Alan Johnson over cultuur en bijbellezen

In 1976 verscheen er bij Moody Press in Chicago een bundel opstellen over verschillende aspecten die bij de uitleg van de bijbel een rol spelen. Eén daarvan is van de hand van de nieuwtestamenticus Alan Johnson[1], onder de titel: ‘History and Culture in New Testament Interpretation’.

Zijn bijdrage concentreert zich op de rol van historiciteit en de cultuur bij de exegese van het Nieuwe Testament. Waar hij onder meer aandacht voor vraagt, is het gevaar dat wij ons er te weinig bewust van kunnen zijn dat wij de bijbel altijd vanuit onze eigen context interpreteren. Hij pleit daarom in de exegese voor een cultuur-sensitieve benadering van de bijbel om zo aan de boodschap van de bijbel recht te doen.

Hieronder bied ik een vertaling van een deel uit dit essay, waarin hij o.a. zijn visie illustreert met enkele specifieke m/v-voorbeelden.

 

Een interculturele benadering van exegese [2]

Het woord van God in het Nieuwe Testament komt tot ons via de specifieke cultureel-historische taal van de eerste eeuw. Daarom hebben we een interculturele benadering van de bijbel nodig. In deze benadering probeert de exegeet om de onmiddellijke historische context van de schrijver te zien, zoals die gedeeltelijk in de literaire context en completer vanuit de bredere context van zijn wereld en tijd oplicht. Terwijl de exegeet zoekt naar de volledige context van de schrijver houdt hij voortdurend rekening met de mogelijkheid dat hij zijn eigen cultuur in de tekst inleest door de bijbelse uitspraken te harmoniseren met zijn eigen overtuigingen en tradities.

Ook al wordt de boodschap van Gods woord gebracht in culturele vormen, toch zijn de specifieke culturele kenmerken in zichzelf niet de boodschap. Johannes vertelt bijvoorbeeld in zijn evangelie (9:6) dat Jezus op de grond spuugt en van het speeksel modder maakt en dat papje op het oog van de blinde uitstrijkt. Tot welke boodschap wij na een zorgvuldige analyse van Johannes’ bedoeling om dit incident te vertellen ook komen, Gods woord zal niet zijn dat wij het spugen van Jezus als een voorbeeld in onze cultuur moeten navolgen. Wat in een oosterse cultuur een belangrijke en persoonlijke kwaliteit kan hebben (spuug), is in die van ons een smerig iets. Hetzelfde punt kunnen wij maken voor de manieren van preken door reizende evangelisten in het boek Handelingen, het dragen van lang haar of een sluier door vrouwen (1 Kor. 11), of zelfs de speciale positie van vrouwen in de kerk (1 Kor. 14,34-35). Het simpele punt is dat de boodschap van Gods woord voor ons vandaag niet in zichzelf bestaat uit het overzetten van deze culturele patronen uit de 1e eeuw.

Het falen om dit onderscheid te erkennen is vandaag speciaal aan te wijzen bij sommige groepen Jesus People. Zij proberen de boodschap en de cultuur van de wereld van het Nieuwe Testament in hun levensstijl te kopiëren. Zo wijzen sommigen het gebruik van muziek en zang om het evangelie te verspreiden af, omdat “zang in de vroege kerk of door de apostelen nooit gebruikt is om het evangelie te verspreiden.”

Wat verwarring geeft, is dat in de praktijk iedereen wel een bepaald onderscheid maakt. We erkennen allemaal dat Paulus’ opdracht om geen vlees te eten, wanneer ik daarmee een medegelovige aanstoot geef (1 Korintiërs 8), niet specifiek van toepassing is op onze westerse cultuur, waar vlees nooit gebruikt wordt als voedsel om te offeren. Dit is duidelijk een voorbeeld van een cultureel verschil. Iedereen zoekt meteen naar het geestelijke principe of de onderliggende boodschap van deze aansporing om die in onze situatie van vandaag te kunnen toepassen. Dat is goed. Maar juist op dit punt kunnen wij ook op een subtiele manier op het verkeerde been gezet worden. Door namelijk te veronderstellen, dat wanneer er geen enkele cultureel verschil zichtbaar is en de lezing van de tekst zo duidelijk voor ons is, we er automatisch van uit mogen gaan dat we met onze interpretatie goed zitten. Daardoor kunnen we er blind voor zijn dat wij in zulke gevallen onbewust onze eigen culturele equivalenten van de gebruikte bijbelse termen op de tekst projecteren en daarin inlezen.

Zo is het voor sommigen evident dat Paulus uitspreekt dat vrouwen in de kerk een hoofdbedekking moeten dragen en dat mannen hun haar kort moeten houden, (1 Kor. 11: 6, 14). Omdat vrouwen vandaag nog steeds hoeden dragen, moeten zij die in de kerk dragen, en wanneer mannen duidelijk korte en nette bakkebaarden hebben, is het logisch dat kort haar voor mannen ook meer schriftuurlijk is. Toch voelen sommigen zich er ongemakkelijk bij dat Paulus zo eenvoudig begrepen zou moeten worden. Of men negeert dit onderwijs over hoeden of men volgt gewoon de meerderheid in het niet dragen van een bedekking in de kerk. Hoevelen stellen de vraag: wat was de betekenis van het bedekken van het hoofd in het Korinthe van de 1e eeuw?  Of wie vraagt hoe lang ‘lang haar’ was voor mannen in die cultuur en welke betekenis daaraan verbonden was?

Mijn punt is dat wij de principes voor de uitleg die wij min of meer automatisch toepassen in zaken waarin de bijbelse cultuur aanzienlijk verschilt van die van ons, altijd zullen moeten toepassen, zelfs als de zaken voor ons ogenschijnlijk evident zijn. Alleen zo kunnen wij vermijden dat wij onze eigen culturele betekenissen in de tekst inlezen. Dit geldt ook voor bijbelse uitdrukkingen zoals ‘wedergeboren’, die onbewust een eigentijds religieuse en culturele kleur aan kan nemen, (d.w.z. van onze eigen groep). Ons verstaan kan iets anders impliceren dan Jezus’ onderwijs in Johannes 3, maar in ons denken gaan we ervanuit dat het gelijkwaardig is aan het bijbelse begrip. Zo zal het misschien nooit bij ons opkomen, dat Paulus die toch het grootste deel van het Nieuwe Testament schreef, nooit deze term gebruikte om te verwijzen naar iemand die christen wordt. De grote waarde die wij aan deze term hechten en de manier waarop wij de term ‘wedergeboren’ gebruiken, komt veel eerder van onze groep dan uit het Nieuwe Testament.

Recent werd mij in India verteld, hoe bepaalde ‘Hmar christenen in de deelstaat Nagaland beboet waren om een varken te betalen omdat zij christen waren geworden. Het was voor mij gemakkelijk om te veronderstellen dat een varken voor mij hetzelfde was als een varken voor hen. Dat was toch niet het geval. Bij de ‘Hmars word een varken gebruikt als een wettelijke boete voor misdaden als overspel, stelen of het in brand steken van je eigen of andermans  huis. Wat de waarde betreft is een varken vergelijkbaar met die van een auto bij ons. Varkens hebben in Nagaland een sociale betekenis in huwelijksrituelen en bij bepaalde initiatieriten voor jongemannen. Religieus kunnen zij gebruikt worden voor offers aan hun goden en kunnen ze op speciale momenten gedood worden. Het varken is praktisch gezien met elk aspect van het ‘Hmar leven verweven. Het opgeven van een varken als boete voor iemand die christen wordt, betekent veel meer dan het verlies van de prijs die hij voor het dier zou kunnen krijgen, zoals de waarde bij ons bepaald wordt. Ik ervoer een intercultureel probleem in de communicatie. Ook al werd het zelfde Engelse woord gebruikt, de culturele betekenis was totaal anders.

Deze interculturele benadering is ook van toepassing als het gaat om metaforische begrippen zoals ‘hoofd’. Wanneer Paulus over Christus als het ‘hoofd’ van de kerk spreekt (Kol. 1:18), denken wij natuurlijk aan een ‘baas’, ‘directeur’ of ‘president’ van een onderneming of vereniging. Hoewel deze voorstelling niet geheel in het denken van het Nieuwe Testament ontbreekt, is het dichter bij het gedachtengoed van de 1e eeuw om het ‘hoofd’ te zien als dat wat de rest van het lichaam voedt en in stand houdt en tot zijn bestemming brengt, (vgl. Ef. 4:13). In de oudheid zag men het hoofd niet als de zetel van de intellectuele vermogens, of van het verstand, zoals wij dat in onze cultuur doen. Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen.

 

 

 

[1] Alan F. Johnson (Th.D., Dallas Theological Seminary) is Emeritus Professor of New Testament and Christian Ethics van Wheaton College and Graduate School. Hij is de auteur van verscheidene commentaren, waaronder over 1 Korintiers (The IVP New Testament Commentary Series), Openbaring (Expositor’s Bible Commentary), en Romeinen (Everyman’s Bible Commentary).

[2] ‘A bicultural approach to interpretation.’ De oorspronkelijke paragraaf is te vinden op p. 134-136 van Alan Johnson, ‘History and Culture in New Testament Interpretation’, in: Interpreting the Word of God.Festschrift in honour of Steven Barabas, ed. Samuel J. Schultz and Morris A. Inch, Moody Press, Chicago, 1976, p. 128-161.

Het huwelijksformulier in de 20e eeuw – 1975/2005

Huwelijksformulier 1981

Op de GS Arnhem 1981 werd voor de GKv een nieuw huwelijksformulier vastgesteld. In de jaren ’70 hadden verschillende synodes zich gebogen over een herziening van het Gereformeerd Kerkboek en de formulieren. Toen was door de GS Kampen 1975 bij voorrang al een aangepast huwelijksformulier vastgesteld, dat tijdeljk het formulier uit 1933 moest vervangen. In het nieuwe formulier uit 1981 wordt ten opzichte van het formulier uit 1975 de gezagsrelatie tussen man en vrouw opnieuw aangescherpt.

Stond in de versie van 1975: ‘Zoals Christus het hoofd van de kerk is, is de man het hoofd van de vrouw.’ In de versie van 1981 formuleerde men: ‘Zoals Christus het Hoofd is van de kerk, en gezag over haar heeft, zo heeft de man als hoofd gezag over zijn vrouw.’ Ook werd bijvoorbeeld nog toegevoegd dat de vrouw zich ‘gehoorzaam’ toevertrouwt aan de man.

De achtergrond van deze wijzigingen was, dat men op die manier recht meende te doen aan Ef. 5:22, waar tegen de vrouw gezegd wordt: ‘Weest aan uw man onderdanig als aan de Here’ (NBG 1951).

Toen enkele afgevaardigden pleitten om de term ‘onderdanig’ ook als zodanig in het formulier op te nemen, kwam men na bespreking daarvan echter tot het oordeel: ‘het woord `onderdanig’ in het hedendaags Nederlands steeds meer de gevoelswaarde krijgt van `gedwee, kruiperig, serviel’. Het handhaven van dit woord zou de propagandisten van de emancipatie alleen maar wind in de zeilen geven.

 

Bezwaren 1996

In de loop van de jaren kwamen tegen de formuleringen in het formulier van 1981 steeds meer bezwaren. Toen de kerkenraad van GKv Groningen-Oost zich daarover in 1995 boog, kwam hij tot de conclusie dat deze gegrond waren. Daarom zond hij naar de GS Berkel en Rodenrijs 1996 een voorstel om het formulier op een vijftal punten aan te passen.

De belangrijkste betrof de exegese van Efeziers 5. De kerkenraad was van mening, dat het duidelijk is dat ‘gezag/leiding en volgen/gehoorzaamheid helemaal buiten Paulus’ betoog van Ef. 5 valt. Het is dus geen blijk van verkeerde emancipatie als met name zusters in de gemeente zich aan deze typeringen van de man/vrouw-relatie storen.’

Men stelde voor om deze passage zo aan te passen:

‘Zoals Christus er is voor zijn gemeente, zo is ook de man er voor zijn vrouw. Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zijn leven voor haar heeft gegeven, zo moet ook de man zijn vrouw liefhebben als zichzelf, voor haar zorgen en haar geborgenheid geven. Zoals de gemeente zich zonder reserve toevertrouwt aan Christus, zo moet ook de vrouw zich met liefde toevertrouwen aan haar man en hem helpen in alles wat naar Gods wil is. Door zo elkaar met liefdevol respect te aanvaarden, zullen man en vrouw hoe langer hoe meer de eenheid van Christus en zijn gemeente laten zien.’

Daarom stelde men ook voor om van man en vrouw dezelfde belofte te vragen, namelijk elkaar wederzijds ‘lief te hebben en te dienen.’

Een ander belangrijke wijziging betrof de taakverdeling in het huwelijk.

In het formulier in 1981 werd de man voorgehouden: ‘Wees trouw in de uitoefening van uw beroep, zodat u in staat bent uw gezin te onderhouden en andere mensen te helpen’. Terwijl tegen de vrouw werd gezegd: ‘wees uw man tot hulp, en zorg ook goed voor uw gezin. Leeft ingetogen en tooi u met het sieraad van goede werken, die God wil belonen in dit en het toekomstige leven’.

De kerkenraad vond dat deze tweedeling (de man buitenshuis z’n beroep, de vrouw binnenshuis haar gezinstaak) allang niet meer spoorde met de praktijk, terwijl het ook onjuist was ‘aan de feitelijke werkverdeling uit de bijbelse tijd een norm te ontlenen voor alle tijden.

Men stelde voor om niet een bepaalde taakverdeling als de enig ware op te nemen. Om deze zaak wel op het ‘juiste’ niveau te brengen, stelt men als formulering voor om beiden voor te houden: ‘Weest trouw in de uitoefening van de taken die God u geeft. Dan bent u samen in staat uw gezin te verzorgen en andere mensen te helpen.’

Naast de kerk van GKv Groningen-Oost kwam ook de kerk van GKv Zwolle-Centrum op de synode in 1996 met een voorstel voor een herzien huwelijksformulier. In de onderbouwing daarvoor wees men op soortgelijke bezwaren als de kerkenraad van Groningen-Oost aanvoerde.

De GS Berkel en Rodenrijs 1996 achtte de aangevoerde bezwaren zo reëel, dat deze haar inziens een herziening op deze punten wettigde. Ze besluit daarom meteen al een herzien formulier vrij te geven en deputaten op te dragen ‘verder te werken aan herziening van het huwelijksformulier met verwerking van reacties uit de kerken op het voorgelegde formulier en aan de volgende synode voorstellen dienaangaande te doen.’

 

Huwelijksformulier 1999

Zo komt het dat er op de synodetafel van de GS Leusden 1999 een voorstel ligt voor een nieuwe redactie van het huwelijksformulier. Als we de belangrijkste m/v-teksten bij langs gaan, dan zien we dat daarin de volgende exegeses verwerkt zijn:

     a.  Instelling

Gen 1:27 wordt zo uitgelegd, dat God de mens als man en vrouw schiep naar zijn beeld en hun samen de opdracht gaf de aarde te beheren en in cultuur te brengen. In Gen 2:18-23 blijkt dat God eerst de man geschapen heeft en vervolgens de vrouw maakt als ‘hulp die bij hem past’. Omdat de term ‘hulp’ misverstaan kan worden, wordt deze passage weergegeven als: ‘Hij miste iemand met wie hij het leven kon delen’. Wat dat concreet betekent wordt o.a. uitgewerkt in de paragraaf ‘Wederzijdse verplichtingen’ als: ‘Aanvaard haar liefdevolle steun als de hulp die Christus u geeft’. Zo verbindt God man en vrouw aan elkaar, ‘zodat zij een unieke levenseenheid vormen.’

     b.  Doel

Man en vrouw zullen elkaar in liefde toebehoren en uit zijn op het belang van de ander, zodat beiden tot bloei komen. Samen zullen zij hun leven wijden aan God en elkaar helpen op de weg naar het eeuwige leven.

Wanneer ze kinderen krijgen, zullen ze als vader en moeder het beeld van God vertonen in zorg en liefde voor hun kinderen. Ten slotte geeft God hen ook een plaats in de samenleving, waar ze zich zullen inzetten voor de leden van Christus’ gemeente en voor alle mensen die God op hun weg plaatst.

     c.  De onderlinge verhouding

Als het over de onderlinge verhouding gaat, komt allereerst de eenheid naar voren. Met een beroep op Gen. 1:27, Ef. 5:21 en Gal. 3:28 wordt gezegd, dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn ‘om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen.’ Dat vraagt ‘om wederzijds respect, waarbij liefdevolle trouw de toon aangeeft.’

Binnen deze eenheid hebben man en vrouw ieder een eigen plaats. Onder verwijzing naar Ef. 5:22-23 wordt gezegd, dat de man in navolging van Christus met liefde en zelfverloochening hoofd behoort te zijn van zijn vrouw: ‘Als eerstverantwoordelijke moet hij haar voorgaan in het leven met de Here. Hij zal zorg dragen voor haar welzijn en haar geborgenheid geven.’

De vrouw bewaart de eenheid door recht te doen aan de plaats van haar man: ‘Zoals de gemeente zich aan Christus toevertrouwt en zich door Hem laat leiden, zo moet de vrouw zich toevertrouwen aan haar man en hem volgen in het dienen van de Here. Zij zal hem helpen bij alle dingen die naar Gods wil zijn, en liefdevol het leven met hem delen.’

Uit de toelichting door deputaten blijkt, dat men het ‘hoofd-zijn’ bewust niet heeft willen omschrijven met de begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’  Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

Tegen (herinvoering van) het woord ‘gezag’ in het formulier pleit, dat Paulus dit woord niet gebruikt. Daarbij komt dat ‘gezag’ voor velen een negatieve lading heeft net zoals het woord ‘onderdanigheid’.

In het ‘hoofd-zijn’ ziet men twee gedachten tot uitdrukking gebracht: zowel verantwoordelijkheid als levenseenheid. Verantwoordelijkheid omdat Adam als eerste geschapen is en een levenseenheid omdat de vrouw een positie niet ondergeschikt aan, maar naast haar man heeft gekregen.

Het kernelement van Ef. 5:21 is het aan het elkaar onderdanig zijn, wat betekent ‘gericht zijn op de ander’: ‘de man moet niet de baas spelen over zijn vrouw, de vrouw moet niet proberen haar man naar haar hand te zetten.’ Voor de man betekent dat zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam, haar geborgenheid geven en haar steun aanvaarden als hulp. Voor de vrouw betekent dat die geborgenheid aanvaarden, maar ook als ‘hulp tegenover hem’ liefdevolle steun geven en de man aanspreken op zijn verantwoordelijkheid.

Van belang is dat bij de besluitvorming door de synode expliciet een amendement, waarin werd voorgesteld in dit onderdeel ook de tekst Gen. 3:16 in de marge te vermelden en de betekenis daarvan voor man en vrouw in het huwelijk te laten verwoorden, met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen werd. Dit betekent dat de aloude visie dat het de wil van God is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren, definitief niet meer in de GKv van kracht is.

     d.  De wederzijdse verplichtingen

In overeenstemming met de geschetste onderlinge verhouding wordt eerst als gemeenschappelijke verplichting de gehuwden voorgehouden ‘in liefde voor elkaar te zorgen.

Vervolgens wordt dat verschillend uitgewerkt: voor de man als hoofd om ‘haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn en voor haar te zorgen en haar geborgenheid te geven’ en voor de vrouw in het aanvaarden van de man als hoofd door ‘zijn liefdevolle zorg en geborgenheid te aanvaarden en hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die naar Gods wil zijn.’

Tenslotte zijn alle specifiek geachte mannen-  en/of vrouwenrollen en -taken uit het formulier geschrapt. Aan man èn vrouw wordt voorgehouden ‘samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin te dragen, trouw te zijn in de uitoefening van de taken die God hen geeft en zo tot een zegen te zijn in de gemeente en in de samenleving.

Deputaten geven aan bewust niet ‘een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij te willen geven.’ Belangrijk argument daarvoor is allereerst dat man en vrouw naar zijn beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast mogen wij ‘niet aan méér binden dan de Schrift doet.’ Wel zijn ze van mening, dat God alleen aan de vrouw het geschenk van het moederschap geeft. Dit eigene zien zij terug in Gen. 3:16 en 1 Tim. 2:15.  Vandaar dat zij in het gedeelte gericht op de vrouw haar taak in het gezin apart benoemen. Omdat de vaders ook een belangrijke taak in het gezin hebben, wordt vervolgens ook gesproken over ‘de gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin.

 

Revisieverzoeken 2002

Op de GS Zuidhorn 2002 ligt van zowel van enkele kerken als van particulieren verzoeken tot revisie van het besluit uit 1999 inzake het nieuwe huwelijksformulier. Ook vanuit het buitenland (Canada en Australië) komen via het deputaatschap Betrekkingen Buitenlandse Kerken op de synode vragen van zusterkerken over het nieuwe huwelijksformulier binnen. Wat de exegese van m/v-teksten betreft wordt o.a. gepleit voor de volgende elementen:

  1. bij de verhouding in het huwelijk moet de verscheidenheid voorop staan;
  2. er moet meer accent liggen op het hoofd-zijn van de man;
  3. het is een verdraaiing van Gen. 2:18 dat de gehuwden elkaar tot hulp moeten zijn.

Na bespreking worden deze bezwaren afgewezen met als grond:

  1. het is niet bewezen dat in het geheel van de Schrift de verscheidenheid van man en vrouw voorop staat;
  2. dat de man het hoofd is van de vrouw, komt in het formulier voldoende naar voren;
  3. het is niet in strijd met de Schrift te stellen, dat man en vrouw elkaar tot hulp dienen te zijn.

 

Terzijdestelling door de DGK(h) in 2005

In 2003 scheiden bezwaarde GKv’ers die zich geconcentreerd hadden rond het blad Reformanda van dr. P. van Gurp, zich af van de GKv en vormen een nieuw kerkverband: de herstelde Gereformeerde Kerken, aangeduid als de DGK(h).

Op hun eerste synode, de GS Mariënberg 2005, distantiëren ze zich van een groot aantal recente besluiten in de GKv. Zo wordt ook het nieuwe huwelijksformulier uit 1999 vervallen verklaard.

Belangrijke overwegingen zijn dat de termen ‘gezag‘, ‘leiden‘ en ‘gehoorzaam toevertrouwen‘ zijn verdwenen en dat met betrekking tot de positie van man en vrouw in het huwelijk veel nadruk wordt gelegd op het gelijk-zijn in Christus en op het recht doen aan elkaars positie als uitleg van ‘het hoofd zijn van de man zoals Christus hoofd is van zijn gemeente.’ Ook heeft men moeite met het besluit van de GS Zuidhorn 2002, dat de verscheidenheid van de man en de vrouw in het huwelijk voorop staat in het geheel van de Schriften.

Als gronden voort men daar o.a. voor aan:

  1. in het formulier van de GS Berkel en Rodenrijs 1996 wordt onvoldoende recht gedaan aan wat de bijbel leert over de door de Here al bij de Schepping ingestelde verhouding tussen man en vrouw met de daaruit voorvloeiende onderscheiden taken (Spreuken 31, 1 Kor. 11:7-10; 1 Kor. 14:34; Ef. 5:22-33; 1 Tim 2:13-15; Titus 2:4; 1 Petrus 3:1-7).
  2. Hoewel de tekst van het huwelijksformulier van GS Leusden 1999 op punten een verbetering is, wordt nog steeds op het belangrijke punt van de verhouding tussen man en vrouw, en hun onderscheiden taken, geen goed Bijbels onderwijs gegeven. In een samenleving waarin de gelijkheid tussen man en vrouw een onschriftuurlijk streven is, wordt op dit punt niet de wacht betrokken bij de secularisatie van de kerkleden.
  3. De GS Zuidhorn 2002 neemt nog duidelijker afstand van het onderwijs van de Schriften met betrekking tot de verscheidenheid tussen man en vrouw in het huwelijk.

In plaats van het nieuwe formulier uit 1999 wordt het huwelijksformulier zoals dat in 1981 vastgesteld werd en in 1984 in het Gereformeerd Kerkboek is opgenomen, opnieuw door de DGK(h) ingevoerd.

 

 

De VVV

Het was in het voorjaar van 1983 dat wij tijdens onze studietijd in Groningen een werkgroepje vormden: Vrijgemaakte Vrouwen Vraagstukken (VVV).  Met zijn zevenen (zes meiden en ik) hebben we 3 jaar lang het huwelijksformulier bestudeerd: geschiedenis, formulering, versies en mogelijke alternatieven. Het liep tegen de tijd dat mijn vriendin en ik zouden trouwen.

Belangrijke aanleiding was dat wij als studenten moeite hadden met de manier waarop in het formulier de verhouding tussen man en vrouw en de rol van de vrouw in gezin en samenleving geformuleerd werd. Vooral stoorde ons de onevenwichtigheid daarin. De positie van de man was in het kort gezegd ‘hoofd zijn, liefhebben in een goede verstandhouding en kostwinner zijn’ en die van de vrouw ‘liefhebben, onderdanig zijn en hulp in het leven en de huishouding’. Die strekking spoorde niet met de manier waarop het economische en sociale leven in die tijd al ingericht was. Ook getrouwde vrouwen werkten, hoewel nog maar enkele jaren de wettelijke maatregel dat de huwende en gehuwde vrouw ontslagen kon worden opgeheven was (in 1975). Belangrijker nog was, dat de veronderstelde gezagsrelatie tussen man en vrouw ons inziens in het begrip ‘hoofd-zijn’ ingelezen was. Het huwelijksformulier hield ons niet een bijbelse visie op het huwelijk voor, maar een cultuurbepaalde interpretatie daarvan.

Toen onze huwelijksdatum dichterbij kwam, zochten wij begin 1984 via een brief contact met de kerkenraad van de GKv Groningen-Noord en legden hen het verzoek voor om te mogen trouwen onder een aangepast huwelijksformulier. Ik kan me het gesprek met de ouderlingen nog goed herinneren. Hij begreep eigenlijk niet waar wij ons druk over maakten. Na een enkel gesprek werd duidelijk, dat een alternatief formulier er voor ons niet in zat. Het was òf ons huwelijk niet in de kerk laten bevestigen òf het huwelijksformulier voor lief nemen en met behoud van gevoelens ons ja-woord uitspreken. Omdat wij zeer hechtten aan het trouwen in de kerk, zijn we op een goede woensdagmiddag in augustus 1984 in het stadhuis van Groningen getrouwd en hebben we de daarop volgende zondag in de kerk te Hattem ons huwelijk laten bevestigen.

Ook nadat wij getrouwd waren, hebben wij onze gesprekken over het huwelijksformulier in VVV-verband voortgezet. Naar aanleiding van verschillende punten en vragen nodigden wij mevr. Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom in februari 1985 uit om ons daarin verder te helpen. Een zeer interessante avond waarin wij ons gezamenlijk over de verschillende m/v-teksten bogen.

Wat mij bij is gebleven is de beslistheid waarmee zij bepaalde argumenten kritisch tegen het licht kon houden. Ze was ervan overtuigd, dat de bijbel de vrouw nergens op een bepaalde taak vastlegde. Vrouwelijke profetessen en richters kun je niet afdoen met het argument, dat het een ‘noodsituatie’ was of als uitzonderingen die de regel bevestigen. ‘Waarom zou dat een uitzondering zijn? Hoe bepalen theologen wat de regel is? Bestaan er noodsituaties voor God? Nee, toch!’

Ook liet ze zich kennen als erfgenaam van een traditie van opkomen voor een betere en rechtvaardige positie van de vrouw in de kerk. Toen de zinsnede uit 1 Kor. 11:7 –  de vrouw is de heerlijkheid van de man – ter sprake kwam verbond zij dat met het gezamenlijk ‘beeld van God zijn’ van man en vrouw. Het heeft betrekking op het samen volbrengen van de opdracht. Niet dat de vrouw de heerlijkheid van de man ‘an sich’ is, maar in het kader van de schepping is zij dat. Om te voorkomen dat de man maar even  de gedachte mocht hebben dat hij meer is, voegt Paulus er daarom aan toe: ‘en toch is de man niet meer.’ Bij dit alles haalde zij de gedachte aan van J.C. Sikkel uit zijn postuum uitgegeven lezing ‘De groote toekomst en de vrouw’ (1920): ‘De man ontplooit zich pas ten volle, als de vrouw zich ten volle kan ontplooien’.

Op een gegeven moment waren we wel klaar met het huwelijksformulier. Het laatste verslag dat ik nog heb is van een VVV-vergadering van februari 1986. We waren allemaal onder het bestaande huwelijksformulier getrouwd en het werd tijd om af te studeren.

Een stukje persoonlijke geschiedenis die een treffende illustratie is voor de invloed van de context op ons lezen en toepassen van de bijbel en de invloed die generaties hebben op het reilen en zeilen in de kerk, dat wat wel genoemd wordt ‘de ongelijktijdigheid van het gelijktijdige’.

Wij waren geboren eind jaren ‘50/begin ’60 en opgegroeid in de jaren ‘60 en ‘70. Voor ons was de gelijkwaardige positie van man en vrouw vanzelfsprekend. Wij studeerden met het perspectief dat vrouwen evengoed als mannen actief aan de samenleving deel zouden nemen, en dat zij ook als gehuwden zouden werken. Wij zagen dat in het maatschappelijk verkeer een notie als dat de man gezag over de vrouw heeft of dat de vrouw onderdanig aan de man zou zijn, totaal niet aan de orde was. Praktisch gezien was er wel ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar principieel niet.

De synode die in 1978 een uitspraak deed dat het vrouwenstemrecht niet bijbels verantwoord is of in 1981 een nieuw huwelijksformulier vaststelde, waarin de ongelijkwaardige positie van man en vrouw uitgangspunt is, werd gedomineerd door mannen die grotendeels voor de 2e wereldoorlog geboren waren of net daarna. Zij waren groot geworden in een samenleving, waarin tot 1956 de gehuwde vrouw wettelijk handelingsonbekwaam was verklaard en tot 1971 bij wet vastgelegd was dat de man ‘het hoofd van de echtvereniging’ was en de vrouw aan hem ‘gehoorzaamheid was verschuldigd’. Zelf waren ze getrouwd onder een huwelijksformulier, waarin het oordeel van God over de vrouw in Gen. 3:16: ‘Tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben’ als een ordinantie van God werd beschouwd.

Boeiend is het om te zien, dat op een gegeven moment de kracht van het bijbelse argument voor een bepaalde visie niet meer overtuigt. 15 jaar na 1978 wordt het vrouwenstemrecht in de GKv ingevoerd en 15 jaar na 1981 wordt er een huwelijksformulier vrij gegeven, waarin de gelijkwaardigheid van man en vrouw het uitgangspunt is. De samenleving is veranderd en wij als gereformeerden veranderen mee. Een nieuwe context leidt tot een nieuw verstaan en een nieuwe toepassing van de bijbel.

Tegenstanders van een veranderend schriftverstaan op het terrein van m/v hebben op dit moment de gewoonte om de oorzaak daarvan te zoeken in een zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’, waarin de context van de interpretatie over de tekst zou gaan heersen. Dat is makkelijk scoren, omdat zo’n verwijt het eigen schriftverstaan bij voorbaat onaantastbaar maakt voor kritiek.  Daarnaast biedt het geen verklaring waarom bepaalde interpretaties, die door hen met deze term als niet verantwoord afgewezen worden, al in het begin van de 20e eeuw in de gereformeerde kerken opgeld deden.

Op basis van exegetische argumenten lag er, – toen er nog lang geen sprake was van een ‘nieuwe‘ hermeneutiek -, in 1927 en 1930 een pleidooi voor het vrouwenstemrecht op de synodetafel. Ook het inzicht dat naast het geoorloofd zijn van het vrouwenstemrecht vrouwen ook geroepen zouden mogen worden tot het ambt van predikant, ouderling en diaken, komen wij in de hierboven aangehaalde lezing van J.C. Sikkel uit 1920 al tegen.

Het lezen en toepassen van de bijbel is altijd contextueel bepaald. Voor een verklaring dat een bepaalde lezing op een gegeven moment overtuigt en dominant wordt, zul je daarom vooral moeten kijken naar de invloed van de sociale, culturele en (kerk)politieke situatie eerder dan dat de inhoud van de exegese zelf de doorslag heeft gegeven.