Gods gebod en de cultuur

In het Gereformeerd Kerkblad heb ik eind mei/begin juni 2018 in twee artikelen het boekje ‘Meedenken met Paulus’ van de hand van dr. Bert Loonstra besproken.[i] Naar aanleiding van deze artikelen heeft Jaap Spoelstra in dit blad een ingezonden geschreven onder de titel ‘Meedenken met Pathuis’.[ii] Op verzoek van de redactie heb ik daarop met onderstaande tekst gereageerd.

Om te beginnen wil ik graag een misvatting rechtzetten. Ik hecht er aan om bij de exegese van de bijbel het onderscheid tussen uitleg en toepassing van de bijbel te honoreren. Dat betekent dat de kern van Loonstra’s model niet is, – zoals Spoelstra samenvat – dat de westerse cultuur (mede) bepaalt hoe we de Bijbel uitleggen, maar wel dat we bij het gebruik en de toepassing van de bijbel met onze cultuur rekening hebben te houden.

Het mag duidelijk zijn, dat de bijbel een patriarchale cultuur veronderstelt en dat de aanwijzingen en wetten die daarin gegeven zijn ook op deze cultuur toegespitst zijn, ook als het gaat over de verhouding m/v. Maar dit betekent niet dat je aan het gezag van Gods spreken recht doet, wanneer je deze aanwijzingen zonder meer van toepassing verklaart voor onze eigen cultuur en context. Je zult ook moeten overwegen of een toepassing in onze cultuur mogelijk, wenselijk of geboden is om de bedoeling van Gods spreken tot uitdrukking te brengen.

In een oosterse cultuur is het bijvoorbeeld een teken van respect om in een gezagsrelatie de ander niet aan te kijken, maar je ogen neer te slaan. Deze regel kun je niet zo maar in een westerse cultuur toepassen. Een kind dat een ouder niet aankijkt als die hem vermanend toespreekt, wordt juist gesommeerd: ‘Kijk mij aan, als ik tegen je praat!’. Hetzelfde gedrag kan in verschillende contexten een andere betekenis hebben of krijgen. Bij de toepassing van een regel of gebod zul je daarom altijd de eigen cultuur en context in rekening moeten brengen. Je kunt er ook niet vanuit gaan, dat Paulus met de aanwijzingen voor zijn eigen tijd het laatste woord heeft gesproken en dat in de wijze waarop het christelijke en het gemeenteleven vorm gegeven moet worden geen ontwikkeling of aanpassing aan andere tijden meer mogelijk is. Onze driedeling van het ambt in predikant, ouderling en diaken is een toepassing die pas ontstaan is in de 16e eeuw.

In de bijbel zelf zie je al de aandacht voor de context, waarin geboden toegepast moeten worden. Zelfs zo, dat bepaalde geboden aangepast en soms terzijde geschoven worden om de intentie van Gods Woord in een nieuwe situatie (beter) tot uitdrukking te brengen. De geboden in het zgn. Bondsboek (Ex. 21-23) veronderstellen een agrarische dorpssamenleving, waar offers gebracht worden op zelfgebouwde altaren. De geboden in Deut. 12-26 veronderstellen een nationale samenleving met een koning met adel, met versterkte steden en een tempel, waar alleen de offers gebracht mogen worden. Er kwamen andere regels voor het slachten van dieren, de omgang met de zgn. eerstelingen en ook een andere invulling van de drie jaarfeesten, in het bijzonder het Pesach-feest. Dat de verering van God net als het hele rechtssysteem een andere vorm krijgt in een andere sociaal-culturele situatie laat het dynamisch karakter van de wetgeving zien. Heel duidelijk werd dat in de tijd na de ballingschap toen o.a. de synagoge als institutie ontstond. De bijbelse wetgeving paste zich zo aan niet voorziene omstandigheden en veranderende culturele situaties aan.

Als criterium voor de toepassing van de bijbelse geboden kun je daarom niet categorisch stellen, dat die altijd haaks moet staan op de heersende cultuur. Dan laat je je uiteindelijk in je gedrag negatief bepalen door de cultuur in plaats van dat je positief uitgaat van Gods woord en bedoelingen zelf. Vroeger zijn met een beroep op de NGB 1951 vertaling van Ef. 4:20: ‘Maar gij geheel anders’ veel gebruiken als ongereformeerd afgewezen, waar wij vandaag heel anders over denken. In bepaalde aspecten sluit God aan bij de cultuur, in andere staat zijn Woord daar tegendraads tegenover. Polygamie en slavernij waren destijds gangbaar en de wetgeving in de bijbel sloot daarbij aan. In het Nieuwe Testament is polygamie niet meer aan de orde, terwijl de slavernij in de 19e eeuw uiteindelijk als niet passend bij Gods bedoeling met mensen is afgewezen.

Paulus geeft een staalkaart aan criteria als het gaat om de toepassing van Gods geboden in concrete situaties. Soms is het missionair, zoals in 1 Kor. 9:19-23 (de Joden een Jood, de Grieken een Griek). Een andere keer doet hij een beroep op het geweten, op zijn overtuiging, op het onderscheidingsvermogen, of iets passend is, of het opbouwt, op gewoonte of natuur, of dat het in overeenstemming is met de wet. Ook wijst hij op zijn eigen voorbeeld, dat van Christus of doet hij een beroep op de Geest. Maar zijn belangrijkste en overkoepelend criterium in dat alles is dat van de liefde. Opvallend daarbij is, dat hij ook niet in alle gevallen een zelfde beslissing verwacht: voor zwakken in het geloof kan de toepassing anders uitvallen dan voor sterken in het geloof. Paulus doet heel vaak een beroep op de eigen overwegingen en inzicht van de gelovigen.

Als het om m/v en het ambt gaat is een beroep op de regels van 1 Kor. 11 en 14 en op 1 Tim. 2 niet beslissend. Naast oog voor het relatieve karakter van deze regels binnen een patriarchale samenleving is ook bezinning op de eigen culturele context noodzakelijk, wil je hierin verantwoorde keuzes maken. Dr. Bert Loonstra heeft in zijn boekje ‘Meedenken met Paulus’ een vruchtbaar model gegeven om zo’n keuze te kunnen verantwoorden.

 

 

[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/26/meedenken-met-paulus-i/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/09/meedenken-met-loonstra-i/.

[ii] Zie: Gereformeerd Kerkblad, 21e jaargang, nummer 14, 6 juli 2018, p. 4.

Meedenken met Paulus [i]

Dr. Bert Loonstra heeft een waardevol boekje geschreven over Paulus’ omgang met de wet en de geschriften van Israel. Daarmee wil hij het gesprek over de vrouw in het ambt in de GKv en in zijn eigen CGK verder helpen.

Waarin voor- en tegenstanders beslissend van mening met elkaar verschillen, is hoe om te gaan met de zgn. zwijgteksten. Zijn deze teksten het einde van alle tegenspraak of mag je ze ook in hun eigen context plaatsen? D.w.z. mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Dat laatste is wat Loonstra met zijn boekje beoogt: ‘Demonstreren dat de Schrift zelf leert dat in andere tijden de rol van de vrouw anders kan worden dan die welke Paulus in zijn eigen situatie verdedigt’ (12). Hij wil duidelijk maken dat trouw aan de Schrift niet bestaat in het naspreken van wat Paulus destijds heeft gezegd, maar in een nieuwe toepassing van diens eigen uitgangspunten en manier van denken.

Daarom probeert Loonstra de structuur van Paulus’ denken en redeneren op het spoor te komen. Hij laat zien dat Paulus aan de ene kant een continuïteit tussen het christelijk geloof en het Oude Testament tekent. Centraal staat God, de Schepper van de hemel en aarde, de God van Israel, de God van de Thora, de God van liefde, recht en trouw. Maar God is ook de Vader van onze Heer Jezus Christus, die bevrijdend verschenen is voor alle mensen. Op dit punt komt Paulus’ denken op gespannen voet te staan met het joodse denken. Paulus relativeert de betekenis van de wet en de besnijdenis, omdat God buiten de wet om gerechtigheid brengt (Romeinen 3). De ‘letter’ van de wet brengt een vloek, waar Christus ons van bevrijdt (Galaten 3). Zo heeft de geschreven wet als gevestigde autoriteit zijn macht verloren en kan Paulus de ‘letter’ tegenover de Geest stellen. De ‘letter’ d.w.z. de uitwendige wet doodt, maar de Geest maakt levend, doordat hij de wet in ons hart schrijft (2 Korintiërs 3) en in ons de liefde als vervulling van de wet uitstort (Romeinen 5).

In Galaten 5 benadrukt Paulus dat de gelovigen zich niet opnieuw een slavenjuk moeten laten opleggen: ze zijn bevrijd van de wet. Tegelijk schrijft hij dat die vrijheid niet misbruikt mag worden om de hartstochten te bevredigen. Het is een vrijheid tot dienstbaarheid in liefde. In dat kader formuleert Paulus concrete gedragsaanwijzingen voor de gelovigen, waarbij hij in sommige gevallen ook expliciet naar de geschreven wet verwijst, b.v. als het gaat over de positie van de vrouw in de gemeente.

De vraag is nu hoe de vrijheid van de Geest en het concrete gebod zich tot elkaar verhouden. Volgens Loonstra doet Paulus een beroep op bepalingen in de wet, wanneer en zolang ze een invulling geven aan de kernwaarden van het evangelie en uitdrukking geven aan het leven met Christus door de Geest. Andere tijden kunnen daarom een andere toepassing vragen om de betekenis van het evangelie te concretiseren. Een voorbeeld daarvan is de slavernij. Paulus roept slaven op om zich te onderschikken aan hun meesters, terwijl wij met een beroep op het evangelie slavernij als een mensonterende praktijk veroordelen. Waar in de tijd van Paulus een oproep tot verzet tegen de slavernij het evangelie in diskrediet zou brengen, heeft in onze tijd een pleidooi voor slavernij juist dat negatieve effect.

Dit principe past Loonstra toe op de positie van de vrouw in de gemeente. Gegeven de patriarchale samenleving waarin Paulus leefde, was zijn gebod aan vrouwen om zich in de gemeente aan de man te onderwerpen een middel om bij te dragen aan de verbreiding van het evangelie. In onze westerse samenleving is dit gebod tot onderwerping van de vrouw aan de man het tegendeel van een bevrijdende boodschap. Daarmee lijkt het op de ‘letter’ van de wet die niet heilzaam is. Het is namelijk goed te verdedigen dat de emancipatie van de vrouw in de gemeente en het toelaten van de vrouw in het ambt aansluit bij de kern van het evangelie, waarin Gods bevrijdende liefde centraal staat.

Volgens Loonstra is het onvermijdelijk en gerechtvaardigd, dat onze westerse cultuur zo een stempel zet op de manier waarop wij het evangelie in onze tijd vorm geven. Mits die toepassing geënt is en blijft op de basisnoties van het evangelie: toewijding aan Christus, gerichtheid op de ander in liefde, verantwoordelijkheid, gemeenschapszin, oprechtheid en trouw. Alles is geoorloofd, maatgevend is of het nuttig en opbouwend is.

Loonstra geeft terecht aan, dat er moed voor nodig is om zo met de bijbel om te gaan. Zijns inziens komt deze omgang met de wet en met de Schrift uit de bijbel zelf op en doet deze beter recht aan de integrale boodschap van Paulus dan het vasthouden aan zijn afzonderlijke aanwijzingen, omdat immers ook recht moet worden gedaan aan de context van Paulus’ Schriftgebruik.

N.a.v. dr. Bert Loonstra, Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018, prijs: € 12,95

 

[i] Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 11 d.d. 25 mei 2018