Bijbelgetrouw

Er staat veel op het spel op de GKv synode die nu vergadert. Het gaat niet alleen over hoe je concrete bijbelteksten over de verhouding van de man en vrouw uitlegt, maar ook over de vraag wat je daar vervolgens mee doet. Hoe pas je de gevonden bijbelse inzichten anno 2020 toe?[1]

De vraag waar de synode zich over moet buigen is, of wij met betrekking tot de positie van de vrouw in de kerk op bijbels verantwoorde wijze tot andere keuzes mogen/kunnen komen dan die ons in de traditie zijn overgeleverd. Is er ruimte om van mening te verschillen zonder dat de rode kaart van ontrouw aan Gods woord wordt getrokken? Dat oordeel over het ‘m/v-besluit’ uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten hangt als een zwaard van Damocles boven de synode. Het is de achtergrond van verschillende verzoeken om revisie van dat besluit.[2] Het is ook het oordeel van enkele buitenlandse kerken, die de afgelopen week om die reden de banden met de GKv als zusterkerken verbroken hebben.[3]

In deze blog ga ik in op de historische context van de vraagstelling waar de synode voor staat. Die wordt namelijk bepaald door de worsteling in het spanningsveld tussen bijbel en cultuur, waar de gereformeerde kerken sinds 1900 steeds meer mee te maken hebben gekregen. In het dossier ‘vrouw en kerk’ klinken de hele 20e eeuw door de waarschuwingen tegen de invloed van de tijdgeest, die zich zou uiten in individualisme, emancipatiezucht en gelijkheidsdenken.[4] Hoe verhoud je je als christen tot de moderne samenleving? Is aanvaarden van elementen daaruit in strijd met Gods woord, wanneer in de bijbel de samenleving duidelijk op een andere wijze geordend is dan vandaag? Hoe bepaal en verantwoord je dat?

In het eerste deel geef ik de visie van Herman Bavinck op de verhouding tussen geloof en samenleving weer. In het tweede deel beantwoord ik de vraag hoe je in het dossier ‘vrouw en kerk’ recht doet aan de normativiteit van de bijbel. In het derde deel laat ik zien op welke wijze men in de argumentatie pro en contra het ‘m/v-besluit’ omgaat met de normativiteit van de bijbel, waarna ik eindig met een korte samenvattende conclusie.


  • Herman Bavinck

Dat de vragen rond geloof en samenleving op de gereformeerde agenda zijn komen te staan is grotendeels te danken aan het werk van de 19e– en vroeg 20e-eeuwse gereformeerde theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck. Het doel van Abraham Kuyper was om kerk en theologie in rapport met de tijd te brengen, terwijl de spits van het werk van Herman Bavinck lag in de bezinning op de verhouding tussen ‘het oude geloof en de moderne cultuur, de orthodoxie en de moderniteit.’[5] Ik noem twee publicaties, waarin hij op deze verhouding ingaat.

Allereerst is er zijn rectorale rede van 18 december 1888: ‘De Katholiciteit van Christendom en Kerk.’ Zijn uitgangspunt daarbij is dat ‘het Evangelie een blijde boodschap is, niet slechts voor de enkele mens, maar ook voor de mensheid, voor het gezin en de maatschappij en de staat, voor kunst en voor wetenschap, voor de ganse kosmos, voor heel het zuchtend creatuur.’ Daarom is het geloof algemeen of katholiek: ‘aan geen tijd of plaats, aan geen land of volk gebonden; het kan ingaan in alle toestanden, zich aansluiten aan alle vormen van het natuurlijke leven, het is geschikt voor alle tijden, is tot alle dingen nut, komt te pas onder alle omstandigheden; vrij is het en onafhankelijk, want het bestrijdt niets dan de zonde alleen, en reiniging is er voor alle zonde in het bloed van het kruis.’ Bavinck waarschuwt daarom tegen een piëtistische en ascetische beschouwing van de wereld en haar cultuur en pleit voor ‘een methodisch, organische hervorming van het geheel, van de kosmos, van volk en van land’ en voor ‘een hervorming van het openbare leven naar de eis van Gods Woord.’ In dit alles prijst hij als ideaal ‘het geloof van hem die, het koninkrijk der hemelen als een schat bewarend, het tegelijk indraagt in de wereld, verzekerd dat Hij die voor ons is, meer is dan die tegen ons is, en machtig om ook te midden der wereld ons te bewaren voor het kwaad.’

In 1911 sprak Bavinck een rede uit, waarin hij expliciet de gevoelde tegenstelling tussen ‘Modernisme en orthodoxie’ thematiseert. Nadat hij uitvoerig de ontwikkeling van cultuur en wetenschap in de 19e eeuw beschreven heeft, verbindt hij daar de verwachting aan dat men nog maar aan het begin van een nieuwe ontwikkeling staat: ‘God is bezig, grote dingen in deze tijden te doen.’ Juist op grond van de voorzienigheid van God roept Bavinck zijn toehoorders op om ‘dankbaar en hoopvol de wereld die Hij door de wetenschap ons kennen doet en in wier midden Hij ons een plaats gegeven heeft’ te aanvaarden. Daarom hecht Bavinck ook aan de naam ‘gereformeerd’. Daarin ligt ‘enerzijds opgesloten aansluiting aan het verleden, historische continuïteit, handhaving van de Christelijke belijdenis, zoals ze in de Reformatie overeenkomstig de Heilige Schrift van Roomse dwalingen gezuiverd werd; en anderzijds de eis en de plicht, om naar deze Schriftuurlijke en historische beginselen leer en leven van eigen persoon en gezin, en voorts van onze ganse omgeving voortdurend te herzien. Reformati quia reformandi en omgekeerd.’

Als grond voor deze aanvaarding van de moderne cultuur verwijst Bavinck net als in zijn rede over ‘De katholiciteit van Christendom en Kerk’ naar ‘de eenheid van God, dat is de eenheid van de God van de natuur en van de God van de genade’:  ‘De Schepper van hemel en aarde, in wie alle schepselen leven en zich bewegen en zijn, die onvergelijkelijk, onbegrijpelijk, oneindig en eeuwig is, Hij is tevens de Vader van onzen Heere Jezus Christus en in Hem de Vader van al zijn kinderen.’ Daarom kan er geen scheiding zijn tussen wereld en kerk, wetenschap en geloof, of geloof en leven.

Voor de christen betekent de aanvaarding van de moderne cultuur de roeping om ‘tegenover de ontzaglijke problemen waar de wetenschap en het leven ons voor plaatsen’, de katholiciteit van het christendom te bewijzen door te laten zien dat het evangelie ‘een woord is voor alle volken, tijden en toestanden.’ Met al de hulpmiddelen, die de wetenschap en de cultuur ons ten dienste stellen, hebben wij de waarheid van God in zijn algemene openbaring in geschiedenis en natuur en bijzondere openbaring in de Heilige Schrift te leren verstaan en tot ons geestelijk eigendom te maken.

Deze visie op de verhouding van geloof en het moderne leven is voor Bavinck zelf een belangrijke motivatie geweest om in zijn latere theologische leven zich uitgebreid te verdiepen in de eigentijdse filosofie, psychologie en pedagogie, om zich actief in te zetten in de politiek en voor het onderwijs, alsmede in de bezinning op de ontwikkelingen in de samenleving. Zo bracht Bavinck ‘steeds dat oude gereformeerde geloof ter sprake, omdat hij ervan overtuigd was dat binnen deze kaders ook in de moderne wereld de weg moest en kon worden gevonden.’[6]


  • Normativiteit  

De vraag die ons vandaag bezighoudt is, hoe je de ontwikkelingen in de moderne samenleving dient te taxeren. De bezinning op die vraag bracht Abraham Kuyper en Herman Bavinck in hun tijd tot een opnieuw doordenken van de Schrift- en openbaringsleer. In zowel kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd formuleerde Bavinck de leer van de ‘organische inspiratie’.[7] Met dit begrip vraagt Bavinck aandacht voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.

Voor het Schriftberoep betekent dit dat rekening moet worden gehouden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis. Ook dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

De bijbel is het middel waardoor God vandaag tot ons spreekt, maar niet het einddoel van zijn openbaring. Ook al bestaat de openbaring voor ons ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, Bavinck’s visie is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.’ Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. In de bedeling van de Geest brengt God zelf door middel van zijn Geest via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.

Met betrekking tot de vraag naar de positie van de vrouw in de bijbel is het daarom belangrijk het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel in rekening te brengen. Bavinck laat zien, dat er onderscheid is tussen het woord van God in formele en in materiële zin, zonder dat deze gescheiden kunnen worden. Rekening houdend met het organisch en historisch geheel van de openbaring zullen het dogma en de levensregels op de Schrift gegrond en daaruit afgeleid moeten worden. De bijbel is geen wetboek. Niet alles wat in de bijbel gezegd, beschreven en voorgeschreven is, heeft het stempel ‘Gods Woord’ als was het onderdeel van een wetboek vol artikelen. De openbaring is gegeven in de vorm van de geschiedenis. Daarom zijn de context, het historische verband en de fase in de heilsgeschiedenis belangrijke parameters om het soortelijk gewicht van de bijbeltekst vast te stellen. Er is een onderscheid tussen historisch en normatief gezag.


  • Pro en contra het ‘m/v-besluit’

In de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ is het zeer verwarrend, dat men met dit onderscheid tussen het historisch en het normatief gezag van de bijbel nauwelijks of geen rekening lijkt te houden.

Dit manco is het meest duidelijk in het oordeel van Anthony Curto, de afgevaardigde van de Orthodox Presbyterian Church uit Amerika, afgelopen week op de synode: ‘In jullie uitspraken lijkt het alsof de Bijbel tegengestelde dingen kan zeggen. Of dat hij voor een bepaalde tijd is geschreven, waarmee je ondermijnt dat de Bijbel waar is voor altijd.’ Maar dit verwijt van onzorgvuldig argumenteren treft ook categorische uitspraken als: ‘De bijbel zegt duidelijk dat God aan man en vrouw een verschillende rol heeft toebedeeld’[8] en ‘Uit het bijbels onderwijs blijkt dat er een onderscheid is tussen mannen en vrouwen, ook als het gaat om de roeping tot het bijzonder ambt.’[9]

Al deze uitspraken hebben alleen geldingskracht, wanneer de voorvraag gesteld en beantwoord is, of datgene wat de bijbel op dit punt historisch gezien leert of uitspreekt ook normatief als Gods woord geduid en zo ons vandaag voorgehouden moet worden. Hoewel de formele en materiële betekenis van de uitdrukking ‘de bijbel is Gods woord’ nauw met elkaar verbonden zijn, moet je in de toepassing van de bijbel je rekenschap geven van de wijze waarop deze beide betekenissen zich tot elkaar verhouden.

Het synodebesluit uit 2017 om de vrouw in het ambt toe te laten, is mede gebaseerd op de rapporten ‘Pijnpunten rond vrouw en ambt’ en ‘Samen dienen’ van deputaten ‘M/V en ambt’. Wat je verder ook van de inhoud van deze rapporten vindt, deputaten hebben zich uitgebreid rekenschap gegeven van de wijze, waarop zij in dit dossier de bijbel gebruiken. Principieel gezien hebben zij het volste recht om reliëf en gelaagdheid aan te brengen in de gegevens, die ze in de bijbel over de positie van de vrouw bijeen hebben gelezen. Dat doen ze bijvoorbeeld in alinea’s als de volgende twee:

In het voorgaande schemerde al even door dat de houding jegens vrouwen wel eens zeer cultuurbepaald geweest zou kunnen zijn. In het Oude Nabije Oosten heerste sowieso een sterk patriarchale cultuur, waarin de vruchtbaarheid (van de vrouw) een centrale kwaliteit vormde. Het is dan ook niet verwonderlijk als de Israëlitische cultuur daar herkenbare trekken van mee krijgt. In dat kader is de vraag van belang of en in hoeverre de geboden van en de omgang met God heilzaam genezend inwerkten op dit aspect van de cultuur.[10]

Wie reflecteert op het beeld dat de Bijbel van vrouwen tekent, komt vroeg of laat onder de indruk van de complexiteit. Dat hangt vooral samen met de dynamiek in Gods openbaring. Het evangelie is een in zichzelf consistent verhaal. Maar het groeit wel procesmatig de wereld in. Het is dus zaak die stapsgewijze voortgang te honoreren; dat wordt in de gereformeerde traditie wel aangeduid als Gods pedagogische progressie. Daarbij is ook nog eens sprake van een zeer wisselende context. Door heel de Bijbel heen is die context herkenbaar, met als gevolg dat het verhaal van de Bijbel van A tot Z cultureel gekleurd is. Dat complex levert in de duiding van de Schriftgegevens ook problemen en uiteraard missers op.[11]

Deputaten laten hier op het punt van de positie van de vrouw in de bijbel zien, wat Bavinck bedoelde met zijn inzicht dat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling.[12] Mede op basis daarvan kunnen zij verantwoord de conclusie trekken dat er ‘Schriftuurlijke gronden zijn om vrouwen van de gemeente te roepen tot de dienst van predikant, ouderling en diaken.’


  • Samenvattende conclusie

Het is in de beoordeling van het ‘m/v-besluit’ gemakkelijk om het predikaat ‘bijbelgetrouw’ te claimen. Wanneer men echter in dat oordeel geen rekening houdt met het onderscheid tussen het historisch en normatief gezag van de bijbel, leidt dat veeleer tot biblicisme dan tot werkelijke trouw aan de bijbel als Gods woord.


[1] In de hermeneutiek is het onderscheid tussen uitleg en toepassing van wezenlijk belang. Wanneer je aan dit onderscheid voorbij gaat, dan verval je tot biblicisme. Zie voor dit onderscheid en voorbeelden van wat biblicisme is, mijn blog over hermeneutiek: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/04/hermeneutiek-i/.

[2] Voor een analyse en beoordeling van de ingebrachte bezwaren tegen de openstelling van het ambt voor de vrouw zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2019/11/30/bijbelse-bezwaren-tegen-de-vrouw-in-het-ambt/.

[3] Zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/11/stokkend-gesprek/. Dit oordeel komt m.i. niet alleen voort uit een ander verstaan van de bijbel, zoals dr. Dean Anderson namens de Free Reformed Churches of Australia op de synode naar voren bracht: ‘Als je de Bijbel anders gaat verstaan, heb je opeens een ander geloof en een ander fundament’, maar dit anders verstaan zelf komt voort uit een andere visie op de relatie tussen de bijbel en de openbaring van God. Er is een wisselwerking in de visie op de bijbel en het verstaan van de bijbel. Deze relatie heb ik onderzocht in mijn blog over een beoordeling van het ‘m/v-besluit’ vanuit de Hersteld Hervormde Kerk: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/. Zie ook hierna in deze blog de bespreking van de ‘organische inspiratieleer’, zoals Herman Bavinck deze ontwikkeld heeft.

[4] Van september 2017 t/m maart 2018 heb ik in een groot aantal blogs de exegetische en hermeneutische argumentatie in het dossier ‘vrouw en kerk in de 20e eeuw’ geanalyseerd. Voor een samenvattende conclusie en nabeschouwing, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[5] Zie George Harinck, ‘De gereformeerde spiritualiteit van Herman Bavinck (1854-1921)’, in: H.J. Selderhuis, R. Kuiper, W.J. Ouweneel, G. Harinck, H. Medema, Wandelen met God. Spiritualiteit in de negentiende eeuw, Vaassen: Uitgeverij Medema, 2001, p. 75-94. Citaat op p. 77.

[6] George Harinck, a.w., p. 90. Voor de wijze waarop Herman Bavinck in 1917 de 1e Kamer een pleidooi voerde voor het kiesrecht van de vrouw, zie mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/. Zijn rede heeft hij in 1918 uitgewerkt tot het boek ‘De vrouw in de hedendaagsche maatschappij’, waarin hij zich op het punt van de emancipatie van de vrouw sterk progressief betoonde. Het meest opmerkelijke is dat hij daarin een voor zijn tijd ongekende en ruimhartige verdediging biedt van het vrouwenkiesrecht in de kerk. Voor het boek en de reacties daarop, zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen, 1966, p. 260-262.

[7] Voor een schets van de organische inspiratieleer van Herman Bavinck met verwijzing naar zijn Dogmatiek, zie mijn al genoemde blog:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/22/hermeneutiek-en-het-m-v-besluit/, onder par. 2.3. ‘Openbaring’, waar ik hier deels uit put.

[8] Ds. J.J. Schreuder op de synode van 2005 bij de instelling van het deputaatschap dat onderzoek moet gaan doen naar de positie van de vrouw in de kerk.

[9] ‘Appèl’ op de GS Goes 2020 van de Kerngroep ‘Bezinning M/V en ambt’ in ‘Open brief’ d.d. 14 december 2019. Zie over dit ‘Appèl’ mijn blogs: https://fpathuis.wordpress.com/2019/12/28/appel/ en https://fpathuis.wordpress.com/2020/01/09/over-gelijkheidsideologie/.  

[10] Deputaten ‘M/V en ambt’, Samen dienen. Rapport aan de GS Meppel 2017, p. 10.

[11] Idem, a.w., p. 11.

[12] In eerdere blogs heb ik ook aandacht geschonken aan de bijbelse patriarchale cultuur en op soortgelijke wijze als deputaten beargumenteerd, dat wanneer God zich in zijn openbaring aansluit bij de patriarchale cultuur, dit niet impliceert dat die cultuur zelf ook door God normatief verklaard is, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/patriarchale-cultuur/, alsmede https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/06/gods-gebod-en-de-cultuur/.