 1 Kor. 14:34-35 noch 1 Tim. 2:9-15 de intentie lijken te hebben voor alle eeuwen te claimen dat vrouwen niet in de kerk mogen spreken, profeteren of onderwijs aan mannen geven.

[x] Zie daarvoor mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/gen-2-3-en-de-scheppingsorde/.

[xi] Voor een verdere verantwoording van deze visie verwijs ik naar het hoofdstuk van Ad de Bruijne over ‘Ethiek en hermeneutiek’ in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 181-198. De hier aangehaalde citaten zijn te vinden op p. 188.

[xii] Voor de omschrijving van het Schriftgezag in relatie met NGB art. 2 t/m 7 verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/10/07/schriftgezag/.

[xiii] De argumentatie in dezen is vergelijkbaar met die van dr. Gert van den Brink in zijn bespreking van het m/v-besluit en zijn beoordeling van de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Voor een analyse van diens visie, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/.

[xiv] John Bolt, A Theological Analysis of Herman Bavinck’s Two Essays on the Imitatio Christi. Between Pietism and Modernism, Lewiston, Queenston, Lampeter: The Edwin Mellen Press, 2013, p. 305 en 304.

[xv]  ‘Wij belijden en geloven niet dat de vrouw zich aan de man moet onderschikken, opdat hij in deze wereld de verantwoordelijkheid zou uitoefenen, maar dat Christus zich vernederd heeft om ons te redden en door God verhoogd is om zijn gezag te vestigen en uit te oefenen.’

Kritiek op ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’

De website ‘Bezinning Man, Vrouw en Ambt’ presenteert zich als een platform met studiemateriaal naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van het besluit van de GS Meppel 2017. Ze zeggen van zichzelf dat ze niet zonder meer ‘tegenstanders’ van de vrouw in alle ambten zijn, maar ze verwachten in een besluit om het ambt voor de vrouw in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) open te stellen ‘een weloverwogen, evenwichtige en bijbels gezonde argumentatie .., die de toets van de kritiek kan doorstaan.[i]

Je mag verwachten dat het materiaal dat ze zelf presenteren ook aan die eis zal voldoen. De keren dat ik materiaal van deze site geanalyseerd heb, viel het me op dat de argumentatie en het bijbels gehalte daarvan ver onder de maat was. Ik denk dan aan de 15 brieven van Rufus Pos aan zijn kinderen, een artikel van dr. Pieter Boonstra over ‘de priesterlijke lijn’ en meer in het algemeen de opmerking die regelmatig geuit wordt, dat het ‘m/v-besluit’ getuigt van Schriftkritiek.[ii]

In oktober 2018 werden op de site drie video’s van een avond in Haren met dr. Gert van den Brink geplaatst, met als aanbeveling: ‘In deze lezing gaat hij, in een verhelderend en goed te volgen betoog, in op de nieuwe hermeneutiek.[iii]

In deze video’s presenteert Van den Brink zijn kritische visie en beoordeling van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.[iv] Deze bundel verscheen in september 2017 om de manier te verantwoorden waarop aan de TU Kampen vandaag theologie wordt bedreven en het gezag van de bijbel in het onderwijs handen en voeten krijgt. De kern van Van den Brink’s kritiek is dat hij vindt dat in deze bundel in de ethiek afscheid wordt genomen van de normativiteit van Gods woord en dat er in de dogmatiek zoveel verschuift of zal verschuiven, dat hij de retorische vraag stelt of dit nog ‘gereformeerd’ is: ‘Kun je jezelf nog gereformeerd noemen, als je zo’n andere visie hebt op goed en kwaad?

Fundamentele kritiek dus, die de bezinningssite van harte aanbeveelt. Kennelijk vooral, omdat men een samenhang ziet tussen het hermeneutisch denken zoals dat in deze hermeneutiekbundel vanuit Kampen gepresenteerd wordt en de onderbouwing van het besluit in de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Fundamentele kritiek vereist echter een zorgvuldige onderbouwing. De aangevoerde argumenten en de daaruit afgeleide conclusies moeten wel verantwoord zijn. Daar schort het nogal aan bij dr. Van den Brink. Hoe helder en goed te volgen het betoog ook is, de citaten die hij aanhaalt zijn regelmatig uit het verband gehaald en in de conclusies die hij daar vervolgens aan verbindt, gaat hij behoorlijk met de citaten op de loop om er zijn eigen draai aan te geven.


Een typerend voorbeeld van deze onzorgvuldige manier van redeneren en concluderen is hoe dr. Van den Brink mij als vertegenwoordiger van de ‘nieuwe hermeneutiek’ presenteert.[v]

Laat ik eerst citeren, wat hij zegt:

Gelovigen nu zijn eigenlijk slechts, – volgens de nieuwe hermeneutiek -, alleen gebonden aan de vector, de grote doorgaande lijn, aan de grootste gemene deler, aan de richting waar het opgaat. Die is bepalend. Als je maar in de grote brede stroom van de pijl staat, zit je goed. Nou dat is de vraag, of je dat zo mag zien.

In de HC Zondag 7 staat dat het christelijk geloof alles gelooft wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Valt dat hier nog binnen? Pathuis – ook een voorstander van de nieuwe hermeneutiek – schrijft op zijn website: “Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.” Als je maar in de grote lijn zit.

Daarmee verschuift de betekenis van wat geloven is. Geloven wordt vooral een levenshouding. Dat ik mijn leven richt in de richting van de grote pijl. Bekering is een perspectiefwisseling. Je gaat anders naar de dingen kijken. Maar mag je bekering daartoe beperken? Niet allereerst de fides quae (inhoud), maar de fides qua: houding, habitus, manier van leven.

Inderdaad kun je van mijn website min of meer de zinsnede citeren: ‘Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.’ Maar die zinsnede staat wel in een alinea, die begint met: ‘Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving.[vi] Dus ik zeg, dat Paulus’ concrete aanwijzingen over de rol en posities van mannen en vrouwen in de kerk geen cultuur overstijgende normatieve betekenis hebben, omdat ze gerelateerd zijn aan de patriarchale samenleving. Ik beweer niet van Paulus’ aanwijzingen in het algemeen, dat ze ‘geen cultuur overstijgende betekenis’ hebben.

Vervolgens geef ik in die alinea ook een argument voor mijn visie over de wijze waarop de m/v-teksten van Paulus in onze tijd moeten gelden: ‘Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen.’ Dat is de reden, dat ik schrijf dat Paulus’ aanwijzingen over het zwijgen van vrouwen ‘geen cultuur overstijgende normatieve betekenis’ hebben en dat wij ‘de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting [mogen] brengen.

Voor mij hebben Paulus’ aanwijzingen over het gedrag van de vrouw in de gemeente namelijk wel degelijk normativiteit. De vraag is alleen hoe je deze normativiteit in onze huidige westerse cultuur bijbels verantwoord tot uitdrukking brengt. En dat is volgens mij niet, door ze rechtstreeks en ‘een-op-een’ van toepassing te verklaren voor onze situatie.

Ik herken mij dus ook niet in de conclusie, die Van den Brink aan het ‘citeren’ van deze zinsnede uit mijn blog verbindt. Alsof ik de visie heb dat geloven alleen maar een habitus is, zonder inhoudelijke normativiteit. M.i. kun je niet op basis van een uit zijn verband gerukt citaat beweren dat ik de inhoud van HC Zondag 7 niet meer voor mijn rekening zou willen nemen en niet meer alles voor ‘betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft.’

Deze passage over mijn website is maar een klein detail in een groter betoog, waarin alle kritiek gericht is op de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’. Maar tegelijk heeft deze onjuiste weergave van mijn visie wel een dragende grond in de algemene strekking van Van den Brink’s betoog. Hij zaait twijfel aan de integriteit en de confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.


Een ander typerend voorbeeld is hoe dr. Van den Brink de ethiek van dr. Ad de Bruijne schetst. Eerst stelt hij, dat hij daarin ‘een deugdethiek zonder een gebodsethiek’ aantreft. Daar merkt hij vervolgens over op:

Een deugdethiek gaat over de deugden als zelfbeheersing, geduld, etc. Dat is goed, maar dat kan niet zonder een gebodsethiek. Een gebodsethiek is: ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’. Deze gebodsethiek is zover op de achtergrond verdwenen, dat nagenoeg alleen de deugdethiek overgebleven is. Citaat van De Bruijne: “Hun centrale ethische vraag kun je weergeven als: hoe doe je met je leven en met je concrete keuzen recht aan het grote verhaal van Gods werken in Christus”, [geciteerd uit ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’, p. 184). Anders gezegd: hoe moet je als christen leven? Ik zou zeggen met de HC: ´hij leeft de geboden van God na´. Dat is niet wat De Bruijne zegt. Hij heeft het opnieuw over het grote verhaal van God en een christen probeert zo in het leven te staan, dat hij past in die pijl, die vector, die doorgaande lijn. Dan verwijst hij [= De Bruijne] naar Augustinus: ‘de interpretatie die de liefde dient, is altijd de juiste’. Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout. Ik ben niet nagegaan of Augustinus het ook zo zegt, maar ik vind er wel enkele vragen bij te stellen.”

In deze passage suggereert Van den Brink, dat je de ethiek van De Bruijne kunt samenvatten met de richtlijn: ‘Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout.’ Als je de verwijzing naar Augustinus in het hoofdstuk opzoekt, dan zie je dat De Bruijne dat citaat aanhaalt in een passage waarin hij schrijft over de noodzaak van ‘zelfkennis en zelfkritiek’ in je ethische hermeneutiek. Daaraan voegt De Bruijne toe:

Ook leren we met Augustinus dat de interpretatie die de liefde dient altijd de juiste is. Daarmee bedoelt hij [= Augustinus] niet ‘wat voor de ander fijn voelt’, maar wat de ander recht doet op diens plaats voor Gods aangezicht.[vii]

Duidelijk is dat De Bruijne hier een normatieve notie invoert voor het ethisch handelen, die hij via Augustinus terugvoert op de bijbel. De Bruijne keert zich juist tegen een interpretatie van de liefde als een subjectief gevoel die norm zou mogen zijn voor het handelen, wat Van den Brink De Bruijne vervolgens juist in de schoenen schuift door het citaat weer te geven als: ‘Als je het uit liefde doet, zit je nooit fout.’

Het is mij een raadsel hoe Van den Brink op verantwoorde wijze de conclusie kan trekken, dat bij De Bruijne bijna alleen sprake is van een deugdethiek. Alleen al het citaat dat hij aanhaalt van p. 184 laat zien, dat De Bruijne wel degelijk staat voor de normativiteit van Gods woord in het handelen van een christen. Je moet recht doen aan ‘het grote verhaal van Gods werken in Christus’. Dat is het kader, waarbinnen de apostelen hun ethische instructies geven.

De Bruijne laat vervolgens ook zien, hoe de apostelen dat kader dan verder normatief invullen vanuit Gods openbaring in het onderwijs van Jezus en van Mozes. ‘Jezus’ eigen aardse onderwijs vormt de kern’:

Zoals Mozes Gods Thora gaf aan het oude volk Israël .. zo geeft Jezus een vernieuwde Thora, voor een nieuw Israël uit alle volken ..’, (185).

Daarmee wordt de Thora van Mozes door De Bruijne niet afgeschreven, integendeel:

Wanneer de bergrede centraal staat, wordt daarmee tegelijk Mozes’ Thora een onmisbare bron van christelijk-ethische hermeneutiek’, (186).

Mijn inziens heeft dr. Van den Brink geen enkele grond om te beweren, dat De Bruijne de uitspraak van de Heidelbergse Catechismus niet zou onderschrijven, ‘dat een christen de geboden van God na moet leven.


Toch is dit de manier waarop Van den Brink stelselmatig argumenteert, concludeert en zijn beweringen onderbouwt. Onzorgvuldig lezen en citeren en op basis van halve waarheden en hele onwaarheden conclusies trekken, die suggereren dat de besproken auteurs van het boek ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ geen recht doen aan de bijbel als Gods woord en dat er getwijfeld moet worden aan hun gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid.

Tegelijk is deze manier van presenteren de reden, dat ik protest aanteken tegen het plaatsen van zulk materiaal op de website www.bezinningmvea.nl. Dit is geen waardevolle bijdrage aan het gesprek over het ‘m/v-besluit’ in de GKv, maar het lichtvaardig veroordelen en helpen veroordelen van de goede naam van de TU Kampen.



[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/nieuws

[ii] Over de brieven van Pos, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/, https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/12/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-2/. Over ‘de priesterlijk lijn’, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/14/priester-m-v/. Over de typering van het ‘m/v-besluit’ als Schriftkritiek, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/06/de-gkv-en-de-schriftkritiek/.

[iii] https://www.bezinningmvea.nl/entry/op-zoek-naar-betekenis

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[v] Ik presenteer mij niet als een vertegenwoordiger van ‘de nieuwe hermeneutiek’. Ik sta voor een gereformeerde hermeneutiek, waarin ook aandacht is voor de vraag hoe je op verantwoorde wijze de normativiteit van de bijbel vandaag tot gelding brengt. Voor deze vraagstelling is in de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ te weinig aandacht geweest. Dat vind ik het waardevolle van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.

[vi] https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/09/meedenken-met-loonstra-i/

[vii] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017, p. 191. Het citaat van Augustinus is ontleend aan een van zijn bekendste werken De doctrina Christiana, een boek waarin Augustinus ingaat op de vraag hoe je de bijbel moet lezen.